Memorie van antwoord - Premieheffing voor uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en wijziging van enkele andere wetten

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 5

MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 29 oktober 1986

  • Algemeen

Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het voorlopig verslag inzake het wetsvoorstel premieheffing over uitkeringen. Wij zijn de leden van de fracties van het CDA., de PvdA., VVD., D66 en P.P.R. erkentelijk voor hun bijdrage aan dit verslag. Over het algemeen kunnen de leden van de fracties instemmen met de omzetting van de vereveningsbijdrage in premieheffing over uitkeringen. Zij waarderen de vereenvoudigende werking van de invoering van integrale premieheffing over de uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de nieuwe Werkloosheidswet (nWW). De leden van de V.V.D.fractie wijzen in dit verband op het belang van het hanteren van één systematiek bij het ontvangen van meerdere uitkeringen, nu dit na invoering van de stelselherziening vaker zal voorkomen. De leden van de meeste fracties zijn het eens met onze overweging in de memorie van toelichting dat uitkeringsgerechtigden maatschappelijk gezien tot de kring van werknemers behoren. De ledenvan de VVD. fractie hebben moeite met deze argumentatie. Zij achten het eerlijker als gezegd zou worden dat het bij premieheffing en vereveningsbijdrage over de uitkeringen gaat om solidariteit over en weer tussen werkenden en niet-werkenden en dat premie en verevening nodig zijn vanwege de problematiek van het brutonettotraject. Naar aanleiding hiervan merken wij op dat de door de leden van de VVD. fractie naar voren gebrachte aspecten voor ons juist de redenen vormen om te spreken van een maatschappelijke gelijkstelling. De door deze fractieleden genoemde solidariteit tussen werkenden en niet-werkenden lijkt ons eerder een bevestiging van ons standpunt dan dat het daarmee strijdig zou zijn. De opzet van de memorie van antwoord is verder als volgt. In dit hoofdstuk wordt nog nader ingegaan op een tweetal algemene vraagstukken, die door de leden van verschillende fracties aan de orde zijn gesteld, namelijk de invoeringsdatum en het stelsel van premieheffing. De hoofdstukken 2 tot en met 7 betreffen een aantal specifieke onderwerpen, verband houdende met dit wetsvoorstel, zoals die ook in de memorie van toelichting zijn onderscheiden. De op die specifieke onderwerpen betrek-

king hebbende vragen in het algemeen deel van het voorlopig verslag worden in die hoofdstukken beantwoord. Alle vragen uit het voorlopig verslag inzake inkomens-en overige financiële effecten worden in hoofdstuk 8 beantwoord. Hoofdstuk 9 betreft tot slot de bij een aantal artikelen gestelde vragen, voor zover deze niet reeds in een van de voorgaande hoofdstukken zijn beantwoord.

1.1. Invoeringsdatum

De leden van de P.v.d.A.fractie vragen wat de gevolgen voor de stelselherziening sociale zekerheid zullen zijn als het onderhavige wetsvoorstel niet voor 1 januari 1987 is afgehandeld. De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre dit wetsvoorstel onlosmakelijk is verbonden met de invoering van de stelselherziening. In de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Invoeringswet, Kamerstukken II 1985-1986, 19383) is reeds voorzien in premieheffing over nWW-uitkeringen en in het onderbrengen van premieheffing over ZW uitkeringen in de algemene systematiek. In dit wetsvoorstel wordt ook de WAO uitkering in de premieheffing betrokken. Het gevolg van het niet ingaan van het wetsvoorstel per 1 januari 1987 is dat over WAO-uitkeringen geen premie kan worden geheven. Voor die uitkeringen blijft de vereveningsbijdrage dan vooralsnog gehandhaafd. Indien de vereveningsbijdrage over WAO-uitkeringen voorlopig gehandhaafd blijft, is het niet mogelijk om bij samenloop van een WAO-uitkering met bijvoorbeeld een nWW-uitkering deze uitkeringen voor de inhoudingen samen te tellen. Nog steeds kan dan de franchise in de WAO-premie meer dan eenmaal worden toegepast en is samentelling voor de maximumpremie niet mogelijk. Voor de uitvoeringsorganen is het eenvoudiger om over alle uitkeringen premie te heffen in plaats van over de ene uitkering wel en de andere niet. Voorts zijn wij het met de leden van de V.V.D.-fractie eens, dat het hanteren van een systematiek vanuit het oogpunt van eenvoud en inzichtelijkheid ook voor uitkeringsgerechtigden bepaald verkieslijker is boven het hanteren van verschillende inhoudingssystemen. De leden van verschillende fracties stellen vragen over de samenhang van dit wetsvoorstel met de invoering van de stelselherziening sociale zekerheid en over het tijdstip van invoering. De leden van de fractie van D66 vragen of het haalbaar is dit wetsvoorstel op een zodanig tijdstip te behandelen dat invoering per 1 januari 1987 mogelijk is. Tijdige behandeling is ons inziens goed mogelijk zonder dat van een overhaaste behandeling kan worden gesproken. De leden van de P.P.R.fractie vragen naar de realiteitswaarde van de invoering van het wetsvoorstel gelijktijdig met de stelselherziening sociale zekerheid per 1 januari 1987. Gelijktijdige invoering is gewenst en ook reëel. De uitvoeringsorganen zijn reeds geruime tijd op de hoogte van de voorgestelde systematiek en houden rekening met invoering ervan per 1 januari 1987. Het standpunt van de leden van de fracties van D66 en de PPR. is dat de beoogde ingangsdatum van het stelsel van sociale zekerheid per 1 januari 1987 te vroeg is. De ingangsdatum van de stelselherziening is in het kader van de parlementaire behandeling van de betreffende wetsvoorstellen reeds uitputtend behandeld en valt buiten de orde van dit wetsvoorstel. 1.2. Stelsel van premieheffing De leden van de P.v.d.A.-fractie stellen, alvorens in te gaan op het wetsvoorstel als zodanig, een aantal vragen van algemene aard. Vanuit het besef dat de vervanging van het stelsel van vereveningsbijdragen

door premieheffing leidt tot een aanzienlijke, zij het optische, stijging van de collectieve lastendruk, vragen deze leden wat de voor-en nadelen zijn van een uitkeringsberekening waarbij in plaats van premieheffing altijd een vereveningsbijdrage zou worden ingehouden. Naar hun mening zal dit, daar waar alleen een uitkering wordt verkregen een aanzienlijke vereenvoudiging betekenen. Wij zien geen aanleiding de suggestie van genoemde leden op te volgen. Vanuit de zojuist gememoreerde visie dat uitkeringsgerechtigden met een loondervingsuitkering maatschappelijk gezien gerekend kunnen worden tot de kring van werknemers, is er geen reden om het verschil in inhoudingsmethodieken te handhaven of zelfs uit te breiden, hetgeen het gevolg van de suggestie van de leden van de P.v.d.A.-fractie zou zijn. Voorts zou het door deze leden voorgestelde systeem een volledige verbreking van de relatie tussen premieplicht en uitkeringsrecht met zich brengen. Deze relatie mag niet geheel uit het oog worden verloren. Het door de leden van de P.v.d.A.-fractie veronderstelde voordeel van een vereenvoudiging van de inhouding daar waar alleen uitkering wordt verkregen, is ons niet duidelijk. Naar onze mening is er sprake van een misverstand. Slechts op het punt van de verrekening tussen fondsen onderscheiden premieheffing en vereveningsbijdrage zich. De berekening van de vereveningsbijdrage echter onderscheidt zich in beginsel in niets van de heffing van premies, althans waar het alleen een uitkering betreft. Doen zich evenwel situaties voor waarin recht bestaat op meerdere loondervingsuitkeringen of sprake is van samenloop van uitkeringen met loon dan treden problemen op die door invoering van integrale premieheffing in belangrijke mate worden opgelost. Ook uit dien hoofde is derhalve geen reden om voor handhaving en in casu uitbreiding van het stelsel van vereveningsbijdragen te pleiten. Aldus resteert slechts het voordeel van een optisch lagere collectieve lastendruk die op grond van de wijze van verrekening van de vereveningsbijdragen in de fondsensfeer resulteert. Een voordeel bovendien dat, de leden van de P.v.d.A.-fractie zijn het in dit opzicht met ons eens, slechts van statistische betekenis is. De hieruit voortvloeiende opvatting van deze leden dat de in dit wetsvoorstel neergelegde voorstellen tenminste aanleiding zouden moeten zijn om te komen tot een nadere definitie van het begrip collectieve lastendruk, delen wij niet. Het begrip collectieve lasten is een statistisch bepaald begrip, waaraan net als aan een aantal andere statistische begrippen onvolkomenheden zijn verbonden. Onder andere in de Financiële nota sociale zekerheid 1986 heeft de eerste ondergetekende nog op een aantal problemen gewezen die optreden bij de meting van de macropremiedruk, terwijl in de afgelopen jaren ook een aantal statistische verschuivingen in de belastingendruk is opgetreden. Gezien echter het feit dat tussen het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Centraal Planbureau en de departementen strikte afspraken bestaan over de wijze waarop de collectieve lastendruk moet worden gemeten, is dit een hanteerbaar begrip gebleken. Bovendien brengt elke herdefiniëring vermoedelijk nieuwe metingsproblemen met zich. Derhalve achten wij het het kader van dit wetsvoorstel te buiten gaan om een andere definiëring van het begrip collectieve lasten voor te stellen.

