Lijst van antwoorden - Beleidsplan Emancipatie

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 4

LIJST VAN ANTWOORDEN Ontvangen 15 oktober 1985

1 Bij voorlopige beschouwing van deze resultaten lijkt dit niet het geval te zijn. Niettemin is het voornemen om zodra de definitieve versie van het slotdocument (waarin alle amendmenten verwerkt zijn) beschikbaar is, een en ander nog eens minutieus na te lopen.

2 Het antwoord op deze vraag kan (nog) niet worden gegeven. Naast de in principe berekenbare uitgaven voor specifiek emancipatiebeleid, is er immers ook emancipatiebeleid als facet van primair op andere doeleinden gericht beleid. De toerekening van een deel van de kosten van dat beleid aan emancipatie is niet eenvoudig uit de bestaande begrotingsgegevens af te leiden.

3 Het begrip discriminatie, zoals gehanteerd in het Beleidsplan moet worden verstaan in de zin van artikel 1 van de Grondwet. In abstracto kan dat artikel worden beschouwd als een verbod op het maken van ongerechtvaardigd onderscheid. De Grondwet bevat echter geen catalogus van rechtvaardigingsgronden, zodat wetgever, rechter en bestuur in voorkomende gevallen zelf moeten bepalen wat zij als rechtvaardigingsgrond menen te kunnen aanvaarden, zij het dat dergelijke rechtvaardigingsgronden altijd objectief en redelijk moeten zijn.

4 Zoals in bijlage I vermeld is het ontwerp Nederlands Actieprogram Emancipatiebeleid, dat beschouwd kan worden als een voorloper van het concept-beleidsplan, destijds aan een brede inspraakprocedure onderworpen. De Nederlandse Gezinsraad en de Emancipatieraad werden bij uitstek de organen geacht om vervolgens over het Beleidsplan te adviseren.

5 Het kabinet pleegt zijn uitgangspunten ter discussie te stellen in het overleg met de volksvertegenwoordiging.

6 Over «teleurstellende resultaten» wordt op de aangehaalde blz. 5 niet gerept; er wordt slechts verwezen naar de door het kabinet onderkende noodzaak van een herbezinning op het emancipatievraagstuk. De vrije keus van vrouwen om geen leidinggevende functies op zich te willen nemen -dan wel om dat wel te willen doen -wordt door het kabinet uiteraard gerespecteerd.

7 Onder het emancipatiestreven in de samenleving worden verstaan de activiteiten en denkbeelden van personen, groeperingen en instanties die zich richten op een verbetering van de positie van vrouwen. Door een emancipatiebeleid te ontwikkelen beoogt het kabinet dit streven vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid te ondersteunen. De definitie van emancipatie die door het kabinet wordt gehanteerd is vervat in de hoofddoelstelling voor het emancipatiebeleid.

8 Het realiseren van economische zelfstandigheid is de logische consequentie van het streven naar een meer gelijke verdeling van de betaalde en onbetaalde arbeid tussen vrouwen en mannen. Voor dit laatste spreekt een meerderheid van de Nederlandse bevolking zich uit (bronnen o.m. SCP, Culturele veranderingen in Nederland, 1981). Een andere indicatie is de oprichting van het Breed Platform voor Economische zelfstandigheid van vrouwen (1982) waarin wordt samengewerkt door een groot aantal vrouwenorganisaties van uiteenlopende politieke signatuur uit de traditionele en de nieuwe vrouwenbeweging.

9 In de kringen van de vrouwenbeweging en het emancipatieonderzoek in Nederland en internationaal wordt dit verband gelegd tussen de achterstelling van vrouwen en de zogenaamde sociale organisatie van de seksualiteit.

10 De betreffende alinea wordt in de erop volgende zin toegelicht. Concrete voorbeelden zijn te vinden in par. 2 van hoofdstuk II; hier wordt een aantal maatschappelijke fricties vermeld dat zich nu reeds voordoet. De maatschappelijke ontwikkelingen gaan onontkoombaar in de richting van een grotere maatschappelijke participatie van vrouwen; hiervan vormt de wens tot deelname aan de betaalde arbeid een belangrijk onderdeel.

11 Emancipatiedoelstellingen zijn aan de orde in principe op alle terreinen van overheidszorg; dat wil zeggen, deze doelstellingen dienen in de op dit terrein zich afspelende beleidsvormingsprocessen te worden geïntegreerd. Dit zal vaak een afweging ten opzichte van andere prioriteiten en belangen met zich meebrengen, in het bijzonder voor zover die beleidsvormingsprocessen (mede) betrekking hebben op enigerlei herverdelingsbeleid (werk, inkomen, maatschappelijke posities).

12 De uitdrukking «de bevrijding van de vrouw» wordt in de laatste regel van blz. 7 gebruikt in verband met een «korte» aanduiding van de vrouwenemancipatiebewegingen die door deze bewegingen zelf en in de literatuur vaak ook als vrouwenbevrijdingsbewegingen worden aangeduid.

13 Enige mate van «zelfbewustzijn» is een kenmerk van volwassen individuen, niet zo zeer een element van vrouwen c.q. de vrouwenbeweging in het bijzonder kenmerkt. Zie voorts het antwoord op vraag 35.

14 Dit komt omdat het karakter van de huishouding maar ten dele beïnvloed wordt door arbeidsbesparende technieken en produkten. De kwalitatieve eisen die aan de huishouding gesteld worden, met name in immateriële zin, zijn eerder toedan afgenomen. Uit tijdsbestedingsonderzoek blijkt dat tussen 1975 en 1980 vrouwen meer tijd zijn gaan besteden aan «opvoeden en verzorgen».

15 Het tot nu toe gevoerde emancipatiebeleid heeft vooral geleid tot het beter onderkennen en in samenhang met elkaar gaan bezien van maatschappelijke fricties. Dit is een van de redenen geweest voor het opstellen van het Beleidsplan Emancipatie. Op een aantal terreinen is een begin gemaakt met het aanpakken van fricties. Ik noem onder meer de wetgeving met betrekking tot gelijke behandeling van vrouwen en mannen, het onderwijsemancipatiebeleid, het beleid ter bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes, de deelprojecten vrouwenhulpverlening en vrouwen uit minderheden.

16 De gegevens wijzen in de richting van de wens tot individuele combineerbaarheid van taken binnens-en buitenshuis. Belangrijke voorwaarden hiertoe zijn algemene arbeidsvorming en herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid. Zie voorts het antwoord op vraag 8.

17 De term achterstand geeft een feitelijke situatie weer zoals dit op een bepaald moment kan worden vastgesteld. Achterstelling duidt op het proces waardoor deze achterstandssituatie wordt veroorzaakt.

18 Voor een groot deel bestaat de woningvoorraad uit bestaande woningen die op grond van een in het verleden veronderstelde woningbehoefte zijn gebouwd. Bij het berekenen van de woningbehoefte op centraal niveau worden pas sinds kort de mogelijke behoeften aan «andere woonvormen» betrokken. Voorts verkeren de mogelijkheden voor flexibele bouwvormen nog in een experimenteel stadium.

19 Deze stelling vloeit voort uit de centrale doelstelling voor het emancipatiebeleid. Een essentieel onderdeel van het hierin voorgestane zelfstandig bestaan vormt de mogelijkheid tot economische zelfstandigheid. De weg waarlangs deze in de huidige maatschappij allereerst verkregen kan worden is via de weg van de betaalde arbeid.

20 Wanneer het aantal vrouwen dat veranderingen voorstaat toeneemt en deze vrouwen vanuit meer invloedrijke posities kunnen optreden, zal de kans groter zijn dat door hen gewenste veranderingen tot stand komen.

21 De in paragraaf 2 opgesomde signalen, op grond waarvan tot die onmiskenbare aanwijzing wordt geconcludeerd, hebben betrekking op opvattingen en gedragingen die de afgelopen tijd aan snelle veranderingen onderhevig zijn geweest.

22 Met maatschappelijke organisatie wordt de inrichting van de maatschappij als zodanig bedoeld.

Gezien de maatschappelijke fricties op veel terreinen waar vrouwen tegenaan lopen is de samenleving als geheel nog onvoldoende ingespeeld op de veranderde opvattingen ten aanzien van de positie van vrouwen.

23 Bedoeld wordt dat het sekseverschil, dat wil zeggen het feit dat de wereld uit mannen en vrouwen bestaat, ten principale geen rechtvaardigingsgrond biedt om onderscheid te maken bij het toekennen van c.q. het bieden van kansen op maatschappelijke posities en in het algemeen bij het verdelen van maatschapplijke waarden.

24 Het «denken in termen van emancipatie» is geen opgelegd patroon, maar een wereldwijde maatschappelijke ontwikkeling, in de richting van pluriformiteit, zelfstandigheid en gelijkheid. Indien de huidige maatschappelijk positie van vrouwen wordt uitgelegd als een kwestie van vrije keuze, wordt voorbijgegaan aan de beperkende voorwaarden en ongelijke kansen die deze keuze beïnvloeden.

25 Bedoeld wordt, dat ook wanneer geen doelbewust emancipatiebeleid wordt gevoerd, het overheidsbeleid de maatschappelijke positie van vrouwen vaak op een andere wijze beïnvloedt.

26 Met beide uitdrukkingen wordt hetzelfde bedoeld. De vakterm «collectieve keuze» bleek niet voor iedereen helder en is vervangen door een equivalent.

27 Het kabinet beschouwt de keuze voor het aangaan van een huwelijk en voor een rolverdeling waarbij vrouwen zich geheel aan de verzorging en opvoeding van hun kinderen wijden als een kwestie van individuele verantwoordelijkheid. In het huidige en ook in het toekomstige stelsel van sociale zekerheid wordt het sociaal van de verschillende wetsvormen gegarandeerd.

28 Hiervoor zij verwezen naar hoofdstuk V, in het bijzonder paragraaf 3. Overigens zal de beleidsnota «Combinatie ouderschap en betaalde arbeid», die naar verwachting nog dit jaar aangeboden zal worden aan de Kamer, gewijd zijn aan deze problematiek en voorstellen ter zake bevatten.

29 De doelstellingen van het emancipatiebeleid en de hiermee samenhangende veranderingen kunnen niet op korte termijn voor de gehele bevolking worden gerealiseerd. Het kabinet denkt aan een stapsgewijze aanpak, waarbij geleidelijk een steeds groter deel van de bevolking ook feitelijk in staat is een zelfstandig bestaan te realiseren. De vermelde maatregelen zijn deels gericht op de korte termijn.

30 In het primair inkomensbeleid is de gelijke behandeling van mannen en vrouwen gerealiseerd. Wat het secundaire inkomensbeleid betreft, kan niet voorbijgegaan worden aan de maatschappelijke situatie die op dit moment nog vereist dat rekening wordt gehouden met heersende rolpatronen. In de toekomst zal een verschuiving in de rolpatronen voor de jongere generaties bijvoorbeeld kunnen leiden tot de in het antwoord op vraag 138 beschreven verandering in het karakter van de toeslagenwet.

31 Een meerderheid van de bevolking spreekt zich uit voor een meer gelijke verdeling van werkzaamheden binnens-en buitenshuis over mannen en

vrouwen. Cijfermatige gegevens hierover worden gegeven in bijlage III van het Beleidsplan Emancipatie. Voorts wordt het emancipatiestreven tot nog toe gedragen door de meerderheid van beide Kamers der Staten-Generaal die geacht worden de bevolking te vertegenwoordigen.

