Brief van De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - Echte-minimabeleid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 8 juli 1985

Bij verschillende gelegenheden heb ik met de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid gesproken over de schuldenproblematiek waarmee de gemeentelijke sociale diensten worden geconfronteerd (Mondeling overleg van 6 december 1984 over het echteminimabeleid, 18192, nr. 15 UCV over de ABW van 29 april en 6 mei 1985, 72ste en 74ste vergadering). Ik heb toegezegd de resultaten van een door de rijksconsulenten sociale zekerheid in 1984 gehouden inventarisatie van deze problematiek aan u te doen toekomen. In bijgaande notitie geef ik een samenvatting van de bevindingen, die in de bijlage daarvan gedetailleerd zijn weergegeven.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

NOTITIE BETREFFENDE EEN INVENTARISATIE VAN DE SCHULDENPRO-BLEMATIEK

  • Inleiding

De rijksconsulenten sociale zekerheid hebben in de eerste helft van 1984 aan een aantal gemeenten vragen voorgelegd met betrekking tot het thema schulden. Doelstelling was een beeld te krijgen van de mate waarin en de wijze waarop sociale diensten worden geconfronteerd met hulpvragen in verband met schulden en van het functioneren van de hulpverlening daarbij. In dit kader is de betreffende gemeenten verzocht een aantal feitelijke gegevens te leveren en heeft vervolgens met elk van die gemeenten een gesprek plaatsgehad, waarin onder meer de gegevens konden worden toegelicht en eventuele knelpunten konden worden aangegeven. De gesprekken hadden geen beleidstoetsend karakter. De inventarisatie heeft zich uitgestrekt over vier gemeenteklassen: 41 gemeenten in de categorie beneden 50 000 inwoners; 10 gemeenten in de categorie van 50000 tot 10000 0 inwoners; 6 gemeenten in de categorie van 100 000 tot 20000 0 inwoners; 4 gemeenten in de categorie boven 20000 0 inwoners.

Voor een uitgebreide weergave van de gegevens, welke dankzij de medewerking van deze 61 gemeenten zijn verkregen, verwijs ik naar de bijlage. Daarin zijn ook nadere bijzonderheden vermeld omtrent de gekozen opzet. Er zij nadrukkelijk op gewezen dat de resultaten zijn verkregen uit een inventarisatie bij een aantal gemeenten. Het zijn geen «harde gegevens»; een deel van de door gemeenten geleverde gegevens berust op schattingen. Er is dus geen sprake van een wetenschappelijk onderzoek, dat een nauwkeurig beeld zou geven van de omvang en aard van de problematiek. Wel geven de resultaten hiervan een indicatie. Gebleken is dat de gemeenten veelal slechts in beperkte mate over gegevens ten aanzien van aard, omvang en oorzaken van de schuldenproblematiek beschikten. Een breder onderzoek naar de achtergronden van deze problematiek blijft derhalve gewenst. Zoals ik bij gelegenheid van de uitgebreide vergadering van uw commissie op 29 april jl. over plaats, functie en inhoud van de ABW reeds heb aangegeven, vindt thans een vooronderzoek plaats naar de haalbaarheid en de gewenste opzet van een diepgaander schuldenonderzoek. Hierna zal ik ingaan op de belangrijkste bevindingen uit de door de rijksconsulenten verzamelde gegevens.

  • Belangrijkste bevindingen

Het aantal bijstandsaanvragen in verband met schulden bedroeg in de betrokken gemeenten in het jaar 1983 afhankelijk van de gemeentegrootte gemiddeld 2 tot 4 per 1000 inwoners. Dit betrof zowel gevallen waarin bijstand werd verleend, als gevallen waarin op het verzoek om bijstand afwijzend werd beslist. Het totaal aanmeldingen bij de betreffende sociale diensten vanwege schulden in dat jaar ligt hoger, maar is niet bekend. Een deel van de aangemelde schuldgevallen wordt immers door de g.s.d. doorverwezen, met name naar de gemeentelijke of volkskredietbank (g.k.b.) en het algemeen maatschappelijk werk (a.m.w.). Deze verwijzingen worden als regel niet door de diensten geregistreerd en zijn niet in de cijfers begrepen. Bij de beslissing om al dan niet door te verwijzen spelen diverse factoren een rol, zoals de vraag of betrokkene reeds bij de g.s.d. in uitkering is, de hoogte van de schuld, persoonlijke omstandigheden en de hulpverleningsmogelijkheden ter plaatse en in de regio.

