Lijst van vragen - Beleidsplan Emancipatie

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 3

LIJST VAN VRAGEN Vastgesteld 19 september 1985

Ter voorbereiding van een te houden uitgebreide commissievergadering, aangemeld voor 21 oktober 1985, stelde de vaste Commissie voor het Emancipatiebeleid, in welker handen het Beleidsplan Emancipatie is gesteld, de navolgende vragen op.

I. INLEIDING

blz.5

1 In hoeverre behoeven de in het beleidsplan voorgestelde maatregelen nog aanvulling vanwege de resultaten van de V.N.-conferentie in Nairobi? Welke concrete aanvullingen betreft het?

Hoe groot is de financiële lastendruk van het tot op heden gevoerde emancipatiebeleid?

1 Samenstelling: Leden: Haas-Berger (PvdA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), Evenhuis-van Essen (CDA).Andela-Baur (CDA), Jabaaij (PvdA), Buikema (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Groenman (D'66), Van Es (PSP), Ter Veld (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Ubels-Veen (EVP), Dales (PvdA), voorzitter, Den Ouden-Dekkers (VVD), Eshuis (CPN), Weisglas (VVD). Plv. leden: Buurmeijer (PvdA), Oomen-Ruijten (CDA), Van den Toorn (CDA), Krajenbrink (CDA), Herfkens (PvdA), Janmaat-Abee (CDA), Dijkstal (VVD), Wessel-Tuinstra (D'66), Beckers-de Bruijn (PPR), Stoffelen (PvdA), Niessen (PvdA), Worrell (PvdA), Jorritsma-Lebbink (VVD), Franssen (VVD).

Wordt in het beleidsplan onder discriminatie verstaan: «ongelijke behandeling in gelijke gevallen zonder rechtvaardigingsgrond»? Zo neen, wat wordt dan daaronder verstaan? Zo ja, welke rechtvaardigingsgronden komen in aanmerking?

Waarom is het concept-beleidsplan niet aan een breder forum ter advisering voorgelegd, vooral vanwege de ingrijpende maatschappelijke gevolgen ervan? Waarom heeft het kabinet kennelijk zijn uitgangspunten niet ter discussie willen stellen, gelet op de wijze waarop reacties zijn geselecteerd?

Waarom wordt aan teleurstellende resultaten de conclusie verbonden dat sprake is van belemmerende structuren en niet van gering animo? Is

het niet erg aanmatigend wanneer het kabinet de vrije keuze van vrouwen om bij voorbeeld niet deel te nemen aan leidinggevende functies (directeur van een school, burgemeester) in feite bestempelt als een vorm van gebondenheid aan bestaande beeldvorming, opvoedingspatronen en dergelijke?

7 Kan nauwkeurig worden geformuleerd wat onder «het» emancipatiestreven in de samenleving wordt verstaan? Welke definitie van emancipatie wordt gehanteerd?

8 Kunnen onderzoeksgegevens genoemd worden op basis waarvan de suggestie gerechtvaardigd kan worden dat de meeste vrouwen in onze samenleving economische zelfstandigheid ervaren als een conditio sine qua non voor emancipatie?

9 Door wie wordt -blijkens bronvermelding -«thans meer dan voorheen de maatschappelijke ongelijkheid (...) in verband gebracht met de normeringen die bestaan ten aanzien van leefvormen en seksualiteit...»?

10 Kan een toelichting, met concrete voorbeelden, gegeven worden op de laatste alinea van deze bladzijde?

blz. 7

11 Waaraan moet met name worden gedacht bij «andere prioriteiten» waartegen het emancipatiebeleid moet worden afgewogen?

II. VROUWENEMANCIPATIE ALS MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING EN BELEIDSVRAAGSTUK

  • Enkele ontwikkelingen

blz. 7

12 Waarvan moet de vrouw anno 1985 kennelijk «bevrijd» worden?

blz. 8

13 Waarom is niet als kenmerkend element voor de vrouwenbeweging «zelfbewustzijn» gekozen, zodat ook de bewuste doordenking van en keuze voor het traditionele rolpatroon een kwestie van «emancipatie» genoemd kan worden?

14 Hoe komt het dat ondanks de verandering in het karakter van de huishouding door techniek en welvaart de er aan bestede tijd niet evenredig daalt?

  • Maatschappelijke fricties

blz. 9

15 In hoeverre heeft het emancipatiebeleid ingespeeld op het voorkomen van maatschappelijke fricties?

16 Wijst recent onderzoek eveneens uit dat 80% van de bevolking zich uitspreekt voor het onomkeerbare proces van arbeidsindividualisering, gericht op de verwerving van economische zelfstandigheid? Is ook onderzoek gedaan naar de vraag of de belangstelling voor deeltijdarbeid niet wijst op preferentie van een combinatie van thuis zijn en betaald werken, boven een fulltime baan?

17 Waarom wordt in de laatste regel van deze bladzijde niet van achterstand, maar van achterstelling gesproken?

blz. 10

18 Hoe komt het dat het woningaanbod zich niet aanpast aan de toegenomen verscheidenheid van leefvormen?

19 Waarop is de stelling gebaseerd dat in de toekomst als regel van volwassenen verwacht zal worden dat zij zichzelf door arbeid in eigen levensonderhoud voorzien?

