Memorie van antwoord - Nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 5

MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 22 oktober 1984

  • Algemeen

Wij willen deze memorie beginnen met de fracties te bedanken voor het feit, dat zij spoedig na de indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer een voorlopig verslag hebben willen uitbrengen. Dit zal er in belangrijke mate aan bijdragen dat de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen daadwerkelijk per 1 januari a.s. gerealiseerd zal kunnen worden. Met betrekking tot de splitsing van de gelijke behandeling in een premiedeel en een uitkeringsdeel wordt door de fracties een aantal opmerkingen gemaakt. De leden van de fractie van de P.v.d.A. betreuren het dat dit wetsvoorstel in verband met de relatie met de derde fase van de z.g. tweeverdienerswetgeving, nu los van met name de uitkeringssystematiek wordt behandeld, hoewel zij vanuit inkomenspolitieke overwegingen de samenhang met de derde fase tweeverdieners wel onderkennen. De leden van de fractie van het C.D.A. kunnen in grote lijnen instemmen met het onderhavige wetsontwerp. Zij stellen terecht dat de door de Europese richtlijn van 19 december 1978 per 1 januari 1985 verplicht wordende gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW vanzelfsprekend niet alleen aan de premieheffingskant, maar ook aan de uitkeringskant geregeld moet worden. Naar hun mening zal door nu enerzijds de premieheffingskant afzonderlijk te regelen en anderzijds in het uitkeringswetsontwerp veilig te stellen dat de rechten volgende uit gelijke behandeling met terugwerkende kracht zullen worden geëffectueerd, toch aan de richtlijn zijn voldaan. Deze leden achten, gelet op de dan ontstane financieringsproblemen, een uitstel van een nieuw premieheffingssysteem tot 1 januari 1986 onaanvaardbaar. Wel erkennen zij de samenhang tussen beide wetsontwerpen. De hier aan het woord zijnde leden van de C.D.A.-fractie constateren dat er nu wel sprake kan zijn van een parallel lopende behandeling van dit wetsontwerp met de wijziging van de inkomstenbelasting, de derde fase tweeverdieners. Deze combinatie achten zij zonder meer noodzakelijk, gelet op de cumulatief optredende inkomenseffecten en de compensatie die via laatstgenoemd wetsontwerp aan zelfstandigen wordt geboden.

De leden van de fractie van de V.V.D. zijn van mening dat het verreweg de voorkeur verdient beide onderdelen, de premie-en de uitkeringskant, gezien hun onderlinge samenhang gelijktijdig te behandelen. Een gezamenlijke behandeling was slechts mogelijk geweest indien het oorspronkelijke wetsontwerp reeds vóór 1 juli 1984 aan de Tweede Kamer was aangeboden, aldus deze leden. Zij betreuren het dat zulks niet was geschied. Deze leden vragen wat de consequenties zijn wanneer niet per 1 januari a.s. aan de dan geldende richtlijn wordt voldaan. Voorts vragen zij of de terugwerkende krachtoplossing voor de uitkeringskant in het kader van de Europese richtlijn mogelijk is. De leden van de fractie van D'66 hebben met gemengde gevoelens kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij achten het noodzakelijk, gerechtvaardigd en gewenst om tot verzelfstandiging van de premieheffing over te gaan. In het algemeen kunnen zij zich met de voorgestelde individualisering van de premieheffing verenigen. Zij zijn evenwel van oordeel dat de uitkeringskant van de AOW op volstrekt onvoldoende wijze wordt geïndividualiseerd en achten het daarom niet onmogelijk dat zij in een later stadium alsnog een beperking van de verzelfstandiging in de premieheffing zullen bepleiten. De G.P.V.-fractie betreurt het dat het wetsontwerp zo laat is ingediend, dat een goede en tijdige parlementaire behandeling niet meer mogelijk is. Zij erkennen, dat de thans gekozen splitsing de enige uitweg is, doch zouden verre de voorkeur geven aan een integrale behandeling. Het verheugt ons dat deze fractie het uitgangspunt van dit wetsontwerp, nl. een verzelfstandigde premieplicht, onderschrijft. Naar aanleiding van deze beschouwingen merken wij op, dat ook wij er verre de voorkeur aan zouden geven om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW integraal te behandelen. Gegeven echter het feit, dat de Tweede Kamer een zodanige behandeling van het uitkeringsdeel noodzakelijk acht, dat plaatsing in het Staatsblad vóór 1 januari 1985 onmogelijk moet worden geacht, resteert naar onze opvatting slechts één mogelijkheid, nl. de thans gekozen splitsing. Overigens hebben wij alle begrip voor de wens van de Tweede Kamer om meer tijd aan het uitkeringsdeel te besteden. In de memorie van toelichting op het onderhavige wetsontwerp is uitvoerig uiteengezet waarom deze splitsing noodzakelijk is. De voornaamste redenen zijn: -het anders niet kunnen voldoen aan de Europese richtlijn op het terrein van de premieheffing gedurende een vol kalenderjaar; -de samenhang met de derde fase tweeverdieners, en -de financiële consequenties van een eventueel uitstel. Wij constateren, dat over het algemeen bij de fracties begrip voor deze argumentatie bestaat. Wat betreft het tijdstip van indiening van het wetsontwerp, merken wij op, dat een eerdere indiening van het wetsontwerp nr. 18515, slechts mogelijk was geweest indien het kabinet de adviezen van de adviesorganen niet had afgewacht. De Sociaal-Economische Raad heeft op 17 februari 1984 en op 16 maart 1984 geadviseerd en de Emancipatieraad heeft haar advies op 20 maart 1984 vastgesteld. Zo snel mogelijk daarna heeft binnen het kabinet de besluitvorming plaatsgevonden en is het wetsontwerp op 24 april 1984 ter advisering aan de Raad van State voorgelegd. De Raad van State heeft op 3 augustus 1984 advies uitgebracht, waarna het wetsontwerp op 28 augustus jl. aan uw Kamer kon worden aangeboden. Hieruit moge blijken, dat wij -zoals ook door de leden van de fractie van het C.D.A. wordt geconstateerd -steeds met voortvarendheid de voortgang van de maatregelen hebben bevorderd, maar het toch van essentieel belang hebben geacht de opvattingen, die binnen de adviesorganen bestaan, in de besluitvorming te kunnen betrekken. Met betrekking tot de vraag van de leden van de fractie van de V.V.D. over de te verwachten situatie wanneer op 1 januari a.s. niet aan de Europese richtlijn wordt voldaan, mede in relatie tot de voorgestelde terugwerkende kracht van het uitkeringsgedeelte, merken wij het volgende op.

De regering wenst onverkort vast te houden aan de verplichtingen voortvloeiende uit de Europese richtlijn, zowel wat betreft de inhoud als de ingangsdatum. Los van de vraag of aan de Europese richtlijn door individuen rechtstreeks rechten kunnen worden ontleend, achten wij ons verplicht op de daarvoor gestelde datum de elementen van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen weg te nemen. Dit vloeit zonder meer voort uit het beleid van deze Regering, die gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid tot uitgangspunt heeft genomen. Door aan het uitkeringsdeel over een geringe periode terugwerkende kracht te verlenen, wordt naar onze mening bereikt, dat materieel de derde richtlijn per 1 januari 1985 wordt doorgevoerd. Ons zijn geen maatregelen van de Europese commissie of jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie met betrekking tot terugwerkende kracht bekend.

Volgens de leden van de fractie van D'66 dringt zich het beeld op, dat waar aan de premiekant individualisering leidt tot extra inkomsten deze voor de Regering geen enkel probleem vormt en dat op de uitkeringskant eindeloos wordt beknibbeld ten aanzien van de uitbreiding van de rechten. Wij veronderstellen dat bij deze leden de veronderstelling leeft dat individualisering aan de premiekant automatisch moet leiden tot een identieke individualisering aan de uitkeringskant. Deze dwingende noodzaak onderschrijven wij niet. De premieheffing is gebaseerd op de draagkracht van individuen, waarbij het equivalentiebeginsel niet doorslaggevend is. Ten aanzien van het uitkeringssysteem speelt naar onze mening echter de gerechtvaardigde wens van de overheid een overheersende rol bescherming te bieden aan degenen, die gezinsverantwoordelijkheid hebben, wanneer zij zonder die bescherming onder een verantwoord bestaansniveau zouden geraken. Later in deze memorie wordt hierop nog nader ingegaan. Wat betreft de opmerkingen van de fractie van D'66 over de komende wijziging van de WWV, lijkt het ons niet opportuun er bij deze gelegenheid op in te gaan, maar geven wij er de voorkeur aan dit te doen bij de behandeling van dat wetsontwerp.

De leden van de R.P.F.-fractie hebben met scepsis kennis genomen van dit wetsvoorstel. Deze leden twijfelen eraan of met het inslaan van de verzelfstandigingsweg, het pad naar een verantwoordelijke samenleving niet uit het oog wordt verloren. Deze leden spreken over een atomisering van samenlevingsvormen. Zij menen dan ook tegen de verzelfstandiging in de AOW een ernstig protest te moeten laten horen. Hierbij merken wij op, dat een gelijke behandeling van mannen en vrouwen, en de daarmee samenhagende individualisering geenszins een teken is van wat deze leden «atomisering van samenlevingsvormen» noemen en waarmee zij klaarblijkelijk de aantasting bedoelen van het huwelijk als samenlevingsverband. Wij zien ook niet in, dat bij voorbeeld een individuele premieplicht voor de volksverzekeringen zou moeten leiden tot wat deze fractie een atomisering van samenlevingsvormen noemt. Wat betreft de opmerkingen van deze leden over de huns inziens negatieve invloed van Europese rechtsregels, merken wij op, dat de regering los van de ontwikkelingen in Europees verband, de gelijke behandeling van mannen en vrouwen als uitgangspunt van haar beleid ziet. Met betrekking tot het woord «discriminatie» merken wij op dat wij zulks als een objectieve constatering zien. Als deze door bepaalde betrokkenen niet als krenkend of ongerechtvaardigd wordt ervaren, betekent dat niet, dat er geen sprake van discriminatie is. De leden van de fractie van de R.P.F, wijzen voorts nog op het proces van de vergrijzing van de samenleving en de daaraan verbonden lastenontwikkeling die mede door individualisering wordt beïnvloed. Wij willen hierbij verwijzen naar hetgeen hierover is gesteld in de memorie van toelichting op de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 1985 (kamerstuk 18600, nr. 2, blz. 32, 33 en 34).

