Memorie van toelichting - Nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

§ 1. Inleiding

Bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is op 29 augustus 1984 aanhangig gemaakt een ontwerp van wet tot nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen-en Wezenwet, de Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de Algemene Ouderdomswet alsmede aanpassing van de overige volksverzekeringen) (nr. 18515). Dit ontwerp bevat voorstellen om de op grond van de richtlijn van 19 december 1978 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de geleidelijke ten uitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (79/7/EEG, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, nr. L6 van 10 januari 1979) noodzakelijke gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW te realiseren. Deze voorstellen hebben zowel betrekking op de uitkeringskant als op het premieheffingsstelsel van de AOW. Naar is gebleken, is een zodanige behandeling in het parlement van vorengenoemd voorstel, dat het wetsontwerp vóór 1 januari 1985 tot wet zal zijn verheven helaas niet te realiseren. Uiteraard heeft de regering begripvoor het feit, dat het parlement een ampeleen gedegen voorbereiding noodzakelijk acht. Dit betekent echter wel, dat op 1 januari a.s. niet aan de dan geldende Europese richtlijn kan worden voldaan. Ten aanzien van de uitkeringskant kan dit voor zover nodig ondervangen worden door aan de uit de gelijke behandeling voortvloeiende voordelen terugweikende kracht tot 1 januari 1985 te verlenen. Ten aanzien van de premieheffingskant acht de regering terugwerkende kracht niet gewenst. Het nieuw voorgestelde premieheffingssysteem voorziet namelijk in een aantal lastenverzwaringen, dat naar onze mening bezwaarlijk met terugwerkende kracht aan de premiebetalers kan worden opgelegd. Dit zou betekenen, dat het nieuw voorgestelde systeem van premieheffing eerst per 1 januari 1986 zou kunnen worden doorgevoerd. Invoering van een nieuw stelsel van premieheffing op een andere datum dan ' I januari is vanwege de koppeling van de premieheffing aan de belastingheffing niet mogelijk. Bij invoering eerst per 1 januari 1986 van een nieuw systeem van premieheffing zou opdat punt een vol kalenderjaar niet aan het uitgangspunt

van gelijke behandeling van mannen en vrouwen zijn voldaan. Voorts zou voor de meeruitgaven aan de uitkeringskant, voortvloeiende uit de gelijke behandeling, de financieringsmogelijkheid komen te ontbreken. Ten slotte zou dit ingrijpende consequenties hebben voor het inmiddels bij de Tweede Kamer ingediende ontwerp van wet betreffende de derde fase van de herstructurering van de loon-en inkomstenbelasting (nr. 18519). Wat betreft de inkomensmutaties bestaat een sterke relatie tussen beide onderwerpen en voorts is in laatstgenoemd wetsontwerp een compensatie geregeld voor de lastenverzwaring, die het nieuwe premieheffingssysteem zou betekenen voor zelfstandigen. Een en ander brengt de regering tot de overtuiging, dat het dringend gewenst is het nieuwe premieheffingssysteem toch per 1 januari 1985 in te voeren. Door middel van het onderhavige wetsontwerp wordt daartoe de mogelijkheid gecreëerd. In feite betekent dit een splitsing van het liggende wetsontwerp in twee delen, nl. een premiedeel (het onderhavige ontwerp) en een uitkeringsdeel. Op het liggende wetsontwerp is inmiddels een nota van wijzigingen ingediend, waarbij de artikelen die betrekking heben op de premieheffing uit dat ontwerp worden verwijderd. Het onderhavige wetsontwerp heeft zowel betrekking op de premiekant van de AOW als op de premiekant van alle andere volksverzekeringen. De bij wege van aanslag en bij wijze van inhouding geheven premies ingevolge de AOW en de Algemene Weduwen-en Wezenwet (AWW) vormen namelijk de maatstaf voor het opslagpercentage, dat als premie geldt voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Nu met name de AOW moet worden aangepast, ligt het voor de hand thans ook voor wat betreft de premieheffing het beginsel van gelijke behandeling door te voeren. Voor de regelingen, die vallen onder het bereik van de derde richtlijn, is dit trouwens ook een verplichting die rechtstreeks uit die richtlijn voortvloeit.

§ 2. Het premieheffingsstelsel

2.1. Probleemstelling

De derde richtlijn is van toepassing op onder meer wettelijke regelingen, die bescherming bieden tegen ouderdom en gebiedt de uitsluiting uit die regelingen van iedere vorm van discriminatie ook met betrekking tot de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening. In de adviesaanvrage aan de SER en Emancipatieraad van 17 juli 1981 wordt een omschrijving gegeven van het huidige systeem van premieheffing en wordt geconstateerd dat thans van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op dat terrein geen sprake is. Voorts wordt in de adviesaanvrage geïllustreerd, dat de ongelijke behandeling verschilt naar gelang premie wordt geheven bij wege van aanslag of bij wege van inhouding en ten aanzien van werknemers in het particuliere bedrijf, ambtenaren en zelfstandigen. De heffing van premie bij wijze van inhouding gebeurt gescheiden over ieders eigen inkomen en leidt niet tot enige vorm van discriminatie. De aanslagregeling strookt echter niet met de derde richtlijn. De berekening van de verschuldigde premie geschiedt aan de hand van het gezamenlijke inkomen. Daartoe wordt het inkomen van de gehuwde vrouw aangemerkt als inkomen van haar man. Indien het gezamenlijke inkomen de premie-inkomensgrens overschrijdt, wordt de premie, die over dat meerdere inkomen is berekend, aan de gehuwde man terugbetaald. In de adviesaanvrage wordt gesteld, dat het niet strijdig is met de derde richtlijn wanneer bij de vaststelling van de premie van de ene partner en de eventuele maximering daarvan, rekening wordt gehouden met het inkomen van de andere partner en met eventueel overig echtelijk inkomen. Het afstemmen van de premielast op de financiële omstandigheden van de premieplichtigen is echter toegstaan. In dat licht is het niet heffen van premie voor verzekerden

zonder eigen inkomen niet als discriminerend op te vatten. De richtlijn schrijft evenmin voor, dat de premie inkomensafhankelijk zou moeten zijn. Essentieel is, dat de inkomenspolitieke werking van de premieheffing gelijk is voor mannen en vrouwen, aldus de adviesaanvrage. Het toenmalige kabinet heeft in de adviesaanvrage -aansluitend op een uitkeringssysteem, dat gekenmerkt wordt door verzelfstandiging -gekozen voor volledige verzelfstandiging van de premieheffing. Van ieder wordt afzonderlijk de premie vastgesteld en kan een eventueel te veel betaald bedrag aan premie worden afgerekend. Nadrukkelijk is erop gewezen, dat het premieplichtig inkomen als uitgangspunt voor de premieheffing blijft gelden en dat de premieheffing geschiedt in samenhang met de belastingheffing. De fiscale behandeling van de premies valt buiten het kader van de verzelfstandiging. Vervolgens zijn in de adviesaanvrage enige modaliteiten op de volledige verzelfstandiging genoemd met het oogmerk om varianten op de optredende inkomenseffecten van het algemene model te laten zien.

