Voorlopig verslag - Nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 4

1 Samenstelling: Leden: Scholten (de groep Scholten/Dijkman), Keja (VVD), Poppe (PvdA), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), De Korte (VVD), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Toussaint (PvdA), Buikema (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Leerling (RPF), Schutte (GPV), Groenman (D'66), Van der Vlies (SGP), Willems (PSP), Brouwer (CPN), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Paulis (CDA), Dales (PvdA), Ubels-Veen (EVP), Korthals (VVD), Linschoten (VVD). Plv.leden: De Grave (VVD), Worrell (PvdA), Hermsen (CDA), G. C. van Dam (CDA), Leijnse (PvdA), Kombrink (PvdA), Van Erp (VVD), Van Muiden (CDA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Salomons (PvdA), Faber (CDA), Hermans (VVD), Nypels (D'66), Eshuis (CPN), Wolters (CDA), Wöltgens (PvdA), Evenhuis-van Essen (CDA), Knol (PvdA), Kamp (VVD), Nijhuis (VVD), VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 16 oktober 1984

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid', belast met het voorbereidend onderzoek, brengt van haar voorlopige bevindingen als volgt verslag uit.

  • Algemeen

De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden, na bestudering van het wetsvoorstel, het betreurd dat dit voorstel, gelet op de relatie met de derde fase van de tweeverdienerswetgeving, los van met name de uitkeringssystematiek wordt behandeld. Dit nam evenwel niet weg dat ook zij, vanuit inkomenspolitieke overwegingen, de samenhang tussen het voorliggende wetsvoorstel en de voorstellen met betrekking tot de derde fase tweeverdienerswetgeving onderkenden. Deze leden wensten dan ook de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing volksverzekering niet geheel los te beschouwen van hun opvattingen inzake de wijze waarop de lasten van de sociale zekerheid dienen te worden gespreid enerzijds en, anderzijds, de wijze waarop ook deze premieheffing een bijdrage levert aan de herverdeling van het maatschappelijk inkomen. Dit laatste dient, naar hun oordeel, ook als een van de doelstellingen van de sociale zekerheid en de financiering daarvan te worden onderkend. Zij verwachtten dat het kabinet uitgebreid op hun vragen en opmerkingen over de premieheffing zal ingaan om, ondanks de beperkte tijdsruimte, een zorgvuldige en verantwoorde behandeling mogelijk te maken. De leden van de P.v.d.A.-fractie onderschreven het uitgangspunt dat mensen ongeacht hun sexe eigen rechten en plichten dienen te kunnen ontlenen aan de sociale zekerheid; een uitgangspunt dat ook in de, mede dankzij Nederlandse inspanningen tot stand gebrachte, Europese richtlijn inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid van de lidstaten is vastgelegd. Deze leden hadden dan ook geen principiële bedenkingen tegen een verzelfstandiging van de premieheffing. Wel hadden zij met betrekking tot de vormgeving van deze «individualisering» vele vragen alsook over de relatie tot de uitkeringsorganisatie, die overigens voor het merendeel in een later stadium, bij de behandeling van de uitkeringssystematiek aan de orde zullen moeten komen (wetsvoorstel 18515).

De leden van de P.v.d.A.-fractie stelden vast dat de regering in haar benadering van de premieheffing gekozen heeft voor een systeem van zelfstandige premieheffing, waarbij ieder individu betaalt naar draagkracht. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat ieder individueel bruto-inkomen de ruimte bevat voor volledige premiebetaling. Deze leden achtten het noodzakelijk dat de regering een nadere toelichting verstrekt over haar opvattingen met betrekking tot draagkracht en behoefte en de wijze waarop in de secundaire inkomensverdeling daarmee rekening wordt gehouden. Vooruitlopend op de voorgenomen uitkeringsstructuur meenden de leden van deze fractie een aantal vragen te moeten stellen die verband houden met de kennelijke bedoeling om de maximale uitkering van gehuwd samenwonenden -en in de toekomst ook voor ongehuwd samenwonenden -te stellen op 10/7 maal de uitkering van een alleenwonende. Naar het oordeel van de P.v.d.A."fractieleden, hier aan het woord, zou moeten worden gemotiveerd waarom voor de individuele premieheffing een andere systematiek wordt voorgesteld dan voor de uitkeringssystematiek. De gelijke individuele premiegrens leidt in feite voor gehuwd samenwonende tweeverdieners -en in een later stadium wellicht eveneens voor ongehuwd samenwonenden -tot een grote discrepantie tussen betaalde premie enerzijds en uitkeringen anderzijds. De uitkering voor een (echt)paar zal in de voorstellen de 100% uitkering niet kunnen overschrijden, terwijl het maximuminkomen waarvoor gehuwden premie moeten betalen ruim f62 000 zal bedragen voor alleenverdieners en ruim f 12500 0 voor tweeverdieners. Hoe verhoudt dit zich tot de opvattingen van destijds -bij de invoering van de AOW -toen door het bepalen van een maximum premie-grens een zekere relatie werd gelegd tussen de maximaal verschuldigde premie en de hoogte van het AOW-pensioen? In de memorie van toelichting stellen de bewindslieden: «In de adviesaanvrage wordt gesteld, dat het niet strijdig is met de derde richtlijn wanneer bij vaststelling van de premie van de ene partner en de eventuele maximering daarvan, rekening wordt gehouden met het inkomen van de andere partner en met eventueel overig echtelijk inkomen» (bladzijde 8). Wanneer dat niet strijdig is, zo merkten deze leden op, welke zijn dan de overwegingen om niette kiezen voor maximale premiegrenzen die onderscheiden zijn naar leefvorm, zoals in de uitkeringssystematiek ook het geval is? Zij constateerden een duidelijke spanning tussen de benadering van de uitkeringssystematiek en de premiesystematiek. Daarom wensten zij eveneens inzicht te hebben in de effecten, zowel naar inkomen -vergelijkbaar met de in de memorie van toelichting verstrekte informatie in tabel 1 en 2 -als van de premiehoogte en opbrengst bij andere varianten, waarbij voor de premiesystematiek meer wordt aangesloten bij de voorgestelde uitkeringssystematiek. Zij noemden in dit verband de volgende mogelijkheden: -een maximale premiegrens voor gehuwden van gezamenlijk 10/7 maal het bedrag wat thans als individuele premiegrens wordt voorgesteld voor ongehuwden; -een individuele maximumpremiegrens, waarbij voor gehuwden gezamenlijk twee maal de individuele premiegrens zou gelden, ongeacht of één, danwei beide partners een inkomen verwerven. -het opheffen van de premiegrenzen voor een ieder. Met betrekking tot dit laatste vroegen zij hoevelen, door het opheffen van premiegrenzen, feitelijk meer premie zouden betalen dan in de gekozen systematiek, onderscheiden naar gehuwden, ongehuwden en gehuwd samenwonenden. Voorts wensten de leden van de P.v.d.A.-fractie de inkomenseffecten en de budgettaire gevolgen te vernemen van volledige fiscalisering van de AOW-premie.

