Voorlopig verslag - Premieheffing voor uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en wijziging van enkele andere wetten

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 4

1 Samenstelling: Leden: Nypels (D66), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Rempt Halmmans de Jongh (VVD), Groenman (D66), Oomen Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Dales (PvdA), Linschoten (VVD), Alders (PvdA), Kamp (VVD), Nijhuis (VVD), Leijnse (PvdA), Doelman Pel (CDA), G. Terpstra (CDA), De Leeuw (CDA), Biesheu vel (CDA). Plv. leden: Tommel (D66), Wolters (CDA), B de Vries (CDA), Van Es (PSP), Woirell (PvdA), Kok (PvdA), Van lersel (CDA), Korthals (VVD), Engwirda (D66). Van Noord (CDA), Van der Vlies (SGP), Melkert (PvdA), Van Gelder (PvdA), De Grave (VVD), Wöltgens (PvdA), Franssen (VVD), Schutte (GPV), Knol (PvdA), Paulis (CDA), Soutendijk van Appeldoorn (CDA), Tuinstra (CDA), Leerling (RPF).

VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 24 oktober 1986

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek, brengt van haar voorlopige bevindingen als volgt verslag uit.

  • Algemeen

De leden van de CD.A-fractie hadden met instemming kennis genomen van het wetsvoorstel inzake premieheffing over uitkeringen, waarin beoogd wordt te komen tot een algehele premieheffing over de uitkeringen op grond van de WAO., de nieuwe Werkloosheidswet en de Ziektewet, zodra de stelselherziening sociale zekerheid is ingevoerd. Deze leden onderschreven het uitgangspunt van het kabinet, dat werknemers met een loondervingsuitkering maatschappelijk gezien gerekend kunnen worden tot de kring van werknemers. Een onderscheid tussen premie-en vereveningsbijdragen is dan niet langer zinvol. Handhaving van het verschil in de wijze, waarop aan de financiering van de onderlinge dekking tegen risico van loonderving wordt bijgedragen (via premies of via vereveningsbijdragen) heeft geen nut. Gebleken is, dat het stelsel van vereveningsheffing niet aan het doel, te weten een materieel effect, dat gelijk is aan formele premieheffing, beantwoordt. De leden van de C.D.A.-fractie konden instemmen met de handhaving van het stelsel van vereveningsbijdragen in de AAW en in de IOAW om door het kabinet weergegeven redenen. Het ingediende wetsvoorstel veronderstelt een mate van automatisering bij de bedrijfsverenigingen. De leden van de C.D.A.-fractie wilden vernemen of dit in voldoende mate het geval is. Deze leden vroegen voorts waarom niet gesproken kan worden van een knelpunt ter zake van doorbetaling aan de werkgever van de premies AKW, AWBZ en de AAW, zoals de SVr heeft gesignaleerd. De leden van de C.D.A.-fractie hadden begrepen, dat in een werkgroep van de Federatie van Bedrijfsverenigingen nog gesproken wordt over een aantal uitvoeringsproblemen, verband houdende met dit wetsvoorstel. Deze leden wilden vernemen wanneer de uitkomst van het beraad in deze werkgroep beschikbaar zal zijn.

De leden van de P.v.d.A. fractie hadden met grote aandacht de voorstellen bestudeerd.

Alvorens in te gaan op het wetsvoorstel als zodanig hadden zij een aantal vragen van algemene aard die zij graag door het kabinet zouden willen hebben beantwoord. Hun eerste vraag betrof de berekeningswijze van uitkeringen in Nederland. Sociale zekerheidsuitkeringen in Nederland worden bruto berekend. Indien de wetsvoorstellen inzake de stelselherziening het Staatsblad zullen hebben bereikt geldt dat voor welhaast alle uitkeringen. Door deze wijze van berekenen stijgt -optisch -de collectieve lastendruk aanzienlijk. Wat zouden de voor-en nadelen zijn van een uitkeringsberekening waarbij in plaats van premieheffing altijd een vereveningsbijdrage zou worden ingehouden? Dit ook in het licht van diverse voorstellen (in dit wetsvoorstel wordt verwezen naar voorstellen van de Commissie-Grapperhaus, tegelijkertijd zijn voorstellen van de Commissie-Oort in bespreking) om in de sfeer van de inhoudingen op het loon tot een vereenvoudiging te komen. Hoewel in geval van samenloop van uitkering en looninkomen dan een herberekening zou moeten plaats vinden zou het, aldus meenden deze leden, daar waar alleen een uitkering wordt verkregen, dit een aanzienlijke vereenvoudiging betekenen. Ook bij samenloop van meer dan één uitkering, waaraan de bedrijfsvereniging de hoogste uitkering uitbetaalt en veelal ook verantwoordelijk wordt gesteld voor de uitkeringsbetaling van de andere uitkeringen, behoeft dit niet tot problemen te leiden. De collectieve lastendruk zou alleen al door deze operatie aanzienlijk dalen. De leden van de P.v.d.A.-fractie waren geïnteresseerd te vernemen wat het effect op de collectieve lastendruk van een dergelijke operatie zou zijn. Zij merkten daarbij op dat ook in het geval gesuggereerd zou worden dat het hier slechts om een optische verandering zou gaan, dat niettemin aan een dergelijke operatie waarde moet worden toegekend, al was het maar dat door een dergelijke berekening van de collectieve lastendruk in Nederland het begrip beter te vergelijken zou zijn met andere ons omringende landen. De leden van de P.v.d.A.-fractie meenden dat de in dit wetsvoorstel neergelegde voorstellen ten minste aanleiding zouden moeten zijn om te komen tot een nadere definitie van het begrip collectieve lastendruk. Op bladzijde 19 van de memorie van toelichting wordt immers eveneens opgemerkt dat de resultante van de voorstellen een stijging van de premie en uitgavendruk teweeg brengen van 0,2% NNI, wat echter, zoals terecht wordt opgemerkt slechts van statistische betekenis is en niet voortkomt uit een stijging, doch slechts uit een verschuiving tussen fondsen. Na deze algemene beschouwing over uitkeringen en premieheffing gingen de leden van de P.v.d.A.-fractie in op het voorliggende wetsvoorstel. Zij wensten een nadere toelichting waarom in deze voorstellen wel wordt uitgegaan van een bijeentellen van uitkeringen en loon, dan wel uitkeringen uit meer dan één bron, doch dat het niet mogelijk zou zijn meer looninkomsten op te tellen. Dit verbaasde deze leden vanwege een aantal overwegingen. In de eerste plaats constateerden zij dat het bijelkaar tellen van inkomen en uitkering in de voorstellen niet consequent wordt doorgevoerd. In paragraaf 3.3 van de memorie van toelichting wordt uitdrukkelijk een uitzondering gemaakt op deze hoofdregel, namelijk daar waar een werknemer met meer dan één dienstbetrekking uit een der dienstbetrekkingen werkloos of arbeidsongeschikt raakt.