2.2. Standpunt SER

De Raad is van oordeel, dat de huidige premieheffing voor de volksverzekeringen niet voldoet aan de derde richtlijn. De ongelijke behandeling komt tot uitdrukking wanneer over het inkomen van een gehuwde vrouw bij wege van aanslag premie wordt geheven bij de man, terwijl te veel ingehouden premie uitsluitend aan de man wordt teruggegeven. De Raad acht het wenselijk dat een gehuwde vrouw zelfstandig premieplichtig wordt voor de door haar genoten inkomsten uit tegenwoordige of vroegere arbeid, waarvoor zij ook ingevolge de fiscale wetgeving zelfstandig belastingplichtig is. Voor andere inkomsten, waaronder inkomsten uit vermogen, zou uit coördinatie-overwegingen de fiscale wetgeving moeten worden gevolgd, welke inhoudt dat deze inkomsten ook voor de premieheffing worden toegerekend aan de partner met het hoogste inkomen. De door de gehuwde vrouw betaalde of op haar inkomen ingehouden premie dient bij de berekening van haar belastbaar inkomen als aftrekpost in aanmerking te worden genomen. Niet unaniem denkt de Raad over de vraag welke premie-inkomensgrens in aanmerking moet worden genomen. Alvorens de Raad ingaat op de verschillende opvattingen geeft zij als haar mening te kennen, dat bij een verdere herziening van de belastingwetgeving -met name ten aanzien van de tweeverdieners -de gevolgen van de aanpassing van de premieheffing voor de volksverzekeringen nadrukkelijk in beschouwing dienen te worden genomen. Een deel van de Raad, bestaande uit de werknemersleden, de werkgeversleden met uitzondering van de vertegenwoordigers van het Midden-en Kleinbedrijf en de Landbouworganisaties, alsmede de Kroonleden, is van oordeel dat de gelijke behandeling dient te worden gerealiseerd door voor iedere verzekerde een gelijke, individuele premie-inkomensgrens te hanteren. Een~dergelijke individualisering sluit het meest aan bij een eigen, zelfstandig recht op uitkering. Dit deel van de Raad acht het niet bezwaarlijk dat in het uitkeringssysteem het niveau van de uitkering naar levens-en gezinsomstandigheden verschillend kan zijn en in het premieheffingssysteem met dergelijke omstandigheden geen rekening wordt gehouden. In dit verband wordt erop gewezen dat gedurende de premieplichtige periode van 15 tot 65 jaar de levens-en gezinsomstandigheden van een verzekerde niet steeds dezelfde zijn en dat de premieheffing voor de volksverzekering in belangrijke mate is gebaseerd op solidariteitsoverwegingen. Een voor nader te onderscheiden categorieën van premieplichtigen te hanteren, gedifferentieerde premie-inkomensgrens, wordt door dit deel ongewenst geacht. Dit deel onderkent dataanzienlijkhoewel naarzijn mening onvermijdelijk uit de gelijke behandeling voortvloeiende -inkomenseffecten aan het hiervoor bedoelde premieheffingssysteem verbonden zijn. De omvang van

deze effecten geeft aanleiding tot het treffen van compenserende maatregelen. Een deel van dit deel, bestaande uit de leden aangewezen door het CNV, de FNV, alsmede een zestal Kroonleden, acht het aanvaardbaar dat de inkomenseffecten door een tijdelijke overgangsmaatregel worden beperkt. Een ander deel van dit deel, bestaande uit de vertegenwoordigers van de MHP, de werkgeversleden, alsmede een zestal Kroonleden, is van mening dat moet worden uitgegaan van de premie-inkomensgrens zoals die zou zijn geweest, indien de structurele verhoging van f7000 met ingang van 1 januari 1982 achterwege zou zijn gebleven. Een ander deel van de Raad, bestaande uit de vertegenwoordigers van het Midden-en Kleinbedrijf en de Landbouworganisaties kiest voor een naar levens-en gezinsomstandigheden gedifferentieerde premie-inkomensgrens. Dit deel wijst erop dat de premie-inkomensgrens is bedoeld te voorkomen dat er een onevenwichtige verhouding ontstaat tussen (individuele) premieverplichtingen en (individuele) aanspraken. Nu verschil gemaakt wordt naar levens-en gezinsomstandigheden in het niveau van de uitkeringen is een dergelijk verschil ook bij de premieheffing aanvaardbaar. Beide partners betalen zelfstandig, naar rato van ieders eigen inkomen, premie tot een maximum dat is gebaseerd op het gezamenlijke inkomen. Bij overschrijding van het gezamenlijke inkomen van de premie-inkomens-grens dient de teveel betaalde premie aan ieder van de partners te worden gerestitueerd naar rato van het individuele premieplichtige inkomen. Een dergelijk systeem acht dit deel mede wenselijk op grond van de overweging dat het bij de realisering van de gelijke behandeling de voorkeur verdient de uitkomsten van het huidige premieheffingssysteem zoveel mogelijk te handhaven. De premie-inkomensgrens dient dan ook op het huidige niveau te worden gehandhaafd.

2.3. Standpunt ER

De ER betoont zich in zijn advies voorstander van een verzelfstandiging van de premieheffing in die zin dat een ieder premie betaalt over het eigen inkomen, met daarbij een gelijk premiepercentage en een individuele premie-inkomensgrens. Wel is de Raad van oordeel, dat de als gevolg van die verzelfstandiging optredende besparingen -bij gelijkblijvend premiepercentage zijn de opbrengsten dan namelijk hoger -aangewend zullen moeten worden voor verbetering van de uitkeringsrechten, volgens de voorstellen door die Raad ontwikkeld.