20 Waarop is de veronderstelling gebaseerd dat bij grotere invloed van vrouwen als groep gewenste veranderingen wèl worden doorgevoerd?

  • Uitgangspunten voor vernieuwd emancipatiebeleid

blz. 10

21 Hoe kan over een «onmiskenbare aanwijzing» worden gesproken, terwijl in paragraaf 2 allerlei signalen opgesomd zijn die het tegendeel doen vermoeden?

22 Wat wordt verstaan onder huidige maatschappelijke organisaties, waarin op tal van punten de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen als het ware besloten liggen?

blz. 11

23 Wat verstaat de staatssecretaris onder «fundamentele gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen» in relatie tot de gewenste (maatschappelijke) gelijkheid van mannen en vrouwen?

24 Is vrijheid niet evenzeer «gevonden» onder de structuren van een traditioneel patroon als onder die van het nu voorgestelde patroon, waaromtrent de toekomstige generatie geleerd wordt alleen maar in termen van emancipatie te denken? Wat rechtvaardigt dan de suggestie dat vrouwen in de toekomst pas werkelijk vrij zullen zijn?

25 Hoe moet het begrip sexeverschillen worden verstaan in de zinsnede dat de overheid geen neutrale instantie is ten aanzien van de sexeverschillen?

26 Om welke reden(en) is de eerdere passage in het concept-Beleidsplan Emancipatie dat «nieuwe collectieve keuzen moeten worden gemaakt» nu vervangen door een passage dat (slechts) nieuwe, voor de gehele samenleving geldende afwegingen dienen plaats te vinden? Houdt dit in dat het resultaat van de (totale) afwegingen op zich niet (meer) aan de doelstellingen van emancipatiebeleid behoeft te worden getoetst?

27 Hoe kan het kabinet pleiten voor keuze in eigen verantwoordelijkheid en tegelijkertijd structuren voorstellen die, financieel gezien, de keuze voor een traditioneel patroon tot een fictie maken?

28 Welke maatregelen worden getroffen om het mogelijk te maken dat de keuze voor het verzorgen en opvoeden van kinderen gedurende een bepaalde periode van het leven gerealiseerd kan worden?

29 Waarom wordt gesteld: «Het gaat immers om een beleid en een na te streven situatie voor de middellange en lange termijn», en niet voor de korte termijn»?

blz. 12

30 Hoe lang kan rekening gehouden worden met het name het inkomensbeleid voor wat betreft nog heersende rolpatronen?

31 Hoe moet men de «breedte» van die lagen van de bevolking zien?

32 Denkt de jongere generatie echt anders?

III. DOELSTELLINGEN VAN HET REGERINGSEMANCIPATIEBELEID

  • Hoofddoelstelling

blz. 12

33 Aan hoeveel jaar wordt gedacht bij het begrip «middellange termijn»?

34 Wat moet precies worden verstaan onder normeringen met betrekking tot sexualiteit?

blz. 13

35 Wat moet precies verstaan worden onder «de vrouwenbeweging»?

36 Hoe handhaaft het kabinet de keuze van vele vrouwen om financieel afhankelijk te zijn van een kostwinner in een bewust gekozen huwelijksrelatie?

37 Hoe verhoudt zich het gestelde in de derde alinea zich tot concrete beleidsvoornemens als het afschaffen van het wettelijk minimumloon voor 16-18-jarigen, het aanscherpen van het begrip «economische eenheid» en de invoering van een «verhaaisplicht» in de Algemene Bijstandswet?

38 Als het bestaande huwelijksmodel niet als enig uitgangspunt wordt genomen, maar in een «pluriforme maatschappij» de variëteit van gedrags-en relatievormen ligt besloten, is het dan de overheid toegestaan in bepaalde gevallen onderscheid in behandeling te maken tussen de gevari-eerde, verschillende relatievormen?

39 Waarom wordt met betrekking tot de Tweeverdienerswet slechts een tegemoetkomende maatregel ten behoeve van kleine tweeverdieners getroffen en is niet gekozen voor een verdergaande individualisering, gelet op de uitspraken in de vierde alinea.

40 Hoe wordt het gestelde in de vierde alinea afgewogen? Denkt het kabinet daarbij zowel aan oude als aan nieuwe rechtsregels?

41 Wat is er de achtergrond van dat nieuwe rechtsregels moeten worden ontworpen ten aanzien van niet-huwelijkse relatievormen? Wanneer zijn deze te verwachten? Zal hierbij ook sprake zijn van verplichte registratie van niet-huwelijkse relatievormen? Zal hierbij ook ingegaan worden op de wederzijdse onderhoudsplicht die bij het burgerlijk huwelijk wel en bij de niet-huwelijkse relatievormen niet aanwezig is?

  • Subdoelstellingen

blz. 13

42 Welke oude en welke nieuwe wettelijke maatregelen worden hier bedoeld?

blz. 14

43 Waarom wordt gesproken over middellange termijn om ongelijkheden weg te nemen en discriminatie te bestrijden? Wat is middellange termijn?

44 Meent het kabinet dat er een taak voor de overheid is weggelegd om in de privesfeer bestaande ongelijkheid ongedaan te maken?

45 Waarom wordt bij biologische feiten slechts aan taakverlichtende maatregelen voor oudere vrouwen gedacht en niet ook aan oudere mannen?

