Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel Het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 januari 1985 en per 1 juli 1985, alsmede het achterwege laten per 1 juli 1985 van de herziening van de basiskinderbijslagbedragen (18687) De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

A.W. (Walter)  PaulisDe heer Paulis (CDA): Mijnheer de Voorzitter! De vorige week heeft mijn collega Gerritse in deze Kamer het woord gevoerd over het wetsvoorstel inzake de verlaging van de uitkeringspercentages, zoals vastgesteld in een aantal sociale wetten. Bij die gelegenheid heeft hij ook een motivering gegeven, waarom het CDA van oordeel is dat deze impopulaire maatregelen noodzakelijk zijn. Kortweg komt het erop neer, dat wij streven naar een evenwichtiger verhouding tussen de marktsector en de collectieve sector en wel zodanig, dat de marktsector in staat is om de last van de collectieve sector blijvend te dragen. Het wetsontwerp, dat wij nu behandelen, maakt onderdeel uit van het totaal aan ombuigingen in de sociale zekerheid voor het jaar 1985 en om die reden geldt, wat betreft het CDA, in hoofdzaak dezelfde onderbouwing, die ik zojuist aangaf. Om die reden heeft het CDA er begrip voor, dat ook in 1985 een aantal generieke maatregelen wordt getroffen met betrekking tot het minimumloon en de sociale zekerheid, in concreto uitmondend in het achterwege laten van de indexering per 1 januari 1985 en 1 juli 1985, alsmede het achterwege laten per 1 juli 1985 van de herziening van de basiskinderbijslagbedragen. Niet onbelangrijk in dit kader acht de fractie van het CDA het gegeven dat, als gevolg van de getroffen maatregelen naar aanleiding van de algemene beschouwingen, het koopkrachtbeeld voor met name de laagste inkomensgroepen nog wat gunstiger is geworden dan aanvankelijk werd verondersteld. De leden van mijn fractie geven nog eens aan, dat zij goede nota hebben genomen van de passage in de memorie van toelichting waarin staat vermeld dat, indien als gevolg van de loonontwikkeling een aanzienlijk negatief koopkrachteffect voor de minima optreedt, dit tot een herbezinning op de maatregelen per 1 juli 1985 kan leiden. Hoewel het kabinet stelt dat de doelstellingen van de WAM als centraal uitgangspuntvan kracht blijven en de ook voor 1985 voorgestelde maatregelen als ad hoc moeten worden voorgesteld, kunnen wij niet anders dan constateren dat de WAM in slechts zeer beperkte mate heeft gefunctioneerd. Daar zijn goede en aanwijsbare redenen voor maar zo liggen de zaken nu eenmaal wŤl. De vraag is thans: hoe nu verder? Die vraag klemt te meer daar de minister-president bij de algemene beschouwingen in de Eerste Kamer uitspraken heeft gedaan, die bij uitvoering de facto tot een verdere buitenwerkingstelling van de WAM voor onbepaalde tijd zouden kunnen leiden. Wij staan voor een dilemma. Blijven wij bij handbediening, hetgeen een beleidsgerichte benadering vraagt, die elk jaar leidt tot een expliciete bezinning in het parlement Ųf zien wij kans, de WAM meer conform de oorspronkelijke bedoelingen te laten functioneren? Mijn fractievoorzitter heeft bij herhaling in deze Kamer betoogd, dat de fractie van het CDA van oordeel is dat er na de stelselherziening sprake moet zijn van een globaal gelijke ontwikkeling tussen de lonen in de marktsector en de collectieve sector, inclusief de uitkeringsgerechtigden. Hoe kijken de minister en de staatssecretaris tegen een en ander aan? Met de minister-president is de fractie van het CDA overigens van oordeel dat het van zeer wezenlijk belang is -het is zelfs van fundamentele betekenis voor de sociale zekerheid in de toekomst -dat wij na de stelselherziening het sociale zekerheidsstelsel economisch kunnen blijven dragen. Wij achten het van groot belang dat het kabinet op onze opmerkingen een heldere reactie geeft. Met alle zorg, die wij terecht voor de minima kennen, wijzen wij er met anderen op dat ook van de bovenminima zeer wezenlijke inkomensoffers gevraagd worden.