De franchise WAO wordt dan zelfstandig toegepast op het loon dat reeds werd verdiend en op de uitkering. Ook het maximumpremieloon wordt zelfstandig toegepast. De leden van de P.v.d.A.-fractie zagen geen principieel onderscheid tussen een werknemer met meer dan één dienstbetrekking, die uit een dienstbetrekking een loondervingsuitkering ontvangt en een werknemer die vanuit een uitkeringssituatie een dienstbetrekking voor een gedeelte van de tijd kan aanvaarden. Evenmin begrepen deze leden hoe dat onderscheid zou doorwerken indien de betrokken werknemer niet alleen uit een van de twee (of meer dan één) dienstbetrekkingen werkloos of arbeidsongeschikt zou raken

maar daarna ook uit beide (alle). De leden van de P.v.d.A.-fractie constateerden voorts dat bij de verplichte ziekenfondsverzekering het loon uit meer dan één dienstbetrekking wel bij elkaar wordt geteld, zowel voor de premie-inkomensgrens als voor de maximumloongrens. Zij wezen erop dat in de memorie van toelichting (blz. 10) wordt gesteld dat de bezwaren van de ZFW tegen die samentelling, namelijk dat deze niet altijd vlekkeloos verloopt, niet als zodanig gebrekkig wordt omschreven dat het daar niet zou kunnen. Waarom zou een samentelling van loon uit meer dan één dienstbetrekking voor de WAO-franchise dan wel tot problemen moeten leiden? De leden van de P.v.d.A.-fractie vroegen dit te meer omdat juist ook bij looninkomens het arbeidspatroon van doorslaggevend belang is bij het al dan niet verkrijgen van de franchise, zodat ook bij looninkomens bij twee vergelijkbare bruto-inkomens het arbeidspatroon bepalend kan zijn voor een zeer verschillend netto resultaat. In dit kader vroegen deze leden naar de voor-en nadelen van het komen tot een premievrije voet op jaarbasis voor de WAO-premie. De leden van de P.v.d.A.-fractie onderschreven ten principale de stellingname op bladzijde 4 dat er maatschappelijk gezien geen onderscheid zou moeten bestaan tussen actieven, gedeeltelijk actieven en niet meer actieve werknemers. Zij constateerden dat, helaas, de maatschappelijke status nog op veel punten verschilt. Zij achtten het niet vanzelfsprekend om het opheffen van een verschil, wat in veel gevallen ten nadele van betrokkenen zal uitwerken, te doen aanvangen met niet-en gedeeltelijk niet-actieven. Zij verzochten daarom op dit punt niet alleen om een nadere toelichting van de mogelijkheden en de onmogelijkheden om ook bij meer dan één arbeidsinkomen een gelijkstelling te bereiken met degenen die een arbeidsinkomen hadden, maar ook om het weergeven van een tijdschema wat het kabinet meent te kunnen volgen bij het bereiken van een dergelijke gelijkstelling. De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden in het wetsvoorstel berekeningen gemist van de inkomenseffecten die de voorstellen zouden hebben voor de betrokkenen. Op bladzijde 9 van de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat het genot van meer dan één franchise in de loonsituatie wegvalt indien men een beroep moet doen op een loondervingsverzekering. Dat wordt beargumenteerd met de stellingname dat de gelijke behandeling van uitkeringsgerechtigden (dus hier niet van actieve en niet-actieve werknemers) moet leiden tot aanvaarding van dit effect. Daarbij zou bedacht moeten worden, aldus de memorie van toelichting dat bij premieheffing over het loon steeds onbedoeld een voordeel is genoten van een lagere premiedruk. Hoewel ten principale ook hiertegen geen bezwaar zou behoeven te bestaan is zeker dat de betrokkene dit onbedoelde voordeel nooit als zodanig ervaren zal zijn. De leden van de P.v.d.A.-fractie zouden rekenvoorbeelden voor een aantal casusposities op prijs stellen. Zij dachten hierbij onder meer aan mensen met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, afgeleid van een bovenmodaal inkomen, en een arbeidsinkomen afgeleid van een bovenmodaal inkomen. Wat zijn de effecten van enerzijds het wegvallen van de WAO-franchise en anderzijds het samenvoegen van de beide inkomensbestanddelen voor de ziekenfondspremie. Zij zouden deze casuspositie graag vergeleken willen hebben met een werknemer die hetzelfde inkomen uit dezelfde bronnen heeft, maar nu in de situatie dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering voortvloeit uit een functie die betrokkene reeds naast zijn andere arbeid verrichtte. Wat is het maximale negatieve effect van het wegvallen van de franchise? Hoe werken deze voorstellen uit in het geval betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een arbeidsinkomen zou hebben beide ter hoogte van

