Memorie van toelichting - Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

  • Inleiding

Bij het tot stand brengen van de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) in 1964 is reeds duidelijk onderkend, dat het vraagstuk van de werkloosheid vanuit het sociale zekerheidsbeleid niet uitsluitend mag worden benaderd met het treffen van een voorziening voor het loon dat als gevolg van de werkloosheid wordt gederfd. De uitkering alleen is niet voldoende om de gevolgen van de werkloosheid voor de betrokkenen op te vangen. De sociale zekerheidswetgeving dient daarom mede te zijn gericht op een zo snel mogelijke wederinpassing in het arbeidsproces. Om die reden werden bepalingen in de wet opgenomen die strekken tot bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Zo houdt artikel 36 WWV voor het gemeentebestuur de verplichting in om te bevorderen, dat op hervatting van de arbeid gerichte maatregelen worden genomen.

  • Wenselijkheid van wijziging van artikel 36 WWV

2.1. Voorgeschiedenis

Bij de uitvoering van het sociaal-culturele werk ingevolge artikel 36 WWV worden de gemeenten sinds geruime tijd geconfronteerd met knelpunten, die om een oplossing vragen. Er is sprake van een ontwikkeling om bij het opzetten van activiteiten in het kader van artikel 36 WWV steeds meer de nadruk te leggen op mogelijkheden voor herintreding in het arbeidsleven en minder op het tegengaan van de negatieve gevolgen van werkloosheid. In dit verband valt bijvoorbeeld te denken aan initiatieven op het terrein van arbeidstraining, arbeidsgewenning of het opsporen, selecteren en aanbieden van mogelijkheden om met behoud van uitkering onbeloonde werkzaamheden te verrichten. Naar haar doelstelling stemt deze (eerstbedoelde) categorie van activiteiten zeer wel overeen met het bepaalde in artikel 36 WWV. De vraag is evenwel gerechtvaardigd of hier nog wel van sociaal-cultureel werk kan worden gesproken. Daarentegen staat het karakter van sociaal-cultureel werk buiten twijfel bij de activiteiten die gericht zijn op het tegengaan van de negatieve psychosociale gevolgen van werkloosheid.

Hier doet zich echter het probleem voor, dat slechts in verwijderd verband betekenis voor het herstel van de relatie met het arbeidsleven aanwezig is. Tevens zijn deze activiteiten als zodanig veelal moeilijk te scheiden en te onderscheiden van de diverse plaatselijke bemoeiingen in het kader van het sociaal-cultureel werk in algemene zin.

Voorts doen zich problemen voor door het feit dat op grond van de huidige wettekst de activiteiten krachtens artikel 36 WWV zich slechts richten op werklozen met een WW-of WWV-uitkering. Dit leidt er toe dat met het oog op de financiering van sociaal-culturele activiteiten gemeenten zich vanwege de onderscheiden groepen uitkeringsgerechtigden tot twee ministeries (te weten Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur) dienen te wenden. Hierdoor wordt het gemeentebesturen moeilijk gemaakt een geïntegreerd beleid betreffende activiteiten voor werklozen op te zetten. Aangezien het toenmalige kabinet het wenselijk achtte om te komen tot een geïntegreerd beleid met betrekking tot activiteiten die gericht zijn op het herstel dan wel de instandhouding van de arbeidsgeschiktheid heeft ondergetekende mede namens de toenmalige staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk op 9 juli 1980 een voorstel tot wijziging van artikel 36 WWV met daarbij behorende toelichting ter advisering voorgelegd aan de Harmonisatieraad Welzijnsbeleid (HRWB), de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de Sociaal-Economische Raad (SER), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Sociale Verzekeringsraad (SVr). Het voorstel strekte ertoe de omschrijving van artikel 36 WWV in die zin te wijzigen dat daarin niet langer sprake zou zijn van sociaal-cultureel werk ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, doch van «voorzieningen tot herstel, behoud of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven» en daarnaast de mogelijkheid te scheppen dat -naast personen met een WWV-uitkering -niet alleen personen met een uitkering krachtens de WW, doch ook personen met een Rww-uitkering en gedeeltelijk arbeidsgeschikte uitkeringsgerechtigden ingevolge de WAO en de AAW van deze voorzieningen gebruik zouden kunnen maken. In het algemeen hebben de adviesorganen zich in hun adviezen positief uitgelaten over het voornemen tot wijziging van artikel 36 WWV, zij het evenwel dat zij daarbij ieder voor zich een aantal kanttekeningen hebben geplaatst. Sinds 1982 is aan de destijds deelnemende proefgemeenten en •gebieden in het kader van de Kaderwet specifiek welzijn de mogelijkheid gegeven een proef te nemen met het aan de adviesinstanties voorgelegde wetsconcept, zulks overeenkomstig het terzake door de Stuurgroep Ontwikkelingsprojecten (SOWP) uitgebrachte 6e advies. De SOWP heeft in haar 11e en 19e advies aanbevelingen gedaan inzake de toepassingsmogelijkheden van artikel 36 WWV, voornamelijk op financieel terrein. Naar aanleiding hiervan heeft het kabinet zich op het standpunt gesteld deze aanbevelingen aan te houden in afwachting van een binnenkort te verwachten te nemen beslissing over de herziening van artikel 36 WWV.

Met uitzondering van de vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties in de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de SER en in de Sociale Verzekeringsraad kunnen de adviesorganen zich verenigen met de uitbreiding van de doelgroep. Wel spreken zij zich uit voor een verdere verruiming daarvan. Uit de adviezen sprak eensgezindheid wat betreft de uitbreiding met op zijn minst bepaalde groepen niet-uitkeringsgerechtigden, zoals schoolverlaters en gehuwde vrouwen, en met openstelling van de activiteiten op grond van artikel 36 WWV voor alle arbeidsongeschikten. Alleen de VNG neemt in dezen een nog verdergaand Tweede Kamer, veraaderjaar 1986-1987, 20006, nr. 3

standpunt in. Ziij is van oordeel, dat deze activiteiten ook open moeten staan voor niet-actieven, die weliswaar als werkloos zijn aan te merken, maar zich niet als zodanig hebben laten inschrijven bij het arbeidsbureau. De vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties in de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de SER en in de SVr nemen een afwijkend standpunt in. Zij zijn van mening, dat er geen behoefte bestaat aan een nieuw artikel 36 WWV, omdat zij ervan uitgaan dat de financiering van algemeen vormende sociaal-culturele activiteiten door het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk wordt gewaarborgd en de gemeenten naar hun oordeel de specifieke instrumenten missen om beroepsgericht sociaal-cultureel werk uit te voeren.

Wat betreft de inhoud van de voorzieningen op grond van artikel 36 WWV heeft de HRWB begrip voor toespitsing van de doelstelling van artikel 36 WWV op het arbeidsleven gezien de plaats ervan in de WWV en de gerichtheid van de complementaire voorzieningen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het arbeidsleven. De Raad acht die toespitsing eveneens begrijpelijk vanuit een standpunt van verdeling van lasten. Hij beoordeelt de vervanging van het begrip «sociaalcultureel werk» door het ruimer begrip «voorzieningen» derhalve positief. Hierdoor krijgen nieuwe initiatieven die in grote verscheidenheid tot stand komen betere kansen. Het laat de gemeenten ruimte een eigen beleid te voeren, aangepast aan de plaatselijke situatie en mogelijkheden. Wel dient volgens de Raad ervoor te worden gewaakt dat zonodig een categoraal circuit van sociaal-culturele voorzieningen gaat ontstaan.

Zowel de VNG als de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de SER en de SVr hebben bezwaar tegen het voornemen de werking van artikel 36 WWV te beperken tot activiteiten, die als van direct belang voor de (weder)opneming in het arbeidsleven kunnen worden aangemerkt. Hoewel de twee laatstgenoemde adviesorganen het in beginsel eens zijn met de taakverdeling tussen de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur dient naar hun oordeel de financiering van de meer algemeen sociaal-culturele activiteiten voor werklozen, zoals die thans in het kader van het huidige artikel worden georganiseerd, verzekerd te blijven. De VNG heeft voorts nog bezwaar tegen het complementaire karakter van de toepassing van artikel 36 WWV ten opzichte van scholingsvoorzieningen en andere voorzieningen uit hoofde van het arbeidsvoorzieningsbeleid. De gemeentebesturen dienen in staat te worden gesteld een verantwoord lokaal beleid te voeren en zij pleit er voor dat op grond van artikel 36 WWV niet een beleid wordt voorgeschreven, dat alleen maar volgend is ten opzichte van het beleid dat in het kader van het arbeidsvoorzieningenbeleid wordt en is ontwikkeld.

Nadat de bovenbedoelde adviezen waren ontvangen en mede op basis van deze adviezen een voorstel van wet tot wijziging van artikel 36 WWV was opgesteld, heeft het toenmalige kabinet vanuit zijn streven naar deregulering het noodzakelijk geoordeeld dit voorstel nader te doen onderzoeken door de Commissie vermindering en vereenvoudiging van overheidsregelingen (de zogenoemde Commissie Geelhoed).

