Brief van De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - Uitvoering van de Algemene Bijstandswet

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 15

De vroegere stukken zijn gedrukt in het vergaderjaar 1983-1984

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGE-LEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

'

's-Gravenhage, 1 oktober 1984

Als vervolg op mijn brief van 20 augustus 1984 (18123 nr. 14), geef ik u thans antwoord op enkele vragen die nog niet zijn beantwoord. Mevrouw Dales en de heer Willems hebben met betrekking tot de woningdelersnorm gevraagd naar de berekening van de schaalvoordelen. Bij die berekening zijn uitsluitend betrokken de woninghuur zelf en de overige kosten die met het bewonen van de woning verband houden. Ten aanzien van de woninghuur is van belang, dat zowel in de bijstandsnorm van een gezin als in die van een alleenstaande tenminste een bedrag voor woninghuur is begrepen ter hoogte van de huurlast die, blijkend uit de tabel van de individuele huursubsidie, bij een minimuminkomen passend geacht wordt en dus niet subsidiabel is. Dat bedrag was sinds 1 juli 1983 f 225,50 en is per 1 juli 1984 f 232. Het delen van een woning met die huurprijs door 2 bewoners zou dus een schaalvoordeel voor ieder van f116 opleveren. Doordat voor de huursubsidie inkomens van de bewoners worden opgeteld, wordt de woonlast in geval van bewoning door 2 personen met elk een bijstandsinkomen niet teruggebracht tot f 232 doch tot f 310. In die gevallen is het schaalvoordeel van f232 V» x f310 = f 77,-. Het schaalvoordeel van de woninghuur toont derhalve een spreiding van f77 tot f 116 per maand. De overige kosten die aan het wonen zijn verbonden bestaan uit gas-lichtmeubilaironroerend goedbelasting -reinigingsrecht e.d. -heffingen en huurdersonderhoud. Van deze kosten is aan de hand van gegevens uit het CBS-budgetonderzoek 1980 nagegaan, in hoeverre deze kosten schaalvoordelen opleveren. Het bedrag dat alleenstaanden blijken uit te geven, is vergeleken met het bedrag dat gehuwden zonder kinderen per hoofd voor dezelfde kosten uitgeven; beide bezien in de inkomensklasse van hun sociaal minimum.

Opgehoogd naar het prijsniveau februari 1984 geeft dit het volgende beeld:

alleenstaanden H echtpaar ve rschil

  • verwarming-verlichting-huurdersonderhoudmeubilairhuish. apparaten-50% van de post reiniging en h.h."dienstenheffingen

f f f f

f f 1890 545 776 440

23230 9

f f f f

f f 21501-87 654 350

10424 7

Totaal per jaar Per maand

f 4192

f 3063

f f 1129 94

De woningdelerskorting is bepaald op 10% van de bijstandsnorm van een echtpaar = f 152 per maand. Met bovenstaande gegevens, schaalvoordeel huur ten minste f77 en van overige kosten van de woning van f94, te zamenf 171, acht ik de keuze van de 10% lagere bijstandsnorm verantwoord. Mevrouw Dales heeft gevraagd om een nadere toelichting op het zesde lid van artikel 4 van de ontwerp-regeling. Hoe kunnen samenwonenden in een kraakpand meer schaalvoordelen hebben dan een alleenwonende in een kraakpand, was haar vraag. Het antwoord is dat bij een alleenwoner in een kraakpand geen sprake is van schaalvoordelen, doch alleen van het niet verschuldigd zijn van woonkosten. Bij woningdelers in een kraakpand is er daarnaast sprake van schaalvoordelen, namelijk ten aanzien van de overige aan het wonen verbonden vaste kosten. Mevrouw Dales heeft gevraagd, waarom bij aanwezigheid van één kostganger c.q. onderhuurder een in de regeling bepaald bedrag op de uitkering wordt gekort en bij meer dan één kostganger c.q. onderhuurder het College van Burgemeester en Wethouders per geval moet vaststellen welk gedeelte van het kostgeld c.q. de bruto-onderhuur wordt aangemerkt als netto-inkomsten die op de uitkering worden ingekort. Uit de huidige regeling dienen Burgemeester en Wethouders bij drie of meer kostgangers of kamerhuurders de situatie individueel te beoordelen, terwijl bij een of twee de korting is bepaald op een percentage van het kostgeld of de onderhuur, met een bepaald minimum. Vanuit gemeenten is aangedrongen op een eenvoudiger kortingsregeling in de vorm van een vast bedrag. Daaraan is tegemoet gekomen voor de verreweg meest voorkomende situatie van één kostganger of onderhuurder. In die gevallen acht ik een forfait wel verantwoord. Bij meer betalende inwonenden zou naar mijn mening een forfait zich te ver van de realiteit kunnen verwijderen. De heer Linschoten heeft gevraagd, wat de volledige woonkosten van een alleenstaande zijn. Hij merkte daarbij op dat 50% van de woonkosten in het ene geval niet minder behoeft te zijn dan 100% in een ander geval. Ik wijs naar aanleiding daarvan op artikel 4, tweede lid, van het ontwerp-algemene maatregel van bestuur, waarin is geregeld dat indien het in de 60%-norm van een woningdeler nog begrepen bedrag voor huur niet toereikend is om het verschuldigde huuraandeel te voldoen, de 60%-norm kan worden verhoogd met maximaal f75. Enkele commissieleden (Dales, Wolters, Beckers) hebben gevraagd hoe de maatregel is te rijmen met het dereguleringsstreven van het kabinet. Deregulering is geen doel op zichzelf. Het dereguleringsstreven houdt in dat getracht wordt de overheidsdoelstellingen met zo weinig en zo eenvoudig mogelijke regels te bereiken. Het voeren van een verantwoord beleid dient derhalve voorop te staan. Hier gaat het om een consequenter en rechtvaardiger uitwerking van bestaande regelgeving ten aanzien van bijstandsverlening in de noodzakelijke bestaanskosten. Deze uitwerking betekent tevens een doelmatiger besteding van overheidsmiddelen.