In grote lijnen had de inhoud van het nu voorliggende wetsvoorstel, ook al hadden zij nog een aantal opmerkingen en vragen bij diverse onderdelen daarvan, de instemming van de leden van de C.D.A.-fractie. De als gevolg van de richtlijn van 19 december 1978 van de Raad van de Europese Gemeenschappen noodzakelijk geworden gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de Algemene Ouderdomswet dient vanzelfsprekend niet alleen aan de premieheffingskant, maar ook aan de uitkeringskant te worden geregeld. Zowel de rechten als de verplichtingen uit deze gelijkstelling dienen zo enigszins mogelijk per dezelfde datum in te gaan. Met name de regeling van de uitkeringsrechten, als vervat in wetsvoorstel 18515 vergt echter, zoals intussen is gebleken, een meer gedegen en tijdrovende parlementaire behandeling die niet vóór 1 januari 1985 kan worden voltooid, mede als gevolg van de late indiening van dat wetsvoorstel. Overigens was het deze leden bekend dat de regering bijzonder voortvarend heeft gehandeld na ontvangst van de adviezen van de SER en de Emancipatieraad. Door nu de premieheffingskant in het voorliggende wetsvoorstel afzonderlijk te regelen en de rechten, voortvloeiende uit de aanspraken op gelijke behandeling van mannen en vrouwen zo nodig met terugwerkende kracht te doen ingaan, zal uiteindelijk toch per 1 januari 1985 door Nederland aan de betreffende Europese richtlijn zijn voldaan. Terecht merkt de regering op in de memorie van toelichting dat lastenverzwaringen, die het gevolg zullen zijn van het nieuw voorgestelde premieheffingssysteem, bezwaarlijk met terugwerkende kracht aan de premiebetalers kunnen worden opgelegd. Invoering van het nieuwe premieheffingssysteem zou dan pas per 1 januari 1986 mogelijk zijn. Dit zou ook de invoering van gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen per 1 januari 1985 geheel op losse schroeven zetten, omdat dit zodanige meeruitgaven met zich zou brengen dat, ook naar de mening van de C.D.A.-fractieleden als gevolg daarvan onder de huidige omstandigheden onaanvaardbare financieringsproblemen zouden ontstaan. Er blijft intussen, zo meenden zij, een duidelijk verband bestaan tussen beide wetsvoorstellen. Er bestaat bovendien ook bij een versnelde behandeling van de premieheffingskant, voldoende ruimte om, indien en voorzover daaraan in de Kamer behoefte mocht bestaan, beide wetsvoorstellen te wijzigen. Een versnelde behandeling van dit wetsvoorstel maakt bovendien een weliswaar gescheiden maar toch parallel verlopende openbare behandeling mogelijk met wetsvoorstel 18519, houdende wijziging van de inkomstenbelasting (derde fase tweeverdieners). Dit nu is, naar de mening van deze leden, zonder meer noodzakelijk, gelet op de, bij aanvaarding van deze beide wetsvoorstellen, optredende inkomensmutaties per 1 januari 1985. Met de voor een deel der verzekerden optredende niet geringe premielastenverzwaring wordt immers rekening gehouden in wetsvoorstel 18519. Te sterke cumulatief optredende negatieve inkomenseffecten dienen te worden voorkomen. Bovendien kan, indien men het gekozen premieheffingssysteem aanvaardt, in feite slechts via laatstbedoeld wetsvoorstel enige compensatie worden geboden voor de in het bijzonder voor zelfstandigen optredende lastenverzwaring, nu de premieheffing voor de overige volksverzekeringen gekoppeld blijft aan die voor de AOW/AAW. Zij deelden in dit verband de mening van de regering dat het voor de hand ligt het beginsel van gelijke behandeling thans ook door te voeren in de premieheffing voor de overige volksverzekeringen. Deze leden vroegen voorts naar de uitvoeringstechnische problemen, indien het voorliggende wetsvoorstel op 1 januari a.s. van kracht zal worden. Betekent dit niet dat in een vrij groot aantal gevallen nieuwe en voor vele verzekerden vrij moeilijk in te vullen loonbelastingverklaringen moeten worden ingevuld?

Bovendien merkten zij op dat de invoering van de gelijkstelling tussen mannen en vrouwen waar het betreft de premieheffing per 1 januari a.s. voor veel verzekerden vragen zal oproepen, met name in gevallen waarin sprake is van herleving van de premieplicht. Watwordt gedaan om, vooruitlopend op de behandeling van wetsvoorstel 18515, dat de uitkeringskant van de gelijke behandeling bevat, met een ruime voorlichting van de verzekerden te beginnen?

De hier aan het woord zijnde leden van de V.V.D.-fractie waren met de regering van mening dat verwezenlijking van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het verlengde van de derde richtlijn van de Europese Gemeenschappen (79/7/EEG, Publikatieblad EG nr. L6van 10 januari 1979), zoals deze op 19 december 1978 tot stand was gekomen, noopt tot wijzigingen in de sfeer van enkele volksverzekeringen, zowel aan de uitkeringskant als aan de premiekant. Zij waren van mening dat het verreweg de voorkeur had verdiend beide onderdelen, gezien hun onderlinge samenhang, gezamenlijk te behandelen. Een gezamenlijke behandeling vóór 1 januari a.s. van beide onderdelen was, aldus deze leden, slechts mogelijk geweest wanneer het oorspronkelijke wetsvoorstel 18515 reeds vóór 1 juli 1984 aan de Tweede Kamer was gezonden. Deze leden betreurden het dat dit niet is geschied. De leden van de V.V.D.-fractie wensten van de regering te vernemen wat de gevolgen zullen zijn indien op 1 januari a.s. niet aan de Europese richtlijn wordt voldaan. Betreffende het mogelijk niet voldoen op 1 januari a.s. aan de verplichte gelijke behandeling van mannen en vrouwen meent de regering dit te kunnen ondervangen door aan de, uit de gelijke behandeling voortvloeiende voordelen, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985 te verlenen. De aan het woord zijnde leden van de V.V.D.-fractie vroegen zich af in hoeverre de bovengenoemde derde richtlijn van de Europese Gemeenschappen ruimte laat voor een dergelijke oplossing. Kan de regering berichten of het te laat uitvoering geven aan de eerste of tweede richtlijn in enige lidstaat aanleiding heeft gegeven tot maatregelen van de Commissie, dan wel dat dit heeft geleid tot jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie? De leden van de V.V.D.-fractie stelden vervolgens vast dat, als gevolg van financiering door middel van het omslagstelsel ten aanzien van alle in het geding zijnde volksverzekeringen, het moeilijk is een premievaststellingswijze te aanvaarden zonder dat vast staat wat de totale uitkeringsrechten zullen bedragen. Kan en wil de regering toezeggen dat, indien de wetgever besluit tot inkomensonafhankelijke AOW-uitkeringen, de daarmee samenhangende extra lasten niet noodzakelijkerwijze ten laste komen van het AOW-fonds, maar dat aanpassingen in de premiesfeer ook na 1 januari 1985, doch vóór einde 1985 mogelijk zullen zijn?

De leden van de fractie van D'66 hadden met gemengde gevoelens kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Enerzijds achtten deze leden het noodzakelijk, gerechtvaardigd en gewenst dat tot verzelfstandiging van de premieheffing voor de volksverzekeringen wordt overgegaan als gevolg van de derde richtlijn. De bepalingen van deze richtlijn dienen ook in de opvatting van deze leden te leiden tot individualisering van de premieheffing. In algemene zin -zij zouden later op enkele onderdelen terugkomen -konden zij zich daarom ook met deze individualisering verenigen. Anderzijds echter heeft individualisering ook betrekking op de uitkeringskant van het stelsel van sociale zekerheid en derhalve van de volksverzekeringen. De derde richtlijn laat daarover geen twijfel bestaan door ook de ouderdomsregelingen onder haar werkingssfeer te begrijpen.