De Commissie, die de beoogde wetswijziging naar haar strekking eveneens positief beoordeelde, heeft niettemin aanleiding gevonden in het in maart 1984 door haar uitgebrachte eindbericht met betrekking tot het concept-wetsvoorstel een aantal wijzigingsvoorstellen te doen. De door deze Commissie in haar eindbericht gedane voorstellen, die door het kabinet zoals medegedeeld in de brief van de Minister van Justitie d.d. 27 juni 1 984 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn overgenomen, hebben betrekking op de uitbreiding

van de doelstellingen van de ontwerp-wetswijziging, op de vervanging van het bestaande systeem van openeind financiering door een aan het aantal plaatselijke, geregistreerde werklozen gekoppeld systeem, alsmede op de wijze van financiële toetsing van het gemeentelijke beleid bij de toepassing van artikel 36 WWV. De Commissie is voorts van oordeel, dat aan de doelstellingen van het wetsvoorstel, die zij onderschrijft, nog die van de beheersing der overheidsuitgaven en die van de decentralisatie dienen te worden toegevoegd. Door een engere omschrijving van de aard van de te financieren voorzieningen wordt immers het belang van de beheersing van de uitgaven gediend. De Commissie heeft daarbij wel naar voren gebracht, dat niet alleen in de memorie van toelichting maar ook in de wettekst zelf de directe gerichtheid van de voorzieningen op de arbeidsmarkt tot uitdrukking moet worden gebracht. Ten aanzien van de wijze van financiering is zij van oordeel, dat het bestaande systeem van openeind financiering vervangen dient te worden door een systeem, waarbij de financiering van de voorzieningen afhankelijk wordt gesteld van het aantal plaatselijke, geregistreerde werklozen. Een dergelijk systeem is voor de Commissie vanuit rechtvaardigheidsperspectief aanvaardbaar en voorziet tevens in een uitgavenplafond. De Commissie is tenslotte voorstander van een repressieve toetsing van het gemeente-beleid ex artikel 36 WWV door de rijksconsulent sociale zekerheid.

Het overnemen van de voorstellen van de Commissie had tot gevolg dat inzake de financiële vormgeving alsnog advies gevraagd diende te worden aan enige organen die niet eerder in de gelegenheid waren geweest zich daarover uit te spreken. Tegelijkertijd -op 9 januari 1986 -is ook aan de Emancipatie Raad advies gevraagd over het gehele wetsvoorstel, met het verzoek vooral aandacht te besteden aan de formulering van de doelgroep, die van de voorzieningen ingevolge artikel 36 WWV gebruik kan maken.

2.2. De invloed van de ontwikkelingen met betrekking tot de aard en de omvang van de werkloosheid.

Van belang voor de wenselijkheid van wijziging van artikel 36 WWV zijn tevens de ontwikkelingen, die zich de laatste jaren hebben voorgedaan met betrekking tot de aard en omvang van de werkloosheid en de beleving van de werkloosheid. In het midden van de zestiger jaren was werkloosheid voor de betrokkenen een veelal tijdelijk gegeven. Van een concentratie van werklozen bij bepaalde categorieën kon -behoudens wat betreft gehandicapten -nauwelijks worden gesproken. Een maatschappelijk vraagstuk rond de werkloosheid manifesteerde zich nog niet. Allengs ontstonden echter probleemvelden met betrekking tot de werkloosheid. Zo deden zich in de loop der jaren problemen voor met betrekking tot oudere werklozen, de werkloosheid in bepaalde regio's, de werkloosheid onder jeugdigen, vrouwen, gehandicapten en personen behorende tot minderheidsgroepen. Deze problemen zijn voor een deel van structurele aard. Een reeks van jaren steeg de werkloosheid zeer snel en zij beweegt zich ook nu nog op een zeer hoog niveau. Het bij de arbeidsbureaus ingeschreven aantal werkloze werkzoekenden bedraagt thans circa 700000'. Daarnaast maken momenteel circa 770000 personen aanspraak op een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid. Hoewel het kabinet er met kracht naar streeft om, mede in samenwerking met de vakbeweging en het georganiseerde bedrijfsleven, langs verschillende wegen de werkloosheid terug te dringen, laat het zich aanzien dat ons land nog geruime tijd met een omvangrijke werkloosheidsproblematiek geconfronteerd zal blijven. Daardoor worden de nadelige gevolgen en effecten van de werkloosheid, vooral nu deze voor grote groepen van langdurige tot zeer langdurige aard is, steeds klem-' bron: maandstatistiek voor de arbeidsmarkt, oktober 1986. 2 bron: Sociaal economische maandstatis tiek CBS, augustus 1986

mender. Klemmender ook in die zin, dat naarmate de werkloosheid langer duurt de kansen voor betrokkenen op (her)intreding in het arbeidsproces kleiner zullen worden. Overigens dient te worden benadrukt, dat binnen de groep langdurige werklozen nog steeds sprake is van doorstroming. Zo blijkt uit recente gegevens dat na een werkloosheid van meer dan drie jaar een uitstroomkans restewert van ruim 14%1. Mede tegen die achtergrond beijvert het kabinet zich onder meer te bevorderen dat met name werkloze jongeren zoveel mogelijk een plaats in het arbeidsproces verwerven of althans ervaring in de praktijk van het arbeidsleven kunnen opdoen.

Daarnaast pogen velen zelf tijdens hun werkloosheid, wanneer die van lange duur dreigt te zijn, het gemis aan arbeid te vervangen door alternatieve activiteiten, zoals het deelnemen aan educatieve activiteiten en het verrichten van onbeloonde arbeid. Gelet echter op de plaats van de arbeid in onze samenleving, waaraan niet alleen een inkomen maar ook in allerlei andere opzichten door de betrokkenen hun maatschappelijke positie en ontplooiingsmogelijkheden worden ontleend, heeft de overheid ook in ruimere zin de plicht er naar te streven, dat voor beroepsmatig niet-actieven mogelijkheden om in arbeid te functioneren worden geschapen, dat de geschiktheid van de betrokkenen voor arbeid wordt behouden of herstel en ook anderszins hun kansen om weer in enigerlei vorm aan het arbeidsleven deel te nemen zoveel mogelijk worden bevorderd. Naast de individuele en maatschappelijke belangen die daarbij in het geding zijn, zijn op het vorengenoemde doel gerichte activiteiten ook van groot gewicht om de noodzaak van een blijvend beroep van werklozen op de sociale zekerheidsregelingen tegen te gaan. Langer durende werkloosheid vergroot immers het gevaar dat door arbeidsontwenning de arbeidsgeschiktheid dan wel het geloof in eigen kunnen afneemt en de betrokkenen blijvend op een sociale zekerheidsuitkering zijn aangewezen. Maatregelen om dit gevaar tegen te gaan moeten primair worden gezocht binnen het instrumentarium van het arbeidsvoorzieningsbeleid. Waar nodigt moeten evenwel ook de gemeenten als uitvoeringsorgaan op het terrein van de sociale zekerheid in staat zijn om in het complementaire vlak via specifieke, op bevordering van arbeidsgeschiktheid gerichte maatregelen de kansen op herintreding in het arbeidsleven in stand te houden of te vergroten en het noodzakelijke beroep op de sociale zekerheid te verminderen.

2.3. De invloed van de ontwikkelingen met betrekking tot de aard en het bereik van de activiteiten voor werklozen.

De wenselijkheid van wijziging van artikel 36 WWV wordt voorts nog benadtrukt door de ontwikkelingen, welke zich de afgelopen jaren hebben voltrokken met betrekking tot de aard en het bereik van de voorzieningen, die activiteiten voor werklozen beogen. Op velerlei wijzen worden ten behoeve van en door werklozen activiteiten georganiseerd, welke zich uitstrekken van opvang van negatieve gevolgen van de werkloosheid, via zelfontplooiing tot werkprojecten voor werklozen. Hierbinnen ligt een breed scala aan mogelijkheden. De vraag doet zich dan voor welke specifieke regelgeving van toepassing is, aangezien zowel het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur als van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich op dat terrein bewegen. Tussen beide ministeries bestaat consensus ten aanzien van hetgeen tot ieders beleidsterrein behoort. Deze houdt in dat de voorzieningen, die zich richten op opvang van de negatieve gevolgen van de werkloosheid en op de bevordering van zinvolle tijdsbesteding, geacht worden te behoren tot het beleidsterrein van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de i bron: Rapportage arbeidsmarkt 1986

voorzieningen die direct zijn gericht op behoud, herstel en bevordering

van de arbeidsgeschiktheid met het oog op (her)intreding in het arbeidsleven gerekend moeten worden tot dat van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ondanks deze toedeling kunnen in de praktijk twijfels bestaan ten aanzien van «grensgevallen». De vraag tot wiens beleidsterrein deze voorzieningen dienen te worden toebedeeld moet worden beantwoord op basis van de omstandigheden, zoals de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de concrete inhoud van de voorzieningen. De afbakening met het beleidsterrein van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen wordt het best aangeduid door artikel 36-voorzieningen aan te duiden als complementair. Op de inhoud van dit begrip wordt in het navolgende nog teruggekomen.

  • Kernpunten van het voorliggende wetsvoorstel

Het bovengenoemde advies van de Commissie vermindering en vereenvoudiging van overheidsregelingen alsmede de adviezen van de Emancipatie Raad, de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de SER, de VNG, de SVr en de HRWB, alsook de in de afgelopen jaren opgetreden ontwikkelingen met betrekking tot de werkloosheid hebben mij aanleiding gegeven tot het aanpassen van het oorspronkelijke conceptvoorstel. Hieronder wordt nader ingegaan op de volgende kernpunten van het voorliggende wetsvoorstel: 1. de doelgroep van artikel 36 WWV; 2. de inhoud van de activiteiten op grond van artikel 36 WWV, 3. de verhouding tot andere voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid en de verhouding tot de herziening van het stelsel van sociale zekerheid; 4. de rol van de gemeenten bij het treffen van voorzieningen in het kader van artikel 36 WWV.