Afzien van deze consequentere uitwerking zou betekenen handhaving van de bestaande rechtsongelijkheid, gezien de verschillende invulling die gemeenten in de praktijk eraan geven. Daarnaast komt de maatregel tegemoet aan het streven naar doelmatige besteding van middelen. In mijn betoog heb ik gewezen op de overeenkomst in de principes, die ten grondslag liggen aan de onlangs in de loon-en inkomstenbelasting en in de individuele huursubsidie getroffen maatregelen en die, welke aan de orde zijn bij deze voorgenomen maatregel in de bijstand. Enkele commissieleden, met name de heer Linschoten, hebben dit nader aan de orde gesteld. In de nieuwe belastingwetgeving wordt een alleenstaandentoeslag op de algemene belastingvrije som toegekend wegens het subjectieve draagkrachtverschil, veroorzaakt door het voor zich alleen voeren van een huishouding. Met de alleenstaandentoeslag wordt beoogd rekening te houden met het gemis van schaalvoordelen doordat men geheel alleen voor eigen rekening voorziet in huisvesting en/of voeding. Vereiste is dat anderen daarin niet participeren door een gezamenlijke voorziening. Van zulk een participatie is geen sprake als deze buiten de relatiesfeer plaatsvindt op zuiver commerciële basis in het economisch verkeer. In geval meer personen gebruik maken van een wooneenheid, zal slechts dan geen sprake zijn van een gezamenlijke huishouding indien tussen de samenwoners een op zuiver commerciële gronden stoelende betrekking bestaat. Dit laatste is het geval bij onderverhuur en het houden van kostgangers. Als er volgens de gegevens van de inspecteur op het woonadres van degene die aanspraak maakt op de alleenstaandentoeslag nog een andere persoon woonachtig is, zal de belastingplichtige aannemelijk moeten maken dat er sprake is van onderverhuur of kostgangerschap. De woonplaatsgegevens van een belastingplichtige zijn door middel van het bevolkingsregister aan de belastingdienst bekend. Dit ontleen ik aan de memories van toelichting en van antwoord bij de desbetreffende belastingwetgeving. Uit het vorenstaande blijkt mijns inziens dat, hoewel er verschil is in woordgebruik, materieel van dezelfde omstandigheden wordt uitgegaan. Ook in de huursubsidie, die beoogt de huurlast aan te passen aan de draagkracht, wordt door optelling van inkomens van degenen die niet op commerciële basis in de woning gevestigd zijn, rekening gehouden met de daardoor verhoogde draagkracht. Bij zuiver commerciële verhoudingen wordt, zowel bij de fiscus als bij de huursubsidie als bij de bijstand, met de financiële effecten daarvan eveneens, zij het op andere wijze geregeld, rekening gehouden. De heer Linschoten heeft enkele vragen van algemeen juridische aard gesteld met betrekking tot deze regeling. Hem is niet duidelijk, waarom in de maatregel wordt uitgegaan van de familierechtelijke betrekkingen tussen ouders en inwonende kinderen en niet van de onderlinge zakenrechtelijke of verbintenisrechtelijke verhouding. Hij vraagt zich af of hiermee geen geweld wordt gedaan aan het Nederlandse rechtssysteem, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen personen-en familierecht, zakenrecht en verbintenissenrecht. Naar aanleiding hiervan merk ik op, dat van strijdigheid met ons rechtssysteem geen sprake is. De overheid is bij het verlenen van bijstand gebonden aan de uitgangspunten van de Algemene Bijstandswet. Een van de belangrijkste uitgangspunten is dat de bijstand moet voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Dat betekent dat de beoordeling van de noodzaak van de kosten waarin bijstand wordt gevraagd tot de taak van de gemeente behoort. Nu zijn er in ons rechtssysteem allerlei civielrechtelijke verhoudingen tussen partijen denkbaar, die invloed kunnen hebben op de financiële positie van de betrokken persoon. Hiermede behoeft de bijstand niet onder

alle omstandigheden rekening te houden. Voor de bijstand zijn slechts relevant de financiële verplichtingen die, gezien de wettelijke uitgangspunten, voor de betrokkene noodzakelijk geacht moeten worden. In dit verband is mede van belang, dat de wet uitgaat van de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene om in het bestaan te voorzien en dat de bijstand moet worden afgestemd op het betoonde besef van verantwoordelijkheid. In de relatie ouders/inwonende kinderen is het verantwoord van de maatschappelijke realiteit uit te gaan. Indien sprake is van gezamenlijk wonen behoren de woonlasten ook gezamenlijk te worden gedragen. De noodzaak, te aanvaarden dat de woonlasten slecht op één der partijen zouden moeten drukken c.q. dat onderlinge afspraken zouden moeten prevaleren, is uit bijstandsoogpunt niet aanwezig. Daarnaast is het ook in de praktijk zeer ongebruikelijk dat tussen deze familieleden op commerciële basis ten aanzien van de woonlasten afspraken worden gemaakt. Gezien het vorenstaande is het gerechtvaardigd, het gezamenlijk delen van de woonlasten in deze gevallen in de bijstandsnorm tot uitdrukking te brengen. Overigens wordt ook in de individuele huursubsidie geen rekening gehouden met eventuele afspraken tussen familieleden. Ten slotte wordt opgemerkt dat de voorgestelde maatregel niet inhoudt, dat mensen financieel afhankelijk worden van anderen met wie slechts een juridische relatie bestaat, zoals de heer Linschoten opmerkte. Uitgangspunt van de regeling is, dat door het delen van de woonlasten met een ander een besparing optreedt ten opzichte van degenen, die alleen een woning bewonen. Dit besparende effect wordt in de algemene zin in de bijstandsnorm tot uitdrukking gebracht. Indien sprake is van het betalen van een zakelijke huurprijs en dit ook kan worden aangetoond (kamerhuur, kostganger e.d.) zal de betrokkene niet als woningdeler worden aangemerkt. Van financiële afhankelijkheid of zorgplicht voor een ander kan hier niet worden gesproken, leder behoudt het recht op bijstand dat hem volgens de wet toekomt. Enige strijdigheid van de regeling met artikel 20, derde lid, van de Grondwet kan ik niet zien. Aan datartikel is uitwerking gegeven in de Algemene Bijstandswet. In verband met de beoogde voortzetting van het mondeling overleg doe ik u hierbij een bijgesteld ontwerp-besluit met nota van toelichting toekomen. Daarin is, mede naar aanleiding van tot nu toe ook in het mondeling overleg, gebleken onduidelijkheden, een aantal verduidelijkingen aangebracht. Deze zijn met een streep in de kantlijn aangegeven.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

Besluit van

houdende wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering en het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf van 1984, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Bijstandszaken, FBB/UB, nr. U ; Gelet op artikel 11 van de Algemene Bijstandswet; Gezien het advies van het College Algemene Bijstandswet van 30 mei 1984, kenmerk C.AB/10907/Bö/BM; Gezien het advies van de Emancipatieraad van 14 juni 1984, advies nr. 84; De Raad van State gehoord (advies van

1984, nr.

); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf, van 1984, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Bijstandszaken, FBB/UB, nr.

;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983,132)1 wordt gewijzigd als volgt:

A Aan artikel 3 wordt een derde lid toegevoegd, luidende; 3. Indien voor de woning die men bewoont geen woonkosten verschuldigd zijn wordt het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in het eerste lid, verlaagd met f 232 per maand.

B Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

  • De uitkering ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan voor een alleenstaande die te zamen met één of meer andere personen een woning bewoont bedraagt, behoudens het bepaalde in het vierde lid, a. voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder f 198,60 per week of f860,55 per maand; b. voor een alleenstaande van 22 jaar f 172,25 per week of f750,95 per maand; c. voor een alleenstaande van 21, 20, 19 en 18 jaar f 163,30 per week of f707,55 per maand. 2. Indien sprake is van het gezamenlijk met één of meer anderen huren van een woning en het evenredig deel in de woonkosten, verminderd met de aanspraak op huursubsidie, meer is dan f155 per maand wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd met dit verschil doch met niet meer dan f77. 3. De uitkering ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan voor een alleenstaande die alleen een woning bewoont bedraagt: ' Laatstelijk gewijzigd bij Koninklijk besluit
  • voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder f 233,75 per week of van 7 december 1983, Stb. 601.

f 1012,85 per maand;

  • voor een alleenstaande van 22 jaar f 204,20 per week of f 884,95 per maand; c. voor een alleenstaande van 21 jaar f 177,50 per week of f 769,20 per maand; d. vooreen alleenstaande van 20, 19 en 18 jaar f 163,30 per week of f707,55 per maand. 4. Het derde lid is eveneens van toepassing op: a. een alleenstaande die kostganger of onderhuurder is; b. een alleenstaande die uitsluitend te zamen met één of meer kostgam gers, onderhuurders, meerderjarige kinderen of minderjarige kinderen een woning bewoont. 5. Het van toepassing zijnde bedrag genoemd in het eerste en derde lid wordt verhoogd met het bedrag van de ten laste van betrokkene blijvende premie van vrijwillige verzekering dan wel bejaardenverzekering bij een ziekenfonds. 6. Indien voor de woning die men bewoont geen woonkosten verschuldigd zijn wordt het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in het eerste lid en het derde lid, onder b, c en d, verlaagd met f 155 per maand en het derde lid, onder a verlaagd met f 232 per maand.

C Artikel 10 komt te luiden:

Artikel 10

  • Op de uitkering bedoeld in § 1 wordt in mindering gebracht: a. bij het houden van één kostganger: f53,30 per week of f231 per maand; b. bij verhuur aan één onderhuurder: f35,15 per week of f 152,30 per maand; c. bij inwoning van één of meer meerderjarige kinderen of minderjarige, nietten laste komende, kinderen: f35,15 per week of f 152,30 per maand. 2. Bij meer dan één kostganger dan wel meer dan één onderhuurder wordt door burgemeester en wethouders per geval vastgesteld welk gedeelte van het kostgeld respectievelijk de bruto onderhuur wordt aangemerkt als netto-inkomsten die op de uitkering in mindering worden gebracht. 3. De in het eerste lid, onder c, bedoelde aftrek blijft achterwege indien er uitsluitend minderjarige kinderen inwonen die een bijstandsuitkering als thuisinwonende ontvangen.

D Ingevoegd wordt een nieuw artikel 10a, luidende:

Artikel 10a

Op de uitkering bedoeld in § 1 wordt, indien anders dan als kostganger(s) of onderhuurder(s) te zamen met een of meer andere personen een woning wordt bewoond en noch het eerste, tweede of vijfde lid van artikel 4 noch artikel 10 van toepassing is, in mindering gebracht f 35,15 per week of f 152,30 per maand.

E De aanhef van artikel 11a komt te luiden: Indien de ingevolge artikel 11 vrijgelaten inkomsten meer bedragen dan

F In artikel 19 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. In het eerste lid wordt «artikel 3, eerste lid, 4, eerste lid, onder a en d,» vervangen door: artikel 3, eerste en derde lid, 4, eerste lid, onder a en c, tweede lid, derde lid, onder a en d, zesde lid,. 2. In het eerste lid wordt na «10,» ingevoegd: 10a,. 3. In het tweede lid wordt «4, eerste lid, onder b en c,» vervangen door: 4, eerste lid, onder b, derde lid, onder b en c,.

ARTIKEL II

Het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria (Stb. 1980, 87)2 wordt gewijzigd als volgt:

  • Artikel 13, eerste lid, onder b, komt te luiden: b. een bedrag van f 1828 per jaar bij inwoning van één of meer meerderjarige kinderen of één of meer minderjarige, niet ten laste komende kinderen. 2. Artikel 13, tweede lid, komt te luiden: 2. De netto inkomsten uit het houden van één kostganger worden gesteld op f 2772 per jaar. 3. Artikel 13, derde lid, komt te luiden: 3. de netto inkomsten bij verhuur aan één onderhuurder worden gesteld op f 1828 per jaar. 4. Aan artikel 13 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende: 4. Bij meer dan één kostganger dan wel meer dan één onderhuurder wordt door burgemeester en wethouders per geval vastgesteld welk gedeelte van het kostgeld respectievelijk de bruto onderhuur wordt aangemerkt als netto inkomsten. 5. Aan artikel 13 wordt een vijfde lid toegevoegd, luidende: 5. Het in aanmerking nemen van het in het eerste lid, onder b, bedoelde bedrag blijft achterwege indien er uitsluitend minderjarige kinderen inwonen die een bijstandsuitkering als thuisinwonende ontvangen.
  • Artikel 14, tweede lid, komt te luiden: 2. Het in het eerste lid, onder a, bedoelde bedrag beloopt a. voor een echtpaar f 17362 per jaar; b. voor een één-ouder gezin f 15626 per jaar; c. voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder die te zamen met één of meer andere personen een woning bewoont f10326 per jaar; d. voor een alleenstaande van 22 jaar die te zamen met één of meer andere personen een woning bewoont f9011 per jaar; e. voor een alleenstaande van 21, 20, 19 en 18 jaar die te zamen met één of meer andere personen een woning bewoont f8490 per jaar; f. voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder die alleen een woning bewoont f 12154 per jaar; g. voor een alleenstaande van 22 jaar die alleen een woning bewoont f10619 per jaar; h. voor een alleenstaande van 21 jaar die alleen een woning bewoont f9230 per jaar; i. voor een alleenstaande van 20, 19 en 18 jaar die alleen een woning bewoont f 8490 per jaar. ' Laatstelijk gewijzigd bij Koninklijk besluit
  • In artikel 14, derde lid, wordt «wordt in het tweede lid, onder a, b en van 21 juni 1984, stb. 268.

c,» vervangen door: wordt in het tweede lid, onder a, b, c en f,.