het minimumloon? Wat zijn dan de effecten van franchiseverval en premieziekenfondswet? De leden van de P.v.d.A-fractie wensten ook geïnformeerd te worden over de mogelijke inkomenseffecten van een overgang van het zogeheten historische stelsel naar het reële stelsel, (blz. 5 memorie van toelichting) Met betrekking tot de adviezen van de Ziekenfondsraad (1.2 en later) vroegen de leden van de P.v.d.A.-fractie wanneer het advies van de Ziekenfondsraad kan worden verwacht met betrekking tot de herstructurering van het ziekenfonds. Zij meenden dat dit advies binnen afzienbare tijd zal worden vastgesteld en waren van oordeel dat het van wijs beleid zou getuigen op dit advies te wachten.

De leden behorend tot de V.V.D.-fractie hadden kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel en constateerden daarbij plus-en minpunten. Op zichzelf kwam het hun als een vereenvoudiging voor dat vereveningsbijdragen vervangen worden door premieheffing. In dat licht bezien zagen zij een samenhang met de stelselwijziging, te meer daar na de invoering van de stelselwijziging het wel vaker zal voorkomen dat uitkeringsgerechtigden te maken krijgen met verschillende uitkeringen bij voorbeeld deels nWW en deels WAO met of zonder toeslag. Het hanteren van één systematiek is vanuit het oogpunt van eenvoud en inzichtelijkheid voor de betrokkene bepaald verkieslijker boven het hanteren van verschillende inhoudingssystemen.

De leden van de fractie van D66 konden in algemene zin instemmen met het voorliggende wetsvoorstel. Zij hadden zich in 1979, bij de behandeling van de Wet Aanpassingsmechanismen (WAM), op het standpunt gesteld dat brutonettotrajecten in brede zin zo veel mogelijk gelijk dienen te lopen. Met de invoering van de vereveningsbijdrage is dat toentertijd gerealiseerd. Met het kabinet waren deze leden eveneens van mening dat tegen premieheffing over uitkeringen geen principiële bezwaren kunnen worden ingebracht, aangezien uitkeringsgerechtigden verzekerd zijn krachtens de wetten, waarvoor zij nu premie moeten betalen. Te meer waar premieheffing -behoudens in specifieke situaties -niet in algemene zin tot negatieve koopkrachteffecten voor uitkeringsgerechtigden leidt, achtten zij integrale premieheffing in principe aanvaardbaar. Niettemin wilden deze leden, alvorens te komen tot een definitief oordeel over het voorstel, eerst nog een aantal vragen stellen. Overigens vroegen zij zich af of het wel haalbaar is om dit wetsvoorstel op een zodanig tijdstip te behandelen, dat invoering per 1 januari 1987 mogelijk is. Houdt het kabinet daaraan vast, zo vroegen zij, en in hoeverre is een en ander onlosmakelijk verbonden met de invoering van de stelselherziening sociale zekerheid (waarover deze leden overigens van mening zeiden te zijn, dat invoering per 1 januari 1987 niet verantwoord kan plaatsvinden).

Het wetsvoorstel had bij de leden van de P.P.R. fractie een kritische reactie en een aantal vragen opgeroepen. Zij zeiden het een goede ontwikkeling te vinden dat gepoogd wordt om tot een logische en overzichtelijke heffingssystematiek voor sociale verzekeringspremies te komen. Logisch vonden zij het eveneens dat een dergelijke operatie zou plaatsvinden ten tijde van een algehele herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Dit laatste is duidelijk niet het geval: het pakket van de stelselherziening ligt reeds bij de Eerste Kamer. Al bij de schriftelijke voorbereiding van de stelselherziening hadden de P.P.R. fractieleden gewezen op de onoverzichtelijkheid van het geheel aan stelselherzienende maatregelen waarvan de wetsvoorstellen nrs. 19256 t/m 19261 en 19283 slechts een onderdeel uitmaken, evenals het

voorliggende, toentertijd aangekondigde wetsvoorstel. Deze gang van zaken heeft het helder en inzichtelijk discussiëren over het «nieuwe» stelsel uiterst bemoeilijkt. Voor de komende maanden voorzagen deze leden chaotische taferelen op het punt van de uitvoering van het nieuwe stelsel, taferelen die qua tragiek de fouten en de chaos rondom de invoering van de nieuwe Wet op de studiefinanciering nog verre zullen overtreffen. Deze leden vroegen dan ook aan het kabinet wat de realiteitswaarde is van het voornemen de nieuwe premiesystematiek reeds te doen ingaan per 1 januari 1987. Een ander bezwaar wat samenhangt met de grote haast met de stelselherziening was volgens de P. PR. fractieleden het zeer gebrekkige inzicht in de effecten voor individuele uitkeringsgerechtigden. De opmerking onderaan blz. 15 van de memorie van toelichting dat voor een betrouwbare schatting over het effect bij samenloop van loon en uitkering de noodzakelijke gegevens ontbreken verontrustte deze leden ten zeerste. Wil het kabinet hierover nadere uitleg geven? Betekent dit bij voorbeeld dat geen schatting te maken is van de premie-effecten en dus de inkomenseffecten voor deze groepen? De opmerking halverwege blz. 18 dat hierover slechts een «kwalitatieve opmerking»(!) te maken valt achtten deze leden ontoereikend: zij wensten cijfermatige gegevens hierover.