  • Integrale premieheffing

De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen of integrale premieheffing tot problemen kan leiden bij de premievrijstelling voor de premie op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor ongehuwde vrouwen boven de 45 jaar die nooit kinderen hebben gehad. In antwoord hierop, merken wij op dat dit niet het geval is. Het gaat in het wetsvoorstel immers om premieheffing voor de werknemersverzekeringen. Er wordt geen wijziging in de heffing van premies voor de volksverzekeringen aangebracht, in welk kader de door deze leden genoemde premievrijstelling een rol speelt.

Vervolgens vragen de leden van de P.v.d.A-fractie naar de verschillen tussen het stelsel van vereveningsbijdragen en het stelsel van premieheffing. Zij willen weten of deze verschillen alleen de premie-inhoudingssfeer in het algemeen betreffen of dat het hierbij met name gaat om inkomensverschillen in individuele gevallen. In het algemeen is het effect van inhouding van vereveningsbijdragen en het effect van inhouding van premie over uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen hetzelfde. De vereveningsbijdrage bestaat uit de premiepercentages die door de werknemers zijn verschuldigd. Voor de per bedrijfstak verschillende premiepercentages (wachtgeldpremie en ziektewetpremie) wordt zowel voor de vereveningsbijdrage als voor de voorgestelde premieheffing over uitkeringen, een gemiddeld percentage gehanteerd. Invoering van premieheffing over uitkeringen op zich leidt dan ook niet tot inkomensverschillen. Eventuele verschillen in inkomenseffecten kunnen zich voordoen bij samentelling van meerdere uitkeringen of loon en uitkering. In hoofdstuk 8 wordt uitvoerig ingegaan op de vragen inzake inkomenseffecten. In het kader van de betaling van de uitkering via de werkgever vragen de leden van de C.D.A. fractie waarom niet gesproken kan worden van een knelpunt bij de betaling van premies op grond van AKW, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Genoemde premies, de zogenaamde opslagpremies zijn een percentage van de premies op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene Weduwen-en Wezenwet (AWW) en worden op de uitkering van de werknemer ingehouden. De hoogte van het bedrag van de in te houden premies hangt af van de bruto-uitkering verminderd met de ingehouden premies werknemersverzekeringen. Al deze gegevens zijn bij de bedrijfsvereniging bekend, hetgeen ons inziens betekent dat er niet van een knelpunt kan worden gesproken.

  • WAO/AAW

3.1. Verhaalsrecht op grond van de WAO De leden van de CD.A-fractie willen vernemen, wat de gevolgen zijn van het wetsvoorstel voor de in artikel 90 van de WAO opgenomen regresregeling, nu de AAW uitkering van een WAO-verzekerde in de WAO uitkering verwerkt zal worden. Ook de leden van de fractie van D66 stellen vragen hierover. Laatstbedoelde leden verwijzen daarbij naar een brief van het Verbond van Verzekeraars in Nederland dd. 1 6 oktober 1986 aan de vaste commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid, waarin onder meer op de gevolgen van het wetsvoorstel premieheffing voor het regresrecht in de WAO nader wordt ingegaan. Naar aanleiding daarvan delen wij het volgende mee. In artikel 90, eerste lid, van de WAO is bepaald, dat de bedrijfsvereniging de krachtens de WAO gemaakte kosten in bepaalde gevallen mag verhalen op degene, die de arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt. In de AAW ontbreekt een bepaling inzake het verhaalsrecht. Aangezien in gevallen van samenloop van AAW-en WAO-uitkering de WAO-uitkering op grond van artikel 46a van de WAO slechts wordt uitbetaald voorzover deze de AAW-uitkering overtreft, kan de bedrijfsvereniging slechts de WAO-uitkering, voorzover deze hoger is dan de AAW-uitkering, op derden verhalen. Met het oog op een juiste premieheffing wordt in dit wetsvoorstel erin voorzien, dat de arbeidsongeschikte werknemers voortaan een volledige WAO-uitkering ontvangen in plaats van deels een AAW-en deels een WAO-uitkering. Daartoe wordt voorgesteld een nieuw artikel 36a in de AAW op te nemen, op grond waarvan bij samenloop van AAW-en WAO-uitkering de AAW-uitkering, waarop wel recht blijft bestaan, niet meer tot uitbetaling komt.

Als gevolg hiervan zou in de hierbedoelde samenloopgevallen het ontbreken van een regeling inzake verhaalsrecht in de AAW illusoir worden. De reden waarom destijds in de AAW, evenals in de AWW en de AWBZ geen bepalingen inzake verhaalsrecht zijn opgenomen is, dat de schadeveroorzaker normaliter tot de Nederlandse gemeenschap zal behoren en daarom premies voor de volksverzekeringen verschuldigd is. Met deze premies dekt hij ook het risico, dat hij mogelijk een schade veroorzaakt, welke leidt tot een uitkering of verstrekking ingevolge een der volksverzekeringen. Omdat dit wetsvoorstel niet beoogt op dit moment een principiële wijziging te brengen in het verhaalsrecht, wordt in de bij deze memorie van antwoord gevoegde nota van wijziging voorgesteld artikel 90, eerste lid, van de WAO zodanig te wijzigen, dat de krachtens de WAO gemaakte kosten niet voor verhaal in aanmerking komen tot een bedrag dat gelijk is aan de AAW uitkering die op grond van artikel 36a van de AAW niet tot uitbetaling komt. Voor de goede orde zij vermeld, dat dit bedrag tevens omvat het bedrag, waarmee de WAO-uitkering op grond van het voorgestelde nieuwe artikel 46a, eerste lid, van de WAO wordt verhoogd.

3.2. Premieheffing over WAO-uitkeringen De passage in de memorie van toelichting, dat voor AAW-gerechtigden die niet verzekerd zijn voor de WAO het effect van de vereveningsbijdragen in overwegende mate materieel gelijk zal zijn aan premieheffing, brengt de leden van de P.v.d.A.fractie tot de vraag wanneer het effect van premieheffing anders zou zijn dan het effect van vereveningsbijdragen en om wat voor verschillen het daarbij dan zou gaan naar omvang. Dit verschil in effect zou zich met name voordoen, wanneer naast de AAW-uitkering nog andere aan premieheffing onderhevige inkomsten zouden worden ontvangen en deze inkomsten voor de premieheffing zouden moeten worden samengeteld. Alsdan zou over de gezamenlijke inkomsten éénmaal de WAO-franchise kunnen worden toegepast. Uiteraard komt het voor, dat -zoals de leden van de V.V.D.fractie constateren -er mensen zijn die een AAW-uitkering hebben naast loon. In de memorie van toelichting is reeds gesteld, dat samenloop van AAW-uitkering met de loondervingsuitkering en loon echter niet vaak zal voorkomen. Zoals de leden van de C.D.A. fractie terecht constateren kan in deze gevallen niet worden samengeteld.

Voorts vragen de leden van de P.v.d.A. fractie, of het beëindigen van het AAW recht voor uitkeringsgerechtigden met een AAW/WAO-uitkering nog tot materiële effecten leidt. Zij denken daarbij aan situaties waarbij één van de partners in een huwelijk een AAW-uitkering en de andere een AAW/WAO-uitkering zou hebben. Een soortgelijke vraag stellen de leden van de D66-fractie. Zoals bekend, is na inwerkingtreding van de Invoeringswet voor iedere partner in een huwelijk de hoogte van de AAW-uitkering onafhankelijk van het inkomen van de andere partner. De hoogte van de AAW-uitkering van de ene partner wordt evenmin beïnvloed door het feit dat als gevolg van dit wetsvoorstel van de AAW/WAO uitkering van de andere partner alleen de WAO-uitkering tot uitbetaling komt.

3.3. Samenloop WAO-met AAW-uitkering De leden van de V.V.D. fractie kunnen zich vinden in de door het kabinet gevolgde redenering met betrekking tot het handhaven van het systeem van vereveningsbijdragen als het om uitsluitend een AAW-uitkering gaat. Zij vragen of die redenering wel zo principieel is dan wel dat financiële gevolgen een belangrijker rol spelen.