In tweederde van de gemeenten gaat de g.s.d. in voorkomende gevallen regelmatig over tot schuldbemiddeling, het bemiddelen tussen schuldenaar en schuldeiser(s) ten einde tot een afbetalingsregeling te komen (tabel 2.9). In ruim éénderde van de gemeenten ontplooit de g.s.d. met enige regelmaat schuldsanerende activiteiten, waarbij schulden met behulp van bijstandsgelden voor de cliënt worden afbetaald, al dan niet gevolgd door verhaal op de betrokkene (tabel 2.10). De conclusie is derhalve gerechtvaardigd dat sociale diensten in het algemeen een belangrijke rol spelen in de hulpverlening bij schulden. Op het aspect schuldsanering kom ik nog terug. De omvang van de schuldbedragen in de gevallen waarmee de sociale diensten in 1983 te maken kregen liep nogal uiteen, van enkele honderden tot tienduizenden guldens; de gemiddelden over de vier gemeenteklassen lagen globaal tussen f2000 en f4800 per geval (tabel 1.2). Bijna een kwart van de schulden betrof bedragen tot f 1000. De helft van de schulden betrof bedragen tussen f 1000 en f4000. Iets meer dan een kwart had betrekking op bedragen boven f4000. Eveneens een kwart kon binnen een jaar worden afgelost (tabel 1.4 en 1.5). Omtrent het ontstaan van de schulden noemden de gemeenten als belangrijkste oorzaken: gestegen woonlasten, een terugval in inkomen en het onhandig of niet verstandig omgaan met het beschikbare budget (tabel 1.9). Betalingsachterstanden ten aanzien van energielevering en huur zijn de schuldpostendiehet meest voor kwamen (tabel 1.6). Behalve in gemeenten met minder dan 50000 inwoners bestaan er meestal afspraken tussen g.s.d. en energiebedrijven omtrent de handelwijze bij betalingsachterstanden. Een deel van de gemeenten zou niettemin graag een grotere inspanning zien bij energiebedrijven bij het bewaken van achterstanden en het treffen van betalingsregelingen door deze bedrijven. Naarmate een betalingsachterstand oploopt wordt het moeilijker alsnog een regeling tot afbetaling te treffen. In de helft van de betreffende gemeenten zijn er ten aanzien van het signaleren van huurachterstanden afspraken gemaakt met woningbouwcorporaties e.d. Ook hier wordt door een deel van de gemeenten gewezen op het soms te laat optreden -in dit geval van de zijde van de verhuurder -bij betalingsachterstand. In gevallen van dreigende uithuiszetting kan blijkens de gegevens meestal op een zodanig tijdstip een regeling worden getroffen dat betrekkelijk zelden daadwerkelijk tot uitvoering van deze maatregel behoeft te worden overgegaan. Ook in de gevallen van dreigende afsluiting van energielevering, waarbij inschakeling van de g.s.d. plaatsvindt, is de ervaring van veel gemeenten dat meestal een regeling kan worden getroffen. Gelet op landelijke cijfers over het totaal aantal afsluitingen, sluit dit niet uit dat er op enige schaal afsluitingen plaatsvinden ( en weer ongedaan worden gemaakt) zonder dat de g.s.d. daarbij betrokken is. De samenwerking met de gemeentelijke kredietbank blijkt in de meeste gevallen redelijk te zijn. Niettemin geeft een meerderheid van de betreffende gemeenten aan de mogelijkheden van deze instellingen tot hulpverlening bij schuldsituaties als beperkt te ervaren (tabel 2.4). In de bijlage is aangegeven welke beperkingen men daarbij op het oog heeft (blz. 11 en 12). Het algemeen maatschappelijk werk vervult in veel gemeenten een taak in de hulpverlening bij schuldsituaties, met name op het immateriële vlak. Vooral op het gebied van budgetadvies en budgetteringshulp onplooit het a.m.w. activiteiten. Ook een meerderheid van de betrokken sociale diensten biedt in uiteenlopende mate deze vorm van dienstverlening. Ten aanzien van de voorlichting in het kader van de schuldenproblematiek beperken de meeste gemeenten zich tot het op ad hoc basis informeren van cliënten die zich met schulden bij de dienst aanmelden. Over de preventieve werking van voorlichtingsactiviteiten wordt verschillend gedacht. Een aantal gemeenten is pessimistisch op dit punt. Gemeenten

die een actief voorlichtingsbeleid voeren beoordelen de preventieve werking daarvan doorgaans positiever. Een belangrijke constatering die bij de overgrote meerderheid van de gemeenten valt te beluisteren is dat problematische schuldsituaties vaak te laat worden gesignaleerd, of dat de betrokkenen zich veelal te laat melden. Dit bemoeilijkt de hulpverlening, zowel in verband met het oplopen van het schuldbedrag, als vanwege het krapper worden van de door schuldeisers geboden tijd voor het vinden van een oplossing. De bereidheid tot medewerking aan een schuldregeling blijkt bij schuldeisers en schuldenaren doorgaans in voldoende mate aanwezig. Niettemin constateren verscheidene gemeenten dat sommige schuldeisers, bij voorbeeld nutsbedrijven en verhuurders, zich terughoudend opstellen ten aanzien van het meewerken aan schuldregelingen. Bij een deel van de schuldeisers blijkt in de praktijk veelal de bereidheid te bestaan genoegen te nemen met betaling van een gedeelte van de vordering. Een herhaling van schuldproblemen, nadat reeds eerder schuldregeling heeft plaatsgevonden of wanneer een bestaande regeling nog loopt, komt blijkens de gegevens in alle gemeenteklassen voor. Dit vormt een aanwijzing dat een schuldregeling niet altijd de problematiek oplost. Uitgangspunt van het in het kader van de ABW gevoerde beleid ten aanzien van schulden is dat slechts in individuele gevallen, indien sprake is van een door zeer bijzondere omstandigheden bepaalde noodzaak, bijstand kan worden verleend ter (gedeeltelijke) delging van schulden. In het algemeen kan de afbetaling van schulden niet worden gerekend tot de noodzakelijke bestaanskosten; dit uitgangspunt vindt een bevestiging in de jurisprudentie. Men is immers zelf verantwoordelijk voor het in evenwicht houden van uitgaven en inkomsten en voor herstel van dit evenwicht bij het ontstaan van schulden. Bovendien dienen dan eerst de mogelijkheden tot hulpverlening via voorliggende voorzieningen te worden benut. De resultaten wijzen in de richting dat de feitelijke rol die de ABW bij schuldsanering speelt verder gaat dan op grond van genoemd uitgangspunt gerechtvaardigd is. Uit de gegevens van 57 gemeenten blijkt dat daar in totaal in enkele duizenden gevallen bijstand is verleend voor de afbetaling van schulden. Of een en ander het gevolg is van een te ruime interpretatie van de mogelijkheden die de wettelijke uitgangspunten op dit punt bieden kan op grond van de gegevens niet worden beoordeeld; zoals eerder opgemerkt had deze inventarisatie geen beleidstoetsing tot doel. Een deel van de gemeenten signaleert als knelpunt dat de hulpverleningsmogelijkheden in het voorliggende circuit, waaronder die van de gemeentelijke kredietbanken, beperkt zijn. Een ander deel van de gemeenten oordeelt de mogelijkheden wel voldoende. Hierbij speelt wellicht een rol dat deze mogelijkheden lokaal en/of regionaal nogal verschillend kunnen zijn. Momenteel wordt in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken een onderzoek uitgevoerd naar het functioneren van schuldsaneringsregelingen. Eventuele knelpunten in verband met de hulpverleningsmogelijkheden van kredietbanken kunnen naar verwachting uit dit onderzoek blijken. Overigens ligt het in de rede dat bij de verstrekking van een saneringskrediet wordt uitgegaan van de kredietwaardigheid van de cliënt. Voor bijstandscliënten en degenen met een inkomen op een vergelijkbaar niveau betekent dit, uitgaande van de in het Bijstandsbesluit landelijke normering genoemde aflossingsbedragen en van een looptijd van ten hoogste drie jaar, dat in het algemeen een krediet kan worden verstrekt tot ongeveer f 3000. Deze kredietmogelijkheid kan als regel toereikend worden geacht voor de sanering van huur-en energieschulden, de meest voorkomende schuldencategorie. Voorwaarde daartoe is dat dergelijke betalingsachterstanden tijdig worden gesignaleerd, zodat het schuldbedrag niet te hoog oploopt, alsmede dat van de zijde van de schuldeiser de gelegenheid wordt geboden tot het treffen van een betalingsregeling.

