Nota naar aanleiding van het eindverslag - Nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 9

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG Ontvangen 29 oktober 1984

De leden van de fracties van de P.v.d.A., het C.D.A. en de V.V.D. hebben nog een aantal nadere vragen en opmerkingen over het wetsvoorstel gemaakt. Hierop zullen wij in deze nota ingaan.

  • Inkomenseffecten

De leden van de C.D.A.-fractie stellen het op prijs alsnog nader geïnformeerd te worden omtrent de koopkrachteffecten van het voorliggende wetsontwerp in samenhang met de voorstellen tot zelfstandige betaling van de AOW/AWW-premie door ambtenaren. -Opgemerkt zij, dat de inkomenseffecten van de verzelfstandiging niet anders dan globaal kunnen zijn, omdat hierbij technische veronderstellingen zijn aangehouden. In dit verband dient onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds tweeverdieners die beiden ambtenaar zijn en anderzijds ambtenaren, waarvan de partner werkzaam is in het particuliere bedrijfsleven. Voor de tweeverdieners, die beiden ambtenaar zijn, heeft de verzelfstandiging van de premieheffing AOW/AWW in beginsel geen effect, zoals reeds uiteengezet in de memorie van antwoord, op het netto inkomen. De extra premie AOW/AWW komt namelijk -wegens de premie-overneming -voor rekening van de overheid. Het voor eigen rekening komen van de AOW/ AWW-premie zal in verreweg de meeste gevallen een netto inkomensverlies betekenen voor ieder van beide ambtenaren afzonderlijk van 1 a 1.5 procent. Het effect op het gezamenlijke inkomen zal eveneens -1 a -1.5 procent bedragen. Voor ambtenaren, waarvan de partner werkzaam is in het particuliere bedrijfsleven, heeft de verzelfstandiging van de premieheffing op zich wel effect. In tabel 2 bij het wetsontwerp zijn bij verschillende inkomensniveaus de hiermee samenhangende inkomenseffecten weergegeven. Vervolgens zal uitsluitend voor de partner, die ambtenaar is, een inkomenseffect optreden van -1 a -1.5 procent wegens het voor eigen rekening komen van de AOW/AWW-premie. Het effect op het gezinsinkomen ligt lager al naar gelang het aandeel van de ambtenaar in het totale gezinsinkomen kleiner is. Voor een aantal inkomensniveaus zijn in onderstaande tabel de inkomenseffecten van beide maatregelen weergegeven.

Tabel. Inkomenseffecten in procenten van het netto gezinsinkomen van enerzijds het voor eigen rekening komen van de AOW/AWW bij ambtenaren en anderzijds de verzelfstandiging van de premieheffing AOW/AWW Inkomen minst verdienende partner in bedrijfsleven

ABABABAB

Ambtenaar ppi vv 28140

42365

58452

62 850 ppi vv 28140

-0,6

0 42 365

-0,8

-1,3

-0,6

-2,9 58 452

-0,9

-2,5 --0.8

-3,4

-0,6

-4,2 62 850

-0,9

-2,7 -0,9

-3,5

-0,8

-4,3

-0,6

-4,4

A

  • voor eigen rekening komen van de AOW/AWW bij ambtenaren. B
  • verzelfstandiging van de premieheffing AOW/AWW. ppi vv = premieplichtig inkomen ingevolge de volksverzekeringen.
  • Hoogte van de opslagpremies en compensatie in de fiscale sfeer