Zoals in de memorie van toelichting duidelijk is gesteld zou premieheffing over uitsluitend AAW uitkeringen een doorbreking betekenen van de equivalentie in de werknemersverzekeringen. De bezwaren die dezerzijds daartegen bestaan, zijn vergelijkbaar met de bezwaren van het kabinet om de heffing van vereveningsbijdragen in de IOAW te vervangen door premieheffing. Kostenoverwegingen hebben daarbij geen rol gespeeld.

De door het kabinet voor de AAW/WAO voorgestelde regeling, waarin het AAW-recht niet tot uitbetaling komt, achten de leden van de fractie van D66 in principe aanvaardbaar, omdat het uiteindelijke resultaat voor de uikeringsgerechtigden gelijk is. Wel zijn zij van mening, dat met deze regeling het principe van een volksverzekering doorbroken wordt. Naar aanleiding hiervan willen wij benadrukken, dat het niet de bedoeling is de AAW niet langer als «onderbouw» van de WAO te laten fungeren. Het recht op toekenning van AAW-uitkering, ook al komt deze niet tot uitbetaling, blijft in de gekozen opzet immers gehandhaafd. Om te voorkomen, dat de voorgestelde regeling een verschuiving van lasten van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds (AAF) naar het Arbeidsongeschiktheidsfonds (AOF) tot gevolg zou hebben, is in het voorgestelde artikel 73a van de AAW bepaald, dat de onder toepassing van artikel 36a van de AAW niet uitbetaalde bedragen aan het AOF worden afgedragen. De lasten van de op grond van genoemd artikel 36a niet uitbetaalde uitkeringen blijven derhalve, zoals de leden van de D66-fractie terecht veronderstellen, uit de AAW-premie betaald worden.

Voorts vragen deze leden op welke uitzondering gedoeld wordt, waar in de memorie van toelichting is vermeld, dat het AAW-uitkeringsrecht voor WAO-verzekerden behoudens uitzonderingen niet van materiële betekenis is. Met deze uitzonderingen heeft het kabinet het oog op die gevallen, waarin thans de WAO-uitkering waarop recht bestaat, niet tot uitbetaling komt, omdat de AAW-uitkering hoger is dan de WAO-uitkering. In de thans voorgestelde regeling komt in deze gevallen de (hogere) AAW-uitkering onder toepassing van artikel 36, eerste lid, van de AAW niet tot uitbetaling. Zonder nadere voorziening zou dan alleen de (lagere) WAO-uitkering kunnen worden uitbetaald. In verband hiermee is in het nieuwe artikel 46a van de WAO bepaald, dat de WAO-uitkering wordt verhoogd met het bedrag waarmee de AAW-uitkering de WAO-uitkering overtreft. In deze gevallen is de WAO-uitkering dan even hoog als de -niet tot uitbetaling komende -AAW-uitkering.

Waar in de memorie van toelichting is vermeld dat de gecorrigeerde WAO-uitkering ten minste even hoog moet uitkomen als de AAW-uitkering, is daarmee bedoeld dat de WAO-uitkering even hoog dient te zijn als de AAW-uitkering en dus niet lager kan uitkomen dan de AAW-uitkering. Deze bedoeling komt in de artikelsgewijze toelichting bij artikel III, onderdeel D, duidelijk naar voren. Dit laatste in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van D66.

  • De premieheffing bij samenloop

4.1. Samenstelling van loon uit meerdere dienstbetrekkingen De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen zich af waarom samentelling van loon uit meerdere diensbetrekkingen niet mogelijk is voor de WAO-franchise, terwijl samentelling van de premie op grond van de Ziekenfondswet (ZFW) voor de maximumpremie en de toetsing aan de loongrens van de verplichte verzekering wel mogelijk is. De leden van de P.v.d.A.-fractie verwijzen hierbij naar de passage op pagina 10 van de memorie

van toelichting, waarin wordt gesteld dat hoewel de uitvoering van de samentelling van loon uit meerdere dienstbetrekkingen niet altijd vlekkeloos is en het systeem voor verbetering vatbaar is, thans toepassing van de samentellingsregeling voor loon en uitkering niet onverantwoord wordt geacht. Het gestelde in deze passage beperkt zich tot de samentelling van loon en uitkering. Voor samentelling van loon en loon voor de WAO-franchise geldt dat het moeilijk te controleren valt of dit inderdaad gebeurt. Bovendien ontstaat in het geval waarin achteraf blijkt dat de werkgever onvoldoende WAO-premie heeft ingehouden het probleem dat de werkgever dan een naheffingsaanslag van de bedrijfsvereniging krijgt zonder dat hij de te weinig betaalde WAO-premie kan verhalen op het loon van de werknemer. Bij de WAO gaat het meestal alleen om te weinig betaalde premie, terwijl het bij de ZFW de te veel betaalde premie betreft en het al dan niet verzekerd zijn een belangrijke rol kan spelen. Teveel betaalde premie zal als teveel betaald voorschot door de werkgever terug ontvangen worden. Het niet vlekkeloos verlopen van de samentelling van loon uit meerdere dienstbetrekkingen voor de ZFW-premie en bovengenoemde problemen leiden tot de conclusie dat samentelling van lonen uit verschillende dienstbetrekkingen thans niet mogelijk is. Het voorgaande is tevens een antwoord op de vraag van de leden van de fracties van D66 en de V.V.D. waarom er in dit wetsvoorstel niets geregeld wordt ter voorkoming van de toepassing van een dubbele franchise bij meerdere dienstbetrekkingen.

4.2. Samentelling van loon en uitkering De leden van de P.v.d.A.-fractie zien geen principieel onderscheid tussen een werknemer met meer dan één dienstbetrekking, die uit één dienstbetrekking een loondervingsuitkering ontvangt en een werknemer die vanuit een uitkeringssituatie een dienstbetrekking voor een gedeelte van de tijd kan aanvaarden. Het uitgangspunt in het wetsvoorstel is dat bij een wijziging in de situatie in eerste instantie wordt aangesloten bij de situatie zoals deze was. Indien twee lonen worden ontvangen, wordt de franchise in de WAO-premie twee keer toegepast. Wordt in plaats van één van die lonen een uitkering ontvangen, dan wordt voor de premieheffing niet samengeteld en blijft de franchise twee keer toegepast. Indien één uitkering of één loon wordt ontvangen en in plaats van die ene uitkering of dat loon wordt een loon en een uitkering ontvangen, dan blijft de franchise één keer toegepast. De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen nog naar de effecten van het wetsvoorstel op de situatie waarin één van de partners een AAW-uitkering heeft met een toeslag voor de andere partner, terwijl de andere partner een gering inkomen heeft. De hoogte van de toeslag op de AAW-uitkering is afhankelijk van het looninkomen van de partner. De berekening van de toeslag gebeurt op basis van bruto bedragen. De inhoudingen die vervolgens op de verschillende inkomensbestanddelen plaats vinden zijn niet van invloed op de hoogte van de toeslag. Op het totaalbedrag van AAW-uitkering en toeslag wordt een vereveningsbijdrage ingehouden en over het loon wordt premie geheven.

4.3. WAO-franchise

De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen naar de voor-en nadelen van het komen tot een premievrije voet (franchise) voor de WAO-premie op jaarbasis en het tijdschema voor de afschaffing van het meer dan één keer toepassen van de premievrije voet bij meerdere lonen. Ook de leden van de fracties van de VVD. en D66 vragen waarom de franchiseproblematiek bij deeltijdwerk niet wordt opgelost.