3.1 Doelgroep van artikel 36 WWV.

Met uitzondering van het standpunt van de vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties in de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de SER en in de SVr wordt in alle ontvangen adviezen instemming betuigd met de destijds voorgestelde uitbreiding van de doelgroep van artikel 36 WWV tot uitkeringsgerechtigden krachtens de Rww, AAW en WAO. Wel komt in de adviezen de wens naar voren de doelgroep verder uit te breiden in de richting van volledig arbeidsongeschikten en van niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden. Naar aanleiding hiervan wil ik het volgende opmerken. Ingevolge het huidige systeem is het mogelijk, dat personen, die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, in feite toch een zekere restcapaciteit bezitten. Het onthouden van deelneming aan de activiteiten op grond van artikel 36 WWV aan deze groep zou een onbillijke beperking betekenen van hun mogelijkheden voor herstel van de band met het arbeidsleven. Daarentegen zou uitbreiding tot volledig arbeidsongeschikten niet passen in een systeem, zoals dat door de maatregelen in het kader van de stelselherziening wordt beoogd, waarin bij de bepaling van het arbeidsom geschiktheidspercentage alleen wordt uitgegaan van de medisch-arbeidskundige arbeidsongeschiktheid. Zoals bekend zal het door het voorgestelde overgangsrecht nog geruime tijd blijven voortduren, dat werkloosheid in arbeidsongeschiktheidsuitkeringen wordt verdisconteert. Het lijkt mij daarom ook nu nog juist, dat de doelgroep wat betreft arbeidsongeschikten in zoverre wordt uitgebreid, dat de voorzieningen ingevolge artikel 36 WWV ook openstaan voor alle arbeidsongeschikten, voor zover zij zich op grond van hun restcapaciteit voor meer dan een derde van de normale Tweede Kamer, veraaderjaar 1986-1987, 20006, nr. 3

arbeidsduur als werkzoekende bij het arbeidsbureau hebben doen inschrijven. Met het begrip normale arbeidsduur wordt bedoeld de in een bepaalde bedrijfstak ten behoeve van onderscheidene leeftijdscategorieën nader vastgestelde, gebruikelijke arbeidsduur. Het ziet in ieder geval niet op de persoonlijke, gebruikelijke arbeidsduur. De hier gestelde voorwaarde is een minimum voorwaarde om aan de activiteiten ex artikel 36 WWV te kunnen deelnemen en laat uiteraard onverlet de voorwaarden zoals ten aanzien van de arbeidsduur waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te kunnen komen voor uitkering.

Wat betreft de wens om de doelgroep uit te breiden met niet-uitkeringsgerechtigden ben ik van oordeel dat complementaire voorzieningen in het kader van de sociale zekerheidswetgeving strikt beschouwd daartoe niet het geëigende instrument zijn. De voorzieningen gericht op werklozen en arbeidsongeschikten hebben binnen die wetgeving een eigen functie en lenen zich in beginsel niet voor toepassing op personen op wie de sociale zekerheidsregelingen niet van toepassing zijn en die daaraan geen uitkeringsrechten kunnen ontlenen. Voorzieningen en uitkeringen maken hier deel uit van een samenhangend geheel. Bij de onderhavige specifieke voorziening staat echter de band met het arbeidsleven centraal. Tegen deze achtergrond acht ik het te rechtvaardigen de doelgroep eveneens uit te breiden met niet-uitkeringsgerechtigden, voor zover zij blijk hebben gegeven een dergelijke band te willen hebben door inschrijving als werkzoekende bij het arbeidsbureau voor meer dan een derde van de normale arbeidsduur. Door dit criterium aan te houden wordt naar mijn oordeel enerzijds recht gedaan aan de plaats van deze voorziening in het geheel van het op (her)intreding in het arbeidsbestel gerichte instrumentarium en wordt anderzijds voldoende ruimte gelaten voor alle werkzoekenden om daarin te participeren. In zijn advies van 3 maart 1986 geeft de Raad voor de gemeentefinanciën te kennen positief te staan tegenover een uitbreiding van de doelgroep tot niet-uitkeringsgerechtigden. Zo ook de Emancipatieraad in zijn advies van 27 maart 1986. De uitbreiding -zo stelt de Emancipatieraad -biedt vooral mogelijkheden voor het treffen van voorzieningen gericht op vrouwen die krachtens de WW en de WWV niet-uitkeringsgerechtigd zijn. De eis van ingeschreven zijn bij een arbeidsbureau acht de Raad gerechtvaardigd, mits de voorlichting en werving ten aanzien van deze voorzieningen zich uitdrukkelijk mede richten op de werkzoekenden, die (nog) niet zijn ingeschreven. Ik onderschrijf die opvatting, en zal daar in mijn contacten met de gemeenten ook op (laten) wijzen. De ER mist een objectieve rechtvaardiging voor de eis van een beschikbaarheid van minstens een derde van de volle arbeidstijd. Ik meen dat die rechtvaardiging er wel is. De voorzieningen zijn immers gericht op verbetering van arbeidskansen. Dat doel kan alleen worden nagestreefd als de voorzieningen worden toegepast ten aanzien van personen, die werkelijk van plan én in de gelegenheid zijn arbeid in een niet te verwaarlozen omvang te aanvaarden. Overigens hebben de gemeenten -zoals de ER wil -de vrijheid, om ook personen, die niet aan deze beschikbaarheidseis kunnen voldoen, tot de voorzieningen toe te laten. De daaraan verbonden kosten zullen echter niet op grond van de WWV kunnen worden vergoed. Een ruimere omschrijving van de personenkring dan thans in het voorgestelde wetsartikel is opgenomen lijkt mij op grond van het bovenstaande niet nodig en niet wenselijk.

3.2 Inhoud van activiteiten op grond van artikel 36WWV Naast de verruiming van de doelgroep staat in het wetsvoorstel de herschikking van het activiteitenpakket centraal. In afwijking van de vroegere aanduiding van sociaal-culturele activiteiten is het uitgangspunt in het voorliggende voorstel, dat de te subsidiëren

activiteiten in directe zin moeten bijdragen aan het herstel, behoud of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Als zodanig vervult het artikel op een meer rechtstreekse wijze zijn functie als complementaire voorziening in het kader van de sociale zekerheid. Deze complementariteit houdt in dat in aanvulling op het voorliggende instrumenterium vanuit de arbeidsvoorziening, activiteiten vallend onder de verantwoordelijkheid van de Ministeries van Onderwijs en Wetenschappen en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, door het gemeentebestuur voorzieningen kunnen worden getroffen die in directe zin zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Het is niet mogelijk tot een algemene, inhoudelijke en door de jaren heen haar geldigheid behoudende afbakening te komen tussen deze gemeentelijke voorzieningen enerzijds en het arbeidsvoorzieningsbeleid, het welzijnsbeleid en het onderwijsbeleid anderzijds. Dit vanwege zowel feitelijke ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, veranderingen in de samenstelling van het werklozenbestand, veranderende maatschappelijke opvattingen over de betekenis van een specifiek voorzieningenbeleid voor werklozen alsmede veranderende sociaal-economische omstandigheden.

Ten aanzien van het instrumentarium van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen bijvoorbeeld houdt het complementaire karakter in dat artikel 36 WWV een basis geeft voor activiteiten voor zover deze niet in het kader van de (beroepsgerichte) volwasseneneducatie, met inbegrip van de oriënterende en schakelende activiteiten, gerealiseerd kunnen worden. Bij de uitvoering van activiteiten ingevolge dit artikel kan met name ook gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van de educatieve infrastructuur. Zoals in artikel 36 WWV staat aangegeven, treft de gemeente indien de omstandigheden daarvoor gronden opleveren, met het oog op herintreding in het arbeidsleven voorzieningen, die in directe zin zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Dit houdt in dat enerzijds de te treffen voorzieningen hun begrenzing vinden in de te verwachten bijdrage aan verbetering van het arbeidsmarktperspectief van de werklozen en anderzijds vanwege het complementaire karakter van artikel 36 WWV in het reeds bestaande aanbod van voorzieningen en mogelijkheden voor deelneming aan reguliere vormen van educatie ter verkrijging van vakbekwaamheid. Hiertoe is het nodig dat de gemeente inzicht heeft in de regionale arbeidsmarkt en de ontwikkelingen daarop alsmede in het bestaande aanbod van voorzieningen. De voorgestelde wijziging in het activiteitenpakket wordt in alle ontvangen adviezen ondersteund met uitzondering van het standpunt van de vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties in de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de SER en die in de SVr. Ik ben van mening dat door de voorgestelde herschikking meer wordt aangesloten bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Daardoor kunnen nieuwe initiatieven -zoals ook de Harmonisatieraad Welzijnsbeleid stelt -betere kansen krijgen en wordt de gemeenten meer ruimte gelaten voor het voeren van een eigen beleid, aangepast aan de plaatselijke situatie en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Ik zal in mijn contacten met de gemeenten wijzen op de door de Emancipatieraad gesignaleerde en door mij onderschreven wenselijkheid om in hun voorzieningenbeleid -en ook in de werving -speciale aandacht te schenken aan de (her)intreding van vrouwen. Binnen de beoogde decentralisatie van beleid past het naar mijn mening echter niet om -zoals de Emancipatieraad voorstelt -gemeenten voor te schrijven dat zij jaarlijkse taakstellingen moeten opstellen of om hun voor te schrijven een bepaald deel van de beschikbare middelen te besteden aan (her)intredende vrouwen. Hetzelfde geldt ten aanzien van een voorschrift tot opneming in de commissie van twee vrouwen met deskundigheid en ervaring met betrekking tot de doelgroep van herintredende vrouwen. Wel zullen de Tweede Kamer, veraaderjaar 1986-1987, 20006, nr. 3

gemeenten op de wenselijkheid van de inbreng van deze deskundigheid worden gewezen.

De Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de SER betoogt dat in het vlak van werkloosheidsbestrijding activiteiten die op het opheffen van werkloosheid zijn gericht, veelal gepaard dienen te gaan met activiteiten die zijn gericht op het opheffen van de meer algemene problematiek van sociale en culturele achterstand en maatschappelijk isolement van bepaalde groeperingen. Ik wil de juistheid van dit betoog in zijn algemeenheid niet ontkennen. Ik heb dan ook begrip voor de bezorgdheid welke uit dit advies en dat van de VNG spreekt met betrekking tot de financiering van niet rechtstreeks op de bevordering van op (her)intreding in het arbeidsleven gerichte activiteiten na totstandkoming van de voorgestelde herziening van artikel 36 WWV.