De leden van de fracties van P.v.d.A., V.V.D. en C.D.A. stellen in het eindverslag nogmaals het effect van de individuele heffing van de zogenaamde opslagpremies aan de orde. Daarbij wijzen zij allereerst op de positie van de verzekerden, die zelf de opslagpremies moeten voldoen, indien en voor zover hun inkomen niet als loon uit dienstbetrekking of als winst uit onderneming wordt aangemerkt en die derhalve geen recht hebben op zelfstandigenaftrek. Wij willen terzake allereerst nog eens met nadruk erop wijzen dat wij de individuele premieheffing voor de AAW, AKW en AWBZ niet alleen zien als de doorwerking van het stelsel van heffing van opslagpremies, doch deze individuele heffing bovendien gerechtvaardigd vinden. Wij beoordelen het positief, dat daarmee het individuele karakter van de uitkeringsrechten in de AAW nu een equivalent in de premieheffing vindt. Hetzelfde geldt voor de prestaties van de AWBZ, die qua aard vergelijkbaar zijn met die van de verplichte ziekenfondsverzekering, waar reeds van een individuele heffing sprake was. Een dergelijke individuele heffing van de opslagpremies stuit tot nu toe op het gezinsmaximum, dat in de nog niet-geïndividualiseerde AOW geldt. Wij hebben echter overwogen, dat de inkomenseffecten die optreden ten gevolge van de individuele heffing van die premies volksverzekeringen die bij wege van aanslag moeten worden voldaan, ondanks de dragende rechtsgrond, in een aantal situaties van een dergelijke omvang kunnen zijn, dat een zekere compensatie daarvoor op haar plaats is. Reeds eerder is uiteengezet, dat wij een beperking van de premieplicht niet in overweging menen te kunnen nemen. Een dergelijke doorbreking van de solidariteit, die aan de financiering van de volksverzekeringen ten grondslag ligt, is niet gewenst. Herhaald zij dan ook het gestelde in de memorie van antwoord, dat tegenover een voor ieder gelijk recht op prestaties van de sociale zekerheid eveneens een voor ieder gelijke premieplicht dient te staan. Een dergelijke situatie wordt door het voorliggende wetsontwerp bewerkstelligd. Bedacht zij dat de premiedruk, die na totstandkoming van onze voorstellen op het gezinsinkomen van gehuwden zal rusten, alsdan gelijk zal zijn aan de premiedruk voor ongehuwd samenwonenden. Wij vermogen dan ook niet in te zien, hoe de leden van de fractie van de V.V.D. kunnen stellen dat met het voorliggende wetsontwerp aan het geciteerde beginsel geen recht zouworden gedaan. Wellicht zijn deze leden in verwarring gebracht door de ongelijke inkomenseffecten, die uit onze voorstellen voortvloeien. Deze vloeien echter noodzakelijk voort uit een wetsontwerp dat gelijke behande-