De door verscheidene gemeenten gesignaleerde praktijk dat de g.k.b. aan de verstrekking van een saneringskrediet de voorwaarde verbindt dat de g.s.d. geheel of gedeeltelijk borg staat, acht ik niet terecht, indien dit eerder regel dan uitzondering vormt. De ABW fungeert dan als algemene risicodekking voor de betreffende banken bij het afsluiten van krediettransacties. Zoals reeds eerder bij circulaire aan de gemeentebesturen is meegedeeld dient borgstelling te worden beschouwd als een vorm van bijstandsverlening en gelden hiervoor derhalve dezelfde wettelijke uitgangspunten als voor andere vormen van bijstandsverlening in geval van schulden. Derhalve kan ook borgstelling uitsluitend in individuele noodzakelijke gevallen worden toegepast. De verstrekte gegevens geven mij evenwel aanleiding de effectiviteit van borgstelling op grond van de ABW als instrument ter ondersteuning van de hulpverlening bij schulden nader te bezien. Een overweging hierbij vormt dat een deel van de bij het thematisch onderzoek betrokken gemeenten de ervaring heeft dat borgstelling een effectief middel kan zijn. Indien gemeenten overgaan tot het verlenen van bijstand in geval van schulden wordt, blijkens de gegevens, veelal gekozen voor «verhaalbare bijstand», onder toepassing van artikel 58c van de ABW. Verscheidene gemeenten geven zelf aan dit een weinig gelukkige constructie te achten; de betrokken cliënt krijgt immers een verhaalsschuld aan de sociale dienst, zodat het probleem slechts verschoven wordt en de dienst een incassotaak krijgt. Deze praktijk kan er op termijn toe leiden dat de sociale dienst wordt geconfronteerd met een omvangrijke post van moeilijk inbare vorderingen. Dit blijkt ook uit andere signalen. Ik ben van mening dat er niet zondermeer sprake is van een verschuiving van problemen. Het liquiditeitsprobleem van cliënten wordt immers wel opgelost. Maar ik acht dit alleen verantwoord als de cliënt kan terugbetalen en dit ook feitelijk gebeurt. Ten slotte wil ik enkele opmerkingen maken over preventieve maatregelen in verband met de schuldenproblematiek. De resultaten wijzen er op dat op dit vlak nog ruimte voor verbetering aanwezig is. Dit geldt allereerst voor wat betreft het maken van afspraken tussen sociale diensten enerzijds en nutsbedrijven, verhuurders e.d. anderzijds. Het tijdig signaleren van betalingsachterstanden is van groot belang om erger te voorkomen. Dergelijke afspraken kunnen bovendien bijdragen tot een gecoördineerde aanpak van schuldsituaties. In het kader van het periodiek heronderzoek bestaat eveneens een gelegenheid om eventuele problemen in verband met schulden te signaleren. Ook de voorlichting is, zo blijkt uit de gegevens, in het algemeen voor verbetering vatbaar. Wat betreft budgetteringshulp zijn veel gemeenten actief; in een deel van de gemeenten ontbreekt echter deze vorm van hulpverlening (zij het door de g.s.d., zij het door het a.m.w. of een andere instantie). Diverse sociale diensten passen bij de budgetteringshulp een vorm van (gedeeltelijk) inkomensbeheer toe. Dit gebeurt veelal met vrijwillige medewerking van de cliënten. Als de gedragingen van cliënten daartoe aanleiding geven, kunnen ook inhoudingen op de uitkering worden gedaan voor rechtstreekse betalingen door de sociale dienst. Dit ter voorkoming van (nieuwe) schulden.

  • Slotopmerking

Zoals ik in de inleiding reeds heb opgemerkt acht ik een uitgebreider onderzoek naar de omvang en achtergronden van de schuldenproblematiek gewenst. In afwachting daarvan en gelet op het indicatieve karakter van de verkregen resultaten, wil ik thans nog geen definitieve conclusies ten aanzien van deze problematiek formuleren. De gegevens uit deze inventarisatie zullen bij het nadere schuldenonderzoek worden betrokken.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf 1 «Wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering (aflossing van leenbijstand) alsmede hulpverlening door sociale diensten bij schuldsituaties», circulaire dd. 23 april 1982 van de Minister van CRM.

BIJLAGE

Resultaten inventarisatie schuldenproblematiek De navolgende overzichten berusten op gegevens die door in totaal 61 gemeenten zijn verstrekt. De betreffende gemeenten zijn verkregen door middel van een aselecte steekproef, waarbij een verdeling naar vier gemeenteklassen is aangehouden: 41 gemeenten in de categorie beneden 50000 inwoners; 10 gemeenten in de categorie van 50000 -100000 inwoners; 6 gemeenten in de categorie van 100 000-200000 inwoners; 4 gemeenten in de categorie boven 20000 0 inwoners.