  • Aan artikel 14 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende: 4. De bedragen genoemd in het tweede lid onder f, g, h en i zijn eveneens van toepassing op: a. een alleenstaande die kostganger of onderhuurder is; b. een alleenstaande die te zamen met één of meer kostgangers, onderhuurders, meerderjarige kinderen of minderjarige, nietten laste komende, kinderen een woning bewoont.

C In artikel 17, eerste en tweede lid, wordt «13, eerste lid, onder b, en tweede lid,» vervangen door: 13, eerste lid, onder b, tweede en derde lid,.

ARTIKEL III

  • Aan een alleenstaande van 23 jaar en ouder, een echtpaar of een één-ouder gezin die op 31 december 1984 bijstand ontvangen en door de invoering van artikel 4, eerste lid, of artikel 10a een lagere uitkering ontvangen wordt een toeslag verleend, zolang de omstandigheden van de betrokkene ongewijzigd blijven. 2. Aan een alleenstaande van 22 respectievelijk 21 jaar, die op 31 december 1984 bijstand ontvangt en door de invoering van artikel 4, eerste lid, een lagere uitkering ontvangt wordt uiterlijk tot het bereiken van een hoger leeftijdsjaar een toeslag verleend, zolang de omstandigheden van de betrokkene ongewijzigd blijven. 3. Dein het eersteen tweede lid genoemde toeslag is gelijk aan tweederde van het verschil tussen het op 31 december 1984 toegepaste en het op 1 januari 1985 geldende normbedrag. 4. Aan degene die op 31 december 1984 bijstand ontvangt en door het bepaalde in artikel 10, eerste lid, onder a en b, een lagere uitkering ontvangt wordt een toeslag verleend, zolang de omstandigheden van de betrokkene ongewijzigd blijven. De toeslag is gelijk aan tweederde van het verschil tussen de op 31 december 1984 in mindering gebrachte inkomsten en het op 1 januari 1985 op de uitkering in mindering te brengen bedrag. 5. Aan echtparen, één-ouder gezinnen en alleenstaanden die op 31 december 1984 bijstand ontvangen en door het bepaalde in artikel 10, eerste lid, onder c, een lagere uitkering ontvangen wordt een toeslag verleend, zolang de omstandigheden van gezin of persoon ongewijzigd blijven. De toeslag is gelijk aan tweederde van het verschil tussen de op 31 december 1984 op de uitkering in mindering gebrachte redelijke bijdrage van inwonende, niet in de gezinsbijstand begrepen, meerderjarige en minderjarige kinderen in de vaste gezinslasten en het op 1 januari 1985 op de uitkering in mindering te brengen bedrag. 6. De overeenkomstig het derde, vierde en vijfde lid berekende toeslag wordt, behoudens het bepaalde in het zevende en achtste lid, op 1 april 1985 verminderd met de helft en vervolgens beëindigd op 1 juli 1985. 7. Indien op 1 april 1985 een toeslag, als bedoeld in het eerste of vijfde lid, wordt verleend aan twee bijstandsgerechtigden die te zamen een woning bewonen wordt de toeslag van elk van hen eerst op 1 juli 1985 verminderd met de helft en beëindigd op 1 januari 1986.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1985.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

NOTA VAN TOELICHTING

  • Algemeen

Sinds 1 januari 1978 zijn de normbedragen van het Bijstandsbesluit landelijke normering zogenaamde allinbedragen. Dit wil zeggen dat behoudens de gevallen genoemd in de artikelen 6b tot en met 6e van dit besluit, de hoogte van de uitkering in beginsel niet afhankelijk is van de feitelijke woonkosten. Voor woonkosten die hoger zijn dan het bedrag dat daarvoor in het sociaal minimum begrepen is bestaat binnen bepaalde grenzen de mogelijkheid tot het verkrijgen van individuele huursubsidie of een woonkostentoeslag uit de bijstand. Voor deze allinsystematiek heeft de situatie model gestaan dat men de volledige woonkosten moet betalen van de woning waarin men woont dan wel, in geval van gedeeltelijke bewoning, daarvoor als onderhuurder of kostganger een zakelijke prijs is verschuldigd. Tevens werd daarmee een betere afstemming verkregen op het stelsel van individuele huursubsidie. In situaties met een lage, niet-subsidiale huur wordt de allinsystematiek gerechtvaardigd door het feit dat lage huren niet zonder meer lagere kosten van het wonen inhouden. Het normbedrag van 70% van het nettominimumloon voor een alleenstaande is derhalve gebaseerd op het betalen van de volledige woonkosten van de woning die men bewoont. In een groot aantal gevallen is er echter sprake van het met één of meer anderen bewonen van een woning waarbij de woonkosten (huur of eigenaarslasten) en de daaraan verbonden vaste lasten worden gedeeld of kunnen worden gedeeld. Gezien de hierdoor optredende schaalvoordelen vergt een consequente toepassing van het aan de bijstandsverlening ten grondslag liggende behoeftecriterium dat het normbedrag wordt afgestemd op de uit deze schaalvoordelen voortvloeiende lagere noodzakelijke kosten van het bestaan. In de begroting 1984 is dan ook aangekondigd dat voor alleenstaande woningdelers een afzonderlijk normbedrag zal worden ingevoerd, waarbij in aansluiting op bestaande jurisprudentie wordt gedacht aan 60% van het nettominimumloon. Het normbedrag van 70% blijft dan gelden voor die alleenstaande die volledig voor eigen rekening een woning bewoont of bij een ander huisvesting heeft als onderhuurder of kostganger. Aanleiding voor deze maatregel is mede gelegen in de noodzaak te komen tot een beperking van de uitgaven op het terrein van de sociale zekerheid. Met de invoering van dit nieuwe normbedrag wordt de allinsystematiek in die zin aangepast, dat daarbij twee situaties worden onderscheiden, namelijk het al dan niet samen met anderen bewonen van een woning. Kenmerk van de allinsystematiek is immers dat bij de invulling van de noodzakelijke bestaanskosten voor wat betreft de woonkosten binnen bepaalde grenzen wordt uitgegaan van een forfait in plaats van de feitelijke woonkosten. Invoering van de 60%-norm betekent dat voortaan met twee verschillende forfaits wordt gewerkt in plaats van met één. Door in het totaal bedrag aan te verlenen bijstand deze situaties te onderscheiden wordt tot uitdrukking gebracht dat bij het delen van de woonkosten economische schaalvoordelen ontstaan van een zodanige omvang van het verantwoord is ze bij de bijstandsverlening te betrekken. Deze schaalvoordelen hebben betrekking op enerzijds de woonkosten (huur of eigenaarslasten) en anderzijds de vaste lasten zoals gas, licht, onroerendgoedbelasting, reinigingsrechten etc. De schaalvoordelen die optreden door het delen van de vaste lasten hebben steeds invloed gehad op de hoogte van de normbedragen, nl. bij de 100:90:70 verhouding in de normen van een echtpaar, een één-ouder gezin en een alleenstaande. Bij deze normverhoudingen staat niet de familierechtelijke betrekking voorop, maar de concrete invulling van het behoeftebeginsel. Hetzelfde geldt voor de korting op de uitkering vanwege kostgangers, onderhuurders of inwonende kinderen.