Ik wil echter benadrukken dat artikel 36 WWV gezien moet worden als een complementaire voorziening binnen het stelsel van sociale zekerheid. Enerzijds betekent dit een versterking van de gerichtheid op het arbeidsbestel, anderzijds een beperking en afbakening in de richting van voorzieningen, gericht op opvang van negatieve gevolgen van werkloosheid en op bevordering van zinvolle tijdsbesteding zoals die kunnen worden gesubsidieerd op grond van de wet en regelgeving op het terrein van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Hieruit volgt, dat ik het oneens ben met de stelling van de Raad voor het Binnenlands Bestuur in zijn eigener beweging uitgebracht advies van 19 januari 1983, dat het de voorkeur zou verdienen de voorzieningen ingevolge artikel 36 WWV in te sluizen in de rijksbijdrageregeling sociaal-cultureel werk. Een algemeen geldende «blauwdruk» van voorzieningen, die direct zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid danwei op opvang van negatieve gevolgen van werklozen en op bevordering van zinvolle tijdsbesteding valt overigens niet aan te geven. Het zijn met name de gemeentebesturen die op grond van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt alsmede de concrete inhoud van de voorzieningen dienen te bepalen tot welke categorie de op lokaal niveau getroffen voorzieningen behoren. De financiële lasten die sociaal-culturele voorzieningen met zich brengen, kunnen en mogen echter niet ten laste komen van het budget van de sociale zekerheid.

Voor zover het plaatselijk wenselijk wordt geacht om in programma's voor werklozen en arbeidsongeschikten meer op opvang gerichte activiteiten te combineren met op grond van artikel 36 WWV georganiseerde activiteiten behoeft de voorgestelde wijziging van artikel 36 WWV daarvoor geenszins een beletsel te betekenen, al zal uiteraard een nauwlettende specificatie en toerekening van kosten noodzakelijk zijn. De tekst van de wet biedt daarvoor evenals thans ruimte. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten richt haar bezwaren tegen de beperking, welke gelegen is in het complementaire karakter van artikel 36 WWV bij toepassing daarvan in relatie tot de maatregelen op het terrein van arbeidsvoorziening en van het algemene sociaal-culturele werk. Naar aanleiding daarvan wijs ik er op dat de voorgenomen wijziging van artikel 36 WWV in dezen geen verandering met zich brengt. Ik wil daarbij nog benadrukken, dat om redenen van doelmatigheid en van zorgvuldigheid bij het besteden van overheidsgelden ik het onverantwoord acht dat gemeenten op basis van artikel 36 WWV activiteiten zouden ontwikkelen waarin door de arbeidsbureaus (onder meer met toepassing van arbeidsvoorzieningsmaatregelen) of vanwege het regionaal educatief overleg reeds is voorzien of waarvoor artikel 57, AAW is bestemd. Op deze wijze wordt vorm gegeven aan de noodzaak tot consistent beleid op plaatselijk en regionaal niveau, en krijgt de betrokkenheid van gemeenten bij de arbeidsvoorziening en de planningskaders voor de volwassenen-

educatie zoals voorzien in de kaderwet volwasseneneducatie concrete betekenis. Anderzijds echter wijs ik evenzeer af het standpunt van de vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties in de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de SER en in de SVr, volgens welke de gemeentebesturen niet in staat zouden zijn gestalte te geven aan een beleid dat op bevordering van arbeidsgeschiktheid en (her)intreding in het arbeidsleven is gericht. In dit verband behoef ik bij wijze van voorbeeld slechts te wijzen op de ontwikkeling van de sociale werkvoorziening onder de primaire verantwoordelijkheid van de gemeentebesturen.

3.3 Verhouding voorzieningen ex artikel 36 WWV tot andere voorzieningen In de eerste plaats wil ik benadrukken dat artikel 36 WWV gezien moet worden als een wezenlijk onderdeel van de zogenoemde complementaire sociale voorzieningen. Voor deze aanvullende en specifiek gerichte voorzieningen komen in aanmerking uitkeringsgerechtigden en personen die voorshands (nog) geen recht op een uitkering hebben of geen recht meer hebben. Dergelijke voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de maatschappelijke (re)integratie zijn onder meer geregeld in de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en de WWV. Het complementaire karakter blijkt hieruit dat de voorzieningen ex artikel 36 WWV betrekking hebben op activiteiten waarin niet is voorzien in het kader van de arbeidsvoorziening of de planningskaders van de volwasseneneducatie (Kaderwet volwasseneneducatie). Ten aanzien van de onderlinge verhouding tussen de voorgestelde wijziging van artikel 36 WWV en de overige op herintreding gerichte voorzieningen merk ik het volgende op. Voor voorzieningen in het kader van de AAW (voorzieningen ex artikel 57) ligt het aangrijpingspunt in de ziekte of het gebrek van de verzekerde. De voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid in de AAW zijn gericht op de opheffing van de individuele gevolgen van ziekte of handicap in relatie tot de (her)intreding in de arbeid. Deze voorzieningen hebben derhalve een specifiek karakter en zijn individueel bepaald. Voor de beoordeling van de noodzaak en de effecten van deze voorzieningen zijn bijzondere kennis en ervaring nodig. De medische en arbeidskundige aspecten spelen hierbij een doorslaggevende rol. De voorzieningen in het kader van artikel 36 WWV liggen in een ander vlak dan de AAW-voorzieningen. Uitgangspunt voor het treffen van voorzieningen ex artikel 36 WWV zijn, zoals gezegd, de gevolgen van de werkloosheid voor zover deze van invloed zijn op de geschiktheid om arbeid te verrichten. Deze gevolgen manifesteren zich in meer algemene zin voor grote groepen werklozen. Om deze specifieke, nadelige gevolgen van de werkloosheid tegen te gaan kunnen, zoals hiervoor is aangegeven, allerlei groepsactiviteiten zowel van cursorische als praktische aard worden georganiseerd. Ten tweede doet zich een relatie voor met betrekking tot het verrichten van onbeloonde arbeid met behoud van uitkering. De laatste jaren is onder invloed van de toename van werkloosheid het beleid betreffende het toestaan van op ontplooiing gerichte activiteiten en het verlenen van faciliteiten sterk in ontwikkeling gekomen. Het betreft daarbij met name initiatieven op het terrein van bijvoorbeeld arbeidstraining, arbeidsgewen ning of het opsporen, selecteren en aanbieden van mogelijkheden om met behoud van uitkering onbeloonde activiteiten te verrichten. Een nadere regeling van deze materie kan, mede met het oog op de mogelijk ongewenste consequenties van het werken met behoud van uitkering, niet achterwege blijven.

Om die reden is u op 30 mei 1986 een voorstel van Wet onbeloonde arbeid door uitkeringsgerechtigden (WOAU) (Kamerstuk II 1985-1986, 19549) aangeboden. Het voorliggende voorstel is aanvullend en ondersteunend ten aanzien van de regeling met betrekking tot werken met behoud van uitkering. De wet onbeloonde arbeid door uitkeringsgerechtigden zal het kader aangeven waarbinnen het mogelijk is om onbeloonde activiteiten te verrichten zonder dat daardoor het recht op uitkering van betrokkenen in gevaar komt. De doelstellingen die hebben geleid tot het aanbieden van deze mogelijkheden passen geheel in de strekking van het voorliggende voorstel. Het door de WOAU aangegeven kader kan en moet door initiatiefnemers nader worden ingevuld. Dit kader is mede richtinggevend voor de activiteiten die binnen het raam van artikel 36 WWV kunnen worden verricht, voor zover het in concreto het verrichten van onbeloonde arbeid treft. Voorzieningen ex artikel 36 WWV zijn in die zin ondersteunend en aanvullend dat zij de gemeenten een direct toepasbaar instrument verschaffen waarmee dat kader kan worden ingevuld door middel van concrete projecten. Het in het kader van artikel 36 WWV op te zetten aanbod aan activiteiten kan daarbij in cursorisch en educatief opzicht leiden tot een praktische en theoretische verdieping van de op herintreding gerichte activiteiten. Als zodanig kan het leiden tot vergroting van de effectiviteit van het werken met behoud van uitkering voor de werklozen zelf. Aandacht vraagt voorts de verhouding tussen gemeentelijke activiteiten op grond van artikel 36 WWV en het arbeidsvoorzieningsbeleid. Vooropgesteld zij daarbij dat de bij de toepassing van artikel 36 WWV in het geding zijnde belangen ruimte eisen voor een dynamisch en flexibel beleid, waardoor het mogelijk wordt aan plaatselijke behoeften tegemoet te komen en dat derhalve niet aan te enge grenzen mag worden gebonden. Daar tegenover staat, dat voorzieningen krachtens artikel 36 WWV zich niet zover mogen uitstrekken dat zij het arbeidsvoorzieningsbeleid zouden doorkruisen of dat daardoor doublures ontstaan. Zij mogen derhalve geen voorzieningen, zoals bepaalde scholingsactiviteiten, inhouden, welke direct zijn gericht op de arbeidsmarkt en waarin door het arbeidsvoorzieningsinstrumentarium door middel van het arbeidsbureau wordt of kan worden voorzien. Ook arbeidsbemiddeling in de sfeer van betaalde beroepsarbeid dient uiteraard voorbehouden te blijven aan de organen van de arbeidsvoorziening. Ter zake wijs ik op het belang van het aangaan van samenwerkingsafspraken tussen gemeentebestuur en arbeidsbureau. Om zoveel mogelijk rendement van de voorzieningen te verkrijgen -door deze waar mogelijk te bundelen dan wel goed op elkaar te laten aansluiten -is het zinvol dat tussen gemeentebesturen en arbeidsbureau afspraken tot samenwerking worden gemaakt. Deze kunnen hierin bestaan, dat afstemming op eikaars plannen plaatsvindt met betrekking tot onder andere doelgroep, activiteiten en doorstromingsmogelijkheden. Voorts kan periodiek overleg hetzij in de betrokken adviescommissies hetzij in de commissie van advies en bijstand van het arbeidsbureau bijdragen aan het verkrijgen van een beter inzicht inzake ieders verantwoordelijkheden en mogelijkheden. Bij het organiseren van activiteiten kan daarmee rekening worden gehouden. Op deze wijze lijkt afbakening van de verschillende voorzieningen op het hier bedoelde terrein op gemeentelijk niveau redelijk verzekerd.