2.4. Standpunt Regering

2.4.1. Algemeen

Het verheugt de Regering, dat het standpunt, zoals dit is neergelegd in de adviesaanvrage van juli 1981 een vrijwel algemene acceptatie heeft ondervonden bij zowel de SER als de ER. De Regering wordt hierdoor gesterkt in haar opvatting, dat verzelfstandiging van de premieheffing dient plaatste vinden. Niet alleen voldoet het huidige systeem van premieheffing niet aan de derde richtlijn, ook bij de gekozen uitkeringsstructuur past naar haar mening het beste een systeem van verzelfstandigde premieheffing, leder individu betaalt dan naar draagkracht mee aan de financiering van de AOW. Bij verzelfstandiging van de premieheffing worden de gehuwde man en vrouw zelfstandig premie verschuldigd over hun eigen inkomen. Bij handhaving van het huidige niveau van de premie-inkomensgrens, betekent dit dat gezinnen met twee verdieners maximaal tweemaal zoveel premie verschuldigd worden als in de huidige situatie, waarin sprake is van een gezinsmaximum. De drukverzwaring is daarbij afhankelijk van de hoogte van het gezinsinkomen alsmede van de verhouding van de inkomensaan-

breng door ieder van de echtgenoten. Het zijn met name de effecten van de verzelfstandiging van de premie-inkomensgrens, die later in deze memorie nog aan de orde komen. Voor loontrekkenden zal na verzelfstandiging nog slechts restitutie mogelijk zijn, wanneer het individuele inkomen de premie-inkomensgrens te boven gaat. Het gezamenlijk door de beide echtgenoten overschrijden van het maximum zal geen reden meer tot teruggave vormen. Een dergelijk individueel maximum valt mede te rechtvaardigen door de overweging, dat het aan het individu toekomende bruto loon de ruimte bevat voor volledige premiebetaling, ongeacht de hoogte van een eventueel inkomen van de echtgenoot. Volledige premiebetaling wordt immers ook van een alleenverdiener of alleenstaande met hetzelfde loon verlangd. Eenzelfde rechtvaardiging geldt voor het genieten van winst uit onderneming door beide echtgenoten.

2.4.2. De premies voor de andere volksverzekeringen Naast de AOW-premie is er één andere volksverzekeringspremie, die door de verzekerden moet worden opgebracht (AWW) en drie premies, die voor rekening van de werkgever komen (AAW, AKW en AWBZ). Een zelfstandig ondernemer dient in dit verband als zijn eigen werkgever te worden beschouwd. De inhouding van deze premies geschiedt door de belastingdienst en is volkomen gecoördineerd, zowel onderling als met de heffing van de loon-en inkomstenbelasting. De werkgeverspremies worden geheven als een opslag op de AOW/AWW premie. Voor iedere gulden AOW/AWW premie die de werkgever inhoudt van de werknemer en aan de belastingdienst afdraagt, moet hij «een zeker bedrag bijleggen». Bij handhaving van dit systeem betekent verzelfstandiging van de AOW-premie tevens verzelfstandiging van de opslagpremies. Daar staat in de bij de opslag betrokken verzekeringen geen wijziging aan de prestatiekant tegenover. De consequenties lopen voor werkgevers in het bedrijfsleven en zelfstandige ondernemers sterk uiteen. Werkgevers moeten de werkgeverspremies over het loon van hun werknemers voldoen; de wijze van heffen is feitelijk verzelfstandigd. Wanneer de premie AOW/AWW van een werknemer is ingehouden, dan geldt dit ook voor de door de werkgever «bijgelegde» opslagpremies. Na het vaststellen van een aanslag wordt de te veel ingehouden AOW/AWW premieterugbetaald aan de verzekerde, onderscheidenlijk aan de gehuwde man. De werkgeverspremies worden echter niet teruggegeven, noch aan de werkgever, noch aan de werknemer. De werkgever kan door deze regeling geen voordeel hebben van de burgerlijke staat van de werknemer; een gehuwde werknemer kan op deze wijze voor hem niet goedkoper zijn dan een ongehuwde. In het verband van de verzelfstandiging leidt een en ander ertoe, dat een werkgever tot het maximum werkgeverspremies voldoet voor iedere werknemer (feitelijk voor iedere dienstbetrekking). Werkgevers zullen derhalve geen directe gevolgen ondervinden van een eventuele verzelfstandiging. Zelfstandigen dienen alle premies volksverzekeringen, als verzekerde en als werkgever, bij aanslag te voldoen. Er kan geen sprake zijn van te veel betaalde premie en derhalve niet van teruggave. Bij verzelfstandiging ondervinden zelfstandigen met een verdienende partner in beginsel vergelijkbare effecten met werknemers; alleen zijn die effecten ruim twee keer zo groot, omdat er hier sprake is van de druk van alle premies volksverzekeringen (27,5%) in plaats van uitsluitend de AOW-en AWW-premie (13,1%).

2.4.3. De wijze van verzelfstandiging van de premieheffing Bij verzelfstandiging van de premieheffing zullen een aantal discriminatoir te achten mechanismen uit de systematiek van de premieheffing verdwijnen