De heer Buurmeijer (PvdA): Waarom moet er gewacht worden op de stelselherziening vůůr de koppeling weer kan worden hersteld?

De heer Paulis (CDA): Uit de ontwikkelingen, die wij in de afgelopen jaren hebben gezien, is gebleken dat de systematiek, zoals wij die nu kennen, in feite niet functioneert. Het is u en ons bekend dat er gezocht wordt naar een instrument dat blijvend wŤl gebruikt kan worden. Dat zal het volgend jaar aan de orde komen, in het kader van de stelselherziening. Ik vind het logisch dat men op dit punt het accent legt opdat men ook met het oog op de toekomst tot een meer consistent beleid komt.

De heer Buurmeijer (PvdA) U spreekt in raadselen. Als u zegt dat het bekend zou zijn dat er gezocht wordt naar een nieuw koppelingsinstrument, hoor ik dat uit uw mond voor het eerst. Een nadere toelichting is zeker op zijn plaats. Tot nu toe is door de regering verdedigd dat de WAM ten principale overeind moet worden gehouden. Dat is door andere woordvoerders van de fractie van het CDA onderstreept.

De heer Paulis (CDA): Ik heb al gezegd dat mijn fractievoorzitter al enkele malen heeft gezegd, dat naar zijn oordeel na de stelselherziening er sprake moet zijn van een globaal gelijke ontwikkeling. Daarover stel ik een vraag aan de bewindslieden. Ik verwacht daarop een antwoord. Dat is toch helder?

De heer Buurmeijer (PvdA): Wat is nu uw uitgangspunt, of vertrekpunt in de termen van het CDA? Gaat u uit van een handhaving van de WAM-systematiek -ik heb het niet over al dan niet toepassen ervan -of zegt u dat er een nieuw koppelingssysteem moet komen, wat dat ook moge zijn?

De heer Paulis (CDA): Het is niet uitgesloten dat wij op grond van de omstandigheden die wij in feite nu al kennen, inderdaad zullen moeten overwegen of de WAM, zoals die nu bestaat, gehandhaafd kan blijven. Dat blijkt ook heel nadrukkelijk uit hetgeen ik in eerste instantie al heb gezegd en ook mijn fractievoorzitter heeft gezegd; een globaal gelijke ontwikkeling na de stelselherziening. Met deze vragen richten wij ons tot de bewindslieden en daarop willen wij graag een duidelijk antwoord hebben. In tweede termijn zullen wij wel zien wat wij daarmee doen!

Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur Bevriezing uitkeringen ca.

De heer Buurmeijer (PvdA): Dus u sluit zich heden aan bij hetgeen de woordvoerder van de VVD, de heer Linschoten, gisteren heeft opgemerkt over het functioneren van de WAM?

De heer Paulis (CDA): Ik denk dat ik in mijn vraagstelling volstrekt helder ben geweest en wij wachten met belangstelling af wat de regering daarover te zeggen heeft. Het is goed om nog even aan te geven dat aan een herstelbeleid, waarvan deze ombuigingen een onderdeel zijn, door zeer brede lagen van de bevolking een bijdrage wordt geleverd, werkenden en niet-werkenden. Wat betreft de bevriezing van de basiskinderbijslagbedragen merkt de CDA-fractie met voldoening op dat het kabinet de motie-De Vries/Nijpels uitvoert door de voorgenomen bevriezing per 1 januari 1985 niet door te laten gaan, hetgeen in 1985 en volgende jaren een positief effect zal hebben van 70 min. Als het gaat om de wijze waarop en het tempo waarin voor de jaren na 1985 de incidentele toeslagen worden beŽindigd, wachten wij met belangstelling de nadere voorstellen van het kabinet af. De CDA-fractie deelt de opvatting dat het tempo van vermindering van toeslagen sneller kan verlopen naarmate er sprake is van een groter structureel koopkrachtherstel voor alle minima. Uit onze inbreng zal duidelijk zijn geworden dat het voorliggende wetsontwerp op onze steun zal kunnen rekenen. De CDA-fractie heeft nl. de overtuiging dat zij hierdoor een bijdrage levert aan de hoofddoelstelling van ons allen, te weten de terugdringing van de onaanvaardbaar hoge werkloosheid. Met het kabinet zijn wij van mening dat dit ook en met name in het belang is van de uitkeringsgerechtigden. De voorzichtige tekenen dat de gebrachte en nog te brengen offers niet voor niets zijn, zijn er. Mede ook als gevolg van het conjuncturele herstel zien wij een daling, zij het van slechts enkele tienduizenden, van de werkloosheid die reeds een aantal maanden aanhoudt. Dit mag toch als een teken van hoop en bemoediging worden gezien dat wij op de goede weg zijn.