Er is gelet op een redelijke verdeling over de provincies en over verschillende gemeenteklasen. In dit opzicht geven de cijfers ook enig beeld van de landelijke situatie. Aan de gegevens mag echter een niet grotere betekenis worden toegekend, dan op grond daarvan een indruk kan worden gevormd van de wijze, waarop gemeenten met de schuldenproblematiek worden geconfronteerd. De aard en opzet van de inventarisatie brengt beperkingen met zich. Een deel van de door gemeenten verstrekte gegevens berust op schattingen. Bovendien worden de gegevens over schulden niet door alle betrokken gemeenten op gelijke wijze geregistreerd en konden geringe interpretatieverschillen niet geheel worden uitgesloten. Niettemin bieden de cijfers een indicatie omtrent de feitelijke situatie in de onderzochte periode. In de tabellen is steeds vermeld op hoeveel gemeenten de cijfers betrekking hebben, aangezien het aantal gemeenten dat de gevraagde gegevens kon leveren per onderdeel verschilt. Met nadruk moet er in dit verband op worden gewezen dat de tabellen onderling niet vergelijkbaar zijn. Achtereenvolgens zullen worden weergegeven: 1. kwantitatieve gegevens over het jaar 1983 betreffende de omvang en aard van schulden; 2. kwantitatieve gegevens ter vergelijking van de situatie in 1982 en 1983; 3. kwalitatieve gegevens die een beeld geven van het door gemeenten gevoerde beleid ten aanzien van schuldsituaties. Deze gegevens betreffen in principe de stand van zaken in de eerste helft van 1984.

Kwantitatieve gegevens over 1983

Allereerst is getracht vast te stellen in welke mate het voorkomt dat mensen zich vanwege schulden tot de gemeentelijke sociale dienst, resp. de afdeling sociale zaken van de gemeentesecretarie, wenden.

1.1. Met hoeveel schuldgevallen kreeg de sociale dienst in 1983 in totaal te maken?

Gemeenteklasse

Aantal gemeenten

Aantal schuldgev allen Gemiddeld per gemeente < 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

42 8 4 3

1 214 2 298 1 916 4 795

29287 480 1600

Totaal

10223

In het algemeen geven deze cijfers het aantal gevallen weer waarin sprake was van een concrete bijstandsaanvraag vanwege schulden. Ze bevatten derhalve ook gevallen waarin op het verzoek om bijstand afwijzend werd beslist. Het aantal afwijzingen kan sterk uiteenlopen, ongeveer van de helft tot driekwart. Hierbij spelen zowel het gemeentelijke beleid, als de aard van de schuld een belangrijke rol. Een deel van de gemeente registreert alleen die gevallen waarin daadwerkelijk bijstand wordt verleend en heeft

derhalve de afwijzingen niet vermeld. Het afwijzen van het verzoek om bijstand hoeft niet te betekenen dat de g.s.d. dan ook geen schuldbemiddeling verleent. Gevallen waarin uitsluitend sprake was van verwijzing, zonder dat de g.s.d. tot feitelijke dienstverlening overging, zijn als regel niet in de cijfers begrepen, aangezien dan doorgaans geen registratie door de diensten plaatsvindt.

1.2. Wat is bij deze schuldgevallen (als aangegeven in tabel 1.1.) ongeveer de gemiddelde omvang van de schuld per geval?

Gemeenteklasse

Gemiddelde omvang

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

f4858 f4777 f2040 f2535

42 7 3 2

Totaal

Opmerkelijk is dat het gemiddeld schuldbedrag lager ligt naarmate de gemeente groter is. In kleine gemeenten gaat het veelal om zeer incidentele gevallen, waarbij dan echter de schuld relatief hoog is. In grotere gemeenten daarentegen overheersen de betaalachterstanden voor huur, energie en ziekenfonds, waarbij het naar verhouding om lagere bedragen gaat. In het algemeen kunnen schuldbedragen sterk uiteenlopen, van enkele honderden tot tienduizenden guldens. De vraag welk percentage van het cliëntenbestand schulden heeft kon in het algemeen niet door de gemeenten worden beantwoord. Dit zou een diepgaand inzicht vergen in de algehele financiële situatie van het totale cliëntenbestand. Wel kunnen de in tabel 1.1. opgenomen aantallen worden uitgedrukt als percentage van het aantal inwoners in de betreffende gemeenten. (Onder degenen die zich vanwege schulden tot de g.s.d. wenden bevinden zich immers zowel cliënten als niet-cliënten.) 1.3. Aantal schuldgevallen per gemeente (als in tabel 1.1.) als percentage van het aantal inwoners.

Gemeenteklasse

Gemiddelde Hoogste score

Laagste score

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

0,22% 0,44% 0,35% 0,32%

1,0% 1,1 % 0,6% 0,7%

0% 0,14% 0,16% 0,03%

40 8 4 3

Totaal

Gemiddeld varieert het aantal schuldgevallen dat leidt tot een bijstandsaanvraag dus afhankelijk van de gemeentegrootte van 2 tot 4 per 1000 inwoners.

1.4. In hoeveel gevallen had het totale schuldbedrag per geval een omvang die lag tussen:

Gemeenteklasse

0-

1000-2000-

3000-> 4000 1000

2000

3000

4000

< 50 000 inw.

(36)

f 211

124

104

442 50 000-100 000 inw. ( 4)

432

344

181

143

289 100 000-200 000 inw. ( 3)

166

254

224

192 > 200 000 inw.

( 2)

161

190

190

218

240

Totaal -4264

(45)

970

912

680

539

1163 In % van het totaal

23%

21%

16ri

13%

27%

( ) = aantal gemeenten

1.5. In hoeveel gevallen kan aflossing van het schuldbedrag in betrekkelijk korte tijd (binnen 1 jaar) worden gerealiseerd?

Gnmeenteklasse

Totaal

Aflossing

In % van

Aantal schuldgevallen

binnen 1 jaar

het totaal

gemeenten

< 50 000 inw.

931

177

19%

38 50 000-100 000 inw.

1388

457

33%

4 100 000-200 000 inw.

1030

261

25%

3 > 200 000 inw.'

-

-

_

-

Totaal

3349

895

26%

1 Geen bruikbare gegevens.

In het algemeen kan dus ongeveer een kwart van de schulden binnen een jaar worden afgelost. Dit cijfer ligt dus dicht bij het deel van de schulden dat minder dan f 1 000 bedroeg (23% zie tabel 1.4.) Overigens lopen ook hier de cijfers en meningen nogal uiteen. Sommige gemeenten hebben de indruk, zonder deze met cijfers te kunnen staven, dat aflossing binnen een jaar slechts zelden mogelijk is. Slechts zelden blijken de schuldgevallen tot een faillissement te leiden (zelfstandigen buiten beschouwing gelaten). Over een aantal van 2 850 schuldgevallen kwamen in 1983 in de betrokken gemeenten 21 faillissementen voor (= minder dan 1 %), waarvan 5 op aanvraag van de schuldenaar. Daarnaast waren er 29 schuldgevallen die een eerder failliet verklaard persoon betroffen.