Het verschil tussen 70% en 60% heeft betrekking op het volledige norminkomen, dus de week-of maanduitkering vermeerderd met de vakantie-uitkering. Gelet op de aard van het onderhavige schaalvoordeel wordt dit verschil volledig op de week-of maanduitkering in mindering gebracht. Ca. de helft van het verschil tussen 70% en 60%, nl. f77 wordt toegerekend aan de schaalvoordelen bij de huur of eigenaarslasten. Voor de huur of eigenaarslasten wordt dus in de 60%-norm geacht f77 minder beschikbaar te zijn. In verreweg de meeste gevallen bedraagt het feitelijke voordeel ook ten minste dit bedrag. Dit is ook het geval indien bij de individuele huursubsidie de inkomens van woningdelende gezinsleden worden opgeteld bij het inkomen van degene die de huursubsidie aanvraagt, dit mede door de franchise die met ingang van het subsidietijdvak 1 juli 1984 tot en met 30 juni 1985 wordt gehanteerd. Bij meerdere personen die ieder voor zich aanspraak kunnen maken op huursubsidie hoeft dit niet het geval te zijn. Zoals onder 4 nader wordt uiteengezet kan in die situaties een hogere uitkering dan 60% worden vastgesteld. De schaalvoordelen bij de overige aan het wonen verbonden kosten zoals verwarming, verlichting en diverse heffingen worden eveneens op 5% gesteld. Dit laatste is vast te stellen aan de hand van budgetgegevens van echtparen en alleenstaanden. Daarbij mag worden aangenomen dat het juist bij deze kosten weinig verschil uitmaakt of men als echtpaar een woning bewoont of als twee alleenstaanden. Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek is af te leiden dat deze schaalvoordelen op ten minste f 75 per maand kunnen worden gesteld. Bij het vaststellen van de categorie op wie de 60%-norm van toepassing is wordt in dit besluit gesproken over het te zamen met één of meer andere personen bewonen van een woning. Daaronder wordt verstaan het gezamenlijk bewonen van zelfstandige woonruimte, zonder dat er sprake is van onderverhuur of van een kostganger op commerciële basis. Van zelfstandige woonruimte is sprake indien voor de gehele woonruimte huur verschuldigd is of wanneer er sprake is van één of meer bewoners. Hieruit volgt dat het achter één voordeur wonen niet als criterium geldt voor woningdeling omdat achter één voordeur meer zelfstandige woonruimten kunnen zijn gesitueerd, waarbij voor elk van deze woonruimten afzonderlijk huur is verschuldigd of waarbij sprake is van commerciële onderverhuur. Het eerste zal meestal het geval zijn bij woongroepen of andere vormen van centraal wonen. In dergelijke situaties waarbij elk van de bewoners voor zich aanspraak kan maken op huursubsidie is dus de volle alleenstaandennorm van toepassing. Dit geldt ook voor bewoners van Blijf-van-mijnlijfhuizen waarbij ieder afzonderlijk een eigen bijdrage verschuldigd is voor de geboden dienstverlening met inbegrip van huisvesting. Invoering van de woningdelersnorm is derhalve niet in strijd met de door de regering ondersteunde ontwikkelingen in de volkshuisvesting zoals huursubsidie voor woongroepen of het kamergewijs verhuren van woonruimte door woningcorporaties en gemeenten. De woningdelersnorm is in deze situaties immers juist niet van toepassing. In uitzonderlijke situaties kan het voorkomen dat er geen sprake is van woningdeling hoewel de huur wel gezamenlijk wordt opgebracht. Dit kan zich voordoen indien betrokkenen ieder voor zich kunnen beschikken over alle faciliteiten die aan het zelfstandig bewonen van een woning zijn verbonden, d.w.z. eigen zit-en slaapkamer, eigen keuken en eigen wasgelegenheid. In de systematiek van de individuele huursubsidie worden samenwonende familieleden geacht een woning voor gezamenlijke rekening te bewonen, ongeacht de vraag hoe de kosten feitelijk worden verdeeld. Wie als samenwonende familieleden worden beschouwd is bij de individuele huursubsidie omschreven met de term huisgenoot. Daaronder worden derhalve verstaan een kind, kleinkind, pleegkind, aangehuwd kind, broer, zuster, ouder of grootouder van de hoofdbewoner of diens partner.

Dit betekent dat huisgenoten in beginsel niet kunnen worden beschouwd als kostganger of onderhuurder. Een uitzondering hierop kan alleen worden gemaakt bij een broer of zuster indien aan de voorwaarde van een aantoonbare overeenkomst op commerciële basis is voldaan.