De heer Willems (PSP): De heer Paulis is nauwelijks ingegaan op de bevriezing van de kinderbijslag op 1 juli. Het heeft mij erg verbaasd dat, alhoewel de CDA-fractie tijdens de algemene beschouwingen bij monde van haar fractievoorzitter een motie heeft ingediend, waarin werd uitgesproken dat de kinderbijslagbevriezing voor 1985 niet zou moeten doorgaan en de motie door de regering niet wordt uitgevoerd, het CDA er verder niets meer over zegt. De motie is niet in stemming gebracht, omdat de regering haar op dat moment zei over te nemen. Later werd zij op een heel specifieke manier uitgelegd. Dat is toch in strijd met de intenties die het CDA en ook de VVD, die de motie mede had ondertekend, tijdens dat debat op tafel hebben gelegd?

De heer Paulis (CDA): Er is voor 3k tegemoetgekomen aan hetgeen wij in de motie hebben gevraagd. Wij vinden dat de regering de motie daarmee op een aanvaardbare wijze heeft uitgevoerd.

De heer Willems (PSP): De motie wordt helemaal niet uitgevoerd, want daarin staat dat de bevriezing in 1985 niet moet doorgaan. Ze gaat nu wel door, zij het ingaande op 1 juli. Dat werkt toch door in alle volgende jaren?

De heer Paulis (CDA): Per 1 januari zou het gaan om een bedrag van 70 min. en per 1 juli gaat het om een bedrag van 20 min. De regering komt ons dus met 70 min. tegemoet. In de situatie waarin wij ons bevinden, zijn wij tevreden met deze benadering.

©

G.J. (Gert)  SchutteDe heer Schutte (GPV): Mijnheer de Voorzitter! De storm van verontwaardiging die opstak na de presentatie van troonrede en miljoenennota betrof vooral de passages over de ontwikkeling van de koopkracht van de minima. Het kabinet moest haastig zijn uitlatingen nuanceren en bij de algemene beschouwingen wist de Kamer nog iets te verbeteren in de positie van de minima voor 1985. De kinderbijslag zal pas op 1 juli worden bevroren en het nuurverhogingspercentage zal 1 punt lager uitvallen. Dit zijn niet direct maatregelen die specifiek zijn toegesneden op de minima, maar ze hebben voor bijna de gehele groep wel positieve effecten. De resultaten van de operatie koopkrachtverbetering minima waren niet schokkend, maar gegeven de huidige financieel-economische situatie waren ze wel optimaal. Van de zijde van het kabinet wordt weinig nagelaten om duidelijk te maken dat de hoogte van het minimum niet absoluut is, maar dat het moet worden bezien in verhouding tot de hoogte van andere inkomens. Ik onderschrijf dat. Daarom wordt rechtvaardiging van het beleid ook niet gevonden in de groei, de bevriezing of de verlaging van de hoogte van het minimum als zodanig, maar vooral in de verhouding van het minimum tot de overige inkomensgroepen. Verlaging van het minimum is aanvaardbaar als andere groepen ook naar beneden gaan. Bevriezing is gemakkelijker te verdedigen als anderen ook op hetzelfde niveau blijven. De kritiek van mijn fractie richt zich juist op dit laatste. Bovenminimale uitkeringstrekkers gaan er fors op achteruit. Ambtenaren en minima blijven globaal genomen gelijk en de werkenden in de marktsector met een inkomen van modaal of hoger, gaan erop vooruit, terwijl ze bovendien een belastingmeevaller krijgen. Ik aanvaard de verlaging van de loongerelateerde uitkeringspercentages en de bevriezing van het minimumniveau. Ik onderschrijf de noodzaak van benedenwaartse bijstelling van arbeidsvoorwaarden voor het overheidspersoneel, maar ik kan niet aanvaarden dat grote groepen werkenden in de marktsector tegelijkertijd een reŽle inkomensverbetering tegemoet kunnen zien. Hoe kan men van de vele honderdduizenden uitkeringsgerechtigden, minimumlorters en ambtenaren offers vragen vooreen nationaal herstelbeleid, als men tegelijkertijd de werkenden in de marktsector een reŽle koopkrachtverbetering geeft? Zou de maatschappelijke aanvaardbaarheid van het kabinetsbeleid niet groter zijn, indien tot een andere verdeling van inkomensoffers was gekomen? De FNV maakt zich in dit verband wel heel gemakkelijk van haar verantwoordelijkheid af, door de volledige loonruimte op te eisen en koopkrachtbehoud te kiezen als voornaamste doelstelling in de komende ca.o.'Onderhandelingen. Erkend wordt, dat de kloof tussen actieven en niet-actieven zo wordt vergroot, maar de regering wordt hiervoor aansprakelijk gesteld, omdat zij heeft gekozen voor ontkoppeling. De FNV moet er wel rekening mee houden dat extra looneisen leiden tot hogere prijsstijgingen dan zijn geraamd. Het niet realiseren van 2% autonome loonmatiging moet op grond van het regeerakkoord leiden tot extra ombuigingen. Beide zaken tasten de koopkracht van de minima extra aan.