32 Op grond van onderzoeksgegevens naar de emancipatiegezindheid van de Nederlandse bevolking (Bron: Culturele Verandering 1970-1981) kan geconstateerd worden dat jongeren positiever staan tegenover emanci-patie-ontwikkelingen dan ouderen. Qua uitgangspositie voor het eigen leven zijn er echter duidelijke verschillen tussen jongens en meisjes. Uit de conclusies van het rapport Jongeren in de jaren tachtig (SCP) blijkt dat enerzijds de onafhankelijkheid en het zelfbewustzijn van meisjes de afgelopen jaren zijn gegroeid, maar anderzijds de gerichtheid op huisvrouw-en moederschap is blijven bestaan.

33 Gedacht wordt aan een tijdsperiode van 5 a 10 jaar. Zie voorts het antwoord op vraag 29 en 43.

34 Hiermee wordt bedoeld de veronderstelling dat seksualiteit gelijkgesteld kan worden met de gangbare vorm van heteroseksualiteit en met de daarbij vaak voorkomende mannelijke dominantie. Zie voorts het antwoord op vraag 9.

35 Daaronder wordt verstaan (zoals ook vermeld in de voetnoot op blz. 68) het geheel van groepen, organisaties, instellingen en personen die streven naar een verbetering van de positie van vrouwen in die zin dat hun meer rechten, kansen en vrijheden ten deel vallen.

36 Het is niet aan het kabinet de keuze van individuele burgers te «handhaven». De taak van de overheid is beperkt tot het aangeven van de voorwaarden die een zo groot mogelijke keuzevrijheid waarborgen. Het kabinet is bijvoorbeeld niet van zins de mogelijkheid tot het sluiten van huwelijken te beperken.

37 Het afschaffen van het wettelijk minimumloon voor 16-en 18-jarigen tast de mogelijkheid voor volwassenen om in eigen levensonderhoud te voorzien niet aan. Evenmin vormen de genoemde beleidsvoornemens in de secundaire inkomenssfeer een belemmering voor de toetreding tot de arbeidsmarkt. Grotere economische zelfstandigheid zal primair moeten worden bereikt door vergroting van de arbeidsparticipatie. Socialezekerheidsregelingen zullen mede in relatie tot deze ontwikkelingen moeten worden aangepast.

38 Ja, dit volgt a contrario uit het voorschrift dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. Alleen die relatievormen dienen gelijkte worden behandeld die met het oog op de doelstelling van enigerlei regeling voldoende relevante gemeenschappelijke kenmerken bezitten.

39 In de Tweeverdienerswetgeving zijn belangrijke stappen gezet in de richting van de verzelfstandiging van vrouwen onder andere door het

ongedaan maken van de ongelijkheid in belastingvrije voeten voor gehuwde vrouwen en mannen. De onrust op de arbeidsmarkt en de daaruit voortvloeiende ontslagneming van zogenaamde kleine tweeverdieners hebben het kabinet doen besluiten tot tegemoetkomende maatregelen. Daarbij speelde de zorg over het wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsparticipatie van de gehuwde of samenwonende vrouw een rol. Dat is niet in strijd met het streven naar individualisering. Integendeel, het bevorderen van de arbeidsparticipatie is een stap op weg naar verwezenlijking van de hoofddoelstelling (in dit geval de mogelijkheid tot het verwerven van een zelfstandig bestaan).

40 Criteria, op grond waarvan afweging plaatsvindt, zijn in z'n algemeenheid niette geven. Per beleidsterrein wordt -afhankelijk van de aard van de regeling -zorgvuldig afgewogen of en zo ja op welke wijze gelijke behandeling van gehuwd en ongehuwd samenwonenden moet worden gerealiseerd. Dit betreft zowel oude als nieuwe regelingen. Voor wat betreft de wijze waarop deze afweging plaatsvindt in de sfeer van de sociale zekerheid en de loon-en inkomstenbelasting, zij verwezen naar het antwoord op vraag 128.

41 Het streven naar gelijke behandeling van ongehuwd samenwonende partners en gehuwden kan leiden tot het opstellen van nieuwe regels. Het gaat hier om een proces, dat in 1978 bij de opstelling van de nota Anders Geregeld in gang is gezet. Er is geen sprake van een nieuw beleid. Zoals in de memorie van toelichting op de begroting van Justitie 1985-1986 is meegedeeld zal in studie worden genomen of er mogelijkheden zijn tot registratie van niet-huwelijkse relatievormen. Momenteel is in studie het vraagstuk van de wederzijdse onderhoudsplicht, binnen niet-huwelijkse samenlevingsvormen. Op het moment zijn er nog geen resultaten beschikbaar.

42 De formele ongelijkheid in bestaande wettelijke regelingen wordt in het kader van de operatie Anders Geregeld weggenomen. Voorbeelden van nieuwe wetgeving gericht op het wegnemen van feitelijk voorkomende ongelijke behandeling en het bestrijden van discriminatie zijn de voornemens tot reparatie van de weteving gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid en de voornemens tot een meer algemene anti-discriminatiewetgeving.

43 Middellange termijn behelst een tijdsperiode van 5 a 10 jaar. In het beleid wordt deze term gehanteerd om aan te geven dat het voorgenomen beleid niet binnen één kabinetsperiode kan worden gerealiseerd, maar ook weer niet naar een onbepaald verre toekomst wordt geschoven. De beleidswijzigingen die nodig zijn om de doelen van het emancipatie-beleid dichterbij te brengen kunnen naar verwachting binnen een dergelijke tijdsperiode als bovengenoemd worden gerealiseerd. Zie ook het antwoord op vraag 33 en 29.

44 Het woord «Privé-sfeer» wordt hier gebruikt i.v.m. de verdeling van de huishoudelijke en verzorgende arbeid. Op de beperkte rol van de overheid op dit terrein wordt later in het beleidsplan ingegaan, n.l. in hoofdstuk V, paragraaf 4 (blz. 31-32).

45 In bedoelde passage wordt in globale zin verwezen naar de beleidsvoornemens met betrekking tot de oudere ongehuwde werkenden.

Daarbij wordt vanzelfsprekend eveneens aan mannen gedacht hoewel vrouwen in deze categorie de grootste probleemgroep vormen.

46 Het begrip maatschappelijke instituties dient ruim geïnterpreteerd te worden. Het betreft zowel (semi-) overheidsinstellingen als organisaties, tot stand gekomen vanuit het pariculier initiatief.

47 In deze context heeft «seksuele voorkeur» betrekking op homodan wel heteroseksuele voorkeuren.

48 Naar verwachting niet, evenmin als dit het geval is bij alle mannen.

49 De opsomming van gebieden in de samenleving, waarin de beeldvorming ontstaat en wordt veranderd, bevestigd en doorgegeven moet als niet limitatief worden beschouwd. Dit proces vindt namelijk in meerdere of mindere mate plaats op alle gebieden van de samenleving.

50 Geduid wordt op de organisaties, die werkzaam zijn op de in deze alinea genoemde gebieden en die bij uitstek richting geven aan het proces van beeldvorming in onze samenleving.

51 Ja. Op zogeheten machtsposities komen ook vrouwen voor. Doorgaans zijn zij in de minderheid. Voorbeelden zijn de aantallen vrouwelijke burgemeesters, kamerleden, leden van adviescolleges, e.d. De wegen die zij hebben moeten bewandelen zijn de gebruikelijke: zij hebben hun bekwaamheid gemanifesteerd en zijn gekozen of benoemd.

52 Ja. Onder «macht» wordt in deze nota door het kabinet immers verstaan: het feitelijk in staat zijn de gedragsalternatieven van anderen te beïnvloeden alsmede invloed op de maatschappelijke besluitvorming uit te oefenen. Machtsposities bekleed door mannen blijven machtsposities, ook wanneer vrouwen van hun potentiële macht afzien.

53 In deze context wordt gedoeld op het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting.

54 De rechtspositie van deeltijdwerkers is in een afzonderlijke nota (Tweede Kamer 18751, nr. 1) aan de orde gesteld. In de nota «Combinatie ouderschap en betaalde arbeid» zal ingegaan worden op verlofregelingen.

55 Voorbeelden hiervan zijn de rijksbijdrageregeling emancipatiewerk en de subsidieregelingen voor projecten emancipatiewerkers en regionale vrouwenemancipatiesteunpunten, de instelling van de Stimuleringsgroep Emancipatie-onderzoek, de regeling Startfaciliteiten vrouwenbedrijven.

56 De burgers op wie de lokale overheid zich richt zijn tevens de burgers voor wie het landelijk overheidsbeleid is bestemd. Van een andere emancipatiegezindheid kan daarom, over het gehele land gemeten, geen sprake zijn.

De verwachting is dat naarmate de materiële voorwaarden en de organisatie van het emancipatiebeleid beter afgestemd zijn op de doelstellingen, i.h.a. ook de lagere overheden bereid en in staat zullen zijn tot het voeren van een emancipatiebeleid. Afhankelijk van de plaatselijke politieke constellatie zullen er meer of minder overeenkomsten zijn met de in het regeringsbeleid uitgezette lijn.

57 Een interdepartementale werkgroep is bezig met het inventariseren van reeds in gang gezette activiteiten rond positieve actieplannen op diverse terreinen. Tevens wordt bekeken hoe en op welke terreinen de ontwikkeling van positieve actieplannen gestimuleerd kan worden, teneinde tot een samenhangend beleid te komen. Over de termijn is nog geen uitspraak te doen.

58 De overheid kiest in dezen voor een stimuleringsbeleid. Ten aanzien van de inhoud van positieve actieplannen is een grote mate van bereidheid en vrijheid gewenst. Hieruit volgt dat ik vooralsnog geen voorstander ben van dwingende voorschriften. Dit neemt niet weg dat te zijner tijd bekeken zal worden in hoeverre het gevoerde beleid aanvulling behoeft.

59 De stand van zaken is in Hoofdstuk 11.2 aangegeven. De in maatregel 3 op pag. 30 genoemde activiteiten, met name het uitbrengen van een brochure en het houden van een studiedag, zijn uitgevoerd. Mede aan de hand van de resultaten van de studiedag, waarvoor veel belangstelling bestond, wordt verder beleid inzake stimulering van positieve actieplannen in arbeidsorganisaties voorbereid. Zie voorts het antwoord op vraag 58.

60, 61, 62 en 63 Het onderzoeksproject gericht op het ontwikkelen en invoeren van positieve actieplannen dat per 1 november 1984 van start is gegaan, wordt uitgevoerd binnen twee proeftuinen bij de rijksoverheid en in een proeftuin bij een gemeente. In die betreffende dienstonderdelen is dus al een start gemaakt met het opzetten van positieve actieplannen. Het werken met streefcijfers kan een onderdeel vormen van de betreffende plannen. Aan de hand van de resultaten van dit onderzoeksproject zal bezien worden hoe nader vorm kan worden gegeven aan het toepassen van het instrument «Positieve actie». Ten aanzien van de deelname van vrouwen aan het openbaar bestuur ligt een eerste verantwoordelijkheid bij de politieke partijen. Zij zullen, ieder binnen hun eigen partij, zelf zorg moeten dragen voor de wijze waarop een en ander gestalte wordt gegeven.