De leden van de fractie van de P.v.d.A. wensen de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing volksverzekeringen niet los te beschouwen van haar opvattingen inzake enerzijds de wijze waarop de lasten van de sociale zekerheid dienen te worden gespreid en anderzijds de wijze waarop ook deze premieheffing een bijdrage levert aan de herverdeling van het maatschappelijk inkomen. Deze leden hebben geen principiële bedenkingen tegen een verzelfstandiging van de premieheffing. De leden van de fractie van de P.v.d.A. wensen de zelfstandige premieheffing geplaatst te zien tegenover de opvattingen van de regering over draagkracht. Daarbij stellen zij, dat ervan zou worden uitgegaan dat ieder individueel inkomen de ruimte zou bevatten voor volledige premiebetaling. Hoewel ons de relatie met het aan de orde zijnde onderwerp niet geheel duidelijk is, lijkt het gestelde ons niet juist. Het is allerminst zo, dat het bruto inkomen die ruimte zou bevatten. In het premieplichtig inkomen wordt met een aantal uitgaven nadrukkelijk rekening gehouden: het inkomen, dat aan die uitgaven wordt besteed, wordt derhalve niet beschikbaar geacht voor premieheffing. Voorts willen wij stellen dat de draagkrachtgedachte in hoofdzaak niet zozeer in de heffing van premies voor de sociale verzekeringen gestalte krijgt, maar veeleer in de opzet van de inkomstenbelasting. De heffing geschiedt aan de hand van het belastbaar inkomen, waarin de verschuldigde premies sociale zekerheid een aftrekpost vormen. De ruimte voor premieheffing mag dus aanwezig geacht worden, mede omdat daarmee in de druk van de inkomstenbelasting nadrukkelijk rekening wordt gehouden.

  • Het premieheffingsstelsel
  • de wijze van verzelfstandiging

De leden van de P.v.d.A.-fractie stellen een aantal vragen over de relatie tussen de voorgestelde uitkeringsmethodiek en de individuele premieheffing. Zij constateren met name een grote discrepantie tussen betaalde premie enerzijds en uitkeringen anderzijds voor gehuwde tweeverdieners en wellicht in een later stadium eveneens voor ongehuwd samenwonenden. Zij citeren uit de adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad en de Emancipatieraad van 17 juli 1981, dat het niet strijdig wordt geacht met de derde richtlijn om bij de vaststelling van de premie van de ene partner rekening te houden met het inkomen van de andere partner. Wat zijn dan de overwegingen om geen onderscheid te maken voor de maximale premiegrenzen naar leefvorm, zo vragen deze leden zich af. De C.D.A.-f ractie kan zich verenigen met het door de regering voorgestelde premieheffingsstelsel. Een voor ieder gelijke, individuele premie-inkomens-grens sluit het beste aan op zelfstandige uitkeringsrechten, waarbij het niveau van de uitkering verschilt naar levens-en gezinsomstandigheden, aldus deze fractie. Ook de leden van de V.V.D.-fractie hebben met instemming vastgesteld, dat ten aanzien van de premieheffing voor volledige verzelfstandiging wordt gekozen. Naar hun mening is in het uitkeringssysteem die verzelfstandiging echter niet consequent vastgehouden. Zij wensen graag een reactie op de stelling, dat in de regeringsvoorstellen slechts dan de verzelfstandigingsgedachte wordt omarmd, indien dat in financieel opzicht gunstig is. Verder vragen ook deze leden naar een onderbouwing van de in de hiervoor genoemde adviesaanvrage opgenomen opvatting, dat de derde richtlijn ruimte laat om bij de maximering van de premie rekening te houden met het inkomen van de andere partner. Aan de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW heeft de regering gestalte gegeven door de rechten en plichten te verzelfstandigen. Een ieder die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, heeft een zelfstandig recht op ouderdomspensioen, terwijl gedurende de verzekeringsloopbaan

man en vrouw afzonderlijk premie verschuldigd zijn over het eigen inkomen en wel tot een per individu geldende maximumgrens. Binnen dit systeem blijven voorts alle overige uitgangspunten van de AOW als volksverzekering van toepassing, zoals de aan het ingezetenschap gerelateerde pensioenopbouw en uniforme uitkeringen. Een directe relatie tussen de uitkering en het bedrag dat aan premie is betaald, ontbreekt in de thans geldende en voorgestelde regeling. Tijdens de verzekeringsperiode van 50 jaren, die loopt van het 15de tot het 65ste levensjaar van de ingezetene, kunnen zich immers wisselende omstandigheden voordoen, die invloed hebben op de premiebetaling. Er zal een periode kunnen zijn, dat in het geheel geen premie wordt betaald wegens het ontbreken van een inkomen. Daarnaast leidt de toepassing van de huidige premie-inkomensgrens op het gezinsinkomen tot met wijzigingen in de burgerlijke staat wisselende premiebedragen. De C.D.A.-fractie onderschrijft in dit verband terecht het advies van de meerderheid van de SER, waarin wordt gesteld dat de omstandigheden tijdens de premieplichtige periode niet steeds dezelfde zijn en dat in de volksverzekeringen het stringente equivalentiebeginsel ontbreekt. Er is geen aanleiding om in het kader van de gelijke behandeling met betrekking tot de premie-inkomensgrens de thans geldende beginselen ten aanzien van het premiebeleid te wijzigen en eenzelfde verhouding aan te houden als ten aanzien van de hoogte van de uitkering voor gehuwden en ongehuwden. De premie-inkomensgrens blijft slechts de functie behouden die hij thans heeft: het voorkomen dat een te grote discrepantie tussen betaalde premie enerzijds en uitkering anderzijds ontstaat, met andere woorden een begrenzing van de solidariteitsgedachte. Het valt niet te ontkennen dat ondanks het vasthouden aan de thans geldende beginselen in de verhouding tussen premie en uitkering een wijziging optreedt. Wanneer die verhouding nog wel en wanneer niet meer acceptabel is, is een arbitraire zaak. Deze verhouding is ook in het verleden regelmatig om inkomenspolitieke redenen of door bezuinigingsoverwegingen aan verandering onderhevig geweest. Zo werd in het kader van de noodzaak de collectieve uitgaven te beperken afgeweken van de wettelijke aanpassingssystematiek van de sociale uitkeringen, waaronder de AOW-pensioenen. Sedert 1982 is de premie-inkomensgrens verhoogd om de koopkrachtontwikkeling in overeenstemming te brengen met de inkomenspolitieke uitgangspunten van het regeringsbeleid. In de adviesaanvrage hebben wij opgemerkt dat rekening houden met inkomen van de andere echtgenoot voor de premieberekening niet strijdig behoeft te zijn met de derde richtlijn. De V.V.D.-fractie merkt dienaangaande op, dat de jurisprudentie met betrekking tot de eerste richtlijn en het voortgangsverslag van de Europese Commissie over de derde richtlijn onvoldoende steun geven voor deze stelling. In de memorie van toelichting is echter bedoeld deze verwijzingen aan te dragen voor de opvatting, dat inkomensafhankelijke aanvullingen op het ouderdomspensioen geoorloofd zijn. Een en ander hebben wij niet willen doortrekken tot het premieheffingssysteem. In de adviesaanvrage zijn meerdere mogelijkheden ten aanzien van het premieheffingssysteem gepresenteerd; in dit wetsontwerp is evenwel gekozen voor volledige verzelfstandiging. Naar onze mening leidt handhaving van een gezinsmaximum overigens niet tot directe discriminatie naar geslacht, maar wordt daardoor een nader onderscheid naar gehuwden en ongehuwden gemaakt. De richtlijn heeft daarop echter geen betrekking. De verwijzing naar de gehuwde of ongehuwde staat leidt evenmin tot indirecte discriminatie van mannen of vrouwen. Wij vinden echter dat bij een systeem van verzelfstandigde uitkeringsrechten een premiemaximum voor gezinnen niet passend is. De leden van de V.V.D.-fractie stellen vast, dat de Regering alleen dan de verzelfstandiging omarmt, indien dit financieel gunstiger is. De leden van de D'66-fractie spreken in dit verband van tweeslachtigheid.

