Voorstel van wet - Wijziging van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1980, 86), van artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek en aanvulling van de Wet medezeggenschap onderwijs en enkele andere onderwijswetten, alsmede opneming van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst (Stb. 1980, 384), van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (Stb. 1975, 129) en van de Wet tijdelijke voorziening gelijke behandeling van mannen en vrouwen en van gehuwden en ongehuwden in geval van beëindiging van de dienstbetrekking (Stb. 1979, 278) in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Wet tot herziening van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 2

VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter verbetering van het effect van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en

S-RW S-IR

vrouwen wensenjK is ae Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen; de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid en de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst samen te voegen tot één nieuwe commissie; alsmede de overige wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen op te nemen in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

  • In het eerste lid wordt de laatste zin vervangen door: Van het in de eerste zin van dit artikellid bepaalde mag, voor zover het het aangaan van de arbeidsovereenkomst en het verstrekken van onderricht betreft, worden afgeweken in die gevallen waarin het geslacht bepalend is. Daarbij is artikel 5, derde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing.
  • Het tweede lid wordt zesde lid en komt als volgt te luiden: Elk beding dat strijdig is met het in de eerste zin van het eerste lid of met het in het vijfde lid bepaalde is nietig.
  • Het derde lid wordt tweede lid en wordt als volgt gewijzigd: «Het in de eerste zin van het eerste lid van dit artikel bepaalde is niet van toepassing,» wordt vervangen door: Van het in de eerste zin van het eerste lid bepaalde mag worden afgeweken.
  • Het vierde lid wordt derde lid en komt als volgt te luiden: Van het in de eerste zin van het eerste lid bepaalde mag worden afgeweken indien het bedingen betreft die vrouwelijke arbeiders in een bevoorrechte positie beogen te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.
  • Het vijfde lid wordt vierde lid. Aan dit lid wordt de volgende zin toegevoegd: leder vorderingsrecht van de arbeider in verband met het inroepen van de nietigheid van de beëindiging van de dienstbetrekking krachtens dit artikellid verjaart na verloop van zes maanden.
  • Het zesde lid wordt vijfde lid.

ARTIKEL II

De Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1980, 86) wordt gewijzigd als volgt:

A. a. Voor artikel 1 wordt ingevoegd:

Hoofdstuk I. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

§ 1. Algemeen

  • Artikel 1 komt als volgt te luiden:
 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.