Memorie van toelichting - Wijziging van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1980, 86), van artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek en aanvulling van de Wet medezeggenschap onderwijs en enkele andere onderwijswetten, alsmede opneming van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst (Stb. 1980, 384), van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (Stb. 1975, 129) en van de Wet tijdelijke voorziening gelijke behandeling van mannen en vrouwen en van gehuwden en ongehuwden in geval van beëindiging van de dienstbetrekking (Stb. 1979, 278) in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Wet tot herziening van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

  • A. 
    • 1. 
      Inleiding

Het voorliggende wetsvoorstel beoogt het effect van de bestaande wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen te verbeteren. In de Reparatienota gelijke behandeling mannen en vrouwen (Kamerstukken II, zitting 1983-1984, 18269, nr. 1) is het voornemen tot wijziging van deze wetgeving reeds aangekondigd. Over deze nota is op 21 juni 1984 een UCV door de Vaste Commissie voor Emancipatiebeleid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal gehouden. De tijdens deze UCV gemaakte opmerkingen dan wel de naar aanleiding hiervan aangenomen moties zijn zo goed mogelijk bij de voorbereiding van deze voorstellen in de overwegingen betrokken.

Medio maart 1985 is over herziening van deze wetgeving advies gevraagd aan de Emancipatieraad, de Sociaal-Economische Raad, het Centraal Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst, alsook toegespitst op de regeling inzake het aanbieden van een betrekki ng aan de Stichting Reclame Code. Met het vaststellen door de SER van zijn advies op 25 oktober 1985 is deze advisering afgerond.

Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is met de kritische kanttekeningen en suggesties in de adviezen zo goed mogelijk rekening gehouden. Daarnaast zijn de resultaten van het onderzoek van het Molengraaff Instituut voor privaatrecht van de Rijksuniversiteit te Utrecht naar het functioneren van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid hierbij betrokken. Het rapport over dit onderzoek is bij brief van 3 oktober 1985 aan de Tweede Kamer aangeboden.

In het advies van de Emancipatieraad is gepleit voor een duidelijke omschrijving van het doel van de wet in de considerans en de memorie van toelichting. Deze raad wees er daarbij op dat in de considerans van de huidige Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Staatsblad 1980, 86) slechts gewezen wordt op de noodzaak de Nederlandse wetgeving aan te passen aan de EG-richtlijn van 9 februari 1976, 76/207/ EEG, Pb. nr. L. 39/40, inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. Daarmee kan, aldus de raad, alleen op indirecte wijze het materiële doel van de wet worden bepaald; dit materiële doel zou rechtstreeks in de considerans van de wet geformuleerd moeten worden. Wijziging van de oorspronkelijke considerans is uiteraard niet mogelijk. Wel is in de considerans van het onderhavige wetsvoorstel tot uitdrukking gebracht dat de wijzigingswet tot doel heeft het effect van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen te verbeteren. Het doel van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen zelf is het realiseren van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en in het arbeidsproces en daarmee de bevordering van gelijke posities van mannen en vrouwen op het gebied van de arbeid. Voorts wijzen wij er op dat de wetgeving ter zake van gelijke behandeling van mannen en vrouwen niet alleen een uitwerking is van de genoemde EG-richtlijn van 9 februari 1976, en van de EG-richtlijn van 10 februari 1975 (75/117/EEG) maar evenzeer voldoet aan artikel 1 van de inmiddels per 17 februari 1983 herziene Grondwet en aan artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten. In de memorie van toelichting op het bij de Tweede Kamer aanhangige voorstel van Rijkswet tot goedkeuring van het Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (Tweede Kamer, 1984/ 1985, 18950, nr. 3) wordt voorts op verschillende plaatsen vermeld dat naar de mening van de regering de bestaande wetten gelijk loon en gelijke behandeling reeds voldoen aan de eisen van dat Verdrag. Dit zal naar onze mening nog in sterker mate het geval zijn indien het onderhavige wetsvoorstel tot wet wordt verheven.

De voornaamste wijzigingen betreffen de volgende onderwerpen: 1. de samenvoeging van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen in één Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; 2. de instelling van één -nieuwe -Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid; 3. uitbreiding van de bevoegdheden van deze commissie; 4. aanpassing van het verbod onderscheid te maken tussen gehuwden en ongehuwden bij het aangaan en bij het beëindigen van het dienstverband; 5. verduidelijking van het verbod onderscheid te maken bij het aanbieden van een betrekking; 6. wijziging van het verbod onderscheid te maken met betrekking tot beroepsopleidingen of scholingscursussen; 7. wijziging van de uitzondering in gevallen betreffende de toegang tot beroepsactiviteiten of daarvoor noodzakelijke opleidingen, waarvoor het geslacht een bepalende factor is; 8. wijziging van de mogelijkheid van voorkeursbehandeling.

Alvorens op bovengenoemde onderwerpen nader in te gaan, wijden wij in de volgende paragraaf een korte beschouwing aan de in deze wetgeving elementaire begrippen direct en indirect onderscheid.

Het gevolg van de voorgestelde wijzigingen zal zijn, dat door de integratie van de afzonderlijke wetten op het terrein van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen deze wetgeving overzichtelijker wordt. Dit betekent zowel voor degenen die met deze wetgeving moeten werken als voor degenen die er een beroep op willen doen een verbetering. De voorgestelde wijzigingen houden met uitzondering van de uitbreiding van de werkingssfeer tot het militair overheidspersoneel geen nieuwe normen in. Het gaat vooral om een concretisering en verduidelijking van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en de behandeling tijdens de arbeid. Door dit voorstel wordt het justitieel apparaat niet extra belast, daar de nadruk ligt op de bevoegdheden van de commissie, hetgeen tot doel heeft gerechtelijke procedures juist te voorkomen.

  • Direct en indirect onderscheid

In de adviezen van de Emancipatieraad, de Sociaal-Economische Raad en de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is er op gewezen, dat bij de naleving van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen de reikwijdte van met name het verbod van indirect onderscheid problemen blijkt te geven. Derhalve gaan wij hieronder nader in op de begrippen onmiddellijk (direct) en middellijk (indirect) onderscheid.

Bij de totstandkoming van de wet zijn de begrippen onmiddellijk en middellijk onderscheid als volgt gedefinieerd. Onder onmiddellijk onderscheid wordt verstaan onderscheid dat rechtstreeks verwijst naar het geslacht. Middellijk onderscheid kan zich voordoen als er verwezen wordt naar een hoedanigheid die op zich zelf niets met het geslacht te maken heeft, maar die in de toepassingspraktijk in het bijzonder personen van één bepaald geslacht blijkt te treffen (Tweede Kamer, 1978-1979, 15400, nr. 3, blz. 10). De wetsbepalingen zelf noemen als mogelijk voorbeeld van middellijk onderscheid tussen mannen en vrouwen: verwijzing naar de echtelijke staat of de gezinsomstandigheden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de term gezinsomstandigheden kan worden gehanteerd als overkoepelend begrip voor verwijzingen naar kostwinnerschap, ouderschap (de mogelijkheid tot) zwangerschap en bevalling, alsmede de maatschappelijke en economische positie van andere gezinsleden/partners. Met betrekking tot sommige voorbeelden is in de toelichting of bij do behandeling van het wetsontwerp in de Tweede en Eerste Kamer een duidelijke uitspraak gedaan. Hantering van het kostwinnersbegrip waarin een niet-kostwinner het eerst voor ontslag in aanmerking zal komen is bijvoorbeeld in strijd met de tweede EG-richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen geacht. Daarentegen is duidelijk dat voor de toegang tot een functie wel een opleidingsvereiste, mits dit een relevant geschiktheidscriterium is, gesteld mag worden. Dit betekent evenwel nog niet dat de wet op alle voorbeelden een concreet antwoord heeft. Zoals de toenmalige Minister van Justitie De Ruiter bij de behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer aangaf: «Wat wij ook doen, het mag in ieder geval niet zijn discriminatie van vrouwen door het maken van verschil, die deze wet nu eenmaal uitsluit. Hoe het dan in alle te denken concrete gevallen loopt, is moeilijk te voorspellen. Ik meen dat wij er goed aan doen, het beginsel dat deze wet biedt tot uitgangspunt te blijven nemen»2.

' Zie o.a. Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15400, nr. 3, blz. 10; idem, nr 6, blz. 6. 2 Eerste Kamer, Handelingen 26 februari 1980, m.b.t. wetsontwerp nr. 15400, blz. 262

Inmiddels heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op 31 maart 1981 in de zaak Jenkins-Kingsgate (zaak nr. 96/80) een arrest gewezen dat van belang is voor de uitleg van het begrip indirecte discriminatie in bovengenoemde EG-richtlijn.

Uit deze uitspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot artikel 119 van het EEG-Verdrag kan met betrekking tot het begrip indirecte discriminatie, zoals dat voorkomt in de tweede EG-richtlijn gelijke behandeling van mannen en vrouwen, worden afgeleid dat van indirecte discriminatie sprake is als een ogenschijnlijk (sexe) neutrale maatregel in feite uitsluitend of in overwegende mate werknemers van een van beide geslachten betreft en dit verschil in behandeling niet kan worden verklaard door objectief gerechtvaardigde factoren die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht. Aansluitend op bovengenoemde uitspraak verstaan wij in deze wetgeving onder het begrip middellijk onderscheid: een zodanige behandeling, dat deze door verwijzing naar een bepaald kenmerk anders dan het geslacht bij de toepassing in de praktijk in het bijzonder personen van één geslacht blijkt te treffen zonder dat voor dit verschil in behandeling een objectieve rechtvaardigingsgrond kan worden aangevoerd. Het bovenstaande betekent dat op grond van de onderhavige wet elk direct onderscheid verboden is, tenzij er sprake is van een in deze wet genoemde uitzondering. Deze uitzonderingen geven derhalve op limitatieve wijze aan in welke gevallen het gerechtvaardigd wordt geacht dat van het verbod om direct onderscheid te maken afgeweken wordt. Om na te gaan of er sprake is van verboden indirect onderscheid moet in alle gevallen worden bezien of een objectieve rechtvaardigingsgrond kan worden aangevoerd. Met het woord «objectief» wordt aangegeven dat niet elke rechtvaardigingsgrond zonder meer voldoende is. Het moet gaan om doelstellingen of motiveringen die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht, waarbij tevens sprake is van een redelijke verhouding tussen het beoogde doel en het gehanteerde middel. De toenmalige Minister van Justitie De Ruiter vatte dit bij de behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer samen als: discriminatie is onbehoorlijk onderscheid maken.

  • B. 
    De belangrijkste wijzigingen in de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen
  • De samenvoeging van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen in één Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

De gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en tijdens de arbeid is thans in verschillende wetten geregeld, te weten: a. de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (Stb. 1975, 129); b. de Wet van 25 mei 1979, houdende tijdelijke voorziening met betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en van gehuwden en ongehuwden in geval van beëindiging van de dienstbetrekking (Stb. 1979,278); c. artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek; d. de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1980, 86); e. de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst (Stb. 1980, 384).

3 Eerste Kamer, Handelingen 26 februari 1980, m.b.t. wetsontwerp 15400, blz. 263.

In het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld de onder a, b, d en e genoemde regelingen in één Wet gelijke behandeling voor mannen en vrouwen op te nemen. Hiermede wordt beoogd verschillen tussen deze wetten onderling weg te nemen en deze wetgeving eenvoudiger en overzichtelijker te maken, hetgeen de effectiviteit van deze wetgeving kan vergroten. Tevens worden daarmee tegelijkertijd de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid en de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst samengevoegd tot één nieuwe commissie, waarop in de volgende paragraaf nog afzonderlijk wordt ingegaan. In verschillende adviezen is ook integratie bepleit zowel met het oog op de duidelijkheid voor justitiabelen als met het oog op het opheffen van verschillen tussen de nu geldende wetten.

Ten aanzien van gelijk loon is er in de adviezen bijvoorbeeld op gewezen, dat de effectiviteit van de wetgeving gediend is met incorporatie van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Daar de Wet gelijk loon geen verbod van indirect onderscheid kent, komt het in de praktijk voor dat tijdens een procedure bij de commissie een klacht ingevolge deze wet moet worden omgezet in een klacht ingevolge de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Tevens zou met integratie de leemte ondervangen zijn dat de Wet gelijk loon geen bescherming tegen ontslag geeft aan degene die zich op deze wet beroept, terwijl de Wet gelijke behandeling een dergelijke bescherming wél kent. De materiële bepalingen uit de Wet gelijk loon zijn derhalve als nieuwe paragraaf in de onderhavige wet ingevoerd, op zodanige wijze dat in deze paragraaf een uitwerking wordt gegeven van het verbod om onderscheid te maken in de arbeidsvoorwaarden in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van deze wet voorzover deze het loon betreffen. De bepalingen m.b.t. de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen zijn samengevoegd in hoofdstuk II.

Door de samenvoeging van de commissie voor de particuliere sector met die voor de overheidssector tot één nieuwe commissie en de integratie van de desbetreffende bepalingen resteren in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst de materiële bepalingen. Met dit wetsvoorstel wordt laatstgenoemde wet ingetrokken, waarbij voor het bepaalde in de huidige artikelen 1 en 2 overeenkomstige bepalingen in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen worden opgenomen. Tevens vormde de integratie van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen aanleiding om de gelijkloonbepalingen ook van toepassing te doen zijn op de overheidssector.

De werkingssfeer is tegelijkertijd uitgebreid tot het militaire overheidspersoneel. In dit verband zij verwezen naar de op 11 december 1985 aan de Tweede Kamer toegezonden Beleidsnota Vrouw in de Krijgsmacht, welke nota door de Tweede Kamer is besproken in een UCV op 26 januari 1987. Genoemde beleidsnota is opgesteld ten einde duidelijkheid te verschaffen over het bij Defensie te voeren integratiebeleid, te voorkomen dat eventueel bij de beleidsuitvoering de krijgsmachtdelen te veel zullen uiteenlopen en voorts een klimaat te kunnen scheppen waarbij de emancipatie van de vrouwen in de krijgsmacht volledig gestalte krijgt. In deze nota is dan ook het standpunt verwoord dat in principe alle functies bij de krijgsmacht opengesteld zijn voor vrouwen. Aangetekend wordt dat de taakuitoefening van de krijgsmacht grenzen stelt aan dit principe. Het gaat hierbij om de mogelijkheid te voldoen aan

de fysieke eisen die worden gesteld en om praktische belemmeringen die in het kader van de huisvesting bestaan. In de algemene maatregel van bestuur waarin categorieën beroepsactiviteiten en hiervoor noodzakelijke opleidingen worden aangewezen waarvoor het geslacht bepalend kan zijn, zal een en ander nader worden bepaald aan de hand van de genoemde omstandigheden. Daar de tijdelijke voorziening bij Wet van 25 mei 1979 materieel nog slechts betekenis heeft voor het militaire overheidspersoneel, kan deze worden ingetrokken, nu dit personeel onder de werkingssfeer van de onderhavige wet gebracht is.

Bij de totstandkoming van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen is een artikel betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het arbeidsovereenkomstenrecht in het Burgerlijk Wetboek, te weten artikel 1637ij, opgenomen. Aangezien naar ons oordeel regelingen op het gebied van het arbeidsovereenkomstenrecht thuis horen in het Burgerlijk Wetboek wordt de betreffende bepaling (met een aantal wijzigingen) in het Burgerlijk Wetboek gehandhaafd en wordt niet voorgesteld om de inhoud hiervan te integreren in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

  • De instelling van één -nieuwe -Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid

Daar de huidige constructie, waarbij een commissie voor de particuliere sector en een commissie voor de overheidssector naast elkaar functioneren, niet de meest wenselijke en doelmatige wordt geacht, wordt voorgesteld deze commissie samen te voegen tot één nieuwe, namelijk de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. De integratie vergroot de toegankelijkheid van de commissie, voorkomt interpretatieverschillen en biedt de mogelijkheid met betrekking tot de commissies verschillen in wetgeving weg te nemen. De regeling van de commissie geschiedt niet meer verspreid over drie wetten, maar is thans in haar geheel in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen opgenomen.

Voorgesteld wordt de nieuwe commissie uit 11 leden te doen bestaan, waarbij de samenstelling afgestemd dient te zijn op het bredere werkterrein. De procedure van benoeming van de (plaatsvervangende) leden is vereenvoudigd. In de toelichting op de artikelen zal hierop nader worden ingegaan. In het rapport van het Molengraaff Instituut, dat het functioneren van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de periode 1975-1982 heeft onderzocht en welk rapport bij brief van 3 oktober 1985 aan de Tweede Kamer is aangeboden, is o.a. geconcludeerd dat geen duidelijke keuze is gemaakt wat betreft het karakter van de commissie. Is de taak van de commissie bemiddelend, adviserend of heeft zij een (pseudo-)rechtsprekende taak? De Emancipatieraad heeft eveneens hierop de aandacht gevestigd.

Ter verduidelijking van het karakter van de commissie merken wij het volgende op. Met de commissie is een onafhankelijke commissie van deskundigen met een specifieke taak ter bevordering van de naleving van deze wetgeving beoogd. Met deskundig wordt in dit verband bedoeld dat men over voldoende kennis en ervaring op (een deel van) het terrein dat door deze wetgeving bestreken wordt, beschikt. Deze commissie van deskundigen spreekt haar oordeel uit of in een concreet geval of met betrekking tot een bepaalde regeling sprake is van strijd met deze wetgeving. Het is vervolgens aan betrokkenen om al dan niet overeenkomstig dit oordeel te

handelen. Het oordeel heeft noch de kracht van een bindend advies noch kan dit beschouwd worden als een (pseudo) rechterlijke uitspraak. Deze constructie heeft juist tot doel het aanspannen van procedures bij de rechter te voorkomen. Arbeidsverhoudingen zouden sterk onder druk komen te staan indien in alle gevallen slechts via gerechtelijke procedures naleving kan worden bevorderd. Zeker in gevallen, waarin niet zozeer met opzet, maar door onbekendheid met de reikwijdte van de uit deze wetgeving voortvloeiende verplichtingen ongelijk behandeld is, zal het oordeel van de commissie op vrijwillige basis opgevolgd worden en zou een proces bij de rechter een te zwaar middel zijn. Thans kunnen betrokkenen kiezen. Daarnaast heeft de mogelijkheid de commissie in te schakelen het voordeel dat hieraan voor betrokkenen geen kosten verbonden zijn, alsook dat een zaak op zeer eenvoudige wijze -een telefoontje of een briefkaart is al voldoende, waarna het secretariaat van de Commissie of ambtenaren van de Loontechnische Dienst behulpzaam kunnen zijn bij het opstellen van het schriftelijk verzoek -aanhangig gemaakt kan worden. Bovendien kunnen ingevolge dit wetsvoorstel ook organisaties van belanghebbenden, ondernemingsraden en vergelijkbare overlegorganen zich tot de commissie wenden, terwijl deze mogelijkheid t.o.v. de rechter slechts in een enkel geval bestaat. De commissie is derhalve bedoeld als een extra mogelijkheid naast de rechter ter bevordering van de naleving van deze wetgeving. In dat licht moet ook de bevoegdheid gezien worden uit eigen beweging onderzoek in te stellen. Via haar werkzaamheden kan de commissie de indruk krijgen, dat bijvoorbeeld aan een individueel geval een collectieve regeling ten grondslag ligt, die naar alle waarschijnlijkheid in strijd is met de wet. Voor de effectiviteit van de wetgeving is het derhalve van belang, dat de commissie behalve naar aanleiding van klachten ook zelf het initiatief tot onderzoek kan nemen. Een bevoegdheid zoals de Emancipatieraad voorstelt en waarom ook in de aangepaste motie-Ter Veld (Kamerstukken II, 1983/1984, 18269, nr. 12) is verzocht, waarbij de commissie zaken bij de rechter aanhangig kan maken wijzen wij af. Zoals uit het bovenvermelde blijkt is gekozen voor een onafhankelijke commissie van deskundigen, die om optimaal resultaat te bereiken aangewezen is op de medewerking van beide partijen. Indien de commissie de door de Emancipatieraad bedoelde bevoegdheid zou krijgen, kan het gevaar ontstaan van een identificatie met één van de partijen, hetgeen niet bij haar onafhankelijk en oordelend karakter past.