64 Nee. De commissie heeft nog niet voldaan aan het gestelde in de instellingsbeschikking hieromtrent.

65 Wetenschappelijkheid hangt niet af van de mate waarin men positief dan wel negatief ten opzichte van het te onderzoeken object staat. Het is gebruikelijk dat in literatuursbestanden alle relevante literatuur wordt opgenomen.

66 In het algemeen geschiedt beïnvloeding door informatie, argumentatie en overtuiging, in het bijzonder wanneer een en ander afkomstig is van een gezaghebbende bron. De Stimuleringsgroep Emancipatieonderzoek is ingesteld om het belang van emancipatieonderzoek in de daartoe geëigende kaders aan de orde te stellen.

67 Van een garantie vooraf is geen sprake. Emancipatieonderzoek kan deel uitmaken van de onderzoeksprogrammering: de mate waarin gelden besteed worden aan emancipatieonderzoek hangt af van de relatieve prioriteit t.o.v. andere beleidsterreinen. De criteria «directindirect dienstbaar» zijn nog onvoldoende uitgekristalliseerd om hierover uitspraken te doen. De stimulering van emancipatieonderzoek is gericht op beide: vergroten van de aandacht voor emancipatieonderzoek in strikte zin en het waar mogelijk meer emancipatie relevant maken van algemeen onderzoek.

68 Subsidieverstrekking leent zich niet zeer goed voor effectmeting daar moeilijk kan worden aangegeven welke effecten precies kunnen worden toegeschreven aan de gesubsidieerde activiteiten, noch welke effecten al dan niet precies zouden zijn opgetreden indien geen of juist meer subsidie zou zijn verstrekt. Wel wordt het subsidiebeleid onderworpen aan, meer globale, evaluatie. Op dit moment wordt het subsidiebeleid dat door mijn ambtsvoorgangsters en mij tot nu toe is gevoerd, uitvoerig geëvalueerd. Dit geschiedt mede met het oog op het te voeren gecoördineerde interdepartementale subsidiebeleid waarin het beleidsplan voorziet.

69 De besteding van de middelen, die op de afzonderlijke departementen in toenemende mate zullen worden aangewend voor subsidieverlening, zal plaatshebben op basis van interdepartementaal overleg en in onderlinge afstemming. Hiermee wordt enerzijds beoogd te voorkomen dat er voor subsidieverzoeksters een ondoorzichtig geheel van subsidiemogelijkheden ontstaat, terwijl anderzijds wordt beoogd het subsidiebeleid een zo efficiënt mogelijk middel van het interdepartementaal emancipatiebeleid te doen zijn.

70 Met deze zinsnede wordt tot uitdrukking gebracht dat het streven is gericht op versterking van de relatie tussen het subsidiebeleid en de doeleim den van het emancipatiebeleid als facetbeleid. Op de afzonderlijke departementen zullen in toenemende mate middelen hiertoe worden aangewend. Bij de besteding van deze middelen zal zorg worden gedragen voor de onderlinge afstemming en samenhang.

71 De afstemming van het subsidiebeleid op de doeleinden van het interdepartementale emancipatiebeleid zal geen gevolgen hebben voor de voorwaarden, waaronder thans projecten worden gesubsidieerd. Wel kan bedoelde afstemming een rol spelen bij het beantwoorden van de vraag of en zo ja op welke wijze er een beleidsmatig vervolg dient te worden gegeven aan gesubsidieerde projecten.

72 Deze blijkt uit de doelstelling van het COC te weten: -het bevorderen van maatschappelijke hervormingen, opdat discriminatie van homoseksuele mannen en vrouwen onmogelijk wordt; -het bevorderen van persoonlijke emancipatie door het stimuleren van de bewustwording omtrent de eigen en maatschappelijke situatie (en de relatie daartussen) ten aanzien van homoseksualiteit en man/vrouwrollen.

73 De eindrapportages en de daarbij behorende voorstellen van de deelprojecten Vrouw en werkgelegenheid en Vrouwenhulpverlening zullen mij in het begin van 1986 bereiken.

Het is mijn voornemen de Kamer omtrent mijn conclusies naar aanleiding daarvan in de loop van het 1e halfjaar van 1986 in te lichten. Het deelproject vrouwen en minderhedenbeleid zal, omdat dit geplaatst is in het kader van de minderhedennota, in de loop van 1987 worden afgerond.

74 Op dit moment worden verschillende onderzoeken gedaan ter evaluatie van onderdelen van het subsidiebeleid, zoals dit in het kader van het emancipatiebeleid is gevoerd door mijn ambtsvoorgangsters en mij. Naar verwachting zullen op basis van de resultaten van deze onderzoeken maatregelen kunnen worden getroffen die onder meer de samenhang en afstemming zullen bevorderen. Voorts zullen voorzieningen nodig zijn in de ambtelijke organisatie ter verzekering en bevordering van de samenhang en afstemming. Aan Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid zal worden voorgesteld een werkgroep in te stellen die zich met het interdepartementale subsidiebeleid bezighoudt. Binnen de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid van het departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is inmiddels reeds een functie gecreëerd die erop is gericht beleid te ontwikkelen ten behoeve van de samenhang en afstemming binnen het subsidiebeleid.

75 De projecten emancipatiewerker zullen voor de periode na 1987 in ieder geval een vervolgbeleid krijgen in die zin dat de dan opgedane ervaringen in de beleidsontwikkeling zullen worden verwerkt. \Of dit zal inhouden dat de functie emancipatiewerker zoals deze thans bestaat, zal blijven bestaan, kan op dit moment niet worden overzien.

76 De activiteiten van vrouwengroepen bestrijken een breed scala van thema's en terreinen. Voorbeelden daarvan zijn de positie van oudere vrouwen, eetverslavingsproblemen, de toegang tot de arbeidsmarkt.

77 Uit evaluatiegegevens blijkt, dat de cursussen ruimschoots aan de doelstelling beantwoorden.

78 Vanaf 1980 is regelmatig een budget beschikbaar gesteld waarop vrouwenorganisaties een beroep kunnen doen voor de subsidiëring van landelijke kadertrainingen. Sinds 1982 maakt dit beleidsitem onderdeel uit van het rijksprogramma sociaal-cultureel werk van het ministerie van WVC.

79 Bedoeld bedrag ad f800 000 op de WVC begroting is slechts het bedrag dat in het kader van eenmalige emancipatiesubsidies ter beschikking staat van de WVC Emancipatie Stuurgroep (WES). Bij WVC wordt óók uitgegaan van het gegeven dat emancipatiebeleid facetbeleid is. Daarom is er in de WVC begroting dan ook naast genoemde post eenmalige WES-subsidies en de (specifieke) Tijdelijke Stimuleringsregeling emancipatiewerk geen uitsplitsing gegeven van gelden die bijvoorbeeld via de reguliere subsidiekanalen ten behoeve van voorzieningen respectievelijk andere budgetten met een algemeen doel aan emancipatiezaken en/of vrouwenhulpverlening worden besteed, ter zake van onderzoek, voorlichting, deskundigheidsbevordering, documentatie en in stand houden van voorzieningen.

80 Zie het antwoord op vraag 28 en 127.

81 Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de memorie van toelichting bij de begroting van het departement van Binnenlandse Zaken. Hierin wordt jaarlijks gerapporteerd over de uitvoering van het departementale emancipatieplan waarbij per actiepunt een stand van zaken wordt gegeven.

82 Met de zinsnede «een recht op de helft van het inkomen van de partner» wordt de opvatting aangeduid dat het voor de emancipatie niet nodig is ernaar te streven dat iedere volwassene in staat is d.m.v. deelneming aan de betaalde arbeid een zelfstandig recht op inkomen te verwerven, maar dat een gedeelde zeggenschap over het gezamenlijk inkomen van twee partners, ook als dat door een van beiden verdiend wordt, voldoende is.

83 Het is moeilijk van te voren te schatten welke effecten een verhoging van de participatie van vrouwen aan betaalde arbeid heeft op de uitgaven voor gezondheidszorg. Klachten met betrekking tot de gezondheid die uit de positie van huisvrouwen voortkomen zullen waarschijnlijk dalen, hetgeen een kostenbesparend effect kan betekenen.

84 Momenteel wordt vanuit het Directoraat-Generaal voor de Volksgezondheid in overleg met het CBS een nadere analyse voorbereid van het materiaal van de «Gezondheidsenquête». Verschillen in medische klachten en medische consumptie tussen vrouwen met en zonder kinderen, wel/niet buitenshuis werkend zullen worden nagegaan.

85 Een absolute definitie van toereikendheid van een «kindertoeslag» valt niet te geven. De vormgeving van de huidige regeling, de aanvullende arbeidstoeslag, die bij de invoering van de derde fase van de Tweeverdienerswetgeving is geïntroduceerd, moet binnen het kader van die wetgeving worden beschouwd. In dat verband werd deze tegemoetkoming voldoende geacht om de relevante draagkrachtverschillen te vergelden.

86 Een cijfermatige concretisering, die mede op de toekomst is gericht, valt niet te geven. Wél kan uit de ontwikkelingen in houding ten opzichte van beroepsarbeid en financiële zelfstandigheid worden opgemaakt dat de groep vrouwen die daadwerkelijk in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien dan wel zich daartoe bereid verklaart gestaag groeit. Daarop is ook de in bijlage IV opgenomen vooruitberekening van het arbeidsaanbod van gehuwde vrouwen gebaseerd. Bij een dergelijke snelle ontwikkeling die gegeven de huidige arbeidsmarktvooruitzichten, niet in alle gevallen tot daadwerkelijke arbeidsparticipatie zal kunnen leiden is het niet doenlijk om een nauwkeurige opsomming te geven van categorieën en aantallen van wie een dergelijke arbeidswens niet is te verwachten. Deze keuze zal in het beleid worden gerespecteerd, tenzij sprake is van een beroep op een werkloosheidsuitkering en voor de betreffende vrouwen qua opleiding, leeftijd en gezinsverplichtingen geen belemmeringen voor beschikbaarheid voor passende arbeid bestaan.

87 Zie antwoord op vraag 28.

88 Voor de arbeidstijdverkorting tot 36 uur, gelet op de tot nu toe bereikte akkoorden, geen nominale looninlevering verwacht. Bij een verdergaande

arbeidsduurverkorting zal vermoedelijk een nominale looninlevering plaatsvinden. De verwachting is echter dat deze nominale looninlevering niet zodanig zal zijn dat het inkomen uit arbeid beneden het sociaal minimum voor alleenstaanden (ouders) komt.

89 Aan de vormgeving van de arbeidsduurverkorting zijn geen minimum-voorwaarden gesteld. Wel wordt aandacht gevraagd voor de emancipatoire aspecten van verschillende vormen van arbeidsduurverkorting. Zie ook het antwoord op vraag 91.

90 Zie antwoord op vraag 28.

91 Zoals bekend voert het kabinet een voorwaardenscheppend beleid op dit terrein. Invulling en vormgeving van arbeidsduurverkorting zijn zaken die in de eerste plaats tot de verantwoordelijkheid van de sociale partners behoren.