  • Integrale premieheffing

Kan bij de integrale premieheffing de premievrijstelling van de AKW-premie voor ongetrouwde vrouwen ouder dan 45 jaar, die nooit kinderen hebben gehad, nog tot problemen leiden, zo vroegen de leden van de P.v.d.A.-fractie. Ook wensten deze leden geïnformeerd te worden over de feitelijke verschillen die veroorzaakt worden door het stelsel van vereveningsbijdragen ten opzichte van de formele premieheffing. Betreft het hier slechts verschillen in de premie-inhoudigssfeer in het algemeen of gaat het hierbij met name om inkomensverschillen tussen individuele gevallen? De leden van de P.v.d.A. fractie verzochten het kabinet dit aan de hand van voorbeelden te concretiseren. Zij verzochten voorts een nadere toelichting op de stellingname dat de premieheffing zou worden ingehouden op een wijze overeenkomend met een deel van de voorstellen van de Commissie-Grapperhaus. Is in de voorstellen ook nog een relatie te leggen, dan wel een verschil te constateren, met de voorstellen van de Commissie-Oort?

Een gelijksoortige opvatting als in het algemene deel verwoord hadden de leden van de VVD. fractie over het voorstel om inkomsten uit loon en inkomsten uit een of meer uitkeringen samen te tellen. Daarmee kan het door deze leden bij herhaling bekritiseerde vraagstuk van de dubbele franchise worden opgelost. Wel vroegen zij zich in dit verband af waarom de franchiseproblematiek bij deeltijdarbeid en de dubbele franchise bij meer dan een deeltijdbetrekking niet tevens in het onderhavige voorstel aan de orde is gesteld, te meer daar dit franchisevraagstuk nogal fraudegevoelig is (verschil tussen feitelijke werktijd per dag en de «papieren» werktijd, waardoor men onder de premievrije grens kan blijven). Veel meer moeite hadden de leden van de V.V.D.-fractie met de argumentatie van de zijde van het kabinet, namelijk dat uitkeringsgerechtigden met een loondervingsuitkering maatschappelijk gezien gerekend kunnen worden tot de kring van werknemers. Juist omdat de betrokkenen geen werk hebben en op een uitkering zijn aangewezen voelen zij zich geen werknemers. Het was naar het oordeel van deze leden eerlijker geweest als gezegd was dat het bij premieheffing en vereveningsbijdrage over de uitkering gaat om solidariteit over en weer tussen werkenden en niet-werkenden en dat premie en verevening nodig waren en zijn vanwege

het vraagstuk van het brutonetto traject. Zij verwezen daarbij onder meer naar de nog niet zo lang geleden gevoerde discussie over premieheffing over het ziekengeld.

De leden van de fractie van D66 vroegen zich af of het wel terecht is om voor de groep WSW'ers voor wat betreft de wachtgeldpremie een gemiddeld percentage te heffen. Een afzonderlijk wachtgeldpercentage voor WSW'ers zou weliswaar op bijna nihil uitkomen, en gezien de thans bestaande situatie leiden tot een overigens geringe nettoloonstijging, de voorgestelde regeling leidt echter wel tot een inconsequentie. Zij achtten dit in principe onjuist. Het werkloosheidsrisico voor WSW'ers is inderdaad gering, maar, zo stelden deze leden, dat is toch ook voor een aantal andere sectoren het geval. Waarom dan juist voor deze groep een afwijkende regel? Met hoeveel zouden de negatieve financiële effecten voor het Rijk van het wetsvoorstel, die worden geraamd op f70 min., afnemen wanneer voor WSW'ers een juist wachtgeldpremiepercentage zou worden geheven? En hoeveel zou dat uitmaken voor de netto lonen van deze groep?

  • WAO/AAW

De leden van de C.D.A.fractie wilden vernemen wat de gevolgen zijn van het wetsvoorstel ten aanzien van de regres-regeling in artikel 90 WAO, nu de AAW-uitkering van de verplicht verzekerde arbeidsongeschikte werknemer opgenomen zal worden in de WAO-uitkering.

Wanneer zou voor AAW-gerechtigden het effect van vereveningsheffing materieel anders zijn dan het effect van premieheffing, zo vroegen de leden van de P.v.d.A-fractie. Om wat voor verschillen zou het daarbij dan gaan naar omvang? Kan het zo zijn dat het beëindigen van het AAW-recht voor uitkeringsgerechtigden met een AAW/WAO-uitkering nog tot materiële effecten leidt? De leden van de P.v.d.A. fractie dachten hierbij aan situaties een van de partners in een huwelijk een AAW-uitkering en de andere een AAW/WAO-uitkering zou hebben.

Waar het gaat om uitsluitend een AAW-uitkering konden de leden van de V.V.D.-fractie de redenering van het kabinet wel volgen. Zij vroegen echter of die redenering wel zo principieel is dan wel dat financiële gevolgen een belangrijker rol spelen. Overigens constateerden deze leden dat het wel degelijk pleegt voor te komen dat mensen een AAW-uitkering hebben naast loon.

De leden van de D66-fractie achtten de voor de AAW/WAO voorgestelde regeling in principe aanvaardbaar. Weliswaar wordt door de voorgestelde regeling, waarin het AAW-recht niet tot uitbetaling komt wanneer recht bestaat op een (ten minste even hoge) WAO-uitkering, het principe van een volksverzekering doorbroken, het uiteindelijk resultaat voor de uitkeringsgerechtigden is in principe gelijk. Tevens maakt het voorstel het mogelijk om tot een meer evenwichtige premieheffing te komen, hetgeen ook door deze leden belangrijk wordt geacht. Hadden deze leden overigens juist begrepen dat het AAF de aldus niet uitbetaalde uitkeringen aan het AOF overdraagt en dat derhalve de lasten ervan uit de AAW-premie betaald blijven worden? Niettegenstaande hun in beginsel positieve reactie vroegen deze leden op welke uitzonderingen het kabinet het oog heeft, als het stelt, dat «behoudens uitzonderingen het AAW-uitkeringsrecht voor WAO-verzekerden niet van materiële betekenis (is)» (blz. 6, memorie van toelichting). Kan daarover nader inzicht worden gegeven?