  • Uitbreiding van de bevoegdheden van de commissie

Daarnaast wordt voorgesteld de bevoegdheden van de commissie uit te breiden. Ingevolge de huidige wetgeving kunnen slechts individuele belanghebbenden zich tot de commissie wenden. De indruk bestaat evenwel dat in individuele gevallen de angst voor verstoring van de arbeidsverhouding vaak (te) groot is. Uit ervaring is bovendien gebleken dat bij organisaties de behoefte bestaat aan de mogelijkheid de commissie om advies te vragen. Tevens is voor vergroting van het effect van deze wetgeving aansluiting nodig met de plaats waar het beginsel van gelijke behandeling in de praktijk moet worden toegepast: de arbeidsorganisatie zelf. Deze aansluiting kan gevonden worden via de ondernemingsraden, de dienstcommissies bij de rijksoverheid en de daarmee vergelijkbare overlegorganen bij de andere overheden. Ook aan medezeggenschapsraden van scholen wordt een overeenkomstige bevoegdheid toegekend, waarbij in verband met de Wet medezeggenschap onderwijs over het al dan niet toekennen van deze bevoegdheid door de betrokkenen op schoolniveau moet worden besloten. Deze overlegorganen hebben immers ook tot taak in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen

en vrouwen in de betrokken onderneming, diensteenheid respectievelijk school te bevorderen. Derhalve worden de mogelijkheden om de commissie om haar oordeel te vragen uitgebreid in die zin, dat ook ondernemingsraden, bedoelde overlegorganen bij de overheid of in het onderwijs en rechtspersonen, die de behartiging van de belangen van diegenen die een beroep op deze wetgeving zouden kunnen doen ten doel hebben, zich tot de commissie kunnen wenden. Een andere uitbreiding betreft de mogelijkheid dat de commissie uit eigen beweging onderzoek instelt. Ingevolge de huidige regeling is het slechts mogelijk de Ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid respectievelijk de Minister van Binnenlandse Zaken te verzoeken een onderzoek in te doen stellen. Dit bleek in de praktijk evenwel een tijdrovende procedure te zijn.

  • Aanpassing van het verbod onderscheid te maken tussen gehuwden en ongehuwden bij het aangaan en bij het beëindigen van het dienstverband

Het verbod onderscheid te maken tussen gehuwden en ongehuwden bij het aangaan en bij het beëindigen van het dienstverband is thans neergelegd in artikel 1637ij, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek en voor de overheidssector in artikel 1, vijfde lid, van de wet voor de burgerlijke openbare dienst. Ten onrechte is de wetgeving bij het opnemen van deze bepaling op enkele andere plaatsen niet aangepast. Dit betreft in de eerste plaats de regeling van de nietigheid van bedingen. Daarnaast dient de bevoegdheid van de nieuwe commissie zich ook uit te strekken over zaken waarbij genoemd verbod in het geding is. Tevens dient dit verbod te gelden ten aanzien van artikel 3: indien bij het aangaan van het dienstverband geen onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden mag worden gemaakt vloeit hieruit logischerwijze voort, dat dit ook in de daaraan voorafgaande fase van werving en selectie niet toegelaten dient te zijn.

  • Verduidelijking van het verbod onderscheid te maken bij het aanbieden van een betrekking

Naar aanleiding van de UCV over de Reparatienota gelijke behandeling mannen en vrouwen op 21 juni 1984 is een motie Groenman c.s. (Kamerstukken II, zitting 1983-1984,18269, nr. 9) aangenomen, waarin de regering verzocht wordt «in het komende voorstel tot «reparatie» van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen het begrip «betrekking» in artikel 3 te verduidelijken». Diverse vormen van betaalde of onbetaalde arbeid komen voor, waaraan een variëteit van rechtsverhoudingen ten grondslag ligt, waarbij onduidelijk is welke vormen van arbeid onder het begrip betrekking vallen. Met het oog hierop is overwogen of aanpassing van de wettekst op dit punt nodig is. Tot een dergelijke wijziging is niet besloten, daar het begrip betrekking meer kan omvatten dan arbeid op arbeidsovereenkomst of in ambtelijke aanstelling. Bij de artikelsgewijze toelichting wordt hierop nader ingegaan. Begin 1983 is voorts een motie Groenman c.s. (Kamerstukken II, zitting 1982-1983, 17600 XV, nr. 26) aanvaard, waarin de regering verzocht wordt in de wet de mogelijkheid te openen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen ter uitvoering van het verbod in personeelsadvertenties onderscheid naar geslacht te maken. Met de onderhavige voorstellen wordt beoogd aan deze motie uitvoering te geven met dien verstande dat niet voor het instrument van een aparte algemene maatregel van bestuur is gekozen, maar voor het opnemen van enkele bepalingen in de wet zelf. Hiermee wordt beoogd aan degenen, die een betrekking aanbieden meer houvast te bieden omtrent de wijze

waarop dit dient te gebeuren. Dit zal er naar verwachting toe bijdragen dat het aantal problemen, dat rijst bij de vraag of een aanbieding op de juiste wijze geschiedt, aanzienlijk vermindert. Tevens zal de effectiviteit van de wet daarmee toenemen.

In de (gewijzigde) motie-Buikema c.s. (Kamerstukken II, zitting 1983-1984, 18269, nr. 13) is tenslotte wat dit onderwerp betreft verzocht herplaatsing van een bijgestelde advertentie dan wel plaatsing van een openbare mededeling omtrent de onjuistheid van de eerdere advertentie als aanvullende sanctiemogelijkheden op te nemen. Aan deze motie is uitvoering gegeven met een regeling over de plaatsing van een rectificatie van de advertentie of de op andere wijze gedane aanbieding.

Bij de toelichting op artikel 3 zal op bovengenoemde punten nader worden ingegaan.

  • Wijziging van het verbod onderscheid te maken met betrekking tot beroepsopleidingen of scholingscursussen

De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid heeft gewezen op een leemte met betrekking tot het verbod onderscheid te maken bij beroepsopleidingen of scholingscursussen. In de praktijk is de vraag gerezen, of er sprake was van ongelijke behandeling niet bij de toegang tot de opleiding, maar tijdens de opleiding wat betreft de toegang tot een stage. Een ander geval betrof de situatie, waarin het examen door een aparte stichting wordt afgenomen en niet door de instelling, welke de opleiding verzorgt. Met het oog hierop is het verbod onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij beroepsopleidingen of scholingscursussen aangepast.

  • Wijziging van de uitzondering in gevallen betreffende de toegang tot beroepsactiviteiten of daarvoor noodzakelijke opleidingen, waarvoor het geslacht een bepalende factor is

In de Reparatienota werd al vermeld, dat de Europese Commissie op 20 mei 1983 over dit onderwerp een met redenen omkleed advies ten aanzien van Nederland heeft uitgebracht (bijlage 2). De kritiek betrof de volgende twee punten: 1. de uitzonderingsmogelijkheid is in de Nederlandse wetgeving ruimer geformuleerd dan de EG-richtlijn van 9 februari 1976 (76/207/EG) toelaat: de uitzonderingsmogelijkheid mag zich volgens de Europese Commissie niet uitstrekken tot de promotiekansen en de arbeidsvoorwaarden waaronder de ontslagvoorwaarden; 2. de wijze waarop de uitzondering in de wetgeving is neergelegd is niet conform de eisen van de Richtlijn; naar de zienswijze van de Europese Commissie noopt artikel 2, tweede lid, in samenhang met artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn (op grond waarvan op gezette tijden nagegaan dient te worden of het gezien de sociale ontwikkeling gerechtvaardigd is de uitzondering met betrekking tot de in artikel 2, tweede lid, bedoelde beroepsactiviteiten te handhaven) tot de opstelling van een lijst van uitgesloten beroepsactiviteiten.

Teneinde aan deze kritiek tegemoet te komen is de uitzondering opnieuw geformuleerd. Overeenkomstig het advies van de Europese Commissie is de uitzonderingsmogelijkheid in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek beperkt tot het aangaan van de arbeidsovereenkomst en het verstrekken van onderricht. Voor de overige materiële bepalingen is deze uitzonderingsmogelijkheid in een nieuw tweede lid van artikel 5 neergelegd.

Wat betreft de formulering van de uitzondering is zo nauw mogelijk aansluiting gezocht bij het desbetreffende artikel van de EG-richtlijn.

In een nieuw derde lid van artikel 5 ligt vervolgens besloten voor welke categorieën beroepsactiviteiten het geslacht bepalend kan zijn. In artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek is deze lijst van overeenkomstige toepassing verklaard.

Aanvankelijk lag het in de bedoeling om de lijst van uitgesloten beroepsactiviteiten te vervatten in een algemene maatregel van bestuur, waarvan de basis in de wet zou worden gelegd. Aangezien het in verband met de artikelen 6 en 7 van de Grondwet echter noodzakelijk bleek de categorieën die betrekking hadden op het geestelijk ambt en op uitvoerend kunstenaars die middels hun optreden gedachten en gevoelens openbaren in de wet zelf op te nemen en het bovendien mogelijk bleek om in de wet een limitatieve opsomming te geven, was in het concept-wetsvoorstel dat in maart 1985 ter advisering aan de adviesorganen is voorgelegd de gehele lijst van uitgezonderde beroepsactiviteiten in de wet zelf opgenomen. Door diverse adviesorganen is echter bezwaar gemaakt tegen het opnemen van de lijst in de wet. Hiervan zou een conserverende werking uitgaan, te meer daar een in formele wetgeving vastgelegde lijst minder gemakkelijk zou kunnen worden aangepast. Ook werd gewezen op het inmiddels gewezen arrest van het Hof van Justitie van 21 mei 1985 (zaak 248/83) waaruit blijkt dat de lidstaten die gebruik maken van de in artikel 2 lid 2 van Richtlijn 76/207 neergelegde bevoegdheid om beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend is van de toepassing van de richtlijn uit te zonderen, niet verplicht zijn de uitzonderingsregelingen in een bepaalde vorm te gieten, maar wel om de uitgezonderde beroepsactiviteiten in een of andere vorm volledig en controleerbaar te inventariseren. In het wetsvoorstel wordt daarom met betrekking tot beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn het volgende voorgesteld. In het derde lid van artikel 5 zijn onder de letters a en b de beroepsactiviteiten opgenomen die in verband met artikel 6 en 7 van de Grondwet in de wet moeten worden opgenomen, terwijl onder letter c is bepaald dat de overige categorieën beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn nader bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen.

  • Wijziging van de mogelijkheid van voorkeursbehandeling

In de bestaande wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is het maken van onderscheid geoorloofd indien dit beoogt personen van een bepaald geslacht in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen. Deelname van vrouwen aan het arbeidsproces is ook thans nog van beperkte omvang. De bij de behandeling van de Reparatienota gelijke behandeling van mannen en vrouwen ingediende motie Groenman-Ter Veld en het advies van de Emancipatieraad hebben ondergetekenden aanleiding gegeven om deze mogelijkheid van voorkeursbehandeling te beperken tot vrouwen. Voorgesteld wordt deze mogelijkheid van voorkeursbehandeling van vrouwen vooralsnog voor een periode van vijf jaar te doen gelden. Aan artikel 2, vierde lid, van de tweede EG-richtlijn wordt aldus een meer concrete toepassing gegeven. De beperking van de mogelijkheid tot voorkeursbehandeling van vrouwen, zo luidt het voorstel, is -mede gelet op de betekenis van artikel 1 Grondwet -gekoppeld aan een zogenaamde evaluatiebepaling. Deze schrijft voor om vier jaar na inwerkingtreding van de wet verslag uit te brengen aan de Staten-Generaal over de feitelijke ongelijkheden in de positie van mannen en vrouwen bij de arbeid. Aan de hand van dat

verslag kan de wetgever alsdan besluiten de in het geding zijnde artikelen te handhaven, te wijzigen of te doen vervallen.

Toelichting op de artikelen

Artikel I

De wijziging in het eerste lid van artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek is aangebracht naar aanleiding van het met redenen omkleed advies van de Europese Commissie d.d. 20 mei 1983, dat als bijlage bij deze toelichting gevoegd is. De mogelijkheid om in gevallen waarin het geslacht bepalend is van de wettelijke regeling af te wijken is daarom thans beperkt tot het aangaan van de arbeidsovereenkomst en het verstrekken van onderricht. Eveneens overeenkomstig dit advies is deze uitzonderingsmogelijkheid duidelijker omschreven en wel door van overeenkomstige toepassing te verklaren het bepaalde in het nieuwe derde lid van artikel 5, waarin een opsomming wordt gegeven van beroepsactiviteiten en hiervoor noodzakelijke opleidingen, waarvoor vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan, het geslacht bepalend kan zijn. Ook de toelichting bij dat nieuwe artikellid is hier van overeenkomstige toepassing.

De Sociaal-Economische Raad heeft in zijn advies inzake reparatiewetgeving gelijke behandeling aandacht gevraagd voor de situatie dat bevordering naar een andere functie niet kan plaatsvinden omdat de betreffende functie geslachtsbepaald is. Zoals de SER daarbij ook al heeft aangegeven kan deze situatie zich niet voordoen bij bevordering naar een functie die in het verlengde ligt van de huidige functie. Indien het een doorgroei betreft naar een wezenlijke andere functie is er naar onze mening niet zo zeer sprake van bevordering maar veeleer van aanstelling in een voor de betrokkene nieuwe functie, waarop van toepassing is het verbod om onderscheid te maken bij werving en selectie (artikel 3 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen) en het verbod om onderscheid te maken bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst dan wel bij de aanstelling tot ambtenaar (in de huidige wetgeving opgenomen in artikel 1637ij, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en in artikel 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst). Indien voor deze nieuwe functie het geslacht een bepalende factor is, kan een beroep worden gedaan op de in de wet neergelegde uitzonderingsmogelijkheid met betrekking tot geslachtsbepaaldheid. Wij achten het daarom niet nodig of wenselijk en gezien het met redenen omkleed advies van de Europese Commissie ook niet mogelijk dat deze uitzonderingsmogelijkheid zich ook uitstrekt tot de bevordering.

Volgens het huidige tweede lid van artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek is een beding dat in strijd is met hetgeen in het eerste lid bepaald is over het onderscheid tussen mannen en vrouwen nietig. Ten onrechte ontbreekt een dergelijke sanctie voor een beding dat in strijd is met hetgeen in het huidige zesde lid bepaald is over het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden. Het voorgestelde artikellid is daarom aangepast. In het huidige vijfde lid van artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek, waarin ook een verwijzing naar het eerste lid voorkomt, is echter terecht niet ook naar het huidige zesde lid verwezen. Daar de bescherming van de gehuwden/ongehuwden slechts het aangaan en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betreft, kan het geval dat door dit artikellid geregeld wordt zich ten aanzien van hen niet voordoen. Het huidige vijfde lid betreft immers het geval dat de dienstbetrekking door de werkgever beëindigd wordt omdat de werknemer een beroep heeft gedaan op het in de wet bepaalde; dat beroep kan dan betreffen een

verboden onderscheid ten aanzien van het verstrekken van onderricht, in de arbeidsvoorwaarden of bij de bevordering zoals opgesomd in het eerste lid. Dit beroep heeft de ongehuwde/gehuwde niet, daar de wet te dien aanzien geen regeling bevat. Omdat onder de arbeidsvoorwaarden ook het loon is begrepen, waarvoor in de paragraaf 2 van hoofdstuk I van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen nadere regels worden gegeven is de in artikel 1637ij, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek opgenomen ontslagbescherming ook van toepassing op een ontslag dat een gevolg is van de omstandigheid dat de werknemer een beroep heeft gedaan op de gelijkloonbepalingen in de wet. Met de uitgebreidere werkingssfeer van deze ontslagbescherming wordt tegemoet gekomen aan een daartoe strekkende aanbeveling van zowel de Sociaal-Economische Raad, als de Emancipatieraad, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen en het Nederlands Juristen Comité voor de mensenrechten in hun adviezen over het concept-wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De regeling van artikel 1637ij, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek is dezelfde als die van artikel 1639o, vijfde lid, tweede en volgende zinnen. Het overnemen van deze regeling is in de huidige Wet gelijke behandeling echter niet volledig geschied. De regeling van artikel 1639u, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat ieder vorderingsrecht van de arbeider in verband met het inroepen van de nietigheid van de beëindiging van de dienstbetrekking krachtens artikel 1639o, laatste lid verjaart na zes maanden, ontbreekt in de huidige Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Met het oog op de uniformering van regelgeving wordt voorgesteld de bepaling van artikel 1639u, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, in artikel 1637ij, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek over te nemen. De beëindiging van de dienstbetrekking omdat de werknemer gehuwd of ongehuwd is, zou een kennelijk onredelijk ontslag zijn, evenals de beëindiging van de dienstbetrekking omdat de werknemer een man of een vrouw is. Zo'n beëindiging is niet nietig. De wet kent slechts in een beperkt aantal gevallen een nietigheidssanctie. Of deze uitbreiding zouden behoeven, zou voor het ontslagrecht als geheel bezien moeten worden, niet slechts voor één geval dat tenslotte deel uitmaakt van een groter geheel. Op 20 maart 1985 is een adviesaanvraag aan de SER gericht inzake een herziening van verschillende aspekten van het ontslagrecht. Bij de verwerking van het van de SER te ontvangen advies kan de vraag van de nietigheidssanctie aan de orde komen.

Artikel II

Zoals in paragraaf B. 1. van het algemeen deel van de toelichting uiteen is gezet wordt voorgesteld om alle naast artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek bestaande regelingen inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen op te nemen. Voorgesteld wordt om de materiële bepalingen op te nemen in een nieuw hoofdstuk I van de Wet. Hoofdstuk I is onderverdeeld in twee paragrafen, te weten een algemene paragraaf waarin het verbod om onderscheid te maken is neergelegd en een bijzondere paragraaf waarin nadere regelen worden gegeven met betrekking tot het in de algemene paragraaf neergelegde verbod om onderscheid bij de beloning.