De regering heeft inmiddels voorstellen gedaan om de uitkeringsrechten in de AOW te verzelfstandigen, teneinde daarmee aan de bepalingen van de derde richtlijn van de EG te voldoen. De leden van de fractie van D'66 hadden echter bezwaar tegen de wijze waarop daaraan in wetsvoorstel 18515 vorm is gegeven. Weliswaar wordt dit wetsvoorstel eerst over enige tijd behandeld, doch beide voorstellen kunnen niet los van elkaar worden beschouwd. Deze leden waren van oordeel dat de regering de AOW-uitkeringen op volstrekt onvoldoende wijze wil individualiseren. Vooral tegen de inkomensafhankelijkheid van de toeslagen aan de 65 jaar geworden partner -gemeten aan het inkomen van de nog werkende jongere partner -hadden deze leden bezwaar. Een dergelijke regeling druist volgens hen in tegen het streven om te komen tot individuele, verzelfstandigde, onafhankelijke uitkeringsrechten. Deze door de regering voorgestelde, inkomensafhankelijke AOW-regeling past daarmee in de tendens om niet minder, maar juist steeds meer in de sociale zekerheid rekening te houden met het inkomen van partners. Zoals bekend verondersteld wijst de fractie van D'66 deze tendens af. Als gevolg van deze tweeslachtigheid -volledig verzelfstandigde premieheffing aan de ene kant tegenover partnerafhankelijke AOW-rechten aan de andere kant -dringt zich allicht het beeld op dat daar, waar individualisering leidt tot extra inkomsten voor de collectieve sector deze voor de regering geen enkel probleem vormt, ongeacht de mogelijke negatieve inkomenseffecten daarvan terwijl overigens eindeloos wordt beknibbeld, uitgesteld, gewogen en herwogen als het gaat om de uitbreiding van rechten aan de uitkeringskant, welke evenzeer het gevolg dienen te zijn van de derde richtlijn. Ten minste wordt die indruk gewekt. Ter illustratie daarvan moge gelden dat de eliminatie van kostwinnersbepalingen in de WWV op een zodanige wijze, dat vrouwen dezelfde rechten krijgen als mannen, naar het oordeel van de regering moet wachten op bezuinigingsmaatregelen binnen het geheel van de sociale zekerheid. Daarom worden de kostwinnersbepalingen voorlopig maar sexeneutraal geformuleerd, hetgeen niet anders dan een uitvlucht is voor de noodzakelijke verzelfstandiging in de sociale zekerheid. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren waarin de derde richtlijn haar motief vond, te weten de toegenomen deelname van vrouwen aan het arbeidsproces. Juist inkomensafhankelijkheid van regelingen kan een belemmering vormen voor die deelname, omdat immers de verwerving van een inkomen door de vrouw ogenblikkelijk een vermindering van uitkeringsrechten van de man tot gevolg heeft. Zo'n beleid werkt ontmoedigend op de emancipatie en heeft daarmee precies het tegenovergestelde effect dat is beoogd door de derde richtlijn. Zoals hierboven reeds verwoord konden de leden van de D'66-fractie in principe instemmen met de verzelfstandigde premieheffing. Zij achtten het echter niet onmogelijk dat zij -tegen deze achtergrond -in een later stadium alsnog zouden bepleiten de verzelfstandiging vooralsnog te beperken. Cruciaal daarbij zal de vraag zijn of ook de uitkeringsrechten op bevredigende wijze, in ieder geval bevredigender dan in het huidige voorstel, zullen worden geregeld. Hoe zeer deze leden ook hechten aan verzelfstandiging binnen de sociale zekerheid -aan inkomsten-en uitgavenkant -het kan daarbij niet van één kant komen. Premieverplichtingen en uitkeringsrechten moeten in redelijke mate met elkaar sporen. Zij riepen daarbij nog eens in herinnering dat zij reeds in 1980, hoewel ook toen in principe voorstander van een verzelfstandigde premieheffing, deze hadden afgewezen op grond van het argument dat toentertijd geen aandacht was gegeven aan de ook noodzakelijke wijzigingen van de uitkeringsrechten. De op grond daarvan ingediende motie-Terlouw werd door een meerderheid van de Kamer gesteund. Niet anders dan met grote teleurstelling hadden deze leden dan ook moeten constateren dat na 4 jaar nog altijd geen bevredigende regeling is gevonden.

De leden van de R.P.F.-fractie hadden met scepsis kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. In de eerste plaats twijfelden deze leden er aan of met het inslaan van de weg van verzelfstandiging, anders gezegd het doorvoeren van individualisering in de AOW, het pad naar een verantwoordelijke samenleving niet uit het oog verloren wordt. Mensen worden immers van elkaar losgekoppeld, daar waar zij bij elkaar horen. Welke effecten zal deze «automatisering» van samenlevingsvormen hebben? Behoort het niet juist tot de overheidstaak een dergelijke automatisering zoveel mogelijk tegen te gaan, althans niet te stimuleren, zo vroegen deze leden. Overigens achtten de aan het woord zijnde leden het op Bijbelse gronden onjuist gehuwden als losstaande individuen aan te merken. Man en vrouw in het huwelijk behoren eikaars complement te zijn en als zodanig te worden benaderd. Tegen de verzelfstandiging in de AOW meenden de leden dan ook een ernstig protest te moeten laten horen. Voorts wezen de aan het woord zijnde leden op de huns inziens negatieve invloed van Europese rechtsregels, die Nederland verplichten tot aanpassing van de wetgeving. Het is zeer de vraag, zo meenden zij, of de regering wel zoveel haast had gemaakt met de wijziging van de AOW als derde EG-richtlijn er niet was geweest, hoewel in het Nederlandse beleid een emancipatiedoelstelling is opgenomen. De leden van de R.P.F.-fractie vestigden de aandacht op huns inziens onzorgvuldig gebruik van het begrip «discriminatie» in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel. «Discriminatie» betekent een krenkende en onrechtvaardigde ongelijke behandeling. Door «discriminatie» gelijk te stellen aan ongelijke behandeling worden twee elementen ten onrechte weggelaten, namelijk het krenkende karakter en de onrechtvaardigheid van een bepaalde handeling. Dat hiervan in de huidige AOW-systematiek sprake is vermochten deze leden niet in te zien. Overigens wilden de aan het woord zijnde leden reeds op deze plaats aantekenen, dat zij het uitstel met een jaar van de toepassing van de nieuwe systematiek (aan de uitkeringszijde) op ongehuwd samenwonenden ongewenst achtten. Zij vroegen zich af of de regering op dit punt geen lering heeft getrokken uit de parlementaire behandeling van de tweeverdienerswet vorig jaar. Iszijderhalve bereid alsnog haarstellingname in deze te wijzigen? In de memorie van toelichting ontbreekt een bespreking van de vergrijzingsproblematiek. Naar de mening van de leden van de R.P.F.-fractie zou het aanbeveling verdienen hierop alsnog in te gaan. Wijziging van een stelsel is immers bij uitstek een gelegenheid om na te denken over het beleid op lange termijn. Deze leden vestigden in dit kader de aandacht op het symposium «De AOW met pensioen?», dat gehouden werd op 18 mei 1984 te Den Haag, en op de diverse aldaar aangedragen (deel)oplossingen voor de vergrijzingsproblematiek. In dit verband stelden zij de volgende vragen: Bestaat er enig inzicht in de verhouding tussen AOW en (aanvullende) pensioenen? In welke mate is deze verhouding in de komende tientallen jaren aan verandering onderhevig? Hoe stelt het kabinet zich op inzake verhoging, verlaging of differentiatie van de AOW-gerechtigde leeftijd van 65 jaar? Tot welk jaar is, bij handhaving van het huidige premiepercentage en uitkeringsniveau, financiering door middel van het omslagstelsel mogelijk?

Het lid van de G.P.V.-fractie betreurde het dat het wetsvoorstel gelijke behandeling mannen en vrouwen in de AOW zó laat is ingediend, dat een behoorlijke en tijdige parlementaire behandeling niet meer mogelijk blijkt. De thans gekozen oplossing, splitsing van het wetsvoorstel ineen premiedeel en een uitkeringsdeel was weliswaar de enige uitweg in de thans ontstane situatie, fraai is zij niet. Een integrale behandeling van het gehele voorstel ware verre te verkiezen geweest boven hetgeen thans te geschieden staat.