Met de invoering van een systeem van individuele aanslagen zal een einde komen aan het aanmerken van het premieplichtig inkomen van de gehuwde vrouw als inkomen van haar man bij het opleggen van een aanslag. Voorts zal de premieplicht van de jongere echtgenoot van een pensioengerechtigde normaal tot premiebetaling kunnen leiden. Tot nu toe werd de van de jongere echtgenoot ingehouden premie teruggegeven, hoewel dat feitelijk niet mogelijk was. Aan de gepensioneerde man kon immers geen aanslag worden opgelegd, daar hij formeel niet langer verzekerd was. Naast het wegnemen van enkele discriminatoir te achten mechanismen zal op een aantal onderdelen de heffingssystematiek moeten worden aangepast om de juiste werking ook in een systeem van zelfstandige premieheffing te behouden. Het betreft daarbij voornamelijk de premievrij-stellings-en reductieregeling. Deze regeling beoogt tegemoet te komen aan de betalingsonmacht die voor zeer lage inkomens zou kunnen voortvloeien uit de betaling van premies ingevolge de volksverzekeringen. Derhalve is de regeling ook uitsluitend van toepassing op premie, voor zover die bij wege van aanslag wordt geheven; bij de premieheffing bij wijze van inhouding kan zich geen betalingsonmacht voordoen. De regering is van mening dat deze regeling zijn plaats ook in de herziene AOW moet behouden; zij meent tevens, dat de betalingsonmacht in de bestaande systematiek voldoende tot uitdrukking komt. De regeling voor premievrijstelling en -reductie, zal in ons voorstel zo aangepast worden, dat het effect van de regeling na de verzelfstandiging zoveel mogelijk ongewijzigd blijft. Binnen het beleid om te komen tot een terugdringen van de omvang van de collectieve sector zou ook de ruimte voor een in zich zelf niet noodzakelijke uitbreiding ontbreken. De inkomensgrens, waaronder vrijstelling van premie bestaat, is gekoppeld aan de belastingvrije voet, die op de premieplichtige van toepassing is. De wet spreekt in deze van vaste bedragen, die telkenmale worden herzien. Het beleid achter de hoogte van de vrijstellingsgrenzen is de vaststelling van de vrijstellingsgrenzen op 90% van de relevante belastingvrije som. In 1985 zal in de belastingheffing sprake zijn van een systeem, waarin de totale belastingvrije som voor een alleenverdiener het dubbele beloopt van de algemene belastingvrije som zoals die voor tweeverdieners geldt. De totale belastingvrije som per huishouden is dan constant. Door de feitelijke koppeling van de vrijstellingsgrens aan de belastingvrije som is ook de totale vrijstelling voor een-en tweeverdiener gelijk. Voor inkomens, die de relevante vrijstellingsgrens enigszins te boven gaan is er sprake van een zogenaamde reductiestrook; deze bedraagt voor 1984 8000 gulden. Wanneer het inkomen in deze strook ligt, wordt de premie slechts gedeeltelijk ingevorderd. Vanaf volledige vrijstelling loopt de verschuldigde premie bij stijgend inkomen op deze wijze geleidelijk op tot bij een inkomen, gelijk aan de som van de vrijstellings-en reductiestrook, de normale premiedruk effectief is. Deze reductiestrook is op dit moment van vaste, nominale lengte (8000 gulden in 1984). Dat betekent een verschil met de systematiek van de vrijstellingsgrens: tweeverdieners zouden in beginsel in een systeem van zelfstandige premieheffing twee maal in aanmerking kunnen komen voor toepassing van een reductieregeling tot een gezamenlijk hoger inkomen dan voor een alleenverdiener mogelijk is. Zoals vermeld, acht de regering een dergelijke situatie te vermijden. De reductiestrook zal daarom zodanig worden aangepast, dat deze voor tweeverdieners gezamenlijk niet meer kan bedragen dan voor een alleenverdiener. In dit voorstel wordt daartoe een vaste verhouding aangebracht tussen de reductiegrens en de vrijstellingsgrens. Alsdan zal de reductiegrens op vergelijkbare wijze als de vrijstellingsgrens voor tweeverdieners ieder de helft bedragen van die van een alleenverdiener.

Door deze wijzigingen zal het effect van de premiereductieregeling voor degenen, die ook nu reeds recht hebben op toepassing van die regeling, tenminste gelijk blijven. In slechts zeer beperkte mate zal er sprake zijn van een toename van het voordeel van de regeling. De verhouding van de inkomensaanbreng van tweeverdieners heeft bij verzelfstandiging namelijk onvermijdelijk enig effect. De werking van de vrijstellingsregeling zal door de aanpassingen gelijk blijven. Door de verzelfstandiging zal een gehuwde man of vrouw in aanmerking kunnen komen voor de regeling, onverschillig het eventuele inkomen van de echtgenoot. In situaties, waarin het gezinsinkomen te hoog is om in de huidige situatie voor de regeling in aanmerking te komen, betekent dit een uitgebreidere toepassing van de vrijstellings-en reductieregeling. Het vermijden van dit effect zou vereisen, dat op een of andere wijze met het gezinsinkomen rekening gehouden zou blijven worden bij toepassing van de vrijstellings-en reductieregeling, zodat er op dit onderdeel van de premieheffing feitelijk geen sprake zou zijn van verzelfstandiging. Het beleidsvoornemen om tot een zo volledig mogelijke verzelfstandiging te komen, is aanleiding tot aanvaarding van het naar verwachting zeer beperkte aantal gevallen, waarin van bovenvermelde situatie sprake zal zijn. De in zeer beperkte mate optredende voordelen van een aanpassing van de premievrijstellings-en -reductieregeling zullen tot een kostenstijging van minder dan 5 min. leiden.

2.4.4. Inkomenseffecten van een verzelfstandiging van de premieheffing Het effect van verzelfstandiging op de netto inkomens wordt in de volgende tabellen weergegeven. Steeds is uitgegaan van handhaving van het huidige premiepercentage, terwijl het huidige niveau van het gezinsmaximum als individueel maximum wordt gehandhaafd. In de tabellen wordt uitgegaan van het effect op het gezinsinkomen. Wat de teruggave van te veel betaalde premies aangaat zij nog het volgende opgemerkt. Het, op zich onjuiste, denkbeeld dat het bij teruggave van te veel betaalde premie om de premie van de gehuwde vrouw zou gaan, is wijd verbreid. De werking van het gezinsmaximum kan echter niet aan een van de echtgenoten worden toegerekend. Wanneer de totaal door het gezin in enig jaar betaalde premie het gezinsmaximum overschrijdt, dan wordt dit meerdere volgens de huidige wetssystematiek aan de man teruggegeven. Door de integrale rolwisseling, die sinds 1984 fiscaal geldt, wordt deze teruggave vervolgens fiscaal in aanmerking genomen bij de meest verdienende partner: dit kan zowel de gehuwde man als de gehuwde vrouw zijn. Naar de aard van het gezinsmaximum, is het niet mogelijk van de teruggegeven premie te bepalen, door wie deze oorspronkelijk is betaald.