Voorts vroegen deze leden welke regeling zal gelden wanneer de AAW («in uitzonderingsgevallen») hoger is dan de WAO-uitkering. Het kabinet schrijft dat de WAO-uitkering in die gevallen moet worden gecorrigeerd en ten minste even hoog moet uitkomen als de AAW. Waarop slaat dit «ten minste», zo vroegen zij. Kan de WAO-uitkering in die gevallen als gevolg van de correctie ook nog hoger uitkomen? Voorts vroegen deze leden welke gevolgen de voorstellen zullen hebben in het geval dat beide echtgenoten een AAW-uitkering genieten, terwijl slechts één van hen tevens WAO-gerechtigd is. Hoe werken de voorstellen in dat geval uit? De leden van de D66-fractie vroegen voorts om een reactie van het kabinet op de door de vaste kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid ontvangen brief van het Verbond van Verzekeraars in Nederland, gedateerd op 16 oktober 1986.1 Wordt het AAW-gedeelte in de WAO-uitkering inderdaad in voorkomende gevallen meegenomen in het regres op grond van artikel 90 WAO? Is dit overeenkomstig de bedoeling? Om hoeveel extra lasten voor de verzekeraars gaat het naar schatting van de regering?

  • De premieheffing bij samenloop

Met betrekking tot de premieheffing bij samenloop van meer dan een met de loonderving samenhangende inkomensbestanddelen hadden de leden van de C.D.A.-fractie enkele vragen. Het door het kabinet voorgestelde systeem veronderstelt, dat op het moment van betaling relevante informatie over de bestanddelen beschikbaar zal zijn. Deze leden vroegen zich af of de loonadministratie van met name de kleinere werkgevers wel in voldoende mate is afgestemd op het (tijdig) beschikbaar hebben van de benodigde informatie. Bovendien wezen deze leden op het probleem, dat er diverse betalingstijdvakken bestaan. Zo is het mogelijk, dat naast maandelijkse uitkeringen betrokkenen een weekloon ontvangen of een afroepcontract hebben met een werkgever. Met name in deze gevallen zouden zich problemen kunnen voordoen met het tijdig beschikbaar hebben van de benodigde informaties. De hier aan het woord zijnde leden wilden vernemen op welke wijze «reparatie» dient te geschieden, indien achteraf blijkt dat op een verkeerde wijze de premieheffing heeft plaatsgevonden. De leden van de C.D.A.-fractie wezen er nog op dat de premieheffing in het geval van een zelfstandige, die gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en een AAW-uitkering heeft en tevens werkloos is geworden, nadat zijn (parttime) dienstverband is beëindigd, niet volgens het voorgestelde systeem kan plaatsvinden. Naar aanleiding van hetgeen wordt opgemerkt op blz. 10 van de memorie van toelichting inzake de ondersteunende rol van de in te voeren verzekerdenadministratie vroegen de leden van de C.D.A.-fractie de mening van het kabinet terzake, nu gebleken is, dat een aantal bedrijfsverenigingen niet of slechts gedeeltelijk op korte termijn een deugdelijke verzekerdenadministratie kan invoeren.

De leden van de P.v.d.A.-fractie waren geïnteresseerd in de effecten van het wetsvoorstel op de situatie waarin een der partners een AAW-uitkering heeft met een toeslag voor de andere partner, terwijl de andere partner een gering looninkomen heeft. Op welke wijze, aldus vroegen deze leden zal worden omgegaan met het voornemen dat de werknemers die bezwaren hebben tegen de overdracht van gegevens van de bedrijfsvereniging aan de werkgever een mogelijkheid krijgen dat de bedrijfsvereniging met de ingehouden premies door de werkgever rekening houdt. Is het hier de bedoeling een «piepsysteem» te creëren of zal een dergelijke mogelijkheid per definitie • Ter inzage op het secretariaat van de aan alle betrokkenen worden geboden? Waarom wordt de zo gecreëerde commissie onder SoZaWe 86 688

uitzondering niet als regel aangehouden en de voorgestelde regeling tot

uitzondering aangemerkt voor die gevallen waarbij zowel werkgever als werknemer daarmee instemmen. De leden van de P.v.d.A.-fractie verzochten vervolgens om nadere inlichtingen over het moment van invoering van een verzekerdenadministratie. Hoewel op dit terrein nog veel zaken te bespreken zijn beperkten zij zich hier tot de vraag of een dergelijk systeem ook zou kunnen bijdragen tot een gelijke behandeling van werknemers zoals in de principiële stellingname is beoogd namelijk ook een gelijkstelling tussen degenen die meer dan één en degenen die één looninkomen geniet.