ling realiseert vanuit een situatie, waarin daarvan geen sprake is. De optredende mutatie kan dan niet anders dan verschillend zijn voor gehuwden en ongehuwden. Het is niet juist om het geciteerde beginsel toe te passen op de geboden compensatie voor hen, die tevens het effect van de individuele heffing van opslagpremies ondervinden. De grond voor deze compensatie mag uitsluitend gezocht worden in de omvang van de inkomenseffecten en staat op zich los van de te realiseren gelijke behandeling. De geboden compensatie is in hoofdzaak gericht op zelfstandige ondernemers, omdat wij menen, dat deze het overgrote deel vormen van de verzekerden, die bij wege van aanslag de opslagpremies moeten voldoen. De geboden compensatie is noodzakelijk globaal van karakter. Het nastreven van een zo precies mogelijke compensatie wordt beperkt door de beschikbare instrumenten. Wij betreuren deze beperking, omdat deze ertoe leidt dat er sprake kan zijn van over-en ondercompensatie. Wij betreuren het evenzeer, dat door het gebruik van het instrument van de zelfstandigenaftrek niet allen worden bereikt, die het effect van de individuele heffing van opslagpremies ondervinden. Ook hier vormt het beperkte scala van mogelijke instrumenten de belemmering. Alle leden vragen naar een verduidelijking van de stelling dat er geen mogelijkheden aanwezig zijn om de verzekerden, waarvan hier sprake is, tegemoet te komen. De leden van de fractie van de V.V.D. vragen naar een inventarisatie van technische mogelijkheden, ook onorthodoxe. Wij kunnen hier slechts herhalen, dat wij in de fiscale sfeer geen mogelijkheden zien. Daaraan zij toegevoegd, dat wij ons niet willen begeven in theoretische exercities, die buiten de realiteit gelegen zijn, daar zonder een dergelijke beperking, die niet in het minst wordt ingegeven door de uitvoeringstechnische mogelijkheden en de perceptiekosten, de mogelijkheden in beginsel onbeperkt zijn. In de sfeer van de sociale zekerheid zouden wij alleen de mogelijkheid van een apart heffingsregime voor de opslagpremies AAW, AWBZ en AKW willen noemen, waarin dan van enige beperking van de premiedruk per gezin sprake zou kunnen zijn. Ons oordeel over een dergelijk stelsel hebben wij eerder geformuleerd. In deze nota zullen wij daarop nog nader ingaan. Reeds hiervoor hebben wij gesteld het te betreuren, dat de geboden compensatie niet voor alle betrokkenen kan gelden. Wij willen er op wijzen, dat naast de maatregelen in de sfeer van de zelfstandigenaftrek en de regeling voor de meewerkende partner van de gehuwde ondernemer ook de voorgenomen verzelfstandiging van de premiereductie-en vrijstellings-regeling voor de hier bedoelde verzekerden een compenserend karakter kan hebben. Wanneer van gehuwde tweeverdieners een echtgenoot loon uit dienstbetrekking heeft en de ander bescheiden inkomen uit arbeid geniet in de zin van artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zal laatstbedoelde verzelfstandiging tot voordeel kunnen leiden. De op zelfstandige ondernemers gerichte maatregelen zullen naar onze overtuiging het overgrote deel van degene, die opslagpremies bij wege van aanslag moeten voldoen, betreffen. Van de groep van verzekerden die wel het inkomenseffect van de individuele heffing van opslagpremies ervaren, maar niet als zelfstandige ondernemer kunnen worden aangemerkt, is de omvang niet aan te geven. Alle fracties informeren nogmaals om wie het hier gaat. In antwoord hierop kunnen wij in de eerste plaats de opsomming van de door de leden van de fractie van het C.D.A. gevonden groepen herhalen. Een en ander wordt hier nogmaals weergegeven: -geestelijken, voor zover niet in loondienst -free lancers, voor zover hun arbeidsverhouding niet als dienstbetrekking wordt beschouwd -BKR-kunstenaars, voorzover niet als ondernemer te beschouwen -kamerleden, leden van de provinciale staten en gemeenteraden, wethouders, e.d.