Zoals de leden van de P.v.d.A. fractie al aangeven is, het voordeel van een WAO franchise op jaarbasis dat het voor het aantal keren toepassen van de franchise, niet meer uitmaakt op hoeveel dagen er gewerkt wordt. Dit heeft echter als negatieve consequentie dat de premieafdracht aan het einde van het jaar bijgesteld moet kunnen worden en werkgevers achteraf met een nabetaling van WAO premie kunnen worden geconfronteerd die dan alsnog verrekend zou moeten kunnen worden met het loon van de werknemer. Als antwoord op het verzoek een opsomming van de voor-en nadelen van een franchise op jaarbasis te geven moeten wij meedelen dat een uitputtende opsomming thans nog niet mogelijk is, daar deze complexe zaak nog onderwerp van studie is. Met betrekking tot het door de leden van de fracties van de P.v.d.A. en D66 genoemde tijdpad voor de realisering van samentelling van meerdere lonen voor de WAO-franchise merken wij op dat dit nauw samenhangt met de wijze waarop premie wordt geheven. Aan deze problematiek wordt in het kader van een onderzoek naar de herziening van premieheffingssystemen door de commissie «Coördinatie sociale verzekering en Loonbelasting» van de Sociale Verzekeringsraad aandacht geschonken. Daarnaast zullen ook de verzekerdenadministratie en inlichtingenverplichtingen tussen werkgevers, bedrijfsverenigingen en werknemers hierin een belangrijke rol vervullen. Naar aanleiding van de opmerking op blz. 10 van de memorie van toelichting over de ondersteunende rol van de verzekerdenadministratie, vragen de leden van de CDA.fractie de mening van het kabinet over de invoering van de verzekerdenadministratie nu volgens deze leden gebleken is dat een aantal bedrijfsverenigingen niet of slechts gedeeltelijk op korte termijn een deugdelijke administratie kan invoeren. Zoals in het voorgaande is aangegeven kan de verzekerdenadministratie een belangrijke ondersteunende rol vervullen. Bij dit wetsvoorstel wordt er niet vanuit gegaan dat de verzekerdenadministratie er al is. Tot op heden houdt het kabinet vast aan voltooing van de inrichting van de verzekerdenadministratie per 1 februari 1987. Met de vulling van deze administratie kan vervolgens een aanvang worden gemaakt. Het kabinet heeft nog niet voldoende onderbouwde redenen vernomen op grond waarvan het moet aannemen dat de invoering op korte termijn niet deugdelijk kan geschieden, terwijl over de verzekerdenadministratie regelmatig overleg plaatsvindt met de Sociale Verzekeringsraad.

4.4. Besluit op grond van artikel 9, zevende lid en negende lid, Coördinatiewet De leden van de P.v.d.A. fractie vragen zich af wanneer de ministeriële regeling op basis van artikel 9, zevende en negende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Coördinatiewet) verwacht kan worden. Naar aanleiding hiervan delen wij mee dat er twee concept besluiten ter advisering bij de Sociale Verzekeringsraad liggen. Aan de Sociale Verzekeringsraad is verzocht zo spoedig mogelijjk -doch in ieder geval vóór 1 december 1 986 -te adviseren. Na afronding van het advies van de Sociale Verzekeringsraad zullen de definitieve besluiten worden getroffen. De andere in hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting aangekondigde regelgeving zal eveneens tijdig voor de inwerkingtreding van de wet premieheffing over uitkeringen gereed zijn. In het concept besluit ex artikel 9, zevende en negende lid, Coördinatiewet is de mogelijkheid opgenomen, dat in geval de werknemer bezwaar heeft tegen verstrekking van gegevens over zijn uitkering aan de werkgever, de bedrijfsvereniging voor de toepassing van de franchise in de WA0-premie en de maximumpremie rekening moet houden met de door de werkgever ingehouden premies Op de vraag van de leden van de P.v.d.A. fractie waarom deze regeling niet als hoofdregel kan worden aangemerkt, moet voor de beantwoording een onderscheid in situaties van samenloop van loon en uitkering worden gemaakt.

Bij samenloop van loon en uitkering is in veel gevallen sprake van loon dat een aanvulling is op de uitkering. Het ligt in die gevallen voor de hand de werkgever als laatste rekening te laten houden met de door de bedrijfsvereniging ingehouden premies, omdat de aanvulling veelal een aanvulling tot een nettobedrag betreft. De werkgever moet derhalve op de hoogte zijn van de bruto-uitkering en de ingehouden premies. In deze gevallen wordt de uitkering vaak via de werkgever aan de werknemer betaald. Indien er sprake is van loon als aanvulling op een uitkering doet zich waarschijnlijk de omstandigheid voor waar de leden van de P.v.d.A.-fractie op doelen als zij spreken over de situatie waarin werkgever en werknemer instemmen met verstrekking van uitkeringsgegevens aan de werkgever. Een andere minder vaak voorkomende situatie betreft die waarin loon en uitkering niet met elkaar samenhangen en de uitkering niet via de werkgever wordt betaald. In dat geval wordt door de bedrijfsvereniging rekening gehouden met de door de werkgever ingehouden premies, indien de werknemer geen gegevens over zijn uitkering aan de werkgever wil geven.

Ook de leden van de CD.A-fractie stellen vragen met betrekking tot de premieheffing bij samenloop van meerdere uitkeringen en loon en uitkering. Zij vragen of op het moment van betaling de van belang zijnde informatie over loon-en uitkeringsbestanddelen beschikbaar is en of de loonadministraties van de kleinere werkgevers hierop zijn afgestemd. Zoals gezegd betreft de samenloop van loon en uitkering vaak loon als aanvulling op een uitkering. In die gevallen beschikt de werkgever over de benodigde gegevens en past de werkgever dit systeem in feite al toe bij de doorbetaling van de uitkering. Bij uitkering en loon dat geen aanvulling op de uitkering is, zal de werkgever de gegevens van de werknemer moeten ontvangen. Als de werkgever over de benodigde informatie beschikt, zal het evenals bij oon als aanvulling op de uitkering voor de werkgever goed mogelijk zijn om voor de premieheffing deze inkomsten samen te tellen.

De leden van de CD.A-fractie stellen vervolgens aan de orde, dat samentelling van loon en uitkering voor de premieheffing bemoeilijkt wordt vanwege de verschillende betalingstijdvakken. Deze leden wijzen daarbij op de combinatie van een maandelijks te betalen uitkering en een weekloon of de onregelmatige werktijden van een afroepcontractant. In het geval van een afroepcontractant zal bij korte dienstverbanden in het besluit ex artikel 9, zevende en negende lid, Coördinatiewet een bepaling gelden dat bij een onregelmatig dienstverband dat korter dan een maand duurt er niet wordt samengeteld voor de premieheffing, omdat dit praktisch moeilijk te realiseren zal zijn. Bij een verschil in betalingstermijnen zal zich in genoemd voorbeeld van een uitkering per maand en loon per week een probleem voor kunnen doen wat betreft de informatieverschaffing. Er zal dan zeer tijdelijk met voorschotten gewerkt moeten worden met verrekening aan het einde van de termijn. Bij loonbetalingen of uitkeringen waarin wijzigingen optreden is dit geen ongebruikelijke gang van zaken. Indien achteraf blijkt dat op een verkeerde wijze premieheffing heeft plaatsgevonden, zal bij de afrekening aan het einde van het jaar alsnog de te veel of de te weinig betaalde premie verrekend moeten worden. In dit verband wijzen de leden van de CD.A-fractie ook nog op de werkzaamheden van de werkgroep van de Federatie van Bedrijfsverenigingen waarin de uitvoeringsproblemen met betrekking tot samentelling van loon en uitkering voor de premieheffing aan de orde zijn. De uitkomst van het beraad in deze werkgroep komt binnenkort beschikbaar en zal worden betrokken bij de advisering door de Sociale Verzekeringsraad over eerder genoemd besluit.

De door de leden van de CD.A-fractie genoemde problemen inzake het voorstel om bij samentelling van loon en uitkering de werkgever rekening te laten houden met de door de bedrijfsvereniging ingehouden premies en de vraag van de leden van de P.v.d.A. fractie of het niet wenselijker omgekeerd de bedrijfsvereniging rekening te laten houden met de door de werkgever ingehouden premies, geven aanleiding tot de volgende opmerkingen. De keuze om de werkgever rekening te laten houden met de door de bedrijfsvereniging ingehouden premies is geen principiële keuze. De meest praktische oplossing om tot samentelling van loon en uitkering te komen heeft onze voorkeur. Aangezien het voorstel het meest overeenkomt met de huidige situatie, biedt naar ons inzicht dit de meest praktische oplossing. Mocht blijken dat de problemen bij het huidige voorstel zodanig zijn dat het meer voor de hand ligt de bedrijfsvereniging rekening te laten houden met de door de werkgever ingehouden premies, dan zijn wij bereid het laatste te overwegen.

