Nader rapport - Nadere wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Wet werkloosheidsvoorziening en enige daarmee verband houdende wetten (verlaging van uitkeringspercentages)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

18664

Nadere wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Wet werkloosheidsvoorziening en enige daarmee verband houdende wetten (verlaging van uitkeringspercentages)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 14 september 1984, nr. 52, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies betreffende het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 11 oktober 1984, no. W12.84.0530/21.4.42, moge ik U hierbij aanbieden. Alvorens in te gaan op het advies moge ik het volgende onder Uw aandacht brengen. Bij de behandeling van het voorstel van wet, houdende wijziging van de wet van 22 december 1983, Stb. 674, en de wet van 29 december 1982, Stb. 737, per 1 juli 1984 (verhoging korting op een aantal sociale zekerheidsuitkeringen en wijziging overgangsregeling herziening minimumdagloonbepalingen) (Kamerstukken II 1983/84, 18354), heeft het kabinet gesteld, de gefaseerde verlaging van de mini-mumdaglonen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) opnieuw te zullen overwegen als zou blijken dat doorvoering van de verdere gefaseerde verlaging per 1 januari 1985 niet verantwoord zou moeten worden geacht, in verband met het dan optredende inkomenseffect in samenhang met andere per die datum voorgenomen maatregelen.

NADER RAPPORT

Aan de Koningin

's-Gravenhage, 15 oktober 1984

Bij de aanbieding van dit voorstel van wet aan Uwe Majesteit met verzoek het aanhangig te maken bij de Raad van State, wilde het kabinet vooralsnog vasthouden aan de voorgenomen fasering, omdat over de definitieve uitwerking van het samenstel van maatregelen op de koopkracht nog geen duidelijk oordeel kon worden gevormd. Thans bestaat hieromtrent wel voldoende duidelijkheid. Gebleken is nu dat voor de groep uitkeringsgerechtigden, die een bovenminimale uitkering ontvangt, de samenloop van de voorgenomen maatregel tot niveauverlaging met de maatregel tot herziening van de minimumdaglonen WAO en WWV tot een aanzienlijk negatieve inkomensontwikkeling zal leiden. In verband hiermee werd tijdens de Algemene Politieke en Financiële Beschouwingen over de Rijksbegroting 1985 aangekondigd, dat de vanaf 1 januari 1985 voorziene stappen in de gefaseerde verlaging opnieuw zouden worden opgeschort en wel voor de periode van één jaar. In verband hiermee zijn artikel IV van de wettekst alsmede de paragrafen 5, 7 en 8 van de memorie van toelichting en de artikelsgewijze toelichting op artikel IV aangepast. In verband met het advies merk ik het volgende op.

  • De Raad van State is van mening dat, gelet op de redenen die in de memorie van toelichting bij de wet van 29 december 1982 (Stb. 748) zijn genoemd voor de 90%-grens in artikel 45 van de WAO, veeleer een anticumulatiegrens van 85% in plaats van 80% in de rede ligt. Hoewel de door de Raad van State genoemde redenen op zich valabel zijn, merk ik toch ook het volgende op. Door verlaging van het voor de artikel 45 WAO-gevallen relevante percentage van 90 met 10%-punt wordt bereikt dat voor die uitkeringsgerechtigden een bruto inkomensdaling optreedt welke overeenkomt met een inkomensdaling per 1 januari 1985 voor WAO-gerechtigden zonder inkomsten uit arbeid. Immers, het ant:cumulatiepercentage bedraagt thans materieel 84,6, dit als gevolg van de tweemaal drie procent dagloonkorting nl. per 1 januari 1984 en per 1 juli 1984. De voorgestelde maatregel per 1 januari 1985 komt voorde betrokken categorie uitkeringsgerechtigden dan ook neer op een verlaging van het anticumulatiepercentage van 84,6 naar 80. Voor arbeidsongeschikten met alleen een WAO-uitkering voor wie de koopkrachteffecten in tabel 8.1 van de memorie van toelichting zijn aangegeven, treedt materieel onge-

veer eenzelfde verlaging van het uitkeringspercentage op, nl. van materieel 75,2 naar 70. Als gevolg van de hier voorgestelde maatregelen treedt er derhalve nagenoeg geen verschil in koopkrachtontwikkeling op tusen enerzijds de arbeidsongeschikten met alleen een WAO-uitkering en anderzijds personen op wie artikel 45 van de WAO van toepassing is. In verband hiermee zijn er naar mijn mening dan ook geen redenen aanwezig om het voorgestelde anticumulatiepercentage op een ander niveau te brengen.