1.6. Waarop hadden de schulden betrekking?

Gemeenteklasse

Betaalachterstanden

Leningen

Overige

huur

energie

ziekenfonds

hypotheek perslening

rood staan bank/giro

onbetaalde rekeningen

< 50 000 inw. 50 000-100 000 100 000-200 000 nw. nw.

(37) ( 6) ( 3)

566 731 268

607 821 271

50 147 118

47495

484 259 64

462 256 48

478 387 82

Totaal In % van totaal

(46)

1565 25%

1699 27,5%

315 5%

101 2%

807 13%

766 12,5%

947 15%

Aantal gemeenten

Huur

Energie

Ziekenfonds

Overig

> 200 000 inw.

( 2) %

1182 28% 1808 42%

398 9%

887 21%

) = aantal gemeenten

Tussen haakjes is het aantal gemeenten aangegeven. De gemeenten boven 200 000 inwoners zijn afzonderlijk vermeld omdat hiervan slechts een deel van de gegevens bekend is.

1.7. Met hoeveel gevallen van uithuiszetting kreeg de dienst in 1983 te maken?

Gemeenteklasse

Aantal gemeenten

Aantal gevallen

Gemiddeld per gemeente

< 50 000 inw.

1 a2 50 000-100 000 inw.

211

35100 000-200 000 inw.

263

87 > 200 000 inw.

156

156

Totaal

743

1.8. Met hoeveel gevallen van afsluiting van energielevering kreeg de dienst in 1983 te maken?

Gemeenteklasse

Aantal gemeenten

Aantal gevallen

Gemiddeld per gemeente

< 50 000 inw.

250

6 50 000-100 000 inw.

235

39100 000-200 000 inw.

395

197 > 200 000 inw.

1984

661

Totaal

2864

In feite gaat het in bovengenoemde aantallen in het merendeel om dreigende uithuiszetting en dreigende afsluiting. Over het algemeen geven de gemeenten aan dat het er relatief zelden toe komt dat deze maatregelen ook daadwerkelijk moeten worden uitgevoerd, omdat meestal voordien een regeling kan worden getroffen. Hierbij moet worden aangetekend dat de gegevens in de tabel alleen de gevallen betreffen waarmee de g.s.d. te maken kreeg en derhalve geen betrekking hebben op het totaal aantal afsluitingen. Voor wat de bijstandsverlening in dergelijke gevallen betreft kan worden verwezen naar tabellen 2.15. en 2.16.

1.9. Waarin was (in de gevallen uit tabel 1.1.) de oorzaak voor het ontstaan van de schuld gelegen? (%)

Gemeenteklasse

Wegval -Terugval Gestegen Slecht «Niet met geld len kostin in-

woon-

betaal-

kunnen omwinner komen lasten

gedrag

gaan» vnl. scheiding)

14%

30%

24%

8%

23% 11%

24%

22%

2%

38% 19%

20%

33%

1%

28%

< 50 000 inw.

(34) 50 000-100 000 inw. ( 3) 100 000-200 000 inw. ( 2) > 200 000 inw.

( 0)

Totaal

(40)

15%

25%

26%

4%

30%

( ) = aantal gemeenten

Ter relativering van deze cijfers moet worden aangetekend dat deze categorisering van oorzaken zeer globaal is; in feite lopen deze in elkaar over. De verdeling is naar opgave van de gemeenten, die deels berust op schattingen. De grote gemeenten konden de betreffende vraag moeilijk of geheel niet beantwoorden.

  • Kwalitatieve gegevens

In de gesprekken met gemeenten zijn vragen aan de orde gesteld die betrekking hebben op het functioneren van de hulpverlening in verband met schulden en op het beleid ten aanzien daarvan op lokaal en regionaal niveau. De beantwoording hiervan is in deze paragraaf gesystematiseerd weergegeven. Een en ander biedt een beeld van de stand van zaken in de eerste helft van 1984. Ter verduidelijking zij erop gewezen dat de hierna vermelde cijfers aantallen gemeenten betreffen en niet, zoals in par. 1, aantallen schuldgevallen.

2.1. Wijze van hulpverlening: Wat doet de sociale dienst als zich iemand meldt met schuldproblemen?

Totaal

Gemeenteklasse

cat. 1

cat.2

cat. 3

cat. 4 inwoners x 1000

«50)

(50-100)

(100-200)

0200)

  • De cliënt wordt altijd doorverwezen; de dienst verleent zelf geen hulp

7 b. De cliënt wordt altijd doorverwezen, maar als de andere instanties geen hulp verlenen, verleent de dienst hulp

14 c. Sommigen worden doorverwezen; anderen worden door de dienst zelf geholpen

35 d. De dienst helpt iedereen die zich bij de dienst meldt

Totaal aantal gemeenten

2.2. Hoe is de samenwerking met de gemeentelijke of volkskredietbank?

Gemeenteklasse

Goed

Matig

Niet goed

Niet aangesloten/ geen samenw.

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

16 5 5 3

8311

7100

10 1 0 0

41 10 6 4

Totaal

2.3. Zijn er samenwerkingsafspraken gemaakt met de gemeentelijke of volkskredietbank?

Gemeenteklasse

Ja

In beperkte mate

Nee

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

6352

2002

28 4 1 0

36 7 6 4

Totaal

In ongeveer 70% van de betrokken gemeenten was sprake van een goede of matige samenwerking met een gemeentelijke of volkskredietbank (g.k.b.); in 30% was er geen of geen goede samenwerking. Dit bleek met name het geval in 40% van de gemeenten onder 50000 inwoners.

Enkele gemeenten uit deze klasse wezen erop dat de behoefte aan aansluiting bij of samenwerking met een kredietbank gering is, aangezien men slechts zeer incidenteel met schuldgevallen wordt geconfronteerd. Het al of niet bestaan van afspraken (tabel 2.3.) vormt een indicatie voor de mate van samenwerking. Niettemin bleek in diverse gemeenten een redelijk goede samenwerking tussen sociale dienst en g.k.b. te bestaan, zonder dat daartoe formeel afspraken waren gemaakt. In een aantal gemeenten bleek overleg gaande om tot een betere samenwerking te komen.