  • Gevolgen voor de verplichte ziekenfondsverzekering

5.1. Samentelling loon en uitkering Naar aanleiding van de voorgenomen wijzigingen in de ZFW worden door de leden van verschillende fracties vragen gesteld omtrent de daarbij voorziene samentelling van loon en uitkering voor de toetsing aan de loongrens van de ZFW.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. menen dat met de besluitvorming op dit punt ware te wachten op het advies van de Ziekenfondsraad ter zake van de herstructurering van de verplichte ziekenfondsverzekering waarin ondermeer aan dit aspect aandacht zal worden besteed. Ook de leden van de VVD.fractie wijzen op dit binnenkort te verwachten advies en vragen in dit verband of de in dit wetsvoorstel beoogde samentelling hier niet beter op kan wachten. De leden van de fractie van D66 daarentegen kunnen in beginsel wel instemmen met de beoogde samentelling zij het dat zij aandacht vragen voor de mogelijkheid van een keuzeregeling voor bijna 65 jarigen die als gevolg van de beoogde samentelling de verplichte ziekenfondsverzekering moeten verlaten. In antwoord op de gestelde vragen herinneren wij eraan dat in de adviesaanvraag omtrent de herstructurering verplichte ziekenfondsverzekering in het kader van de wijzigingen in het stelsel van ziektekostenverzekeringen dd. 29 april 1985 aan de Ziekenfondsraad werd verzocht zijn advies voor 1 maart 1986 uit te brengen. De Ziekenfondsraad heeft evenwel doen weten dat als gevolg van technische omstandigheden het niet mogelijk was het desbetreffende advies voor de genoemde datum uit te brengen. Naar verwachting zal het advies 31 oktober 1 986 worden vastgesteld. Inmiddels moet worden geconstateerd dat met het onderhavige wetsvoorstel een deel van de aan de Ziekenfondsraad voorgelegde samentellingsproblematiek impliciet wordt opgelost doordat uitkeringen ingevolge de werknemersverzekeringen worden aangemerkt als loon in de zin van de Coördinatiewet. Omdat de situatie reeds bestaat dat alle looncomponenten in het kader van de ZFW worden samengeteld voor de beoordeling van de verzekeringsplicht en de vaststelling van de premieheffing, moet het als volstrekt logisch worden beoordeeld dat thans ook die looncomponenten die bestaan uit uitkeringen ingevolge de werknemersverzekeringen in deze samentelling worden betrokken. Wanneer de hiervoor omschreven systematiek niet zou worden gevolgd zou dit een gekunstelde constructie opleveren waarvoor naar ons oordeel geen maatschappelijke rechtvaardiging bestaat. Immers reeds bij het op 26 september 1985 gehouden interpellatiedebat omtrent de verplichte

ziekenfondsverzekering van onder meer WAO gerechtigden is de dringende noodzaak van samentelling van verschillende inkomenscomponenten door de kamer uitdrukkelijk uitgesproken. Uiteraard bestaat de mogelijkheid dat op basis van het uit te brengen advies van de Ziekem fondsraad ook andere inkomenscomponenten dan de hier in het geding zijnde bij de samentelling betrokken zullen gaan worden. Een en ander neemt echter niet weg dat op die mogelijk verdergaande besluitvorming thans niet hoeft te worden gewacht omdat zeker is dat tot de samen te tellen inkomensbestanddelen in ieder geval inkomsten uit dienstbetrekking en uit werknemersverzekeringen zullen behoren.

5.2. Overgang van verplichte ziekenfondsverzekering naar particuliere ziektenkostenverzekering Uit het vorenstaande blijkt dat de bezwaren van de leden van de P.v.d.A. fractie met betrekking tot het afwisselend verzekerd zijn ingevolge de Ziekenfondswet kunnen worden weggenomen. Het ligt immers niet voor de hand dat een persoon die als gevolg van de beoogde samentelling thans de verplichte ziekenfondsverzekering dient te verlaten daarin weer moet terugkeren om reden dat nog weer meer inkomensbestanddelen in de samentelling worden betrokken dan die welke volgens het voorliggende wetsvoorstel in aanmerking dienen te worden genomen.

De door de leden van de fractie van D66 geopperde keuzemogelijkheid voor bijna 65-jarigen moeten wij afwijzen, aangezien dit voorstel er in essentie op neer komt dat aan personen die op gevorderde leeftijd de ziekenfondsverzekering wegens loongrensoverschrijding dienen te verlaten een keuzerecht wordt gegeven tot continuering van die ziekenfondsverzekering. Het verplichte karakter van de onderhavige sociale verzekering staat er aan in de weg dat personen zelf beslissen of zij al dan niet onder de werkingssfeer van de ZFW komen te vallen. Evenals het niet kan worden toegestaan dat verzekerden om persoonlijke redenen de verzekering verlaten, behoren personen evenmin de mogelijkheid te hebben om wegens hun moverende redenen de verzekering voort te zetten nadat een situatie is ontstaan waarbij zij niet meer aan de door de wet gestelde criteria voldoen. In dit verband zij in herinnering geroepen dat met betrekking tot de door de leden van de fractie van D66 genoemde leeftijdstoeslagen bij de particuliere ziektekostenverzekeringen, in het kader van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen (Stb. 1 986, 1 23) regelen zijn gesteld om juist dat ongewenste effect voor diegenen die wegens loongrensoverschrijding de verplichte ziekenfondsverzekering moeten verlaten, te voorkomen 5.3. Ziekenfondspremie bovenwettelijke uitkering

De leden van de fractie van de P.v.d.A. constateren dat het onderhavige wetsvoorstel geen oplossing biedt voor het verschil in premieheffing over bovenwettelijke uitkeringen. In gevallen waarin de dienstbetrekking in verband waarmee een uitkering is toegekend nog bestaat, wordt een eventuele toegekende bovenwettelijke uitkering bij de premieheffing in aanmerking genomen, terwijl in het geval waarin de desbetreffende dienstbetrekking is geëindigd, de bovenwettelijke uitkering voor de premieheffing buiten beschouwing blijft Wij stellen vast dat deze constatering terecht is, doch merken daarbij op dat de oplossing van de hier geschetste onevenwichtigheid niet binnen de doelstelling van het onderhavige wetsvoorstel valt, omdat in laatstbedoelde situatie de bovenwettelijke uitkering vanwege de beëindiging van de aan de uitkering ten grondslag liggende dienstbetrekking niet als loon kan worden aangemerkt. De door de leden van de P.v.d.A fractie gevraagde oplossing

1 1

van deze problematiek zal dienen te worden gevonden in het kader van de herstructurering van de ziekenfondswetgeving waarbij ook andere inkomenscomponenten dan die welke bestaan uit loon betrokken zullen worden.

5.4. Toetsing aan loongrens bij nWW uitkering De leden van de P.v.d.A-fractie achten het merkwaardig dat ook in de nWW de verzekeringsplicht ingevolge de ZFW na een jaar wordt beoordeeld op basis van het werkelijk ontvangen loon. Naar aanleiding van deze opmerking wijzen wij op het navolgende. Uitgaande van de omstandigheid dat inkomsten uit een werkloosheidsuitkering lager zijn dan inkomsten uit de aan die uitkering voorafgaande dienstbetrekking, zou er op zichzelf genomen reden zijn om reeds met ingang van de eerste dag van de werkloosheidsuitkering te beoordelen of het inkomensniveau van de betrokkene zodanig is dat hij in aanmerking komt voor verzekering ingevolge de ZFW. Nochtans kan worden vastgesteld dat in het merendeel der gevallen een situatie van werkloosheid niet langer duurt dan een jaar. Om het ook door de leden van de P.v.d.A-fractie ongewenst geachte heen en weer schuiven van betrokkenen tussen enerzijds de particuliere ziektekostenverzekeringen en anderzijds de ziekenfondsverzekering te voorkomen, geven wij er de voorkeur aan de toetsing aan de loongrens van de ZWF eerst te doen plaatsvinden nadat zich een werkloosheidssituatie met een meer langdurig karakter voordoet. Daarbij dient naar ons oordeel de vraag buiten beschouwing te worden gelaten of op dat moment een feitelijke wijziging van het uitkeringsniveau plaatsvindt, omdat een werkloosheidsuitkering zich mogelijk jarenlang op hetzelfde niveau kan voortzetten. Ter wille van de uniformiteit is voor wat betreft het beoordelingstijdstip aangesloten bij de regeling die geldt wanneer iemand een uitkering ingevolge de ZW ontvangt.

5.5. Adviezen Ziekenfondsraad

Met verontschuldiging voor mogelijk veroorzaakt misverstand merken wij naar aanleiding van een desbetreffende vraag van de leden van de fractie van D66 op dat het op de pagina's 11 en 1 2 van de memorie van toelichting bedoelde advies, het door de Ziekenfondsraad dd. 26 juni 1986, SVV/VERZ/17832 uitgebrachte advies inzake het onderhavige voorstel betreft. Daarnaast wordt op regel 40 van pagina 12 van de memorie van toelichting melding gemaakt van het hiervoor reeds genoem-de advies van de Ziekenfondsraad inzake de herstructurering van de ziekenfondsverzekering dat naar verwachting 31 oktober 1986 zal worden vastgesteld.