Deze opsomming is overigens niet uitputtend, omdat inkomenseffecten zich in beginsel kunnen voordoen in alle gevallen waarin premie bij wege van aanslag wordt geheven. Hiertoe behoren onder meer de zgn. rosé tabelgevallen, waaronder sommige VUT-categorieën. Voor een juiste indruk van de beperkte omvang dient voorts te worden bedacht, dat alleen gehuwde tweeverdieners met een gezinsinkomen boven de inkomensgrens, dat wil zeggen circa 2 x modaal, een inkomenseffect kunnen ondervinden. Bovendien moet het inkomen waarover opslagpremies door de premieplichtige zelf moeten worden betaald een aanmerkelijk deel van het totale inkomen vormen, om het negatieve inkomenseffect van betekenis te laten zijn. Wij menen de ledenvan de fractie van de V.V.D. erop te moeten attenderen dat wij in de memorie van antwoord niet hebben gesteld dat het bij de hier bedoelde personen «hoofdzakelijk om kamerleden» zou gaan. Met het bovenstaande hopen wij suggesties, die door hen kennelijk in de tekst van de memorie van antwoord zijn gelezen, te hebben weggenomen. Tevens hopen wij met bovenstaande verduidelijking de verwondering, waarvan de leden van de fractie van het C.D.A. gewag maken, te hebben weggenomen. De leden van de fractie van de P.v.d.A. zijn van mening, dat de individuele premiegrens tot praktische problemen aanleiding zal kunnen geven. Zij menen te moeten constateren dat het voor zelfstandige ondernemers financieel aantrekkelijk zou worden voor het «alleenverdienerschap» te opteren. Wij vermogen de strekking van deze stelling niet in te zien. Ten eerste staat het zelfstandigen immers binnen grenzen vrij om voor een zekere vorm van ondernemerschap te kiezen. Bij een dergelijke keuze spelen vele aspecten, waaronder financiële, een rol. De individuele premieheffing zou daaraan slechts een overweging toevoegen. Voorts komt het ons voor, dat de keuze voor een «alleenverdienerschap» alleen mogelijk is in situaties, waarin de echtgenoten gezamenlijk een onderneming drijven, dan wel de een in de onderneming van de ander meewerkt. Deze laatste situatie zal in onze ogen volgend jaar zijn betekenis voor de premieheffing volledig verliezen door de voorstellen, die de Regering in het wetsontwerp derde fase heeft gedaan om het in aanmerking nemen van het meewerken in de onderneming van de ander een andere vorm te geven. Deze wijziging is juist in hoge mate ingegeven door de wens om de gevolgen van de individuele premieheffing in meewerksituaties te voorkomen. Ook voor de situaties van het gezamenlijk drijven van een onderneming zullen redenen zijn, die door de echtgenoten tegen de effecten van de individuele premieheffing moeten worden afgewogen. Voor deze situaties is een aanmerkelijke compensatie voorgesteld door voortaan beide echtgenoten voor zelfstandigenaftrek in aanmerking te laten komen. Wij achten een wijziging van de ondernemingsvorm allerminst een lichtvaardige zaak voor betrokkenen, maar achten het evenmin een bezwaar wanneer de effecten van de premieheffing aanleiding zouden vormen de onderneming op andere wijze voort te zetten. De fracties van het C.D.A., de P.v.d.A. en de V.V.D. brengen een premieheffingssystematiek ter sprake, waarin voor de opslagpremies in enige mate de huidige maximering per gezin zou worden gehandhaafd. Een dergelijk systeem is theoretisch te beschouwen als een alternatief voor de voorstellen van de Regering in samenhang met de compensatie, die in de derde fase tweeverdieners is voorgesteld. Ook met een beperking voor de opslagpremies wordt het extra inkomenseffect immers voorkomen. Aan genoemde leden zij toegegeven, dat het negatieve inkomenseffect van de individuele heffing van opslagpremies ten principale en voor allen wordt voorkomen, waar in onze voorstellen sprake is van compensatie voor het overgrote deel van de betrokkenen. Wij hebben herhaald uiteengezet, waarom wij een dergelijke systematiek niet menen te mogen overwegen; kortheidshalve zij hiernaar verwezen. Aan deze principiële bezwaren kunnen een aantal zwaarwegende praktische bezwaren worden toegevoegd. De gedachte van de genoemde leden