  • Lagere uitkering bij het ontbreken van woonkosten

Evenals de 70%-norm houdt de 60%-norm voor een alleenstaande woningdeler het karakter van allinnorm, dit wil zeggen dat in deze norm rekening is gehouden met het feit dat kosten moeten worden gemaakt voor het wonen. Indien voor de woning die men bewoont geen woonkosten verschuldigd zijn wordt ook bij de 60%-norm de uitkering afgestemd op het lagere niveau van de bestaanskosten door het in de uitkering nog begrepen bedrag voor woonkosten geheel in mindering te brengen. In de praktijk van de bijstandsverlening worden zowel het samen bewonen van een woning als het niet verschuldigd zijn van woonkosten als argument gebruikt om de bijstandsnorm voor een alleenstaande lager te stellen dan 70%. Door in het B.l.n., naast de invoering van een 60%-norm, de bepaling op te nemen dat bij het ontbreken van woonkosten de uitkering dienovereenkomstig wordt verlaagd, wordt niet alleen een verdere harmonisatie bewerkstelligd maar ook een grotere duidelijkheid verkregen over de met de woonkosten samenhangende factoren die de hoogte van de uitkering bepalen. Dit laatste is van belang bij bijstandsverlening aan krakers. Zowel bij de 70%-norm als bij de 60%-norm is dus vastgesteld wat het bedrag is dat bij ontbreken van woonkosten in mindering wordt gebracht. Voor wat betreft de 70%-norm is hiervoor aansluiting gezocht bij de laagste normhuur van de individuele huursubsidie, f232 per maand. Dit bedrag wordt immers bij een sociaal-minimurrrnkomen geacht beschikbaar te zijn voor de huur en vormt dus een goede maatstaf voor de vermindering van de uitkering bij afwezigheid van woonkosten. Het in de 60%-norm voor woonkosten beschikbare bedrag kan worden vastgesteld op de laagste normhuur minus de onder 1 aangegeven schaalvoordelen bij de huur. Op de 60%-norm wordt dan bij het ontbreken van woonkosten een bedrag van f155 per maand op de uitkering in mindering gebracht. De uitkering is dan afgestemd op het niet verschuldigd zijn van de huur èn op de overige schaalvoordelen van het gezamenlijk bewonen van een woning. De aftrek op de normbedragen van het daarin begrepen bedrag voor woonkosten vindt alleen plaats indien voor de woning geen woonkosten verschuldigd zijn. Dit laat onverlet de mogelijkheid voor de gemeenten om werkelijk te maken of gemaakte onontkoombare en aantoonbare kosten voor het wonen te vergoeden. De aftrek voor woonkosten vindt niet plaats op de uitkering van een bij de ouder(s) wonende alleenstaande. In dat geval zijn er immers voor die woning wel woonkosten verschuldigd. Daar deze alleenstaande geacht wordt een bijdrage in die kosten te leveren zou zo'n aftrek niet op zijn plaats zijn. In dit geval geldt dus, gelet op de schaalvoordelen van de gezamenlijke bewoners, een 60%-norm.

  • Aftrek voor echtparen, één-oudergezinnen en alleenstaande ouders

De onder 1 genoemde schaalvoordelen doen zich eveneens voor bij echtparen, één-oudergezinnen en alleenstaande ouders indien er inwonende kinderen zijn, die niet (meer) in de gezinsbijstand zijn begrepen. Het gaat dan om meerderjarige kinderen en minderjarige kinderen die inkomsten hebben. In deze situatie kunnen de woonkosten en de daaraan verbonden vaste kosten worden gedeeld. In het B.l.n. is hiermee tot dusverre rekening gehouden door op de uitkering van de ouder(s) per kind een bedrag in mindering te brengen op grond van een redelijke bijdrage van deze kinderen in de vaste gezinslasten.

In de nieuwe systematiek is deze bepaling vervangen door één vaste aftrek ter grootte van 10% van het nettominimumloon, indien het inkomen van de kinderen hiervoor toereikend is. Dit betekent dat de vaste aftrek van 10% altijd plaatsvindt als er één of meer inwonende meerderjarige kinderen zijn. Voor alleenstaande ouders die kinderen tot hun last hebben geldt in de bijstand de norm voor een één-ouder gezin. Indien bij deze ouder tevens een kind woont dat meerderjarig is of minderjarig is maar niet ten laste van de ouder komt omdat het eigen inkomsten heeft, vindt op de uitkering eveneens de aftrek van 10% plaats. Zijn uitsluitend minderjarige kinderen inwonend, die niet ten laste van de ouder(s) komen en ontvangen die kinderen een bijstandsuitkering als thuisinwonende dan blijft de aftrek achterwege. Deze kinderen hebben dan niet een zodanig inkomen dat ze als feitelijke kostendelers kunnen worden beschouwd. Wanneer een inwonend kind een ander inkomen heeft dat de bijstandsuitkering van een thuisinwonende niet of nauwelijks overschrijdt kunnen burgemeester en wethouders op verzoek, gezien het bepaalde in artikel 2, lid 3, de aftrek eveneens geheel of gedeeltelijk achterwege laten. Dit zal zich echter nauwelijks voordoen. Voor de zich voordoende situaties dat een echtpaar of een één-oudergezin als woningdeler dient te worden beschouwd (bij voorbeeld communeachtige samenlevingsvormen of bij de ouders inwonend één-oudergezin) voorziet een nieuw artikel 10a in de aftrek van 10%.