46 Welke maatschappelijke instituties worden hier bedoeld?

47 Hoe breed dient het begrip «sexuele voorkeur» te worden opgevat?

blz. 15

48 Zijn alle vrouwen per definitie bereid, dan wel geneigd, aan het openbaar bestuur deel te nemen?

49 Moet de opsomming van «die gebieden in de samenleving, waarin de beeldvorming ontstaat en wordt veranderd, bevestigd en doorgegeven» als limitatief worden beschouwd?

50 Op welke maatschappelijke organisaties wordt geduid, die zich in het bijzonder op de «cultuuraspecten» van de samenleving richten en waarin de machtsposities door mannen worden bekleed?

51 Is het vrouwen ook feitelijk gelukt om door te dringen tot zogeheten machtsposities? Welke wegen hebben zij daartoe moeten bewandelen?

52 Wordt ook van «machtsposities bekleed door mannen» gesproken, indien vrouwen er bewust voor kiezen dat mannen het beleid bepalen? Zo ja, waarom? Zo neen, kan medegedeeld worden waarom in bij voorbeeld kerken van de z.g. gereformeerde gezindte sprake zou zijn van «machtsposities»?

53 Wat wordt bedoeld met het «fundamentele» van fundamentele vrijheden «die hier in het geding zijn»?

IV. BELEIDSINSTRUMENTEN VAN SPECIFIEK EMANCIPATIEBELEID

Blz. 16

54 Hoe zullen nieuwe rechten als verlofregelingen, rechtspositie, deeltijd/volle tijdwerkers worden bevorderd?

55 Kunnen voorbeelden worden gegeven van gerichte regelgeving in het kader van het experimentele vernieuwingsbeleid?

56 Mag uit de geringe belangstelling bij de lagere overheid worden afgeleid dat in de betreffende gebieden minder animo voor roldoorbreking bij de burgers leeft dan in het beleidsplan gesuggereerd wordt, of moet geconcludeerd worden dat de volksvertegenwoordiging daar niet optimaal functioneert?

  • Positieve actie

blz. 18

57 Op welke termijn zal uitvoering gegeven worden aan de motie-Groenman (kamerstuk 18269, nr. 10) en kan gekomen worden met een samenhangend plan inzake positieve actie?

58 Om welke redenen acht de staatssecretaris de aanbeveling van de Emancipatie Raad om in onder andere subsidievoorwaarden en andere overheidsfaciliteiten bepalingen op te nemen met betrekking tot gelijke behandeling in algemene zin niet uitvoerbaar? In welke gevallen zou dit wel uitvoerbaar kunnen zijn?

59 Wat is de stand van zaken met betrekking tot het beleid inzake positieve actie? Is wel overwogen om gelijke behandeling in subsidie-voorwaarden op te nemen?

60 Wordt de toepassing van «positieve actie» ook naar lagere overheden toe gestimuleerd?

61 Op welke termijn zal de overheid als werkgever beginnen met emancipatiebevorderende instrumenten als streefcijfers en positieve actie?

62 Op welke wijze wordt gewerkt aan de deelname van vrouwen aan het openbaar bestuur met hantering van het instrument «positieve actie» en welke resultaten heeft dat tot nu toe opgeleverd?

63 Hoe wordt grotere deelname van vrouwen aan het openbaar bestuur gestimuleerd?

  • Voorlichting

blz. 19

64 Zijn er evaluatiegegevens beschikbaar betreffende het functioneren van de Commissie Voorlichting Emancipatiebeleid?

  • Onderzoek

65 Wordt met betrekking tot het onderzoek ook gestimuleerd dat emancipa-tie-averse literatuur in de literatuurbestanden een plaats krijgt, zodat het wetenschappelijk onderzoek wetenschappelijker van gehalte kan worden?

66 Hoe kunnen bestaande «algemene» onderzoekskaders beïnvloed worden?

67 In hoeverre worden de gelden uit de departementale onderzoeksbudgetten gegarandeerd voor emancipatie-onderzoek? Hoe worden de criteria gehanteerd? (directindirect dienstbaar aan..)

  • Subsidie

blz. 20

68 Wordt ook voorzien in effectrapportage in het kader van het subsidiebeleid?

69 In welk opzicht zal de financiële ondersteuning worden gecoördineerd?

70 Waar moet concreet aan gedacht worden bij de zinsnede dat gestreefd wordt naar een betere afstemming van het subsidie-beleid op de doeleinden van het interdepartementale emancipatiebeleid?

71 Heeft de afstemming van het subsidiebeleid op de doeleinden van het interdepartementale emancipatiebeleid gevolgen voor bestaande projecten?

72 Wat is het typisch emancipatoire karakter van een organisatie als het COC?

73 Wanneer zullen de deelprojecten afgerond zijn?

74 Op welke wijze wordt de samenhang en afstemming van al deze projecten en aandachtspunten verzekerd en bevorderd?

blz. 21

75 Wordt in ieder geval een vervolgbeleid gevoerd voor wat betreft de functie van emancipatiewerker?

76 Kunnen voorbeelden worden genoemd van een specifiek thema of terrein waarmee vrouwengroepen zich bezighouden?

77 Wat zijn de uiteindelijke resultaten van de cursussen «vrouw en beleid»?

78 Wanneer komen de middelen beschikbaar voor landelijke kadertrainingen van vrouwenorganisaties?

79 Waaruit is het grote verschil in middelen te verklaren dat bij het ministerie van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur in vergelijking met het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen beschikbaar is voor eenmalige emancipatiesubsidies op hun beleidsterrein?