Artikel 7

Voorgesteld wordt in deze wet een artikel 1 op te nemen van gelijke strekking als de huidige artikelen 1 en 2 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst. De aparte wet

voor de overheidssector kan derhalve ingetrokken worden. In artikel 1 zijn de huidige artikelen 1 en 2 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst samengevoegd. De volgorde van de artikelleden is daarbij in overeenstemming gebracht met de volgorde zoals voorgesteld voor artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat de huidige twee leden van artikel 2 zijn opgenomen als artikel 1, vierde en vijfde lid en dat het huidige derde lid respectievelijk het vijfde lid van artikel 1 zijn opgenomen als artikel 1, zevende lid, respectievelijk artikel 1, zesde lid. De belangrijkste inhoudelijke wijziging ten opzichte van de huidige regeling betreft het feit dat in artikel 1 niet wordt gesproken van burgerlijke openbare dienst, maar van openbare dienst. Hierdoor is artikel 1 ook van toepassing op het militair overheidspersoneel. Daarnaast is in het nu als vijfde opgenomen lid het woord «schriftelijke» geschrapt, om daarmee de wijze van inroepen van de in dit artikellid bedoelde nietigheid van de beëindiging van het dienstverband op een lijn te brengen met de wijze waarop ingevolge het overeenkomstige lid van artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek de nietigheid van de beëindiging van de dienstbetrekking kan worden ingeroepen. De overige wijzigingen ten opzichte van de huidige regeling komen inhoudelijk overeen met die welke in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek zijn aangebracht en betreffen het volgende: -aanpassing, daar in het huidige derde lid een sanctie van nietigheid ontbreekt voor een beding dat in strijd is met het bepaalde over het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden; -aanpassing van het vijfde lid aan de voorgestelde aanvulling van artikel 1637ij, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek inzake de verjaring van het vorderingsrecht; -de uitzonderingsmogelijkheden met betrekking tot gevallen, waarin wordt beoogd personen van een bepaald geslacht in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of, waarin het geslacht bepalend is, zijn op deze plaats geschrapt. Dit houdt verband met het feit dat wordt voorgesteld deze in artikel 5, eerste, tweede en derde lid voor de gehele Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen te regelen.

Het Centraal Georganiseerd Overleg in ambtenarenzaken heeft in zijn advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen gevraagd om een verduidelijking van het begrip «moederschap» in ondermeer artikel 1a lid 3 (in het onderhavige wetsvoorstel is dit artikel 1, derde lid). Het begrip «moederschap» in dit artikellid moet evenals het begrip moederschap in artikel 1637ij, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek worden opgevat als jong moederschap; bescherming van de vrouw in verband met moederschap valt alleen onder deze uitzonderingsbepalingen als het betreft bescherming tegen de fysieke gevolgen van zwangerschap en bevalling. Door de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst is in haar advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen de vraag opgeworpen of de uitzonderingsbepaling ten behoeve van de bescherming van de vrouw geen aanscherping behoeft. De Commissie is van oordeel dat de genoemde bescherming in ieder geval geen rol kan spelen bij de beloning, de bevordering en de beëindiging van het dienstverband. De hier bedoelde bescherming kan bijvoorbeeld plaatsvinden in de vorm van een verlenging van het zwangerschapsverlof met volledige doorbetaling van het loon. In zo'n geval heeft de bescherming van de vrouw ook beloningsaspecten in zich. Wij zijn dan ook van mening dat de door de Commissie bedoelde aanscherping van de uitzonderingsbepaling niet op zijn plaats is. Een inhoudelijke wijziging van de betreffende artikelleden wordt dan ook niet voorgesteld.

Deze wijziging van artikel 2 vloeit voort uit het opnemen van een nieuw artikel 5, tweede en derde lid, met betrekking tot de uitzonderingsmogelijkheid indien het geslacht bepalend is. In paragraaf B.. van het algemeen deel van de toelichting werd dit reeds toegelicht.

In het algemeen deel van de toelichting is vermeld dat vanuit de Tweede Kamer verzocht is om verduidelijking van het begrip «betrekking» in artikel 3. In de Memorie van Toelichting bij artikel 3 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen staat dat dit artikel zijn oorsprong vindt in het gedeelte van artikel 3, eerste lid, van de E.G.-richtlijn van 9 februari 1976, dat discriminatie op grond van geslacht verbiedt voor wat betreft de toegangsvoorwaarden tot beroepen of functies. «In de periode die aan het sluiten van de overeenkomst voorafgaat kan de toegang tot het arbeidsproces geblokkeerd zijn, doordat de advertentie waarin een betrekking aangeboden wordt zich slechts tot één van beide seksen richt», aldus de toelichting (Kamerstukken II, zitting 1978-1979, 15400, nr. 3, blz. 12). Hiermee is de reikwijdte van het begrip betrekking evenwel nog onvoldoende geconcretiseerd.

Ter voldoening aan het verzoek om het begrip «betrekking» te verduidelijken, alsook met het oog op ontwikkelingen, die zich na de totstandkoming van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen hebben voorgedaan, waarbij nieuwe vormen van arbeid naar voren zijn gekomen, gaan wij hieronder nader op dit onderwerp in.

Bij «betrekking» is in elk geval gedacht aan die vormen van arbeid, waarop de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst in het bijzonder het oog hebben, namelijk de arbeidsovereenkomst, de ambtelijke aanstelling en het vrije beroep. De term «betrekking» heeft echter naar onze mening een ruimere betekenis. Het verbod om bij het aanbieden van een betrekking -uitzonderingen daargelaten -onderscheid te maken heeft, gezien het hiervoor vermelde, de strekking om de toegang tot het arbeidsproces niet te blokkeren. Wij zijn dan ook van mening dat vormen van arbeid, waarin op overeenkomstige wijze als in de eerder genoemde drie vormen aan het arbeidsproces wordt deelgenomen, voor de toepassing van artikel 3 als «betrekking» kunnen worden beschouwd. Hierbij denken wij bijvoorbeeld aan de dienstbetrekking tussen de gemeente en een werknemer in de zin van de Wet Sociale Werkvoorziening, aan de rechtsbetrekking tussen degene die een arbeidskracht aan een ander ter beschikking stelt en die arbeidskracht, zoals bedoeld in de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, aan -bij inwerkingtreding van de Wet onbeloonde arbeid door uitkeringsgerechtigden, waarvoor een voorstel eind mei 1986 bij de Tweede Kamer is ingediend en thans door de Tweede Kamer in behandeling is genomen (Kamerstukken II, 85/86, 19549) -de overeenkomst inzake het verrichten van arbeid zonder beloning op een arbeidsplaats waarvan de beschikbaarstelling in het kader van deze wet is goedgekeurd, alsmede aan de overeenkomst tussen een stagebiedende organisatie en een stagiaire.

Een verduidelijking via een algemene omschrijving van het begrip betrekking achten wij, gezien deze verscheidenheid van verschijningsvormen die onder dit begrip vallen, niet goed mogelijk, te meer daar in een algemene omschrijving ook rekening gehouden zou moeten worden met toekomstige ontwikkelingen. Een limitatieve opsomming, waarmee weliswaar meer duidelijkheid zou worden gegeven, is evenmin goed denkbaar, zowel met het oog op toekomstige ontwikkelingen als vanwege het feit dat zich naast de hierboven genoemde voorbeelden van een «betrekking» vele andere gevallen voordoen, bijvoorbeeld het vervullen

van praktijkervaringsplaatsen, vrijwilligerswerk, het verrichten van enkele diensten en aanneming van werk, waarvan slechts afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan worden vastgesteld, of daarbij al dan niet van een betrekking sprake is. Deze werkzaamheden komen immers in verschillende verschijningsvormen voor. Het laatste woord hierover is uiteraard aan de rechter.

Een apart geval vormt de tewerkstelling van erkend gewetensbezwaarden. Hierbij gaat het om het verplicht vervullen van vervangende dienst in verband met ernstige gewetensbezwaren tegen de persoonlijke vervulling van militaire dienst (artikel 9, tweede lid, van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst). Deze vervangende dienst wordt vervuld bij overheidsdiensten dan wel bij door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen voor tewerkstelling van gewetensbezwaarden geschikte instellingen. De Minister bepaalt bij welke instantie of in wiens dienst de tewerkstelling plaatsvindt (artikel 13 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst). Van het aanbieden van een betrekking door een instelling kan derhalve geen sprake zijn. Gelet op het verplichte karakter van deze vervangende dienst kan worden betwijfeld of de rechtsbetrekking van een gewetensbezwaarde wel als een betrekking in de zin van deze wet aangemerkt kan worden en of eerdergenoemde E.G.-richtlijn hierop het oog heeft. Daarbij komt nog dat het een bijzondere tewerkstelling betreft, die uitsluitend betrekking kan hebben op mannen, daar vrouwen geen militaire dienstplicht en derhalve evenmin vervangende dienst vervullen. Hierin is dan ook de grond gelegen dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid slechts mannen bij tewerkstellingsobjecten kan plaatsen. Bij deze tewerkstelling wordt als belangrijk uitgangspunt gehanteerd dat geen concurrentie met de arbeidsmarkt mag optreden. Dit is ook verwoord in het antwoord op de kamervragen van de Eerste Kamerleden Van Tets en Van der Werff (Kamerstukken I, zitting 1982-1983, aanhangsel nr. 36). Dit uitgangspunt is herhaald in antwoord op kamervragen van de leden Groenman en Evenhuis-van Essen (Kamerstukken II, vergaderingen 1983-1984, aanhangsel nr. 1114) alsook in antwoord op kamervragen van de heren Dijkstal en Korthals (Kamerstukken II, zitting 1984-1985, aanhangsel nr. 8). Wat de werving en selectie van de kant van de instellingen zelf betreft: indien zij een betrekking bijvoorbeeld via een advertentie aanbieden, dan zijn zij uiteraard gehouden aan de uit de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen voortvloeiende verplichtingen en mogen zij daarbij geen direct of indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen maken.

De bepaling inzake het verbod onderscheid te maken bij werving en selectie wordt op de volgende punten wel aangepast. In paragraaf B.. van het algemeen deel van de toelichting is er op gewezen dat uit het opnemen van het verbod onderscheid te maken tussen gehuwden en ongehuwden bij het aangaan van het dienstverband logischerwijze voortvloeit, dat dit verbod ook dient te gelden in de daaraan voorafgaande fase van werving en selectie. In het eerste lid zijn de woorden «in de advertentie waarin een betrekking geboden wordt» gewijzigd in «bij de openlijke aanbieding van een betrekking». In de huidige wettekst wordt met betrekking tot de wervingsfase van een sollicitatieprocedure alleen de advertentie waarin een betrekking wordt aangeboden afzonderlijk vermeld. Overige wijzen waarop een betrekking kan worden aangeboden, bijvoorbeeld door een schriftelijke mededeling of door een interne vacaturebekendmaking, vallen onder «bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking». Door de voorgestelde wijziging wordt de sollicitatieprocedure voor wat betreft het verbod om onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen

gesplitst in een wervingsfase en een selectiefase. De wervingsfase wordt bestreken door «bij de openlijke aanbieding van een betrekking». Door deze formulering wordt duidelijker dan in de huidige wettekst tot uitdrukking gebracht dat wat betreft de wervingsfase niet alleen het aanbieden van een betrekking in een advertentie, maar ook andere wijzen waarop openlijk een betrekking wordt aangeboden onder de verbodsbepaling van artikel 3 van de wet vallen. Met name met het oog op de interne werving achten wij dit van belang, omdat zeker in de huidige sociaal-economische situatie de interne werving in betekenis zal kunnen toenemen. In het algemeen deel van de toelichting is melding gemaakt van de motie Groenman c.s., waarin verzocht is in de wet de mogelijkheid te openen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen ter uitvoering van het verbod in personeelsadvertenties onderscheid naar geslacht te maken. Aanvankelijk is het ook de bedoeling geweest in een afzonderlijke algemene maatregel van bestuur richtlijnen voor het opstellen van personeelsadvertenties te geven. Bij de voorbereiding bleek het evenwel in essentie om drie inhoudelijke bepalingen te gaan. De overige denkbare richtlijnen hadden meer het karakter van een nadere toelichting op het verbod onderscheid te maken dan wel op een uitwerking van genoemde drie inhoudelijke bepalingen. Met het oog hierop is bij nadere afweging gekozen voor het opnemen van de belangrijkste bepalingen in de wet zelf. Het betreft in artikel II C het tweede, derde en vierde lid van artikel 3. De algemene regel houdt in dat ingevolge artikel 3 bij het aanbieden van een betrekking o.a. geen onderscheid tussen mannen en vrouwen mag worden gemaakt. Er kan evenwel sprake zijn van een uitzondering. Deze wet kent een enkele uitzonderingsmogelijkheid. Ook andere wetten kunnen evenwel een belemmering vormen een betrekking aan zowel mannen als vrouwen aan te bieden. Dit is bijvoorbeeld het geval met de Stuwadoorswet, waarin het verrichten van de desbetreffende werkzaamheden door vrouwen (nog) verboden is. In deze gevallen mag van de algemene regel worden afgeweken, maar is in het tweede lid voorgeschreven, dat bij de aanbieding van een betrekking de grond voor deze uitzondering uitdrukkelijk vermeld dient te worden. Duidelijk moet worden waarom men meent dat in zo'n geval wèl onderscheid gemaakt mag worden. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft in haar advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen de vrees geuit dat de redactie van artikel 3, tweede lid, de indruk wekt dat alleen het vermelden van een reden voor het maken van een onderscheid voldoende is om binnen de grenzen van de wet te blijven. Wij achten die vrees ongegrond. Het tweede lid van artikel 3 vangt aan met de vermelding dat van het in het eerste lid mag worden afgeweken in die gevallen waarin voor het onderscheid een wettelijke toegestane grond bestaat. In het tweede gedeelte van dit artikellid wordt daaraan een nadere voorwaarde verbonden, nl. dat deze grond ook uitdrukkelijk wordt vermeld. Wordt er bij de openlijke aanbieding van een betrekking een onderscheid gemaakt waarvoor weliswaar een reden wordt genoemd maar dit geen reden is op grond waarvan ingevolge deze wet of enig andere wet een onderscheid is toegestaan, dan wordt in strijd met de wet gehandeld. De Commissie noemt als voorbeeld van een reden die zij als onvoldoende aanmerkt het opnemen van een zinsnede als «gezien de samenstelling van het team». Met een dergelijke zinsnede zal gedoeld worden op de mogelijkheden genoemd in artikel 5. In tegenstelling tot de Commissie zijn wij van mening dat met de vermelding van een dergelijke zinsnede de grond voor het gemaakte onderscheid wel op voldoende wijze tot uitdrukking wordt gebracht, waarbij aangemerkt dient te worden dat de beantwoording van de vraag of er terecht op deze uitzonderingsmogelijkheid een beroep wordt gedaan afhangt van de concrete omstandigheden van het betreffende geval.

Het derde lid bepaalt dat het aanbieden van een betrekking op zodanige wijze moet plaatsvinden, dat er geen twijfel over kan bestaan dat zowel mannen als vrouwen worden uitgenodigd te reageren. Hierbij zijn zowel de tekst als de vormgeving van belang. Daaronder moeten mede taalge~ bruik, de opmaak en illustraties verstaan worden. De Stichting Reclamecode heeft in haar advies over het onderdeel van het wetsvoorstel tot herziening van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen dat betrekking heeft op personeelsadvertenties naar voren gebracht dat zij het begrip vormgeving in artikel 3, derde lid, vrij ruim acht en een nadere toelichting hierop op prijs zou stellen. De Sociaal-Economische Raad acht de bepaling van artikel 3 te ver gaan als deze zo wordt geïnterpreteerd dat de aanbieders van een betrekking verplicht worden om uitsluitend illustraties te gebruiken waarop mannen en vrouwen te zien zijn. De Emancipatieraad acht het terecht dat in het voorgestelde artikel 3, derde lid, zowel over tekst als vormgeving wordt gesproken. Met betrekking tot persoonsaanduidingen, in het bijzonder voornaamwoordelijke aanduidingen, acht de Raad het noodzakelijk dat nadere aanwijzingen worden gegeven.

Het begrip vormgeving in artikel 3, derde lid, is inderdaad vrij ruim. Zoals hierboven is aangegeven gaat het daarbij onder meer om opmaak en illustraties. Dit wil echter niet zeggen dat alleen illustraties zijn toegelaten waarop personen van beide geslachten zijn afgebeeld, noch dat bij illustraties waarop dat wel het geval is de aanbieding in overeenstemming met de wet geschiedt. Van belang is dat uit het geheel van de aanbieding duidelijk blijkt dat niet slechts personen van een geslacht in aanmerking komen voor de betrekking. Eventuele illustraties zullen daarbij in samenhang met de rest van de aanbieding moeten worden bezien. Dit geldt ook voor de in de aanbieding gebruikte voornaamwoordelijke aanduidingen. Het is aan de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid en uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of in een concrete situatie in een aanbieding duidelijk tot uitdrukking komt dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen. Het vierde lid heeft betrekking op de functiebenaming. Wij achten het van belang daaraan aparte aandacht te besteden daar de functiebenaming vaak in een advertentie centraal staat en daarvan een bepaalde indruk kan uitgaan. Er zijn functiebenamingen, waarvan zowel een mannelijke als een vrouwelijke vorm (directeur/directrice) bestaat, er zijn neutrale functiebenamingen (verpleegkundige) en er bestaan mannelijke (timmerman) respectievelijk vrouwelijke (secretaresse) functiebenamingen. Zonder een bepaalde vorm voor te schrijven is slechts aangegeven dat ofwel de mannelijke èn de vrouwelijke vorm gebruikt worden ofwel in de andere gevallen uitdrukkelijk vermeld wordt, dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen. Tot slot is vermeldenswaard dat het de bedoeling is een voorlichtingsbrochure over dit onderwerp uit te geven waarin het verbod onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij het aanbieden van een betrekking op meer uitvoerige wijze toegelicht kan worden en genoemde drie bepalingen, voorzien van voorbeelden, nader uitgewerkt kunnen worden.

Tijdens de behandeling van de Reparatienota gelijke behandeling mannen en vrouwen in de Tweede Kamer is de vraag gerezen, of er geen aanvullende sancties mogelijk zijn. Naar aanleiding hiervan is een motie (de gewijzigde motie van het lid Buikema c.s., Kamerstukken II, zitting 1983-1984, 18269, nr. 13) ingediend, waarin verzocht wordt bij de wijziging van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen herplaatsing van een bijgestelde advertentie dan wel indien dit niet mogelijk is, plaatsing van een openbare mededeling omtrent de onjuistheid van de eerdere advertentie als aanvullende sanctiemogelijkheden in het voorstel op te nemen.