  • Woningdelers die ieder voor zich aanspraak kunnen maken op huursub sidie Zoals onder 1 reeds is uiteengezet is bij de woningdelers een onderscheid te maken tussen de situaties dat ieder voor zich aanspraak kan maken op huursubsidie en de situatie dat zulks niet het geval is. Bij de laatste categorie is de afstemming tussen de 60%-norm en de individuele huursubsidie door franchise die bij het opstellen van inkomens van gezinsleden wordt gehanteerd gewaarborgd. In het geval dat ieder voor zich aanspraak kan maken behoeft zulks niet het geval te zijn. De situatie kan zich dan voordoen dat het in de 60%-norm begrepen bedrag voor de huur niet toereikend is om het eigen huuraandeel te voldoen. In dat geval kan de 60%-norm worden verhoogd met maximaal f77. Met dit bedrag zijn de in de 60%-norm verdisconteerde woonkosten immers beperkt.
  • Alleenstaande jongeren

De 60%-norm staat in directe relatie tot de 70%-norm voor alleenstaanden van 23 jaar en ouder. Voor jongeren beneden de 23 jaar gelden echter lagere, aan de minimumjeugdlonen gekoppelde, bedragen waarbij voor alleenstaanden van 18 tot en met 20 jaar een vloerbedrag geldt van f707,55 per maand. Voor een 22-jarige woningdeler wordt de norm in dezelfde verhouding tot de alleenstaandennorm vastgesteld als voor 23-jarigen en ouder. Hanteren van deze verhouding bij een 21-jarige woningdeler zou leiden tot een uitkomst die lager ligt dan het eerder genoemde vloerbedrag van f707,55. Dit normbedrag is toereikend voor het voeren van een zelfstandige huishouding. Het ligt echter voor de hand dat, gelet op de hoogte van dit bedrag, gezocht zal worden naar wegen om een aantal kostenposten, zoals die van wonen, zo laag mogelijk te houden. Er is derhalve geen aanleiding alleen op grond van het delen van een woning de uitkering lager vast te stellen dan het genoemde vloerbedrag. Dit laat onverlet dat indien een woning wordt bewoond waarvoor geen woonkosten verschuldigd zijn de uitkering wordt verminderd overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, zesde lid.

  • Kostgangers en onderhuurders

Aangezien de 60%-norm alleen van toepassing is wanneer er sprake is van het op niet-commerciële basis delen van de kosten van het bewonen van een woning, geldt bij kostgangers en onderhuurders de 70%-norm, zowel in de situatie dat de alleenstaande kostganger of onderhuurder is, als in de situatie dat iemand als alleenstaande een kostganger of onderhuurder heeft. Voor degene die kostganger of onderhuurder is geldt immers, gelet op de commerciële prijs die wordt betaald, dat genoemde schaalvoordelen niet aan hem toevallen. Zoals onder 1 van deze toelichting al is opgemerkt kunnen personen die samenwonen met familieleden, zoals kinderen bij ouder(s), ouder(s) bij kinderen, broers en/of zusters, óf samenwonende vrienden of vriendinnen die zich als een gezamenlijke huishouding presenteren, niet als kostganger of onderhuurder worden beschouwd. Voor degene die een kostganger of onderhuurder heeft geldt dat de schaalvoordelen die aan de gezamenlijke bewoning verbonden zijn via de kortingsbepalingen van art. 10, onder a en b, van het B.l.n. leiden tot een vermindering van de te verlenen bijstand. Aanspraak op de 70%-norm kan er alleen zijn indien het houden van een kostganger of de (onder)verhuur wordt aangetoond. Met het oog op een betere afstemming tussen de 70%-norm bij het woonkosten delen op commerciële basis en de 60%-norm bij het woonkosten delen op niet-commerciële basis zijn de bedragen, waarmee de uitkering bij het houden van een kostganger of wegens (onder)verhuur wordt verminderd, aangepast. De vermindering vindt bovendien niet meer plaats via een gedeeltelijke korting en vrijlating van een toe te rekenen inkomen, maar door een vast bedrag te korten. Deze benadering is eenvoudiger voor de uitvoering en heeft voor de cliënt het voordeel dat deze inkomsten het bedrag van de maximaal vrij te laten inkomsten niet meer beïnvloeden.

  • Vrijlatingen

De maximale omvang van de gedeeltelijke vrijlating van inkomsten is gesteld op 15% van de maandbedragen. De invoering van de 60%-norm voor alleenstaanden die met een of meer anderen een woning bewonen heeft hierop geen invloed. Bij de vaststelling van het maximumbedrag van vrij te laten inkomsten wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen het al dan niet alleen een woning bewonen.

  • Budgettaire consequenties

Zoals onder 1 reeds is aangegeven wordt de onderhavige maatregel mede ingegeven door de noodzaak te komen tot een beperking van de uitgaven op het terrein van de sociale zekerheid. Met deze maatregel wordt op de rijksbegroting een ombuiging gerealiseerd van structureel f175 min.

  • Uitvoeringsaspecten

In een groot aantal reacties op het ontwerp besluit, waaronder het advies van het College Algemene Bijstandswet en de reactie van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten is gewezen op de uitvoeringsaspecten van deze maatregel zowel voor wat betreft de werklast bij de gemeenten als uit oogpunt van mogelijke fraudegevoeligheid. Bij de beoordeling daarvan zij allereerst opgemerkt dat de gegevens die voor de uitvoering van deze maatregel nodig zijn voor het overgrote deel reeds bij de gemeenten bekend zijn. Voor de vaststelling van de hoogte van de bijstandsuitkering dient immers te worden nagegaan of er onderhuurders, kostgangers of inwonende, niet in de gezinsbijstand begrepen, kinderen zijn. Het besluit voorziet voor deze gevallen alleen in een wijziging van een reeds bestaande aftrek.

De overige situaties dat met anderen de woning wordt gedeeld hebben voor het grootste deel betrekking op meerjarige, bij hun ouders inwonende kinderen. De vraag of bijstandsgerechtigden bij hun ouders inwonen is overigens niet nieuw omdat dit gegeven reeds in het kader van de statistische informatievoorziening wordt vastgelegd. In dit geval dient betrokkene altijd als woningdeler te worden beschouwd. In de overige situaties dat de woning met andere(n) wordt gedeeld wordt daarmee in de bijstandspraktijk reeds in een groot aantal gevallen rekening gehouden. Hetzelfde geldt bij bewoning van een woning waarvoor geen woonkosten verschuldigd zijn, zoals bij krakers. Een systematisch gelijke behandeling van deze groepen bijstandscliënten betekent een uitbreiding van de werklast van de gemeenten. Ten opzichte van het totale aantal bijstandscliënten gaat het hierbij echter om een beperkte groep (ca. 14000 personen). De conclusie kan dan ook worden getrokken dat er inderdaad sprake is van een uitbreiding van de werklast van de gemeenten maar dat deze beperkt van omvang zal zijn. Gelet op het feit dat 10% van de met deze maatregel te realiseren ombuiging van structureel f 195 min. ten goede komt aan de gemeenten behoeft deze uitbreiding niet als bezwaarlijk te worden beschouwd. Het College Algemene Bijstandswet is blijkens zijn advies van oordeel dat de regeling als fraudegevoelig moet worden beschouwd. Het College wijst er in dit verband op dat niet zonder meer aan de hand van het bevolkingsregister kan worden vastgesteld of personen met anderen een woning delen en dat bovendien een ander adres kan worden opgegeven dan waar men feitelijk woont. Bovendien kan, naar de mening van het College, uit het delen van een woning niet worden geconcludeerd dat de woningdeler al dan niet op een zakelijke overeenkomst in de woning verblijft. In dit verband zij er op gewezen dat het bevolkingsregister ook wordt gebruikt voor andere wettelijke regelingen waarbij het gezamenlijk op één adres wonen van belang is, zoals bij voorbeeld de loon-en inkomstenbelasting. Dat dit register niet altijd bij zal zijn in verband met nog aan te brengen mutaties is echter een tijdelijk probleem. Dat bijstandsgerechtigden een ander adres opgeven dan waar men feitelijk woont mag in zijn algemeenheid niet aannemelijk worden geacht. Bovendien zal deze opgave in een periodiek heronderzoek worden getoetst. Of een woningdeler, niet zijnde een huisgenoot, op een zakelijke overeenkomst in de woning verblijft kan en dient ook te worden geverifieerd aan de hand van een daartoe strekkend bewijsstuk. Gezien de consequenties van zo'n bewijsstuk voor degene die kostgeld of onderhuur ontvang valt niet aan te nemen dat een dergelijk bewijsstuk een onjuiste weergave zou zijn van de werkelijke situatie.