Beide fracties doelen in feite op de toeslag, waarop de gehuwde pensioengerechtigde aanspraak kan maken indien deze een jongere echtgenoot tot zijn last heeft. De toeslag voorkomt dat in bepaalde gevallen -in de AOW bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd -een uitkering wordt verstrekt die onder het minimumniveau ligt. Een inkomensgarantie op minimumniveau behoeft naar onze mening niet specifiek in de AOW te worden ondergebracht. Voor te stellen is dat aan die garantie, die voor meerdere sociale minimumuitkeringen kan gelden, in een afzonderlijke wet vorm gegeven wordt. Ons inziens zou het te ver voeren, indien de toeslagregeling, die met name ten aanzien van bejaarden van tijdelijke aard is (totdat de jongere echtgenoot zelf de pensioengerechtigde leeftijd bereikt) en in de meeste gevallen slechts gedurende twee a drie jaar van toepassing is, op een of andere wijze mede zijn uitwerking krijgt in de premieheffing, die -zoals gezegd -zich maximaal over 50 jaren kan uitstrekken. De leden van de fractie van de P.v.d.A. halen een zinsnede aan uit de memorie van toelichting met betrekking tot het niet langer in aanmerking nemen van het premieplichtig inkomen van de gehuwde vrouw als inkomen van haar man en wijzen daarbij op de vermogensinkomsten. Inderdaad zal de fiscale systematiek worden gevolgd. Naar onze mening is er bij de aangehaalde zinsnede en de vermogensinkomsten sprake van twee verschillende zaken. Het premieplichtig inkomen wordt door het fiscale inkomensbegrip bepaald. Bij de invoering van de beperkte fiscale verzelfstandiging van de gehuwde in 1972 werd zij zelfstandig voor haar arbeidsinkomen belast. Daarmee verkreeg zij tevens premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen. De Regering heeft die beperkte verzelfstandiging destijds niet willen volgen voor de volksverzekeringen; derhalve werd sinds die tijd het premieplichtig inkomen van de gehuwde vrouw aangemerkt als inkomen van de man. Hieraan komt in het voorliggende wetsontwerp een einde door het schrappen van artikel 26, derde lid, van de AOW. Vermogensinkomsten vormden tot 1984 fiscaal inkomen voor de gehuwde man en konden geen premieplichtig inkomen bij de gehuwde vrouw vormen. Dit staat derhalve los van de werking tot nu toe van genoemd artikel 26, derde lid. Met ingang van 1984 wordt dergelijk inkomen voor de belastingheffing in aanmerking genomen bij de meest veidienende partner, hetgeen doorwerkt naar het premieplichtig inkomen. Deze fiscale systematiek maakte deel uit van de tweede fase tweeverdieners en functioneert derhalve reeds, zoals gezegd, met ingang van 1984. Noch het voorliggende wetsontwerp betreffende de individuele premieheffing noch de voorstellen in het wetsontwerp derde fase tweeverdieners zullen op dit punt tot verdere wijzigingen leiden. De genoemde leden informeren tevens naar de situatie, waarin de meestverdienende partner ouder dan 65 jaar is. Op dit moment blijft het inkomen van de gehuwde vrouw meteen echtgenoot boven de 65 jaar volledig buiten de premieheffing. Wanneer er daarbij bij de vrouw sprake was van aan inhouding van premie onderworpen inkomsten, was dat een problematische situatie. Enerzijds was immers de werkgever tot inhouding verplicht, anderzijds ontbrak formeel de mogelijkheid deze premie terug te geven. Wanneer daarbij sprake was van aan inhouding onderworpen inkomsten, kon inhouding van premie achterwege blijven, na een daartoe strekkende uitspraak van de Hoge Raad. Aan deze situatie komt nu een einde door de zelfstandige premieplicht van de echtgenoten. In gevallen, waarin de meest verdienende partner niet meer verzekerd is door het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zullen vermogensinkomsten, evenals andere positieve en negatieve inkomensbestanddelen die in de fiscale systematiek aan de meest verdienende partner worden toegerekend, niet in de premieheffing voor de volksverzekeringen worden betrokken. Deze leden informeren voorts naar de gevolgen van de overgang naar het medeondernemerschap van de huwelijkspartner. Wij nemen aan, dat deze leden met hun vraag doelen op de situatie, waarin de tot dan toe meewerkende echtgenoot medeondernemer wordt. In dat geval zal hij of zij zelfstandig winstinkomen verkrijgen. Daarop is het stelsel van individuele premieheffing van toepassing.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. vragen voorts naar de inkomenseffecten, conform de presentatie in tabel 1 en 2 van de memorie van toelichting, van een drietal varianten ten aanzien van de maximumpremiegrens. In onderstaande tabellen worden de effecten weergegeven, wanneer voor gehuwden een maximumgrens geldt van 10/7 van het bedrag dat in het voorliggende wetsontwerp als individuele premiegrens wordt voorgestelc Tabel 1. Extra premie van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (variant 1) inkomen minst verdienende partne r

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppiw

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink

8 240 21501-24454 2I50I-21501-43 629 50 795 60 219 70 219

bruto

ppiw

belink inkom. 21501-19 170 16659

0 meest

21501-28 140 24454

0 verdie-40 000 36 465 31689

22913 I 9 nende

50 000 42 365 36816

0 1002 2092 2865 part-

60 000 50 205 43 629

854 2029 21501-52 8 3528 ner

70 000 58 452 50 795

666 1935 21501-52 8 3528352 8 3528 80 000 62 850 60 219

1242 2511 21501-52 8 3528352 8 3528352 8 90 000 62 850 70 219

1242 2511 21501-52 8 3528352 8 3528352 8 3528

bruto • bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppiw = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen Tabel 2. Effect in % van het nettogezinsinkomen van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (incl. belastingeffect) (variant 1) inkomen minst verdienend e partner

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppiw

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink

8 240 21501-24454 3I689 368I6 43 629 50 795 60 219 70 219

bruto

ppiw

belink inkom. 21501-19 170 16659

0 meest

21501-28 140 24454

0 verdie-40 000 36 465 31689

-,3 -1,9 nende

50 000 42 365 36816

-1.3 -2,5

-2,9 part-

60 000 50 205 43 629

-1

-2,1

-3

-3

-2,8 ner

70 000 58 452 50 795

-,7 -1,7 -2,5 -2,6 -2,4 -2,2 -2,1 80 000 62 850 60 219

-1.1

-2

-2,6 -2,5 -2,2 -2,1

-2

-1.8 90 000 62 850 70 219

-,9 -1,6 -2

-1,9

-1.7 -1.6 -1,5 -1.4 -1,4

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto • bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppiw = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen Als tweede variant informeren de leden van de fractie van de P.v.d.A. naar de effecten van een individuele maximumpremiegrens, waarbij voor gehuwden gezamenlijk tweemaal de individuele premiegrens zou gelden ongeacht of één dan wel beide partners een inkomen verwerven. Een

dergelijke systematiek zou vergeleken mogen worden met het voor de inkomstenbelasting door sommigen bepleite splitsingsstelsel. In de volgende twee tabellen worden de effecten hiervan weergegeven.

Tabel 3. Extra premie van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (variant 2) inkomen minst verdienende partnei

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppiw

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink

8 240 21501-24454 2I50I-21501-43 629 50 795 60 219 70 219

bruto

ppiw

belink inkom. 21501-19 170 16659

0 meest

21501-28 140 24454

0 verdie-40 000 36 465 31689

22913 I 9 nende

50 000 42 365 36816

0 1002 2092 2865 part-

60 000 50 205 43 629

854 2029 21501-89 24919 ner

70 000 58 452 50 795

666

21501-11 0 4200 4973 6000 7081 80 000 62 850 60 219

734197 6 3245 4420 5510628 37310 823 21501-90 000 62 850 70 219

2044 3286 4555 5730 6820759 38232 823 38233 823 3

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppiw = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen Tabel 4. Effect in % van het nettogezinsinkomen van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (incl. belastingeffect) (variant 2) inkomen minst verdienende partnei

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppiw

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink

8 240 21501-24454 2I50I-21501-43 629 50 795 60 219 70 219

bruto

ppiw

belink inkom. 21501-19 170 16659

0 meest

21501-28 140 24454

0 verdie-40 000 36 465 31689

-,3

-1.9 nende

50 000 42 365 36816

-1,3

-2,5

-2,9 part-

60 000 50 205 43 629

-1

-2,1

-3

-3.4

-4 ner

70 000 58 452 50 795

-,7

-1.7

-2,5

-3,2

-3,4

-3,8

-4,2 80 000 62 850 60 219

-,7

-1,8

-2,6

-3,3

-3,9

-4

-4,3

-4,6

-4,4 90 000 62 850 70 219

-1.9

-2,6

-3,1

-3,6

-3,9

-3.9

-4

-3,7

-3,5

-3,4

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppiw = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen

Tot slot willen de leden van de P.v.d.A.-fractie de effecten zien bij een volledige afschaffing van de premiegrens. Ook de effecten van deze maatregel zijn onderstaand weergegeven.