92 Binnenkort zal het Wetsvoorstel onbetaalde arbeid voor uitkeringsgerechtigden (WOAU) aan de Kamer worden aangeboden. De daarin voorgeschreven toetsingsprocedure door regionale toetsingscommissies biedt een goede garantie tegen verdringing van reguliere arbeid. Dit blijkt mede uit de ervaringen die nu reeds met de toetsingscommissies zijn opgedaan.

93 Het eerste doel is om de eerste tranche van arbeidsduurverkorting (-10%) te realiseren. Wanneer dat bereikt is kan worden bezien of en zo ja hoe, er volgende stappen genomen moeten worden. Dit betekent geenszins dat er van verdere stappen wordt afgezien, maar dat er een moment van afweging is aangebracht tussen de eerste en volgende fasen. Het onderscheid in verschillende stappen is aangebracht op grond van overwegingen van sociaal-economische aard en van de behoefte aan duidelijker inzicht in de effecten van arbeidsduurverkorting. De mogelijkheid om van arbeidstijdverkorting te worden uitgezonderd geldt in principe voor alle deeltijdwerkers, maar met name voor hen met een werktijd van 32 uur of minder. Dit laatste merk ik op naar aanleiding van de motie-Beckers, waarin de uitzondering voor die categorie deeltijdwerkers wordt gevraagd.

94 Van een beleid gericht op verkorting van de gemiddelde werkweek kan niet zonder meer effect worden verwacht ten aanzien van de herverdeling van betaald en onbetaald werk over mannen en vrouwen. In het kader van de Projectgroep Herverdeling van werk wordt momenteel een studie verricht naar de wijze waarop de overheid herverdeling van onbetaald werk kan bevorderen.

95 Gegeven de uitkomsten van het overleg tussen de sociale partners in 1985, is enige voorzichtigheid geboden inzake uitspraken over de termijn waarop de 36-urige werkweek kan worden bereikt. In enkele CAO's zijn al afspraken gemaakt over een generieke ADV van 10%, te bereiken in 1986 of 1987. In 15 CAO's (550 000 werknemers) is afgesproken een studie te verrichten naar de gevolgen van de tot nu toe ingevoerde arbeidsduurverkorting en naar mogelijke volgende stappen. Deze voorzichtigheid betekent echter geenszins dat onder de «eerstkomende jaren» iets anders moet worden verstaan dan de korte termijn.

96 Over het overleg met de sociale partners is uitvoerig gesproken in de UCV over deeltijdarbeid op 20 mei jl. Daarbij is aangegeven dat overleg eerst plaatsvindt na afronding van het DCA-onderzoek naar de rechtspositie van deeltijdwerkers.

97 Hiervoor kan worden verwezen naar de mededelingen gedaan in de UCV over deeltijdarbeid op 20 mei jl.

98 en 99 Vrijwel alle ministeries maken gebruik van de mogelijkheid een of meer extra functionarissen aan te stellen ten behoeve van de verdere ontwikkeling van het beleid inzake arbeidsduurverkorting. Deze functionarissen vervullen vaak zeer verschillende functies, al naar gelang de specifieke behoeften van hun departementen. Het lijkt mij niet wel doenlijk de Kamer te informeren over de werkzaamheiden van individuele ambtenaren.

100 De 32-uursmaatregel heeft betrekking op 30% van de volletijdfuncties. Het staat departementen vrij daar ongeacht welke functies voor aan te wijzen. De suggestie met name te denken aan functies waarvoor geen werkervaring vereist is, werd gedaan om arbeidsmarktredenen: sollicitanten mét ervaring die doorgaans afkomstig zijn uit een volletijdbaan, zouden ten gevolge daarvan een substantiële inkomensteruggang ondervinden. Daarom wordt voor de 32-uursmaatregel vooral gedacht aan die functies die vervuld kunnen worden door nieuwkomers op de arbeidsmarkt voor wie die inkomensachteruitgang niet geldt. Overigens sluit dat niet het tot stand komen van deeltijdarbeid in ervaring vereisende functiecategorieën uit.

101 en 102 De eerste vraag kan dezerzijds bij gebrek aan informatie niet worden beantwoord. Over de totale ontwikkeling van deeltijdarbeid bij de ministeries wordt de Kamer jaarlijks geïnformeerd door middel van de brochure «Deeltijdarbeid». Op dit moment vindt evaluatie plaats van de 32-uursmaatregel en van de onderdelen van het jeugdwerkplan. Er wordt naar gestreefd begin november aan u te kunnen rapporteren over de bevindingen. Op dit moment zijn nog onvoldoende gegevens binnen om een indruk van de resultaten te geven.

103 Er is een bedrag van 0,7 miljoen in de begroting opgenomen voor de jaren 1984, 1985 en 1986. In 1986 zal de regeling geëvalueerd worden. Ik acht het gewenst om met betrekking tot de regeling eenzelfde einddatum aan te houden als voor de andere subsidie-instrumenten die in het kader van het deelproject Vrouw en Werkgelegenheid zijn uitgezet; deze lopen alle eind 1986 af.

104 Er is geen vast bedrag ter beschikking gesteld aan starters, het betreft hier (de RZ-regeling) een openeindfinanciering. Het is derhalve niet mogelijk om de 0,7 miljoen ten behoeve van vrouwenbedrijven in een percentage van het totale beschikbare bedrag uit te drukken.

105 Het kabinet tracht deze overvleugeling af te remen door maatregelen die gericht zijn op doorbreken van de seksesegregatie niet automatischer in twee richtingen toe te passen. Zo worden wel vrouwen gestimuleerd om in traditionele mannenberoepen te werken, onder andere door middel van voorlichting en scholingsmaatregelen, maar worden geen extra faciliteiten

beschikbaar gesteld voor scholing van mannen in traditionele vrouwenberoepen. Wettelijke maatregelen worden niet overwogen.

106 In het scholingsbeleid wordt de deelname van vrouwen met name gestimuleerd in opleidingen voor sectoren waarin groei van werkgelegenheid wordt verwacht, bijvoorbeeld de informaticaberoepen. Met betrekking tot het ambacht en de kleine nijverheid draagt SoZaWe 50% bij in de subsidiëring van het experiment Vrouw in het Ambacht, waarvoor bij het Hoofdbedrijfschap Ambachten een promotor is aangesteld. Haar taak is te bevorderen dat met name in technische beroepen in ambacht en kleine nijverheid meer leer-en arbeidsplaatsen door meisjes en vrouwen worden bezet.

107 Onder evenredig bereik versta ik in principe een evenredige toepassing van maatregelen op de bij het Gewestelijk Arbeidsbureau ingeschreven mannen en vrouwen. Het is echter wel zo dat voor projecten, b.v. voor herintredende vrouwen, onder meer geworven wordt via advertenties, vrouw-enwerkwinkels, affiches en infomarkten, waardoor de groep niet-geregistreerde werkzoekende vrouwen ook bereikt wordt.

108 Het ARBVO-beleid is erop gericht om naast en in aanvulling op het werkgeversgericht werken, de arbeidsmarktpositie van bepaalde aanbodscategorieën te verbeteren. In een aantal beleidsplannen 1985 van GAB's wordt ten onrechte aanbodgericht werken per definitie in strijd geacht met het marktgericht werken. De 10% ten behoeve van herintreedsters bijvoorbeeld zal in de praktijk deels samenvallen met het beleid gericht op vraagvervulling, maar kan ook (deels) de vorm krijgen van specifieke activiteiten waarbij het arbeidsmarktdoel minder direct wordt gediend. Onder meer is de onder punt 4 bedoelde campagne erop gericht het beleid ten aanzien van vrouwen toe te lichten en misverstanden dienaangaande uit de weg te ruimen.

109 Ja. De directeuren van de (G)AB's zijn over deze beslissing ingelicht, waardoor de bestedingsplannen tijdig kunnen worden gemaakt en in de concept-gewestelijkebeleidsplannen voor 1986 opgenomen. Deze conceptbeleidsplannen worden op centraal niveau gecontroleerd op de aanwezigheid van alle centrale beleidsdoelstellingen ten aanzien van de doelgroep vrouwen.

110 Op dit moment zijn de kwantitatieve en kwalitatieve effecten van de «2000gld-extraregeling» voor meisjes nog niet bekend. Gegevens hierover zijn september 1986 beschikbaar. De Regering vraagt binnenkort advies aan de SER, Emancipatieraad en de Raad voor het Jeugdbeleid over de positie van meisjes waarbij ook voor dit punt aandacht wordt gevraagd.

111 In het Beleidsplan wordt gesproken over middelbare en hogere functies. Waar het deeltijdarbeid betreft moet vooral gedacht worden aan functies vanaf schaal 12 BBRA.

112 Door de Rijks Psychologische Dienst is onlangs verslag van een onderzoek naar het effect van de vrouwvriendelijke zin in (verzamel-)advertenties

uitgebracht. Dit verslag zal worden besproken met de directeuren van de departementale personeelsdiensten. Hierbij zal worden bekeken of de huidige zin vervangen dient te worden door een zin waarin wordt gesteld dat in functies waar vrouwen zijn ondervertegenwoordigd bij gelijke geschiktheid de voorkeur zal worden gegeven aan een vrouw.

113 Met de invoering van de motie-Kosto is in de rijksdienst eind 1980 gestart. Tussen 1 januari 1981 en 1 januari 1985 is het aantal vrouwen binnen de rijksdienst toegenomen van 20,6% tot 23,2%. Naar mag worden aangenomen zal dit mede een gevolg van de uitvoering van deze motie zijn. In het ClER-advies «Werving en Selectie» dat in juli 1984 door de minister van Binnenlandse Zaken aan zijn ambtsgenoten is toegezonden met het verzoek genoemd advies in het departementale wervings-en selectie-beleid te laten doorwerken, wordt gesteld dat aan de gebruikelijke interpretatie van de voorkeursbehandeling de voorkeur wordt gegeven maar dat in bepaalde situaties waarin sprake is van een volstrekt eenzijdige samenstelling van een afdeling en/of dienst in combinatie met een traditioneel eenzijdige samenstelling van het aanbod (bv. technische functies) van dit principe worden afgeweken.

114 Betwijfeld kan worden of flexibele vormen van arbeid altijd de combinatie met verzorgende taken mogelijk maken. Veelal is het aanbod van werk bepalend en niet de situatie waarin de betrokken vrouw zich bevindt. Voor vrouwen die hun werk combineren met verzorgende taken is het in organisatorische zin extra problematisch als niet van te voren de werktijden, c.q. de hoeveelheid arbeid bekend zijn.

115 Onlangs is binnen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een werkgroep gestart die zich bezighoudt met rechtspositionele knelpunten bij flexibele vormen van arbeid. Zij zal onder andere een onderzoek laten verrichten naar de aard en omvang van het gebruik van flexibele vormen van arbeid. Op basis hiervan alsmede op basis van reeds bekende gegevens zal de werkgroep beleidsvoorstellen ontwikkelen. Daarnaast blijft binnen het reguliere beleid aandacht gericht op de versterking van de arbeidsmarktpositie van vrouwen in het algemeen om te voorkomen dat de banen in de marge van de arbeidsmarkt aan vrouwen blijven/worden toebedeeld.