Over de dubbele franchiseproblematiek in de sfeer van de WSW en aanvullende WAO was door de leden van de V.V.D.-fractie reeds meer dan eens gesproken. Zij hadden echter altijd begrepen dat het oplossen van de dubbele franchise zou leiden tot nadelige inkomenseffecten. In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt echter vermeld, c.q. gesuggereerd dat daarvan geen sprake zal zijn. Kan dit worden verduidelijkt met cijfervoorbeelden voor diverse looncategorieën VVS W-werknemers? De leden van de D66-fractie stemden in principe in met de voorgestelde regeling terzake, maar toonden zich teleurgesteld dat het vraagstuk rond de WAO franchise niet in meer algemene zin geregeld wordt. In gevallen waarin loon uit twee of meer dienstbetrekkingen samenloopt, wordt niets geregeld. In het kader van de bevordering van deeltijdarbeid was dit punt, door deze leden, en niet in de laatste plaats door het kabinet zelf, de WAO-franchise geregeld als probleem aan de orde gesteld. De werking van de franchise houdt ook premieheffing over de lOAW-uitkering tegen, zo constateerden deze leden, terwijl dat uit oogpunt van eenvoud volgens hen wel de voorkeur zou verdienen. Wanneer is een regeling terzake te verwachten, zo vroegen deze leden. Hoe zal zo een meer algemene regeling er uitzien? Zij achtten het antwoord op die vraag mede van belang bij de beoordeling van dit wetsvoorstel. De leden van de fractie van D66 konden zich in beginsel vinden in de redenering dat, voorzover een éénmalige toepassing van de franchise leidt tot een lagere netto-uitkering, dit het gevolg is van een onbedoeld voordeel in het verleden. Niettemin konden deze leden zich voorstellen dat met het oog op deze inkomensachteruitgang een overgangsregeling wordt opgenomen. Tot hoeveel kan die achteruitgang oplopen, en om hoeveel mensen gaat het naar schatting, zo vroegen deze leden? Een andere mogelijkheid zou zijn om inderdaad een gedetailleerde beschrijving van het voorafgaande arbeidspatroon te laten leiden tot een aanpassing. Dit zou eventueel niet in alle gevallen door de uitkerende instantie zelf en eigener beweging te hoeven worden nagegaan, maar indien de uitkeringsgerechtigde het gedetailleerd overzicht zelf kan verstrekken is er op zich toch niets tegen een aanpassing, zo vroegen deze leden.

  • Gevolgen voor de verplichte ziekenfondsverzekering

De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden grote bezwaren tegen het systeem van de «Volendamse botter» voor ziekenfondsverzekerden: dan uit, dan weer in, vervolgens weer uit het ziekenfonds. Deze leden meenden dat alleen al vanuit het oogpunt van rechtszekerheid het voor betrokkenen beter zou zijn de maximumpremiegrens eventueel wel, maar de maximumioongrensproblematiek nog niet aan te passen voordat het advies van de Ziekenfondsraad over de herstructurering van het ziekenfonds in de wetgeving zou zijn verwerkt. De leden van de P.v.d.A.-fractie constateerden tevens dat het probleem dat zij reeds bij het wetsvoorstel premieheffing bovenwettelijke uitkeringen krachtens de Ziektewet en Algemene Arbeidsongeschiktheidswet hadden opgemerkt nog steeds tot problemen zal blijven leiden.

Voor een werknemer met een arbeidsongeschiktheidsuitkering is het toch niet logisch dat deze, zolang de dienstbetrekking nog bestaat, over het bovenwettelijk deel premie moet betalen en al dan niet verplicht verzekerd is, terwijl in het geval het dienstverband is verbroken, maar bruto nog wel dezelfde aanvulling op het loon wordt gegeven, er een andere situatie kan ontstaan. Voor sommigen zal het juist als een nadeel worden ervaren niet in het ziekenfonds te kunnen worden opgenomen; anderen zullen het wellicht als een voordeel ervaren. De leden van de P.v.d.A-fractie verzochten op dit punt een toelichting en vroegen of er mogelijke oplossingen voor dit vraagstuk bestaan. Ook in de nWW leek het hun toe dat zonder wijziging in de uitkeringshoogte het toch een merkwaardige ervaring moet zijn na een jaar, op grond van het werkelijke loon, wel of niet verzekerd te worden.

De leden van de V.V.D.fractie hadden aarzeling met betrekking tot het samenstellen voor de ziekenfondspremie. Vanuit het oogpunt van de solidariteit, welke de grondslag is voor de premieheffing ziekenfonds is dit weliswaar een goede zaak, doch het vormt een onderdeel van een veel breder en meer complexe samenstellingsvraagstuk waarover de Ziekenfondsraad nog een integraal advies moet uitbrengen. Aangezien dit advies binnenkort kan worden verwacht vroegen deze leden of dit element uit dit wetsvoorstel daar niet beter op kon wachten. Een nadere uiteenzetting daarover leek hun op haar plaats.

De leden van de D66-fractie konden in principe instemmen met het samentellen van verschillende inkomensbestanddelen voor de toetsing aan zowel de maximumpremiegrens als de loongrens voor de ziekenfondsverzekering. Deze leden vroegen, wanneer het advies van de Ziekenfondsraad inzake de uitkeringsgerechtigden, die nog een aanvulling op hun uitkering ontvangen, kan worden verwacht? Is dit op blz. 11 van de memorie van toelichting gememoreerde advies hetzelfde als waar in de memorie van toelichting op blz. 12 aan wordt gerefereerd? Deze leden waren van mening dat weliswaar de ad hoe-regeling voor bepaalde gevallen op dit moment uitkomst biedt, een uitkomst die blijkens de toelichting nog wat wordt verlengd, maar dat wel zo spoedig mogelijk een definitieve oplossing dient te worden gevonden, om aan de betrokken uitkeringsgerechtigden zekerheid te bieden. Met betrekking tot het door de Ziekenfondsraad gestelde, dat uitkeringen en lonen en loondervingsuitkeringen wel samengesteld zouden moeten worden voor de premiemaximering, doch niet voor loongrens, neigden deze leden ertoe het kabinet te ondersteunen in zijn afwijzende opvatting hierover. Wel konden deze leden zich voorstellen dat aan degenen, die volgens de ideeën van de ZFR wel verzekerd zouden blijven (omdat één van de door betrokkenen ontvangen inkomensbestanddelen de ziekenfondsgrens niet overschrijdt, waar dit voor het totaal van de bestanddelen wel het geval is), de keuze wordt gelaten. In bepaalde gevallen zouden betrokkenen er de voorkeur aan kunnen geven verzekerd te blijven krachtens de Ziekenfondswet. Deze leden konden zich voorstellen dat bij voorbeeld uitkeringsgerechtigden, die binnen een paar jaar de 65-jarige leeftijd bereiken en dan verplicht verzekerd worden, er tegenop zien om zich alsnog particulier te verzekeren, te meer waar dit gezien hun leeftijd met aanmerkelijk hogere premies gepaard kan gaan. Bovendien vervalt voor hen het recht op verplichte verzekering in de AOW-periode na het 65e levensjaar. Deze leden herhaalden het voorstel van het kabinet in beginsel te ondersteunen maar drongen er op aan te willen bezien of voor bovengenoemde gevallen niet een afwijkende regeling, dan wel een keuzemogelijkheid in de wet zou kunnen worden opgenomen. Daarmee kan (her-