Het was dit lid een raadsel hoe de regering er telkenmale in kan slagen belangrijke wetsvoorstellen, die aan een ingangsdatum zijn gebonden te laat bij de Kamer ingediend te hebben. In het onderhavige geval is dit des te opmerkelijker omdat al zes jaar lang bekend is dat op 1 januari a.s. de gelijke behandeling een feit moet zijn. Alhoewel dit lid geen enkele behoefte had aan de voorschriften, vervat in de derde EG-richtlijn, omdat deze te weinig rekening houden met de specifieke Nederlandse situatie en omdat de achterliggende filosofie moet worden afgewezen, gebood de politieke realiteit te erkennen dat de richtlijn geldend recht zal zijn in ons land en daarom in principe dient te worden opgevolgd. Wel zal getracht worden bij de invulling van de nadere wetgeving binnen het kader van de richtlijn zoveel mogelijk aan de eigen uitgangspunten gestalte te geven. Bij de behandeling van het uitkeringsgedeelte zal hierop door dit lid nader worden teruggekomen. Het G.P.V."fractielid was van mening dat bij de keus voor verzelfstandigde uitkeringsrechten in principe ook een verzelfstandigde premieplicht behoort. Het standpunt van de meerderheid van de SER en het uitgangspunt van dit wetsvoorstel werden dan ook door hem onderschreven. De solidariteitsgedachte die aan de AOW ten grondslag ligt is voldoende rechtvaardiging voor een gelijk premiepercentage voor iedereen, ongeacht de mogelijke verschillen in uitkeringsrechten. Het is in dit verband rechtvaardig te noemen dat de economisch sterkeren, namelijk degenen met een eigen inkomen, meebetalen aan de voorziening voor een toereikende uitkering aan degenen die een financieel afhankelijke levenspartner te verzorgen hebben, aldus dit lid van de G.P.V.-fractie.

  • Het premieheffingsstelsel

2.1. Algemeen

De leden van de C.D.A.-fractie konden zich verenigen met het door de regering voorgestelde premieheffingsstelsel. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen voor de AOW brengt, naast een zelfstandig recht op uitkering ook een zelfstandige plicht tot premiebetaling mee. Een voor ieder gelijke, individuele premie-inkomensgrens sluit daarop het beste aan. In de volksverzekeringen zal men steeds de solidariteitsgedachte zonder meer moeten laten prevaleren boven het equivalentiebeginsel, met name bij de premieheffing, zelfs al wordt in het uitkeringssysteem het niveau van de uitkering naar levens-en gezinsomstandigheden verschillend. Terecht is er in dat verband naar de mening van de C.D.A."fractieleden, in het advies van de SER door de grote meerderheid van de Raad op gewezen, dat die omstandigheden ook tijdens de premieplichtige leeftijdsperiode niet steeds dezelfde zijn. Dat de premievrijstellings-en reductieregeling, zij het toegesneden op het systeem van zelfstandige premieheffing behouden blijft, had de warme instemming van deze leden, hier aan het woord. Ofschoon zij niet bij voorbaat wilden uitsluiten dat deze regeling, die ook moet worden bezien in het licht van de inkomenssituatie van met name de kleine zelfstandigen, in de toekomst voor enige uitbreiding vatbaar zou zijn, onderkenden zij dat daarvoor thans, gelet op de noodzaak van het terugdringen van de omvang van de collectieve uitgaven, de ruimte niet aanwezig is. Het was de leden van de V.V.D.-fractie opgevallen dat de regering in de adviesaanvraag aan de SER en de Emancipatieraad van 17 juli 1981 en in paragraaf 2.1. van de memorie van toelichting stelt: «...dat het niet strijdig is met de derde richtlijn wanneer bij de vaststelling van de premie van de ene partner en de eventuele maximering daarvan, rekening wordt gehouden met het inkomen van de andere partner en met eventueel overig echtelijk inkomen». Kan de regering mededelen, zo vroegen de leden van deze fractie, waarop zij deze veronderstelling baseert?

In de memorie van toelichting op het oorspronkelijke wetsvoorstel 18515 stelt de regering, zo was de leden van de V.V.D.-fractie opgevallen, ten aanzien van toeslagen aan de uitkeringskant: «Dit betekent echter niet, dat in het geheel geen rekening meer zal worden gehouden met de inkomenspositie van de echtgenoot van de pensioengerechtigde». Dat standpunt vindt, zo hadden deze leden vastgesteld, enerzijds zijn grond in het sociaal minimum karakter van de AOW en anderzijds in overwegingen van inkomenspolitieke en budgettaire aard. Ten aanzien van toeslagen doet zich, aldus nog steeds de memorie van toelichting, de vraag voor in hoeverre de derde richtlijn toestaat dat bij het bepalen van de hoogte van de uitkering rekening kan worden gehouden metten laste van de uitkeringsgerechtigde komende gezinsleden, waaronder de echtgenoot. De derde richtlijn spreekt hierover in artikel 4, eerste lid, derde gedachtenstreepje, en wel in die zin dat het uitbannen van discriminatie naar geslacht eveneens betrekking heeft op verhogingen uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen. De leden van de V.V.D.-fractie, hier aan het woord, hadden geconstateerd dat de regering het standpunt heeft ingenomen dat uit het feit, dat deze verhogingen in de richtlijn zelf als toetsingsonderdeel worden genoemd, kan worden afgeleid dat deze op zichzelf genomen geoorloofd zijn, mits niet discriminerend. De vraag in hoeverre dit standpunt staande gehouden kan blijven en de vraag, of de gekozen oplossing feitelijk niet discriminerend (ook niet in indirecte zin) is, zal naar het oordeel van deze leden bij de behandeling van wetsvoorstel 18515 moeten blijken. De voor deze stellingname aangedragen verdediging in paragraaf 2.1. van de memorie van toelichting op basis van jurisprudentie met betrekking tot de eerste richtlijn (31 maart 1981 in de zaak nr. 96/80, Jenkins versus Kingsgate) en het voortgangsverslag van 6 januari 1984 van de Commissie met betrekking tot de derde richtlijn, is naar het oordeel van de leden van de V.V.D.-fractie onvoldoende om te komen tot de stelling dat ten aanzien van de premieheffing rekening kan worden gehouden met het inkomen van de partner, zoals door de regering verwoord in de adviesaanvraag. De leden van de V.V.D.-fractie hadden, los van de vraag welke ruimte de derde richtlijn voor een ander standpunt zou laten, met instemming vastgesteld dat de regering ten aanzien van de premieheffing voor volledige verzelfstandiging heeft gekozen. In tegenstelling tot dit voorliggende voorstel van wet moesten deze leden vaststellen dat zulks in wetsvoorstel 18515 niet is gebeurd ten aanzien van het uitkeringssysteem, althans niet consequent. De aan het woord zijnde leden moesten vaststellen dat de regering in haar voorstellen de verzelfstandiging omarmt, indien en voorzover zulks leidt tot een batig saldo in financieel opzicht en dat van deze omarming helaas zelden sprake is, indien verzelfstandiging niet leidt tot een batig saldo. Deze leden wensten hierop gaarne een reactie van de regering. Zij namen zich overigens voor op deze materie bij de bespreking van wetsvoorstel 18515 terug te komen.

2.2. De premies voor de andere volksverzekeringen De memorie van toelichting stelt dat, naast de AOW-premie, er één andere volksverzekeringspremie is die door verzekerden moet worden opgebracht (AWW) en drie premies die door de werkgever worden opgebracht (AAW, AKW en AWBZ). Er zijn, zo stelden de leden, behorende tot de V.V.D.-fractie, diverse categoriën die geen «werknemer» zijn en derhalve geen werkgever hebben die deze opslagpremies betaalt. Zelfstandigen vormen, aldus deze leden, de grootste groep die alle premies volksverzekeringen, als verzekerde en als werkgever, bij aanslag dienen te voldoen.