116 In de UCV van 20 mei jl. zijn hierover afspraken gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 96.

117 In de aangekondigde voorstellen tot reparatie van de Wet Gelijk loon voor vrouwen en mannen en de Wetten Gelijke behandeling van mannen en vrouwen wordt gezien in diverse verbeteringen in de procedure bij adviesaanvragen aan de nieuwe Commissie Gelijke Behandeling, die in de plaats zal komen van de beide bestaande commissies (die voor de burgerlijke openbare dienst en die voor de particuliere sector). De laatstgenoemde commissie, die de meeste adviesaanvragen over gelijk loon ontvangt, is momenteel reeds doende haar adviesprocedure te stroomlijnen om sneller tot uitspraken te kunnen komen. Vermelding verdient ook dat voor wat betreft de aanspraken op gelijkloon voor gelijk werk het voornemen bestaat, schrapping voor te stellen van artikel 16, lid 1 van de Wet Gelijk loon voor vrouwen en mannen. De bepaling verplicht de werknemer, die een vordering op grond van de Wet Gelijk loon voor vrouwen en mannen bij de rechter aanhangig wil

maken, daarbij een advies van de Commissie Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen over te leggen. Schrapping van deze verplichting kan in voorkomende gevallen tot een niet onaanzienlijke versnelling van de procedure leiden. Opgemerkt dient te worden dat werknemer, werkgever en de met de beslissing op hun geschil belaste rechter altijd het advies van de Commissie zullen kunnen vragen.

118 Het voorhanden zijn van voldoende kinderopvang mogelijkheden in diverse vormen strookt met een stimulerend emancipatiebeleid. Het kabinetsbeleid inzake kinderopvang komt hieraan tegemoet. Het omvat immers zowel het middels rijksbijdrageregelingen financieren van kinderopvangvoorzieningen op lokaal niveau, als het beschikbaar stellen van middelen in de fiscale sfeer waardoor ouders met kinderen beneden de 12 jaar in staat worden gesteld die maatregelen te treffen met betrekking tot kinderopvang die aansluiten bij hun eigen wensen en behoeften.

119 Kinderopvangvoorzieningen omvatten een breed scala aan mogelijkheden variërend van peuterspeelzalen en kinderdagverblijven tot meer recent onstane vormen van opvang zoals bijv. gastouderprojecten. Het kabinet schept met het huidige beleid inzake kinderopvang de voorwaarden waardoor ouders in staat worden gesteld die vorm van kinderopvang te realiseren die aansluit bij eigen behoeften en wensen.

120 en 121 Naar aanleiding van het regeringsstandpunt inzake kinderopvang is met de departementen overleg gestart over de wijze waarop de financiering van kinderopvangvoorzieningen bij rijksoverheidsinstellingen gerealiseerd zou kunnen worden. Dat overleg, op basis van een inventarisatie van de ideeën en wensen die bij de departementen ten aanzien van dit punt leven, is op dit moment nog niet afgerond. De omvang van de kosten en de wijze van financiering zijn derhalve nog onderwerp van interdepartementaal overleg.

122 Neen. Eind 1985 verschijnt het eindrapport van het project «Vrouw, arbeid en gezin» van het Sociologisch Instituut v/d Rijksuniversiteit Groningen. Het project betreft een longitudinaal onderzoek naar vrouwen werkzaam in mannenberoepen. Enkele onderzoeksgegevens uit het rapport zullen betrekking hebben op uitstroom van een deel van de onderzochte groep vrouwen uit de mannenberoepen waarin zij bij de start van het onderzoek werkzaam waren (1980).

123 Eind 1985 verschijnt het laatste rapport van het project vrouw arbeid en gezin van het sociologisch instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. Het project is reeds gestart in 1980 en betreft een longitudinaal onderzoek naar vrouwen werkzaam in traditionele mannenberoepen. Belemmeringen in het arbeidsklimaat en stimuleringsmogelijkheden maken deel uit van het onderzoek. Ja.

124 In de standpuntbepaling «combinatie ouderschapbetaalde arbeid» die binnenkort aan de Kamer zal worden toegezonden worden voorstellen gedaan ter bevordering van de verdeling van huishoudelijke" en verzorgingstaken. (Zie ook het antwoord op vraag 127).

125 Het risico van budgetvervalsing en verdringing van betaalde door onbetaalde arbeid is een belangrijk aandachtspunt in het beleid. De regionale toetsingscommissies, (zie antwoord op vraag 92) hebben een belangrijke taak in het tegengaan van verdringing van reguliere arbeid.

126 Het gebrek aan gelijkwaardigheid van partners waaro hier wordt gedoeld heeft betrekking op de beperkte mogelijkheid van het combineren van verzorgingstaken en betaalde arbeid en een daaruit voortvloeiend verschil in mogelijkheden van maatschappelijke participatie van mannen en vrouwen. In de praktijk blijkt nog immer een zeer hoog percentage van de werkende vrouwen zich bij de geboorte van het eerste kind van de arbeidsmarkt terug te trekken. Uit onderzoek bij het Sociaal-en Cultureel Planbureau is gebleken dat 50% van de vrouwelijke bevolking van mening is dat betaald werk gelijkelijk moet worden verdeeld over man en vrouw en dat in 1981 44% van de ondervraagde huisvrouwen graag zelfs buitenshuis wil werken. Ook blijkt dat de tussen 1975 en 1980 toegenomen deelname van vrouwen aan betaalde arbeid gepaard is gegaan met een toename van de totale werkbelasting voor vrouwen. Van een daaruit voortvloeiend verschil in mogelijkheden van maatschappelijke participatie tussen mannen en vrouwen.

127 In het kader van de projectgroep Herverdeling van Werk is een werkgroep ingesteld die zich buigt over de mogelijkheden tot het stimuleren van herverdeling van onbetaalde arbeid.

128 Een nauwkeurige aanduiding kan niet gegeven worden maar globaal gezien zijn nogal wat stappen gezet in de richting van verzelfstandiging. Gedacht kan worden aan wijzigingen in de sfeer van de loon-en inkomstenbelasting (de z.g. tweeverdienerswetgeving) die geleid hebben tot een meer zelfstandige behandeling van de gehuwde vrouw. Hetzelfde geldt voor een aantal wijzigingen in de sfeer van de sociale zekerheid, zoals de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW en in de WWV en een pakket concept-wetsvoorstellen in het kader van een stelselherziening sociale zekerheid. Deze voorstellen impliceren wat de loondervingsfase betreft een volstrekt geïndividualiseerd systeem en met name ook het recht op een individuele vervolguitkering gedurende een jaar. Tevens wordt voorgesteld in de AAW bij samenloop van uitkeringen geen korting meer toe te passen (2x70% i.p.v. 2x50%). Hieruit blijkt dat in een aantal regelingen een geïndividualiseerd recht op uitkering is gerealiseerd c.q. wordt voorgesteld waar dat voorheen niet bestond. Voorts is in een aantal andere regelingen (loon-en inkomstenbelasting en AOW) een gelijke behandeling van mannen en vrouwen gerealiseerd die tot een meer zelfstandige behandeling van de gehuwde vrouw heeft geleid. Anderzijds zijn enige maatregelen doorgevoerd c.q. in voorbereiding die voortvloeien uit de gedachte dat een meer gelijke behandeling moet worden gerealiseerd tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden, die feitelijk in dezelfde sociale en economische omstandigheden verkeren. De achterliggende gedachte hierbij is dat behoefte en draagkracht niet bepaald worden door het al dan niet formaliseren van een samenlevingsverband, maar door de feitelijke situatie. Het betreft met name maatregelen in de fiscale sfeer en in de sfeer van de minimumbehoeftefunctie in de sociale zekerheid. Het doorvoeren van deze gelijke behandeling leidt er in de praktijk toe dat in meer situaties dan voorheen rekening wordt gehouden met het al

dan niet aanwezig zijn van een samenlevingspartner en met diens inkomenspositie.

129 Er wordt naar gestreefd het kabinetsstandpunt in dezen uiterlijk 1 januari 1986 aan de Kamer aan te bieden.

130 De besparende werking van een gezamenlijk huishouden komt voornameiijk voort uit de mogelijkheid om de vaste lasten zoals de woonlasten te delen. Ook andere kosten om in het huishouden te voorzien vallen veelal voor de alleenstaande hoger uit dan de helft van die kosten voor een leefeenheid. De exacte omvang van de besparende werking verschilt per huishouding.

131 In 1983 is aan de SER en ER advies gevraagd over de concept-richtlijn gelijke behandeling mannen en vrouwen in de beroepsregelingen van de sociale zekerheid (4e EG-richtlijn). Er is nog geen advies uitgebracht door deze instanties.

132 In tegenstelling tot de loondervingsuitkeringen WW en WWV, gaat het in de ABW om uitkeringen die voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan (b.v. de RWW). Deze laatste uitkeringen moeten worden geplaatst binnen de minimumbehoeftefunctie van het stelsel van sociale zekerheid en dienen uit dien hoofde te worden afgestemd op de per leefeenheid verschillende minimumbehoefte.

133 Zie antwoord op vraag 138.

134 Zie antwoord bij vraag 132.

135 Ja. De loondervingsuitkering en de daaraan gekoppelde vervolguitkering op minimumniveau biedt gedurende een periode die -net als bij mannen -in lengte afhankelijk is van de leeftijd, een garantie voor het behoud van economische zelfstandigheid op minimumniveau.

136 Het wetsvoorstel voor de WW kent individuele uitkeringsrechten toe ingeval van loonderving met een minimum van 70% van het netto mini-mumloon. Zowel tweeverdieners (b.v. een combinatie van deeltijdbanen) als alleenverdieners kunnen daarbij een beroep doen op de Toeslagenwet, wanneer het gezamenlijk inkomen beneden het voor de betrokkenen relevante sociale minimum daalt. Hiermee wordt in beide situaties eenzelfde minimuminkomensgarantie gehouden.

137 In de adviesaanvraag aan SER en ER met betrekking tot de stelselherziening sociale zekerheid wordt inderdaad de term «gezinstoeslagen» gebruikt. Daarvan is afgestapt om elke schijn, als zou er alleen recht op toeslag kunnen bestaan in meer traditionele gezinssituaties, weg te nemen. Met de voorstellen met betrekking tot de gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden wordt de mogelijkheid tot toeslagverlening in minder traditionele woon-en leefsituatie geopend.

138 Deze vraag is door het kabinet steeds bezien in verband met de vraag in hoeverre de nu voorgestelde Toeslagenwet een tijdelijk karakter heeft. Daarbij is het volgende van belang. Geconstateerd kan worden dat meer dan vroeger beide partners een aandeel hebben in het gezinsinkomen. Met de toename van de arbeidsdeelname van met name gehuwde vrouwen zal enerzijds de kans dat het gezinsinkomen tijdens loonderving onder het sociaal minimum zakt, afnemen en zullen anderzijds voor die vrouwen individuele uitkeringsrechten ontstaan. De behoefte aan toeslagen zal in een zelfde mate afnemen. Op den duur zal daardoor de Toeslagenwet een ander karakter kunnen krijgen. Door het in gang gezette proces van herverdeling van arbeid zal het namelijk tocht kunnen voorkomen dat als gevolg van loonderving, ondanks het feit dat de arbeidsdeelname van beide partners is toegenomen, het inkomen onder het sociaal minimum zakt. De Toeslagenwet kan dan soelaas bieden. Verder kan worden gedacht aan toeslagverlening in geval van verzorging van jongere kinderen. De bedoelde verandering in karakter van de Toeslagenwet zal onder andere kunnen blijken uit het stellen van aanvullende voorwaarden voor het recht op toeslag. Daarmee zou dan tot uitdrukking worden gebracht dat de arbeidsdeelname van beide partners zozeer uitgangspunt is, dat toeslagverlening ten behoeve van afhankelijke personen zonder meer niet langer voor de hand ligt. In dit kader moet de passage worden gezien, waarin wordt gesteld dat het denkbaar is voor de generatie van de beroepsbevolking die na 1990 18 jaar wordt, aan het recht op toeslag aanvullende voorwaarden te verbinden.

