Eindverslag - Nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 8

1 Samenstelling: Leden: Scholten (de groep Scholten/Dijkman), Keja (VVD), Poppe (PvdA), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), De Korte (VVD), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Toussaint (PvdA), Buikema (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Leerling (RPF), Schutte (GPV), Groenman (D'66), Van der Vlies (SGP), Willems (PSP), Brouwer (CPN), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Paulis (CDA), Dales (PvdA), Ubels-Veen (EVP), Korthals (VVD), Linschoten (VVD). Plv. leden: De Grave (VVD), Worrell (PvdA), Hermsen (CDA), C. C. van Dam (CDA), Leijnse (PvdA), Kombrink (PvdA), Van Erp (VVD), Van Muiden (CDA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Salomons (PvdA), Faber (CDA), Hermans (VVD), Nypels (D'66), Eshuis (CPN), Wolters (CDA), Wöltgens (PvdA), Evenhuis-van Essen (CDA), Knol (PvdA), Kamp (VVD), Nijhuis (VVD).

EINDVERSLAG Vastgesteld 25 oktober 1984

Na kennisneming van de memorie van antwoord zijn in de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog verschillende opmerkingen gemaakt en vragen gesteld. Onder het voorbehoud dat de regering deze tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

  • Algemeen

De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden waardering voor de snelheid waarmee de vragen, gesteld in het voorlopig verslag, zijn beantwoord door de regering. Zij meenden echter dat enkele vragen nog niet volledig zijn beantwoord en bovendien gaf een aantal antwoorden aanleiding tot nieuwe vragen. De leden van de P.v.d.A.-fractie constateerden dat zij terecht hadden gevraagd wat de regering bedoelde met «draagkracht» bij de premieheffing. Zij hadden daarvoor een zinsnede uit de memorie van toelichting aangehaald luidende: «Een dergelijk individueel maximum valt mede te rechtvaardigen door de overweging dat het aan het individu toekomende bruto loon de ruimte bevat voor volledige premiebetaling ...... (blz. 11) In de memorie van antwoord wordt nu gesteld: «Het is allerminst zo dat het bruto inkomen die ruimte zou bevatten». Deze nadere toelichting met betrekking tot het premieplichtig inkomen in de memorie van antwoord had al iets verhelderd, en had wellicht beter meteen al in de memorie van toelichting kunnen staan. Deze leden constateerden dat in het wetsvoorstel ten dele rekening wordt gehouden met de individuele draagkracht, ongeacht of betrokkene alleenstaand, gehuwd, ongehuwd samenwonend, alleen-of tweeverdiener is. Dat betreft dan met name de maximumpremie-inkomensgrens. Voor de premievrijstelling en -reductieregeling wordt -door aansluiting te zoeken bij de belastingvrije voet voor betrokkenen -wèl rekening gehouden met de draagkracht, bepaald door de gezinssituatie en het al dan niet beschikken over een eigen inkomen van de partner. Voor de uitvoeringssystematiek zou dan weer een vorm van individualisering worden gekozen, waarbij uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de draagkracht van de betrokkenen in relatie tot de eventuele partner in het huwelijk c.q. samenlevingsverband en zijn of haar inkomen. Het door de regering gehanteerde begrip «individuele draagkracht» en «individuele rechten en plichten» is, zo meenden deze leden, kennelijk voor meerdere uitleg vatbaar. Zij wensten daarover graag een nadere toelichting.

De leden van de V.V.D.-fractie betreurden het dat de memorie van antwoord geen antwoord heeft gegeven op enkele door hen gestelde vragen. Zij vroegen de regering in de nota naar aanleiding van het eindverslag alsnog op de niet beantwoorde vragen in te gaan. Op een tweetal punten achtten zij de memorie van antwoord buitengewoon onbevredigend, te weten de hoogte van de premie-inkomensgrens en de compensatieregeling voor de verhoogde opslagpremies. Hierop zouden zij nader in dit verslag terugkomen.

  • Inkomenseffecten

De leden van de C.D.A.-fractie stelden het op prijs alsnog geïnformeerd te worden omtrent de koopkrachteffecten van het voorliggende wetsvoorstel in samenhang met de voorstellen tot zelfstandige betaling van de AOW-premie door ambtenaren. Deze leden wensten zich over laatstgenoemde voorstellen, welke thans nog in bespreking zijn in het overleg tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de organisaties van overheidspersoneel, niet uit te spreken, maar achtten het voor de beoordeling van het voorliggende wetsvoorstel van belang de koopkrachteffecten inzichtelijk te krijgen. Zij meenden dat dit technisch mogelijk zou moeten zijn, te meer daar in de Macro-Economische Verkenning ook wordt uitgegaan van een aantal technische vooronderstellingen. Zij stelden het op prijs op basis van deze technische vooronderstellingen de koopkrachteffecten voor ambtenaren in samenhang met het voorliggende wetsvoorstel in de nota naar aanleiding van het eindverslag te mogen ontvangen.