Bij verzelfstandiging ondervinden zelfstandigen met een verdienende partner in beginsel vergelijkbare effecten met werknemers, alleen zijn die effecten ruim twee maal zo groot, omdat hier sprake is van de druk van alle premies volksverzekeringen (27,5%) in plaats van uitsluitend de AOW-en AWW-premie(13,1%). De aan het woord zijnde leden van de V.V.D.-fractie achtten het vanzelfsprekend dat deze ongelijke behandeling wordt weggenomen door middel van een fiscale compensatie. Naar het oordeel van deze leden stelt de regering in de memorie van toelichting op wetsvoorstel 18519 (derde fase tweeverdieners) (hoofdstuk 3) volstrekt terecht: «Ongeacht de rechtvaardigheid van de beoogde verzelfstandiging kan aan de inkomenseffecten die daarvan het gevolg zijn uiteraard niet worden voorbijgegaan.» De regering stelt voorts in de memorie van antwoord op hetzelfde voorstel van wet (paragraaf 3 en 4) dat de aanvaardbaarheid van de optredende inkomenseffecten door het kabinet is beoordeeld aan de hand van de positie van een vergelijkbare werknemer. De leden van de V.V.D.-fractie stelden voor datzelfde te doen ten aanzien van die inkomens die noch als ondernemersnoch als werknemersinkomen kunnen worden gezien. Met andere woorden, die inkomensgroepen die noch werknemer zijn, noch kunnen profiteren van de (verhoogde) zelfstandigenaftrek. Het inkomen, dat deze groep geniet is belast op grond van artikel 22, eerste lid, onder b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, als opbrengst van andere arbeid. Daar het een uitzondering is dat het inkomen uit deze «bron» het hoofdbestanddeel van het belastbaar inkomen uitmaakt, biedt artikel 22, eerste lid, onder b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, aldus de memorie van antwoord, onvoldoende houvast voor compenserende maatregelen voor zelfstandigen in de fiscale sfeer. Deze leden achtten dat zeer onbevredigend. Zij waren van mening dat deze inkomens niet harder mogen worden getroffen door de individualisering van de premieheffing dan vergelijkbare inkomens van werknemers en van zelfstandigen. Zij hadden dan ook grote aarzeling omtrent de aanvaardbaarheid van dit wetsvoorstel, indien voor deze problematiek geen oplossing wordt gevonden in de fiscale dan wel in de premiesfeer. Deze leden vroegen de regering precies aan te geven om welke inkomens het hier gaat en hoeveel mensen het betreft.

De leden van de fractie van D'66 vroegen in welke mate het negatief effect dat kan optreden voor gehuwde zelfstandigen wordt gemitigeerd. Hoe groot is het effect van de maatregelen die daartoe zullen worden getroffen. Hoe ziet, als rekening wordt gehouden met die maatregelen, het inkomensbeeld eruit? Overigens wilden deze leden verwijzen naar hun inbreng op de wetsvoorstellen met betrekking tot de derde fase in de belastingwetgeving voor tweeverdieners. Tegen de afschaffing van de meewerkwinstregeling had de fractie van D'66 bezwaar getoond. Niet afschaffing, maar eerder uitbreiding in de zin van het mogelijk maken van een realistische winsttoerekening aan partners had daarbij hun voorkeur, met inbegrip van de gevolgen die dat zou kunnen hebben door de premieheffing. Deze leden vroegen ten slotte aandacht voor het volgende. In de memorie van toelichting schrijft de regering dat werkgevers eventueel «te veel» betaalde premie volksverzekeringen (gedoeld wordt op de opslagpremie) in geen geval kunnen terugvorderen, ook niet indien blijkt dat een deel van de op het salaris van de werknemer ingehouden AOW-premie wordt teruggevorderd omdat door huwelijkspartners gezamenlijk te veel is betaald. Ware dit wel het geval dan zou dit leiden tot een verschil in loonkosten tussen bij voorbeeld gehuwden en ongehuwden.

De fractie van D'66 heeft enige jaren geleden de aandacht gevraagd voor de positieve gevolgen voor de loonkosten van werkgevers indien werknemers een eigen huis en, op basis daarvan, een beschikking loonbelasting hebben waardoor reeds bij de inhouding door de werkgever van de sociale lasten op het loon van de werknemer rekening kan worden gehouden met de hypotheeklasten. Daardoor ontstaat een onbedoeld positief effect op de loonkosten van werkgevers, omdat de door hen te betalen opslagpremie ook wordt verlaagd. Van de zijde van de regering is destijds toegegeven dat dit weliswaar een onbedoeld effect is maar dat daar tegenover stond dat terugvordering van te veel betaalde opslagpremie ook niet mogelijk was. Na verzelfstandiging van de premieheffing kan echter onmogelijk nog gesproken worden van te veel betaalde opslagpremie. Het onbedoeld voordeel aan de ene kant kan derhalve niet meer worden weggestreept tegen het nadeel. Heeft de regering overwogen of dit reden kan zijn alsnog te bepalen dat het voor een werkgever geen verschil mag maken in de loonkosten of de werknemer een eigen huis heeft of niet? Zo neen, wil zij dit dan alsnog overwegen?

2.3. De wijze van verzelfstandiging van de premieheffing De leden van de P.v.d.A .-fractie constateerden dat voor onderscheiden groepen inkomensverwerverszich verschillende problemen voordoen, zowel naar de wijze van de verzelfstandiging van de premieheffing als naar de mogelijke inkomenseffecten. Deze leden wensten nadere toelichting op de zinsnede in paragraaf 2.4.3. «dat met de invoering van een systeem van individuele aanslagen zal een einde komen aan het aanmerken van het premieplichtig inkomen van de gehuwde vrouw als inkomen van haar man...», met name toegespitst op het inkomen uit vermogen. Is hierbij gekozen voor het door de SER verwoorde uitgangspunt dat voor dit inkomen de fiscale systematiek wordt gevolgd, waarbij dergelijk inkomen aan de meestverdienende partner wordt toegerekend? Wat betekent dit wanneer de partner met het hoogste inkomen boven de 65 jaar is? Is dan ook het inkomen uit vermogen niet premieplichtig? Tevens wensten deze leden nadere informatie over de gevolgen van de individuele premieheffing AOW voor een overgang naar het medeondernemerschap van de huwelijkspartner. Met de Raad van State hadden deze leden eveneens vragen bij de motivering van het onderscheid in de vaststelling van de reductieregeling tussen (gehuwde) alleen-en tweeverdieners voor diegenen van wie de premie bij aanslag wordt opgelegd. De argumentatie hiervoor van de regering dat een individuele vrijstellings-en reductieregeling ertoe zou kunnen leiden dat deze regeling eveneens van toepassing zou kunnen zijn op diegenen van wie de echtgenoot wel een hoog inkomen heeft, en van wie dus niet van betalingsonmacht kan worden gesproken, is geenszins een consequente doortrekking van het in het wetsvoorstel gehuldigde uitgangspunt van de verzelfstandige premieheffing, waarbij ieder individu naar draagkracht betaalt aan de financiering van de AOW. Wat zijn de kosten -en de gevolgen voor de premiedruk -wanneer deze vrijstellings-en reductieregeling wel gelijk zou zijn, daarmede de door de regering gekozen systematiek van gelijke individuele maximum premiegrenzen volgend? Waarom, zo wensten deze leden nader te hebben toegelicht, bestaat een premievrijstellings-en reductieregeling niet voor werknemers, bij voorbeeld degenen met een deeltijdbaan, waaraan een zeer laag inkomen wordt ontleend? Wat zouden de kosten zijn van een vrijstellings-en reductieregeling ook voor hen die premie door middel van inhouding betalen?