2.4.5. Cumulatieve effecten van de verzelfstandiging van de belasting-en premieheffing Zoals reeds eerder vermeld, kiest de regering voor een volledige verzelfstandiging van de premieheffing. Uit het voorgaande blijkt dat de negatieve inkomenseffecten van een dergelijke verzelfstandiging kunnen oplopen tot ruim 4% bij loontrekkenden en tot ruim 8% bij zelfstandigen. De regering is van mening dat de omvang van de inkomenseffecten, die het gevolg zijn van de beoogde verzelfstandiging ook los van de rechtvaardiging daarvan moeten worden beoordeeld. De toelaatbare mutatie wordt niet uitsluitend bepaald door de achtergrond van de maatregel, maar evenzeer door de politieke en maatschappelijke acceptatie van de omvang er van. In dit verband zijn uiteraard ten zeerste van belang de maatregelen die de Regering in de fiscale sfeer per 1 januari 1985 voornemens is te treffen. Bij de inhoud van de fiscale maatregelen zal rekening worden gehouden met de effecten van de verzelfstandiging van de premieheffing.

Tabel 1. Extra premie van gehuwde loontrekkers ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW

Eff. premiebetaling

Inkomen minst verdienende partner

bruto ppivv 0 0

bruto ppivv Inkom. 21501-19 170

0 meest 21501-28 140

0 verdie-40 000 36 465

0 nende 50 000 42 365

0 part-

60 000 50 205

0 ner

70 000 58 452

0 80 000 62 850

0 90 000 62 850

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850

0 0

0 0

229

13190

1002

2092

28650

854

2029

3119

3892

4919666

1935

3110

4200

4973

6000

7081 1242

2511

2686

4776

5549

6576

7657

8233124 2

2511

3686

4776

5549

6576

7657

8233

8233

bruto = bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve. Waar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek. ppiw • premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen.

Tabel 2. Effect in % van het netto gezinsinkomen van gehuwde loontrekkers van verzelfstandiging van de premieheffing AOW en AWW (incl. belastingeffect)

Effect netto gezins-

Inkomen wi nst verdienende partner inkomen (in % r ïetto gezinsinkomen) (=

bruto 0

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 gecombineerd belas-

ppivv 0

9 482 21501-28140 2I50I-42 365 50 205 58 452 62 850 62 850 ting en premie-effect) bruto ppiw Inkom 21501-19 170

0 meest 21501-28 140

0 verdie-40 000 36 465

-3

-1,9 nende 50 000 42 365

-1.3

-2.5

-2,9 part-

60 000 50 205

-1

-2,1

-3

-3,4

-4 ner

70 000 58 452

-7

-1.7

-2,5

-3.2

-3.4

-3.8

-4,2 80 000 62 850

-1,1

-2

-2,7

-3,3

-3,5

-3,9

-4,3

-4,4 90 000 62 850

-9

-1.3

-2,1

-2,6

-2,7

-3

-3.4

-3,4

-3,3

bruto = bij werknemers: brutoloon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve. Waar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek. ppivv " premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen.

Tabel 3. Extra premie van gehuwde zelfstandigen ten gevolge van de verzelfstandiging van de premieheffing AOW, AWW, AKW, AAW, AWBZ ')

Eff. premiebetaling

Inkomen winst verdienende partner

bruto 0

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 ppivv 0

4 589 21501-22464 3I205 21501-48 686 57 426 62 850 62 850

bruto ppivv Inkom. 21501-13 330

0 meest 21501-22 464

0 verdie-40 000 31 205

0 nende 50 000 39 945

0 part-

60 000 48 686

0 ner

70 000 57 426

2173 80 000 62 850

1262

3666 90 000 62 950

1262

3666

bruto » bij werknemers: bruto loon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve. Waar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek. ppivv • premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen.

Tabel 4. Effect in % van het netto gezinsinkomen van gehuwde zelfstandigen van verzelfstandiging van de premieheffing AOW, AWW, AKW, AAW en AWBZ (incl. belastingeffect)'

Effect netto gezins-

Inkomen winst verdienende partner inkomen (in % netto gezinsinkomen) (=

bruto 0

21501-20 000 21501-40 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 gecombineerd belas-

ppivv 0

4 589 21501-22464 3I205 21501-48 686 57 426 62 850 62 850 ting en premie-effect) bruto ppivv Inkom. 21501-13 330

0 meest 21501-22 464

0 verdie-40 000 31 205

0 nende 50 000 39 945

-2,5

-4,6 part-

60 000 48 686

-2,2

-4,1

-5,6 ner

70 000 57 426

-2

-3,6

-4,9

-6 80 000 62 850

-1

-2,3

-4,3

-5,4

-6,4 90 000 62 850

-9

-2,2

-3,3

-4,3

-5,1

bruto = bij werknemers: brutoloon bruto = bij zelfstandigen: winst na aftrek van voorraad en vermogensaftrek en na aftrek forfaitaire oudedagsreserve. Waar voor aftrek opslagpremies en zelfstandigenaftrek, ppivv = premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen. 1 Het effect van de verzelfstandiging van de premievrijstellingS" en reductie-regeling is hier in niet verwerkt.

0 0

0 0

2290

4 685 2290

4684

7089

9 493 4685

7089

9 494 21501-14383 6I78

8582

21501-13 391 21501-17289 6I78

8582

21501-13 391 21501-17289 I7289

-6,9 -7

-7,3 -7,1

-7,7

-8 -5,3

-6,4

-6,8

Bovendien zullen zodanige wijzigingen in de fiscale behandeling van het winstinkomen worden voorgesteld, dat de additionele inkomenseffecten voor zelfstandigen, die een gevolg zijn van op hen als gevolg van de verzelfstandigde premieheffing drukkende extra opslagpremies, belangrijk worden gemitigeerd. In beginsel is daarvoor eenzelfde bedrag beschikbaar als bij verzelfstandigde premieheffing door zelfstandigen aan extra opslagpremies (80 min.) moet worden betaald. Ten einde deze mitigering langs fiscale weg (en dus ten laste van de rijksbegroting) mogelijk te maken, is een herschikking van geldstromen tussen overheid en sociale fondsen noodzakelijk. De extra premie-opbrengsten als gevolg van de verzelfstandiging van de premieheffing slaan immers bij de sociale fondsen neer. Daartegenover stelt de regering thans voor de premievrijstellings-en •reductieregeling niet langer op de rijksbegroting te laten drukken, maar uit premie-ontvangsten te bekostigen. Dit betekent dat aan de financiering van de fiscale maatregelen uiteindelijk een hogere prioriteit wordt gegeven dan aan de argumenten, die in 1955 er toe hebben geleid dat de niet-ingevorderde premies ten laste van het Rijk werden gebracht. Bovendien geldt thans, dat het ten laste brengen van die niet-ingevorderde premies van de sociale fondsen geen nadeel oplevert voor de loontrekkenden, aangezien als gevolg van de verzelfstandiging bovendien een meeropbrengst aan opslagpremies optreedt. In het licht van de te treffen fiscale maatregelen acht de regering de hier gepresenteerde inkomenseffecten acceptabel en stelt dan ook voor de verzelfstandiging van de premieheffing, met ingang van 1 januari 1985 door te voeren. Tot slot zij opgemerkt dat de regering het gewenst acht de sinds 1982 toegepaste tijdelijke verhoging van de premie-inkomensgrens met f 7000 in dit wetsontwerp te vervangen door een definitieve verhoging van de premie-inkomensgrens met f 7000. De investering van destijds, het in overeenstemming brengen van het koopkrachtbeeld met de inkomenspolitieke uitgangspunten van het kabinet, is in de jaren na 1982 en ook thans nog geldend.