  • Hoogte van de opslagpremies en compensatie in de fiscale sfeer

Waar het de opslagpremies betreft waren de leden van de P.v.d.A.-fractie zeker niet op principiële maar praktische gronden van oordeel dat hantering van de voorgestelde premie-inkomensgrens voor niet-looninkomens tot problemen kan leiden. Zij constateerden dat het voor zelfstandigen financieel aantrekkelijk wordt bij een inkomen boven de individuele grens voor het «alleenverdienerschap» te opteren. Het medeondernemerschap van de gehuwde partner zou immers leiden tot niet alleen een hogere premiebetaling voor de AOW, maar eveneens voor de andere volksverzekeringen. Ware het niet denkbaar de opslagpremies toch aan een bepaald maximum te binden, los van de premie-inkomensgrens voor de AOW. Deze leden dachten aan bij voorbeeld beperking van de opslag premie-inkomensgrens voor gehuwden èn tweeverdieners tot aan de individuele premie-inkomensgrens, dan wel een constructie waarbij de premie-inkomensgrens voor de opslagpremies wordt gerelateerd aan de voor de betrokkene geldende belastingvrije voet. Daarmee zou dan de compensatie voor de zelfstandigen in de sfeer van de belastingheffing -zeker grotendeels -overbodig worden, meenden deze leden. Tevens zou voor andere niet-loon inkomens de eventuele compensatieproblematiek vervallen. Deze leden wensten de opvattingen van de regering te vernemen over de gevolgen van een dergelijke opslagpremiegrens. Waar het de premievrij-stellings-en -reductieregeling betreft, hadden deze leden gevraagd waarom een soortgelijke regeling niet zou kunnen worden uitgebreid naar lage looninkomens. Deze leden achtten de verwijzing naar de inhouding van premie bij de bron, waar het de looninkomens betreft, onvoldoende argumentatie voor de naar het oordeel van de regering afwezige betalingsonmacht. Ook voor de belastingheffing wordt er immers onvoldoende draagkracht aanwezig geacht. De individuele draagkracht is ook bij een laag looninkomen zeer gering. Zou daarmee het schokeffect, wat optreedt bij lage tweede inkomens, als gevolg van de tweeverdieners belasting, niet tevens kunnen worden gemitigeerd? Deze leden wensten toch een meer uitgebreide reactie, alsmede enig inzicht in de budgettaire effecten.

Ook de leden van de C.D.A.-fractie hadden, zo merkten zij op, in het voorlopig verslag reeds gesteld dat er groepen zelfstandigen zijn die opslagpremies betalen en voor wie, gelet op de fiscale behandeling van hun inkomen, geen compensaties gelden, omdat zij niet in aanmerking komen voor de fiscale zelfstandigenaftrek. Tot deze categorie behoren niet alleen kamerleden -de groep die door de regering, lichtelijk tot hun verwondering, als enige genoemd wordt in de memorie van antwoord -maar onder meer ook geestelijke ambtsdragers, freelancers, kunstenaars. Nu in feite loontrekkenden de druk van de opslagpremies niet gevoelen, omdat die premies werkgeverspremies zijn, terwijl grote groepen andere verzekerden via de verhoogde zelfstandigenaftrek een compensatie ontvangen, krijgt deze zoveel kleinere groep geen enkele vorm van compensatie. Acht de regering dit nu wel juist? Wil de regering haar stelling verduidelijken dat er noch in de fiscale, noch in de premiesfeer instrumenten voorhanden zijn om aan deze toch ook door haar betreurde onevenwichtigheid tegemoet te komen?

Voor de leden van de V.V.D.-fractie was het niet aanvaardbaar dat voor inkomensgroepen die zelf de opslagpremies betalen, niet een voor iedereen geldende compensatiemaatregel is getroffen. De in wetsvoorstel 18519 voorgestelde fiscale compensatie bereikt slechts degenen, die kunnen profiteren van de verhoging van de zelfstandigenaftrek. Diverse andere groepen van mensen, met vergelijkbare inkomens, worden als gevolg hiervan op een ongelijke wijze behandeld. De leden van de V.V.D.-fractie herhaalden de vraag om welke groepen het hier precies gaat. De suggestie in de memorie van antwoord dat het hier hoofdzakelijk om kamerleden gaat, achtten deze leden volstrekt onvoldoende. De leden van de V.V.D.-fractie achtten het noodzakelijk dat ook voor die groepen die niet profiteren van de zelfstandigenaftrek een gelijkwaardige compensatie wordt geregeld. Zij wensten in de nota naar aanleiding van het eindverslag een inventarisatie van de technische mogelijkheden (ook de minder orthodoxe) om dit te realiseren in de fiscale dan wel in de premiesfeer. In de memorie van antwoord staat terecht, aldus deze leden,: «Tegen een voor ieder gelijk recht op prestaties van de sociale zekerheid kan slechts een voor ieder gelijke premieplicht staan». Aan dat uiterst belangrijke beginsel wordt, aldus deze leden, door dit wetsvoorstel, in combinatie met wetsvoorstel 18519, geen recht gedaan.