Aan deze motie is in het zesde, zevende en achtste //duitvoering gegeven met een regeling over de plaatsing van een rectificatie van een advertentie of aanbieding. Voor de volledigheid wordt allereerst vermeld dat het in artikel 3, eerste lid, neergelegde verbod niet alleen gericht is tot werkgevers (in spe) die opdracht geven tot het plaatsen van personeelsadvertenties of anderszins betrokken zijn bij werving en selectie van personeel, maar ook tot bijvoorbeeld commissies van benoeming, intermediairs (bijvoorbeeld organisatie-en adviesbureaus, uitzendbureaus) die in opdracht van een werkgever personeel werven en ook tot de media. Nietnaleving van artikel 3 -handelen in strijd met een wettelijke bepaling -levert een onrechtmatige daad op. Om met succes een vordering uit onrechtmatige daad in te kunnen stellen zullen alle elementen voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad aanwezig moeten zijn. Voor de vordering van een rechtspersoon is echter een speciale regeling getroffen in het zevende lid, terwijl het achtste lid een voorziening treft in verband met de kosten ingeval de vordering wordt toegewezen jegens een gedaagde die geen schuld treft, waarbij met name gedacht is aan het medium dat een advertentie plaatst. Hierop wordt hieronder nader ingegaan. Naar geldend recht is niet geheel zeker of naast de verschillende vorderingen die op artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek, het artikel dat de algemene regeling voor de aansprakelijkheid ingeval van onrechtmatige daad geeft, gebaseerd kunnen worden (namelijk een vordering tot vergoeding van de toegebrachte schade in geld, tot vergoeding van de schade in natura (herstel in vorige toestand), tot een verklaring van recht dat de gepleegde daad onrechtmatig is en tot een verbod tot het plegen van een zeker handelen), ook een vordering tot publicatie van een rectificatie toewijsbaar is. De rechterlijke macht aarzelt om zonder uitdrukkelijke wettelijke bepaling een bevel tot rectificatie te geven. Daarom is ter zake van misleidende reclame de bevoegdheid van de rechter om tot publicatie van een rectificatie te veroordelen uitdrukkelijk neergelegd in artikel 1416c B.W. Ook in het nieuw Burgerlijk Wetboek is, terzake van onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicaties van gegevens van feitelijke aard, een bepaling over de rectificatie opgenomen in artikel 6.3.1.5a.

In het zesde, zevende en achtste lid is thans ook een dergelijke regeling voor veroordeling tot rectificatie opgenomen. Hierbij is vooral aansluiting gezocht bij het, meer geserreerde, artikel 6.3.1.5a, na de inwerkingtreding waarvan artikel 1416c zal vervallen. Inhoudelijk zijn er geen verschillen tussen artikel 1416c van het Burgerlijk Wetboek, artikel 6.3.1.5a van het nieuw Burgerlijk Wetboek en de voorgestelde regeling. Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat behalve de vordering tot rectificatie uiteraard de gewone vorderingen die op grond van artikel 1401 B.W. ingesteld kunnen worden, openstaan. In het wetsvoorstel komt dit tot uitdrukking door de formulering in het zesde en zevende lid dat de rechter ook kan veroordelen tot rectificatie. Voor individuele belanghebbenden is de vordering tot rectificatie geregeld in het zesde lid. In het artikellid is uitdrukkelijk gesteld dat er sprake moet zijn van een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad -waarbij dus aan alle elementen voor die aansprakelijkheid voldaan moet zijn -om de tegenstelling met het zevende lid duidelijk te laten uitkomen dat sommige van die elementen laat vervallen voor de rechtspersoon die een vordering tot rectificatie instelt. De individuele belanghebbende zal een voldoende belang bij de vordering tot rectificatie moeten hebben. Vaak zal dat niet het geval zijn. Hij of zij kan immers, ook al richt een advertentie of aanbieding zich, in strijd met de wet, alleen tot mannen of alleen tot vrouwen, of tot gehuwden of tot ongehuwden, naar de aangeboden betrekking solliciteren, ook zonder dat eerst een veroordeling tot rectificatie van de advertentie of aanbieding verkregen is.

De positie van de rechtspersoon die de belangen behartigt van een ieder die een beroep op deze wet heeft, is anders dan die van de individuele belanghebbende. De mogelijkheid om een rectificatie te vragen sluit aan op de werkzaamheden van de belangenorganisaties. Er is een meer algemeen belang mee gediend dat door middel van een rectificatie gesignaleerd wordt dat de advertentie of aanbieding in strijd met de wet was, ook als dat in de praktijk soms niet meer tot gevolg kan hebben dat alsnog meer gegadigden reageren, omdat intussen de sollicitatieprocedure afgerond is. De vordering tot rectificatie kan door de rechtspersoon ingesteld worden op de enkele grond dat een advertentie of aanbieding in strijd met de wet is. Schade hoeft niet gesteld of bewezen te worden. Niet vereist is dat schuld aanwezig is. Uiteraard zal slechts in uitzonderingsgevallen de adverteerder géén verwijt gemaakt kunnen worden dat de advertentie of aanbieding in strijd met de wet is. Het schuldvereiste wordt vooral niet gesteld om een aanvullende mogelijkheid te scheppen om ook het medium waarin de advertentie of aanbieding verschenen is, maar dat niet onderkend heeft dat deze in strijd met de wet was, aan te kunnen spreken tot publicatie van een rectificatie. Een intensieve controle van ter publicatie aangeboden advertenties of aanbiedingen is van het medium niet te vergen. Een advertentieafdeling van een dagblad bijvoorbeeld, waar dagelijks binnen een kort tijdsbestek een groot aantal advertenties verwerkt moet worden, heeft geen gelegenheid om de aangeboden advertenties anders dan vrij summier te toetsen. Het is niet onredelijk dat het medium toch tot publicatie van een rectificatie veroordeeld kan worden, maar het kan onbillijk zijn dat het ook de aan de rectificatie verbonden kosten en de proceskosten moet dragen. Daarom kan volgens het achtste lid de rechter in het geval dat de schuld ontbreekt die kosten voor rekening van de eiser brengen.

Voor de volledigheid zij daarbij gewezen op het volgende. Het geval kan zich voordoen dat een vordering tot rectificatie van een rechtspersoon wordt toegewezen en de rechtspersoon daarbij in de kosten van de rectificatie wordt veroordeeld, terwijl de rechtspersoon vanwege de veroordeling in die kosten niet wenst dat de tot rectificatie veroordeelde partij tot rectificatie overgaat. De rechtspersoon kan dan de kosten van rectificatie voorkomen door aan de tegenpartij onmiddellijk na het uitspreken van het vonnis te laten weten dat hij tenuitvoerlegging van het vonnis niet wenst. Als de rechter meent dat tot publicatie van een rectificatie veroordeeld moet worden, is hij geheel vrij om te bepalen op welke wijze de oorspronkelijke tekst gerectificeerd moet worden door de gedaagde. Meestal zal de eiser een rectificatie geformuleerd hebben, maar de rechter kan, indien hij het voorstel van de eiser bijvoorbeeld te lang vindt of onjuist van formulering, daarin alle wijzigingen aanbrengen die hem goeddunken.

In het vijfde lid, dat overeenstemt met het huidige tweede lid, is de omschrijving «rechtspersonen die zich bezig houden met de behartiging van de belangen » vervangende door de exactere omschrijving «rechtspersonen die ten doel hebben de behartiging van belangen...». Daardoor zal het eenvoudiger voor de rechtspersoon zijn om aan te tonen dat hij een rechtsvordering kan instellen: een verwijzing naar de doelomschrijving in de statuten is voldoende.

Aan de wens die door de Emancipatieraad en de meerderheid van de Sociaal-Economische Raad is uitgesproken om de thans in de wet opgenomen mogelijkheid van een zogenaamde groepsactie uit te breiden tot alle vorderingen die op grond van de Wet gelijke behandeling ingesteld kunnen worden, is niet voldaan. In de eerste plaats is niet gebleken van een noodzaak tot een dergelijke uitbreiding. Maar in de tweede plaats zou zo'n groepsactie eventuele problemen niet oplossen of tot nieuwe problemen aanleiding geven.

De groepsactie wordt wel als een oplossing gezien in arbeidsgeschillen omdat een vordering van de werknemer zelf tegen zijn werkgever tot verstoring van de arbeidsrelatie zou leiden. Echter zal de vordering, ook als deze in de vorm van een groepsactie aangebracht wordt, onderbouwd moeten worden. Er zullen nadere bijzonderheden verstrekt moeten worden over het geval waarover geprocedeerd wordt. Het is zeer onwaarschijnlijk dat verborgen zal kunnen blijven over welke werknemer(s) geprocedeerd wordt. Het gevaar van verstoring van de arbeidsrelatie blijft dus ook bij een groepsactie bestaan. Niet wenselijk is dat een groepsactie buiten medeweten van de werknemer ingesteld zou kunnen worden. Dit kan ongewenste belangem behartiging betekenen en wellicht zelfs een inbreuk op de persoonlijke werksfeer. Indien de actie met medeweten van de werknemer ingesteld wordt, ligt het meer voor de hand dat de «groep» met machtiging van de werknemer voor deze procedeert. Het is in ons procesrecht niet mogelijk dat de groepsactie tot resultaat heeft dat de contractuele relatie van de werknemer daardoor gewijzigd wordt. Om dat te bereiken zal de individuele werknemer zelf de naleving van de wet in een procedure tegen zijn werkgever moeten afdwingen.

Het laten vervallen in de huidige eerste twee leden van artikel 4 van de uitzonderingsmogelijkheid met betrekking tot beroepen waarvoor het geslacht bepalend is houdt verband met het opnemen van een nieuw tweede en derde lid in artikel 5 inzake deze uitzondering. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid heeft er in haar advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gewezen dat het weliswaar bij de toelating tot beroepsopleidingen verboden is onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, maar dat dit verbod niet geldt ten aanzien van de opleiding zelf (mogelijkheden voor stage etc.) noch ten aanzien van de afsluiting daarvan (examen). Omdat het voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de toegang tot het arbeidsproces van belang is dat mannen en vrouwen niet alleen gelijk worden behandeld bij de toegang tot beroepsopleidingen of cursussen voor bij-of omscholing, maar ook tijdens en bij het afsluiten van de opleiding of cursus, is er naar onze mening in dit opzicht in de huidige wet inderdaad sprake van een omissie. Om deze omissie te herstellen wordt voorgesteld om in artikel 4 tweede lid toe te voegen dat het ook bij de behandeling binnen de opleiding niet is toegelaten onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen. Door deze toevoeging vallen onder de werkingssfeer van dit artikellid onder meer de activiteiten die door de natuurlijke of rechtspersoon die de opleiding of cursus in stand houdt worden ondernomen ten behoeve van stageplaatsen voor leerlingen en de examens die in het kader van de opleiding of cursus door deze natuurlijke personen of rechtspersonen worden afgenomen. Omdat zich echter de situatie kan voordoen dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een opleiding of cursus in stand houdt niet dezelfde is als de voor de betreffende opleiding examinerende instantie is in het tweede lid tevens afzonderlijk toegevoegd dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon die examens afneemt die verband houden met de in dat lid bedoelde beroepsopleidingen of scholingscursussen daarbij geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen. In het tweede lid van artikel 4 is eveneens vervallen de uitzonderingsmogelijkheid in verband met de eigen aard van een instelling voor bijzonder onderwijs. Voorgesteld wordt deze uitzonderingsmogelijkheid afzonderlijk neer te leggen in het derde lid.

De bepaling van het huidige artikel 5 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen wordt thans opgenomen als artikel 5, eerste lid.

Op de desbetreffende bepaling in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek na wordt de onderhavige uitzondering thans in één artikellid neergelegd. In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Kamerstukken II, zitting 1978-1979, 15400, nr. 3, blz. 11) is opgemerkt, dat de toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid in de praktijk wel voornamelijk op vrouwen gericht zal zijn. Gelet op de huidige positie van vrouwen zowel wat betreft de deelname aan de arbeid als wat betreft de spreiding over functies en beroepen en de niveaus daarbinnen verkeren vrouwen nog in een achterstandsituatie. Naar aanleiding van de discussie tijdens de UCV over eerdergenoemde Reparatienota is overwogen of deze uitzonderingsmogelijkheid zou moeten worden beperkt tot vrouwen. Na diepgaand beraad hebben ondergetekenden, mede gelet op de motie Groenman-Ter Veld (kamerstukken II 1983-1984, 18269, nr. 11), gemeend daartoe inderdaad vooralsnog voor een periode van vijf jaar te moeten overgaan. Een belangrijke overweging voor deze beperking is de nog steeds geringe deelname van vrouwen aan de arbeid. De huidige algemene arbeidssituatie van mannen is bovendien zodanig dat er geen grond zal zijn om een beroep te doen op deze uitzondering om feitelijke ongelijkheden op te heffen. Het achterwege laten van een toepassingsmogelijkheid voor mannen in individuele gevallen achten wij met het oog op de algemene achterstandssituatie van vrouwen op de arbeidsmarkt alleszins verantwoord.

In paragraaf B.. van het algemeen deel is reeds toegelicht wat de achtergrond is van het nieuwe tweede en derde //ervan artikel 5 waarin de uitzondering is opgenomen voor gevallen waarin het geslacht bepalend is. In het tweede lid wordt als hoofdregel geformuleerd, dat voor zover het de toegang tot beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen betreft van de diverse bepalingen van de wet waarin een verbod tot het maken van onderscheid is neergelegd, mag worden afgeweken in gevallen waarin, vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de betreffende beroepsactiviteit, het geslacht bepalend is. Essentieel in de bepaling zijn de woorden «in gevallen», waardoor wordt bewerkstelligd dat de vraag, of terecht een beroep op de uitzondering wordt gedaan, moet worden beantwoord aan de hand van het concrete, meestal dus ook individuele geval. Wat de formulering van dit tweede lid betreft is zo nauw mogelijk aansluiting gezocht bij artikel 2, lid 2 van de EG-richtlijn van 9 februari 1976 (76/207/EG). In het derde //dvan artikel 5 wordt bepaald dat als beroepsactiviteiten en hiervoor noodzakelijke opleidingen waarvoor het geslacht in een concreet geval bepalend kan zijn slechts worden beschouwd de beroepsactiviteiten die behoren tot respectievelijk opleiden voor de onder letter a, b en c opgenomen categorieën. De uitzondering in onderdeel a, «geestelijk ambt», vloeit voort uit de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Een geestelijk ambt bekleden die personen, die binnen een kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke grondslag zijn aangewezen om voor te gaan in de eredienst dan wel op andere wijze aan het geestesgoed van het genootschap uiting te geven. Een overeenkomstige uitzondering komt ook in andere wetgeving, zoals het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (artikel 2, eerste lid) en de Wet op de Loonvorming (artikel 2, eerste lid) voor. Onderdeel b vermeldt activiteiten, die in de memorie van toelichting op de ontwerp-Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Kamerstukken II, zitting 1978/1979, 15400, nr. 3, blz. 11) reeds zijn beschreven als «in het oog lopende voorbeelden» van geslachtsbepaalde beroepsac-

tiviteiten. De opsomming is thans wat vollediger en correspondeert in grote mate met het terzake bepaalde in het Belgische Koninklijk Besluit van 8 februari 1979 «tot vaststelling van de gevallen waarin melding kan worden gemaakt van het geslacht in de toegangsvoorwaarden van een betrekking of een beroepsactiviteit». De overeenstemming is echter niet volledig. In de Belgische bepaling komt de zinsnede voor «op wie een beroep gedaan wordt om een mannelijke of vrouwelijke rol te vertolken». Onzes inziens omvat de in artikel 7 Grondwet beschermende vrijheid tot het openbaren van gedachten of gevoelens mede de artistieke vrijheid om «mannelijke» dan wel «vrouwelijke» rollen door personen van het andere geslacht te doen vertolken. In onderdeel c is neergelegd dat overige beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn, worden aangewezen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur'. De opsomming in de algemene maatregel van bestuur van de beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn, zal een limitatief karakter hebben, waardoor gevallen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, zich slechts kunnen voordoen bij de toegang tot beroepsactiviteiten en hiervoor noodzakelijke opleidingen, welke behoren tot de onder letter a of b van artikel 5, derde lid, opgenomen categorieën of tot de in de algemene maatregel van bestuur nauw omschreven categorieën. Zoals in paragraaf B.. van het algemeen deel van de toelichting is aangegeven zal een van de categorieën in de algemene maatregel van bestuur betrekking hebben op bepaalde onderdelen van de krijgsmacht. Voor de rechtszekerheid is het feit dat het om een limitatieve opsomming zal gaan van groot belang. Daar staat tegenover dat het aantal categorieën vrij groot zal zijn. Dit lijkt in tegenspraak met de veelvuldig door Tweede Kamer, regering en anderen geuite wens, dat de uitzonderingsmogelijkheden zoveel mogelijk worden beperkt. Het geven van een limitatieve opsomming brengt evenwel met zich mee, dat ook categorieën worden vermeld die vanwege hun veronderstelde vanzelfsprekendheid niet of slechts zijdelings in de tot op heden over de uitzonderingsgrond gevoerde discussie zijn betrokken.

1 Ter beoordeling van de uitwerking van dit onderdeel van het wetsvoorstel is ter informatie bijgevoegd het ontwerpbesluit inzake beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn.

Voorgesteld wordt om in deze wet een nieuwe paragraaf op te nemen van gelijke strekking als de huidige materiële bepalingen van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen. In deze paragraaf worden nadere regels gegeven voor de wijze waarop wordt vastgesteld of al dan niet sprake is van onderscheid in de tot het loon behorende arbeidsvoorwaarden. Omdat het hier om een uitwerking gaat van het verbod om onderscheid te maken in de arbeidsvoorwaarden in de artikelen 1637ij van het Burgerlijk Wetboek en 1 van deze wet voorzover deze het loon betreffen, wordt allereerst in artikel 6 een definitie gegeven van het begrip loon. Deze definitie komt volledig overeen met de definitie van het begrip loon in artikel 1 van de huidige Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen. Vervolgens zijn in de artikelen 7 tot en met 11 de overige materiële bepalingen van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen overgenomen, met dien verstande dat artikel 2 en artikel 3, tweede lid niet zijn overgenomen. Het niet overnemen van artikel 2 van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen vindt zijn oorzaak in het feit dat met de gelijkloonparagraaf in de Wet gelijke behandeling een uitwerking wordt gegeven van het tot de werkgever gerichte verbod om onderscheid te maken in de arbeidsvoorwaarden. Een afzonderlijke bepaling in de gelijkloonparagraaf waarin aan de werknemer een aanspraak op gelijk loon wordt toegekend is daarom niet langer nodig. Evenmin is artikel 3, tweede lid van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen overgenomen, aangezien gebleken is dat van de mogelijkheid om bij de vergelijking van lonen uit te gaan van het loon dat een werknemer in een andere onderneming in dezelfde bedrijfstak geniet, in de praktijk geen gebruik is gemaakt.