V. ARBEID EN INKOMEN

blz. 22

80 Met welke instrumenten wordt beleid gevoerd ten aanzien van onbetaalde arbeid, gericht op meer gelijke deelname door mannen en vrouwen aan huishoudelijke arbeid, kinderverzorging, hulp aan zieken of anderszins hulpbehoevende huisgenoten?

81 Is het «Emancipatieplan Binnenlandse Zaken» al uitgevoerd? Voor zover er gedeelten niet zijn uitgevoerd, welke oorzaken zijn daarvoor aan te wijzen?

blz. 23

82 Wat wordt bedoeld met «een recht op de helft van het inkomen van de partner»?

83 Worden geen kosten voor gezondheidszorg voorzien, voortvloeiend uit de participatie van vrouwen aan het betaalde circuit? Zo ja, waarom wordt dan de nadruk gelegd op het huisvrouwzijn?

84 Kunnen gegevens worden verstrekt over de mate waarin huisvrouwen een beroep doen op de gezondheidszorg vanwege klachten die aantoonbaar te herleiden zijn op het huisvrouwzijn, alsmede gegevens over het beroep van vrouwen op de gezondheidszorg vanwege klachten die aantoonbaar samenhangen met het hebben van een betaalde baan?

blz. 24

85 Betekent de opmerking in de laatste alinea onder b dat de kindertoeslag nu niet toereikend is?

86 Welke, bij voorkeur cijfermatige, concretisering is te geven van het aantal van de huidige generatie gehuwde vrouwen van wie volgens dit Beleidsplan niet zou kunnen worden verlangd dat zij in staat en bereid zouden zijn door middel van arbeid in eigen onderhoud te voorzien?

87 Aan welke voorzieningen wordt gedacht die op dit moment ontbreken, die huishoudelijke en verzorgende arbeid en beroepsarbeid beter combineerbaar maken?

blz. 25

88 Hoe komen alleenstaande mannen en vrouwen en alleenstaande ouders aan voldoende inkomen bij doorvoering van arbeidstijdverkorting?

89 Bedoelt het kabinet dat de afweging van andere vormen van herverdeling van arbeid tegen de uit emancipatieoverwegingen meest wenselijke vorm slechts op zich moet plaatsvinden, of dient ook het uiteindelijk resultaat aan de emancipatiedoelstelling(en) te worden getoetst? Aan welke minimum-voorwaarden zal elke vorm van arbeidstijdverkorting moeten voldoen?

90 Op welke termijn kan de Kamer de hoofdlijnennotitie Ouderschapsverlof tegemoet zien?

91 Welke maatregelen zal het kabinet nemen om algemene arbeidstijdverkorting per dag of per week te stimuleren?

blz. 26

92 Kan worden weergegeven hoe vermeden kan worden dat werken met behoud van uitkering reguliere arbeid in de weg staat?

93 Betekent het dat van verdergaande arbeidstijdverkorting dan tot 36 uur per week voorlopig is afgestapt? Op grond van welke emancipatoire overweging? Om welke reden is dan de regel dat slechts die deeltijdwerkers die 32 uur of minder werken van arbeidstijdverkortende maatregelen worden uitgezonderd gehandhaafd en is deze groep niet uitgebreid tot deeltijdwerkers van 36 uur of minder?

94 Op welke wijze zal het zich oriënteren op de mogelijkheid van een gemiddelde werkweek van 36 uur de eerstkomende jaren een substantiële bijdrage leveren aan de herverdeling van betaald en onbetaald werk over mannen en vrouwen?

95 Waarom wordt afgezien van een 36-urige werkweek in 1987 als oriëntatiepunt, zoals nog in het concept-beleidsplan stond vermeld? Welke jaren worden bedoeld met de «eerstkomende jaren»?

blz. 27

96 Op welke termijn en op welke wijze is het kabinet voornemens in overleg te treden met de sociale partners over het verder stimuleren van deeltijdwerk? Op welke wijze zal hierbij de wens worden betrokken om tot een gelijke rechtpositie, incl. pensioenrechten en anciënniteitsopbouw, en loopbaanmogelijkheden te komen?

97 Kan worden medegedeeld in hoeverre de toezeggingen, gedaan in de deeltijdnotitie (18751, nr. 1) geconcretiseerd zijn?

98 Hoe gretig maken de ministeries gebruik van de mogelijkheid een extra functionaris aan te stellen ten behoeve van verdere ontwikkeling van beleid?

99 Hoeveel functionarissen zijn al benoemd? Hoe luidt de precieze taakomschrijving? Kan de Kamer van de werkzaamheden van deze functionarissen op de hoogte gehouden worden?

100 Waarom gold de omzetting in deeltijdfunctie niet voor alle vacant komende functies? Is het gevolg hiervan niet een ongewenste ontwikkeling, namelijk segregatie tussen volletijdsbanen waarvoor werkervaring een criterium is, en deeltijdfuncties waarvoor geen werkervaring vereist is? Hoe denkt het kabinet een dergelijke ontwikkeling te vermijden?