betekent feitelijk een beëindiging van het opslagsysteem voor de premies AAW, AKW en AWBZ. De consequenties van een dergelijke fundamentele stelselwijziging zijn binnen het gegeven tijdsbestek onoverzienbaar. Vooralsnog lijkt geautomatiseerde verwerking bij de Belastingdienst zeker op korte termijn niet mogelijk. Er zou steeds een bijzondere koppeling gelegd moeten worden tusen premie-aanslagen van echtgenoten. Op dit moment is ook onduidelijk hoe de zogenaamde verlaagde grondslag voor zelfstandigen (dit is de regeling waarbij de opslagpremies niet bij het belastbaar inkomen behoeven te worden opgeteld om tot het premie-inkomen te komen) gehandhaafd zou kunnen worden. Wanneer binnen een gezin naast aanheffing bij wege van aanslag onderworpen inkomsten tevens loon uit dienstbetrekking genoten is, waarover premies zijn ingehouden, zullen gecompliceerde en wellicht arbitraire regelingen noodzakelijk zijn om een en ander uit elkaar te houden. Nadere beleidsvorming is noodzakelijk ten aanzien van de positie van dergelijke niet-geïndividualiseerde premies in een stelsel van in verregaande mate geïndividualiseerde loon-en inkomstenbelasting. Bij een bezinning in structurele zin zou voorts onder ogen moeten worden gezien of een dergelijke maximering wellicht ook voor ongehuwd samenwonenden zou moeten gelden. In een eerste overweging moeten wij naast onze principiële afwijzing de schiet praktische onuitvoerbaarheid stellen. Een eerste schatting leidt tot een extra personeelsbeslag bij de belastingdienst van 200 mensen. Wellicht ten overvloede zij erop gewezen, dat bij doorvoering van het door deze leden aangedragen stelsel compensatie in de fiscale sfeer niet langer noodzakelijk is. Vanuit de premiesfeer wordt in het voorliggende wetsontwerp een bijdrage van 80 min. geleverd aan het fiscale compensatiepakket. Het wegvallen van de noodzaak voor fiscale compensatie bij het realiseren van de gedachte van deze leden leidt ertoe, dat wij geen aanleiding meer zien voor deze bijdrage uit de premiesfeer. Deze bijdrage zou worden gerealiseerd door de kosten van de premievrijstellings-en reductieregeling niet langer op de rijksbegroting te laten drukken, maar direct ten laste van de betrokken sociale fondsen te brengen. Daar de kosten van bedoelde regeling 150 min. bedragen, zou een dergelijke maatregel tevens een bijdrage aan de terugsluisproblematiek leveren. De bijdrage aan het fiscale compensatiepakket respectievelijk de terugsluisproblematiek kunnen niet los van elkaar worden gezien. Bij een eventuele heroverweging van het ten laste van de sociale fondsen brengen van de reductie-en vrijstellingsregeling zal het kabinet met beide aspecten rekening houden. Ook de verzelfstandiging van de premiereductie-en vrijstellingsregeling zouden wij dan willen heroverwegen. De leden van de fractie van de P.v.d.A. informeren nogmaals waarom de premievrijstellings-en reductieregeling niet ook uitgebreid zou kunnen worden naar de lage looninkomens. In de memorie van antwoord heeft de Regering er reeds op gewezen, dat naar haar oordeel bij inhouding aan de bron, zoals dat bij looninkomen gebeurt, geen sprake kan zijn van betalingsonmacht. Zou een dergelijke regeling als de premievrijstellings-en reductieregeling toch uitgebreid worden naar de lage looninkomens, dan zal een dergelijke regeling een premiederving betekenen in de orde van grootte van ruim 1,5 mld. Dit bedrag zal dan ten goede komen aan grote groepen parttime werkenden en werkenden die slechts gedurende een gedeelte van het jaar werkzaam zijn geweest, e.d. Bij deze groepen is weliswaar sprake van een beperkte koopkracht, gezien de omvang van het inkomen, dit kan echter geenszins gelijk gesteld worden met betalingsonmacht. Het bedrag van ruim 1,5 mld. is, gezien de beschikbare tijd noodzakelijkerwijs een grove schatting en is inclusief het voordeel voor werkgevers van deze groeperingen. Het bedrag geeft reeds een goede indicatie van de orde van grootte van de premiederving, die verwacht mag worden. Het zal duidelijk zijn dat een dergelijke premiederving

in het huidige financieel-economische kader onverantwoord is. Zelfs bij een beperking van een dergelijke regeling tot situaties, waarin het hele jaar arbeid is verricht, kunnen de kosten enige honderden miljoenen bedragen. Wij wijzen er echter op dat een afzonderlijke behandeling van degenen, die slechts een deel van het jaar hebben gewerkt, bij de behandeling van het wetsontwerp met betrekking tot de regeling inzake het al of niet opleggen van een aanslag (Zitting 1980-1981, nr. 16404) afgewezen is.