  • IOAW

De leden van de P.v.d.A. fractie stellen vragen over de wijze van premieheffing bij samenloop van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) met een andere uitkering. Voorop moet worden gesteld dat over een lOAW-uitkering een vereveningsbijdrage wordt ingehouden en over loon premie wordt geheven. Daarnaast worden inkomens van partners niet samengeteld voor de inhouding van vereveningsbijdrage of premie. Dit betekent dat in het eerste rekenvoorbeeld waar deze fractieleden om vragen -waarin de man een lOAW-uitkering ontvangt en de vrouw f 600,-bruto verdient -de premieheffing geen bijzondere invloed heeft op de hoogte van de bedragen. In het tweede rekenvoorbeeld worden de WAO-uitkering van de man en de daarop verstrekte toeslag aan premieheffing onderworpen. Daarbij vindt samentelling plaats. Op de aanvullende lOAW-uitkering wordt een verevenings-

bijdrage ingehouden. Optisch betekent dit dat twee keer franchise wordt genoten. Materieel is dit echter niet het geval gezien de niveaus van de uitkeringen. Bij samentelling van WAO-uitkering, toeslag en IOAW-uitkering ligt het totaalbedrag vanwege het neveninkomen van de vrouw nog steeds beneden het minimumloon en (derhalve) de premievrije voet van de WAO. Daarvan zou ook in geval van samentelling geen WAO-premie worden ingehouden. Het netto resultaat is dan ook onafhankelijk van de vraag of wordt samengeteld dan wel afzonderlijk ingehouden.

De leden van de fractie van D66 tonen zich verbaasd dat het kabinet de keuze voor vereveningsbijdragen in de IOAW mede baseert op het bijstandsachtige karakter van deze regeling, terwijl bij de keuze voor deze regeling juist is uitgegaan van een aparte voorziening naast de bijstand.

Bij de parlementaire behandeling van de IOAW is uitvoerig uiteengezet waarom is gekozen voor een aparte regeling naast de Algemene Bijstandswet (ABW). Dit neemt niet weg dat ook bij een aparte regeling er overeenkomsten blijven met de ABW. Een in dit verband relevante overeenkomst is dat de IOAW een sociale voorziening is waarbij zowel de werkloze werknemer als de partner gelijkelijk recht hebben op de uitkering. In de memorie van toelichting is reeds uiteengezet dat het niet in de structuur van de sociale zekerheid zou passen indien zowel de IOAW gerechtigde als de partner, die wellicht nog nooit werknemer is geweest, verzekerd zouden worden voor de werknemersverzekeringen. Dit zou immers betekenen dat vanuit een sociale voorziening die de IOAW is, weer rechten op loondervingsuitkering zouden kunnen ontstaan. Aangezien premieheffing zonder verzekeringsrechten ongewenst wordt geacht, wordt premieheffing over lOAW-uitkeringen afgewezen. Het is derhalve onjuist -zoals de leden van de D66-fractie veronderstellen -dat premieheffing over lOAW-uitkeringen vanwege de franchise in de WAO-premie tegengehouden zou worden.

  • Toetsing inzake terughoudendheid met regelgeving

De leden van de P.v.d.A.fractie menen uit de memorie van toelichting begrepen te hebben, dat naast het thans voorliggende wetsvoorstel nog nadere wetswijziging noodzakelijk zal zijn, en wel een wijziging van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, waarin de premieheffing over WAO-uitkeringen wordt geregeld. Deze mening, die bij de hier bedoelde leden waarschijnlijk post heeft gevat door de redactie van de betreffende passage waarin wordt gesproken over een afzonderlijk wetsvoorstel naast de wetsvoorstellen in het kader van de stelselherziening sociale zekerheid, is onjuist. Waar sprake is van een later in te dienen voorstel van wet, is het voorliggende wetsvoorstel bedoeld. De leden van de fracties van de P.v.d.A. en D66 vragen op welke wijze rekening is gehouden met een deel van de voorstellen van de Commissie Grapperhaus. Deze Commissie heeft onder andere gewezen op het feit dat het bij betaling van de WAO/AAW-uitkering door tussenkomst van de werkgever lastig is dat over die uitkering een vereveningsbijdrage in plaats van premie wordt geheven. Aan dit aspect wordt in het wetsvoorstel tegemoet gekomen. Op grond van dit wetsvoorstel wordt immers premie geheven over de WAO-uitkering en komt het AAW-deel niet meer tot uitbetaling, zodat dit knelpunt is opgelost. Daarnaast worden in geval van brutobetaling van de uitkering aan de werkgever, bij per risicogroep wisselende premiepercentages, de premiepercentages van de werkgever gehanteerd, hetgeen in de lijn ligt van het voorstel van de Commissie Grapperhaus om bij betaling door tussenkomst van de werkgever dit zo eenvoudig mogelijk te laten verlopen.

De leden van de P.v.d.A-fractie vragen ook nog, welke de relatie is met de voorstellen van de Commissie Oort, dan wel of er verschillen te constateren zijn met de voorstellen van die Commissie. Zoals bekend betreffen de voorstellen van de Commissie Oort de heffing van belasting en de premieheffing voor de volksverzekeringen. Er is derhalve geen relatie tussen dit wetsvoorstel dat de premieheffing voor werknemersverzekeringen betreft en de voorstellen van de Commissie Oort. In antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie, op welke wijze de werkgevers tijdig van de nieuwe regeling op de hoogte worden gesteld kan worden meegedeeld dat de voorlichting op de gebruikelijke wijze door de bedrijfsverenigingen plaats zal vinden.

  • Financiële effecten

8.1. Algemeen

De leden van de P.v.d.A. fractie delen het standpunt van de SVR dat in feite de voorstellen zoals neergelegd in dit wetsvoorstel aan de SER hadden moeten worden voorgelegd. Zoals wij in de memorie van toelichting hebben uiteengezet zien wij hiertoe geen aanleiding. De optredende financiële consequenties zijn afgeleiden van voorstellen, gericht op vereenvoudiging, stroomlijning en uniformering van de heffingsmethodiek waar dit mogelijk is. Voorts zijn de uit de voorstellen voortvloeiende verschuivingen weliswaar van invloed op de premie niveaus van de betrokken wettelijke regelingen, maar staan daarbij niet op zichzelf. Voor de uiteindelijke premieniveaus is een reeks van factoren relevant die in onderling verband moeten worden bezien. De besluitvorming rond één van deze factoren is mede bepalend voor de besluitvorming rond de andere variabelen. Daarom lijkt ons een partiële benadering, waarbij de SER om advies wordt gevraagd met betrekking tot één aspect van de premievaststelling, niet de juiste. Noch het in de memorie van toelichting gestelde, noch de hiervóór opgenomen passage moet worden opgevat als een toezegging van het kabinet om de premiestelling en de effecten van dit wetsvoorstel in het gesprek met de sociale partners in te brengen, zoals de leden van de P.v.d.A .fractie menen. Wat wij hebben willen zeggen is, dat een discussie met de sociale partners met betrekking tot dit onderdeel van het voor 1987 te voeren sociaal-economisch beleid, zo zij daaraan behoefte hebben, niet uit de weg zal worden gegaan.

De leden van de V.V.D.-fractie vinden de nivellerende werking van het onderhavige voorstel een duidelijk minpunt. Zij zijn van mening dat het kabinet dit nogal bagatelliseert door te wijzen op het feit dat de algemene koopkrachtontwikkeling een positief beeld vertoont. Evenzeer vinden deze leden het een minpunt dat de zelfstandigen door een lastenverzwaring worden getroffen. Wij hebben geenszins beoogd de nivellerende tendens van onze voorstellen te bagatelliseren, of te versluieren. In de memorie van toelichting wordt expliciet geconcludeerd dat sprake is van een enigszins nivellerende werking, die van onze voorstellen uitgaat. In het verlengde van ons uitgangspunt dat een beoordeling van de effecten van dit wetsvoorstel niet los kan staan van een beoordeling van de overige factoren die bepalend zijn voor de uitkomsten met betrekking tot het premiebeeld, hebben wij de effecten van dit wetsvoorstel afgezet tegen het uiteindelijk resulterende beeld van de algemene koopkrachtontwikke ling. Deze laatste dient naar onze stellige overtuiging de basis te vormen voor de afweging. Met de constatering dat ook na verwerking van de effecten van het wetsvoorstel de algemene koopkrachtontwikkeling voor 1987 positief uit zal kunnen vallen, wordt naar onze mening een potentieel struikelblok voor de doorvoering van onze voorstellen uit de weg geruimd.