Tabel 5. Extra premie van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (variant 3) inkomen minst verdienende partner

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppivv

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink

8 240 21501-24454 3I689 21501-43 629 50 795 60 219 70 219

bruto

ppivv

belink inkom. 21501-19 170 16659 meest 21501-28 140 24454 verdie-40 000 36 465 31689 nende

50 000 42 365 36816 part-

60 000 50 205 43 629 ner

70 000 58 452 50 795 80 000 62 850 60 219 90 000 62 850 70 219

0 0

0 0

22913 I 9 0

0 1002 2092 0

854 2029 3119 0

666 1935 21501-20 0 734

1976 3245 4420551 0 2044 3286 4555 5730 6820

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppivv = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen Tabel 6. Effect in % van het nettogezinsinkomen van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (incl. belastingeffect) (variant 3) inkomen minst verdienende partner

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppivv

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink

8 240 16659 24454 3I689 21501-43 629 50 795 60219 70 219

bruto

ppivv

belink inkom. 21501-19 170 16659

0 meest

21501-28 140 24454

0 verdie-

40 000 36 465 31689

0 nende

50 000 42 365 36816

0 part-

60 000 50 205 43 629

0 ner

70 000 58 452 50 795

0 80 000 62 850 60 219

-,7 90 000 62 850 70 219

-1.9

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppivv » premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen Bij deze laatste variant willen de leden van deze fractie ook een inzicht hebben in de aantallen personen (gehuwd, ongehuwd en gehuwd samenwonenden) die door een dergelijke maatregel getroffen zouden worden ten opzichte van het huidige wetsvoorstel. Wij nemen daarbij aan dat er sprake is van een tikfout wanneer in de inbreng van deze leden sprake is van gehuwden, onderscheidenlijk gehuwd samenwonenden. De gevraagde informatie is tot onze spijt niet beschikbaar. 2865 3892 4919497 36000 708I 6283 7310 8391

9 701 7593 8620970 I

21501-12 321

0 0

0 0

-,3

-1,9 0

-1.3

-2,5

-2,9 0

-1

-2,1

-3

-3,4 -,7

-1.7

-2,5

-3,2

-3,4 -1.8

-2,6

-3,3

-3,9

-4 -2,6

-3,1

-3,6

-3,9

-3,9

De beschikbare inkomensstatistieken zijn niet voldoende recent en in ieder geval nog van voor de invoering van de extra verhoging met f7000 van de premie-inkomensgrens. Voorts vragen de leden van de P.v.d.A.-fractie naar de inkomenseffecten en budgettaire gevolgen van een volledige fiscalisering van de AOW-premie. Uit de vraagstelling valt niet af te leiden wat de leden van de fractie exact bedoelen met fiscalisering. Hiervoor zijn diverse modaliteiten mogelijk. Bovendien lijkt het ons dat een dergelijke fundamentele wijziging in de financiering niet alleen van de AOW maar dan ook noodzakelijkerwijs van de overige volksverzekeringen niet in het kader van dit wetsontwerp behandeld kan worden. Dit te meer aangezien de vaste kamercommissie voor sociale zaken op 7 november uitgebreid zal discussiëren over de financieringsstelsels sociale zekerheid. In dat kader zal ook een eventuele fiscalisering van de volksverzekeringspremies aan de orde kunnen komen.

  • Premievrijstellings-en reductieregeling

De leden van de fractie van de P.v.d.A. stellen de premievrijstellings-en reductieregeling aan de orde. Zij achten de voorgestelde regeling niet in overeenstemming met het uitgangspunt van een verzelfstandigde premieheffing. Wij veronderstellen, dat de effecten van de voorgestelde regeling hen niet geheel duidelijk voor ogen staan. In het wetsontwerp is namelijk een volkomen verzelfstandiging van bedoelde regeling voorgelegd. In de memorie van toelichting wordt er onder meer op gewezen, dat de voorgestelde regeling voordelig zal werken in situaties, waarin een aan de heffing bij wege van aanslag onderworpen inkomen van geringe omvang bij de ene echtgenoot samengaat met een aanzienlijk looninkomen bij de andere. Tot nu toe viel het lage aanslaginkomen door de samentelling van de inkomens van de echtgenoten buiten het bereik van de reductie-en vrijstellingsregeling. De Regering acht het juist, dat in de nieuwe situatie het lage aanslaginkomen zelfstandig voor toepassing van de vrijstellings-of de reductieregeling in aanmerking kan komen. Wij willen overigens verwijzen naar de memorie van toelichting derde fase (18519, nr. 3, blz. 14), waarin door het kabinet is gesteld dat een dergelijke verzelfstandiging aanvaardbaar wordt geacht in samenhang met het verdwijnen van de regeling voor de meewerkwinst. Dit eveneens in antwoord op een vraag van de zijde van de fractie van D'66. De verhouding van de aanbreng van de echtgenoten is daarbij van geen belang, daar er sprake is van volledige individualisering. Het inkomen van de desbetreffende echtgenoot moet onder de van toepassing zijnde grens liggen voor toepassing van de vrijstellings" of de reductieregeling. Dit eveneens in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van de R.P.F., die vragen naar de inkomenseffecten bij verschillende verhoudingen in de aanbreng door echtgenoten van het gezinsinkomen. Door de in het voorstel geformaliseerde koppeling aan de belastingvrije som is voorts bewerkstelligd, dat aan de alleenverdiener de vrijstellings-en reductiestrook van de partner toevalt op een wijze, die met de fiscale voetoverheveling overeenkomt. De door deze leden aan de orde gestelde vrijstellings-en reductieregeling voor aan inhouding onderworpen inkomen zou het karakter van de regeling volledig wijzigen op een voor ons niet aanvaardbare wijze. De vrijstellings-en reductieregeling is gebaseerd op het argument van de betalingsonmacht, die kan voortvloeien uit het uit een laag inkomen moeten voldoen van een premie-aanslag. De premie over loon wordt bij de bron meteen ingehouden, zodat bedoelde betalingsonmacht niet kan ontstaan. Toepassing van de vrijstellings-en reductieregeling op de door de genoemde leden geopperde wijze zou de voor ieder gelijke premieplicht ten principale doorbreken. Daarvoor is in het huidige stelsel van premieheffing voor de sociale zekerheid naar onze mening geen plaats. Over de kosten valt zonder uitgebreide studie niets te zeggen. Daar het macro premieplichtig inkomen voor het overgrote deel uit loon bestaat, zou een dergelijke regeling in ieder geval vele malen meer kosten dan de huidige regeling voor aanslaginkomens.

De leden van de fractie van het C.D.A. geven er blijk van de vrijstellings-en reductieregeling voor enige uitbreiding vatbaar te achten, zij het niet op dit moment. Wij nemen er met dank kennis van, dat zij evenals wij daarvoor de financiële ruimte niet aanwezig achten. Ik wil hen echter ook wijzen op de andere bezwaren die tegen verdere uitbreiding pleiten. Het bereik van de regeling is al sedert 1976 feitelijk gekoppeld aan de hoogte van de belastingvrije som. Deze koppeling wordt in ons voorstel geformaliseerd. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen, dat de grens voor de vrijstelling boven het niveau van de belastingvrije som zou kunnen liggen. Alsdan zou immers een situatie ontstaan, waarin betalingsonmacht ten aanzien van de premieheffing zou bestaan, terwijl al wel voldoende draagkracht voor belastingbetaling aanwezig wordt geacht. Ons beleid blijft derhalve gericht op een vrijstellingsgrens, die de relevante belastingvrije som niet te boven kan gaan. Gezien het hiervoor gestelde, menen wij dat de vraag over de kosten van een individuele regeling niet meer relevant is. Wij hopen met het bovenstaande tevens begrip te hebben gewekt voor onze voorstellen bij de fractie van D'66. Naar onze mening is er niet zozeer sprake van een apart premieregime voor tweeverdieners, alswel van een volgen van de fiscale voorstellen op dit punt. Dit is een uitvloeisel van de bewuste afstemming van de heffing van premies en belastingen. Wij merken hierbij, wellicht ten overvloede, nog op, dat de vrijstellingsgrens voor tweeverdieners vorig jaar ook van de tweede fase de doorwerking heeft ondervonden. Wij achten het juist ook in de reductiestrook de verhouding aan te brengen die in dit voorstel en in de derde fase voor onderscheidenlijk de vrijstellingsstrook en de belastingvrije som worden vastgelegd. Alsdan zal er sprake zijn van een algemeen en individueel stelsel aan de voet aan de aanslagheffing. De leden van de fractie van de R.P.F, vragen om verduidelijking van de wijzigingen in de vrijstellings-en reductieregeling. Wij hopen hen met bovenstaande antwoorden tevens voldoende te hebben ingelicht.

  • Inkomenseffecten
  • Samenhang premieheffing en derde fase

De leden van de fracties van het C.D.A., van de R.P.F, en van D'66 vragen naar de bedoeling van de Regering met de stelling dat bij de fiscale maatregelen rekening zal worden gehouden met de effecten van de verzelfstandiging van de premieheffing. In de stukken betreffende de derde fase is hierop uitgebreid ingegaan. Daarbij is de vergelijking gemaakt tussen de aanvankelijke gedachten van de Regering met betrekking tot de derde fase, zoals die in hoofdstuk 7 van de memorie van toelichting bij de tweede fase (18121, nr. 3) zijn uiteengezet en de uiteindelijke voorstellen, zoals vervat in wetsontwerp 18519. De inkomenseffecten voor werknemers zijn mede uitgangspunt geweest bij de vormgeving van de fiscale tariefmaatregelen. Het extra effect voor zelfstandigen is aanleiding geweest voor afzonderlijke compensatie. Dit in antwoord op een desbetreffende vraag van de zijde van de R.P.F. Wij menen daarnaar te mogen verwijzen. Ter zake van ambtenaren en trendvolgers is er daarbij geen sprake van een afwijkende positie. De omstandigheid dat voor hen alle premies voor de volksverzekeringen, dus ook die voor de AOW en de AWW voor rekening van de werkgevers komen, is een zaak van arbeidsvoorwaardenbeleid, die slechts de ambtenaar als werknemer en de overheid als werkgever aangaat. Ten aanzien van de mogelijke inkomenseffecten voor ambtenaren kan worden opgemerkt, dat, waar het gehuwde tweeverdieners betreft, die beiden als ambtenaar werkzaam zijn, de negatieve inkomenseffecten als gevolg van de zelfstandige premieheffing zich niet zullen voordoen. Dit wordt veroorzaakt door de werking van de zogenaamde Boparegeling, op grond waarvan de overheid als werkgever de afdracht van premies beperkt, wanneer het gezinsmaximum is bereikt. Het netto inkomensniveau van

deze gezinnen is daarom altijd lager geweest dan dat van gezinnen van werknemers in het bedrijfsleven. Het voorliggende wetsontwerp zal ertoe leiden, dat het netto gezinsinkomen van werknemers en ambtenaren voor wat betreft dat aspect op dezelfde wijze beïnvloed zal worden door de premieheffing. De negatieve mutatie voor ambtelijke inkomens kan derhalve niet optreden, omdat het nieuwe, lagere inkomensniveau al gold. Wij achten dit niet het juiste moment om in te gaan op de mogelijke cumulatieve effecten van de zelfstandige premieheffing en de eventuele eigen premiebetaling van ambtenaren. Er is daarbij sprake van gescheiden zaken. Ter zake van de eigen premiebetaling door ambtenaren heeft de regering nog geen voorstellen gedaan. De voorliggende maatregel is een generieke, die alle verzekerden aangaat. Wanneer de Regering voorstellen doet voor zelfstandige premiebetaling door ambtenaren, dan betreft dit een specifieke maatregel, waarvan de effecten moeten worden beoordeeld in het licht van de dan geldende situatie. Dit is antwoord op een vraag van de zijde van de fractie van het C.D.A.