  • Hoogte van de premie-inkomensgrens

De leden van de P.v.d.A.-fractie blijven van oordeel, dat het stellen van een individuele maximumpremiegrens een grote discrepantie teweeg brengt tussen premieplichten en uitkeringsrechten waar het om gehuwde tweeverdieners gaat. Het hanteren van een individuele premiebegrenzing versterkt de indruk volgens deze leden, dat er een relatie tussen beide grootheden zou zijn. Indien de P.v.d.A.-fractie doelt op de individuele premie-inkomensgrens als vorm waarin de verzelfstandiging is gegoten, zien de ondergetekenden geen discrepantie tussen de premieplicht en de uitkeringsrechten. Bij een zelfstandig recht op ouderdomspensioen past naar onze mening zeer wel een verzelfstandigde premieheffing. Evenmin wordt daarmee de relatie versterkt tussen premieplicht en uitkeringsrecht. In de memorie van antwoord hebben wij, toen wij spraken over een niet-bestaande relatie, immers bedoeld aan te geven dat de bedragen, die aan premie worden betaald, de hoogte van het uiteindelijke ouderdomspensioen en de duur van de uitbetaling niet beïnvloeden; het ging ons in termen van relatie derhalve juist niet om de vormgeving. Waarschijnlijk zien de leden van de P.v.d.A.-fractie een grotere discrepantie ontstaan tussen hetgeen gehuwden thans aan premie betalen en wat zij met ingang van 1 januari 1985 gaan betalen. Indien het gezamenlijke inkomen van man en vrouw boven de premie-inkomensgrens ligt, gaan gehuwden inderdaad meer premie betalen. Het zal de genoemde leden duidelijk zijn, dat door een verhoging van de premie-inkomensgrens of het volledig laten vervallen van die grens de genoemde discrepantie alleen nog maar wordt vergroot. Van een pleidooi voor een verhoging van die grens door de SVR is mij overigens niets bekend. Voorts vraagt de P.v.d.A.-fractie of het niet wenselijk ware geweest de huidige premiegrens met het prijsindexcijfer te verhogen. De regering heeft in het kader van de aanpassing van de huidge premiesystematiek aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen geen aanleiding gezien op een andere wijze van indexering over te gaan. De leden van de V.V.D.-fractie zijn het met de Regering eens, dat het aangeven van een acceptabele verhouding tussen premie en uitkering en daarmee een begrenzing van de solidariteitsgedachte een arbitraire zaak is. Wel constateren zij dat van samenverdienende partners een aanzienlijke extra premie wordt geheven, terwijl aan de uitkeringskant in sommige gevallen de rechten voor de helft worden aangetast. We hebben er behoefte aan -in aanvulling op hetgeen deze leden bij wijze van voorbeeld opmerken -te vermelden, dat de halvering van het ouderdomspensioen in beginsel van tijdelijke aard is. Immers indien de jongere echtgenoot de 65-jarige leeftijd bereikt, ontvangt deze een ouderdomspensioen dat tezamen met dat van de andere echtgenoot weer gelijk is aan het huidige gehuwdenpensioen. In het merendeel van de gevallen is die situatie reeds na 2 of 3 jaren bereikt. Eveneens willen wij niet onvermeld laten, dat in bepaalde gezinssituaties eerder een ouderdomspensioen opkomt dan krachtens de huidige AOW het geval is, nl. op de 65-jarige leeftijd van de ouder dan haar man zijnde gehuwde vrouw. Naar het oordeel van de leden van de V.V.D.-fractie rechtvaardigt de solidariteitsgedachte juist een verlaging van de premie-inkomensgrens met