101 Hoe staat het met het aanbieden van deeltijdfuncties op de ministeries buiten de functies waarvoor voorafgaande werkervaring geen noodzakelijk selectiecriterium is?

102 Welke resultaten heeft dit beleid inmiddels opgeleverd?

103 Wordt op de begroting voor 1986 en 1987 ook een dergelijk bedrag opgenomen gezien het feit dat de regeling feitelijk pas dit jaar van start is gegaan en hij voor 3 jaar is toegezegd?

104 Welk percentage vormt de f 0,7 min. die nu voor vrouwelijke starters ter beschikking wordt gesteld, van de totale faciliteiten die starters worden geboden, zoals onder meer in de zogenaamde RZ-regeling?

  • Arbeidsvoorzieningsbeleid

blz. 28

105 Welke maatregelen gaat het kabinet tegen overvleugeling treffen? Worden ook wettelijke maatregelen overwogen?

106 Op welke wijze zal rekening worden gehouden met die sectoren waarin groei van werkgelegenheid wordt verwacht?

107 Wat wordt verstaan onder «een evenredig deel»? Is dit mede gerelateerd aan de niet-geregistreerde maar uit andere hoofde bekende of geschatte werkloosheid onder vrouwen?

108 Wat wordt verwacht van het gevoelig maken voor de problematiek van vrouwen op de arbeidsmarkt van de GAB-medewerk(st)ers, gezien de beleidsplannen van de GAB's waarin erkend wordt dat het nieuwe beleid, gericht op de wensen van werkgevers, in strijd kan zijn met politieke prioriteiten zoals bijvoorbeeld werkgelegenheid voor vrouwen?

109 Wordt het bedrag van f35 min. in 1986 weer toegekend? Zo ja, wordt hieraan dan betere publiciteit gegeven dan dit jaar?

110 Heeft het kabinet zelf ideeën omtrent een structurele aanpak van de bevordering van instroom van vrouwen en meisjes in het leerlingwezen, met name in typische mannenopleidingen?

111 Wat verstaat men onder hogere functies als men spreekt over deeltijdarbeid?

blz. 29

112 Betekent het gestelde in punt 9 dat in advertenties van de rijksoverheid als werkgever de formulering «Vrouwen wordt uitdrukkelijk verzocht te soiliciteren» wordt vervangen door de formulering «Bij gelijkwaardige sollicitanten wordt de voorkeur gegeven aan een vrouw»?

113 Is er iets bekend over het effect van het voorkeur geven aan vrouwen bij gelijke geschiktheid? Is de staatssecretaris bereid een grotere doeltreffendheid na te streven door de voorkeur te geven aan vrouwen bij voldoende geschiktheid?

  • Arbeidsvoorwaarden", arbeidsverhoudingen en arbeidsbeschermings-beleid

blz. 29

114 Wat rechtvaardigt de uitdrukking dat het de arbeidsmarkt is die de flexibele vormen van arbeid «specifiek aan vrouwen» toebedeelt? Zijn het niet specifiek de vrouwen die een betaalde baan pas prefereren indien het een «flexibele» baan is zodat zij hun voorkeur voor huishouding ook kunnen handhaven?

115 Welke concrete maatregelen zullen worden getroffen om een nieuwe seksesegregatie op de arbeidsmarkt naar arbeidsvoorwaarden en rechtspositie tegen te gaan?

116 Hoe en op welke termijn zal het kabinet de positie van deeltijdwerkenden verbeteren?

blz. 30

117 Welke maatregelen kunnen genomen worden om de procedure tot afdwingen van het recht op gelijk loon voor gelijk werk te verbeteren en te versnellen?

118 Is de staatssecretaris van mening dat het niet uitbreiden van de kinderopvangmogelijkheden door de overheid strookt met een stimulerend emancipatiebeleid?

119 Wat moeten ouders met de eigen verantwoordelijkheid voor kinderopvang aan wanneer daarvoor onvoldoende voorzieningen zijn?

blz. 31

120 Wordt reeds op dit moment de financiering van kinderopvangvoorzieningen in de collectieve sector betrokken bij het overleg over de arbeidsvoorwaarden en wat zijn daarvan de resultaten?

121 Op welke wijze kan de financiering van kinderopvang betrokken worden bij het overleg over arbeidsvoorwaarden?

122 Zijn er naast instroomook uitstroomcijfers bekend van vrouwen die dus de typische mannenberoepen en -functies na enige tijd verlaten? Zijn over de achtergronden van het verschijnsel van de veronderstelde snelle uitstroom nadere onderzoeksgegevens beschikbaar?

123 Wanneer start het evaluatieonderzoek, genoemd onder 12? Kan de Kamer op de hoogte gehouden worden hierover?

  • Onbetaalde arbeid

blz. 31

124 Kan er een overzicht gegeven worden van subsidies of andere instrumenten die werden en worden verstrekt ter stimulering van herverdeling van huishoudelijke en verzorgende arbeid?