Met betrekking tot de positie van de zelfstandigen is in dit kader van belang dat naar de momenteel bestaande inzichten voor het totaal van de premies volksverzekeringen sprake is van een stabilisatie van het niveau in 1987 ten opzichte van het lopende jaar. Met name de voorziene daling van de AKW-premie draagt hiertoe bij. Ook in dit geval leidt een integrale beoordeling tot een andere conclusie dan een partiële. Tenslotte zij er op gewezen dat het wetsvoorstel een niet nader te kwantificeren aspect bevat in de vorm van de effecten van de regeling bij samenloop van meerdere inkomens. Dit onderdeel van onze voorstellen zal leiden tot extra premieopbrengsten ter zake van de WAO en zal daarmee de nivellerende tendenzen afzwakken. De omvang van dit effect is echter niet in te schatten. Hiertoe is, in de gevallen waarbij sprake is van samenloop van loon en uitkering of van meerdere uitkeringen, een aantal koppelingen tussen administraties nodig die nu nog ontbreken. Er is met andere woorden in de huidige situatie niet alleen sprake van een gescheiden heffing van verschillende met de loonderving samenhangende inkomensbestanddelen doch evenzeer van een gescheiden administratieve verantwoording. Dit maakt het voor ons onmogelijk om een nauwkeurig inzicht te verkrijgen in het aantal gevallen waarin van dergelijke vormen van samenloop sprake is. Wij zijn derhalve niet in staat om de bij de leden van de P.P.R. fractie bestaande verontrusting weg te nemen. Naar onze inschatting echter zijn de hiermee samenhangende effecten niet van een zodanige omvang dat de in tabel 6.2 van de memorie van toelichting berekende consequenties hun betekenis zouden verliezen. In de gevallen waarin sprake is van een combinatie van uitkering en een daarop verstrekte aanvulling is overigens wel een tentatieve schatting van de extra premie-opbrengst mogelijk. Wij hebben dat effect in de memorie van toelichting becijferd op 100 tot 150 min. gulden. De leden van de fractie van D66 zien het goed waar zij aannemen dat deze extra opbrengsten niet zijn meegenomen in de cijferopstellingen van de tabellen 6.1 en 6.2. Voorzover dit effect zich in de gekwantificeerde omvang gaat voordoen, zal dit -te zamen met het ongekwantificeerde effect dat hiervóór ter sprake is geweest -tot uitdrukking komen in de vermogenspositie van het AOF per ultimo 1987. Geïsoleerd bezien is dan vervolgens verwerking in de premie van de WAO voor 1988 mogelijk. Gezien de onzekerheden waarmee het bedrag van 100 a 150 min. is omgeven en vanwege het ongekwantificeerde deel van de extra opbrengst bij samenloop, is het niet mogelijk aan te geven hoe groot de premiedaling zou kunnen zijn. Een daling uit dezen hoofde van de WAO-premie voor franchise van maximaal 0,3%-punt lijkt ons echter een plafond. Het is overigens zeker niet onze bedoeling om dit nog niet meegerekende effect als «troef» te gebruiken in het overleg met de Stichting van de Arbeid.

De leden van de D66-fractie veronderstellen terecht dat de effecten van dit wetsvoorstel zijn verwerkt in de cijfers opgenomen in de Miljoenennota 1987, alsmede in de Financiële Nota Sociale Zekerheid. De uit het wetsvoorstel voortvloeiende lastenverlichting voor werkgevers en lastenverzwaring voor werknemers vormen inderdaad onderdeel van de premieramingen in die stukken. Ook de effecten van de met het onderhavige wetsvoorstel samenhangende premiemutaties op de inkomens zijn meegenomen in de koopkrachtplaatjes zoals gepresenteerd in de Financiële Nota Sociale Zekerheid. Hiermee is de desbetreffende vraag van de leden van de PPR.fractie beantwoord.

Naar aanleiding van een andere vraag van de genoemde leden merken wij op dat de in dit wetsvoorstel opgenomen partiële inkomenseffecten zowel de werkenden in loondienst regarderen als de uitkeringsgerechtigden. Het gaat daarbij om koopkrachteffecten samenhangend met de premiemutaties die door de verschuivingen in de geldstromen tussen fondsen worden gegenereerd.

Voor diegenen onder de uitkeringsgerechtigden op wie tevens de gewijzigde regels voor de premieheffing bij samenloop toepassing gaan vinden zullen daarnaast specifieke inkomenseffecten gaan optreden die afhankelijk van de concrete situatie sterk in omvang verschillen. Hiervoor zij verwezen naar de elders in deze memorie opgenomen casusposities.

De leden van de P.v.d.A. fractie hebben bij de inkomenseffecten als gevolg van de premieverschuivingen het effect voor werknemers met een inkomen net boven het minimum gemist. Het koopkrachteffect voor deze categorie wordt door ons geraamd op +0,05%.

De leden van de fractie van de V.V.D. vragen als gevolg waarvan de begroting extra wordt belast met 70 min. Dit heeft te maken met het betalen van de lonen in de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) ten laste van de begroting. Op deze lonen wordt namelijk een vereveningsbijdrage ingehouden die in de huidige situatie terugvloeit naar de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die de WSW-lonen financiert. Na doorvoering van onze voorstellen wordt de vereveningsbijdrage omgezet in premies voor de werkloosheidsfondsen die naar die betrokken fondsen zullen toevloeien.

De leden van de D66-fractie tenslotte vragen hoe groot het totaalbedrag is dat thans nog vereveningsbijdrage heet en straks premie wordt. Zoals zij zelf reeds vermoeden is dit het op pagina 19 van de memorie van toelichting genoemde bedrag van 700 a 800 min. gulden.

De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen wat de mogelijke inkomenseffecten voor betrokkenen zijn wanneer voor de nabetaling de bepalingen met betrekking tot de premieheffing gelden, ook als de nabetalingen worden gedaan op grond van vaststelling van de uitkeringen vóór het in werking treden van deze wet. Indien het onderhavige wetsvoorstel wordt aanvaard zullen alle nabetalingen die na de inwerkingtreding van het voorstel worden gedaan op basis van het reële heffingsstelsel worden belast. Dit betekent immers niets anders dan dat vanaf dat moment het criterium van vorderbaarheid en inbaarheid in alle situaties toepassing moet gaan vinden. Niet het moment van vaststelling, doch het moment van betaling is daarmee bepalend voor de heffing van premies werknemersverzekeringen. In het algemeen wensen de genoemde leden geïnformeerd te worden over de mogelijke inkomenseffecten van een overgang van het zogenaamde historische stelsel naar het reële stelsel. De hiermee samenhangende effecten kunnen sterk uiteenlopen. Er kunnen zich zowel positieve als negatieve effecten voordoen. Positieve effecten treden bijvoorbeeld op als in het kalenderjaar waarin de nabetaling wordt verricht geen arbeidsdagen zijn gelegen. In dat geval ontbreekt de basis voor premieheffing en worden geen premies werknemersverzekeringen op de nabetaling ingehouden. Ook indien het omvangrijke bedragen betreft zullen zich in het algemeen positieve effecten voordoen. Bij het reële stelsel zullen de premiegrenzen dan al vrij snel worden bereikt. Een nadelig effect zal zich voordoen indien de nabetaling beneden de maximum premiegrens blijft en in een reguliere uitkering de franchise van de WAO (nagenoeg) al toepassing heeft gevonden. In dat geval wordt de gehele nabetaling met de marginale WAO-premie belast, terwijl dit in het historische stelsel niet het geval zou zijn.

8.2.

WSW-problematiek

De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen of kan worden aangegeven of de voorstellen om premie te heffen over het WSW-inkomen, inkomenseffecten kunnen opleveren voor werknemers in de WSW. Ook de leden van