De gewijzigde opzet van artikel 36 WWV houdt voorts in, dat in de praktijk de in het kader van artikel 36 WWV getroffen voorzieningen duidelijk onderscheiden zullen moeten worden van activiteiten die niet (of slechts in verwijderd verband) op herintreding in het arbeidsleven zijn gericht. Deze behoren tot de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Daarmee is niet gezegd dat in het pakket dat onder het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en

Cultuur ressorteert, geen elementen aanwezig kunnen zijn die van waarde kunnen zijn voor de herintreding in het arbeidproces. Op grond van artikel 36 WWV zullen echter uitsluitend die activiteiten kunnen worden bekostigd die aanwijsbaar direct zijn gericht op (re)integratie in het arbeidsleven van de deelnemende personen. Bij gemeentelijke activiteiten met het karakter van sociaal-cultureel werk is tot nu toe een onderscheid als bovenbedoeld niet altijd duidelijk aanwezig of is van specifiek op het arbeidsleven gerichte activiteiten in onvoldoende mate sprake.

De voorgestelde wijziging van artikel 36 WWV zal echter naar verwachting bijdragen tot een duidelijker gerichte en meer gedifferentieerde structuur van gemeentelijke activiteiten voor beroepsmatig niet-actieven. Daarbij zullen de gemeentebesturen ten aanzien van eenzelfde categorie van activiteiten nog maar met een subsidiënt te maken hebben. In het voorgaande ligt besloten dat activiteiten van recreatieve aard en ook activiteiten die gericht zijn op opvang van negatieve gevolgen of zinvolle tijdsbesteding niet meer op grond van artikel 36 WWV kunnen worden georganiseerd. Artikel 36 WWV is immers een instrument in de sociale zekerheidsregelingen dat als zodanig binnen de doelstellingen van het sociale zekerheidsbeleid dient te functioneren.

Ook moeten de in het kader van artikel 36 WWV getroffen voorzieningen worden onderscheiden van de regulier door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen bekostigde voorzieningen. Terecht wordt hier door de VNG in haar advies van 24 april 1986 op gewezen. Ook moeten de in het kader van artikel 36 WWV getroffen voorzieningen worden bezien in relatie tot de educatieve activiteiten die mogelijk zijn op grond van de planning in het kader van de Kaderwet volwasseneneducatie, waaronder zijn begrepen de beroepsopleidingen en cursussen die door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen geheel of gedeeltelijk worden bekostigd. Deze benadering sluit aan op voornoemd advies van de VNG. Ingevolge de wijzigingen van de Wet op het voortgezet onderwijs en de wetgeving inzake cursorisch beroepsonderwijs zal hierin sprake zijn van een geflexibiliseerd aanbod dat meer omvat dan uitsluitend op diplomagerichte opleidingen, met name ook oriënterende en schakelende activiteiten en op kwalificaties gerichte activiteiten. Ook de Primaire Beroepseducatie voor Volwassenen kan hierbij een rol spelen. In dit verband wil ik er nog op wijzen dat de in het kader van artikel 36 WWV georganiseerde voorzieningen ook geen activiteiten mogen inhouden, waarin door de educatieve infrastructuur wordt of kan worden voorzien. Dit geldt evenzeer voor het beleid gericht op de flexibilisering ervan. Gelet op de doelstellingen van dit wetsvoorstel lijkt het mij overigens een goede zaak indien de gemeenten bij het opstellen van hun plannen waar het betreft het organiseren van educatieve activiteiten gebruik maken van de mogelijkheden van de educatieve infrastructuur. Het verdient sterk de voorkeur afstemming van de planning van deze activiteiten te doen plaats vinden in het kader van het regionaal educatief overleg zoals voorzien in de Kaderwet volwasseneneducatie. Bij de noodzakelijke evaluatie van het beleid (zie hoofdstuk 4 inzake de financiële aspecten) zal ook de vraag worden betrokken in hoeverre die afstemming bevredigend is verlopen. Tot slot wil ik kort nader ingaan op de relatie van het voorliggende voorstel met de herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Bij de voorstellen tot herziening van het sociale zekerheidsstelsel is de materie van het voorzieningenbeleid in eerste aanleg buiten beschouwing gelaten om deze reeds veel omvattende herziening niet nog meer te compliceren. Er is derhalve in de nieuwe Werkloosheidswet thans nog geen sprake van een uitgewerkt onderdeel betreffende de voorzieningen. In deze wet is wel ruimte gereserveerd voor bepalingen inzake de bevoegdheden,

mogelijkheden en verplichtingen bij het in aanmerking brengen voor voorzieningen door het uitvoeringsorgaan en het gebruik maken daarvan door werkloze werknemers. In de komende tijd moet een nadere bezinning op de aard en doelstelling van de complementaire sociale voorzieningen in onderlinge samenhang plaatsvinden en moet nadere uitwerking worden gegeven aan een adequaat voorzieningenbeleid voor werklozen. Ten einde zo spoedig mogelijk over een uitgewerkt instrumentarium te kunnen beschikken, waarmee de uitvoeringsorganen in relatie tot de mogelijkheden van andere uitvoeringsorganen een actief beleid ter zake kunnen voeren, zal over opzet, inhoud, financiering en uitvoering van dit voorzieningenbeleid voor werklozen op korte termijn een adviesaanvrage aan de SER, SVr, VNG en ER worden gericht.

Het onderhavige voorstel loopt in zekere zin vooruit op het op basis van de uit te brengen adviezen verder vorm te geven, geïntegreerde voorzieningenbeleid vanuit de sociale zekerheid. Ook bij die verdere vormgeving zullen het direct gericht zijn van de voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschikheid en de noodzaak te komen tot een goede afbakening met vooral het welzijnsbeleid, scholingsbeleid en het arbeidsvoorzieningsbeleid vooropstaan. Een vooruitlopen op de definitieve vormgeving van het geïntegreerde voorzieningenbeleid is op dit moment noodzakelijk en wenselijk, omdat aldus in ieder geval de gemeenten de mogelijkheid krijgen nu ervaring op te doen met de aanwending van de mogelijkheden, die artikel 36 WWV, nieuwe stijl biedt. Dit laat onverlet de noodzaak om bij de advisering over de definitieve vormgeving van het voorzieningenbeleid voor werklozen in het algemeen, het dan geldende artikel 36 WWV zowel naar vormgeving als naar inhoud opnieuw te bezien. Ik kan me wat dit betreft verenigen met het oordeel van de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de SER in haar advies van 19 maart 1986. De thans voorliggende voorstellen hebben in zoverre een tijdelijk en voorlopig karakter. Op grond van de advisering over een geïntegreerd voorzieningenbeleid voor werklozen in het algemeen zal het kabinet zijn conclusies moeten trekken en daaraan vorm moeten geven in wetsvoorstellen, in hoofdzaak strekkende tot invulling van de nu nog gereserveerde bepalingen in de nieuwe Werkloosheidswet. In dat kader zal dan tevens de rol welke het gemeentelijk beleid binnen het geheel van het voorzieningenbeleid dient te vervullen, nader worden bekeken. Eventueel dan als noodzakelijk of wenselijk beoordeelde aanpassingen van het voor de gemeenten beschikbare instrumentarium zullen bij gelegenheid van die nieuwe wetsvoorstellen kunnen worden meegenomen. Ik acht het daarom niet noodzakelijk de hier voorgestelde wijzigingen van een expiratiedatum te voorzien Dat zou trouwens ook praktische moeilijkheden opleveren, gegeven de onmogelijkheid nu reeds te voorzien of, op welke wijze en op welk moment aanpassing wenselijk zou kunnen zijn.

3.4 De rol van de gemeente bij het treffen van voorzieningen in het kader van artikel 36 WWV In het voorgaande is al uiteengezet dat bij de thans voorgestelde wetswijziging zowel de kring van personen die van de voorzieningen krachtens artikel 36 WWV gebruik kunnen maken, alsook de aard van die voorzieningen verandering ondergaat. Van enkele zijden is twijfel geuit, of de gemeente nog wel het aangewezen orgaan is voor het treffen van de hierbedoelde voorzieningen. Naar mijn opvatting zijn voor de gemeente juist op dit terrein een belangrijke taak en verantwoordelijkheid weggelegd. Binnen de bestuurlijke sfeer van de overheid is het in de eerste plaats de gemeente die wordt

geconfronteerd met de sociale problematiek van de gevolgen van de werkloosheid, waarvan aard, omvang en intensiteit van gemeente tot gemeente verschillen. Tegen deze achtergrond is de gemeente als het orgaan aan te merken, dat in staat is voorzieningen tot bevordering van (her)intreding in het arbeidsleven in te bedden in een breder, geïntegreerd programma van activiteiten ten behoeve van niet-actieven. De effectiviteit van voorzieningen ten behoeve van bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden kan worden verhoogd indien deze voorzieningen aangepast aan de plaatselijke omstandigheden worden getroffen. Bovendien kan afhankelijk van individuele omstandigheden en behoeften voor bepaalde personen -naast deelname aan activiteiten in het kader van artikel 36 WWV -ook participatie in vormen van opvang en zinvolle tijdsbesteding van belang zijn. Uiteraard dringt zich daarbij de noodzaak op van een goede afstemming ten opzichte van het arbeidsvoorzieningsbeleid en het revalidatiebeleid krachtens de AAW en de WAO.