nieuwde) onzekerheid over de verzekeringspositie, zoals die ook al optrad na invoering van de WTZ op 1 april van dit jaar, worden voorkomen.

  • IOAW

De leden van de P.v.d.A.-fractie merkten op dat ook in de IOAW zich mogelijk situaties kunnen voordoen van samenloop van loon en uitkering. Als gevolg van de vrijlatingsbepaling in de IOAW moet het niet uitgesloten worden geacht dat bij veel mensen met een lOAW-uitkering een klein neveninkomen wordt verdient. De geringe hoogte van de uitkering biedt daartoe een grote aansporing. Op welke wijze vindt dan premieheffing plaats? De leden van de P.v.d.A.-fractie zagen daarvan graag een rekenvoorbeeld. Zij dachten bij voorbeeld aan een echtpaar, waarvan de man langdurig werkloos is en de vrouw bruto f600 verdient. Ook in het geval van samenloop van meer dan een inkomen wensten zij dit uiteen gezet te zien. Bij voorbeeld een man met een WAO-uitkering van f 500 bruto, een uitkering ingevolge de Toeslagenwet en IOAW en een vrouw met een arbeidsinkomen van f300 bruto.

Tot hun verbazing hadden de leden van de D66-fractie geconstateerd dat het kabinet het niet aan de premieheffing onderwerpen van IOAW-uitkeringen verdedigt met een beroep op de «bijstandsachtige kenmerken» van die wet. Dit had hen verbaasd omdat zij tijdens de debatten over de stelselherziening het bijstandskarakter van de IOAW zelf ook al hadden benadrukt (hetgeen volgens deze leden had moeten leiden tot een rijksgroepsregeling in de bijstand, dan wel tot een voortzetting van de interimregeling in de WWV, maar in ieder geval niet tot de voorgestelde IOAW). Toen was hun echter bij herhaling te verstaan gegeven dat zij dit verkeerd zagen, zo stelden deze leden nu vast.

  • Toetsing inzake terughoudendheid met regelgeving

Begrepen de leden van de P.v.d.A.-fractie het goed dat naast het thans voorliggende wetsvoorstel nog nadere wetwijziging noodzakelijk zal zijn? Is het waar dat een wetsvoorstel voor premieheffing over de arbeidsongeschiktheidsuitkering in de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid nog zou moeten worden ingediend? Wanneer zal dat dan geschieden? Het kwam deze leden voor dat -indien zij dit goed hadden begrepen -de invoering van de stelselherziening op 1 januari 1987 absoluut onmogelijk zal zijn. De uitkeringen kunnen, zonder te weten welke premies moeten worden ingehouden, toch nooit goed worden berekend? Zij verzochten het kabinet om een nadere uiteenzetting. Zal de ministeriële regeling op basis van artikel 9, zevende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering tijdig gereed zijn, evenals de andere in dit hoofdstuk aangekondigde regelgeving?

De leden van de fractie van D66 vroegen het kabinet nader in te willen gaan op de vraag in hoeverre en op welke wijze in het wetsvoorstel rekening is gehouden met de verschillende aanbevelingen van de commissie-Grapperhaus. Tevens vroegen zij op welke wijze de werkgevers tijdig van de nieuwe regeling op de hoogte zullen worden gesteld? Dit laatste mede met het oog op de beoogde invoeringsdatum van 1 januari 1987.

  • Financiële effecten

Kan bij de inkomenseffecten als gevolg van de premieverschuivingen worden weergegeven wat het effect van deze operatie zal zijn voor

werknemers met een inkomen net boven het minimum, aldus een vraag van de P.v.d.A."fractieleden. De leden van de P.v.d.A. fractie deelden het standpunt van de SVr dat in feite de voorstellen, zoals neergelegd in dit wetsvoorstel, aan de SER hadden moeten worden voorgelegd. Waarom heeft het kabinet de periode gelegen tussen het indienen van het wetsvoorstel en de behandeling van het wetsvoorstel niet benut om alsnog de SER om advies te vragen, zodat het advies bij de behandeling van dit wetsvoorstel kon worden betrokken? Is het kabinet bereid dit alsnog te doen, zo vroegen de leden van de P.v.d.A.-fractie. Zij konden daarnaast volledig instemmen met de passage dat het wenselijk zou kunnen zijn de voornemens, waar het de premiestelling betreft, te betrekken bij de gesprekken met de sociale partners. Zij hadden daarop reeds vaker aangedrongen. Zij meenden deze passage ook te moeten opvatten als een toezegging van het kabinet de premiestelling en de effecten van dit wetsvoorstel in het gesprek met de sociale partners in te brengen.