  • Hoogte van de premie-inkomensgrens

De leden van de P.v.d.A.-fractie bleven van oordeel dat het stellen van een individuele maximum premiegrens een grote discrepantie teweeg brengt tussen premieplicht en uitkeringsrecht waar het betreft -gehuwde -tweeverdieners, die samen een huishouden vormen. Het hanteren van een individuele premiegrens versterkt de indruk dat er een relatie zou zijn tussen premieplicht en uitkeringsrecht. Het volledig laten vervallen van premiegrenzen of liever nog het fiscaal benaderen van de volksverzekeringen zou in deze situatie belangrijke veranderingen teweeg brengen. In een binnenkort te houden overleg over de financiering van de sociale zekerheid zullen deze leden zeker op andere financieringsmogelijkheden terugkomen. Voorlopig achtten zij ten minste handhaving of liever nog een verhoging van de premie-inkomensgrens aanvaardbaar. Is het waar dat de SVR een verhoging van de premiegrens heeft bepleit, en zo ja, tot welke hoogte? Ware het niet wenselijk de huidige premiegrens te verhogen met ten minste het prijsindexcijfer?

De leden van de C.D.A.-fractie zouden gaarne vernemen met welk percentage de premie-inkomensgrens van jaar tot jaar gestegen is sedert 1974.

De leden van de V.V.D.-fractie hadden geconstateerd dat naar de opvatting van de regering de premie-inkomensgrens slechts de functie blijft behouden die zij thans heeft, te weten het voorkómen dat een te grote discrepantie tussen betaalde premie enerzijds en uitkering anderzijds ontstaat, met andere woorden: een begrenzing van de solidariteitsgedachte. De leden van de V.V.D.-fractie waren het eens met de regering dat het aangeven van een aanvaardbare verhouding tussen premie en uitkering een arbitraire zaak is. Dat neemt echter niet weg, aldus deze leden, dat zich een wezenlijke verschuiving voordoet. Van samen verdienende partners zal een aanzienlijk hogere premie geheven worden, terwijl de uitkeringsrechten van deze categorie, als gevolg van de inkomensafhankelijke toeslagen aanzienlijk, in sommige gevallen voor de helft, worden aangetast. Naar het oordeel van de V.V.D."fractieleden is, juist vanwege diezelfde begrenzing van de solidariteitsgedachte, een verlaging van de premie-inkomensgrens met f7000 zeer wel te rechtvaardigen. Deze leden constateerden dat sedert 1982 de premie-inkomensgrens tijdelijk is verhoogd! Wil de regering toezeggen, zo vroegen deze leden, dat deze tijdelijke verhoging nog gedurende deze kabinetsperiode ongedaan zal worden gemaakt? Deze leden waren van mening dat de regering ten minste dient te onderstrepen dat het in 1982 om een tijdelijke maatregel ging en niet, zoals viel te lezen in de memorie van antwoord om een verhoging van de premie-inkomensgrens sedert 1982.

  • Diversen

De leden van de P.v.d.A.-fractie herhaalden hun vraagstelling met betrekking tot de positie van Nederlanders in het buitenland die AOW-premie doorbetalen. Is het waar dat de uitkeringsrechten van deze groep -zeker waar het de uitkering van de jongere (huwelijks)partner betreft -afwijkt van de rechten van degenen, die in Nederland woonachtig zijn? Ware het dan niet wenselijk met de premiebetaling daarmede enige rekening te houden, bij voorbeeld door dan voor beide echtelieden gezamenlijk tot de maximale premie-inkomensgrens premie te heffen? Met andere woorden, door er voor een echtpaar, waarvan beide partners in het buitenland woonachtig zijn, er per definitie van uit te gaan dat het hier een «alleenverdiener» betreft? Deze leden achtten het niet zonder meer logisch dat na 1 januari 1985 één huwelijkspartner de gevolgen moet dragen voor de schuldige nalatigheid in de premiebetaling van de andere partner. Zeker niet, waar de schuldige nalatigheid van één der partners in een huwelijk, ook vóór de echtverbintenis kan hebben plaatsgevonden. Zij wensten hierover een nadere reactie van de regering. Met betrekking tot de AKW en de AAW wensten de leden van de P.v.d.A.-fractie te vernemen hoe en wanneer de nadere regelgeving zal worden uitgewerkt opdat huwelijkspartners van bij voorbeeld grensarbeiders ook hier eigen rechten zullen verkrijgen. Op welke wijze overigens werkt de AOW uit naar grensarbeiders en soortgelijke categorieën? Wordt de gehuwde niet-buitenshuis werkende vrouw nu als «zelfstandig verzekerd zonder premieplichtig inkomen» aangemerkt met eigen -onverkorte -AOW-rechten? Deze leden wensten ook hierover nader geïnformeerd te worden.

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier van de commissie, Van der Windt

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.