De in het huidige artikel 16, eerste lid, van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen neergelegde verplichting dat de betrokken werknemer eerst de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid om haar oordeel moet vragen, alvorens zij of hij zich tot de rechter kan wenden is niet overgenomen. Hiermee wordt de procedure ingevolge de gelijkloonparagraaf afgestemd op die in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; ingevolge de voorgestelde regeling blijft de mogelijkheid van inschakeling van de Commissie bestaan zonder dat deze inschakeling vóóraf verplicht wordt gesteld, hetgeen toch enige tijd vergt; bovendien kan een rechter zich ook zelf tot de Commissie wenden, indien daaraan behoefte bestaat. De regeling van het huidige artikel 16, tweede lid, van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, dat een vorderingsrecht tot betaling van loon uit hoofde van deze wet verjaart na verloop van twee jaren na het tijdstip waarop uitbetaling had moeten geschieden, is met een redactionele aanpassing, neergelegd in artikel 11.

De bepalingen in deze paragraaf hebben niet, zoals de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, alleen betrekking op de particuliere sector, maar ook op de overheidssector. Dit blijkt uit het voorgestelde artikel 12, waarin het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 11 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard in de openbare dienst.

De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid In paragraaf B.. van het algemeen deel van de toelichting is de samenvoeging van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid met de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst tot één nieuwe Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid reeds in hoofdlijnen toegelicht. Ten aanzien van de afzonderlijke artikelen kan hieraan het volgende worden toegevoegd.

Artikel 13

Overeenkomstig het advies van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid over het concept-wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen is de naam van de nieuwe commissie, die in de plaats komt van de huidige twee commissies, dezelfde als die van de huidige commissie voor de particuliere sector, namelijk Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Artikel 14

In het eerste lid is de taak van de commissie omschreven, te weten het instellen van onderzoek naar en het beoordelen van de vraag of er sprake is van ongelijke behandeling dan wel van ongelijke beloning. Deze beoordeling bepaalt het karakter van de Commissie: de Commissie heeft een oordelend karakter. Bij dit oordelende karakter van de Commissie past niet de bevoegdheid om sancties op te leggen, zoals het schorsen van sollicitatieprocedures, tot welke bevoegdheid de Emancipatieraad in zijn advies over het concept-wetsvoorstel heeft geadviseerd. Het opleggen van sancties behoort tot de bevoegdheid van de rechter. Op twee manieren kan de procedure aangevangen worden. Met een schriftelijk verzoek kan een zaak aan de Commissie worden voorgelegd. In het volgende lid wordt deze mogelijkheid uitgewerkt. Ten tweede kan de Commissie -en dit vormt een nieuw element -zelf uit eigen beweging een onderzoek instellen. Tot nu toe kon de Commissie weliswaar wel

eigen initiatief ontplooien maar alleen door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid respectievelijk de Minister van Binnenlandse Zaken te verzoeken een onderzoek in te laten stellen. Dit bleek in de praktijk een nogal omslachtige weg te zijn. Een deel van de SER (ondernemersleden en een viertal kroonleden) is blijkens het SER-advies over het concept-wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen geen voorstander van de mogelijkheid dat de Commissie eigener beweging onderzoek instelt. De mening van dit raadsdeel dat zo een onwenselijke vermenging optreedt van opsporende en adviserende bevoegdheden wordt door ons niet gedeeld. Een expliciete opdracht aan de Commissie om onderscheid in strijd met de wettelijke bepalingen actief op te sporen, is -hoewel hierom in de aangepaste motie-Ter Veld (Kamerstukken II, 1983/1984, 18269, nr. 12) wel is verzocht -niet in het wetsvoorstel opgenomen. Wel achten wij het voor de effectiviteit van de wetgeving van belang dat de Commissie ook zelf het initiatief tot onderzoek kan nemen. Een onderzoek uit eigen beweging zal door de Commissie worden aangevangen naar aanleiding van gegevens waarover zij de beschikking krijgt, zonder dat er van een schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid sprake is. De procedure vangt op een andere wijze aan, maar inhoudelijk zullen er geen grote verschillen zijn. In dit verband wijzen wij er op dat ook de Nationale Ombudsman de bevoegdheid heeft uit eigen beweging onderzoek in te stellen. Wel dient de Commissie bij de te volgen procedure, dit geldt zowel voor het onderzoek op schriftelijk verzoek als voor het onderzoek uit eigen beweging, de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen. Deze zorgvuldigheid wordt gewaarborgd door de hieronder nader aan de orde komende voorgestelde regeling van artikel 15, waarin wordt bepaald dat de Commissie nadere regelen opstelt voor haar werkwijze die de goedkeuring behoeven van de Ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Op deze wijze kan worden tegemoet gekomen aan de mening van het hierboven bedoelde deel van de SER dat met betrekking tot het onderzoek uit eigen beweging minimaal vereist zou zijn een fase in de procedure waarin de werkgever schriftelijk in kennis wordt gesteld van de tegen hem bestaande vermoedens van wetsovertreding en hij in de gelegenheid wordt gesteld schriftelijk zijn verweer te leveren. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid heeft in haar advies over het concept-wetsvoorstel tot herziening van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen opgemerkt dat het niet duidelijk is of de Commissie bevoegd is ingeval van een ontbinding ex artikel 1639w van het Burgerlijk Wetboek. Naar aanleiding hiervan merken wij allereerst op, dat in een uitspraak van 27 september 1984 (N.J. 1986, 18) de Kantonrechter te Rotterdam heeft geoordeeld dat artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek rechtstreekse toepassing mist bij een ontbindingsprocedure ingevolge artikel 1639w van het Burgerlijk Wetboek. De kantonrechter voegde daaraan toe dat de rechter bij het beoordelen van de gewichtige redenen die als ondersteuning voor het ontbindingsverzoek worden gesteld, terdege rekening kan houden en veelal ook behoort te houden met het in de wet neergelegde beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Deze uitspraak wordt door ons onderschreven. Weliswaar kan het in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek neergelegde verbod onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen er -ingeval de rechter oordeelt dat er sprake is van gewichtige redenen in de zin van artikel 1639w van het Burgerlijk Wetboek -niet toe leiden dat de arbeidsovereenkomst in stand kan blijven, maar wel kan het feit dat de werkgever het in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek neergelegde beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden, tot uitdrukking komen in een aan de werkgever op te leggen schadeloosstelling.

Wat betreft de bevoegdheid van de Commissie ingeval de werkgever een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen heeft ingediend, zijn wij van mening dat de Commissie uiteraard niet kan treden in de vraag of er al dan niet sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 1639w van het Burgerlijk Wetboek, maar dat de Commissie wel bevoegd is te oordelen of de werkgever met de indiening van het verzoek tot ontbinding onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen. De bevoegdheid van de Commissie beperkt zich dan bijvoorbeeld tot een oordeel over de vraag of de gewichtige redenen die de werkgever aanvoert ook aanleiding zijn (geweest) voor een ontbindingsverzoek met betrekking tot een werknemer van het andere geslacht. De bevoegdheid van de Commissie vloeit voort uit het feit dat het verzoek tot ontbinding van de werkgever gezien kan worden als een handeling bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637ij, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek.

Door wie een schriftelijk verzoek kan worden ingediend is neergelegd in het tweede lid. Behalve voor degenen, die zich op basis van de huidige wetgeving reeds tot de Commissie konden wenden, is deze mogelijkheid tevens geopend voor ondernemingsraden, voor dienstcommissies bij de rijksoverheid en daarmee vergelijkbare overlegorganen bij de andere overheden. In verband met de per 1 september 1986 in werking getreden nieuwe Wet op het wetenschappelijk onderwijs (Stb. 1986, 414) wordt opgemerkt dat voor wat betreft de openbare universiteiten en academische ziekenhuizen waar overeenkomstige rechtspositieregelingen gelden als het Algemeen Rijksambtenarenreglement, de dienstcommissies zich eveneens tot de Commissie kunnen wenden. Ook voor organisaties van belanghebbenden die aan bepaalde eisen voldoen wordt deze mogelijkheid geopend. De mening van zowel de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst als het Centraal Georganiseerd Overleg in ambtenarenzaken, neergelegd in hun adviezen over het wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen, dat door het gebruik van de term «diensteenheid» de indruk wordt gewekt dat het hier slechts om de rijksoverheid gaat, delen wij niet. Bij de andere overheden dan de rijksoverheid wordt weliswaar behalve de term «diensteenheid» ook gesproken van takken van dienst, maar dat neemt niet weg dat dit laatste begrip valt onder het begrip diensteenheid als bedoeld in artikel 14, tweede lid, letter d.

Genoemde overlegorganen kunnen bij vermeende ongelijke behandeling of ongelijke beloning binnen de arbeidsorganisatie waarvoor zij zijn ingesteld, hierover het oordeel van de Commissie vragen. Dit is een invulling van hun taak om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te bevorderen. Ook rechtspersonen, die de behartiging van de belangen van degenen die een beroep zouden kunnen doen op het in deze wet bepaalde, ten doel hebben, kunnen zich tot de commissie wenden. Dit past in hun werkzaamheden als belangenorganisatie. Het verzoek aan de Commissie om een onderzoek in te stellen behoeft niet te geschieden aan de hand van een concreet voorbeeld van ongelijke behandeling of ongelijke beloning. Het verzoek kan juist ook betrekking hebben op een voor de onderneming of diensteenheid geldende regeling, die bij toepassing kan leiden tot ongelijke behandeling of ongelijke beloning.

Als een ondernemingsraad, overlegorgaan bij de overheid of en organisatie van belanghebbenden in het verzoek aan de Commissie bij

wijze van voorbeeld een individueel geval noemt, dan regelt het derde lid de bescherming van personen, in wier nadeel is of wordt gehandeld. Indien iemand die ongelijk behandeld zou worden er bezwaar tegen heeft dat zijn of haar geval door de Commissie wordt onderzocht, welk bezwaar, doordat in de laatste zin van dit artikellid wordt gesproken van onderzoek èn beoordeling, niet alleen in het beginstadium, maar in elke fase van het onderzoek (schriftelijk) kenbaar kan worden gemaakt, is de Commissie niet bevoegd dit voorbeeld in haar onderzoek te betrekken.

Het vierde lid bevat geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van de huidige bepalingen in artikel 10, eerste lid, van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, artikel 6, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 3, vierde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst, met dien verstande dat de tekst is aangepast aan de nieuwe situatie, dat ook derden zich tot de Commissie kunnen wenden.

Ook aan andere personen en instanties kan de Commissie haar oordeel toezenden ingevolge het vijfde lid, als deze haars inziens belang hebben bij de kennisneming daarvan. Voor Ministers kan deze informatie nuttig zijn om inzicht in het effect van hun beleid te hebben of om hun beleid eventueel bij te stellen. Organisaties hebben de mogelijkheid in arbeidsvoorwaardenoverleg afspraken te wijzigen of op een nieuwe ontwikkeling in te spelen. Tevens kan signalering naar ondernemingsraden en overlegorganen bij de overheid bruikbaar zijn in het kader van hun taak de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in betrokken arbeidsorganisatie te bevorderen. Opdat organisaties, ondernemingsraden en andere overlegorganen een actievere rol in de verbetering van de positie van vrouwen in arbeidsorganisaties kunnen spelen, is het van belang dat de Commissie van deze signalerende mogelijkheid in de daarvoor in aanmerking komende gevallen gebruik maakt. Op grond van de huidige regeling moeten de beide Commissies elk geval waarin zij tot het oordeel kwamen dat er sprake was van strijd met de wet, ter kennis brengen van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Justitie en van Binnenlandse Zaken en wat de commissie voor de overheidssector betreft bovendien van de organisaties van overheidspersoneel. Omdat niet elk individueel geval voor genoemde personen en instanties van belang is, is besloten de beoordeling van het al dan niet toezenden aan de Commissie over te laten.

Het voorstel in de aangepaste motie-Ter Veld (Kamerstukken II, 1983/1984, 18269, nr. 12) dat de Commissie de mededeling aan ondernemingen en bedrijven dat in strijd met de wet is gehandeld, vergezeld doet gaan van aanbevelingen voor wijzigingen van het beleid en eventueel advies over het opstellen van een positief actieplan hebben wij niet overgenomen. De Commissie heeft een oordelend karakter en toetst bestaande situaties aan de bepalingen van de wet. Het is aan betrokken partijen om te zorgen dat wordt gehandeld conform de wet. Hoewel het oordeel van de Commissie impliciet een advies kan behelzen en ook niet is uitgesloten dat naar aanleiding van een oordeel desgevraagd van de kant van de Commissie suggesties gedaan worden voor wijzigingen van het beleid, achten wij het niet wenselijk om in de wet op te nemen dat de Commissie optreedt als adviesinstantie met betrekking tot het personeels-beleid van ondernemingen. Wat betreft positieve actieplannen merken wij op dat eind 1987 een nota aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden inzake het overheidsbeleid ter bevordering van positieve actieplannen in organisaties. Daarin zal ook aandacht worden besteed aan de vraag of en zo ja op welke wijze via wetgeving het opstellen van positieve actieplannen kan worden bevorderd.

Vanuit de Tweede Kamer is bepleit dat de Commissie eveneens de bevoegdheid krijgt in geval van overtreding van het in artikel 3 neergelegde verbod haar oordeel als aanvullende sanctie openbaar te maken. In het zesde lid is deze bevoegdheid thans neergelegd. In tegenstelling tot de uitspraken van de Commissie die in het algemeen openbaar zijn en ter inzage liggen, maar dan op zodanige wijze dat gegevens waaruit de identiteit van personen of instanties kan worden afgeleid, weggelaten worden, houdt deze mogelijkheid publicatie met naam en toenaam in. Evenals dat bij een rectificatie van een advertentie het geval kan zijn, zal van de openbaarmaking door de Commissie enerzijds een preventief effect uitgaan en anderzijds zal toepassing van deze sanctie voorlichtend werken, zowel omtrent de voorschriften van de wet als wat betreft het feit dat op de naleving van deze wetgeving wordt toegezien. De suggestie van de Emancipatieraad en de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in hun adviezen over het concept-wetsvoorstel om te bepalen dat alle oordelen openbaar zijn, hebben wij niet overgenomen. Omdat de Commissie met de mogelijkheid tot openbaarmaking beschikt over een sanctiemogelijkheid die in wezen niet bij haar oordelend karakter past, hebben wij het raadzaam geoordeeld met deze mogelijkheid terughoudend om te gaan. De mogelijkheid is beperkt tot situaties waar het gaat om het aanbieden van een betrekking. Het feit dat met betrekking tot personeelsadvertenties -de belangrijkste vorm waarin betrekkingen worden aangeboden -speciale aandacht geboden is, rechtvaardigt het opnemen van deze sanctiemogelijkheid. Het is aan de Commissie overgelaten om te bepalen in welke -ernstige -gevallen zij tot openbaarmaking van haar oordeel overgaat. De Commissie zal van deze mogelijkheid slechts gebruik maken in de meest sprekende gevallen, zoals ook in de Reparatienota gelijke behandeling mannen en vrouwen is aangegeven, waarbij als voorbeeld is genoemd het bij herhaling ondanks aanmaningen van de Commissie in strijd met de wet werven.

Dit is gewaarborgd doordat de Commissie de op grond van artikel 15 door haar zelf op te stellen nadere regelen voor haar werkwijze, welke de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid behoeven, in acht moet nemen.

Daar de Commissie naar onze mening vrij moet zijn te beoordelen op welke wijze openbaarmaking in een bepaald geval het meest effectief kan plaatsvinden, is nadrukkelijk bepaald dat de openbaarmaking geschiedt op een door de Commissie te bepalen wijze. Behalve publicatie in de Staatscourant, waar de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen blijkens haar advies over het concept-wetsvoorstel aan denkt, is bijvoorbeeld ook het uitbrengen van een persbericht of publicatie in een landelijk of regionaal (dag)blad mogelijk. Ook is het hierdoor mogelijk dat de Commissie haar oordeel niet in zijn geheel maar een samenvatting daarvan openbaar maakt en dat -in voorkomend geval -de gegevens over de identiteit van de persoon ten aanzien van wie onderscheid is gemaakt niet worden vermeld indien deze persoon te kennen heeft gegeven daartegen bezwaar te hebben.

Artikel 15

Overeenkomstig de adviezen van de Emancipatieraad, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten en overeenkomstig een van de aanbevelingen in het verslag van het onderzoek naar het functioneren van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid door het Molengraaff Instituut van privaatrecht van de Rijksuniversiteit Utrecht «Gelijke behandeling, je goed recht?», wordt in het wetsvoorstel voorgesteld een nieuw artikel 15 op te nemen waarin wordt bepaald dat

de Commissie nadere regelen voor haar werkwijze opstelt, die de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid behoeven. Voor de in dit artikel gevolgde opzet is gekozen om enerzijds de Commissie zoveel mogelijk vrij te laten in het bepalen van haar werkwijze en anderzijds een waarborg te scheppen voor een zorgvuldige Commissieprocedure. In het artikel zijn vier zaken genoemd waarover de Commissie in ieder geval regelen moet opstellen, te weten de procedure, hoor en wederhoor, de openbaarheid van de zittingen en de openbaarmaking van haar oordeel, bedoeld in artikel 14, zesde lid. Bij de regelen omtrent de procedure gaat het zowel om de door de Commissie te volgen procedure bij het onderzoek op schriftelijk verzoek, als om het onderzoek uit eigen beweging. Daaronder zouden ook kunnen vallen regelen omtrent hoor en wederhoor en de openbaarheid van zittingen. Wij achten deze elementen echter dermate essentieel voor een zorgvuldige procedure dat wij er voor hebben gekozen deze afzonderlijk te vermelden. De openbaarmaking van het oordeel van de Commissie, zoals bedoeld in artikel 14, zesde lid is afzonderlijk in artikel 15 opgenomen om te waarborgen dat de Commissie van de bevoegdheid tot openbaarmaking zorgvuldig en slechts in de meest sprekende gevallen gebruikt maakt. Hierbij gaat het niet alleen om de procedure die de Commissie met betrekking tot de openbaarmaking volgt, maar ook om inhoudelijke criteria, waaraan de Commissie de aanbiedingen van een betrekking die naar haar oordeel in strijd zijn met de wet, dient te toetsen, voordat ze tot openbaarmaking overgaat.

Artikel 16

Dit artikel regelt de samenstelling van de Commissie. Het eerste lid bepaalt het aantal leden op 11. Voor elk lid wordt daarnaast een plaatsvervanger benoemd. Zoals in de Reparatienota gelijke behandeling mannen en vrouwen is toegelicht, biedt een Commissie van 11 leden en 11 plaatsvervangende leden goede mogelijkheden om zowel nog besluitvaardig te kunnen functioneren alsook een redelijke spreiding te realiseren over de vereiste deskundigheid op diverse terreinen. Een van de leden zal tevens onafhankelijk, d.w.z. niet-ambtelijk, voorzitter zijn.