  • Inkomenseffecten voor een aantal groepen

De leden van de fractie van D'66 vragen opheldering over een aantal punten met betrekking tot de koopkrachttabellen. Zij verbazen zich erover dat in een enkel geval de effecten in procenten zo extreem hoog zijn, nl. in de gevallen waarbij de meest verdienende partner 70000 dan wel 90000 gulden inkomen heeft en het inkomen van de minst verdienende partner 10000 gulden bedraagt. De verbazing van deze leden is volstrekt terecht. Helaas zijn in de betrokken tabellen enige typecq. drukfouten geslopen, waardoor bij de hierboven genoemde inkomenscombinaties, zowel in tabel 2 als in tabel 4 van de memorie van toelichting de decimaalpunt is weggevallen. De mutaties in tabel 2 van -7% resp. -9% moeten zijn -.7% resp -.9% terwijl de mutatie in tabel 4 van -9% in feite -.9% bedraagt. Ook bij de inkomenscombinatie van 40000 bij de meest verdienende en 30000 bij de minstverdienende is sprake van een fout. De daarin vermelde mutatie van -3% moet -.3% zijn. Voorts vragen de leden van deze fractie van D'66 wat begrepen moet worden uit de toevoeging: «(inclusief belastingeffect)» aan de titel van tabel 4 op blz. 15 van de memorie van toelichting. De hier bedoelde toevoeging heeft betrekking op het feit dat de premies volksverzekeringen aftrekbaar zijn voor de belastingen en dat dus een toename in de te betalen premies AOW/AWW en opslag leidt tot een afname van de te betalen belastingen. In de tabellen 2 en 4 van de memorie van toelichting zijn deze effecten gesaldeerd. Voorts vragen deze leden welke maatregelen in de fiscale sfeer bedoeld worden in de laatste alinea van par. 13 van de memorie van toelichting. De veronderstelling dat het hier gaat om de derde fase van de tweeverdienerswetgeving is juist. Door de leden van de fractie van de P.v.d.A. wordt voor een aantal groepen, met name ambtenaren en arbeidsongeschikten en VUT-genietenden, gevraagd naar de gezamenlijke inkomenseffecten van het voorliggende wetsontwerp, de derde fase tweeverdieners en een aantal specifieke maatregelen. Ten aanzien van de inkomenseffecten voor ambtenaren verwijzen wij naar hetgeen hiervoor is opgemerkt. De inkomenseffecten voor arbeidsongeschikten ten gevolge van een aantal specifieke maatregelen zijn vermeld in het wetsontwerp dat de verlaging van de uitkeringspercentages regelt en dat onlangs de Kamer heeft bereikt. De daar opgenomen effecten worden onderstaand herhaald.

Tabel 6a. Koopkrachtmutatie voor WAO-gerechtlgden in 1985 (exclusief kinderbijslag)

Ongewij-Bevrie-Uitk.

Lagere

Fiscale Koopzigd bezing

perc.

premies maat-

kracht leid

min. loon

naar 70

regelen 1985

Sociale minima

-1,0 -0,2

+ 0,8 + 0,7 + 0,3 WAO-modaal

-2,0 -0,3 -5,0 + 0,9 + 0,7 -5,7 WAO-max. dagloon

-1,9 -0,3 -5,0 + 0,7 + 0,9 -5,6

Wil het voorliggende wetsontwerp effect hebben voor de WAO-gerechtigde dan moet in ieder geval sprake zijn van een tweeverdiener. Dit betekent dat de hier gepresenteerde effecten ten aanzien van de fiscale maatregelen om zullen slaan in effecten variërend van +0,2 op minimumniveau tot-1,0 op het niveau van het maximumdagloon. Vervolgens is het afhankelijk van het inkomen van de partner hoe groot het additionele effect van het voorliggende wetsontwerp is. Bij een minimale WAO'er varieert dit effect van 0 tot ca. -2% wanneer de partner ca. 80000 bruto verdient. Voor een WAO'er met een uitkering op het niveau van het maximumdagloon zijn deze percentages 0 tot ca. -3,5%, eveneens wanneer de partner ca. 80000 bruto verdient. Duidelijk zichtbaar wordt dat ook WAO-gerechtigden de inkomenseffecten ten gevolge van het voorliggende wetsontwerp als ook ten gevolge van de derde fase tweeverdieners niet afwijken van de effecten voor werknemers. Aangezien de inkomenseffecten van het voorliggende wetsontwerp met name gesitueerd zijn bij de meer hogere gezinsinkomens, is er ons inziens geen aanleiding om in het voorliggende wetsontwerp belangrijke wijzigingen aan te brengen. Gezien de generieke uitwerking van dit wetsontwerp liggen ook uitzonderingen voor ambtenaren of arbeidsongeschikten niet voor de hand. Voorts informeren de leden van de fractie van de P.v.d.A. nog naar de effecten van het voorliggende wetsontwerp voor gehuwde VUT-genietenden. De effecten voor deze groep van inkomenstrekkers is afhankelijk van de vraag of in de VUT-regeling is overeengekomen dat het VUT-fonds de opslagpremies voor de betrokkene al dan niet betaalt. Wanneer het VUT-fonds daadwerkelijk betaalt, dan komen de effecten voor een VUT-gerechtigde overeen met die van loontrekkers. In het andere geval komen de inkomenseffecten overeen met die van zelfstandigen.

C. Compensatie in de fiscale sfeer voor de opslagpremies Van diverse zijden is ingegaan op de samenhang van de individuele premieheffing en de voor zelfstandigen voorgestelde fiscale compensatie. Wij willen in eerste instantie verwijzen naar het daaromtrent gestelde in de stukken betreffende het wetsontwerp derde fase tweeverdieners (kamerstuk 18519). Tevens willen wij de leden, die vragen naar de precieze effecten, verwijzen naar de berekeningen, die daar zijn weergegeven. Wij hebben daar geconstateerd, dat de te bieden compensatie noodzakelijkerwijs niet anders dan globaal kan zijn. De positie van de betrokkenen en daarmee de effecten van de individuele premieheffing is uiteenlopend van aard en het voor compensatie beschikbare instrumentarium is beperkt van omvang. Wij willen er hier nogmaals op wijzen, dat er voor beperkingen van de premieplicht geen ruimte aanwezig is. Tegen een voor ieder gelijk recht op prestaties van de sociale zekerheid kan slechts een voor iedereen gelijke premieplicht staan. Ook de individuele heffing van de zogenaamde opslagpremies vindt hierin een dragende rechtsgrond. Wij hebben dan ook met instemming kennis genomen van de mening van de leden van de P.v.d.A., dat een afzonderlijke maximering van de opslagpremies een ontoelaatbare doorbreking zou vormen van de solidariteit, die ten grondslag ligt aan de

premieheffing. Een zodanige beperking van de heffing van opslagpremies zou betekenen, dat geen extra opbrengst van opslagpremies zou optreden. De kosten zouden derhalve f80 min. belopen. Een zodanige beperking zou tevens inhouden, dat de genoemde f80 min. niet beschikbaar zou zijn om in het kader van de fiscale compensatiemaatregelen te worden aangewend. De leden van de fractie van de V.V.D. stellen de problematiek aan de orde van de groep verzekerden, die weliswaar de effecten van de individuele premieheffing van opslagpremies ondergaan doch aan wie het effect van de daarvoor voorgestelde compensatie voorbijgaat, doordat zij niet als ondernemer kunnen worden beschouwd. Ook de leden van de fractie van de P.v.d.A. gaan hierop in. Wij willen deze laatste leden er op wijzen dat de door hen genoemde voorbeelden een te wijde strekking hebben. Het ondernemerschap in fiscale zin wordt evenzeer bepaald door de aard van het beroep, als door de wijze waarop dit wordt uitgeoefend. Onder de door deze leden genoemde groepen kunnen zich derhalve zeker individuen bevinden, die als ondernemer worden aangemerkt. Van de door deze leden genoemde vrijeberoepsbeoefenaren komt het ons zelfs voor, dat deze slechts bij uitzondering niet als ondernemer kunnen worden beschouwd. Het gaat om een kleine groep gehuwde tweeverdieners met een inkomen vaneen zeer divers karakter; onder andere kamerleden behoren tot de hier aan de orde zijnde categorie. Wij zien geen mogelijkheid om deze groep te bereiken. Wij betreuren het, dat daartoe eenvoudig geen instrumenten voorhanden zijn, noch in de fiscale noch in de premiesfeer. Overigens laten de voorhanden zijnde gegevens niet toe de extra premie-opbrengst op de door deze leden gevraagde wijze te splitsen. Wel kan de extra opbrengst van 180 min. worden gescheiden in 100 min, extra premie-opbrengst terzake van ambtenarensalarissen en 80 min. extra premies ten laste van het aanslaginkomen.