§ 3. Financiële gevolgen

3.1. Structureel

De financiële gevolgen van het onderhavige wetsontwerp zijn structureel gezien beperkt. In onderstaande tabel worden de effecten, zowel op de lasten als op de baten, voor de sociale fondsen weergegeven. Voor wat betreft de lastenkant is uitgegaan van de voorstellen, zoals die zijn neergelegd in het wetsontwerp inzake de uitkeringskant van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW.

Tabel 5. Structurele mutaties in baten en lasten van de fondsen t.g.v. de verzelfstandiging van de gehuwde vrouw inde AOW (in prijzen 1984, op netto basis)

Baten

Lasten

Meer premies AOW/AWW -AOW ca 445 min. -AWW ca 55 min.

effect premievrijstelling en premiereductie -AOWca-45 min. -AWW ca -5mln.

Meer opslagpremies: -AKW ca 45 min. -AWW ca 90 min. -AWBZ ca 45 min.

effect premievrijstelling en premiereductie -AKW ca-15mln. -AAW ca-20mln. -AWBZ ca-15 min.

ca 500 min.

ca -50 min.

ca 180 min.

ca -50 min.

ca 580 min.

I Uitkeringslasten A) Gehuwdenmeer uitkeringen (ongetoetst) + 400 min.-effect inkomenstoets (bij partner 65 jaar)-255 min. + 145 min.

  • Ongehuwd Samenwonendenmeer uitkeringen (indien partner 65 jaar)

+

7 min.-minder uitkeringen (indien beiden 65 jaar)

-120 min.

II Toename administratiekosten: III Batig Saldo

-113mln.

+ 10 min. + 538 min.

580 min.

Aandelastenkant is onderscheid gemaakt naarde effecten voor gehuwden en voor ongehuwd samenwonenden. Bovendien is de toename van lasten gesplitst in het effect zonder en met een inkomenstoets op het inkomen van de partner. De mutaties aan de lastenkant hebben allen betrekking op het ouderdomsfonds. Het totaal aan meerlasten bedraagt ca. 30 min. (exclusief administratiekosten) resp. ca. 40 min. (inclusief administratiekosten). Wat betreft de toename van de administratiekosten wordt nog opgemerkt, dat deze met name betrekking hebben op de aan de toeslagen verbonden inkomensonderzoeken. In bovenstaande tabel is derhalve geen rekening gehouden met eenmalige kosten, zoals de omzetting van de huidige gehuwdenpensioenen op het nieuwe systeem. De kostenraming van ca. f 10 min. komt dankzij nadere inzichten in de plaats van de in de adviesaanvrage aan de SER en ER genoemde schatting. De mutaties in de uitkeringslasten komen overeen met de in paragraaf 5.2 van het wetsontwerp betreffende de uitkeringskant (weergave standpunt SER) vermelde bedragen voor uitkeringssysteem B. Met nadruk zij er op gewezen dat het hier meerlasten op netto basis betreft. Op bruto basis zullen de meerlasten ca. 10% hoger zijn. De meer premie-ontvangst aan de batenkant is, ter nadere informatie, gesplitst naar de verschillende volksverzekeringsfondsen. Bij handhaving van het huidige niveau van de maximum premiegrens zal een volledige verzelfstandiging van de premieheffing bij handhaving van het premiepercentage, leiden tot een extra premie-opbrengst voor AOW en AWW van ca. 500 min. Het verschil met de raming in de adviesaanvrage (600 min. in guldens 1981) wordt in hoofdzaak verklaard door de sindsdien gerealiseerde extra verhoging van de premie-inkomensgrens met 7000 gulden. De opbrengst van deze verhoging gaat ten koste van de mogelijke opbrengst van verzelfstandiging. De opbrengst van f500 min. (voor AOW en AWW) is een maximale raming. De berekeningen steunen op een inkomensdefinitie van het CBS, die voor het aan de orde zijnde probleem slechts beperkt bruikbaar is. Met

name bestaat onduidelijkheid over de wijze waarop aftrekposten, die voor het premieplichtig inkomen van belang zijn, in het geheel meespelen. De verdere fiscale verzelfstandiging van inkomensbestanddelen met ingang van 1984 is hierop van invloed. Naast de 500 min. extra opbrengst voor AOW en AWW ontstaan er ca. 180 min. extra premiebaten aan opslagpremies (AAW, AKW, AWBZ). Dit bedrag is aanmerkelijk lager dan het bedrag voor AOW/AWW, doordat voor de opslagpremies de verzelfstandiging van de premieheffing uitsluitend effect heeft voor premieheffing bij wijze van aanslag. Voor een juist inzicht in de afzonderlijke fondsposities is het van belang te weten, dat de in de vorenstaande tabel vermelde verdeling van de extra premie-opbrengst over de verschillende fondsen rechtens uit de wet voortvloeit. Voor de feitelijke kasontvangsten van de verschillende fondsen is de uitvoeringsorganisatie van de premie-inning van belang. Doordat door de Rijksbelastingdienst bij de premie-inning geen onderscheid kan worden aangebracht tussen de verschillende volksverzekeringswetten, worden de premie-ontvangsten c.q. terugbetalingen naar rato van de premiepercentages over de fondsen verdeelt. Dientengevolge zal de extra premie-opbrengst ad 680 min. bij de fondsen tot een kaseffekt leiden van ca. 330 min. voor AOW/AWW en ca. 350 min. voor de opslagfondsen AWW, AKW en AWBZ. Ten gevolge van het voorstel om de kosten van de premievrijstelling en -reductieregeling niet langer op de begroting te laten drukken treedt er voor de fondsen een daling van de ontvangsten op ter grootte van ca. 100 min. In de voorgaande tabel is dit bedrag gesplitst naar de verschillende fondsen. De raming van de lasten van de vrijstellings-en reductieregeling is op zichzelf met onzekerheid omgeven. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt, doordat de realisatiecijfers van deze regeling eerst met een vertraging van 4 a 5 jaar ter beschikking komen. In deze memorie van toelichting wordt daarom voorhands de post op de begroting voor 1984 van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (100 min) als uitgangspunt gehanteerd. Het uiteindelijke saldo, van enerzijds meer uitkeringslasten (ca. 30 min.) en meer administratiekosten (ca. 10 min.) en anderzijds meer premie-opbrengst (ca. 680 min.) en de kosten van de premievrijstellings-en reductie-regeling (ca. 100 min.), bedraagt ca. 540 min. ten gunste van de fondsen. Dit komt overeen met ca. 0,25% premie.