  • Financiële aspecten

In het wijzigingsvoorstel zijn twee hoofdelementen aan te wijzen, waaruit financiële gevolgen voortvloeien. Het eerste betreft de nadere specificatie van het soort voorzieningen, waarvoor vergoeding van rijkswege zal worden verleend. Hiermede wordt beoogd een duidelijke beperking te stellen aan de reikwijdte van de krachtens de WWV te vergoeden voorzieningen. Activiteiten die niet in directe zin zijn gericht op een herintreden in het arbeidsleven, worden daaronder niet meer begrepen. In dit verband heeft de commissie-Geelhoed in haar eindbericht gesteld, dat door de voorgestelde omschrijving van de aard van de te financieren activiteiten het belang van de beheersing van overheidsuitgaven wordt gediend. Het tweede element dat van belang is voor de financiële gevolgen van de voorgestelde wetswijziging is gelegen in de uitbreiding van de doelgroep. Op grond hiervan zouden de uitgaven hoger kunnen uitvallen dan bij ongewijzigd beleid het geval zou zijn. In verband hiermee is de financiële vormgeving van het nieuwe beleid ex artikel 36 WWV van groot belang. Ten aanzien hiervan heeft de commissie-Geelhoed overwogen, dat de te kiezen financieringsstructuur de gemeenten in staat moet stellen binnen de marges van de wet de hen toekomende gelden naar eigen inzicht te besteden. Anderzijds moet die structuur zekerheid geven over de hoogte van de uitgaven. Ter vervanging van het systeem van de openeindfinanciering heeft de Commissie voorkeur uitgesproken voor een systeem, waarbij de rijksbijdrage aan de gemeenten wordt bepaald aan de hand van een verdeelsleutel, i.c. een bedrag per plaatselijke, geregistreerde werkloze. Een dergelijk systeem biedt de gemeenten meer zekerheid omtrent de beschikbare gelden en voorziet in de mogelijkheid van een landelijke beheersing van het uitgavenniveau ten behoeve van de activiteiten als hier bedoeld. Een gevaar van deze financieringsvariant is overigens, dat plaatselijk grotere behoeften aan voorzieningen kunnen bestaan dan het vastgestelde bedrag toestaat en voorts dat er sprake kan zijn van onderbenutting van het budget, wanneer voor bepaalde gemeenten geen grond bestaat voorzieningen te treffen. De commissie-Geelhoed onderkent dit gevaar, doch zij waardeert dit systeem niettemin positief, omdat het voorziet in een uitgavenplafond en vanuit rechtvaardigheidsperspectief aanvaardbaar is te achten. Ten aanzien van de wijze van financiering van voorzieningen krachtens artikel 36 WWV heeft het kabinet besloten de voorstellen van de commissie-Geelhoed te volgen. Voorgesteld wordt de toedeling naar de gemeenten te laten geschieden als omschreven in het voorgestelde artikel 40a, tweede lid, WWV, dus door toewijzing van een bedrag per ingeschreven werkloze.

Het voorgestelde financieringssysteem betekent dat de gemeenten in aanmerking kunnen komen voor het op basis van voormeld artikel vast te stellen budget. Zij kunnen dit effectueren door aan het ministerie te laten weten, dat zij toepassing willen geven aan artikel 36 WWV. De financieringsstructuur heeft de vorm van een specifieke uitkering aan gemeenten. Hierop is artikel 237b van de Gemeentewet van toepassing. Het in het derde lid van genoemd artikel voorgeschreven overleg met de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën heeft plaatsgevonden. Daarbij is vastgesteld dat de beschikbaarstelling van de met de activiteiten ex artikel 36 WWV gemoeide gelden in de vorm van een specifieke uitkering gerechtvaardigd is op grond van het gestelde in het vierde lid, onder b, van artikel 237b. Daaruit blijkt namelijk dat specifieke uitkeringen (tijdelijk) toelaatbaar zijn als de effecten van het nieuwe beleid niet op voorhand kunnen worden overzien. De effecten van het beleid worden na vier jaar geëvalueerd. Op dat moment zal deze specifieke uitkering opnieuw worden getoetst aan de criteria van de Gemeentewet (artikel 237b). Daarbij zal tevens aandacht worden besteed aan de vraag of sprake is van een zodanig ongelijkmatige spreiding van middelen, zoals vermeld in artikel 237b, onder c, Gemeentewet, niet alleen over gemeenten en tussen gemeenten onderling, maar ook over de jaren heen, dat deze bekosti gingswijze bijzonder aangewezen moet worden geacht. De specifieke uitkering voldoet tevens aan de in het vijfde lid van artikel 237b Gemeentewet gestelde eisen inzake vermelding van de geldigheidsduur, de uitkeringsvoorwaarden, de wijze van vaststelling van de uitkeringsbijdragen per gemeente en de termijn waarbinnen en de instantie bij wie tegen de vaststelling beroep kan worden aangetekend. Het is gelet op de bestaande situatie niet aannemelijk, dat iedere gemeente in de komende jaren voorzieningen in dit kader zal gaan treffen. Daardoor zal het beschikbare budget -althans voorlopig -niet volledig worden besteed. Het niet bestede deel zal, voor zover nodig, in het eerste jaar worden aangewend voor uitgaven in verband met reeds aangegane verplichtingen op grond van artikel 36 WWV-oud. In de daarna komende jaren zal bij de vaststelling van het bedrag als bedoeld in artikel 40a, eerste lid, WWV rekening worden gehouden met de mate van onder-of overbesteding van de middelen in het voorgaande jaar. Met onderstaand voorbeeld wordt dit nader toegelicht. Daarbij is uitgegaan van een bedrag van 40 gulden per bij het arbeidsbureau als werkzoekend ingeschreven werkloze en van het onbesteed blijven van circa 20% van de berekeningsgrondslag: Jaar

Feitelijk beschikbaar bedrag per werkloze

40 Berekeningsgrondslag

50 Werkelijke uitgaven

40 Onderbesteding

Aldus wordt het probleem van structurele onderbesteding op eenvoudige wijze ondervangen. Gevolg van de voorgestelde methode zal voorts zijn, dat de beschikbare middelen daadwerkelijk terechtkomen bij die gemeenten, die in het kader van artikel 36 WWV een actief beleid voeren. Op 9 januari 1986 is over de nadere invulling op het punt van de financiële vormgeving alsnog gericht advies gevraagd aan de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de Sociaal-Economische Raad, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Raad voor de Gemeentefinanciën.

Deze instanties adviseerden op 19 maart, 24 april onderscheidenlijk 3 maart 1986. Op de voorgestelde financiële vormgeving heeft voorts betrekking het twintigste advies van de Stuurgroep Ontwikkelingsprojecten (SOWP) van 2 april 1986.

In de genoemde adviezen wordt de keuze voor een vorm van budgetfinanciering met alleen repressief toezicht over het algemeen positief gewaardeerd. De Raad voor de gemeentefinanciën vormt hierop een uitzondering. Deze Raad is van mening dat de decentralisatie meer gediend zou zijn met overheveling van de benodigde bedragen naar het Gemeentefonds. De VNG voelt hier ook voor, doch eerst op termijn. Zij stelt dat een goede gelegenheid voor de overgang naar het gemeentefondssysteem zou zijn de voorgestelde evaluatie na 4 jaar. Ik meen, dat op hiervoor reeds genoemde' gronden op dit moment niet moet worden overgegaan tot financiering via het Gemeentefonds. Uit de voorgenomen evaluatie zal onder meer moeten blijken, of voortzetting van financiering van de regeling via een specifieke uitkering al dan niet gerechtvaardigd is. Het lijkt mij niet mogelijk om daarover nu reeds op verantwoorde wijze een definitief standpunt in te nemen.

Ten aanzien van het totaal voor artikel 36 WWV voor 1987 beschikbare bedrag van 20 min. wordt door de Raad voor de gemeentefinanciën gesteld, dat een substantiële verhoging overweging verdient. De VNG dringt aan op een uitbreiding van het totale budget. De Stuurgroep Ontwikkelingsprojecten geeft een verdubbeling in overweging. Tegen de achtergrond van de opmerkingen die in de adviezen zijn gemaakt over de hoogte van het budget is bezien of het aanvankelijk beschikbare budget kan worden verhoogd. De suggestie van de VNG om dit bedrag op te hogen met onder meer een bedrag van 10 miljoen, bestemd voor jongerenprojecten, biedt geen soulaas. Dat bedrag was uitdrukkelijk in 1986 voor het laatst beschikbaar op grond van artikel 40 van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor dat jaar. Wel is het mogelijk gebleken om in zoverre tegemoet te komen aan de adviezen door alsnog het voor 1987 beschikbare budget met een bedrag van 10 min. te verhogen tot 30 min. Overigens ben ik mij ervan bewust dat daarmee nog niet die armslag aan gemeenten wordt geboden die in de adviezen wordt bepleit. Het advies van de VNG om van rijkswege voor een reeks van jaren een garantie te verstrekken inzake het niveau van het beschikbare budget is niet in te passen in ons systeem van jaarlijkse begrotingswetten. Uiteraard zal er naar worden gestreefd plotselinge, grote fluctuaties in dat budget -vooral in negatieve zin -te vermijden. Overigens zij in dit verband gewezen op de algemene, ter zake geldende gedragslijn als afgesproken in het bestuursaccoord rijksoverheid-VNG.

Een ander probleem, dat door de Stuurgroep Ontwikkelingsprojecten en ook door de Raad voor de gemeentefinanciën en de VNG wordt gesignaleerd, heeft betrekking op de positie van de vijf proefgebieden bestuurlijk experiment specifiek welzijn, die sinds 1 982 experimenteren met artikel 36 WWV-nieuwe stijl. Indien in de sfeer van het overgangsrecht slechts zou worden volstaan met financiering van vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel aangegane verplichtingen op de oude voet gedurende 1987, zou dat voor die gebieden per 1 januari 1988 een plotselinge terugval in financieringsmogelijkheden betekenen van ongeveer 80%. Ik onderschrijf de stelling van genoemde adviseurs, dat een dergelijke plotselinge terugval niet aanvaardbaar is. Anderzijds zullen op termijn ook deze proefgebieden moeten worden ingepast in het voor alle andere gemeenten geldende regime. Eén en ander afwegende ben ik tot de conclusie gekomen, dat het aanbeveling verdient een overgangsregeling te treffen, die voor deze gebieden voorziet in een met ingang van 1988

geleidelijk teruglopen van de beschikbare middelen gedurende drie jaar, na afloop van welke periode zij in het algemene regime zullen moeten meedoen. Ik zie onvoldoende aanleiding deze periode van drie jaar eerst in 1990 te laten aanvangen, zoals de Stuurgroep voorstelt. Immers elk experiment -als ook dit experiment -is per definitie tijdelijk. Voorts dient te worden bedacht dat een uitgebreidere overgangs-regeling voor de proefgebieden, wat betreft de financiële consequenties, noodzakelijkerwijs ten koste gaat van de financiële ruimte voor de overige gemeenten. Ik acht dat ongewenst daar het voorliggende voorstel juist beoogt een impuls te geven aan alle gemeenten om te komen tot een adequaat aanbod van op herintreding gerichte activiteiten voor (langdurig) werklozen.