  • De Raad van State is voorts van mening dat, evenals bij de wijziging van de anticumulatie-regeling in de AAW en WAO per 1 januari 1983 is geschied, ook thans voor de lopende gevallen waarop artikel 45 van de WAO van toepassing is, een overgangsregeling moet worden getroffen. Daar, zoals vermeld onder punt 1, de koopkrachteffecten van de voorgestelde maatregelen voor WAO-gerechtigden met en zonder toepassing van artikel 45 van de WAO nagenoeg gelijk zijn en er voor WAO-gerechtigden zonder inkomsten uit arbeid per 1 januari 1985 geen overgangsmaatregel is getroffen, acht ik een door de Raad van State bedoelde overgangsregeling voor de groep personen op wie artikel 45 van de WAO van toepassing is niet noodzakelijk. 3. De Raad van State meent dat een tweetal fiscale maatregelen in de koopkrachtberekeningen dient te worden verwerkt, dan wel dient te worden vermeld waarom de effecten van deze maatregelen onvoldoende relevant worden geacht. De fiscale maatregelen betreffen de toepassing van de inflatiecorrectie voor 100% en de verlenging van de tijdelijke tariefstructuur. Naar aanleiding van deze opmerking van de Raad wil ik het volgende opmerken. In de kolom van tabel 8.1. die de totale koopkrachtmutatie in 1985 voor alleen verdienende uitkeringsgerechtigden weergeeft, is rekening gehouden met alle relevante maatregelen, dus ook de door de Raad genoemde fiscale maatregel. In het partiële effect van de fiscale maatregel zijn evenwel niet de maatregelen opgenomen die een aantal jaren zijn verlengd dan wel in de wet zijn vastgelegd. Dit betekent dat deze «wijzigingen» niet zijn opgenomen in de partiële koopkrachteffecten maar wel tot uitdrukking komen in de koopkracht bij ongewijzigd beleid. In de voetnoot onder tabel 8.1. is hieraan aandacht gegeven.

De constatering van de Raad dat de positieve koopkrachtmutatie ten gevolge van de fiscale maatregelen voortvloeit uit de «derde fase tweeverdieners» is juist. Evenzeer juist is de opmerking dat deze maatregel ondermeer een verschuiving van de belastingdruk teweeg brengt tussen «alleenverdieners» en «tweeverdieners» welke voordelig uitwerkt op eerstvermeldeen nadelig op laatstvermelde groep. Aan de wens van de raad om hierop in de memorie van toelichting de aandacht te vestigen is tegemoet gekomen. In het gedeelte van paragraaf 8 waar de koopkrachteffecten aan de orde zijn van degenen op wie de overgangsregeling in het kader van de wet van 29 december 1982, Stb. 737, van toepassing is, is hierover een passage opgenomen. Dit gedeelte werd toegevoegd naar aanleiding van het kabinetsbesluit tot uitstel van de gefaseerde verlaging tot 1986.

  • Over artikel II, onderdeel B, waarin voor zover hier van belang, is geregeld dat de mogelijkheid tot het vaststellen van een hoger uitkeringspercentage dan het wettelijke voor de wachtgeldverzekering komt te vervallen, merkt de Raad op, dat, hoewel in de memorie van toelichting wordt aangevoerd, dat tot op heden nimmer een hoger percentage dan het in de wet genoemde is vastgesteld, het de vraag is of de behoefte tot het vaststellen van een hoger percentage niet zal opkomen doordat het algemene uitkeringsniveau wordt verlaagd. De Raad stelt dat men zich kan voorstellen dat onder deze omstandigheden de wenselijkheid wordt gevoeld van een korte overbruggingsperiode. Gelet op een en ander komt het de Raad voor dat er geen voldoem de grond is voor de voorgestelde beperking van de vrijheid voor de bedrijfsverenigingen. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat de voornaamste reden om de mogelijkheid tot afwijking van het wettelijk uitkeringspercentage voor de wachtgeldverzekering niet langer te laten bestaan, is gelegen in de omstandigheid dat juist dit zou kunnen neerkomen op een vooruitlopenopdeper 1 juli 1985 voorgenomen wijziging van de structuur van het stelsel van sociale zekerheid. Thans-en de facto reeds sinds lange tijd -zijn geen hogere percentages vastgesteld, zodat niet ingegrepen zou worden in door partijen gemaakte afspraken. In afwijking van de huidige situatie zou, indien de gedachte van de Raad van State zou worden gevolgd, een verschil tussen de