125 Ligt het in het voornemen van het kabinet om, uit oog punt van emancipatie, maatregelen te nemen tegen het om budgettaire redenen gratis laten verrichten van werkzaamheden die voorheen betaald verricht werden?

blz. 32

126 Wordt in de eerste alinea niet gesuggereerd dat binnen huwelijk en gezin geen sprake is van gelijkwaardigheid van partners, waar immers «een ontwikkeling noodzakelijk is»? Mag daaruit worden geconcludeerd dat het kabinet over gegevens beschikt, waaruit blijkt dat de vrouw niet zelfstandig en vrij heeft gekozen voor de gesignaleerde verantwoordelijkheid voor de dagelijkse zorgtaken? Zo ja, welke? Zo niet, wat noopt het kabinet dan tot ingrijpen?

127 Met welke instrumenten wordt door de overheid de toerusting speciaal van jongens voor onbetaalde zorgtaken bevorderd?

  • Inkomensbeleid

blz. 33

128 Kan aangetoond worden dat dit kabinet meer maatregelen heeft genomen die samenlevingspartners zoveel mogelijk onafhankelijk van elkaar heeft gemaakt dan maatregelen in omgekeerde richting?

129 Wanneer wordt een kabinetsstandpunt betreffende de financiële positie van oudere ongehuwden aan de Kamer aangeboden?

130 Hoe groot is de besparende werking van een gezamenlijk huishouden nog in het geval beiden buitenshuis werken en geen kostendekkende oppas aanwezig is?

blz. 34

131 Kan aan de Sociaal Economische Raad en Economische Raad eveneens advies gevraagd worden met betrekking tot gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de pensioenen?

132 Waarom wordt voor de WW en de WWV wél door het kabinet gestreefd naar een nadere uitwerking van het zelfstandigheidsbeginsel (een emancipatoire beleidslijn), maar voor uitkeringen ingevolge de Algemene Bijstandswet niet?

133 Wat is de reden dat in 1990 niet de gehuwdentoeslag afgeschaft wordt om deze te vervangen door een zelfstandig recht op een inkomen door middel van betaald werk of, voor het geval dat niet mogelijk is, door middel van een uitkering?

134 Waarom wordt hier nog slechts gesproken over de WW en WWV en is de RWW, die wel in het concept-beleidsplan genoemd werd, verdwenen?

135 Gaat het ook feitelijk voor vrouwen op dat zij door de voorgenomen geïntegreerde werkloosheidsregeling hun economische zelfstandigheid -althans op het minimumniveau -niet te snel verliezen?

136 Waaruit blijkt dat het inkomen in een leefeenheid met tweeverdieners via de sociale zekerheid evenzeer beschermd wordt als het inkomen in een leefeenheid met een éénverdiener?

137 Waarom is afgestapt van het begrip «gezinstoeslag»?

138 Hoe denkt het kabinet na een zeker aantal jaren de toeslagenwet een ander karakter te kunnen geven zonder «fundamentele vrijheden» aan te tasten?

139 Welke bijzondere maatregelen (onder andere voorlichting, onderwijs, beroepskeuze, vakkenpakketkeuze) zullen worden getroffen ten behoeve van de meisjes die na 1990 geacht zullen worden allereerst uit (betaalde) arbeid een eigen inkomen te verwerven?

140 Hoe verhoudt zich het beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt tot de noodzakelijke voorwaarde van economische zelfstandigheid?

141 Is het kabinet van mening, dat de voorziene herziening van het stelsel van sociale zekerheid in het kader van het Beleidsplan slechts een voorlopig karakter heeft en in 1990 nadere herziening behoeft?

VI. ONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

  • Onderwijs

blz. 35

142 Wat is stand van zaken met betrekking tot het overleg met de vakorganisaties over een (herzien) ontslagbeleid voor vrouwen in het onderwijs?

blz. 36

143 Wat is het standpunt ten aanzien van de ontwikkeling met betrekking tot de basiseducatie -de nadruk op kennis en vaardigheden -en het drempel-

verhogende effect dat hiervan met name voor vrouwen het gevolg kan zijn? Strookt een dergelijke drempelverhoging met het emancipatiebeleid?

blz. 37

144 Wordt ten aanzien van de punten b en c onder «doelstellingen» ook rekening gehouden met het verschil in positie van de overheid voor wat betreft het openbaar en het bijzonder onderwijs?

145 Wat blijft over van de terughoudendheid van de overheid ten aanzien van het bijzonder onderwijs, indien de toetsing van kennis op emancipatoire leest geschoeid wordt?

blz. 38

146 Wat verklaart de speciale aandacht voor brede scholengemeenschappen?

147 Wanneer wordt besloten tot het al dan niet opgang brengen van maatregel 9?

  • Volwasseneneducatie

blz. 40

148 Bestaat enig inzicht in welke mate het kabinetsbeleid inzake Tweedekansonderwijs (verhoging van de financiële drempel) op gespannen voet staat met het emancipatiebeleid dat het belang van onderwijs aan groepen in achterstandssituaties benadrukt?

149 Is het begrip maatschappelijke participatie beperkt (naast deelname aan de arbeidsmarkt) tot deelname aan besluitvorming?

150 Op welke wijze en in welke omvang wordt het aangeduide belang van kinderopvang bij volwasseneneducatie door de overheid in maatregelen vertaald?