  • Toetsing

Met betrekking tot de toetsing van de door de gemeenten ex artikel 36 WWV getroffen voorzieningen wordt voorgesteld, overeenkomstig de aanbeveling van de commissie Geelhoed het door de gemeenten gevoerde beleid ex artikel 36 WWV niet meer preventief, doch repressief te toetsen. Dit houdt verband met het feit, dat toetsing vooraf, in welke gemitigeerde vorm ook, enerzijds weliswaar de gemeenten meer zekerheid biedt omtrent de opvattingen van de centrale overheid, doch anderzijds dezelfde centrale overheid verregaande sturingsmogelijkheden geeft. Dit laatste is niet in overeenstemming met de doelstelling van decentralisatie. Daarom is gekozen voor een vorm van repressieve toetsing, waarbij op basis van een jaarlijkse verantwoording van de gemeenten slechts marginaal zal worden getoetst of de door de gemeenten bestede bedragen inderdaad in het kader van artikel 36 WWV passen. In zijn advies van 27 maart 1986 bepleit de Emancipatieraad in dit verband een regeling, die er toe zal leiden dat gemeenten reeds gedurende de loop van het kalenderjaar inzage geven in de uitgaven die zij hebben gedaan. Het totaal van de niet bestede gelden zou dan in een eerder stadium kunnen worden herverdeeld. Ik meen, dat een dergelijk systeem er op neer zou komen, dat de gemeenten in de loop van een kalenderjaar afstand zouden doen van het voor dat jaar nog resterende budget. Dat lijkt geen werkbare oplossing. In het wetsvoorstel is een bepaling opgenomen inzake de toetsingscriteria. Nagegaan moet worden of de gedeclareerde bedragen zijn uitgegeven voor voorzieningen welke passen binnen het door of bij de wet aangegeven kader van voorzieningen en of deze bedragen in een redelijke verhouding staan tot het beoogde doel. De rijksconsulent sociale zekerheid heeft ten aanzien van de inhoud en strekking van de wet voor de gemeenten hier vooral een voorlichtende functie. Tegen een negatieve beslissing in het kader van de repressieve toetsing kan op grond van de vigerende regelgeving in beroep worden gegaan.

  • Enkele slotopmerkingen met betrekking tot de terughoudendheid van regelgeving

Bij het opstellen van het voorliggende wetsvoorstel is rekening gehouden met de noodzaak terughoudend te zijn wat betreft de regelgeving. Gezien het feit, dat in de praktijk de gemeentebesturen bij toepassing van artikel 36 WWV geconfronteerd werden met knelpunten wat betreft de reikwijdte van de mogelijkheden alsmede de beperktheid van de doelgroep van deelnemers, acht ik het noodzakelijk de regelgeving ter zake aan te passen. Per saldo gaat het niet om méér regels, doch om andere regels. Gekozen is voor een regeling, die de gemeentebesturen in staat stelt ten behoeve van werkzoekende werklozen een op terugkeer in het arbeidsleven gericht beleid te voeren en die aan de gemeentebesturen duidelijkheid met betrekking tot de financiering biedt.

In het wetsvoorstel is volstaan met een globale benoeming ten aanzien van het aantal uren, waarvoor een werkloze als werkzoekende bij het arbeidsbureau moet zijn ingeschreven, de omschrijving van het activiteitenpakket en de vergoeding van de kosten. Om in te kunnen spelen op ontwikkelingen zowel op de arbeidsmarkt, die gevolgen kunnen hebben voor de samenstelling van het activiteitenpakket, als met betrekking tot de bepaling van de normale arbeidsduur is voorzien in enkele delegatiebepalingen. Ten aanzien van de nadere invulling welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, zal het huidige besluit Rijksvergoeding sociaal-cultureel werk voor werkozen worden aangepast. Het wetsvoorstel legt geen extra lasten op aan de rijks-of de lagere overheid. Integendeel. Ten gevolge van het meer stroomlijnen van de financiering en een duidelijker afbakening wat betreft de activiteiten naar aangrenzende beleidsterreinen zal eerder een lastenverlichting zijn te verwachten. Aan het wetsvoorstel zijn geen aspecten verbonden, waardoor extra druk op het justitiële apparaat zal ontstaan. Bij of krachtens de WWV zijn reeds de mogelijkheden om in beroep te gaan aangegeven, die inhoudelijk bezien geen wijziging ondergaan. Voor de burger, het bedrijfsleven en de non profitstellingen vloeien uit het wetsvoorstel geen lasten voort.

Artikelsgewijze toelichting.

Artikel I (onderdeel C).

Artikel 7a.

Dit artikel stelt het gemeentebestuur in de gelegenheid de WWV-of de Rww-commissie als adviescommissie aan te wijzen. Tevens kunnen bij het treffen van voorzieningen ingevolge artikel 36 WWV andere deskundigen en belanghebbenden worden ingeschakeld. Te denken valt aan personen uit de kringen van organisaties in instellingen die actieve bemoeienis hebben met de (her)inschakeling van niet-actieven in het arbeidsleven of die voor de totstandkoming van dergelijke voorzieningen ijveren, zoals de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD).

Artikel I (onderdeel D).

Artikel 36, eerste en tweede lid.

De voorgestelde herformulering van de voorzieningen ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid van werkloze werknemers, die de gemeentebesturen op grond van artikel 36 WWV kunnen treffen houdt een verruiming in voor zover in de voorgestelde nieuwe tekst van dit artikel geen sprake meer is van «sociaalcultureel werk», maar van «voorzieningen» tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op (her)intreding in het arbeidsleven, doch een beperking waar het de doeleinden van de voorzieningen betreft. Voortaan dienen bij de samenstelling van een voorzieningenpakket binnen het kader van artikel 36 WWV de gedachten uit te gaan naar duidelijk op (her)intreding in het arbeidsleven gerichte programma's.

In het eerste lid van artikel 36 wordt gesproken van het treffen van voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid door het gemeentebestuur. Het kan voorkomen, dat een gemeentebestuur van oordeel is, dat de omstandigheden geen gronden opleveren dergelijke voorzieningen te treffen maar het wel wenselijk acht, dat werklozen uit zijn gemeente aan dergelijke activiteiten kunnen deelnemen.

Hiertoe kan met gemeentebestuur op grond van de Wet gemeenschappe lijke regelingen met gemeenten in de regio een samenwerkingsverband aangaan. Aan activiteiten conform artikel 36 WWV kan naar hun aard slechts op basis van lokale omstandigheden en regionale behoeften op de arbeidsmarkt inhoud en vorm worden gegeven. Voorzieningen ter zake zijn voor betrokkenen niet individueel afdwingbaar. Het gemeentebestuur moet zich echter, gehoord de commissie, bij voortduring rekenschap geven van behoeften die zich ter zake voordoen en naar vermogen voorzieningen treffen die aan die behoeften beantwoorden.

Artikel 36, derde lid

Ten aanzien van de categorieën van personen voor wie deze voorzieningen zijn bestemd houdt de voorgestelde formulering een verruiming in. De doelgroep zal alle werklozen omvaten, voor zover zij zich voor meer dan een derde van de normale arbeidsduur als werkzoekende bij het arbeidsbureau hebben doen inschrijven. Aan de voorzieningen kunnen dus niet alleen uitkeringsgerechtigden maar ook niet-uitkeringsgerechtigden deelnemen. De enige criteria die thans gehanteerd moeten worden zijn of de deelnemer werkloos is en als zodanig voor meer dan een bepaald gedeelte van de arbeidsduur als werkzoekende bij het arbeidsbureau staat ingeschreven. Gekozen is voor deze omschrijving, omdat hierdoor niet alleen wordt ingespeeld op een reeds ingezette ontwikkeling van vermindering van de arbeidsduur, maar ook op ontwikkelingen ten aanzien van de flexibilisering van de arbeidsduur naar leeftijdscategorieën en bedrijfstakgewijs. Aangezien het thans niet te voorzien is hoe een en ander zich zal stabiliseren, kan het noodzakelijk zijn met betrekking tot de arbeidsduur ten behoeve van bepaalde groepen werklozen tot een meer concrete invulling van de arbeidsduur over te gaan. Daartoe is in dit lid de mogelijkheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur nadere en zonodig afwijkende regelen te stellen.

Artikel 36, vierde lid

Aangezien de in het eerste lid van artikel 36 WWV gegeven omschrijving algemeen van aard is en uit een oogpunt van afbakening en ordening buiten twijfel dient te worden gesteld binnen welke grenzen activiteiten ex artikel 36 WWV aanvaardbaar zijn, wordt in het onderhavige lid nadere inhoud aan het begrip voorzieningen gegeven. Onder voorzieningen worden begrepen activiteiten die direct gericht zijn op het verbeteren van de positie op de arbeidsmarkt, op het verkrijgen van vakkennis of op het deelnemen aan daarmede samenhangende vormen van educatie. De «invulling» van de activiteiten zal uiteraard dienen te geschieden zowel aan de hand van wat ter plaatse aan behoeften naar voren is getreden als aan de hand van de ontwikkelingen op de regionale arbeidsmarkt. Hierbij dient tevens rekening te worden gehouden met het reeds bestaande aanbod aan voorzieningen en waar mogelijk moet gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuren, zoals de educatieve infrastructuur.

