Brief van De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - Beleidsplan Emancipatie

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 17

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN

WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-Gravenhage, 21 februari 1986 Bijgaand ontvangt u de door mij tijdens de UCV over het Beleidsplan Emancipatie toegezegde antwoorden op enkele open gebleven vragen.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. Kappeyne van de Coppello

1 Vragen van de heer Schutte over de criteria die worden gehanteerd bij de beoordeling van de subsidieverzoeken ten behoeve van emancipatie-activiteiten alsmede een motie van de heer Schutte samen met de heer Van der Vlies, over deze zaak (19052, nr. 14)

De vragen en de motie van de heer Schutte hebben betrekking op de afwijzing van een subsidieverzoek van de Groen van Prinsterer Stichting voor een publikatie ter bevordering van het bewustzijn omtrent de positie van vrouwen in de samenleving, vanuit een specifiek christelijk standpunt, onder de titel «Gedwongen gelijk te zijn». Het subsidieverzoek was ingediend in het kader van het WVC-emancipatieprogramma. De afwijzing is gemotiveerd met een verwijzing naar het emancipatiebeleid van de regering, waarbij dit beleid kortheidshalve werd aangeduid als «zoals verwoord in» het Beleidsplan Emancipatie. In de voorgestelde motie formuleert de heer Schutte de mening, dat «deze weigeringsgrond niet past in een objectieve toetsing van subsidie-aanvragen». De bezwaren van de heer Schutte concentreren zich dus op volgens hem afwezige objectiviteit. Ten antwoord diene het volgende. Subsidieverzoeken in het kader van het WVC-emancipatieprogramma worden getoetst aan een aantal vastgestelde algemene en inhoudelijke criteria. Daarnaast worden in positieve zin meegewogen: -of een project eventueel innoverend/experimenteel van aard is en/of -gericht is op verkleining van dubbele achterstandssituaties en/of -het project kan aansluiten op bestaand beleid of kan bijdragen aan beleidsontwikkeling in WVC-sectoren. Het moge duidelijk zijn dat met name de hierboven genoemde positieve afwegingsfactoren gebaseerd zijn op beleidsopvattingen zoals die door het Kabinet zijn neergelegd in het Beleidsplan Emancipatie. In dit verband wil ik ook nog wijzen op de uitgangspunten voor het te voeren subsidiebeleid ten aanzien van emancipatie, zoals verwoord in het Beleidsplan op blz. 20, eventueel citaat: «Subsidiebeleid zal meer dan voorheen integraal onderdeel van het gevoerde beleid uitmaken, in die zin dat gestreefd wordt naar een betere afstemming van het subsidiebeleid op de doeleinden van het interdepartementaal emancipatiebeleid». Het ware niettemin wellicht duidelijker geweest indien het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur expliciet verwezen had naar de eigen criteria en afwegingsfactoren. Ik voeg daaraan toe, dat afwijzing van een subsidieverzoek in het kader van het emancipatiebeleid geen algemeen waardeoordeel inhoudt over bepaalde activiteiten. Voorgelegde plannen worden slechts beoordeeld als al dan niet passend in het emancipatiebeleid. Ik kan dus de mening van de heer Schutte in dezen niet delen. De door hem voorgestelde motie ontraad ik derhalve.

2 Vragen van de heer Van der Vlies over het onderzoeksrapport «Vrouwen en de vrouwenbeweging».

Dit onderzoeksrapport alsmede het erbij behorende persbericht is de Kamer reeds toegezonden op 17-10-1985. Bijgaand bied ik u het nogmaals aan.' Ik verwijs u in het bijzonder naar het voorwoord dat als antwoord kan dienen op de door de heer Van der Vlies ter zake gestelde vraag.

3 Vraag van mevrouw Groenman waarom de artikelen 198, 199 en 200 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (handelend over de ontkenning ' Ter inzage gelegd op de bibliotheek van net vaderschap) niet in Anders Geregeld zijn opgenomen.

Ik heb toegezegd over deze vraag nader contact op te zullen nemen met de Minister van Justitie. Bij de afhandeling van deze toezegging is mij gebleken dat het antwoord op de vraag al is vervat in de inleiding op het onderdeel «Onderscheid naar geslacht» in het hoofdstuk Justitie van zowel de nota als de tweede vervolgnota «Anders Geregeld». Daar staat namelijk vermeld dat het als overbodig is geoordeeld alle bepalingen betreffende het wettigen en erkennen van kinderen, de afstamming, het vaderschap, het moederschap, onderhoudsplichten van vaders en moeders e.d. op te nemen. Ik meen de vraag van mevrouw Groenman echter te moeten opvatten als bedoelde zij naar aanleiding van het advies «Anders Geregeld» van de Emancipatieraad (d.d. 17 januari 1986, blz. 3) te vragen om een nadere toelichting op het regeringsstandpunt, dat deze bepalingen niet gewijzigd hoeven te worden. Het antwoord op die vraag luidt als volgt. De artikelen 198-200, boek 1, van het Burgerlijk Wetboek hebben betrekking op de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap. Het thans geldende stelsel geeft de moeder slechts een beperkte mogelijkheid het ingevolge het huwelijk ontstane vaderschap van haar kind te ontkennen. Zij kan dit doen indien het betreffende kind binnen 306 dagen na de ontbinding van het huwelijk van de moeder en haar vroegere echtgenoot geboren is. De ontkenning moet -in de vorm van een verklaring af te leggen ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand -worden gevolgd door een erkenning door een andere man. Verder hebben de ontkenning en de erkenning, welke in beginsel binnen een jaar na de geboorte van het kind dienen te geschieden, slechts gevolg indien het kind binnen -in beginsel -een jaar na zijn geboorte een wettige status verkrijgt, hetzij doordat de moeder met de erkenner huwt, hetzij door toewijzing van een verzoek om brieven van wettiging ingevolge artikel 215 Boek 1 B.W. Ingevolge artikel 199 kan de man zijn vaderschap zowel tijdens het huwelijk als daarna ontkennen. Daartoe dient hij een rechtsvordering in te stellen. Slaagt een dergelijke ontkenningsactie, dan behoeft hierop geen erkenning door een andere man te volgen wil het beoogde rechtsgevolg intreden.

In het voorontwerp Herziening van het Afstammingsrecht is ten aanzien van dit stelsel alleen voorgesteld de bepaling van het derde lid van het huidige artikel 198 dat de ontkenning en de erkenning moet worden gevolgd door een huwelijk van de moeder en de man die het kind heeft erkend, te laten vervallen, aangezien in de voorstelllen, voor wat betreft de juridische status van het kind, niet meer onderscheiden wordt tussen binnen en buiten een huwelijk geboren kinderen. Andere inhoudelijke wijzigingen zijn in dit verband niet voorgesteld. Thans is in voorbereiding een voorstel van wet tot herziening van het afstammingsrecht; hierbij vindt een heroverweging plaats van de kwestie van de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap mede omdat de huidige regeling man en vrouw in dezen niet gelijk behandelt. In de bij genoemd wetsvoorstel, dat waarschijnlijk in dit zittingsjaar zal worden ingediend, behorende memorie van toelichting zal het resultaat van deze herbezinning worden toegelicht.

4 Vragen van de heer Leerling en mevrouw Kraaijeveld-Wouters over betekenis en reikwijdte van artikel 4 van het Europees Sociaal Handvest.

Over deze vragen vindt momenteel nog overleg plaats. Ik verwacht de benodigde informatie vóór 1 maart te kunnen verstrekken.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.