De leden van de fractie van D'66 hadden bezwaar tegen het voorstel om de reductiestrook voor tweeverdieners te halveren. Dit voorstel komt neer op een apart premieregime voor tweeverdieners. Waar het gewenst is de premieheffing te verzelfstandigen, is het wel uitermate onlogisch om die verzelfstandiging niet te laten gelden voor de hoogte van de reductiegrens. Zeker waar daartegenover ook nog eens niet-verzelfstandigde uitkeringsrechten staan, maar wel een belangrijke premieverzwaring ligt het toch in de rede, en is het redelijk om de reductiegrens ook in het geval van tweeverdieners onaangetast te laten. Het voorstel om de reductiestrook voor tweeverdieners te halveren versterkte volgens deze leden alleen nog eens het beeld dat daar waar verzelfstandiging tot lagere inkomsten leidt deze naar het oordeel van de regering plotseling geen doorgang meer behoeft te vinden. Gezien het feit dat het daarbij ook nog eens om lagere inkomens gaat versterkt het voorstel ook de tendens tot ontmoediging van deelname door vrouwen aan het arbeidsproces. Het leek deze leden dan ook gewenst om de reductiestrook in tact te laten, ongeacht of het nu tweeverdieners of eenverdieners betreft. In welke gevallen is er overigens sprake van een voordeel van de beoogde wijziging in de premievrijstellings-en reductieregeling? Hoe moet de verhouding in de inkomensaanbreng van tweeverdieners zijn, wil er een voordeel ontstaan? Waarom is zo'n voordeel niet terug te vinden in de raming van de koopkrachteffecten? De leden van de R.P.F.-fractie hadden goede nota genomen van het feit dat het draagkrachtbeginsel ondanks de verzelfstandiging een rol blijft vervullen in de premieheffing. Dit is volgens deze leden overigens onontkoombaar, omdat de leefsituatie van een belastingplichtige een essentieel onderdeel van zijn draagkracht vormt. Van een volledige verzelfstandiging is derhalve terecht geen sprake. Dat in de premieheffing tot dusver een aantal discriminatoir te achten mechanismen aanwezig zouden zijn, konden de leden van de R.P.F.-fractie, zoals hiervoor reeds uiteengezet, niet onderschrijven. De aan het woord zijnde leden waren met de regering van mening, dat de premievrijstellings-en reductieregeling behouden dient te blijven. Dat de aanpassing in het wetsvoorstel echter zo geregeld zal worden, dat het effect van de regeling na de verzelfstandiging zoveel mogelijk ongewijzigd blijft was hen echter niet geheel duidelijk. Kan deze zinsnede met enkele voorbeelden nader worden toegelicht, zo vroegen zij? Een zelfde vraag stelden deze leden met betrekking tot de toekomstige meer uitgebreide toepassing van de vrijstellings-en reductieregeling, die tot een kostenstijging van minder dan f 5 min. zou leiden. Kunnen deze effecten voor minimum, minimumplus, modaal en twee maal modaal bij twee inkomens die zich verhouden als 90 :10; 75 : 25 en 50 : 50 weergegeven worden?

2.4. Inkomenseffecten van de verzelfstandiging van de belasting-en premieheffing De leden van de P.v.d.A.-fractie achtten het noodzakelijk de inkomenseffecten van de verzelfstandiging van de premieheffing ook voor andere groepen dan in de memorie van toelichting is uitgewerkt, te bezien. In de eerste plaats wezen de leden van deze fractie op de mogelijke inkomenseffecten voor ambtenaren en zij die krachtens de voor ambtenaren geldende regeling een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid genieten. Wordt bij de voorgenomen premieplicht voor ambtenaren en de compensatie daarvoor rekening gehouden met de in dit wetsvoorstel voorgenomen verzelfstandiging van de premieheffing? Wat zullen de inkomenseffecten van deze beide maatregelen tezamen met de effecten van de derde fase tweeverdienerswetgeving, zijn voor

ambtenaren? Kan dit eveneens in twee tabellen weergegeven worden zoals dat ook voor werknemers en zelfstandigen is gebeurd in de memorie van toelichting? Tevens wensten deze leden nader inzicht in het gecumuleerde inkomenseffect voor gehuwden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, van wie de partner ook een inkomen heeft, als gevolg van de hiervoor aangegeven maatregelen en de voorgenomen verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit zowel voor hen, die onder een werknemersverzekering vallen als voor degenen, die een invaliditeitspensioen krachtens het ABP ontvangen, waarbij dus voor de laatsten ook de premieplicht voor ambtenaren en de compensatie daarvoor meegenomen behoort te worden. De leden van de P.v.d.A.-fractie veronderstelden dat voor enkele van de hiervoor genoemde groepen grote negatieve gecumuleerde inkomenseffecten zullen ontstaan. Zij riepen in herinnering dat de regering in de memorie van toelichting de omvang van inkomenseffecten van de verzelfstandiging van de premieheffing ook los van de rechtvaardiging daarvan wenst te beoordelen. Zij vroegen dan ook of de regering kan en wil bevestigen dat gehuwde tweeverdieners, van wie een van de partners arbeidsongeschikt is door haar in alle gevallen als politiek en maatschappelijk acceptabel wordt gekenmerkt. De leden van de P.v.d.A.-fractie constateerden dat met betrekking tot de zogeheten opslagpremie in de fiscale sfeer een compensatie wordt gezocht voor (echt)paren in het midden-en kleinbedrijf. De beoogde compensatie werkt ook op microniveau zo uit dat daar, waar door de veranderde wetgeving meer wordt betaald niet altijd meer wordt gecompenseerd, omdat de fiscale maatregel een globaler karakter heeft dan de wijziging van de premieheffing. De leden van deze fractie zouden dit graag aan de hand van een aantal voorbeelden verduidelijkt willen zien. Naast de werkenden in het midden-en kleinbedrijf, zo stelden de leden van de P.v.d.A.-fractie vast, zijn er nog vele andere groepen inkomensverwervers die eveneens opslagpremie betalen: vrije beroepsbeoefenaren, bepaalde groepen freelance werkers, kunstenaars, e.d. Hoeveel mensen betreft het, zo wilden deze leden weten. Wanneer van een (echt)paar beiden in deze sectoren werkzaam zijn, wordt eveneens over maximaal twee maal de individuele premiegrens opslagpremie geheven. Hiervoor is, zo meenden deze leden, geen compensatie geregeld. Acht de regering het aanvaardbaar dat een maatregel voor sommige groepen zo verschillend uitwerkt? Welke mogelijkheden ziet de regering deze dubbele opslagpremie te compenseren? Acht de regering het mogelijk en voorstelbaar dat door een echtpaar slechts opslagpremie wordt betaald over eeenmaal het individuele maximum of acht de regering hiermee in te grote mate het uitgangspunt van de individualisering doorbroken? De hier aan het woord zijnde leden vroegen voorts welke effecten de voorstellen hebben van onder andere gehuwde VUT-genietenden, jonger dan 65 jaar, en voor getrouwde vrouwen onder de 65 jaar met een bedrijfs-of ondernemerspensioen, van wie de echtgenoot de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden geen bezwaar tegen handhaving van de thans geldende maximum premiegrens, integendeel, zij achten een verhoging dan wel vervallen van de premiegrens bespreekbaar. Het mag niet zo zijn dat verandering van de premiegrens als zodanig zou kunnen leiden tot een verstoring van de discussie over de zelfstandige rechten aan de uitkeringskant. Een herzien van de -mede uit inkomenspolitieke overwegingen gekozen verhoging van de premiegrens met f 7000.-achtten deze leden onjuist. Zij deelden de opvatting van de regering dat de inkomenspolitieke overwegingon, die destijds leidden tot deze verhoging, thans nog evenzeer gelden.

1?

Zij veronderstelden overigens dat het woord «investering» in de laatste volzin van deze paragraaf (2.4.5.) moet luiden «overweging».