139 Dergelijke maatregelen worden voor een deel reeds getroffen in het onderwijsemancipatiebeleid en zijn te vinden in de 3e onderwijsemancipatienota die op 17 januari 1985 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Aan de Emancipatieraad, de Raad voor het Jeugdbeleid en de SER zal dit najaar een advies worden gevraagd over de maatschappelijke positie van meisjes/jonge vrouwen. In deze adviesaanvraag komen de terreinen werkgelegenheid, onderwijs, vrijetijdsbesteding en hulpverlening en de sociaal-culturele sector aan de orde.

140 Het toekennen van zelfstandige uitkeringsrechten betekent dat ook individueel aan de voorwaarden voor het recht op uitkering moet worden voldaan. Voorzover de uitkering vervangend inkomen verschaft en geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid is beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt een uitkeringsvoorwaarde, waaruit de bereidheid om in eigen inkomen te voorzien moet blijken.

141 In het antwoord op vraag 138 is aangegeven in welk kader de vraag met betrekking tot de verandering van het karakter van de Toeslagenwet, naar de mening van het kabinet, moet worden gezien. Overigens meent het kabinet dat ook een herzien stelsel van sociale zekerheid voortdurend dient te worden aangepast aan de maatschappelijke ontwikkelingen. In die zin beschouwt het kabinet de nu voorgestelde stelselherziening (die eveneens een aanpassing aan maatschappelijke ontwikkelingen betreft) als voorlopig.

142 In augustus en september 1984 is in de Bijzondere Commissie (meer specifiek: in de Werkgroep Algemeen) op basis van inventariserende en cijfermatige gegevens gesproken over de situatie van vrouwen op de onderwijsmarkt.

In de UCV van 6 mei 1985 is een toezegging herhaald, welke inhield dat over de positie van de vrouw op de onderwijsmarkt een nadere notitie zou verschijnen. De totstandkoming van deze notitie -toezending aan de Kamer was oorspronkelijk voorzien voor eind juni -is nog niet afgerond als gevolg van het feit dat herhaaldelijk nieuwe factoren alsnog in de notitie verwerkt moesten worden (te denken valt aan de te verwachten ADV).

143 De ontwikkeling van kennis en vaardigheden zoals die blijkens de op 28 februari jl. aan de Tweede Kamer aangeboden Rijksregeling en Raamplan Basiseducatie Volwassenen in de basiseducatie centraal staan zal met name ook aan vrouwen ten goede kunnen komen, zonder dat gevreesd hoeft te worden voor hoge(re) drempels.

144 Zoals op pag. 37 onder punt c expliciet staat vermeld, zal het nastreven van de doelstellingen geschieden met inachtneming van de terughoudende taak van de overheid met betrekking tot de inhoud van het onderwijs.

145 Ook in het emancipatiebeleid zal de overheid terughoudendheid ten aanzien van het bijzonder onderwijs niet overschrijden. Dit staat uitdrukkelijk aangegeven op pag. 37 onder c.

146 Het is u bekend dat scholengemeenschappen een aantal voordelen hebben in vergelijking met categorale scholen. Ik denk daarbij aan: uitstel definitieve schoolkeuze, verbetering overstapmogelijkheden naar andere schooltypen op de betreffende scholengemeenschappen en voordelen voor de emancipatoire aspecten. Dit is de reden voor de speciale aandacht voor de brede scholengemeenschappen. Een duidelijk voorbeeld van een brede scholengemeenschap is een scholengemeenschap met minstens twee L.B.O.-componenten (lager beroepsonderwijs) en een of meer A.V.O.-componenten (algemeen voortgezet onderwijs). Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan een scholengemeenschap LHNO-LTO-MAVO (later huishoudnijverheidsonderwijs, lagertechnisch onderwijs, middelbaar algemeen voortgezet onderwijs).

147 De besluitvorming omtrent maatregel 9 wordt meegenomen in de ontwikkeling van de projecten van het voortgezet hoger onderwijs die per 1 augustus 1987 zullen starten.

148 Het kabinetsbeleid inzake tweede kansonderwijs is er in het algemeen op gericht, dat het aanbod aan onderwijsvoorzieningen voor volwassenen optimaal aansluit bij de behoefte. Ik wijs in dit verband op het beleid inzake Open Universiteit en deeltijd-MBO, inzake lacunes met betrekking tot het beroeps-, het voortgezet" en het primair onderwijs voor volwassenen en op de beleidsvoornemens inzake de beroepseducatie voor volwassenen. Daarnaast is er sprake van het onderwijsretributiebeleid. Voorzover de uitwerking van dit beleid een onoverkomelijke financiële drempel zou vormen voor mensen met een geringe draagkracht, zullen deze voor de kosten van tweedekansonderwijs een beroep kunnen doen op het studiefinancieringsstelsel voor deeltijdstuderenden. Het is dus niet de bedoeling dat het retributiebeleid op gespannen voet staat met het beleid inzake tweedekansonderwijs, noch met het emancipatiebeleid.

149 Neen. Er is hier niet bedoeld een limitatieve opsomming te geven van mogelijke vormen van maatschappelijke participatie.

150 In de Rijksregeling Basiseducatie Volwassenen, op 27 februari jl. aan de Tweede Kamer aangeboden, wordt de mogelijkheid open gelaten dat een beperkt deel van het aan de gemeenten toegewezen budget wordt benut voor kinderopvang ten behoeve van de deelnemers aan de basiseducatie volwassenen, indien de gemeentelijke voorzieningen in dezen ontoereikend zijn. Van een post «overige kosten», die 60% bedraagt van de kosten voor cursusleiding en coördinatie, mag maximaal 5% voor de kinderopvang worden uitgegeven. In de concept-beleidsnota Beroepseducatie voor Volwassenen uitgebracht in mei 1985, is sprake van een soortgelijke regeling die deel zal uitmaken van de bekostiging van de beroepseducatie voor volwassenen.

151 Nee. Het gaat niet zozeer om de beroepsopleidingen als zodanig, maar om de wijze waarop het onderwijs wordt vormgegeven. Dit komt onder andere tot uiting in de gebruikte leermiddelen en de wijze waarop leerkrachten hun onderwijs inrichten.

152 Met (nog) betere anti-conceptie wordt bedoeld: -het bereikbaar maken van anti-conceptionele middelen voor iedereen -het leren omgaan met en onderscheiden/kennen van de diverse mogelijkheden tot anti-conceptie (bestaand of nog te ontwikkelen) door iedereen via voorlichting over voor-en nadelen ten aanzien van de gezondheid, alternatieven etc. (bevorderen keuzevrijheid) -zwangerschap en gezinsplanning tot een gezamenlijke verantwoordelijkheid van man en vrouw maken.

153 De specifieke problemen van vrouwen uit minderheden behelzen in hoofdzaak communicatieproblemen tussen cliënten en hulpverlening als gevolg van taalbarrières en wederzijds tekortschietende kennis van en inzicht in de cultuur. Aan deze problemen wordt aandacht geschonken in het kader van het project Vrouwen en Minderhedenbeleid (V.E.M.). Daartoe is een subgroep Gezondheidszorg van de projectgroep V.E.M, ingesteld.

154 Vrouwengezondheidscentra functioneren op plaatselijk niveau. Voor zover zij worden gesubsidieerd, gebeurt dit door de gemeentelijke overheid. Op het departement bestaat geen overzicht van de gemeenten waar inmiddels vrouwengezondheidscentra zijn opgericht.

155 De vrouwenhulpverlening richt zich uiteindelijk op integratie in de reguliere gezondheidszorg. Dit is een proces dat geleidelijk verloopt. Het deelproject «Vrouwenhulpverlening» is opgezet in het kader van het project staatssecretariaat emancipatiebeleid om een bijdrage te leveren aan deze integratie. In dat kader zijn, voor de tijdsduur van het deelproject, ook financiële middelen beschikbaar gesteld.

156 Een vast verschuivingspatroon van traditionele vrouwenklachten naar andere klachten is als zodanig niet waarneembaar. Wel is het zo dat

klachten tengevolge van emancipatoire veranderingen op een andere wijze beleefd en gepresenteerd kunnen worden. Dit betekent echter geenszins dat emancipatoire veranderingen noodzakelijkerwijs klachten oproepen.

157 Hulpverleners hanteren in de praktijk vooronderstellingen wat betreft vrouwelijkheid, die gekleurd zijn door het heersende normen-en waardenpatroon aangaande mannelijkheid en vrouwelijkheid. Bovendien blijkt er ontoereikende, dan wel onjuiste kennis omtrent vrouwen en vrouwenproblemen te bestaan. Vrouwengezondheidscentra en vrouwenhulpverleningscentra stellen zich ten doel deze sexistische elementen te elimineren. Zij proberen de deskundigheid bij vrouwen omtrent hun eigen problemen te bevorderen, alsmede zelfhulp te stimuleren. In de eigen hulpverleningspraktijk proberen zij te komen tot een op vrouwen toegesneden zorg, waarbij wordt getracht de hierbij verworven kennis en inzichten in bredere kring onder de aandacht van hulpverleners te brengen. De nadruk ligt hierbij op kennisoverdracht en het stimuleren van attitudeveranderingen. Tevens speelt de mondigheid van de patiënt, die door middel van voorlichting in vrouwenbladen wordt gestimuleerd, een belangrijke rol bij de verbetering van de hulpverlening voor vrouwen.

158 en 159 Op basis van het advies van de projectgroep Vrouwenhulpverlening zullen de staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en ik in het voorjaar van 1986 ons standpunt bepalen ten aanzien van het beleid dat dient te worden ontwikkeld als vervolg op het deelproject Vrouwenhulpverlening. Op dat moment zal ook duidelijkheid kunnen worden verschaft over de financiële onderbouwing van dat beleid.

160 In de voortgangsrapportage beleid ter bestrijding van sexueel geweld tegen vrouwen en meisjes wordt op diverse plaatsen gewag gemaakt van ondersteuning van initiatieven die zich -geheel of gedeeltelijk -bezig houden met hulpverlening aan slachtoffers van sexueel geweld. Voorbeeldsgewijs zijn te noemen: de experimenten sexueel geweld te Utrecht, Groningen en Amsterdam, het opvanghuis te Groningen ten behoeve van jeugdige incestslachtoffers, en de Stichting «Handen Thuis».

161 Via diverse wegen wordt de gevoeligheid bij hulpverlenende instanties voor de problematiek met betrekking tot het sexueel geweld tegen vrouwen en meisjes -i.c. vrouwenmishandeling -vergroot. Ik doel onder andere op de via Kodebel in gang gezette cursussen «geweld, gezin en huisarts» voor huisartsen, de deelname van hulpverlenende instanties aan samenwerkingsverbanden sexueel geweld en de aandacht die de media besteden aan sexueel geweld tegen vrouwen en meisjes. Verwacht mag worden dat een vergroting van de probleemgevoeligheid bij hulpverlenende instanties zal bijdragen tot een vroegtijdige herkenning van sexueel geweld ervaringen van cliënten en een adequate aanpak van de problematiek.