3.2. Effect in 1985

De effecten van het onderhavige wetsontwerp wijken voor 1985 af van de structurele effecten. Hiervoor zijn twee oorzaken aan te wijzen. Allereerst krijgt iedereen die op of na 1 januari aan de nieuwe criteria voldoet recht op AOW-pensioen. Diegenen echter, die op 1 januari al AOW-pensioen ontvingen en een partner hebben die jonger is dan 65 jaar met eigen inkomen zullen geen effect ondervinden van de inkomenstoets en dus hun volledige AOW-pensioen (100%) behouden. Het betreft hier met name de gehuwde mannen met een vrouw die jonger is dan 65 jaar. Voorts strekt de wet in 1985 zich, zoals ook reeds elders opgemerkt, nog niet uit tot de ongehuwd samenwonenden. Rekening houdend met het bovenstaande ziet het financiële beeld voor de sociale fondsen er in 1985 als volgt uit:

Tabel 6. Mutaties in baten en lasten van de fondsen in 1985 t.g.v. de verzelfstandiging van de gehuwde vrouw in de AOW (in prijzen 1984, op netto basis)

Baten

Lasten

Meer premies AOW/AWW -AOW ca 445 min. -AWW ca 55 min.

effect premievrijstelling en premiereductie -AOWca-45mln. -AWW ca -5mln.

Meer opslagpremies: -AKW ca 45 min. -AAW ca 90 min. -AWBZ ca 45 min.

effect premievrijstelling en premiereductie -AKW ca-15mln. -AAW ca-20 min. -AWBZ ca-15 min. ca 500 min.

ca-50 min.

ca 180 min.

ca-50 min.

ca 580 min.

I Uitkeringslasten Nieuwe Instroom'-meer uitkeringen (ongetoetst) ca +-effect inkomenstoets (bij partner 65 jaar)

ca-70 min.

47 min. ca + 23 min.

Stuwmeermeer uitkeringen (ongetoetst) ca + 330 min.-effect inkomenstoets (indien de man 65 jaar)

ca-155 min.

II Toename administratiekosten III Toename financieringslasten IV Batig saldo

ca +175 min.

ca + 10 m I n.

ca + 40 min. ca 332 min.

ca 580 min.

1 Onder nieuwe instroom wordt verstaan diegenen die eerst in de loop van 1985 recht op AOW-pensioen krijgen.

2 Onder stuwmeer wordt verstaan al diegenen die op 31 december 1984 reeds recht op AOW-pensioen hebben, dan wel gehad zouden hebben indien op die datum de criteria van 1985 van toepassing geweest zouden zijn.

De extra uitkeringslasten in 1985 bedragen exclusief administratie-en financieringskosten ca. 200 min. Het verschil met de structurele extra uitkeringslast ad ca. 30 min. is gelegen in de twee hiervoor vermelde oorzaken. Ook hier zij erop gewezen dat het extra netto lasten betreft. De extra bruto lasten liggen ca. 10% hoger. De extra administratiekosten zijn ook voor 1985 op 10 min. te stellen. In tegenstelling tot de structurele situatie, is in 1985 sprake van een toename van de noodzakelijke financieringsreserve met ca. 40 min. Dit hangt samen met het hogere lastenniveau. Deze toename is een eenmalige extra last voor 1985. In 1986 vait dit bedrag van 40 min. vrij, omdat dan ook de ongehuwd samenwonenden gelijk behandeld zullen worden als de gehuwden. Hierdoor zullen de extra uitkeringslasten in 1986e.v. aanmerkelijk geringer zijn dan in 1985 en in de buurt komen van het structurele niveau. Aan de batenkant wordt de structurele situatie direct in 1985 bereikt. De balans voor 1985 is op dit punt dan ook volledig identiek aan de structurele balans. Het totaal aan de batenkant bedraagt in 1985 eveneens ca. 580 min. extra. Per saldo treedt er in 1985 een voordeel voor de fondsen op van ca. 330 min. Dit komt overeen met ca. 0,15% premie.

§ 4. Artikelsgewijze toelichting Artikel I, A en B, Artikel II, A. Op dit moment is het nog zo, dat de gehuwde vrouw in het algemeen geen zelfstandig recht op ouderdomspensioen heeft. Alleen indien de gehuwde vrouw als kostwinster kan worden beschouwd en haar echtgenoot nog geen 65 jaar is, kan zij op grond van het huidige artikel 7, tweede lid, letter c, aanspraak maken op ouderdomspensioen dan wel op grond van artikel 46, tweede lid, letter c.