de V.V.D. fractie zijn hierin geïnteresseerd. Zij hebben altijd begrepen dat het oplossen van de dubbele franchise zou leiden tot nadelige inkomens effecten. In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt echter, aldus deze leden, vermeld c.q. gesuggereerd dat daarvan geen sprake zal zijn. Ten aanzien van de gevolgen van dit wetsvoorstel voor de werknemers in de WSW dienen twee aspecten te worden onderscheiden. In de eerste plaats wordt voorgesteld om de vereveningsbijdrage die op het WSW loon wordt ingehouden te vervangen door premieheffing. Materieel leidt dit niet tot wijzigingen in het netto inkomen, omdat in onze voorstellen een gemiddelde wachtgeldpremie is voorzien. Het totaal aan inhoudingen op WSW-loon blijft daarmee ongewijzigd. Wanneer daarentegen, zoals de leden van de D66-fractie suggereren een apart wachtgeldpercentage voor WSW'ers zou worden vastgesteld, dan zou een netto inkomensstijging resulteren van gemiddeld 0,5 procent. Onze keuze voor een gemiddeld percentage is, zoals eerder uiteengezet in de memorie van toelichting, ingegeven door de omstandigheid dat het werkloosheidsrisico in feite door de overheid wordt gedragen waardoor een afzonderlijk percentage op nagenoeg nul zou uitkomen. Vaststelling van een dergelijk afzonderlijk percentage zou het negatieve financiële effect voor het rijk, in de stukken 70 min, met 15 min verminderen vanwege wegvallende sociale lasten. Voor de WSW-werknemers zelf zou eveneens een voordeel van 15 min ontstaan. Het bedrag aan premiebaten voor de wachtgeldfondsen van 15 + 15 = 30 min dat onderdeel vormt van de tegenpost in het kader van de WSW in tabel 6.1 zou als gevolg daarvan grotendeels wegvallen. Naast de omzetting van de vereveningsbijdrage speelt in onze voorstellen nog een tweede aspect een rol Het betreft de herziening van de regels voor de premieheffing in samenloopsituaties. Dit is van belang voor de WSW-werknemers die een aanvulling op grond van de WAO ontvangen. Ook op deze groep wordt de hoofdregel van dit wetsvoorstel van toepassing dat al het met de loonderving samenhangend inkomen voor de premieheffing als één geheel zal worden beschouwd. Dit leidt ertoe dat over WSW-loon en aanvullende WAO-uitkering niet langer tweemaal de franchise zal worden toegepast. Zoals de leden van de V.V.D. fractie terecht opmerken zal dit tot nadelige inkomenseffecten kunnen leiden. De omvang hiervan is, behalve van de hoogte van het WSW-loon, vooral afhankelijk van de WAO-aanvulling, en verschilt afhankelijk van de concrete inkomenssituatie van de betrokken WSW werknemer.

8.3. Inkomenseffecten

De leden van de P.v.d.A-fractie hebben in het wetsvoorstel berekeningen gemist van de inkomenseffecten die de voorstellen voor de betrokkenen met zich brengen. Zij stellen daarom prijs op een aantal rekenvoorbeelden voor een aantal casusposities. De eerste casus betreft een gedeeltelijk arbeidsongeschikte met een uitkering afgeleid van een bovenmodaal inkomen die in dezelfde dienstbetrekking nog gedeeltelijk werkzaam blijft. In de tweede casus betreft het de samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering en loon uit twee verschillende dienstbetrekkingen. Wij baseren de berekeningen op de volgende uitgangspunten: -een bovenmodaal inkomen van f 60000 op jaarbasis; -een premie voor de particuliere ziektekostenverzekeringen van f 175,-per persoon per maand, conform de maximum premie voor de standaardpakketpolis. Hiervan wordt, op basis van een met de interim-regeling voor ambtenaren vergelijkbare regeling, de helft door de werkgever vergoed; -een gehuwde alleenverdiener zonder kinderen; -premiepercentages en tarieven van 1986: belasting op IB-basis.

Casus 1

I. Looninkomen

II. Huidige situatie III. Voorstel één dienstbetrekking

uitkering + loon

uitkering + loon

Bruto inkomen

60000

21000 + 30000

51 000 premie ziektekosten

2100

1 008 + 1 440

2 100 premie ZW/WW

1770

619+

885

1 504 premie WAO

5455

0+

940

4 100 premie AOW/AWW

6896

6400

5 951 belasting

8184

7075

6097

Netto inkomen

35595

32633

31248

Zoals uit deze casus blijkt treedt voor de betrokken gerechtigde als gevolg van de wijziging een inkomensachteruitgang op van netto 1.385 gulden op jaarbasis ofwel 4,2%. Ten opzichte van het nettoloon daalt de verhouding van 91,7% tot 87,8% bij een brutoverhouding die in beide uitkeringssituaties 85% bedraagt ten opzichte van het brutoloon. Het blijkt dat met name de franchisewerking in de huidige situatie leidt tot scheve verhoudingen in de nettosfeer. Met de in het wetsvoorstel opgenomen regeling worden die verhoudingen tot normale proporties teruggebracht, hetgeen in dit voorbeeld met een relatief omvangrijk inkomenseffect gepaard gaat. Zoals wij in de memorie van toelichting hebben aangegeven achten wij dergelijke effecten aanvaardbaar gezien het feit dat door betrokkenen tot dusverre onbedoeld het voordeel van een lagere premiedruk is genoten.

Casus 2

I. Looninkomen

  • Huidige situatie III. Voorstel twee dienstbetrekkingen loon + loon

uitkering + loon

uitkering + loon

Bruto inkomen

30000 + 30000

21000 + 30000

21000 + 30000 premie ziektekosten

2100

1008+ 1440

2 100 premie ZW/WW premie WAO premie AOW/AWW belasting

885 +

885

619+

885

619+

885 940 +

940

0+

940

0+

940 7 354

6400

6 356 9 492

7075

6978

Netto inkomen

37404

32633

33122

In dit voorbeeld treedt een inkomensvooruitgang op van 1,5%. In tegenstelling tot casuspositie 1 leidt de toepassing van de franchise niet tot verschillen. De aard van de premie voor de ziektekostenverzekering is bepalend voor de afwijkende uitkomst. Terwijl in de bestaande situatie in geval van loonderving de verplichte verzekering toepassing vindt, heeft de in de kabinetsvoorstellen opgenomen samentellingsbepaling particuliere verzekering tot gevolg. In dit verband zij er overigens met nadruk op gewezen dat de uitkomsten in sterke mate worden beïnvloed door de ter zake gehanteerde veronderstellingen ten aanzien van de hoogte van de ziektenkosten premie. Het gegeven dat in de huidige omstandigheden de samentelling van looninkomens uit meerdere gelijktijdige dienstbetrekkingen administratief niet goed mogelijk is vormt de beweegreden om ook in een situatie van uitkering plus loon niet tot samentelling over te gaan. Dat hiermee een verschil ontstaat met de in casuspositie 1 geanalyseerde situatie wordt daarmee noodgedwongen geaccepteerd.

Als derde casuspositie vragen de leden van de P.v.d.A-fractie naar de effecten van franchiseverval en ZFW-premie indien betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een arbeidsinkomen heeft beide ter

hoogte van het minimumloon. Deze casus is onderstaand uitgewerkt voor de situatie van één dienstbetrekking en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Wanneer sprake zou zijn van twee dienstbetrekkingen, wijkt de uitkomst niet af van die voor de bestaande situatie.

Casus 3 één dienstbetrekking

I. Looninkomen

II. Huidige situatie III. Voorstel 2x minimumloon uitkering + loon

uitkering + loon

Bruto inkomen

51 282 premie ziektekosten

2 100 premie ZW/WW

1 513 premie WAO

4 143 premie AOW/AWW

5 981 belasting

6161

17949 + 25641 862 + 21501-30 + 756 0 + 284 5 518 5 153 43 590 1 979 1 286 2 986 5 158 4 367

Netto inkomen

31384

29256

27814

Het hier uitgewerkte voorbeeld verschilt in twee opzichten van casuspositie 1. In de eerste plaats heeft het slechts eenmaal toepassen van de franchise in absolute termen minder vergaande consequenties. In de tweede plaats blijft ook bij samentelling de verplichte verzekering van de ZFW gelden. Door de werking van het maximumpremiedagloon van de ZFW is voorts minder ZFW-premie verschuldigd. Omdat het lagere inkomensniveaus betreft is het relatieve effect nagenoeg gelijk aan dat van casuspositie 1. Voornoemde factoren leiden ertoe dat het inkomenseffect -4,9% bedraagt. Wij hopen met de voorgaande voorbeelden in voldoende mate te hebben voorzien in de behoefte aan een nader inzicht in de inkomenseffecten van de voorstellen die, blijkens de bijdragen aan het voorlopig verslag bij de leden van de fracties van de PvdA., D66 en de PPR. blijkt te bestaan.

  • Artikelen

Artikel I, onderdeel A

De vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie of de niet verdienende partner met een toeslag op grond van de Toeslagenwet premieplichten en verzekeringsplichten aan de toeslag kan ontlenen, berust op een misverstand. Een toeslag kan alleen worden verstrekt indien ook recht bestaat op een loondervingsuitkering; de toeslag wordt dus niet aan een niet-verdienende partner verstrekt. Van premieplichten en verzekeringsrechten voor de niet verdienende partner kan dan ook geen sprake zijn.

Artikel X, onderdeel A, Artikel X, onderdelen C, E, F en G, Artikel XIV en Artikel XVIII De door de leden van de P.v.d.A.-fractie met betrekking tot deze artikelen gestelde vragen zijn in de voorgaande hoofdstukken reeds beantwoord. Voor een antwoord op deze vragen verwijzen wij dan ook naar die hoofdstukken.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, D. J. D. Dees

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.