De samenstelling dient afgestemd te zijn op het bredere werkterrein. Wat betreft de gewenste spreiding verdient aandacht, dat de Commissie zich met de particuliere sector en de overheidssector (behalve aan de rijksoverheid dient hierbij ook aan de andere overheden gedacht te worden) bezig houdt. Er dient voorts rekening mee gehouden te worden dat er deskundigen zijn op de gebieden, die onder de werkingssfeer van deze wetgeving vallen, zoals arbeidsvoorwaardenbeleid, personeelsbeleid, beroepskeuzevoorlichting, toegang tot beroepsopleidingen en scholingscursussen en de toegang tot en ontplooiing binnen het vrije beroep. Van diverse zijden is daarnaast het belang onderstreept, dat binnen de Commissie juridische kennis, vooral op het terrein van het arbeidsrecht, en aantoonbare emancipatiedeskundigheid aanwezig is. Naast het feit dat de aanwezigheid van deze beide deskundigheden binnen de Commissie van belang is in verband met haar werkterrein, achten wij het -met het oog op de gewenste grotere deelname van vrouwen aan commissies -een bijkomend voordeel dat de laatste deskundigheid vrijwel een garantie inhoudt dat de Commissie voor het merendeel uit vrouwen zal bestaan. Bij de benoeming dient er derhalve op gelet te worden dat er in totaal een voor het gehele door de onderhavige wetgeving bestreken gebied deskundige Commissie ontstaat.

De benoeming en het ontslag van de (plaatsvervangende) leden worden in het tweede, derdeen vierde lid geregeld. De mogelijkheid van ontslag is opgenomen met het oog op ontslag op eigen verzoek en ontslag wegens onverenigbaarheid van functies. Benoeming en ontslag geschieden door de Minister belast met de coördinatie van het emancipatiebeleid in overeenstemming met de overige bij de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen betrokken Ministers. Voor de benoeming kunnen door de organisaties, die op centraal niveau betrokken zijn bij het arbeidsvoorwaardenoverleg in de particuliere sector respectievelijk de overheidssector, voorstellen gedaan worden. Daarnaast spreekt het voor de overheidssector vanzelf, dat bij de benoeming rekening zal worden gehouden met deskundigheid op het terrein van het overheidspersoneel zowel ten aanzien van de rijksoverheid als de andere overheden, vertegenwoordigd in Ambtelijk en Bestuurlijk Beraad, welke eveneens in de gelegenheid zullen worden gesteld voorstellen te doen. Tevens zal ook de Emancipatieraad worden gehoord overeenkomstig de thans geldende wet.

In de uitgebrachte adviezen door de SER, de beide Commissies en de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken is een voordrachtsrecht voor de betrokken organisaties bij de benoeming bepleit. Een dergelijke constructie achten wij evenwel niet wenselijk. Zoals in het algemeen deel is toegelicht gaat het hier om een onafhankelijke commissie van deskundigen. Een voordrachtsrecht biedt onvoldoende waarborgen voor een voldoende spreiding over de eerder genoemde vereiste deskundigheden. Wel is het belangrijk dat bij de (plv.) leden informatie beschikbaar is over opvattingen en ontwikkelingen in de particuliere en de overheidssector en dat er kontakt is met de praktijk, waar het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen toegepast moet worden. Met het oog hierop kunnen de betrokken organisaties wel voorstellen doen. Naarmate deze voorstellen tot een goede spreiding over de vereiste deskundigheid leiden, kunnen deze meer opgevolgd worden. Op deze wijze blijft er echter een toetsing mogelijk, of er een voor het gehele door deze wetgeving bestreken terrein deskundige commissie wordt samengesteld.

Met betrekking tot de periode waarvoor benoemd wordt is gekozen voor een tijdvak van vier jaar. Bij handhaving van het tijdvak van twee jaar in de huidige wetgeving zou, mede gelet op de ervaring dat benoeming ter vervulling van tussentijds opengevallen plaatsen nodig is de nagestreef-de vereenvoudiging van de benoemingsprocedure onvoldoende gerealiseerd kunnen worden. In dit verband zij er nog op gewezen dat in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst bepaald is dat bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd ontslag wordt verleend. Deze bepaling is in overeenstemming gebracht met de regeling voor de particuliere sector, waarin een dergelijke leeftijdsgrens niet is opgenomen.

De voor het emancipatiebeleid als eerste verantwoordelijke Minister -dat is thans de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -voorziet in het secretariaat van de Commissie, aldus het vijfde lid. Zoals in de Reparatienota gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Tweede Kamer, 1983-1984, 18269, nrs. 1-2) is aangegeven zal het secretariaat, dat uitsluitend voor de Commissie werkt en dat voor de uitoefening van zijn taak ook uitsluitend aan de Commissie verantwoording schuldig is, uit vier formatieplaatsen bestaan, te weten een secretaris, een adjunct-secretaris, een administratieve medewerker en een typekracht.

Artikel 17

Evenals in de huidige wetgeving voor de particuliere sector het geval is, kan de Commissie zich bij de uitoefening van haar taak door ambtenaren laten bijstaan (eerste lid). Het ligt in de bedoeling naast de ambtenaren van het secretariaat wederom de ambtenaren van de Loontechnische Dienst aan te wijzen, maar nu ook voor de openbare dienst. Deze dienst bezit immers de noodzakelijke deskundigheid, beschikt over een regionaal gespreid apparaat en, heeft met betrekking tot onderzoek inzake gelijke behandeling en gelijke beloning al veel ervaring. Gekozen is voor één onderzoeksinstantie om verschillen in interpretatie die er door de aard van de onderzoeken zouden kunnen ontstaan, te voorkomen. Wanneer de Loontechnische Dienst een onderzoek instelt binnen de openbare dienst zal deze zich, voor zover sprake is van een gehanteerd functiewaarderingssysteem alvorens het onderzoek af te ronden, verstaan met de desbetreffende systeemhouder (bijv. de Directie Formatiezaken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken of de Vereniging van Nederlandse Gemeenten). Indien het onderzoek binnen de overheid geen betrekking heeft op enig functiewaarderingssysteem, zal de Loontechnische Dienst zich, alvorens het onderzoek af te ronden, verstaan met de Directie Overheidspersoneel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Afhankelijk van de behoefte daaraan in een bepaald geval kunnen evenwel ook andere ambtenaren worden aangewezen.

Het tweede lid biedt de Commissie de ruimte andere personen als deskundigen in te schakelen. De bestaande regeling kent deze mogelijkheid eveneens. Daar eventuele kosten ten laste van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid komen, dient de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hieraan goedkeuring te verlenen.

Artikel 18

Dit artikel regelt de verplichting inlichtingen en bescheiden te verstrekken aan de Commissie en aan de ambtenaren, die de Commissie bij de uitoefening van haar taak ondersteunen.

Artikel 19

De Commissie kan op grond van dit artikel voortaan zelf haar jaarverslag openbaar maken. In verband met de geheimhoudingsplicht (artikel 22) mag de Commissie in haar jaarverslag, dat voor openbaarmaking is bestemd, uiteraard geen gegevens opnemen waarvan de Commissieleden het vertrouwelijk karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Bij de beoordeling van de vraag of gegevens een vertrouwelijk karakter hebben neemt de Commissie de belangen die zijn genoemd in artikel vier van de Wet openbaarheid van bestuur in acht. De suggestie van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst om in de wet te bepalen dat in de Staatscourant wordt vermeld dat de Commissie haai jaarverslag heeft uitgebracht hebben wij niet overgenomen. De Commissie kan zelf bepalen op welke wijze dit het best kan geschieden. Het uitbrengen van een persbericht kan bijvoorbeeld effectiever zijn dan een vermelding in de Staatscourant.

Artikel 20

Een overeenkomstige bepaling betreffende reis-en verblijfkosten als nu opgenomen is in artikel 13 van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen respectievelijk in artikel 4, twaalfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst, is in dit artikel neergelegd.

Artikel 21

Daar het voor de beoordeling van het effect van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen noodzakelijk is dat inzicht verkregen wordt in de naleving van deze wetgeving en in de ontwikkelingen terzake is onderzoek vereist. De mogelijkheid, dat dergelijk onderzoek wordt verricht door daartoe aan te wijzen ambtenaren (ook hier wordt in beginsel gedoeld op ambtenaren van de Loontechnische Dienst) en de verplichting aan de betrokken ambtenaren de benodigde inlichtingen en bescheiden te verstrekken zijn in het eerste, derde en vierde lid van dit artikel vastgelegd. Voorgesteld wordt in het tweede lid van artikel 21 een bepaling op te nemen, analoog aan het in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag en van artikel 1638o van het Burgerlijk Wetboek opgenomen voorstel voor artikel 18a, tweede lid Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dit onlangs bij nota van wijziging is gewijzigd. Deze bepaling houdt in dat indien uit een onderzoek blijkt dat niet aan de voorschriften in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of in deze wet is voldaan, hiervan mededeling wordt gedaan aan de werkgever, aan de ondernemingsraad dan wel, als het de overheid betreft aan het overeenkomstige overlegorgaan alsmede aan betrokken werkgevers-en werknemersorganisaties uit particuliere-en overheidssector. De informatie aan de ondernemingsraad heeft ten doel de raad in de gelegenheid te stellen in het overleg met de werkgever deze aan te spreken op de geconstateerde ongelijke behandeling. Ook op deze wijze kan de ondernemingsraad inhoud geven aan zijn taak, neergelegd in artikel 28 van de Wet op de ondernemingsraden, om in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te bevorderen. Voor overlegorganen bij de overheid geldt hetzelfde. De bepaling dat ook betrokken werkgevers-en werknemersorganisaties op de hoogte worden gesteld sluit goed aan bij de in het wetsvoorstel opgenomen regeling voor artikel 14, vijfde lid.

Artikel 22

Evenals in de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen tot nu toe, is ook in het onderhavige wetsvoorstel een -enigszins geactualiseerde -geheimhoudingsplicht opgenomen.

  • I. 
    De Sociaal-Economische Raad en de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid hebben er terecht op gewezen dat de overgangsbepaling, neergelegd in artikel 7 van de huidige Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, inmiddels is uitgewerkt. Deze overgangsbepaling kan daarom thans worden geschrapt. Dat neemt uiteraard niet weg dat in het geval er een loonvordering wordt ingesteld over een periode waarin dit artikel nog niet was uitgewerkt, door de werkgever voorzover het deze periode betreft, daartegen in voorkomend geval een beroep op dit (overgangs)artikel kan worden gedaan.

Artikel III

Onderdeel A is een zogenaamde horizonbepaling, die inhoudt dat het bepaalde in artikel 1637ij, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en in artikel 5, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen na vijf jaar afloopt. Tevens is een voorziening getroffen voor de situatie die over vijf jaar intreedt wanneer de beperking van de mogelijkheid van voorkeursbehandeling tot vrouwen zal vervallen. In onderdeel B is, zoals is uiteengezet in paragraaf B.S. van het algemeen deel van de toelichting, de verplichting opgenomen om een verslag op te stellen.

Artikel IV

De intrekking van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst is een gevolg van het feit dat de bepalingen uit deze wet in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen worden opgenomen.

Artikel V

De intrekking van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen is een gevolg van het feit dat de bepalingen betreffende gelijke beloning van mannen en vrouwen in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen worden opgenomen.

Artikel VI

De intrekking van de Wet tijdelijke voorziening gelijke behandeling van mannen en vrouwen en van gehuwden en ongehuwden in het geval van beëindiging van de dienstbetrekking is een gevolg van het feit dat het militair overheidspersoneel -op een enkele uitzondering na -onder de werkingssfeer van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen wordt gebracht.

Artikel VII

Aan de medezeggenschapsraad van een school, van een instelling voor hoger beroepsonderwijs en van de Open Universiteit, kan een overeenkomstige bevoegdheid worden toegekend als voor ondernemingsraden en overlegorganen bij de overheid is voorgesteld (zie artikel II G, artikel 14, tweede lid, onder d), namelijk om bij vermeende ongelijke behandeling bij de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen een schriftelijk verzoek in te dienen tot het instellen van een onderzoek daarnaar. Indien aan een medezeggenschapsraad deze bevoegdheid is toegekend, kan deze medezeggenschapsraad eveneens op de hoogte gesteld worden, indien uit onderzoek gebleken is, dat de desbetreffende school of instelling deze wet niet zou naleven (zie artikel II H, artikel 21, tweede lid). Gezien de uitgangspunten die aan de wettelijke regelingen van de medezeggenschap binnen onderwijsinstellingen ten grondslag liggen, moet over het al dan niet toekennen van de hierboven bedoelde bevoegdheid door de betrokkenen op het niveau van de onderwijsinstelling worden besloten. Vandaar dat wijziging van de Wet medezeggenschap onderwijs (Stb. 1981, 778), de Wet op het hoger beroepsonderwijs (Stb. 1986, 289) en de Wet op de Open Universiteit (Stb. 1984, 573) wordt voorgesteld.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf De Minister van Binnenlandse Zaken, J. de Koning

De Minister van Justitie, F. Korthals Altes De Minister van Onderwijs en Wetenschappen, W. J. Deetman

BIJLAGE I

TEKST VAN DE WETGEVING GELIJKE BEHANDELING VAN MANNEN EN VROUWEN BIJ ONGEWIJZIGDE AANVAARDING VAN HET VOORSTEL VAN WET TOE HERZIENING VAN DE WETGEVING INZAKE GELIJKE BEHANDELING VAN MANNEN EN VROUWEN

  • I. 
    BURGERLIJK WETBOEK

VIERDE BOEK, TITEL 7A, TWEEDE AFDELING (Van de arbeidsovereerv komst in het algemeen).

Artikel 1637ij

' Op grond van artikel III van de Wet tot herziening van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen wordt in artikel 1637ij, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek onderscheidenlijk in artikel 5, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen vijf jaren na de dag van inwerkingtreding van deze wet «vrouwelijke arbeiders» onderscheidenlijk «vrouwen» vervangen door: «arbeiders van een bepaald geslacht» onderscheidenlijk «personen van een bepaald geslacht». Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Binnenlandse Zaken, van Justitie en van Onderwijs en Wetenschappen zenden binnen vier jaren na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de feitelijke ongelijkheden in de positie van mannen en vrouwen bij de arbeid

  • De werkgever mag geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk bijvoorbeeld doorverwijzing naar de echtelijke staat of de gezinsomstandigheden, bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst, het verstrekken van onderricht aan de arbeider, in de arbeidsvoorwaarden, bij de bevordering en bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Niet onder de arbeidsvoorwaarden zijn begrepen uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen. Van het in de eerste zin van dit artikellid bepaalde mag, voor zover het het aangaan van de arbeidsovereenkomst en het verstrekken van onderricht betreft, worden afgeweken in die gevallen waarin het geslacht bepalend is. Daarbij is artikel 5, derde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing. 2. Van het in de eerste zin van het eerste lid van dit artikel bepaalde mag worden afgeweken indien het bedingen betreft die op de bescherming van de vrouw, met name in verband met zwangerschap of moederschap, betrekking hebben. 3. Van het in de eerste zin van het eerste lid van dit artikel bepaalde mag worden afgeweken indien het bedingen betreft die vrouwelijke arbeiders in een bevoorrechte positie beogen te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen 4. De beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever wegens de omstandigheid dat de arbeider in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het in eerste lid van dit artikel bepaalde is nietig. De arbeider kan gedurende twee maanden na de opzegging of na de beëindiging van de dienstbetrekking, indien de werkgever deze anders dan door opzegging heeft doen eindigen, de nietigheid van de beëindiging inroepen. Het inroepen van de nietigheid geschiedt door kennisgeving aan de werkgever. De beëindiging bedoeld in de eerste zin van dit artikellid maakt de werkgever niet schadeplichtig. leder vorderingsrecht van de arbeider in verband met het inroepen van de nietigheid van de beëindiging van de dienstbetrekking krachtens dit artikellid verjaart na verloop van zes maanden. 5. De werkgever mag geen onderscheid maken tussen gehuwden en ongehuwden bij het aangaan en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 6. Elk beding dat strijdig is met het in de eerste zin van het eerste lid of met het in het vijfde lid bepaalde is nietig.

II. WET GELIJKE BEHANDELING VAN MANNEN EN VROUWEN Wet van 1 maart 1980, Staatsblad 86, houdende aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Wij Juliana, enz. Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Nederlandse wetgeving aan te passen met het oog op de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Zo is het, enz.

Hoofdstuk I. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen

§ 1. Algemeen

Artikel 1

  • In de openbare dienst mag het bevoegd gezag geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk bijvoorbeeld door verwijzing naar de echtelijke staat of de gezinsomstandigheden, bij de aanstelling tot ambtenaar of indienstneming op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, in de arbeidsvoorwaarden, bij het verstrekken van onderricht, bij de bevordering en bij de beëindiging van het dienstverband. Niet onder arbeidsvoorwaarden zijn begrepen aanspraken of uitkeringen ingevolge pensioenregelingen. 2. Voor de toepassing van deze wet worden tot de openbare dienst gerekend alle instellingen, diensten en bedrijven door de staat en de openbare lichamen beheerd. 3. Van het in de eerste zin van het eerste lid bepaalde mag worden afgeweken in de gevallen waarin het de bescherming van de vrouw betreft, met name in verband met zwangerschap en moederschap. 4. Het bevoegd gezag mag het dienstverband van degene die krachtens aanstelling of op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is in openbare dienst niet beëindigen wegens de omstandigheid, dat betrokkene in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het in het eerste lid bepaalde. 5. Het niet in acht nemen van het bepaalde in het vierde lid ten aanzien van degene die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is in openbare dienst, maakt het bevoegd gezag niet schadeplichtig. In dat geval kan de betrokkene gedurende twee maanden na de opzegging of na de beëindiging van het dienstverband, indien het bevoegd gezag dit anders dan door opzegging heeft doen eindigen, de nietigheid van de beëindiging inroepen. Het inroepen van de nietigheid geschiedt door kennisgeving aan het bevoegd gezag, leder vorderingsrecht van de betrokkene in verband met het inroepen van de nietigheid van de beëindiging van het dienstverband krachtens dit artikellid verjaart van afloop van zes maanden. 6. Bij het aangaan en bij het beëindigen van het dienstverband mag evenmin onderscheid worden gemaakt tussen gehuwden en ongehuwden. 7. Elk beding dat strijdig is met het in de eerste zin van het eerste lid of met het in het zesde lid bepaalde is nietig.

Artikel 2

Het is niet toegelaten onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk bijvoorbeeld doorverwijzing naar de echtelijke staat of de gezinsomstandigheden, met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot en de mogelijkheden tot ontplooiing binnen het vrije beroep.