Een duidelijk minpunt vonden de V.V.D. fractieleden de nivellerende werking van het onderhavige voorstel, hetgeen -zoals gebruikelijk -met name de categorie 2x modaal treft. Zij vonden dat het kabinet dit nogal bagatelliseert door te wijzen op het feit dat de algemene koopkrachtontwikkeling een positief beeld vertoont. Daardoor wordt de nivellering versluierd en als het ware weggestopt. Dat neemt naar het oordeel van deze leden geenszins weg dat de betrokkenen een deel van de koopkrachtstijging missen als gevolg van de zoveelste nivellerende maatregel waarmee met name de WAO-gerechtigden met een modaal respectievelijk 2 x modaal getroffen worden. Evenzeer vonden deze leden het een minpunt dat de zelfstandigen worden getroffen door een lastenverzwaring. Dit mede in het licht van het feit dat de zelfstandige zonder personeel in de afgelopen jaren niet of nauwelijks heeft kunnen profiteren van lastenverlichting als gevolg van verlaging van de premielast. Tot slot vroegen deze leden als gevolg waarvan de begroting extra wordt belast met f70 min. Betreft dit hier de overheid als werkgever of heeft dat te maken met het betalen van de lonen in de WSW ten laste van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?

De leden van de D66-fractie vroegen of zij juist hadden begrepen dat de effecten van dit wetsvoorstel al zijn verwerkt in de cijfers, zoals die hun in de Miljoenennota 1987, alsmede in de Financiële Nota Sociale Zekerheid zijn voorgespiegeld. Is de uit dit wetsvoorstel voortvloeiende lastenverlichting voor werkgevers, en lastenverzwaring voor werknemers, onderdeel van de premieramingen in die stukken? Overigens vonden deze leden hetmet de Raad van Stateop zichzelf vreemd dat een technische aanpassing van de premieheffing tot niet onaanzienlijke lastenverschuivingen moet leiden. Zij hadden ook opgemerkt dat het kabinet bij herhaling stelt dat zijn doelstellingen op de korte termijn niet in gevaar komen door het wetsvoorstel. Hoe ligt dat op de middellange termijn? Voorts vroegen zij of de door het kabinet genoemde f 100 tot 1 50 min., als extra opbrengst in de WAO als gevolg van de eenmalige franchiseberekening, inderdaad niet zijn meegenomen in de tabellen 6.1 en 6.2. Zij hadden begrepen dat dit niet het geval is. Op welk moment en op welke wijze leiden deze extra opbrengsten tot aanpassingen van de premies? Hoe groot zal de premiedaling als gevolg hiervan zijn, en wanneer komt die voor het eerst in de premie tot uitdrukking, zo vroegen deze leden. In welke mate worden de genoemde koopkrachteffecten op dat moment weer gemitigeerd? Is het wellicht de bedoeling om dit, kennelijk nog niet

meegerekende effect, als «troef» te gebruiken in het overleg met de Stichting van de Arbeid, eind deze maand? Tenslotte vroegen deze leden hoe groot het totaalbedrag is, dat thans nog vereveningsbijdrage heet, en straks premie wordt? Is dit het op blz. 19 van de memorie van toelichting genoemde bedrag van f700 a 800 min.? De leden van de P.P.R.-fractie uitten hun verbazing over de koele benadering door het kabinet van de inkomenseffecten van het wetsvoorstel. De suggestie dat het hier om vooral een «technische» aanpassing gaat leek hun dan ook bezijden de waarheid: er zal een aanzienlijke verschuiving optreden ten laste van werknemers en ook zijn er inkomenseffecten mee gemoeid. De P.P.R.fractieleden zeiden het te betreuren dat het kabinet deze effecten slechts globaal weergeeft. Zij vroegen dan ook om een nadere uiteenzetting van de effecten van het voorstel, gespecificeerd naar inkomenscategorie: werkenden in loondienst, WAO-ers, gedeeltelijk arbeidsongeschikten, werklozen etc. Welke groepen ondervinden negatieve inkomensgevolgen en hoe groot zijn die gevolgen? Is het waar dat de effecten op de inkomens niet zijn meegerekend in de koopkrachtplaatjes zoals vermeld in de Financiële Nota Sociale Zekerheid?

  • Artikelen

Artikel I, onderdeel A

Moesten de leden van de P.v.d.A.-fractie begrijpen uit het ontbreken van opmerkingen met betrekking tot het verschil in premieheffing voor de niet gehuwde partner in het kader van de Toeslagenwet dat ook als de toeslag ten gunste komt van de niet verdienende partner premieplichten en verzekeringrechten aan deze toeslag kunnen worden ontleend?

Artikel X, onderdeel A

Waar is geregeld dat een werknemer kan verzoeken dat de bedrijfsvereniging rekening houdt met de door de werkgever geïnde premies? (P.v.d.A.fractieleden)

Artikel X, onderdelen C, E, F en G Kan worden medegedeeld of de voorstellen om premie te heffen over het WSW-inkomen inkomenseffecten kunnen opleveren voor werknemers in de WSW? (P.v.d.A. fractieleden)

Artikel XIV

Welke zijn de mogelijke inkomenseffecten voor betrokkenen indien voor de nabetaling de bepalingen met betrekking tot de premieheffing gelden, ook als deze nabetalingen worden gedaan op grond van vaststelling van uitkeringen voor het in werking treden van deze wet? (P.v.d.A. fractieleden)

Artikel XVIII

Welke zijn de gevolgen voor de invoering van de stelselherziening indien het voorliggende wetsvoorstel niet voor 1 januari 1987 zou zijn afgehandeld, zo vroegen de leden van de P.v.d.A.-fractie.

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier van de commissie, Van der Windt

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.