De leden van de C.D.A.-fractie toonden zich erkentelijk voor de uitgebreide aandacht die de regering in de memorie van toelichting heeft geschonken aan de inkomenseffecten die het gevolg zullen zijn van de verzelfstandiging van de premieheffing en van de in samenhang met de belastingvoorstellen voor tweeverdieners optredende cumulatieve effecten daarvan. Hoe men daarover uit inkomenspolitieke overwegingen ook moge denken, die effecten blijken zowel voor de loontrekkenden, als inzonderheid voor de zelfstandigen, niet gering te zijn. In dat verband zouden zij gaarne in de memorie van antwoord nog eens verduidelijkt willen zien wat de regering bedoelt als zij op bladzijde 13 van de memorie van toelichting stelt dat bij de inhoud van de per 1 januari1985 te treffen fiscale maatregelen rekening zal worden gehouden met de effecten van de verzelfstandiging van de premieheffing. Op welke wijze wordt dit uitgevoerd? Deze leden stelden het bijzonder op prijs inzicht te mogen ontvangen in de eventuele afzonderlijke, zowel als cumulatieve effecten van de voorgestelde zelfstandige premieheffing door ambtenaren, zoals die thans betrokken is in het overleg met de ambtenarenorganisaties en de vertegenwoordigers van de gepremieerde en gesubsidieerde instellingen. Dat ter mitigering van de gevolgen van de voor zelfstandigen als gevolg van meerdere heffing van oplsagpremies optredende extrapremiedrukverzwaring eenzelfde bedrag beschikbaar wordt gesteld als de opbrengst van die meerdere heffing waardeerden deze leden uiteraard positief. Echter, zoals reeds bij de schriftelijke voorbereiding van wetsvoorstel 18519 (de derde fase tweeverdieners) is meegedeeld, dit is slechts op macroniveau het geval. Er kunnen zich dus individueel aanmerkelijke verschillen voordoen. Wil de regering zulks nog eens nader verduidelijken. Zijn er bovendien geen groepen zelfstandigen voor wie deze mitigatie, gelet op de fiscale behandeling van hun inkomen in het geheel niet zal gelden, omdat hun inkomen zodanig is samengesteld dat zij niet in aanmerking komen voor de zelfstandigenaftrek? Wil de regering verduidelijken waarom zij voor die groepen zulk een tegemoetkoming in cumulatieve drukverzwaring die bij hen kan optreden niet noodzakelijk acht? Deze leden waren geneigd de regering te volgen in haar argumentatie van de kosten van de premievrijstellngs-en reductieregeling niet langer uit 's rijkskas te financieren, maar uit de premie-ontvangsten te bekostigen. Zij realiseerden zich daarbij dat een tegemoetkoming in de fiscale sfeer, mede mogelijk wordt gemaakt door het nadelig effect, dat optreedt in de premie-opbrengst als gevolg van de premievrijstellings-en reductieregeling voor kleine zelfstandigen. Dit accentueert nog eens hoezeer bij een beoordeling van een gerechtvaardigd inkomensbeleid voor alle groepen in onze samenleving de belasting-en premiedruk nauw met elkaar verweven zijn. In dat licht bezien konden zij zich ook verenigen met het voorstel de sinds 1982 toegepaste tijdelijke verhoging van de premie-inkomensgrens met f7000 thans structureel te maken.

Bij verzelfstandiging van de premieheffing worden, zo stelden de leden van de V.V.D.-fractie vast, de gehuwde man en vrouw zelfstandig premie verschuldigd over hun eigen inkomen. Dit zou, aldus deze leden, inhouden dat bij handhaving van het huidige niveau van de premie-inkomensgrens gezinnen met tweeverdieners maximaal tweemaal (bruto) zoveel premie verschuldigd worden als in de huidige situatie.

Het standpunt van de regering om geen verandering aan te brengen in het huidige niveau van de premie-inkomensgrens had de leden van de V.V.D.-fractie zeer verbaasd.

Zowel de inkomenseffecten voor tweeverdieners als de extra opbrengst aan premies als gevolg van de individualisering rechtvaardigen een verlaging van de premie-inkomensgrens. In paragraaf 3.1. (tabel 5) van de memorie van toelichting is weergegeven dat de structurele mutaties in baten en lasten van de fondsen t.g.v. de verzelfstandiging van de gehuwde vrouw in de AOW (prijzen 1984, op netto basis) zullen leiden tot een batig saldo van f580 min. Dit batig saldo in de fondsen laat naar het oordeel van deze leden meer dan voldoende ruimte voor het terugbrengen van de premiegrens naar het niveau van 1982, hetgeen een verlaging betekent van f7000. Waaruit blijkt overigens, zo vroegen deze leden zich af, dat de laatste verhoging van de premiegrens een tijdelijke was? Kan de regering bevestigen dat een verlaging van de premie-inkomensgrens met f 7000 circa f100 min. kost en dat daarmee slechts de tijdelijkheid bevestigd is? Is de regering bereid om, mede gezien het batig saldo van f580 min. als gevolg van de premie-individualisering, een nota van wijziging uitte brengen waarin de premie-inkomensgrens wordt teruggebracht tot het niveau van 1982? Kan de regering in ieder geval toezeggen dat de als tijdelijk ingevoerde verhoging per 1 januari 1982 in deze kabinetsperiode weer wordt afgeschaft? De leden van de V.V.D.-fractie wilden van de regering in de memorie van antwoord vernemen wat de inkomenseffecten zullen zijn van dit wetsvoorstel, voor zowel tweeals éénverdieners, indien de premiegrens met f7000 wordt verlaagd ten opzichte van de huidige situatie waarin geen sprake is van verzelfstandiging van premieheffing.

Aangaande de tabellen 1 t/m 4 vroegen de leden van de D'66-fractie opheldering op enkele punten. Met name vroegen zij de regering of zij kan verduidelijken waarom het effect in procenten van de verzelfstandigde premieheffing in een enkel geval zo extreem hoog is, namelijk in die gevallen, waarin het inkomen van de meest verdienende partner ofwel f70 000 dan wel f90000 bedraagt, terwijl het inkomen van de minst verdienende partner f 10000 is. Wat is daarvan de oorzaak? Deze leden vroegen vervolgens wat verstaan moet worden onder de toevoeging (inclusief belastingeffect) in de titel van tabel 4, op bladzijde 15 van de memorie van toelichting. Aansluitend hierop vroegen deze leden welke maatregelen verstaan moeten worden onder de maatregelen in de fiscale sfeer, zoals genoemd in de laatste alinea van bladzijde 13. Gaat het hierbij om de tweeverdienerswetgeving?

In paragraaf 2.4.5 van de memorie van toelichting wordt opgemerkt, dat met de negatieve inkomenseffecten van ruim 4% bij loontrekkenden en ruim 8% bij zelfstandigen rekening zal worden gehouden bij de inhoud van de fiscale maatregelen per 1 januari 1985. Op welke wijze zal dit gebeuren, zo vroegen de RPF-fractieleden. Geldt dit ook voor de loontrekkenden of alleen voor de zelfstandigen? In hoeverre zal eventuele amendering van het wetsvoorstel tweeverdieners derde fase (18519) hierop invloed uitoefenen? In welke mate is het onderhavige wetsvoorstel afhankelijk van al dan niet aanvaarding van genoemd wetsvoorstel 18519? De additionele inkomenseffecten voor zelfstandigen zullen belangrijk worden gemitigeerd. Dat hiervoor een oplossing in de fiscale sfeer is gezocht via een nieuwe regeling van de «meewerkwinst», achtten de leden van de R.P.F.-fractie juist. De regering laat de financiering van de sociale verzekeringen steeds meer over aan de verantwoordelijkheid van de sociale partners, door middel van de sociale fondsen. De hier aan het woord zijnde leden van de R.P.F.-fractie achtten dit in het licht van het streven naar een verantwoordelijke samenleving een gelukkige ontwikkeling. Dat het risico van de solvabiliteit van de belastingplichtige derhalve van het Rijk naar de sociale fondsen worden overgebracht had hun instemming.

Dit dient echter los te staan van de redenering dat er geen nadeel optreedt voor loontrekkenden, vanwege de meeropbrengst aan opslagpremies. De leden van deze fractie meenden dat hierdoor onzuivere argumenten in de discussie worden betrokken. Bedoelde meeropbrengst wordt toch opgebracht door zelfstandigen? Met betrekking tot het voornemen de premie-inkomensgrens definitief met f 7000 te verhogen vroegen de leden van de R.P.F.-fractie of op deze wijze niet een te grote disproportionaliteit zal ontstaan tussen betaalde premies en verkregen rechten, te weten een gelimiteerde uitkering.

Voorgesteld wordt, aldus het G.P.V.-lid, dat hier aan het woord kwam, de incidentele verhoging van de maximumpremiegrens met f 7000 structureel te maken. Uit de tabellarische overzichten blijkt dat door de voorgestelde verzelfstandiging van de premieheffing met name de hogere inkomensgroepen de zwaarste lasten krijgen te dragen. In het totaalkader van dit wetsvoorstel en het voorstel derde fase tweeverdieners is getracht de effecten van een en ander wat te matigen. Was het niet logischer geweest de in 1982 louter om inkomenspolitieke redenen voorgestelde verhoging van de maximumpremiegrens weer ongedaan te maken, om een vergelijkbaar matigingseffect te verkrijgen? Wat zal de derving van premieopbrengt zijn bij een dergelijke maatregel, en wat zullen de inkomenseffecten zijn? Zal het niet een plezierig bijeffect zijn dat met name de alleenverdieners tussen modaal en tweemaal modaal hiervan kunnen profiteren? Tevens rijst de vraag of een nog verdere verlaging van de maximumpremiegrens niet in de rede had gelegen. Wie een globale relatie wil aanleggen tussen premieplicht en uitkeringsrecht zou bij een verlaging van het uitkeringspercentage ook moeten besluiten tot een verlaging van de maximumpremiegrens. Hoe veel zou de maximumpremiegrens verschillen van de huidige indien het totale batig saldo van het nieuwe systeem zou worden aangewend voor een verlaging van de maximumpremiegrens? Wat zouden de inkomenseffecten zijn van een dergelijke verlaging?