  • Hoogte premie-inkomensgrens

De P.v.d.A.-fractie heeft geen bezwaar tegen handhaving van de thans geldende maximum premiegrens. Een terugdraaien van de bijzondere verhoging van deze grens met f 7000 achten de leden van deze fractie onjuist; zij vinden zelfs een verhoging dan wel het vervallen van de premie-inkomensgrens bespreekbaar. De C.D.A.-fractie acht ook handhaving van de extra verhoging gewenst. De leden van de V.V.D.-fractie waren daarentegen verbaasd, dat in het huidige niveau geen verandering is aangebracht. Naar hun mening rechtvaardigt een batig saldo in de fondsen als gevolg van de verzelfstandiging van de premieheffing en de inkomenseffecten voor tweeverdieners een verlaging van de grens met f7 000. Zij vragen of de regering bereid is de premie-inkomensgrens terug te brengen tot het niveau van 1982, althans de als tijdelijk ingevoerde verhoging in deze kabinetsperiode weer ongedaan te maken. De leden van de R.P.F.-f ractie vragen zich af of niet een te grote disproportionaliteit gaat ontstaan tussen betaalde premie en een gelimiteerde uitkering. Voor de G.P.V.-fractie rijst de vraag of een verdere verlaging van de grens niet in de rede had gelegen. In het regeerakkoord is destijds tot uitdrukking gebracht, dat het voor het behoud en herstel van de werkgelegenheid onontkoombaar is dat door iedereen een koopkrachtoffer wordt gebracht. Aangetekend is daarbij dat uit overwegingen van een rechtvaardige verdeling van lasten het koopkrachtoffer voor de laagstbetaalden zo beperkt mogelijk dient te blijven, hetgeen impliceert dat van de hogere inkomens een meer dan gemiddeld koopkrachtoffer mag en moet worden gevraagd. De extra verhoging van de premiegrens voor de volksverzekeringen voor het jaar 1982 betrof één van de maatregelen, die in het hiervoor omschreven kader werden getroffen. Sindsdien is de extra verhoging gehandhaafd. Ook voor de toekomst acht de regering het uit inkomenspolitieke overwegingen gewenst de extraverhogingen te handhaven. Deze overwegingen hebben immers naar de mening van de regering aan actualiteit nog niets verloren. Het ongedaan maken van de verhoging leidt tot ongewenste denivelerende effecten.

Wij willen er voorts met nadruk op wijzen, dat verlaging van de premie-inkomensgrens voor grote groepen gehuwden geen dan wel slechts een gedeeltelijke soulaas voor de negatieve effecten van de individuele premieheffing kan betekenen. Er kan daarbij immers geen rekening worden gehouden met de verhouding van de inkomens van de echtgenoten. Het effect van een verlaging van de premie-inkomensgrens kan op een gelijk gezinsinkomen bij een verschillende aanbreng van de partners zeer uiteenlopend zijn. Het zij duidelijk, dat in alleenverdienerssituaties met een inkomen boven de premie-inkomensgrens geprofiteerd wordt van een verlaging, terwijl daarvoor uiteen oogpunt van compensatie geen aanleiding bestaat. Anderzijds zal bij twee inkomens van echtgenoten, welke elk minder bedraagt dan de verlaagde premie-inkomensgrens, geen enkel effect optreden terwijl de extra op te brengen premie aanzienlijk kan zijn. Om die reden heeft de regering gemeend bij de omvang van de fiscale derde fase rekening te moeten houden met de effecten van de individualisering; daar speelt immers de mate waarin de echtgenoten inkomen aanbrengen wel een rol. De fracties van V.V.D., D'66 en G.P.V. vragen alle naar de effecten van een verlaging van de maximumpremiegrens. De leden van de fracties van V.V.D. en G.P.V. informeren in dit kader naar de inkomens-en budgettaire effecten van het ongedaan maken van de tijdelijke verhoging met f 7000. De fracties van D'66 en G.P.V. informeren daarnaast naar het effect wanneer het positieve saldo van de individualisering volledig gebruikt zou worden voor een verlaging van de maximumpremiegrens. Het budgettaire effect van een verlaging van de maximumpremiegrens is na de individualisering belangrijk kleiner dan daarvoor. Tot en met 1984 bedraagt het effect van een verlaging met f 7000 van de maximumpremie-grens ca. 350 min., terwijl na de individualisering met ingang van 1985 een dergelijke maatregel ca. 100 min. kost. Hiermee is tevens de vraag van de V.V.D.-fractie bevestigend beantwoord. De oorzaak van dit forse verschil is gelegen in het feit dat tot en met 1984 het in belangrijke mate de tweeverdieners zijn die effect ondervinden van de maximumpremiegrens. De inkomenseffecten van een verlaging van de premiegrens met f7000 ziet er voor werknemers en zelfstandigen als volgt uit (tabellen 7 t/m 10). Hier zijn dus niet de geïsoleerde effecten van de verlaging weergegeven, maar de effecten van het totale wetsvoorstel, inclusief de door de leden voorgestelde verlaging van de premie-inkomensgrens.

Tabel 7. Extra premie van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (maximumpremiegrens -7000) inkomen minst verdienende partner

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppiw

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink

8 240 21501-24454 3I689 21501-43 629 50 795 60 219 70 219

inkom. meest verdienende partner bruto 21501-30 000 40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppiw 21501-28 140 21501-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink 21501-24 454 21501-21501-43 629 50 795 60 219 70 219

0 0 0 0 0 -341 -917 -917

0 0 0 0 854

0 229100 22029 I3I 9 2092 3119 2865 3892 4919325 I594 2769 3859 4632565 9 6399 325 1594 2769 3859 4632565 9 6399 6399 32515 9 4 2769 3859 4632565 9 6399 6399 6399

bruto • bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppiw • premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen

Tabel 8. Effect in % van het nettogezinsinkomen van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (incl. belastingeffect) (maximumpremiegrens -7000) inkomen minst verdienende partner

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppivv

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink

8 240 16659 24454 3I689 21501-43 629 50 795 60 22150 I-19

bruto

ppiw

belink inkom. 20000 I9I70 16659

0 meest

21501-28 140 24454

0 verdie-40 000 36 465 31689

0 nende

50 000 42 365 36816

0 part-

60 000 50 205 43 629

0 ner

70 000 58 452 50 795 80 000 62 850 60 219 90 000 62 850 70 219

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppivv = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen Tabel 9. Extra premie van gehuwde zelfstandigen ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW, AWW, AKW, AAW en AWBZ (maximumpremiegrens -7000) inkomen minst verdienende partner

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppivv

4 589 21501-22464 2I50I-21501-48 686 57 426 62 850 62 850 belink

3 988 11584 21501-27 12150 I-13 42 309 49 904 60 011 70011

bruto

ppiw

belink inkom. 21501-13 321501-84

0 meest

21501-22 464 19522

0 verdie-40 000 31 205 27118

0 nende

50 000 39 945 34713

0 part-

60 000 48 686 42 309

0 ner

70 000 57 426 49 904

-433 80 000 62 850 60 011

-1926 90 000 62 850 70 011

-1926

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppivv = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen

0 0

0 0

-,3

-1,9 0

-1,3

-2,5

-2,9 0

-1

-2.1 -3

-3,4 -,3

-1.4

-2,2

-2,9

-3.1 -,3

-1,3

-2.1

-2,7

-2,9 -,2

-,9

-1,6

-2

-2,2

0 0

0 0

0 0

0 2280 4685 0

0 2280 4684 7089

9 493 433 1740 4252 6656 9061

21501-13 437664 I740 4252 6656 9061

21501-13 437134 37R64 1740 4252 6656 9061

21501-13 421501-01-13437

Tabel 10. Effect in % van het nettogezinsinkomen van gehuwde zelfstandigen ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW, AWW, AKW, AAW en AWBZ (maximumpremiegrens -7000) inkomen minst verdienend e partnet

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppivv

4 589 21501-22464 2I50I-21501-48 686 57 426 62 850 62 850 belink

3 988 21501-19522 2I50I-21501-42 309 49 904 60 011 70 011

bruto

ppivv

belink inkom. 21501-13 321501-84

0 meest

21501-22 464 19522

0 verdie-40 000 31 205 27118

0 nende

50 000 39 945 34713

-2,5

-4,6 part-

60 000 48 686 42 309

-2,2

-4,1

-5,6

-6,9 ner

70 000 57 426 49 904

.5

,4

-1.5

-3,2

-4,5

-5,7

-6,7

-7,3 80 000 62 850 60 011

1,9

,5

-1,3

-2,9

-4,2

-5,3

-6

-6,4

-6 90 000 62 850 70 011

1.7

,5

-1

-2,2

-3,2

-4,1

-4,9

-5,3

-5

-4,9

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppiw = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen Wat het effect op de maximumpremiegrens zal bedragen, wanneer de gehele opbrengst van de individualisering van de AOW wordt gebruikt ter verlaging van dat maximum, kan niet exact worden aangegeven binnen het gegeven tijdsbestek. Gezien echter het feit dat een verlaging met f 7000 ca. 100 min. kost, zal het aanwenden van het saldo van ca. 540 min. een verlaging van de maximumpremiegrens mogelijk maken in de orde van grootte van f 15000 a f 20000. Het zal duidelijk zijn dat wij een dergelijke aanwending van de extra opkomende premiebaten volstrekt afwijzen. Eerder in deze memorie is voorts uitgelegd, dat verlaging van de premiegrens ook geen adequate compensatie voor de inkomenseffecten van de individuele premieheffing kan zijn. Wanneer uitgegaan wordt van een verlaging met ca. f15000 zijn de inkomenseffecten van het voorliggende wetsontwerp als volgt (tabellen 11 t/m 14).