Artikel 3

  • Het is niet toegelaten bij de openlijke aanbieding van een betrekking of bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking

onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk bijvoorbeeld door verwijzing naar de echtelijke staat of de gezinsomstandigheden, noch tussen gehuwden en ongehuwden. 2. Van het in het eerste lid bepaalde mag worden afgeweken in die gevallen waarin ingevolge deze of enige andere wet bij het aanbieden van een betrekking onderscheid tussen mannen en vrouwen mag worden gemaakt en, voor zover het betreft een openlijke aanbieding van een betrekking, de grond voor dat onderscheid daarbij uitdrukkelijk wordt vermeld. 3. Het aanbieden van een betrekking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt wat betreft tekst en vormgeving zodanig, dat duidelijk blijkt, dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen. 4. Indien voor de aangeboden betrekking een functiebenaming wordt gebruikt, wordt of zowel de mannelijke als de vrouwelijke vorm gebruikt, of uitdrukkelijk vermeld, dat zowel vrouwen als mannen in aanmerking komen. 5. Vorderingen tot naleving van het bepaalde in dit artikel komen mede toe aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die ten doel hebben de behartiging van de belangen van diegenen die een beroep zouden kunnen doen op het in deze wet bepaalde. 6. Wanneer iemand ter zake van een aanbieding in strijd met het in deze wet bepaalde uit onrechtmatige daad jegens een ander aansprakelijk is, kan de rechter hem op vordering van die ander ook veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze. 7. Op vordering van een rechtspersoon als genoemd in het vijfde lid kan de rechter degene die een aanbieding heeft openbaar gemaakt die in strijd is met het in deze wet bepaalde, ook veroordelen tot het openbaar maken van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze. 8. Indien een vordering als genoemd in het zevende lid wordt toegewezen jegens iemand die geen schuld treft ten aanzien van het in strijd met de wet openbaar maken van de aanbieding kan de rechter bepalen dat de door hem vast te stellen kosten van het geding en van de openbaarmaking van de rectificatie geheel of gedeeltelijk worden gedragen door degene die de vordering heeft ingesteld.

Artikel 4

  • De natuurlijke persoon of de rechtspersoon, die beroepskeuzevoorlichting geeft, mag geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk bijvoorbeeld door verwijzing naar de echtelijke staat of de gezinsomstandigheden, bij het geven van voorlichting. 2. De natuurlijke persoon of de rechtspersoon, die een beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding of cursus voor bijscholing of omscholing onder welke benaming ook in stand houdt dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die een examen verband houdend met de hiervoor bedoelde opleidingen of cursussen afneemt, mag bij de toelating tot en de behandeling binnen de opleiding dan wel bij het afnemen van het examen geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk bijvoorbeeld doorverwijzing naarde echtelijke staat of de gezinsomstandigheden, noch ten aanzien van de criteria noch ten aanzien van de niveaus. 3. Van het in het tweede lid van dit artikel bepaalde mag worden afgeweken indien de eigen aard van een instelling voor bijzonder onderwijs zich tegen het in dat lid bepaalde verzet. 4. ledere bepaling die strijdig is met het in het eerste en het tweede lid bepaalde, is nietig.

Artikel 5

  • Van het bepaalde in de artikelen 1, 2, 3 en 4 bepaalde mag worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.1 2. Voorzover het betreft de toegang tot beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen mag van het in de artikelen 1, 2, 3 en 4 bepaalde worden afgeweken in gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de betreffende beroepsactiviteit, het geslacht bepalend is. 3. Als beroepsactiviteiten en hiervoor noodzakelijke opleidingen waarvoor vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan, het geslacht bepalend kan zijn, worden slechts beschouwd die welke behoren tot respectievelijk opleiden voor een of meer van de volgende categorieën: a. geestelijke ambten; b. de beroepsactiviteiten van acteur, actrice, zanger, zangeres, danser, danseres of van kunstenaar of kunstenares, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op het vertolken van bepaalde rollen; c. overige beroepsactiviteiten, nader bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen.

§ 2. Gelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde

Artikel 6

Voor de toepassing van het in deze paragraaf bepaalde wordt verstaan onder: loon: de vergoeding door de werkgever aan de werknemer verschuldigd terzake van de bedongen arbeid, uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen daaronder niet begrepen.

Artikel 7

Bij de vergelijking van de in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van deze wet bedoelde arbeidsvoorwaarden wordt met betrekking tot het loon uitgegaan van het loon dat in de onderneming waar de werknemer in wiens belang de loonvergelijking wordt gemaakt werkzaam is, door een werknemer van de andere kunne voor arbeid van gelijke waarde dan wel, bij gebreke daarvan, voor arbeid van nagenoeg gelijke waarde pleegt te worden ontvangen.

Artikel 8

Voor de toepassing van artikel 7 wordt arbeid gewaardeerd volgens een deugdelijk stelsel van functiewaardering, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het stelsel dat gebruikelijk is in de onderneming waarin de belanghebbende werknemer werkzaam is. Bij gebreke van een zodanig stelsel wordt de arbeid, gelet op de beschikbare gegevens, naar billijkheid gewaardeerd.

Artikel 9

  • Voor de toepassing van artikel 7 wordt het loon van de belanghebbende werknemer geacht gelijk te zijn aan het loon dat een werknemer van de andere kunne voor arbeid van gelijke waarde pleegt te ontvangen, indien het is berekend op grondslag van gelijkwaardige maatstaven. 2. Voor de toepassing van artikel 7 worden andere dan geldelijke loonbestanddelen in aanmerking genomen naar de waarde, welke daaraan in het economisch verkeer kan worden toegekend.

1 Zie noot bij artikel 1637ij, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

  • In geval een arbeidsduur is overeengekomen, welke korter is dan die welke in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen, wordt het loon, voorzover het naar tijdsduur wordt berekend, naar evenredigheid verminderd.

Artikel 10

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld omtrent het in de artikelen 7, 8 en 9 bepaalde.

Artikel 11

Een vorderingsrecht tot betaling van loon uit hoofde van deze paragraaf verjaart na verloop van twee jaren na het tijdstip waarop uitbetaling had moeten geschieden. Artikel 2013 van het Burgerlijk Wetboek is op deze verjaring van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

De artikelen 6 tot en met 11 zijn van overeenkomstige toepassing in de openbare dienst.

Hoofdstuk II. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid

Artikel 13

Er is een Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, nader te noemen de Commissie.

Artikel 14

  • De Commissie kan op schriftelijk verzoek of uit eigen beweging onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of in deze wet, en haar oordeel daaromtrent kenbaar maken. 2. Een schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend door: a. degene die meent, dat te zijnen nadele een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of in deze wet; b. de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of het bevoegd gezag, die wensen te weten of zij een onderscheid maken als bedoeld in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of in deze wet; c. degene die belast is met de beslissing over een geschil met betrekking tot onderscheid als bedoeld in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of in deze wet; d. een ondernemingsraad, die meent dat in de onderneming waarvoor deze is ingesteld, onderscheidenlijk een commissie als bedoeld in hoofdstuk XIA van het Algemeen Rijksambtenarenregelement of een overeenkomstige regeling, die meent dat in de diensteenheid waarvoor deze is ingesteld, onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of in deze wet; e. een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die ten doel heeft de behartiging van de belangen van diegenen die een beroep zouden kunnen doen op het in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek, of in deze wet bepaalde. 3. In het geval een schriftelijk verzoek als bedoeld in het tweede lid, onder d en e, personen noemt ten nadele van wie zou zijn gehandeld, dan

wel indien een onderzoek uit eigen beweging betrekking heeft op zodanige personen, stelt de Commissie deze personen op de hoogte van het voornemen tot onderzoek. De Commissie is niet bevoegd in het onderzoek en de beoordeling die personen als bedoeld in de eerste zin te betrekken die schriftelijk hebben verklaard daartegen bezwaar te hebben. 4. Tenzij het in het tweede lid bedoelde verzoek de Commissie reeds aanstonds ongegrond voorkomt, in welk geval zij daarover aan verzoeker schriftelijk en met redenen omkleed mededeling doet, stelt zij een onderzoek in en brengt zij haar oordeel schriftelijk en met redenen omkleed ter kennis van de verzoeker, van degene die het onderscheid zou maken, alsmede, in voorkomend geval, van degene, jegens wie het onderscheid zou worden gemaakt. 5. De Commissie kan haar oordeel ter kennis brengen van Onze Ministers die het aangaat, van naar haar mening in aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of van overheidspersoneel en van betrokken overlegorganen. 6. De Commissie kan haar oordeel over de vraag of bij de aanbieding van een betrekking onderscheid is gemaakt of een uittreksel daarvan openbaar maken op een door haar te bepalen wijze.

Artikel 15

  • De Commissie stelt nadere regelen voor haar werkwijze, waaronder in ieder geval regels betreffende a. de procedure b. hoor en wederhoor c. de openbaarheid van haar zittingen d. de openbaarmaking van haar oordeel, bedoeld in artikel 14, zesde lid. 2. De in de eerste lid bedoelde regelen behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en worden in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 16

  • Commissie bestaat uit 11 leden, onder wie de voorzitter. Elk lid heeft een plaatsvervanger. 2. De benoeming en het ontslag van de leden en de plaatsvervangende leden geschieden door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Justitie en van Onderwijs en Wetenschappen. 3. Alvorens een lid of een plaatsvervangend lid te benoemen, stelt Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de organisaties van werkgevers en van werknemers die deel uitmaken van de Stichting van de Arbeid in de gelegenheid ter zake voorstellen te doen. Tevens verzoekt hij Onze Minister van Binnenlandse Zaken in overleg te treden met de vertegenwoordigers van gemeenten, provincies en waterschappen, alsmede met de centrales van overheidspersoneel die deel uitmaken van de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken en hen in de gelegenheid te stellen ter zake voorstellen te doen. Daarnaast hoort Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Emancipatieraad. 4. De benoeming van de leden en van de plaatsvervangende leden geschiedt voor een tijdvak van ten hoogste vier jaren. Herbenoeming is terstond mogelijk. Degene die is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats is benoemd, had moeten aftreden. 5. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorziet in het secretariaat van de Commissie.

Artikel 17

  • De Commissie kan zich bij de uitoefening van haar taak doen bijstaan door daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren. 2. De Commissie kan zich bij de uitoefening van haar taak doen bijstaan door een of meer personen ten einde haar de inlichtingen te verschaffen welke zij dienstig acht. Indien aan deze bijstand kosten verbonden zijn behoeft zij de toestemming van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 18

  • De Commissie en de in artikel 17, eerste lid, bedoelde ambtenaren kunnen alle inlichtingen en bescheiden vorderen die voor de vervulling van de taak van de commissie redelijkerwijze nodig zijn. 2. Een ieder is verplicht, behoudens verschoning wegens ambts-of beroepsgeheim, de ingevolge het eerste lid gevorderde inlichtingen en bescheiden volledig en naar waarheid te verstrekken, een en ander op de wijze en binnen de termijn door de Commissie of de betrokken ambtenaar vastte stellen. 3. Indien de gevorderde inlichtingen en bescheiden niet binnen de gestelde termijn worden verstrekt kan onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze ten behoeve van de Commissie vorderen.

Artikel 19

De Commissie brengt jaarlijks verslag uit van haar werkzaamheden en maakt dit verslag openbaar. Zij zendt dit verslag aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Binnenlandse Zaken, van Justitie en van Onderwijs en Wetenschappen, de Staten-Generaal, de Sociaal-Economische Raad en de Emancipatieraad.

Artikel 20

Aan de personen bedoeld in artikel 16, eerste lid, en in artikel 17, tweede lid, worden uit 's Rijks kas vergoedingen voor reis-en verblijfkosten verleend volgens de regelen welke terzake voor 's Rijks dienst gelden.

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Artikel 21

  • Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan ten behoeve van het toezicht op de naleving van artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek en van deze wet onderzoek doen instellen door daartoe door hem aangewezen ambtenaren. Voor zover het de openbare dienst betreft kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzoeken een onderzoek als bedoeld in de eerst zin in te doen stellen. 2. Indien uit een onderzoek blijkt dat een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of in deze wet doet Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hiervan mededeling aan de betrokken werkgever en aan de ondernemingsraad dan wel, als het de openbare dienst betreft, aan het bevoegd gezag en aan de commissie, bedoeld in hoofdstuk XIA van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige regeling, alsmede aan de daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of van overheidspersoneel. De mededeling aan de ondernemingsraad, aan de commissie,

bedoeld in hoofdstuk XIA van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige regeling en aan deze organisaties, bevat geen gegevens waaruit de identiteit van de in het onderzoek betrokken werknemers dan wel van de in het onderzoek betrokken personen die krachtens aanstelling of op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn in de openbare dienst, kan worden afgeleid. 3. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren kunnen alle inlichtingen en bescheiden vorderen die redelijkerwijze voor de vervulling van hun taak nodig zijn. 4. Een ieder is verplicht, behoudens verschoning wegens ambts-of beroepsgeheim, de ingevolge het derde lid gevorderde inlichtingen en bescheiden volledig en naar waarheid te verstrekken, een en ander op de wijze en binnen de termijn door de ambtenaar vast te stellen.

Artikel 22

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Artikel 23

  • Deze wet kan worden aangehaald als: Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. 2. Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen, enz.

BIJLAGE II

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 20 mei 1983

Met redenen omkleed advies gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden uit hoofde van artikel 169 van het EEG-Verdrag betreffende de niet-juiste uitvoering van de Richtlijn van de Raad /76/207/EEG) van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39/40)

Met redenen omkleed advies van 20 mei 1983 gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden uit hoofde van artikel 169, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de niet-juiste uitvoering van de Richtlijn van de Raad (76/ 207/EEG) van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39/40). 1. Het doel van de richtlijn van de Raad (76/207/EEG) van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (de Richtlijn), is in de lidstaten uitvoering te geven aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de arbeidsvoorwaarden. In artikel 9, lid 1, van de richtlijn is bepaald dat de lidstaten binnen een termijn van 30 maanden volgende op de kennisgeving van de richtlijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor het volgen van deze richtlijn in werking doen treden en de commissie hiervan onverwijld in kennis stellen. Aangezien van de richtlijn op 12 februari 1976 kennis werd gegeven, verliep deze termijn op 12 augustus 1973. Artikel 189, derde alinea, van het Verdrag, bepaalt dat ten aanzien van het te bereiken resultaat een richtlijn verbindend is voor elke lidstaat waarvoor zij is bestemd. In het eerste lid van artikel 5 van het Verdrag is bepaald dat de lidstaten alle algemene of bijzondere maatregelen moeten treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. 2. De overweging van de maatregelen welke met betrekking tot een aantal bepalingen van de richtlijn van toepassing zijn, leidde de commissie in haar brief van 6 april 1982 (SG(82) D/5242) tot de conclusie dat de Nederlandse wetgeving op drie punten niet volledig met de voorschriften van de richtlijn in overeenstemming was en tot het verzoek binnen twee maanden opmerkingen te maken over deze brief. In een antwoord van 7 juli 1982 (nr. 3987) verklaarde de Nederlandse regering, evenals in een eerdere brief van 21 april 1981, dat naar haar mening de Nederlandse wetgeving op twee van de bedoelde punten in overeenstemming was, met de richtlijn en dat op het derde punt de wetgeving door wijziging in overeenstemming met de Richtlijn was gebracht '. 3. Op de eerste twee punten handhaaft de commissie haar bezwaren. 4. Artikel 1, lid 1, van de richtlijn betreft de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden. -

. . .-

;

In artikel 2, lid 2, worden de lidstaten gemachtigd tot het uitsluiten van 1 De commissie heeft evenwel nog geen

.

'

... kennis gekregen van de datum waarop deze het toepassingsgebied van de richtlijn van «beroepsactiviteiten en, in wijziging is gepubliceerd.

voorkomend geval, de hiervoor noodzakelijke opleidingen, waarvoor

vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan, het geslacht een bepalende factor is». Artikel 9, lid 2, schrijft voor dat de in artikel 2, lid 2, bedoelde beroepsactiviteiten op gezette tijden door de lidstaten moeten worden bezien om na te gaan of het, gelet op de sociale ontwikkeling, gerechtvaardigd is de betreffende uitsluitingen te handhaven. 5. De Nederlandse wetten van 1 maart 1980 (Stb. 86) en van 2 juli 1980 (Stb. 384), die uitvoering geven aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in respectievelijk de particuliere en de overheidssector, bepalen in artikel 1, dat de werkgever (of, in de overheidssector, het bevoegd gezag) geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, bij voorbeeld door verwijzing naar de echtelijke staat of de gezinsomstandigheden, bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst, het verstrekken van onderricht aan de arbeider, in de arbeidsvoorwaarden, bij de bevordering en bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (of, in de overheidssector bij de aanstelling tot ambtenaar of indienstneming op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, in de beloning en de andere arbeidsvoorwaarden, bij het verstrekken van onderricht, bij de bevordering en bij de beëindiging van het dienstverband). Vervolgens wordt in hetzelfde artikel 1 van beide Nederlandse wetten bepaald, dat deze regels niet van toepassing zijn in de gevallen waarin het geslacht bepalend is. 6. De commissie is van mening, dat deze derogatiebepaling in beide wetten te ruim geformuleerd is, en wel in twee opzichten. Op de eerste plaats geeft de Richtlijn de lidstaten alleen de bevoegdheid om van haar toepassingsgebied uit te sluiten beroepsactiviteiten en, in voorkomend geval, de hiervoor noodzakelijke opleidingen (artikel 2, lid 2) De derogatiemogelijkheid in de Richtlijn strekt zich dus niet uit tot de promotiekansen en de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, terwijl deze gebieden wel onder de derogatiebepalingen van de Nederlandse wetgeving vallen. Dit al te ruime toepassingsveld van de Nederlandse derogatieregeling is derhalve ontoelaatbaar. In haar brief van 7 juli 1982 nr. 3987 merkt de Nederlandse regering op, dat indien in een concreet geval onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de toegang tot een bepaalde beroepsactiviteit gerechtvaardigd zou kunnen worden door verwijzing naar de omstandigheid dat het geslacht voor die beroepsactiviteit een bepalende factor is, de vraag naar een onderscheid in de arbeidsvoorwaarden niet aan de orde komt. Als men al niet tot het beroep zelf kan worden toegelaten, hoe kan dan ooit nog, aldus de Nederlandse regering, sprake zijn van al of niet onderscheid maken in de arbeidsvoorwaarden? De commissie is evenwel van mening dat men dan een te simplistische voorstelling heeft van de mogelijke situaties die zich kunnen voordoen. Men kan zich bij voorbeeld voorstellen dat een vrouw toegang tot een bepaalde beroepsactiviteit heeft verkregen in een onderneming, die vervolgens wordt overgenomen door een andere onderneming, wier beleid erop gericht is, vrouwen van die activiteit uit te sluiten met als reden dat het geslacht een bepalende factor is; in een dergelijk geval zal de commissie erop aandringen, dat deze vrouw de bescherming geniet, die de Richtlijn voorschrijft. 7. De implicaties van het eerste punt hangen nauw samen met het tweede bezwaar van de Commissie tegen de Nederlandse wetgeving. Artikel 1 van beide Nederlandse wetten ter uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling bevat een derogatieclausule die te veel omvattend en te algemeen is, omdat eenvoudig wordt bepaald dat de desbetreffende beschermende regels niet van toepassing zijn wanneer het geslacht een bepalende factor is, zonder een verdere definiëring hiervan, zodat de weg open is voor willekeurige interpretatie door de werkgevers.