151 Kunnen voorbeelden worden genoemd van beroepsopleidingen die traditionele beeldvorming weerspiegelen?

VII. GEZONDHEIDSZORG, MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING EN VROUWENHULPVERLENING

  • Maatschappelijke dienstverlening

152 Wat wordt bedoeld met nog betere anticonceptie?

  • Vrouwenhulpverlening

blz. 43

153 Wordt bij de ontwikkeling van vormen en methoden van vrouwenhulpverlening aandacht besteed aan de problemen van vrouwen uit minderheden en, zo ja, op welke wijze gebeurt dat?

blz. 44

154 Waar zijn vrouwengezondheidscentra opgericht en hoeveel zijn het er?

155 Hoe verhouden de uitspraken over de vrouwenhulpverlening zich tot het in de begroting 1986 genoemde beleidsvoornemen om de vrouwenhulpverlening te integreren in de bestaande voorzieningen? Is de staatssecretaris van mening dat de traditionele hulpverlening zich de op emancipatie-overwegingen gebaseerde ideeënvorming al geheel eigen heeft gemaakt? Wordt het zich uitspraken voor een goede en adequate hulp aan vrouwen ook in een financiële vertaling omgezet?

156 Komen inderdaad andere klachten in de plaats bij het verdwijnen van traditionele vrouwenklachten? Komt dit voort uit stress?

blz. 45

157 Kan men voorbeelden geven van het elimineren van sexistische elementen in de hulpverlening?

158 Is het kabinet van plan geld uit te trekken voor de uitbreiding van vrouwenhulpverlening? Zo ja, hoeveel?

159 Welke concrete maatregelen staan hierbij voor ogen?

blz. 46

160 Hoe ziet men de maatregelen op het vlak van de hulpverlening in gevallen van sexueel geweld?

VIII. DE BESTRIJDING VAN SEXUEEL GEWELD TEGEN VROUWEN EN MEISJES

blz. 47

161 Hoe is de relatie van deze beleidsvoornemens en de preventieve taak die de Nota Bestrijding Sexueel Geweld aan Blijf-en andere opvanghuizen toekent?

162 Wanneer is de uitkomst bekend van het onderzoek naar de effecten van de gewijzigde woonruimtebeschikking voor mishandelde vrouwen die zelfstandig willen gaan wonen?

blz. 48

163 Wordt frequenter gebruik van uithuisplaatsing van de dader overwogen bij toekomstig beleid? Is de staatssecretaris bereid concrete stappen in die richting te nemen?

164 Op welke ministeries is nog geen vertrouwenspersoon aangesteld? Hoe en door wie worden de klachten getoetst, zodat éénzijdige beoordeling voorkomen kan worden?

165 Welke bestaande regelgeving moet worden aangepast om vrouwen goede bescherming te geven?

blz. 50

166 In hoeverre wordt ten aanzien van de ontwikkeling van het beleid inzake sexueel geweld rekening gehouden met het «topje van de ijsberg», dat nu van dit vraagstuk zichtbaar is en het sneeuwbaleffect dat mogelijk op langere termijn te verwachten is? Welke jaarlijkse verhoging van middelen is voorzien?

IX. RUIMTELIJKE ORDENING EN VOLKSHUISVESTING

blz. 51

167 Welke bestaande regels moeten worden aangepast ter voorkoming van onderscheid? Kunnen voorbeelden worden gegeven?

168 Hoe kan spreiding en situering van werkgelegenheid in de woonomgeving gerealiseerd worden?

169 Bestaan er voornemens om de openingstijden van openbare voorzieningen voor dagelijks gebruik te veranderen?

blz. 52

170 Over welk werk wordt gesproken? Hoe kan de samenhang tussen wonen en werken worden ontwikkeld, volgebouwd en gepland als Nederland reeds is.

171 Op welke wijze zal aandacht besteed worden aan de werkgelegenheid in de groeikernen?

172 Wat houdt het «experiment herinrichting verkeersluwe woonomgeving» in?

blz. 53

173 Welke sociale onveiligheid wordt bedoeld met betrekking tot verkeer en vervoer? Is dit onderzocht?

blz. 54

174 Waarom wordt ook niet in de volgende jaren rijkssubsidie toegekend voor «Vrouwen Advies Commissies»?

175 Waarom wordt op rijksniveau wel een quorum toegepast?

176 Welke woonconsumentenorganisaties komen in aanmerking voor scholingssubsidies?

177 Op welke wijze wordt specifieke aandacht besteed aan vrouwen bij scholing en kennisoverdracht?

178 Wordt bij het verlenen van hypotheken aan tweeverdieners ook gekeken naar het wel of niet gehuwd zijn of naar tweeverdieners van dezelfde sexe?

179 Wanneer is de ontwerp-Huisvestingswet te verwachten?

blz. 55

180 Wanneer kan de brochure van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met betrekking tot het emancipatie-beleid tegemoet worden gezien?

181 Wat wordt verstaan onder veilige woonomgeving? Wat is de betekenis hiervan?

1982 Wat is het resultaat van de gestimuleerde deelname aan het project «Vrouwen en meisjes in traditionele mannenberoepen»?