Tabel 11. Extra premie van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (maximumpremiegrens -15000) inkomen minst verdienende partnet

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppivv

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink

8 240 21501-24454 3I689 368I6 43 629 50 795 60 219 70219

bruto

ppivv

belink inkom. 21501-19 170 16659

0 meest

21501-28 140 24454

0 verdie-40 000 36 465 31689

229

1319 nende

50 000 42 365 36816

1002 2092 2865 part-

60 000 50 205 43 629

-308 -308

546

17212 8II 3584 4303 ner

70 000 58 452 50 795

-1389 -723

546

17212 8II 3584 4303 4303 80 000 62 850 60 219

-1965 -723

546

17212 8II 3584 4303 4303 4303 90 000 62 850 70 219

-1965 -723546

17212 8II 3584 4303 4303 4303 4303

bruto = bij werknemers.' bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppivv = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen.

Tabel 12. Effect in % van het nettogezinsinkomen van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (incl. belastingeffect) (maximumpremiegrens -15000) inkomen minst verdienende partner

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppivv

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 belink

8 240 21501-24454 3I689 21501-43 629 50 795 60 219 70 219

bruto

ppivv

belink inkom. 21501-19 170 16659

0 meest

21501-28 140 24454

0 verdie-40 000 36 465 31689

0 nende

50 000 42 365 36816

0 part-

60 000 50 205 43 629

,5 ner

70 000 58 452 50 795

1.9 80 000 62 850 60 219

2 90 000 62 850 70219

1,8

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppivv = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen Tabel 13. Extra premie van gehuwde zelfstandigen ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW, AWW, AKW, AWW en AWBZ (maximumpremiegrens -15000) inkomen minst verdienende partner

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppivv

4 589 21501-22464 3I205 21501-48 686 57 426 62 850 62 850 belink

3 988 11584 21501-27 121501-01-42 309 49 904 60 011 70 011

bruto

ppivv

belink inkom. 21501-13 321501-84

0 meest

21501-22 464 19522

0 verdie-

40 000 31 205 27118

0 nende

50 000 39 945 34713

0 part-

60 000 48 686 42 309

-229 ner

70 000 57 426 49 904

-2634 80 000 62 850 60 011

-4127 90 000 62 850 70 011

-4127

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto • bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppivv = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen

0 0

0 0

-,3

-1.9 0

-1,3

-2,5

-2,9 ,4

-,6

-1.8

-2,7

-3.1

-3,5 ,7

-,7

-1.4

-2,1

-2,4

-2,7

-2,5 ,6

-,4

-1.3

-1,9

-2,2

-2,5

-2,4

-2,3 ,5

-,3

-,9

-1.5

-1,7

-1.9

-1.7

-1,6

•1.6

0 0

0 0

0 0

0 2280 4685 -230 -230

2051 4455 6860 9035 2634 -461

2051 4455 6860 9035 9035286 5 -461

2051 4455 6860 9035 9035903 5 2865 -461 2051 4455 6860 9035903 5 9035903 5

Tabel 14. Effect in % van het nettogezinsinkomen van gehuwde zelfstandigen ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW, AWW, AKW, AAW en AWBZ (maximumpremiegrens -15000) inkomen minst verdienende partner

bruto

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppivv

4 589 21501-22464 2I50I-21501-48 686 57 426 62 850 62 850 belink

3 988 21501-19522 2I50I-21501-42 309 49 904 60 021501-11

bruto

ppivv

belink inkom. 21501-13 321501-84

0 meest

21501-22 464 19522

0 verdie-40 000 31 205 27118

0 nende

50 000 39 945 34713

-2,5

-4,6 part-

60 000 48 686 42 309

,3

,3

-2

-2

-3,9

-5,4

-6,5 ner

70 000 57 426 49 904

3,5

2,9

-1.5

-1.5

-3

-4,2

-B,1

-4,7 80 000 62 850 60 011

4,2

2,4

,3

-1.4

-2,8

-4

-4,6

-4

-3,8 90 000 62 850 70 011

3,8

2,2

,2

-1.1

-2,2

-3.1

-3,8

-3,3

-3,1

-3,3

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve, maar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek ppivv = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen

  • Financiële gevolgen

De leden van de P.v.d.A.-fractie hebben twijfel over de geraamde administratieve kosten voor de partnerinkomenstoets. Zij wensen nader geïnformeerd te worden over de veronderstelling die daaraan ten grondslag ligt. Ook de leden van de VVD-fractie stellen deze vraag. Hierbij merken wij op, dat het uiteraard niet exact te voorspellen valt hoeveel de administratiekosten als gevolg van de inkomenstoets zullen toenemen. Uitgaande evenwel van het te ramen aantal aanvragen om een toeslag en een herbeoordelingsperiode van één jaar komen de schattingen thans uit op een extra bedrag van 10 a 15 min. per jaar. Deze schattingen zijn gebaseerd op van de uitvoeringsorganen verkregen informatie en hebben uitsluitend betrekking op de meeruitgaven als gevolg van eventuele inkomensonderzoeken. Met betrekking tot de macrofinanciële gevolgen van het wetsontwerp merken wij het volgende op. Per saldo levert de individualisering van de AOW meer premie-ontvangsten op dan dat er ten gevolge van de individualisering aan uitkeringen betaald moet worden. Dit batige saldo bedraagt, zoals vermeld in de memorie van toelichting, ca. 330 min. in 1985 en ca. 540 min. in latere jaren. Hierbij is geen sprake, zoals de D'66-fractie kennelijk veronderstelt, van een vermindering van uitgaven ma"ar van een overtreffen van de extra baten ten opzichte van de extra lasten. In dit verband vragen de leden van de fractie van D'66 of deze extra gelden ingeboekt zijn als ombuiging dan we! of het de bedoeling is om deze gelden te gebruiken ter dekking van de meerkosten in de sfeer van de individualisering. Zoals hiervoor reeds opgemerkt is er geen sprake van uitgavenvermindering, doch van een individualisering in de premieheffing waardoor bij ongewijzigde premiestelling de baten toenemen. Er is daarbij geen sprake van extra premieplichtig inkomen maar van een afschaffing van de maximering van het in totaal te betalen bedrag door gehuwden. Gezien het voorstaande kan hier niet gesproken worden van een ombuiging. Wel is het zo dat de hogere premie-opbrengst voor zover strikt noodzakelijk binnen de AOW beschikbaar is, om de lastenstijging in het kader aan de individualisering te financieren zoals ook blijkt uit de gepresenteerde cijferopstellingen in de memorie van toelichting.

De leden van de fracties van het C.D.A., D'66, R.P.F, en G.P.V. informeren allen of het batig saldo van deze operatie aangewend zal worden voor premieverlaging dan wel versterking van de vermogenspositie van de betrokken fondsen. Bovendien zien zij gaarne uitgelegd hoe het bedrag neerslaat in de verschillende fondsen en op welke manier deze extra premie-ontvangsten verwerkt zijn in het premiebeeld voor 1985. Het batig saldo van de individualisering van de AOW zal op kasbasis naar rato van de premiepercentages neerslaan in de volksverzekeringsfondsen, zoals ook in de memorie van toelichting vermeld. Voor zover de extra premie-opbrengsten niet noodzakelijk zijn ter dekking van de hogere lasten, zullen deze beschikbaar zijn voor een versterking van de vermogenspositie, dan wel, indien een dergelijke versterking niet noodzakelijk is, voor premieverlaging. Daarbij moet echter wel bedacht worden dat het niet langer terugbetalen van teveel ingehouden premies weliswaar op transactiebasis tot een extra premie-opbrengst voor de fondsen leidt maar eerst in 1986 feitelijk in de kasontvangsten van de fondsen zichtbaar wordt. Dit verklaart dan tevens dat, hoewel de verhoging van het premieplichtig inkomen volksverzekeringen ten gevolge van de individualisering verwerkt is in de gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de financiële nota sociale zekerheid, in 1985 toch nog geen premiedaling in de AOW zichtbaar is. In de jaren na 1985 zal er echter structureel ruimte zijn voor premieverlaging in de volksverzekeringen. De R.P.F.-fractie informeert naar de betekenis van de zinsnede in de memorie van toelichting dat de financiële gevolgen structureel gezien beperkt zijn voor de sociale fondsen. Met deze zinsnede wordt met name gedoeld op de ontwikkelingen aan de lastenkant van de sociale fondsen (structureel een toename van de uitgaven met ca. 40 min.) en niet zozeer op de extra premie-opbrengst. Gezien de omvang van de collectieve sector is natuurlijk met name de beheersing van de uitgaven van het grootste belang en ten aanzien van deze maatregel mag geconstateerd worden dat er slechts een zeer geringe uitgavenstijging geaccepteerd behoeft te worden. Tot slot vragen de leden van de R.P.F.-fractie nog om opheldering met betrekking tot een aantal uitgavenposten. Gezien de splitsing van het oorspronkelijke wetsontwerp in een premiedeel en een uitkeringsdeel, lijkt het doelmatiger de beantwoording van deze vragen op te schorten tot de behandeling van wetsontwerp 18515.