De Nederlandse regering stelt dat deze regels in overeenstemming zijn met artikel 2, lid 2 van de Richtlijn, omdat dit artikel 2, lid 2, ruim is geformuleerd en niet over een lijst spreekt. Voorts merkt zij op dat een lijst niet in de bedoeling lag omdat het onmogelijk zou zijn alle concrete gevallen te voorzien waarin een bepaalde beroepsactiviteit uitsluitend open zou staan voor personen van een bepaald geslacht. De commissie blijft echter op het standpunt staan, dat artikel 2, lid 2, in samenhang met artikel 9, lid 2, van de Richtlijn de lidstaten tot iets meer verplicht dan louter hun bewoordingen of bewoordingen van gelijke strekking over te nemen op nationaal niveau; de lidstaten moeten pogen vast te stellen welke activiteiten uitgesloten zijn (artikel 2, lid 2) zodat in de loop van de tijd opnieuw bezien kan worden of deze uitsluiting nog langer noodzakelijk is (artikel 9, lid 2). Naar de zienswijze van de commissie noopt dit tot de opstelling van een lijst van uitgesloten activiteiten. Bovendien hoeft deze lijst niet lang te zijn omdat de uitzonderingen op het beginsel van de gelijke behandeling bij de toelating tot het arbeidsproces, welke in artikel 2 van de Richtlijn worden toegestaan, alleen kunnen gelden voor de activiteiten waarvan vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan, het geslacht een bepalende factor is. Deze laatste precisering vormt de grondslag zelf van het derogatiesysteem; zij betekent dat de derogatie alleen kan spelen wanneer om objectieve redenen, in verband met de aard zelf van een functie, deze alleen uitgeoefend kan worden door personen van een bepaald geslacht. Om deze redenen brengt de commissie, na bij schrijven van 6 april 1982 (SG (82) D/5242) de Nederlandse regering in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken en na de opmerkingen die bij schrijven van 7 juli 1982, nr. 3987 werden ingediend onderzocht te hebben, het in de eerste alinea van artikel 169 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde met redenen omkleed advies uit, dat het Koninkrijk der Nederlanden, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan richtlijn nr. 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeids-voorwaarden te voldoen, de verplichtingen niet is nagekomen die voor deze lidstaat uit deze Richtlijn voortvloeien. Krachtens de tweede alinea van artikel 169 van het Verdrag verzoekt de commissie de Nederlandse regering de nodige maatregelen te nemen ten einde binnen een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving van dit advies, hieraan te voldoen.

Gedaan te Brussel, 20 mei 1983

Voor de Commissie, Ivor Richard, lid van de Commissie

BIJLAGE III

ONTWERP VAN EEN ALGEMENE MAATREGEL VAN BESTUUR INZAKE BEROEPSACTIVITEITEN WAARVOOR HET GESLACHT BEPALEND KAN ZIJN ONTWERP BESLUIT VAN ..., STAATSBLAD ..., TOT VASTSTELLING VAN EEN ALGEMENE MAATREGEL VAN BESTUUR TER UITVOERING VAN ARTIKEL 5, DERDE LID, VAN DE WET GELIJKE BEHANDELING VAN MANNEN EN VROUWEN, ZOALS DEZE WET LAATSTELIJK IS GEWIJZIGD BIJ DE WET VAN ..., STAATSBLAD..., (BESLUIT BEROEPSACTIVITEITEN WAARVOOR HET GESLACHT BEPALEND KAN ZIJN)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.

Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 mei 1986, gedaan mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Defensie en Onderwijs en Wetenschappen; Gelet op het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals gewijzigd bij Wet van ..., Staatsblad ..., Gezien de adviezen die ter zake zijn uitgebracht door de Sociaal-Economische Raad, de Emancipatieraad, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid en de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst; De Raad van State gehoord (advies van 8 december 1986, no. W..86.0248/b); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van ..., uitgebracht mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Defensie en Onderwijs en Wetenschappen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Als beroepsactiviteiten en hiervoor noodzakelijke opleidingen waarvoor in voorkomend geval vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan het geslacht bepalend kan zijn, worden slechts beschouwd die welke behoren tot respectievelijk opleiden voor een of meer van de volgende categorieën:

  • de beroepsactiviteiten die om lichamelijke redenen uitsluitend door personen van een bepaald geslacht kunnen worden vervuld; b) de beroepsactiviteiten van de mannelijke of vrouwelijke mannequin die bepaalde kledingstukken moet tonen door ze te dragen; c) de beroepsactiviteiten van modellen voor beeldend kunstenaars, fotografen, cineasten, kappers, grimeurs en schoonheidsspecialisten; d) de beroepsactiviteiten binnen particuliere huishoudens die inhouden de persoonlijke bediening, verzorging, verpleging of opvoeding van dan wel hulpverlening aan een of meer personen; e) de beroepsactiviteiten die inhouden de persoonlijke verzorging, verpleging of opvoeding van dan wel hulpverlening aan personen, indien de goede uitoefening van de aangeboden betrekking binnen het geheel van de arbeidsorganisatie ertoe noodzaakt dat deze wordt vervuld door een persoon van een bepaald geslacht; f) de beroepsactiviteiten die inhouden de behandeling of bejegening van personen, indien wegens ernstige schaamtegevoelens bij deze

personen de goede uitoefening van de aangeboden betrekking binnen het geheel van de arbeidsorganisatie ertoe noodzaakt dat deze wordt vervuld door een persoon van een bepaald geslacht; g) de beroepsactiviteiten waarvan de vervulling of uitoefening door personen van een bepaald geslacht feitelijk wordt belemmerd door wettelijke voorschriften betreffende de bescherming van personen van dat geslacht bij de arbeid; h) de beroepsactiviteiten die uitgeoefend worden: -in andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, indien in de betreffende Lid-Staat ingevolge de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 (76/207/EG) deze beroepsactiviteiten aan personen van een bepaald geslacht zijn voorbehouden; -in landen die geen Lid-Staat zijn van de Europese Gemeenschappen, indien door het aldaar geldend recht deze beroepsactiviteiten aan personen van een bepaald geslacht zijn voorbehouden; i) de door de Minister van Defensie aan te wijzen beroepsactiviteiten bij de Krijgsmacht.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van dezelfde datum als de Wet tot herziening van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Artikel 3

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn.

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

NOTA VAN TOELICHTING OP (HET ONTWERP VAN DE) ALGEMENE MAATREGEL VAN BESTUUR INZAKE BEROEPSACTIVITEITEN WAAR-VOOR HET GESLACHT BEPALEND KAN ZIJN

Algemeen gedeelte

De aanleiding tot de onderhavige algemene maatregel van bestuur is het op 20 mei 1983 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan Nederland uitgebrachte «met redenen omklede advies», waarin de Commissie onder andere kritiek uitoefende op de wijze waarop in de Nederlandse wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen gestalte is gegeven aan de mogelijkheid een uitzondering te maken op het in deze wetgeving neergelegde verbod onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen indien het geslacht bepalend is. De wijze waarop deze uitzondering in de Nederlandse wetgeving is neergelegd zou naar het oordeel van de Europese Commissie niet zijn conform de eisen van de EG-richtlijn van 9 februari 1976 (76/207/EG): in het bijzonder noopt artikel 2, tweede lid, in samenhang met artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn (op grond waarvan periodiek nagegaan dient te worden of het gezien de maatschappelijke ontwikkeling gerechtvaardigd is de uitzondering met betrekking tot de in artikel 2, tweede lid, bedoelde beroepsactiviteiten te handhaven) tot de opstelling van een lijst van uitgesloten beroepsactiviteiten. Teneinde aan deze kritiek tegemoet te komen is de uitzondering opnieuw geformuleerd. De uitzonderingsmogelijkheid is neergelegd in

een nieuw tweede lid van artikel 5 van de herziene Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Overeenkomstig het advies van de Europese Commissie is de uitzonderingsmogelijkheid beperkt tot de toegang tot beroepsactiviteiten en de hiervoor noodzakelijke opleidingen. Wat betreft de formulering van de uitzondering is zo nauw mogelijke aansluiting gezocht bij artikel 2, tweede lid, van de EG-richtlijn. Een essentieel element dat is toegevoegd om tot een zo zorgvuldig mogelijke regeling te komen is gelegen in het begrip «gevallen», waardoor wordt bewerkstelligd dat de vraag, of terecht een beroep op de uitzondering wordt gedaan, moet worden beantwoord aan de hand van het concrete, meestal dus ook individuele geval. In een nieuw derde lid van artikel 5 is vervolgens aangegeven binnen welke categorieën beroepsactiviteiten het geslacht in voorkomend geval bepalend kan zijn. Onder de letters a en b zijn de beroepsactiviteiten vermeld die in verband met artikel 6 en 7 van de Grondwet in de wet moeten worden opgenomen, terwijl onder letter c is bepaald dat de overige beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht in voorkomend geval bepalend kan zijn nader bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen. Aldus geschiedt in de onderhavige algemene maatregel van bestuur.

Bij de formulering van de categorieën is uiteraard rekening gehouden met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en overigens ook met opvattingen van de Europese Commissie, voor zover bekend uit haar beoordelingen van de lijsten van andere lidstaten. Daarbij is uitgegaan van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de EG-richtlijn van 9 februari 1976, overigens in de wetenschap dat ook op de context van deze bepaling dient te worden gelet. Het is immers vaste jurisprudentie van het genoemde Hof van Justitie, dat de fundamentele rechten van de mens deel uitmaken van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, welks eerbiediging het Hof tot taak heeft te verzekeren. Tot die fundamentele rechten behoort niet alleen de opheffing van discriminatie naar geslacht maar bijvoorbeeld ook de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, van de godsdienstvrijheid, en van het recht op eerbiediging van het privéleven, gezinsleven, huis en briefwisseling. Een illustratie van dit laatste kan worden gevonden in de uitspraak van het Hof van Justitie d.d. 8 november 1983 (zaak 165/82), waarover nader in de toelichting bij onderdeel (d).

Bij de formulering van de categorieën is waar mogelijk acht geslagen op de commentaren die ter zake zijn gegeven door de instanties, die hebben geadviseerd over het concept-wetsvoorstel van 1 5 maart 1985 tot wijziging van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Onderdeel (a) heeft een beperkte strekking. In vroeger tijden zou de betrekking van min hiertoe hebben behoord. Thans valt te denken aan zogenaamde oefenpatiënten in het medisch onderwijs en aan proefpersonen voor fysiologisch, medisch of ander wetenschappelijk onderzoek. De lichamelijke hoedanigheden die worden onderzocht, of de lichaamsfuncties waarvan gebruik wordt gemaakt moeten slechts eigen zijn aan een bepaald geslacht. Factoren als lichaamskracht en uithoudingsvermogen, waarover immers personen van beide geslachten kunnen beschikken, zijn in dit kader derhalve niet aan de orde.

De onderdelen (b) en (c) spreken voor zichzelf. Zij stemmen overeen met het bepaalde in het Belgische Koninklijk Besluit van 8 februari 1979 «tot vaststelling van de gevallen waarin melding kan worden gemaakt van het geslacht in de toegangsvoorwaarden van een betrekking of een beroepsactiviteit». Het begrip «schoonheidsspecialisten» dient ruim te worden opgevat: zo zullen bijvoorbeeld ook visagisten, make-up specialisten of cosmetalogen daaronder kunnen worden begrepen.

De vermelding van onderdeel (d) vloeit rechtstreeks voort uit het arrest d.d. 8 november 1983 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak 165/82 (Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Verenigd Koninkrijk). De Commissie had in deze procedure onder meer bezwaar gemaakt tegen de uitzondering die in de Britse en Noordierse wetgeving werd gemaakt voor huispersoneel («employment for the purposes of a private household»). In het arrest overweegt het Hof dat erkend kan worden dat de uitzondering voor personeel in een particulier huishouden beoogt het beginsel van gelijke behandeling in overeenstemming te brengen met het even fundamentele beginsel van bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Vervolgens komt het Hof tot de conclusie dat dat laatste beginsel ongetwijfeld voor bepaalde betrekkingen in particuliere huishoudens een beroep op de uitzondering van geslachtsbepaaldheid rechtvaardigt, maar dat zulks niet opgaat voor alle betrekkingen in particuliere huishoudens. In onderdeel (d) wordt nu geregeld welke beroepsactiviteiten binnen particuliere huishoudens uitgezonderd worden: die welke inhouden de persoonlijke bediening, verzorging, verpleging of opvoeding dan wel hulpverlening aan één of meer personen. Gedacht is hierbij aan beroepsactiviteiten binnen de persoonlijke levenssfeer van hen die tot zo'n huishouden behoren, waarbij o.a. lichamelijk contact een rol speelt. Voorbeelden van dergelijke beroepsactiviteiten zijn betrekkingen als particulier verpleger/verpleegster, gezelschapsdame of -heer, gouverneur of gouvernante, kinderoppas en de nog slechts zeer zeldzaam voorkomende betrekkingen van kamenier of lijfbediende. Voorbeelden van betrekkingen die niet onder de hier gegeven regel vallen zouden kunnen zijn: koks, keukenpersoneel, schoonmaakpersoneel, chauffeurs, tuinlieden en conciërges. Wij wijzen er evenwel op, dat volgens de opzet van de hier behandelde regeling de geslachtsbepaaldheid van dergelijke betrekkingen steeds per geval behoort te worden beoordeeld; middels dat voorschrift zal ook de oplossing gevonden moeten worden voor de beoordeling van moeilijke gevallen als die van huishoud(st)er of particulier secretaris/secretaresse. De onderdelen (e) en (f) vormen, al staan zij dan niet geheel aan het einde, het sluitstuk van de hier gegeven regeling. Zij bevatten bepalingen die niet rechtstreeks verwijzen naar concrete beroepsactiviteiten, maar die veeleer een toetsingskader bieden voor de beoordeling van beroepen op de uitzondering van geslachtsbepaaldheid, welke niet kunnen worden erkend in het kader van de overige onderdelen van dit artikel. Onderdeel (e) is de pendant van onderdeel (d). De hier bedoelde beroepsactiviteiten spelen zich evenwel af buiten het particuliere huishouden. Zij zullen daardoor anders van karakter zijn en ook het toepassingsgebied lijkt ruimer. Er ligt evenwel een aanzienlijke beperking in de objectiveerbare eis dat de goede uitoefening van de bewuste beroepsactiviteiten uitsluitend kan geschieden door personen van een bepaald geslacht, terwijl dit gegeven in het geheel van activiteiten van de betreffende arbeidsorganisatie ook een zodanige betekenis moet hebben, dat daaruit consequenties moeten worden getrokken door het aanbieden var, de betrekking aan een persoon van een bepaald geslacht. Gedacht wordt in het bijzonder aan beroepsactiviteiten binnen instellingen waarin het geslacht van cliënten of patiënten een factor is die sterk meespeelt in de

verzorging, verpleging, opvoeding of hulpverlening, zoals in de opvang van mishandelde vrouwen of de behandeling van patiënten met ernstige seksuele stoornissen. In therapieën en in het werk van telefonische hulpdiensten kan onder omstandigheden het geslacht van de hulpverlener een belangrijke factor zijn. De bepaling biedt daarnaast ook ruimte voor het streven, binnen jeugdinternaten en vergelijkbare instellingen, een zeker evenwicht te bewaren tussen het aantal mannelijke en vrouwelijke groepsleiders, mits duidelijk vaststaat dat zulks zijn grond vindt in pedagogische overwegingen. In onderdeel (f) gaat het om beroepsactiviteiten, die de behandeling of bejegening van personen betreffen en die in verband met ernstige schaamtegevoelens bij deze personen uitsluitend kunnen worden vervuld door personen van een bepaald geslacht. Evenals bij onderdeel (e) het geval is wordt deze uitzonderingsmogelijkheid niet alleen beperkt door de objectiveerbare eis, dat de beroepsactiviteiten waarom het gaat uitsluitend door personen van een bepaald geslacht kunnen worden uitgeoefend, maar ook door de eis dat deze activiteiten in de arbeidsorganisatie als geheel een zodanige betekenis hebben, dat de desbetreffende betrekking aan een persoon van een bepaald geslacht moet worden aangeboden. In deze afweging, die zowel bij onderdeel (e) als bij onderdeel (f) aan de orde is, moet derhalve tevens worden betrokken de mogelijkheid om de werkzaamheden in de betreffende arbeidsorganisatie zodanig in te richten dat aan de voorwaarden voor een goede uitoefening van de aangeboden betrekking wordt voldaan zonder dat dit tot gevolg heeft -namelijk omdat personen van beide geslachten beschikbaar zijn -dat een betrekking slechts aan een persoon van een bepaald geslacht moet worden aangeboden. Ter verduidelijking kunnen als voorbeeld de beroepsactiviteiten van visiteurs en visiteuses genoemd worden. Uitgaande van de veronderstelling dat sommige personen bij uitgebreid lijfsonderzoek door bijvoorbeeld douane-of gevangenispersoneel zich wegens ernstige schaamtegevoelens niet door personen van het andere geslacht zullen willen laten onderzoeken, doet zich de vraag voor of bij de toegang tot de beroepsactiviteit van het visiteren op deze gronden onderscheid naar geslacht mag worden gemaakt. Indien voor de goede uitoefening van deze beroepsactiviteiten de betreffende arbeidsorganisatie de beschikking moet hebben over een minimum aantal visiteurs en een minimum aantal visiteuses, kan dit in voorkomend geval noodzaken tot het aanbieden van een betrekking aan een persoon van een bepaald geslacht.

Onderdeel (g) beoogt een oplossing te bieden voor het probleem dat sommige beroepsactiviteiten door de werking van wettelijke voorschriften op het gebied van de arbeidsbescherming feitelijk niet kunnen worden vervuld of uitgeoefend door personen van een bepaald geslacht. Als voorbeeld kan de Stuwadoorswet genoemd worden op grond van welke wet vrouwen geen stuwadoorsarbeid mogen verrichten. In die omstandigheden behoort het mogelijk te zijn dat hiermee wordt gerekend bij het geslachtsbepaald aanbieden van de betrekking. De bepaling stelt wel de eis dat de uitoefening of vervulling van de betrekking door de werking van bedoelde voorschriften «feitelijk wordt belemmerd»; ook hier geldt derhalve de eis dat de regeling van werkzaamheden binnen de betreffende arbeidsorganisatie geen ruimte biedt voor een andere oplossing. Indien redelijkerwijs van de werkgever kan worden gevergd, dat hij de belemmeringen uit de weg ruimt die in de weg staan aan de verlening van een vergunning voor bepaalde werkzaamheden, vormt het ontbreken van een vergunning geen feitelijke belemmering door een wettelijk voorschrift en komt een beroep op deze uitzonderingsgrond hem ook niet toe.

Onderdeel (h) stemt eveneens overeen met het bepaalde in eerdervermeld Belgisch Koninklijk Besluit, met dien verstande dat ten aanzien van

beroepsactiviteiten in landen die niet behoren tot de Europese Gemeenschappen in plaats van de Belgische term «plaatselijke wetten en gebruiken» de iets scherpere formulering «aldaar geldend recht» wordt gebezigd. Ten aanzien van EG-Lidstaten wordt verwezen naar regelingen die aldaar getroffen zijn ingevolge de EG-richtlijn van 9 februari 1976.

Onderdeel (i): Bij de door de Minister van Defensie aan te wijzen beroepsactiviteiten kan worden gedacht aan die, welke worden vervuld door militairen bij het Korps Mariniers en aan boord van onderzeeboten en kleine vaartuigen van de Koninklijke Marine.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.