Het huidige tweede lid van artikel 23 bepaalt dat de gehuwde man in dat geval niet is onderworpen aan de premieheffing, aangezien dit in hoofdzaak zou neerkomen op een premiebetaling over het inkomen van zijn in het genot van ouderdomspensioen zijnde vrouw. Nu de hiervoor geciteerde artikelen komen te vervallen, behoeft het tweede lid van artikel 23 niet meer te worden gehandhaafd. Uit de verzelfstandiging van het recht op uitkering en van de verplichting tot premiebetaling vloeit wel voort dat een ieder tot het 65ste levensjaar premie verschuldigd is. Dit betekent dat ook de in het huidige artikel 23, tweede lid, bedoelde gehuwde man voortaan premie verschuldigd is over het eigen inkomen. Hetzelfde geldt voor de gehuwde vrouw van wie de oudere echtgenoot een AOW-gehuwdenpensioen ontvangt en thans geen premie verschuldigd is. Deze premieheffing heeft betrekking op alle volksverzekeringen. Aan deze met ingang van 1 januari 1985 optredende premiebetaling is geen overgangsregeling verbonden. Dit komt ons redelijk voor, aangezien het kostwinnerspensioen van de gehuwde vrouw en het gehuwdenpensioen van de gehuwde man reeds worden omgezet in een basispensioen voor een gehuwde met een ongetoetste toeslag.

Artikel I, C en Artikel II, B. Sinds 1 januari 1973 wordt het arbeidsinkomen van de gehuwde vrouw afzonderlijk in de belastingheffing betrokken. Deze zelfstandige heffing uitsluitend in de belastingwetgeving en niet ook voor de premiehefing. Het bepaalde in het huidige derde lid van artikel 26 AOW en artikel 41 AWW voorkomt dat de zelfstandige belastingheffing over de arbeidsinkomsten van de gehuwde vrouw ook doorwerkt in de premieheffing. Tot op heden vormt het ontbreken van een zelfstandig recht op ouderdomspensioen daartoe een belemmering. Het inkomen van de vrouw die het hele jaar gehuwd is geweest wordt aangemerkt als inkomen van haar man. De premieheffing geschiedt derhalve nog steeds via de man. Ook indien de premie wordt ingehouden bij de gehuwde vrouw die in loondienst werkt, vindt, zoals in het algemeen deel van de toelichting al is opgemerkt, de eindheffing op grond van de huidige bepalingen plaats via de man. In de onderhavige voorstellen wordt niet alleen het recht op uitkering verzelfstandigd, maar ook in beginsel de verplichting tot premiebetaling. Dit betekent, dat van een samentelling van inkomens van man en vrouw ten behoeve van de premieheffing, zoals bepaald in het derde lid, geen sprake meer kan zijn. Zowel manen vrouw zullen beiden premie verschuldigd zijn over hun eigen inkomsten. Het derde lid van artikel 26 AOW en van 41 AWW kunnen derhalve vervallen. Het bepaalde in de laatste volzin van het tot vierde lid vernummerde vijfde lid van artikel 26 AOW en van artikel 41 AWW is een gevolg van het feit dat de inkomens van man en vrouw voor de premieheffing bij elkaar worden geteld. Om dezelfde reden als hetgeen hierboven voor het derde lid is aangegeven, kan daarom ook deze volzin komen te vervallen.

Artikel I, D. De wijzigingen van artikel 27 zijn het gevolg van een vernunv mering. Artikel I, E en Artikel II, C. Artikel 30 AOW en artikel 44 AWW bepalen wanneer al dan niet een aanslag in de premieheffing wordt opgelegd. Hoofdregel is, dat de premie wordt geheven bij wege van aanslag. Het derde lid van beide artikelen somt gevallen op, waarin van deze hoofdregel wordt afgeweken. In hoofdzaak geldt, dat indien geen aanslag in de inkomstenbelasting wordt opgelegd, ook het opleggen van een aanslag in de premieheffing achterwege blijft. Indien echter duidelijk is dat op die manier over een deel van het inkomen geen premie wordt geheven, wordt daarvan afgeweken.

Op dit moment wordt, wanneer de premie wordt geheven bij wege van aanslag, het inkomen van de gehuwde vrouw als inkomen van haar echtgenoot aangemerkt. In een systeem met een zelfstandige plicht tot premiebetaling zal voor zowel de gehuwde man als voor de gehuwde vrouw zelfstandig moeten worden bezien of een premie-aanslag moet worden opgelegd. Daardoor zal aan de gehuwde man geen premie-aanslag worden opgelegd, indien hij voldoet aan de daarvoor gestelde voorwaarden in het derde lid, zonder dat is vereist dat ook zijn echtgenote aan die voorwaarden voldoet. De voorwaarden in het derde lid gelden voor iedere verzekerde ongeacht zijn of haar burgerlijke staat.

Artikel I, F en Artikel II, D. Deze onderdelen bevatten de wijzigingen van de premievrijstellings-en reductieregeling. Zoals vermeld in het algemeen deel van deze memorie moet de reductiestrook in deze regeling zodanig worden aangepast dat deze voor tweeverdieners gezamenlijk niet meer kan bedragen dan voor een alleenverdiener. Dit wordt bereikt door de reductiestrook uit te drukken in een percentage van de relevante vrijstellingsgrens. Ten slotte wordt voorgesteld van de gelegenheid gebruik te maken om de sinds 1976 gevolgde koppeling van de vrijstellingsgrenzen aan 90% van de belastingvrije sommen formeel vast te leggen.

Artikel I, G, Artikel II, E en Artikel III, C. In het algemene deel van de toelichting is reeds ingegaan op de noodzaak de extra premie-opbrengst als gevolg van de verzelfstandiging van de premieheffing terug te sluizen om compenserende fiscale maatregelen ten aanzien van zelfstandigen te financieren. De onderhavige artikelonderdelen beogen, dat de kosten van de premievrijstellings-en reductieregeling niet langer ten laste van het Rijk komen. Artikel I, I en Artikel II, F. De wijzigingen in deze artikelen betreffen slechts correcties van technische aard.

Artikel III, A en B. De wijzigingen, die in de artikelen 25, tweede lid, en 26, tweede lid, worden voorgesteld, betreffen slechts technische correcties.

Artikel IV. Door het eerste lid van dit artikel wordt bewerkstelligd, dat de per 1 januari 1982 toegepaste extra verhoging met f7000 niet komt te vervallen. Zonder nadere regeling wordt namelijk deze verhoging ingevolge de tweede volzin van artikel 27, vijfde lid, bij de eerstvolgende aanpassing van de premie-inkomensgrens aan de loonontwikkeling geacht niet te hebben plaatsgevonden. Het tweede lid geeft aan dat op de per 1 januari 1984 vastgestelde grens van f62 850 voor de aanpassing per 1 januari 1985 de loonontwikkeling over de periode juli 1983-juli 1984 moet worden toegepast.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. Kappeyne van de Coppello

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.