  • Diversen

De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen nog naar de gevolgen van de verzelfstandigde premieheffing voor Nederlanders die in het buitenland de AOW-premie doorbetalen. Het ligt niet in de bedoeling om in het systeem van vrijwillige premiebetaling systematische wijzigingen aan te brengen. De bevoegdheid tot vrijwillige premiebetaling kan ook in de toekomst worden onderscheiden in een bevoegdheid tot vrijwillige voortzetting van de verzekering in aansluiting op de beïndiging van de verplichte verzekering, en een bevoegdheid tot vrijwillige premiebetaling over niet-verzekerde tijdvakken vóór aanvang van de verplichte verzekering. In beide gevallen is in het tot nu toe bestaande systeem de gehuwde vrouw automatisch meeverzekerd, indien haar echtgenoot gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid tot vrijwillige premiebetaling. De hoogte van de premie was daarbij afhankelijk van het gezamenlijk inkomen van de beide echtelieden. Als gevolg van de invoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW ontstaat er voor de gehuwde vrouw een eigen, afzonderlijke bevoegdheid tot vrijwillige premiebetaling. Als gevolg van deze wijziging zal bij de vaststelling van de hoogte van de te betalen premie niet langer het gezamenlijke inkomen als uitgangspunt kunnen worden gehanteerd. Overeenkomstig het premieheffingssysteem voor de verplichte verzekering zullen beide echtgenoten afzonderlijk en individueel premie moeten afdragen, waarbij voor ieder de premie-inkomensgrens van toepassing is.

Van een verdere doorbreking van de relatie tussen premiebetaling en uitkeringsrechten zal geen sprake zijn. Indien beide echtgenoten de 65-jarige leeftijd hebben bereikt, ontvangen zij in beginsel eenzelfde pensioen als ingezetenen. De P.v.d.A.-leden vragen of de individualisering van de premieheffing tot gevolg heeft, dat oude gevallen, waarbij de individuele AOW wordt gekort -of nog zou worden gekort -als gevolg van een premiebreuk bij de ex-partner, nu alsnog een volledige individuele AOW-uitkering zullen ontvangen. Het gaat deze leden waarschijnlijk om de AOW-gerechtigde of diens echtgenoot, waarbij over enig tijdvak van de verzekering sprake is geweest van schuldige nalatigheid in de premiebetaling. In verband hiermee merken wij op, dat over tijdvakken gelegen vóór 1 januari 1985 de Algemene Ouderdomswet, zoals die voor die datum luidt, van toepassing blijft. Dit betekent, dat de schuldige nalatigheid tijdens het huwelijk beide echtgenoten wordt aangerekend. Over na 1 januari 1985 gelegen tijdvakken zal als gevolg van de verzelfstandigde premieheffing de schuldigde nalatigheid van de ene echtgenoot niet kunnen leiden tot een korting op het pensioen van de andere echtgenoot. Uit het opbouwkarakter van de AOW vloeit voort, dat bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd wordt onderzocht of betrokkenen gedurende 50 jaren verzekerd is geweest. Korting op het eigen pensioen kan derhalve zijn gebaseerd op schuldige nalatigheid vóór en na de inwerkingtreding van de nieuwe AOW. Voorts willen wij nog ingaan op een vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie met betrekking tot de AAW en de AKW in het kader van de verdere verzelfstandiging van de premie volksverzekeringen. In principe is een ieder die in Nederland woont, verzekerd krachtens de volksverzekeringen. Indien echter van een echtpaar de gehuwde man buiten Nederland verzekerd is (bij voorbeeld grensarbeiders) is thans ook zijn vrouw niet verzekerd. Door de verzelfstandiging komt aan deze situatie een einde. De gehuwde vrouw wordt dan zelfstandig verzekerd en krijgt derhalve ook zelfstandige rechten. In de in het verslag aangehaalde voorbeelden betekent deze verandering, dat zij dan in geval van arbeidsongeschiktheid aanspraak kan doen gelden op een uitkering ingevolge de AAW. Bovendien verkrijgt zij, indien zij kinderen heeft, een zelfstandig recht op kinderbijslag ingevolge de AKW. Over een mogelijke samenloop van aanspraken zullen evenwel nog nadere -nationale of internationale -regelen gesteld moeten worden. De leden van de V.V.D.-fractie stellen vast dat als gevolg van financiering middels het omslagstelsel ten aanzien van alle in het geding zijnde volksverzekeringen, het moeilijk is akkoord te gaan met een premievaststellingswijze zonder dat vaststaat wat het totaal aan uitkeringsrechten zal bedragen. Zij vragen of de Regering kan garanderen dat indien de wetgever wenst te besluiten tot inkomensonafhankelijke AOW-uitkeringen daarmee niet noodzakelijkerwijs gaten worden geschoten in het AOW-fonds, maar dat aanpassingen in de premiesfeer ook nog na 1 januari 1985 maar vóór eind 1985 mogelijk zijn. Hierbij merken wij op dat de premie AOW verwerkt wordt in de loonbe-lasting-en premietabellen voor 1985. Dit betekent dat enige tijd voor het einde van dit jaar een AOW-premie in de tabellen moet worden verwerkt. Wanneer nog niet definitief vaststaat hoe de uitkeringslasten zich in 1985 zullen ontwikkelen, zal hierbij van bepaalde veronderstellingen en schattingen moeten worden uitgegaan. Wanneer achteraf zou blijken -bij voorbeeld door een bijstelling van de Regeringsplannen ten aanzien van de uitkeringsstructuur -dat de premie op een te laag niveau is vastgesteld, zal, indien dit ten behoeve van het fonds nodig mocht zijn, een tussentijdse bijstelling van het premiepercentage kunnen plaatsvinden, bijvoorbeeld op 1 april of 1 juli. De leden van de C.D.A.-fractie vragen naar de uitvoeringstechnische problemen, indien het voorliggende wetsontwerp op 1 januari 1985 kracht van wet krijgt en nogal wat verzekerden loonbelastingverklaringen moeten

invullen. In verband met de verzelfstandiging van de premieheffing zullen geen nieuwe loonbelastingverklaringen moeten worden ingevuld. Ten aanzien van premieheffing bij wijze van inhouding is immers reeds sprake van volledige verzelfstandiging. Over de wijzigingen in het premieheffingssysteem zal de gebruikelijke voorlichting plaatsvinden. Wat betreft het wetsontwerp 18515 kan uiteraard eerst met ruime voorlichting worden begonnen, nadat voldoende zekerheid is verkregen over de definitieve vormgeving van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De leden van de fractie van D'66 komen tevens terug op een onderwerp waarvoor zij enige jaren geleden herhaald de aandacht hebben gevraagd. Het betreft hier de naar hun mening onterechte «beoordeling» van werkgevers, wanneer werknemers een persoonlijke aftrekpost al bij de inhouding van belasting en premies middels een zogenaamde beschikking inspecteur in aanmerking genomen willen zien. Destijds hebben wij gesteld, dat wij voor deze zaak een ingrijpende wijziging van het administratief eenvoudige stelsel van heffing bij wege van opslag niet gewenst achtten. Voorts hebben wij bij die gelegenheid er op gewezen, dat er sprake was van een situatie met plussen en minnen ten opzichte van de situatie, waarin de heffing volledig geschiedt bij wege van aanslag zonder inhouding vooraf. Van te veel betaalde opslagpremie (die niet wordt teruggegeven) kan sprake zijn, wanneer de betrokken werknemer in meerdere dienstbetrekkingen werkzaam is, dan wel tijdens het jaar de dienstbetrekking verbroken wordt, bijvoorbeeld wegens verandering van werkkring. Wanneer echtgenoten beiden in loondienst werkzaam waren, had dit het effect van meerdere dienstbetrekkingen. Van de zijde van de fractie van D'66 wordt nu gesteld, dat er door de zelfstandige premieheffing geen sprake meer kan zijn van te veel betaalde opslagpremies, zodat een en ander opnieuw beschouwd zou moeten worden. Wij willen er op wijzen, dat de overige hiervoor geschetste situaties zich ook na realisatie van het onderhavige voorstel nog in dezelfde mate als voorheen zullen kunnen blijven voordoen. Ook het argument van de administratieve eenvoud voor de werkgevers blijft onverminderd van kracht. Daar de overwegingen van destijds in onze ogen niet gewijzigd zijn, lijkt het ons niet nodig de discussie op dit punt te heropenen. Tot slot treft u bij deze memorie een nota van wijziging aan. Deze betreft een wijziging in de premievrijstellings-en reductieregeling. Die regeling beoogt tegemoet te komen aan de betalingsonmacht van kleine zelfstandigen. Die onmacht wordt op grond van bestaande wetgeving niet aanwezig geacht, indien de verzekerde in aanmerking komt voor een aanslag in de vermogensbelasting. Aangezien ingevolge artikel 5 van de Wet op de vermogensbelasting 1964 de bezittingen en schulden van gehuwde vrouwen worden aangemerkt als bezittingen en schulden van haar echtgenoot, zou indien een aanslag vermogensbelasting is opgelegd, zij -indien aan de overige voorwaarden wordt voldaan -altijd aanspraak op premievrijstelling ofreductie kunnen maken, terwijl in redelijkheid niet van betalingsonmacht kan worden gesproken. De voorgestelde wijziging voorkomt dit voor situaties waarin men het gehele premietijdvak gehuwd is geweest. De Regering heeft zich gerealiseerd, dat de tekst van het wetsontwerp op dit punt onvoldoende duidelijk van haar bedoeling blijk geeft. De nota van wijziging strekt ertoe mogelijke twijfel weg te nemen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. Kappeyne van de Coppello

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.