2.4. Hoe worden de mogelijkheden van de gemeentelijke of volkskredietbank tot hulpverlening bij schuldsituaties beoordeeld?

Gemeenteklasse

Voldoende

Beperkt/niet voldoende

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

10 5 4 2

22 5 2 1

32 10 6 3

Totaal

Bijna 60% van de gemeenten acht de mogelijkheden tot hulpverlening die de g.k.b. bij schuldsituaties kan bieden niet toereikend. De volgende beperkingen in de dienstverlening door de kredietbanken werden verscheidene malen door gemeenten genoemd: -De g.k.b. gaat bij de kredietverlening niet verder dan een bepaald maximum, uitgaande van een maximale aflossingstermijn van 3 jaar. Voor cliënten op bijstandsniveau betekent dat een totaal kredietbedrag van ten hoogste 36 maal de aflossingsruimte in de bijstandsnorm (f91 per maand voor een gezin en f82 voor een alleenstaande). Dit resulteert in een maximaal kredietbedrag van f3270 (gezin), resp. f2950 (alleenstaande). Sommige kredietbanken hanteren echter strengere draagkrachtcriteria, leidend tot beduidend lagere bedragen dan de genoemde. In sommige gevallen wordt het merendeel van de bijstandscliënten terug verwezen naar de sociale dienst. -De g.k.b. stelt soms als voorwaarde voor kredietverlening dat de g.s.d. -geheel of gedeeltelijk -borg staat. -Er zijn cliënten die door de g.k.b. onvoldoende kredietwaardig worden geacht en die derhalve niet worden geholpen. Dit kan zich ook voordoen bij

cliënten met een gebleken slecht betaalgedrag. Overigens zijn er geen bepaalde categorieën aanwijsbaar die bij de kredietbanken systematisch uit de boot vallen. -Sommige g.k.b.-en beperken zich tot het verstrekken van kredieten en doen weinig aan immateriële hulpverlening, zoals met name budgetteringshulp. -In enkele gevallen is de klacht dat er geen g.k.b. in de regio aanwezig is, c.q. dat de afstand tot de dichtstbijzijnde g.k.b. te groot is.

2.5. Hoe is de samenwerking met het algemeen maatschappelijk werk bij schuldsituaties?

Gemeenteklasse

Goed

Matig

Niet goed/ geen samenw.

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

27 4 3 2

7211

6421

40 10 6 4

Totaal

Overwegend bestaat er blijkens deze gegevens een redelijk bevredigende samenwerking met het algemeen maatschappelijk werk (a.m.w.) bij schuldsituaties. Vooral op het vlak van budgetadvies en budgethulp vervult het a.m.w. in veel gemeenten een taak; schuldbemiddeling door het a.m.w. komt sporadisch voor. In de gevallen dat men niet tevreden is over de samenwerking met het a.m.w. signaleert men een gebrek aan belangstelling van het a.m.w. voor definanciële problematiek van cliënten dan wel onvoldoende deskundigheid. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer het lokale a.m.w. zich vrijwel uitsluitend richt op relatieproblemen. In sommige gemeenten is er geen a.m.w. of wordt deze hulp niet door het a.m.w. geboden. In meer dan de helft van de gemeenten zijn er geen concrete afspraken gemaakt tussen a.m.w. en g.s.d. ten aanzien van schuldgevallen. Het ontbreken van afspraken betekent echter zeker niet in alle gevallen dat er van samenwerking in het geheel geen sprake kan zijn. Ongeveer een kwart van de betrokken gemeenten geeft aan een nadere taakafbakening tussen g.s.d., a.m.w. en kredietbank wenselijk te achter,.

2.6. Geeft de sociale dienst bijzondere voorlichting (in ruime zin) over hulpverleningsmogelijkheden in schuldsituaties?

Gemeenteklasse

Ja

In beperkte mate/alleen ad hoc

Neen

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

2312

29 4 5 1

8301

39 10 6 4

Totaal

De meeste sociale diensten geven alleen op ad hoebasis voorlichting aan cliënten die zich met schulden tot de dienst wenden. De grote meerderheid van de diensten verleent zonodig eveneens bemiddeling tussen cliënt en hulpverlenende instantie.

2.7. Wordt door de sociale dienst budgetadvies c.q. budgetteringshulp gegeven?

Gemeenteklasse

Ja

In beperkte mate

Neen

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

17 4 2 1

6220

17 4 2 3

40 10 6 4

Totaal

Een kleine meerderheid van de betrokken gemeenten bleek in meerdere of mindere mate actief te zijn op het vlak van budgettering. Van de 26 gemeenten die de vraag met neen hebben beantwoord zijn er tenminste 8 die voor budgetteringshulp gericht verwijzen, meestal naar het a.m.w. Bij een groot aantal sociale diensten gaat budgetteringshulp gepaard met of krijgt de vorm van inkomensbeheer, waarbij met de cliënt de afspraak wordt gemaakt dat bepaalde periodiek te betalen lasten, zoals huur, energie, ziekenfondspremie en aflossingsbedragen, door de g.s.d. worden ingehouden op de uitkering en rechtstreeks overgemaakt naar de betreffende leverancier of schuldeiser. Zeker 21 -veelal grotere -gemeenten maken melding van een dergelijke vorm van (gedeeltelijk) inkomensbeheer.

2.8. Gaat de sociale dienst in het kader van de hulpverlening bij schulden over tot borgstelling?

Gemeenteklasse

Ja

Ine denteel Neen

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

7321

10 3 2 1

22 4 2 1

39 10 6 3

Totaal

Het aantal gemeenten dat, al dan niet incidenteel, borgstelling verleent en het aantal dat dit niet doet, houden elkaar in evenwicht. De meeste gevallen van borgstelling betreffen de g.k.b., die dit vaak als voorwaarde stelt alvorens tot het verstrekken van een saneringskrediet over te gaan. Een 18-tal gemeenten geeft aan dat een dergelijke praktijk gebruikelijk is.

2.9. Doet de sociale dienst aan schuldbemiddeling?

Gemeenteklasse

Ja

Beperkt/ incidenteel Neen

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

24 10 4 1

10 0 2 1

6001

40 10 6 3

Totaal

Schuldbemiddeling: het bemiddelen tussen schuldenaren en schuldeisers bij de totstandkoming van een afbetalingsregeling zonder zelf krediet te verlenen.