feitelijke en de wettelijke wachtgelduitkering ontstaan. Dit als gevolg van de bestaande bepalingen in de wachtgeldregiementen. Aanvullende uitkeringen, voorzover daaraan behoefte bestaat in het kader van de Werkloosheidswet (WW), zijn thans op andere wijze geregeld. Het niet langer toestaan van afwijkingen op het wettelijk uitkeringspercentage laat voorts overigens onverlet de mogelijkheid om op een ca.o., een individuele arbeidsovereenkomst of een ad hoc overeenkomst gebaseerde aanvullen-de uitkeringen toe te kennen. Gelet hierop is er naar mijn mening geen sprake van een onvoldoende grond om de mogelijkheid tot het vaststellen van een hoger uitkeringspercentagete laten vervallen. Derhalve is de maximering van het uitkeringspercentage op 70 in het wetsvoorstel gehandhaafd. 5. Met betrekking tot de loonsupple-tie-regeling in de WWV dringt de Raad er op aan dat de in de artikelen 30 a en 30 c van de WWV genoemde percentages met niet meer dan 5% worden verlaagd. Op deze wijze blijft de juiste verhouding met de WW ook intact. In verband hiermee merk ik op, dat in artikel 30a en 30c van de WWV en op bladzijde 15 van de toelichting (van het aan de Raad toegezonden exemplaar betreffende de artikelsgewijze toelichting op artikel III, de onderdelen c en dj abusievelijk een verlaging van aldaar genoemde percentages met 10 staat vermeld. Zoals in hoofdstuk 6, onderdeel c, van het algemeen deel van de memorie is vermeld, is het de bedoeling dat een afstand van 10% tussen het niveau van de uitkering en de aanvullende suppletie blijft bestaan. Het verlagen van het niveau van de WWV-uitkering met 5% brengt dan met zich dat de loonsuppletiepercentages ook met 5 dienen te worden verlaagd in plaats van met 10. De percentages genoemd in artikel 30a en 30c van de WWV zijn voor zover nodig dan ook aangepast en de memorie van toelichting is voorts op dit punt afgestemd op de wettekst, zoals de Raad verzocht.

  • Volgens de toelichting worden in de twee bedoelde rijksgroepsregelingen de uitkeringspercentages met een evenredig deel van 10 verlaagd. De Raad merkt op, dat de voorgestelde wijziging in artikel V zowel voor het uitkeringspercentage van 75 als van 70 een verlaging inhoudt van 9%. Het is de Raad niet duidelijk welke berekeningsmethode bij de beoogde evenredigheid is gehanteerd.

De verlaging met 9% betreft in beide gevallen een verlaging van '/e gedeelte van het uitkeringspercentage -conform de verlaging van 80% naar 70% -welke op een geheel getal is afgerond. 7. De Raad vraagt zich af, of in de twee rijksgroepsregelingen een verlaging van het uitkeringspercentage naar 66 respectievelijk 61 voor één-oudergezinnen en alleenstaanden niet strijdig is met het uitgangspunt van het kabinet dat een verlaging van het uitkeringspercentage beneden een niveau van bruto 70 van het minimumloon ongewenst is, omdat dit zou inhouden dat de loondervingsuitkering voor een voltijdwerker daalt beneden het sociaal minimum voor een alleenstaande en dus een aanvullend beroep op bijstand noodzakelijk maakt. Naar aanleiding van deze bezwaren van de Raad merk ik op dat in de bedoelde rijksgroepsregelingen een ander brutonettotraject geldt dan in de loondervingsregelingen. Hierdoor bedraagt de netto-uitkering voor een alleenstaande, ook bij een uitkeringspercentage van 61, meer dan het relevante sociaal minimum. Bovendien geldt voor deze bijstandsregelingen uiteraard de in de bijstandswet opgenomen garantie voor de voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan, zodat er nooit sprake is van een extra loket.

  • Met betrekking tot de door de Raad gemaakte redactionele opmerkingen merk ik het volgende op. Aan de eerste redactionele opmerking van de Raad is gevolg gegeven. Met betrekking tot de tweede redactionele opmerking merk ik op dat de strekking hiervan mij niet geheel duidelijk is. De Raad meent dat op bladzijde 16 van de toelichting in de derde regel van boven (van het aan de Raad toegezonden exemplaar) «1 januari 1985» dient te worden vervangen door 1 juli 1985. (Deze passage staat thans op pagina 28, derde en vierde regel van boven). De hierbedoelde zin geeft evenwel aan dat de 3% korting van 1 januari 1984 ongedaan gemaakt wordt door per 1 januari 1985 uit te gaan van het minimumloon zoals dat op 31 december 1983, dus vóór de 3% korting, van kracht was. Deze opmerking van de Raad van State heb ik derhalve niet verwerkt.

Ik veroorloof mij U in overweging te geven het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de daarmee in overeenstemming gebrachte, overeenkomstig het vorenstaande gewijzigde, memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.