  • Wijziging B.l.d.

De in het ontwerp-besluit opgenomen wijziging van het B.l.d. is een technische aanpassing die voortvloeit uit de gewijzigde B.l.n.-bepalingen.

  • Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onder A

Artikel 4, eerste lid

Een persoon die met een ander samenleeft op een wijze die niet verschilt met een huwelijk, wordt niet als woningdeler beschouwd. De bestaande op jurisprudentie gebaseerde uitvoeringspraktijk blijft voor deze categorie gehandhaafd. Deze persoon heeft derhalve aanspraak op de halve norm voor een echtpaar, waarbij rekening wordt gehouden met de middelen van degene met wie men samenleeft.

Artikel 4, zesde lid

De verlaging van de uitkering indien geen woonkosten verschuldigd zijn met het bedrag van de minimumnormhuur, f232 per maand, vindt alleen plaats bij een volledige 70%-norm. In alle andere gevallen, hetzij bij jongeren, hetzij bij een woningdeler van 23 jaar of ouder is de verlaging f155.

Artikel I, onder C

Artikel 10

Voor de vaststelling van het kortingsbedrag wegens het houden van een kostganger is uitgegaan van een minimumkostgeld. Dit minimumkostgeld is gesteld op de 70%-norm voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder, verminderd met het bedrag voor persoonlijke uitgaven voor een alleenstaande in een inrichting, derhalve f 1012,85 -f242,85) = f 770,00. In de thans nog geldende benadering van inkomsten uit het houden van een kostganger kunnen de inkomsten dan worden vastgesteld op 40% van f770,00 = f308,00 en de korting derhalve op 75% van f308,00 = f231,00. De schaalvoordelen uit het gezamenlijk bewonen van een woning en de daaraan verbonden vaste lasten op niet-commerciële basis zijn vastgesteld op 10% van het nettominimumloon. Het is daarom redelijk bij het woonkosten delen op commerciële basis, dus (onder)verhuur, met tenminste eenzelfde bedrag rekening te houden. De onderdelen a en b moeten worden gezien als minimumbepalingen. Doen zich situaties voor waarin sprake is van meerdere kostgangers of onderhuurders op één adres of hoge ontvangsten uit kostgeld of (onder)verhuur dan kunnen burgemeester en wethouders daarmee op een op die situatie afgestemde wijze rekening houden. De in artikel 10 (oud) voorkomende bepaling ten aanzien van de korting van 75% van de netto kostwinnersvergoeding, toegekend in verband met het vervullen van de militaire dienstplicht door minderjarige en meerderjarige kinderen is vervallen. Aan deze bepaling is geen behoefte meer omdat deze regeling ten aanzien van ongehuwden slechts wordt toegepast indien zij een eigen huishouding voeren.

Artikel I, onder D

Artikel 10a

Dit nieuwe artikel is de basis voor een aftrek van 10% in situaties waarin sprake is van woningdeling waarin artikel 4 en/of artikel 10 niet voorzien. Gedacht wordt daarbij aan echtparen en één-oudergezinnen met een bijstandskering die bij de familie inwonen (bij voorbeeld ouder(s) bij kinderen, één-oudergezinnen bij ouders) en communeachtige samenlevingsvormen. Wonen echtparen of één-oudergezinnen als kostganger(s) of onderhuurder(s) bij anderen dan familieleden, dan is er geen aanleiding voor de aftrek van 10%. Zij betalen dan immers een commerciële prijs.

Artikel II, onder A en B

Artikel 13 en 14

De wijzigingen van deze artikelen vloeien geheel voort uit de wijzigingen van de systematiek in het Bijstandsbesluit landelijke normering. Omdat de draagkrachtvaststelling eenmaal per jaar plaats vindt is het niet noodzakelijk om voor deze wijzigingen een overgangsregeling te treffen. Een wijziging van de bijstandsnormen vormt immers geen aanleiding om de draagkrachtberekening tussentijds te herzien.

Artikel III

In dit artikel wordt een overgangsregeling getroffen voor degenen die door de invoering van de woningdelersnorm in het Bijstandsbesluit landelijke normering en de daarmee in overeenstemming gebrachte kortingsbepalingen wegens het houden van een kostganger, (onder)verhuur of inwoning bij de ouder(s) van minder-of meerderjarige kinderen een inkomensachteruitgang ondervinden. Deze achteruitgang, die per persoon maximaal f 152,30 per maand kan bedragen, wordt door de toekenning van een toeslag gefaseerd. Deze toeslag wordt na drie maanden gehalveerd en vervalt na een halfjaar. Een uitzondering hierop is gemaakt voor de situaties, waarin twee bijstandspartijen die op hetzelfde adres wonen (bij voorbeeld twee alleenstaanden of ouder(s) en inwonend(e) kind(eren) in inkomen achteruitgaan. In dat geval geldt een langere overganstermijn. De toeslag wordt dan voor elk van hen na een half jaar gehalveerd en na een jaar beëindigd.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.