2.10. Doet de sociale dienst aan schuldsanering?

Gemeenteklasse

Ja

Bepe incid 'kt/ ?nteel Neen

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

7562

16 4 0 0

12 1 0 1

35 10 6 3

Totaal

Doorgaans wordt onder schuldsanering vertaan: Het overnemen van een schuldenpakket (aan meerdere schuldeisers) door het verstrekken van een saneringskrediet. Uit de door gemeenten verstrekte gegevens blijkt dat door een deel van de sociale diensten op enige schaal schulden van cliënten worden overgenomen door het verlenen van z.g. «verhaalbare bijstand», d.w.z. bijstand die op de betrokkene zelf wordt verhaald. Ondanks het feit dat het hier geen kredietverlening betreft en het deels gaat om enkelvoudige schulden, kan in dit geval in feite toch worden gesproken van een vorm van schuldsanering; in tabel 2.10 is deze praktijk dan ook als zodanig aangemerkt. Wanneer een gemeente de betreffende vraag met neen beantwoordt of aangeeft slechts incidenteel tot schuldsanering over te gaan wijst dit niet altijd op een bewuste keuze, maar kan ook een gevolg zijn van het feit dat de dienst niet of slechts zelden met saneringsgevallen wordt geconfronteerd.

2.11. Heeft de dienst een of meer gespecialiseerde medewerkers voor de aanpak van schuldsituaties?

Gemeenteklasse

Ja

Neen

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

11 4 2 2

19 6 3 2

30 10 5 4

Totaal

Bedoelde specialisatie behoeft niet in te houden dat de betrokken ambtenaar zich uitsluitend met schuldsituaties bezig houdt. Het kan ook ambtenaren betreffen die een budgetteringscursus van het NIBUD hebben gevolgd. Bij een tweetal grote gemeenten is een g.s.d.-ambtenaar gedetacheerd bij het GEB in verband met de aanpak van energieschulden.

2.12. Zijn er afspraken gemaakt met energiebedrijven omtrent schuldsituaties?

Gemeenteklasse

Ja

Neen

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

16 9 5 2

25 1 1 1

41 10 6 3

Totaal

2.13. Verwijzen energiebedrijven cliënten zonodig (tijdig) naar de g.s.d. en/of andere hulpverlenende instanties?

Gemeenteklasse

Ja

Beperkt/ incidenteel Neen

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

22 8 5 2

2110

8100

32 10 6 2

Totaal

In de gemeenten met meer dan 50000 inwoners zijn er doorgaans afspraken met energiebedrijven gemaakt en vindt zonodig verwijzing door deze bedrijven naar hulpverlenende instanties plaats bij betalingsachterstand. In de kleinere gemeenten zijn dergelijke afspraken vaak niet gemaakt, maar vindt de genoemde verwijzing in de meeste gevallen toch plaats. Enkele voorbeelden van afspraken met energiebedrijven: -Zodra er een betalingsachterstand is ontstaan van 1 of 2 maanden verwijst het energiebedrijf de cliënt naar de g.s.d. Sommige gemeenten hebben hiermee slechte ervaringen opgedaan («de g.s.d. gaat fungeren als incassobureau van het GEB») en geven daarom de voorkeur aan de volgende afspraak: -Het energiebedrijf tracht eerst zelf een betalingsregeling met de cliënt te treffen. Pas wanneer dit niet lukt wordt de g.s.d. ingeschakeld. Cliënten die zich met achterstand rechtstreeks bij de g.s.d. melden worden van daaruit in eerste instantie verwezen naar het energiebedrijf voor het treffen van een regeling. -Het energiebedrijf verbetert de spreiding van de betaling en zorgt voor tijdige toezending van nota's en eventuele aanmaningen. -Bij dreigende afsluiting stelt het energiebedrijf vooraf de g.s.d. in kennis. -Het energiebedrijf meldt betalingsachterstanden aan de g.s.d. -De g.s.d. houdt maandbedragen in op de uitkering en maakt deze rechtstreeks over aan het energiebedrijf. -Een g.s.d.-ambtenaar is bij het GEB gedetacheerd en vervult een signalerende en bemiddelende rol. Deze constructie bestaat in twee grote gemeenten. Sommige gemeenten maken melding van een te grote starheid bij energiebedrijven als het gaat om medewerking aan betalingsregelingen en/of een te geringe alertheid bij het tijdig signaleren van achterstanden.

2.14. Zijn er afspraken gemaakt met woningbouwcorporaties, e.d. om het oplopen van betalingsachterstanden tegen te gaan?

Gemeenteklasse

Ja

Beperkt

Neen

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

19 8 0 2

7020

13 2 3 2

39 10 5 4

Totaal

De grote gemeenten scoren hier lager dan bij de afspraken met energiebedrijven (tabel 2.12). Dit houdt mogelijk verband met het grotere aantal woningbouwcorporaties e.d. waartoe afspraken zich zouden moeten

uitstrekken. Onder de noemer «beperkt» (kolom 2) zijn zowel opgenomen informele afspraken die redelijk functioneren, als afspraken die slechts betrekking hebben op een beperkt deel van de woningbouwcorporaties e.d. De gemaakte afspraken betreffen o.a. het doorgeven van huurachterstanden aan de g.s.d., het vooraf melden van dreigende huisuitzetting, het treffen van betalingsregelingen door verhuurders en het inhouden van de huur door de g.s.d. op de uitkering.