X. VROUWEN UIT MINDERHEIDSGROEPEN

Blz. 55

183 Wat is stand van zaken met betrekking tot de inventarisatie van de problemen die buitenlandse vrouwen ondervinden bij inschrijving bij Gewestelijke Arbeidsbureaus? (toezegging van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens het mondeling overleg over vrouwen uit minderheidsgroepen op 6 maart 1985, Kamerstuk (18600, hoofdstuk XV, nr. 92)) 184 Wat is sinds het mondeling overleg van 6 maart jl. gedaan om meer vrouwen bij de projecten voor vrouwen uit minderheidsgroepen te betrekken?

185 Wat is er gedaan sinds het mondeling overleg van 6 maart jl. over vrouwen uit minderheidsgroepen om de projecten voor buitenlandse vrouwen meer aan te doen sluiten op de behoeften van de betrokken vrouwen?

186 Is inmiddels voorzien in de grote behoefte aan kinderopvang bij de projecten voor buitenlandse vrouwen?

blz. 56

187 Welke concrete maatregelen zal het kabinet treffen om de rechtspositie van vrouwen uit minderheden te verbeteren bij voorbeeld met betrekking tot verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning?

blz. 57

188 Over welke beeldvorming wordt hier gesproken, van de man, de vrouw of van de minderheid?

XI. VROUWEN IN ONTWIKKELINGSLANDEN

blz. 60

189 Hoe kunnen de VN-instellingen blijvend gestimuleerd worden?

190 Is Nederland niet reeds gedurende tien jaar bezig met het gestalte geven aan vrouwenemancipatie in het kader van ontwikkelingssamenwerking?

blz. 61

191 Waarin verschillen de op te stellen richtlijnen als bedoeld onder punt 3 van de tot nu toe gehanteerde richtlijnen op dit punt?

XII. DE ORGANISATIE VAN HET EMANCIPATIEBELEID

blz. 62

192 Moet de Ministeriële Commissie ad hoc gezien worden als een coödina-tie-instrument van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die met de coördinerende taak als zodanig is belast? Of is de staatssecretaris een coördinatie-instrument van de Ministeriele Commissie? Hoe moet in dit verband de bevoegdheid van de staatssecretaris worden opgevat om informatie vooraf te ontvangen? Ingeval deze informatie niet gegeven is of wellicht door de staatssecretaris geweigerd is in ontvangst te nemen, welke bewindspersoon is dan verantwoordelijk te achten?

193 Nu niet wordt gekozen voor een coördinerend bewindspersoon, op welke wijze wordt dan de uitvoering van het Beleidsplan emancipatie gegarandeerd?

blz. 63

194 Was in de taakopdracht van de ICE in het begrip «bewaken van de samenhang» niet impliciet het signaleren van strijdigheden begrepen of is nu een wezenlijk nieuw element toegevoegd?

195 Wanneer wordt de instellingsbeschikking van de ICE gewijzigd?

blz. 64

196 Wat is de positie van de ICE binnen het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?

197 Hoe verhoudt zich de positie van een «structurele» Ministeriële Commissie ad hoc tot de positie van de onderraden?

198 Was het tot nu toe verboden dat de ICE via de eerstverantwoordelijke bewindspersoon direct aan de Ministerraad en/of onderraden adviseerde?

199 Welke personele gevolgen zijn verbonden aan de intensivering van de ondersteunende taak van de DCE voor de ICE?

200 Worden de afzonderlijke ministers op ieder ministerie bijgestaan door de Ministeriële Commissie? Om hoeveel mensen gaat het hier en wat is precies hun taak?

201 In hoeverre wordt de richtlijn in de vorm van «spelregels» als verplichtend ervaren?

202 Vallen regeringsdelaties eveneens onder het benoemingenbeleid?

blz. 65

203 Zijn er nieuwe deelprojecten voorzien in de periode die het kabinet nog rest?

204 Op grond van welke overwegingen is voor deze constructie gekozen ten nadele van een constructie, naar analogie van bijvoorbeeld het welzijnsbeleid of, sterker, het minderhedenbeleid, van in ieder geval een integrale begrotingstoelichting emancipatiebeleid?

205 Wat wordt bedoeld met procedurele aanwijzingen?

206 Wordt bij de toetsing van de memorie van toelichting van een wetsvoorstel en van beleidsnota's onderzocht welke uitwerking dit heeft op de positie van de gehuwde of ongehuwde vrouw voor wat betreft de uitbreiding van het werk, en wordt rekening gehouden met een mogelijke uitbreiding met deskundige ambtenaren?

207 Vanaf welke datum zal dit beleidsvoornemen worden uitgevoerd? Welke personele gevolgen heeft dit, overigens zeer toe te juichen, beleidsvoornemen voor de ministerie? Op welke wijze zullen de, op sommige ministeries nog niet bestaande, intracommissies emancipatie bij de uitvoering daarvan worden betrokken?

6/7. 66

208 Is het mogelijk mede te delen welke de financiële gevolgen zullen zijn van de uitvoering van de maatregelen in het beleidsplan in de komende jaren? Is het tevens mogelijk een dergelijk financieel overzicht per ministerie te geven?

6/7. 67

209 Op welke termijn zal een overzichtsconstructie voor het emancipatiebeleid voorhanden zijn?

210 Wat moet men zich voorstellen bij «de baten van het emancipatiebeleid» en hoe worden die gemeten?

De voorzitter van de commissie, Dales De griffier van de commissie, Van der Windt

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.