f7000. Zij wijzen er bovendien op, dat de premie-inkomensgrens tijdelijk is verhoogd en dat het niet gaat om een verhoging, die sedert 1982 van kracht is. Uit de wettelijke systematiek van een bijzondere verhoging van de premie-inkomensgrens vloeit voort, dat aan het einde van het jaar die extra verhoging telkens komt te vervallen. De Regering heeft voor de extra verhogingen voor de jaren na 1982 dan ook elke keer een uitdrukkelijk besluit moeten nemen. Doordat dat elk jaar is gebeurd, is het effect niet anders dan indien in 1982 de verhoging structureel zou zijn gemaakt. Aan de handhaving van de extra verhoging lagen telkenmale dezelfde inkomenspolitieke doelstellingen ten grondslag. Aangezien het ons wenselijk voorkomt, dat in de inkomensverdeling -die, met de extra verhoging -geen wijziging wordt gebracht, hebben wij voorgesteld die verhoging thans structureel te regelen. Een toezegging, dat de extra verhoging nog gedurende deze kabinetsperiode wordt teruggedraaid, kan dan ook niet worden gegeven. De leden van de fractie van het C.D.A. informeren nog eens naar de percentages waarmee de premieloongrens van jaar tot jaar gestegen is sedert 1974. De premie-inkomensgrens wordt jaarlijks per januari verhoogd met de mutatie van de geschoonde regelingsloonindex van juli vorig jaar ten opzichte van diezelfde index twee jaar tevoren. In onderstaande tabel zijn de mutaties sinds 1974 weergegeven:

1974

10,1%

1980

5,59% 1975

18,7%

1981

5,13% 1976

12,1%

1982

2,67% + f 7000 1977

9,0%

1983

7,14% 1978

7,6%

1984

2,78% 1979

5,3%

1985

0,53%

Diversen De leden van de fractie van de P.v.d.A. herhalen hun vraagstelling met betrekking tot de positie van Nederlanders in het buitenland die AOW-premie doorbetalen. Hun stelling dat juist de uitkeringsrechten van deze groep afwijkt van de rechten van diegenen, die in Nederland woonachtig zijn, is in zijn algemeenheid niet juist. Alleen zal, nu in het uitkeringswetsontwerp wordt voorgesteld de toeslag niet buiten Nederland betaalbaar te stellen, er een discrepantie met in Nederland woonachtigen kunnen ontstaan. Wij achten dit in het kader van een vrijwillige regeling niet onoverkomelijk. De leden van de fractie van de P.v.d.A. achten het niet zonder meer logisch dat na 1 januari 1985 één huwelijkspartner de consequentie zou moeten dragen voor de schuldige nalatigheid van de andere partner. Zij wensen hierover een nadere reactie. Hierbij merken wij op, dat in het nieuwe uitkeringsstelsel bij individuele aanspraken ook de schuldige nalatigheid op individuele basis zal worden verrekend. Uitsluitend over tijdvakken van huwelijk vóór 1 januari 1985 zal echter -vanwege de samenvoeging van inkomens voor de premieheffing -het niet mogelijk zijn na te gaan op wie het schuldig nalatig geweest zijn, zou moeten drukken. Vandaar dat op tijdvakken vóór 1 januari 1985 de schuldige nalatigheid wordt gedeeld. Voorts vragen deze leden hoe en wanneer de nadere regelgeving zal worden uitgewerkt opdat huwelijkspartners van bij voorbeeld grensarbeiders eigen rechten zullen verkrijgen. Hierover merken wij op, dat de hierbedoelde verzekeringsplicht zal worden geregeld in de wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. Thans is het zo, dat een in Nederland wonende grensarbeider verzekerd is in het land waar hij werkt. Zijn echtgenote is dan ook uitgezonderd van de premieplicht. Deze koppeling zal bij de gelijke behandeling van de uitkeringen

worden verbroken. Deze echtgenoten zijn dan zelfstandig premieplichtig en bouwen onverkort AOW-rechten op. Zij betalen dan premie over hun inkomen. Wanneer geen inkomen aanwezig is, is uiteraard ook geen premie verschuldigd.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. Kappeyne van de Coppello

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.