Op deze plaats wil ik nogmaals de aandacht vestigen op het complementaire karakter van artikel 36 WWV, niet alleen binnen het stelsel van sociale zekerheid, maar ook naar beleidsterreinen van andere ministeries, zoals van de Ministeries van Onderwijs en Wetenschappen en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

Met de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur heb ik afspraken gemaakt inzake taakafbakening. Deze houden in, dat voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid gericht op directe (her)intreding in het arbeidsleven onder de verantwoor delijkheid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen en dat de activiteiten gericht op opvang van de (negatieve) gevolgen van de werkloosheid en op bevordering van zinvolle tijdsbesteding onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur vallen. Binnen het beleidsterrein van eerstgenoemd ministerie kan het inconcreto gaan om een scala van activiteiten. Te denken valt aan werkplaatsen waar het aanleren van technische vaardigheden vooropstaat of waar werklozen een inzicht kunnen krijgen in bepaalde beroepen door in de praktijk daarin bezig te zijn; specifieke cursussen, die -afhankelijk-van de te verwachten arbeidsmarktperspectieven in de regio -ten behoeve van werklozen worden opgezet; in dit verband kunnen worden genoemd cursussen lassen, kantooradministratie, computertechniek, beroepsmatige hout-en metaalbewerking en dergelijke. Voorts kunnen cursussen solliciteren, beroepenvoorlichting aan schoolverlaters, bemiddelingsactiviteiten naar onbeloonde arbeid door vrijwilligers vacaturebanken ten behoeve van werklozen worden georganiseerd.

Tot de voorzieningen op het beleidsterrein van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur kunnen worden gerekend activiteiten van recreatieve of culturele aard, cursussen gericht op algemene ontwikkeling (bijvoorbeeld taal, sociale vaardigheden en handvaardigheden) Ook kan worden gedacht aan projecten, die op opvang en zinvolle tijdsbesteding zijn gericht. Deze kunnen zodanig van opzet zijn dat zij zonder aan het eigenlijke karakter van opvang en vrijetijdsbesteding te kort te doen, ook «werkachtige» elementen bevatten. Deze activiteiten zijn echter niet direct gericht op herintreding op de arbeidsmarkt. Dat geldt wel voor in het kader van artikel 36 WWV georganiseerde activiteiten. Naast het op peil houden c.q. brengen van de arbeidsongeschiktheid kunnen de werklozen door het deelnemen aan deze activiteiten gemotiveerd worden tot het gaan volgen van reguliere (beroeps)opleidingen in het kader van onderwijs-of arbeidsvoorzieningen, een volgende stap in het reïntegratieproces, die voor velen een noodzakelijke zal zijn. In het voorgaande ligt besloten, dat activiteiten die geen directe bijdrage leveren tot bevordering van de arbeidsongeschiktheid en de (her)intreding in het arbeidsleven, niet onder de werking van artikel 36 WWV kunnen worden gebracht. In het voorgaande ligt echter geen beletsel om, indien zulks naar plaatselijk inzicht wenselijk wordt geoordeeld, activiteiten die naar hun aard met de doelstelling van artikel 36 WWV stroken en op de daarin genoemde doelgroepen zijn gericht, binnen een «totaalprogramma» voor niet-actieven te combineren met bemoeiingen van andere aard. Het verdient immers aanbeveling om ter plaatse steeds mogelijkheden van een dergelijke combinatie binnen geïntegreerde programma's van activiteiten ten behoeve van niet-actieven te overwegen en na te streven. Voorts ware bij de toepassing van artikel 36 WWV ten behoeve van een bepaalde groep van personen steeds te overwegen of aanleiding bestaat binnen daarop gerichte programma's verschillende soorten van activiteiten te combineren. Zo laat het zich denken dat mogelijkheden van onbeloonde arbeid worden gecombineerd met groepsactiviteiten die zijn gericht op vergroting van vakkennis en/of kennis van het beroeps-en bedrijfsleven, voorzieningen voor arbeidstraining of deelname aan groepscursussen die vaardigheden bijbrengen welke voor het arbeidsleven van belang zijn of anderszins de kans op herintreding in het reguliere arbeidsproces kunnen vergroten.

Wellicht zal het niet steeds aanstonds duidelijk zijn of een voorgenomen activiteit te rangschikken is onder de in het gewijzigde artikel 36 WWV bedoelde activiteiten dan wel meer gerekend moet worden tot het takenpakket binnen de wet en regelgeving op het terrein van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. In die gevallen verdient het aanbeveling om de rijksconsulent sociale zekerheid alsmede het bureau landelijk contact van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur te raadplegen. Zoals ik reeds in het algemene deel van de memorie van toelichting heb uiteengezet, is een algemeen geldende «blauwdruk» voor voorzieningen, die direct zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid danwei op opvang van negatieve gevolgen van werklozen en op bevordering van zinvolle tijdsbesteding evenwel niet aan te geven. Op grond van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt alsmede de concrete inhoud van de voorzieningen dienen de gemeentebesturen steeds te bepalen tot welke categorie de op lokaal niveau getroffen voorzieningen behoren. Om onnodige beleidslasten voor de gemeenten te voorkomen, welke kunnen ontstaan als gevolg van een in de praktijk gebleken onvoldoende afbakening van de in de eerste volzin van dit lid behorende beleidsterreinen, is in de tweede volzin de mogelijkheid opgenomen om ter zake nadere algemene regelen te stellen. Vanwege de raakvlakken met de beleidsterreinen van de Ministeries van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Onderwijs en Wetenschappen zal zulks geschieden in overleg met deze ministeries. Ik ben van oordeel dat stringente beperkingen van de gemeentelijke overheid in haar mogelijkheden activiteiten op basis van artikel 36 WWV te entameren die in het licht van de lokale omstandigheden en behoeften gerechtvaardigd zijn, niet op hun plaats zijn. Niettemin lijkt het gewenst, evenals in artikel 57, AAW, de mogelijkheid te scheppen om regelen te stellen over hetgeen voor de toepassing van het onderhavige wetsartikel onder voorzieningen moet worden verstaan.

Tot slot wil ik nog eens benadrukken het om doelmatigheidsredenen aanbevelenswaardig te achten om voor activiteiten krachtens artikel 36 WWV waar mogelijk van bestaande structuren en aanwezige deskundigheid en outillage gebruik te maken. In dit verband kan bij wijze van voorbeeld worden gewezen op bestaande sociaal-culturele instellingen, de educatieve infrastructuur en het organisatorische apparaat van de sociale werkvoorziening. De vraag of en in welk opzicht van de zijde van een SW-bedrijf ter zake diensten kunnen worden geboden, laat zich slechts lokaal of regionaal beantwoorden. In ieder geval zullen die diensten niet anders dan tegen kostprijs mogen worden verleend.

Artikel I, onderdeel E

Artikel 36a

Dit artikel biedt de minister de mogelijkheid een financiële vergoeding te verstrekken aan andere rechtspersonen dan gemeenten voor het treffen of ontwikkelen van voorzieningen op grond van artikel 36 ten behoeve van personen voor wie deze voorzieningen zijn bestemd. Hierbij kan gedacht worden aan stichtingen of verenigingen waarvan het spreidingsgebied zich landelijk uitstrekt en die als doelstelling hebben het organiseren van activiteiten, zoals ondermeer bedoeld in artikel 36 WWV ten behoeve van specifieke groepen werklozen, bijvoorbeeld van een bepaald opleidingsniveau dan wel boven een bepaalde leeftijd of -de Emancipatieraad wijst hier in zijn advies terecht op -ten behoeve van bepaalde groepen vrouwelijke werklozen. In de praktijk kan zich de situatie voordoen, dat de doelgroep, waarop zo'n instelling zich richt, op gemeentelijk niveau te gering van omvang is om daarvoor een voorziening

ex artikel 36 WWV te treffen, terwijl landelijk bezien de doelgroep wel een zodanige omvang heeft dat het zinvol is te achten op die specifieke doelgroep gerichte voorzieningen te treffen.

Artikel I, onderdeel F

Artikel 40a, eerste lid

Met het oog op het opzetten dan wel continueren van programma's voor werklozen is het voor de gemeenten van belang tijdig op de hoogte te zijn met welk bedrag per werkloze rekening kan worden gehouden. Daartoe is in dit lid bepaald, dat vóór 1 oktober het bedrag per bij het arbeidsbureau als werkzoekende ingeschreven werkloze wordt aangegeven. Er dient overigens rekening mee te worden gehouden, dat dit bedrag nog niet definitief kan zijn. Het definitieve bedrag hangt af van de besluitvorming in de Staten-Generaal over de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

ARTIKEL II

Het zal duidelijk zijn, dat een wijziging zonder meer van de tot nu toe geldende wettelijke bepalingen de gemeenten voor onoverkomelijke problemen zou plaatsen. Immers programma's en begrotingen zijn vastgesteld, programma's zijn gecombineerd met ander sociaal-cultureel werk opgezet, cursussen zijn lopend e.d. Ik acht het noodzakelijk dat een overgangsperiode wordt aangehouden waarin de gemeente haar activiteiten kan aanpassen. Het oude regime blijft dan van toepassing. Uiteraard kunnen nieuwe activiteiten aanstonds binnen de nieuwe bepalingen worden opgezet. Daarnaast zal er -zoals in het algemene deel van deze toelichting reeds is aangegeven -voor een deel van de zogenoemde proefgebieden een afzonderlijke overgangsregeling komen. Gedurende verscheidene jaren hebben zij met artikel 36 WWV-nieuwe stijl kunnen experimenteren op basis van de bestaande openeindfinanciering. De op grond van het tweede lid te stellen regelen zullen in hoofdlijnen hierop neerkomen, dat deze proefgebieden volgens een in die regelen op te nemen schema drie jaar de tijd krijgen om hun uitgaven op grond van artikel 36, nieuwe stijl, in overeenstemming te brengen met hetgeen zij volgens de hoofdregel daaraan mogen besteden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.