2.15. Hoe vaak komt het voor dat bijstand wordt verleend in geval van (dreigende) huisuitzetting?

Gemeenteklasse

Zelden of nooit

Enkele gevallen per jaar « 10)

Regelmatig

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

27 3 1 0

5201

0311

32 8 2 2

Totaal

2.16. Hoe vaak komt het voor dat bijstand wordt (dreigende) afsluiting van energielevering?

verleend in geval van

Gemeenteklasse

Zelden of nooit

Enkele gevallen per jaar «10)

Regel • matig

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

22 2 1 0

5101

2311

29 6 2 2

Totaal

Iets meer dan 10% van de betrokken gemeenten geeft aan dat met enige regelmaat (d.w.z. 1 a 2 maal per week) bijstand wordt verleend in verband met (dreigende) uithuiszetting; bij (dreigende) afsluiting van energielevering is dat 18%. In de overige gemeenten komt dit slechts incidenteel of geheel niet voor. In tabel 2.15. en 2.16. komt niet tot uitdrukking dat vrij veel sociale diensten bij het ontstaan van achterstanden ten aanzien van huur-en/of energiebetaling reeds spoedig maatregelen nemen, nog voordat de dreiging van uitzetting of afsluiting zich voordoet. Er wordt dan soms bijstand verleend die later op de betrokkene wordt verhaald («verhaalbare bijstand»), dan wel er wordt een voorschot op de uitkering verstrekt. Op basis van de gegevens kan het aantal gemeenten waarin deze praktijk wordt gevolgd worden geschat op eenderde In ongeveer de helft van de onderzochte gemeenten bestaan er incidentele contacten met commerciële banken in het kader van schuldsanering. In kleine gemeenten blijkt de lokale bank vaak de eerst aangewezen instantie om tot schuldsanering te komen. Ongeveer 30% van de betrokken gemeenten acht het gewenst dat de sociale dienst zonodig gebruik kan maken van de gegevens van het Bureau Krediet Registratie (BKR). Belangrijkste reden hiertoe is dan men de ervaring heeft dat soms een cliënt aan wie de dienst wegens schulden hulp verleent niet al diens financiële verplichtingen aangeeft. Er is echter een in omvang vergelijkbare groep (22 gemeenten) die toegang tot het BKR niet nodig of niet gewenst acht, onder meer uit privacyoverwegingen.

Een deel van de gemeenten geeft aan dat, indien noodzakelijk, de mogelijkheid bestaat om indirect, via kredietverlenende instellingen, de benodigde gegevens te verkrijgen. In ruime meerderheid (75%) constateren de gemeenten dat mensen zich in geval van een schuldenprobleem vaak laat melden. In het algemeen blijkt het tijdig signaleren van schulden een probleem te vormen; slechts een betrekkelijk gering aantal gemeenten is echt tevreden over de werking van signaleringsafspraken met nutsbedrijven en verhuurders. Ongeveer 80% van de onderzochte gemeenten acht de bereidheid van schuldeisers om aan een schuldregeling mee te werken voldoende. Een deel van de gemeenten heeft de ervaring dat de bereidheid nogal varieert. Met name nutsbedrijven, woningbouwverenigingen, bedrijfsverenigingen, ziekenfondsen en belastingdienst geven naar de mening van een aantal gemeenten nogal eens blijk van een starre houding. Vooral postorderbedrijven blijken daarentegen doorgaans een grote mate van souplesse aan de dag te leggen. Bij 70% van de gemeenten bestaat de ervaring dat degenen met schulden in het algemeen voldoende bereidheid tonen tot medewerking aan een schuldregeling, niet in de laatste plaats doordat de moeilijke situatie waarin zij verkeren daartoe aanleiding geeft. Bij overige gemeenten overheerst de opvatting dat de bereidheid nogal uiteenloopt en soms beperkt is. Een voorzichtige schatting kan zijn dat in het algemeen in 10 a 20% van de schuldgevallen waarmee sociale diensten worden geconfronteerd sprake is van onvoldoende medewerking en/of recidive. In een van de grote gemeenten ligt dit zelfs blijkens een eigen gemeentelijk onderzoek in de orde van 30 è 40%.

2.17. In welke mate komt herhaling van problemen met schulden voor?

Gemeenteklassfi

In ruime mate

Soms

Zelden of nooit

Aantal gemeenten

< 50 000 inw. 50 000-100 000 inw. 100 000-200 000 inw. > 200 000 inw.

13 1 0 1

10 2 3 2

6000

29 3 3 3

Totaal

Het algemene beeld is dat van schuldregeling soms wel en soms niet een preventieve werking uitgaat. In overgrote meerderheid hanteren gemeenten de regel dat, indien een cliënt zich bij schuldregeling duidelijk niet aan de afspraken houdt of nodeloos herhaling van de problemen optreedt, de hulpverlening wordt beëindigd. Volledige medewerking wordt doorgaans als voorwaarde vooraf gesteld. Vooral wanneer een schuldregeling zich over langere termijn uitstrekt is het soms moeilijk om de naleving daarvan in stand te houden. Ook blijkt wel dat, vooral nadat de ergste dreiging is weggenomen, bestedingsgedrag niet altijd voldoende te beïnvloeden is. Dit is een van de redenen waarom een aantal sociale diensten voor een deel van de cliënten rechtstreekse betalingen doet uit inhoudingen op de uitkering.

2.18. Zouden de huidige mogelijkheden tot bijstandsverlening in schuldsituaties uitbreiding behoeven?

Gemeenteklasse

Ja

Neen

Geen

Aantal afgeronde

gemeenten mening

< 50 000 inw.

34 50 000-100 000 inw.

9 100 000-200 000 inw.

6 > 200 000 inw.

Totaal

De voor-en tegenstanders van uitbreiding van de ABW-mogelijkheden houden elkaar in evenwicht. De voorstanders denken bij voorbeeld aan: -Bijstand a fonds perdu ter sanering van schulden, complementair op andere voorzieningen, of -het verstrekken van leenbijstand ter delding van schulden, die betrekking hebben op primaire levensbehoeften, moet worden mogelijk gemaakt, of -het verruimen van de mogelijkheden in de ABW om via de bijstand borg te staan in geval van schuldsanering.

De gemeenten die de vraag met nee beantwoorden overwegen daarbij onder andere dat de bestaande mogelijkheden tot schuldregeling toereikend zijn, dat de ABW gelet op de wettelijke uitgangspunten niet geschikt is als saneringsinstrument, dat de eigen verantwoordelijkheid voor eigen financieel handelen niet mag worden aangetast, dat van ruimere mogelijkheden tot schuldregeling via de bijstand een negatieve invloed zal uitgaan op het bestedings-en betaalgedrag. Een aantal van deze gemeenten merkt op dat uitbreiding van de mogelijkheden van de volkskredietbanken de voorkeur verdient.

••'•

•••<:*

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.