162 Najaar 1985 zal een onderzoek van start gaan naar het gebruik van gemeentelijke instrumenten op het terrein van de woonruimteverdeling. Daarbij zal onder andere de positie van vrouwen uit vrouwenopvangcentra aan de orde komen voor wat betreft: inschrijving als woningzoekende, bepaling van mate van urgentie, toewijzing van woonruimte en de afgifte van de woonruimtebeschikking.

Een tweede onderzoek zal zich richten op beantwoording van de vraag in hoeverre gemeenten -die geplaatst zijn op bijlage C van de gewijzigde woonruimtebeschikking -gebruik maken van hun bevoegdheden om de toegang voor mishandelde vrouwen tot de lokale woningmarkt te beperken. Dit onderzoek zal in de tweede helft van 1986 van start gaan. Naar verwachting zullen de resultaten hiervan voorjaar 1986 bekend zijn. Tot op heden hebben 4 gemeenten een verzoek ingediend bij de staatssecretaris van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor plaatsing op bijlage C van de gewijzigde woonruimtebeschikking.

163 Uithuisplaatsing van de dader van een strafbaar feit is op zichzelf geen maatregel die op grond van het Wetboek van Strafrecht of Strafvordering kan worden genomen. In hoeverre hieraan in het kader van de toepassing van de voorlopige hechtenis aandacht kan worden besteed, is een zaak die onderworpen is aan het oordeel van de rechter.

164 Het aanwijzen van vertrouwenspersonen en afhandelen van de klachten is een departementale zaak. Aan alle departementen is gevraagd binnen afzienbare tijd een voorziening te treffen. Voorzover bij Binnenlandse Zaken bekend is, zijn op enkele departementen (BiZa, L&V en WVC) formeel vertrouwenspersonen aangewezen. Op enkele departementen is het bedrijfsmaatschappelijk werk als meldpunt aangewezen (BuZa, O&W).

165 Vooralsnog wordt het niet noodzakelijk geacht de bestaande regelgeving aan te passen. Bestaande wetgeving kan goede aanknopingspunten bieden voor de bescherming van vrouwen die geconfronteerd worden met seksueel geweld op de werkplek. Te denken is hierbij aan enkele bepalingen in het Wetboek van Strafrecht en het Burgerlijk Wetboek, evenals aan de wetgeving op het gebied van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. In de komende tijd zullen deze mogelijkheden onder de aandacht gebracht worden o.a. via het opnemen daarvan in een nog te verschijnen brochure over seksueel geweld op het werkplek.

166 Er wordt t.a.v. de ontwikkeling van het beleid inzake seksueel geweld rekening gehouden met het sneeuwbaleffect in die zin dat er interdepartementaal overleg zal starten over de voortgang van dit in gang gezette beleid na 1986. Dit kan eventueel een intensivering van het beleid inhouden. Er is geen jaarlijkse verhoging van middelen voorzien. Indien meer financiële middelen nodig zijn voor het beleid ter bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes zal dat binnen de bestaande begroting moeten worden gevonden en zal er dus een afweging moeten plaatsvinden tussen verschillende belangrijke zaken op het gebied van emancipatie.

167 Voorbeelden van regelgeving op het terrein van ruimtelijke ordening en volkshuisvesting waarbij de emancipatiebenadering aan de orde is, zijn de Wet individuele huursubsidie, het Bouwbesluit, het Meerjarenplan Woningbouw, de Huisvestingswet. Deze onderwerpen zijn in het in januari 1985 aan de ER voor advies voorgelegde Beleidsplan Emancipatie VROM als actiepunten genoemd.

168 De Structuurschets Stedelijke gebieden (1984) biedt aanknopingspunten voor een sterkere functiemenging, bijvoorbeeld bij de keuze van bouwloka-

ties in en om de steden en aansluitend bij werkgelegenheidsconcentraties, alsmede bij de stadsvernieuwing (handhaven en stimuleren van kleinschalige bedrijvigheid). Ook bij de voorbereiding van de vierde nota Ruimelijke Ordening zal met emancipatieaspecten rekening worden gehouden.

169 In algemene zin is dit op het niveau van de rijksoverheid niet het geval.

170 Bedoeld wordt betaald werk. Zie voor het overige het antwoord op vraag 168.

171 Het beleid van het kabinet is erop gericht dat de economische ontwikkeling in groeikernen zoveel mogelijk in evenwicht is met het tempo van woningbouw in deze gemeenten.

172 Hiermee wordt gedoeld op de demonstratieprojecten herindeling en herinrichting stedelijk gebied in Eindhoven en Rijswijk, verricht in opdracht van de Ministeries van Verkeer en Waterstaat, Vorming Ruimtelijke Ordening en Volksgezondheid en Milieuhygiëne (lager VROM), afgesloten in april 1985.

173 Bedoeld wordt door vrouwen ervaren gevoelens van onveiligheid in bussen, trams en treinen en in de omgeving daarvan (stations, halteplaatsen, voetgangerstunnels, fietsenstallingen e.d.). Dit treedt met name op als gebruiksters de ruimte niet goed kunnen overzien en anderen evenmin zicht hebben op wat zich afspeelt. In voertuigen is soms onvoldoende bewaking aanwezig.

174 De rijksoverheid verleent alleen subsidie aan de Stichting Landelijk Contact VAC's. Uit het feit dat in het Beleidsplan geen uitspraak wordt gedaan over de periode na 1986 dient niet te worden afgeleid dat de intentie aanwezig is de subsidiëring te beëindigen.

175 Waarschijnlijk wordt gedoeld op streefpercentages voor het aantal vrouwen in commissies en adviesorganen. Quota of streefpercentages worden niet toegepast, maar overwogen als middel om de deelname van vrouwen aan dergelijke organen te stimuleren.

176 Over de problematiek vindt binnenkort een afzonderlijk mondeling overleg met de Kamer plaats.

177 In het Beleidsplan Emancipatie staat, dat bezien zal worden in hoeverre dit als voorwaarde kan worden gesteld bij de subsidiëring van woonconsumentenorganisaties. Gedacht kan dan worden aan enerzijds een betere toespitsing van de scholing en kennisoverdracht op de leerbehoeften van vrouwen, anderzijds zonodig aan een gerichte werving van vrouwen als doelgroep. Een en ander kan leiden tot aanpassing van het bestaande aanbod of het ontwikkelen van het specifiek op vrouwen gericht aanbod. Specifieke subsidies voor scholing en kennisoverdracht aan vrouwen worden toegekend aan de Stichting Landelijk Contact VAC's, de Stichting Vrouwen, bouwen en wonen en aan het project Vrouwen en Ruimtelijke Ordening van het NIROV.

178 De handelwijze hieromtrent van hypotheekverlenende instanties onttrekt zich grotendeels aan de waarneming van de rijksoverheid. Het voornemen bestaat te bezien op welke wijze hierover gegevens kunnen worden verzameld.

179 Het voorontwerp is enkele maanden geleden naar een aantal adviesorganen gezonden, die tot 1 oktober konden reageren. Na verwerking van de adviezen wordt de ontwerp-Huisvestingswet rond de jaarwisseling verwacht.

180 De ontwikkeling van deze brochure vormt een onderdeel van de uitvoering van het Beleidsplan Emancipatie VROM. Een tijdsplanning hiervoor is op dit ogenblik nog niet te geven.

181 In het kader van beleid ter bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes wordt onder veilige woonomgeving verstaan: een indeling van de openbare en semi-openbare ruimte die zodanig is dat gebruiksters de ruimte goed kunnen overzien en dat anderen eveneens zicht kunnen hebben op wat zich daar afspeelt. De betekenis van veilige woonruimte kan, vooral betekenis hebben voor het voorkomen van seksueel geweld.

182 Het stimuleren van deelname van vrouwen en meisjes aan mannenberoepen bevindt zich op het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in een beginstadium. Overleg wordt gevoerd met de Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf. In eerste instantie gaan de gedachten uit naar het opzetten van een leerling-bouwplaatsproject waaraan uitsluitend meisjes afkomstig uit reguliere opleidingen deelnemen.

183 Uit nadere inlichtingen betreffende problemen voor vrouwen uit minderheidsgroepen bij inschrijving bij GAB's en uit ervaringen bij de werkgelegenheidsprojecten kwamen de volgende knelpunten naar voren: het ontbreken van adequate beroepenvoorlichting en informatie over beroepsbeelden, waardoor relatief weinig aanmeldingen voor bepaalde beroepen werden gedaan, alsmede het ontbreken van op de doelgroep afgestemde werving voor schakelcursussen, scholings-en beroepsmogelijkheden. Momenteel wordt onderzocht op welke wijze de dienstverlening van GAB's beter kan worden afgestemd op vrouwen uit minderheidsgroepen. De Werkgroep VEM zal hieromtrent over enige maanden advies uitbrengen.

184 Het periodiek overleg met de landelijke overleggroepen van vrouwen uit minderheidsgroepen is enigszins geïntensiveerd en vindt nu 4 a 5 x per jaar plaats. Onlangs heeft het eerste uitgebreide overleg plaatsgevonden met vrouwen uit Molukse organisaties. Hun is gevraagd een overlegstructuur te vormen. Ten aanzien van de nog te ontwikkelen projecten (educatie, media/informatievoorziening) worden de vertegenwoordigers van vrouwengroepen in een eerdere fase geraadpleegd. Daarnaast wordt ook aan vrouwen, die professioneel betrokken zijn bij bepaalde sectoren waarop de projecten gericht zijn, advies gevraagd.

Tenslotte zijn, samen met vrouwen uit minderheidsgroepen, twee studiebijeenkomsten georganiseerd ter voorbereiding van het project media/informatievoorziening.

185 Vrouwen uit minderheidsgroepen worden in een eerdere fase in de gelegenheid gesteld mee te denken en ideeën aan te leveren ter voorbereiding van de projecten. Bovendien wordt bij de follow-up meer rekening gehouden met wensen van vrouwen uit minderheidsgroepen. Zo zal de tweede cyclus schakelcursussen in het kader van de werkgelegenheidsprojecten worden uitgebreid naar de sector ziekenverzorging.

186 Daar waar dit een probleem bleek n.l. bij de drie textielcoöperaties, is een extra financieel aanbod gedaan ten behoeve van de kinderopvang.

187 In 1983 heeft het kabinet na overleg met de Kamer het beleid ten aanzien van verlenging van verblijfsvergunningen aan buitenlandse vrouwen vastgesteld. Het ziet geen aanleiding dit beleid te wijzigen.