  • Financiële gevolgen

De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden twijfel omtrent de geraamde administratieve kosten voor de partnerinkomenstoets. Ze wensten nader geïnformeerd te worden over de veronderstelling die daaraan ten grondslag ligt. Welke zouden de lasten en baten en inkomenseffecten zijn, zo wensten deze leden te weten, van het beperken van de opslagpremies voor degenen die op aanslag premieplichtig zijn tot maximaal eenmaal de individuele maximum premiegrens.

In paragraaf 3 van de memorie van toelichting maakt de regering duidelijk wat als gevolg van dit wetsvoorstel zowel voor 1985 als voor 1986 en volgende jaren de effecten zullen zijn voor de verschillende fondsen afzonderlijk evenals het totale effect daarvan. Kan de regering reeds mededelen, zo vroegen de leden van de C.D.A.-fractie, op welke wijze het gemiddelde voordeel voor de fondsen (voor 1985 geraamd op 0.15% van de premie) tot uiting zal komen in de premiestelling voor dat jaar? Zal een gemiddelde voor alle fondsen een gelijke daling van de premie betekenen, of zal een doorwerking gerelateerd worden aan het opbrengstvoordeel per fonds? Hoe zal dat per fonds uitwerken? In tabel 6 is door de regering weergegeven dat de meeropbrengst aan opslagpremies als volgt is verdeeld: -AKW ca 45 min. -AAW ca 90 min. -AWBZ ca 45 min.

ca 180 min. totaal

De leden van de V.V.D.-fractie vroegen de regering mede te delen welk deel van deze extra premie-opbrengst (uitgesplitst naar AKW, AAW en AWBZ) ten laste komt van inkomens, die kunnen profiteren van de zelfstandigenaftrek en welk deel ten laste komt van hen, die daarvan niet kunnen profiteren? Ten aanzien van de in tabel 5 weergegeven financiële gevolgen hadden deze leden eveneens een vraag. Zij vroegen zich af in hoeverre de ingeschatte toename van de administratiekosten (f 10 min.) is gebaseerd op van uitvoeringsinstanties verkregen informatie. Naar het oordeel van deze leden zullen de meerkosten in de sfeer van de administratie als gevolg van de «reeds ingeboekte» inkomenstoets aanzienlijk meer bedragen dan de door de regering vermelde f 10 min. De leden van de V.V.D.-fractie wensten een nadere uitwerking van genoemd bedrag.

De leden van de D'66-fractie vroegen op welke wijze de verwachte opbrengst van de verzelfstandiging van de premieheffing en de wijziging van uitkeringsrechten is ingeboekt. Per saldo heeft een vermindering van uitgaven plaats van circa f332 min. in 1985 en circa f540 min. in latere jaren. Is deze vermindering als bezuiniging ingeboekt? Zo neen, waarom niet? Is het de bedoeling dat de gelden, welke hierdoor extra binnenkomen worden aangewend voor meerkosten in de sfeer van de individualisering? Deze leden zouden deze koppeling toejuichen, maar betwijfelden of de regering deze ook wil aanleggen. Zij begrepen dan echter niet waarom het kabinet deze gelden niet als bezuiniging ziet, aangezien dat vier jaar geleden met precies dezelfde maatregel wel het geval was geweest, al was deze dan niet doorgegaan. Tegen deze achtergrond vroegen deze leden of de vermindering van uitgaven zoals die het gevolg zal zijn van de regeringsvoornemens, dan wellicht in de hoogte van de premies volksverzekeringen tot uitdrukking zal komen. Is in de ramingen van de premies voor 1985, zoals opgenomen in de Financiële Nota sociale zekerheid, het premie-effect van deze voorstellen reeds opgenomen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat is er dan de reden van dat de raming van de AOW-premie voor 1985 van 11,7% even hoog uitkomt als de premie in 1984? Dezelfde vragen stelden deze leden ten aanzien van de AWW-premie. Is overwogen om, tegen de achtergrond van de belangrijke negatieve inkomensgevolgen die de maatregel kan hebben de premie-inkomensgrens voor de volksverzekeringen te verlagen. Hoe groot zou die verlaging kunnen zijn bij budgettaire neutraliteit van premieheffing en wijziging in de uitkeringsrechten tezamen?

De financiële gevolgen, zo merkten de R.P.F."fractieleden op, zijn structureel gezien voor de sociale fondsen beperkt, volgens de memorie van toelichting. Op welke wijze zal echter de extra opbrengst (f538 min.) worden aangewend? Ter vergroting van de reserve als bedoeld in artikel 23 of bij voorbeeld voor premieverlaging of anderszins, zo wilden de leden van de R.P.F.-fractie weten. Welke budgettaire effecten zijn overigens te verwachten van de maatregelen in de fiscale sfeer, die met het onderhavige wetsvoorstel verband houden? De aan het woord zijnde leden zouden voorts enig inzicht in de (eenmalige) reorganisatiekosten van het nieuwe systeem zeer op prijs stellen. Het effect in 1985 van dit wetsvoorstel zal afwijken van de structurele effecten. In dit verband vroegen de leden van de R.P.F.-fractie naar de kosten voor 1985 en voor latere jaren van het behoud van het gehuwdenpensioen door gehuwde mannen boven de 65 jaar met een vrouw die jonger is dan 65 jaar, voor zover zij op 1 januari 1985 een AOW-uitkering ontvangen. Het was de aan het woord zijnde leden onduidelijk op welke wijze een toename van de financieringsreserve met circa f40 min. verband houdt met de gelijke behandeling van ongehuwd samenwonenden en gehuwden. Een toelichting hierop stelden deze leden op hoge prijs.

Het lid van de G.P.V.-fractie stelde nog een vraag over de bestemming van het batig saldo van extra premie-inkomsten en -uitgaven. Volgens de memorie van toelichting komt dit overeen met 0,25% premie. Is het de bedoeling de premie ook met dit percentage te doen dalen, of dienen de extra inkomsten voor de aanvulling van de vermogenspositie van de fondsen?

  • Verspreide vragen en opmerkingen

De leden van de P.v.d.A.-fractie stelden nog een aantal vragen van diverse aard. Wat betekent de zelfstandige premieheffing in de AOW voor Nederlanders die in het buitenland woonachtig zijn, maar de AOW-premie plegen door te betalen of van wie de werkgever de premie doorbetaalt? Wordt hier de relatie tussen premiebetaling en uitkeringsrechten waar het gehuwden betreft verder doorbroken dan voor Nederlandse ingezetenen? Betekent de individualisering van premieheffing voor «oude gevallen» dat van diegenen wier individuele AOW wordt gekort -of nog zal worden gekortals gevolg van een premiebreuk bij de ex-partner nu alsnog een volledige individuele AOW-uitkering zullen ontvangen? Betekent de verdere individualisering van de premie volksverzekeringen eveneens dat nu voor bij voorbeeld getrouwde vrouwen, van wie de man geen Nederlands ingezetene is, de AAW uitkering wel kan worden toegekend en dat voor gezinnen met kinderen, waarvan een der ouders (de vader) geen Nederlands ingezetene is toch de kinderbijslag zal worden uitbetaald, zoals de staatssecretaris meedeelde dat zou gebeuren, tijdens de UCV inzake de sociale zekerheid? Wanneer zullen eventuele noodzakelijke wetsvoorstellen de Kamer kunnen bereiken?

De ondervoorzitter van de commissie, Buurmeijer De griffier van de commissie, Van der Windt

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.