188 Hier wordt gesproken over de beeldvorming van de vrouw in een achtergestelde en traditionele positie.

189 Mogelijkheden tot het stimuleren van VN-instellingen om de belangen en behoeften van vrouwen in ontwikkelingslanden te integreren in hun beleid, worden gevonden in een aantal praktische maatregelen. Deze behelzen: -het per organisatie instellen van een zogenaamd «focal point» voor vrouwenactiviteiten (of het aanstellen van vrouwencoördinatoren). -het regelmatig rapport laten uitbrengen aan de beheersraden van de diverse instellingen over het tot stand komen van procedures of evaluatieschema's met betrekking tot het beleid inzake vrouwen en ontwikkeling. -het opnemen van gegevens met betrekking tot programma's en beleid ten aanzien van vrouwen in ieder middellangetermijnplan van elke instelling, -het steunen van het VN-ontwikkelingsfonds voor vrouwen (voorheen Vrijwillig Fonds voor het VN-Decennium voor de Vrouw) in haar innoverende en cataiyserende rol. Aangezien de regering vertegenwoordigd is in diverse beleids-en beheersorganen van VN-instellingen, kan op bovengenoemde punten invloed uitgeoefend worden door in samenwerking met andere landen de noodzaak van dergelijke maatregelen in de diverse beleidsplannen te laten opnemen. Zo is de Secretaris-Generaal van de VN verzocht binnenkort een systeemomvattend middellangetermijnplan op te laten stellen inzake vrouwen en ontwikkeling.

190 Het Internationale Jaar van de Vrouw in 1975 heeft in Nederland ook geleid tot aandacht voor vrouwenemancipatie in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Van 1975 tot 1980 is het ontwikkelingsbeleid met betrekking tot vrouwen vooral gericht geweest op beleidsvoorbereidende en beleidsondersteunende maatregelen. In 1980 is op meer systematische wijze inhoud gegeven aan het beleid met betrekking tot vrouwen en ontwikkeling in de notitie «Vrouwen in Ontwikkelingssamenwerking» (Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16400 hoofdstuk V, nr. 9). Na 1980 is naast verdere beleidsontwikkeling meer de nadruk gelegd op de uitvoering en uitwerking van dit beleid. Voor het bilaterale beleid is daartoe een aantal maatregelen genomen zoals de instelling van een ambtelijke stuurgroep

Vrouwen en Ontwikkeling in de Bilaterale Ontwikkelingssamenwerking (VOBO), studiedagen voor ambtenaren van het DGIS en de aanstelling van «vrouwen en ontwikkelings»deskundigen in een aantal programmalanden. Ook in het multilaterale beleid van de Verenigde Naties, de Development Assistance Committee van de OESO en de Europese Gemeenschappen heeft vrouwenemancipatie vooral sinds 1980 meer gestalte gekregen. De evaluaties en rapporten van de verschillende donororganisaties over het gevoerde beleid tot 1985 stellen echter duidelijk dat er weliswaar een vooruitgang is geboekt op het terrein van inzicht in en bewustwording over de rol en positie van vrouwen in ontwikkelingslanden, maar dat met de doorwerking hiervan in de uitvoering van het beleid nog slechts een begin is gemaakt. Extra aandacht voor vrouwenemancipatie in het kader van de Nederlandse Ontwikkelingssamenwerking is daarom dan ook nog zeker een aantal jaren nodig. Meer dan in het verleden zal het management van donororganisaties, inclusief de Nederlandse overheid erop moeten toezien dat het beleid met betrekking tot vrouwen en ontwikkeling ook wordt uitgevoerd.

191 Ervaringen van de afgelopen jaren hebben geleerd dat in de behandeling van de genoemde thema's in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid in het algemeen niet voldoende rekening is gehouden met de belangen en behoeften van vrouwen. Dit heeft er mede toe bijgedragen dat projecten hun doelstellingen niet bereikten en dat er een verslechtering in de levensomstandigheden van een aantal vrouwen is opgetreden. Ten behoeve van een verdere beleidsontwikkeling en uitwerking van het sectorprogramma plattelandsontwikkeling waarin de thema's voedsel, water, bevolkingsvraagstukken, energie en ecologie zijn opgenomen, wordt nu een aantal externe adviesgroepen samengesteld. Bij het opstellen en verwerken van adviezen zal dan ook bijzondere aandacht worden gegeven aan de rol en positie van vrouwen in relatie tot deze thema's. Op het terrein van mensenrechten wordt sinds kort ook aandacht gevraagd voor het probleem van geweld tegen vrouwen in ontwikkelingslanden. In het kader van ontwikkelingssamenwerking zijn daarom mogelijkheden geschapen om in te kunnen spelen op verzoeken om financiële steun van vrouwengroepen uit ontwikkelingslanden, die zich actief bezighouden met de bestrijding van geweld tegen vrouwen.

192 De in de eerste alsmede de in de tweede volzin gestelde vragen dienen beide ontkennend te worden beantwoord. Immers, de Ministeriële Commissie is een coördinatie-instrument ten dienste van de integratie van het emancipatiefacet in het algehele regeringsbeleid, dat als zodanig een kabinetsdoelstelling is. Naar aanleiding van de vragen gesteld in de derde en vierde volzin, kan het volgende worden opgemerkt. Ik heb niet het voornemen te weigeren bepaalde informatie in ontvangst te nemen. Indien een bepaalde bewindspersoon nalatig zou zijn bepaalde informatie tijdig te verstrekken, is deze bewindspersoon daarvoor in eerste instantie verantwoordelijk. In tweede instantie is hier de verantwoordelijkheid van de Minister-President in het geding.

193 De vraagstelling suggereert dat alleen een coördinerend bewindspersoon de uitvoering van het beleidsplan kan garanderen. Dit is onjuist. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het beleidsplan ligt primair bij de afzonderlijke vakministers dan wel bij het kabinet als geheel. De bewindspersoon die de eerstverantwoordelijke is voor emancipatie, is ook met de coördinatie van het beleid belast. Zij beschikt als zodanig over de instru-

menten en bevoegdheden omschreven in de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 24 juni 1985 (1984-1985, 17535, nr. 24). Daarenboven zijn door het kabinet aan de eerstverantwoordelijke bewindspersoon voor het emancipatiebeleid nog enige extra bevoegdheden en instrumenten toegekend die op blz. 65 en 66 van het beleidsplan emancipatie zijn beschreven.

194 De huidige instellingsbeschikking van de ICE, daterende uit 1977, voorziet niet in het taakelement «bewaken van de samenhang», wel onder meer in «het zich beraden over de inhoud, vormgeving en coördinatie» enz. Er is derhalve sprake van het onderstrepen van een taakelement dat in de oude taakomschrijving tamelijk onzichtbaar was.

195 Zo spoedig mogelijk.

196 De ICE is geen onderdeel van dat ministerie, doch een interdepartementaal overlegorgaan.

197 Emancipatie-aangelegenheden worden in een onderraad behandeld voor zover zij binnen het taakgebied van die onderraad vallen. Indien een emancipatie-aangelegenheid het taakgebied van één onderraad te boven gaat, vindt coördinatie op bewindsliedenniveau ad hoc plaats, dan wel wordt -voor voldoende brede c.q. zwaarwegende onderwerpen -de Ministeriële Commissie voor het emancipatiebeleid bijeengeroepen.

198 Neen. Het kwam echter relatief weinig voor.

199 Op korte termijn wordt getracht deze gevolgen op te vangen binnen de bestaande personeelsformatie. Bekeken moet worden of dit voor langere termijn mogelijk en voldoende is.

200 In de vraag wordt waarschijnlijk gedoeld op departementale commissies. Intradepartementale coördinatiecommissies voor het emancipatiebeleid hebben over het algemeen tot taak hun minister te adviseren over het door hem te voeren emancipatiebeleid. Veelal bereiden zij ook de deelname van het departement aan de ICE voor. Intracommissies bestaan thans op 9 van de 13 departementen. Hierbij zijn ongeveer 100 ambtenaren betrokken.

201 De op 27 april 1979* in de Ministerraad vastgestelde z.g. «spelregels» m.b.t. het benoemen van vrouwen in commissies, adviesorganen en delegaties worden tot nu toe als weinig verplichtend ervaren en zijn bovendien inhoudelijk verouderd. Beide redenen nopen tot herziening; het voornemen is nieuwe «spelregels» in de vorm van een meer bindende richtlijn in de Ministerraad vast te doen stellen.

202 Ja.

203 Neen.

204 * in het beleidsplan wordt bij vergissing het Door middel van de voorgestelde wijze van verslaglegging wordt beter jaartal 1980 genoemd.

aangesloten bij de door het hele kabinet c.q. door de afzonderlijke vakmi-

nisters gedragen verantwoordelijkheid voor de voortgang van het emancipatiebeleid.

205 Hiermee worden bedoeld aanwijzingen m.b.t. de te volgen procedures in de beleidsvoorbereiding, m.n. wat betreft het te voeren overleg met voor het emancipatiebeleid aangewezen ambtelijke organen.

206 Toetsing zal plaatsvinden wat betreft de mogelijke effecten van enig beleidsvoorstel op de maatschappelijke positie van (gehuwde en ongehuw-de) vrouwen; de effecten op hun werklast in de sfeer van het betaalde en/of het onbetaalde werk is daar een onderdeel van. In een uitbreiding van het aantal deskundige ambtenaren i.v.m. deze toetsingstaak is, gemeten in formatieplaatsen, vooralsnog niet voorzien; wel worden door de Minister van Binnenlandse Zaken voorstellen ontwikkeld gericht op vergroting van emancipatiedeskundigheid bij het ambtelijk apparaat.

207 Dit beleidsvoornemen zal zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd. Op het ogenblik wordt een procedure voor het doen uitvoeren en bewaken hiervan opgesteld. De afzonderlijke ministers zullen hun intracommissies emancipatie hierbij inschakelen voor zover zij dit nodig achten.

208 Neen, het merendeel van de kosten van het emancipatiebeleid is begrepen in uitgave voor beleidsmaatregelen die niet alleen emancipatie ten doel hebben en die niet als zodanig gegroepeerd zijn in de rijksbegroting dan wel in afzonderlijke onderdelen daarvan. Juist deze mogelijkheid deed het kabinet besluiten opdracht te geven de mogelijkheid tot het opstellen van een overzichtsconstructie te onderzoeken. Zie ook antwoord op vraag 2.

209 Dit is afhankelijk van de snelheid waarmee het onderzoek naar de mogelijkheid van de invoering van een overzichtsconstructie voor het emancipatiebeleid tot conclusies leidt. Dit zal vermoedelijk niet eerder dan zomer 1986 kunnen zijn.

210 Men kan hierbij denken aan een verhoogd rendement van investeringen in onderwijs en opleiding van vrouwen, aan de bijdrage van vrouwen aan de nationale produktie resp. aan het z.g. draagvlak voor de collectieve uitgaven, aan een betere allocatie van de produktiefactor arbeid, aan het overbodig worden van sociale uitkeringen in geval van wegvallen van de mannelijke kostwinners, aan verlaging van de uitgaven in de gezondheidszorg voor de behandeling van klachten die met het huisvrouwzijn zijn verbonden, een grotere diversiteit van het cultuurpatroon en wellicht ook aan betere persoonlijke relaties tussen mannen en vrouwen.

Het probleem van de meetbaarheid van de maatschappelijke effecten van beleid is niet tot het terrein van het emancipatiebeleid beperkt. Bijvoorbeeld, indien het effect van het defensiebeleid van een land kan worden omschreven als de afwezigheid van gewapende strijd op zijn grondgebied, doet zich evenzeer de vraag voor hoe de baten daarvan moeten worden gemeten en gewaardeerd. Overigens wordt thans op het Sociaal en Cultureel Planbureau gewerkt aan een overzicht van zgn. indicatoren van emancipatie-ontwikkelingen.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. Kappeyne van de Coppello

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.