Daarvoor is de FNV dan toch wel verantwoordelijk. Ongelijke ontwikkeling van inkomens van actieven en niet-actieven werkt remmend op het herstelbeleid. Een zelfde bezwaar heb ik tegen de reeds door velen gewraakte bespiegelingen over de naaste toekomst, zoals die door de minister-president verleden week in de Eerste Kamer ten beste werden gegeven. In iets voorzichtiger bewoordingen wordt een en ander in de nota naar aanleiding van het eindverslag herhaald. Bij aantrekken van de economie zouden de minima in koopkracht gelijk moeten blijven. Werkenden zouden een inkomensverbetering mogen verwachten. Zijn er werkelijk geen dwingender noden in onze samenleving dan een extra verbetering van de koopkracht voor werkenden? Zijn de overheidstekorten, de investeringsachterstanden en de tekorten in de dienstverlening dan al zodanig weggewerkt dat verbetering van de koopkracht voorrang kan krijgen? De minister-president heeft zijn uitlating later verduidelijkt. Hij had met name het oog gehad op het incidentele loon. Betekent dit dat het kabinet verwacht dat er de komende jaren geen initiŽle loonstijgingen meer zullen plaatsvinden, of zal de postinitieel toch worden vertaald naar het minimum uitkeringsniveau? Mijns inziens zal na het in werking treden van het nieuwe stelsel van sociale zekerheid duidelijk moeten zijn hoe de bedragen jaarlijks zullen worden aangepast. Het telkenjare opzij zetten van de WAM is zeer onbevredigend, omdat de betrokkenen dan bij wijze van spreken zijn overgeleverd aan de willekeur van de wetgever, terwijl juist was beoogd, deze situatie te voorkomen. Er moet nu worden gekozen voor een indexeringsmechanisme dat op langere termijn bruikbaar is. Dan moet de WAM maar worden vervangen. Ook al is het verschil tussen de feitelijke ontwikkeling van het nettominimumloon en de ontwikkeling zoals zij volgens de WAM zou zijn geweest, heel wat kleiner dan menigeen zou veronderstellen, ik meen toch dat op de thans ingeslagen weg niet verder mag worden gegaan, leder jaar opnieuw een bestaande wet tijdelijk buiten werking stellen is niet langer verdedigbaar. Ook deze week is de functie van het minimumloon in discussie gekomen.

Het NCW bepleitte in navolging van anderen een minimumloon op basis van 70% van het huidige minimum wegens het feit dat zo weinig mini-mumloners een gezin hebben te onderhouden, terwijl het inkomen aanvankelijk wel hierop was berekend. Deze gedachte lijkt logisch, maar ik heb moeite met de consequenties ervan, namelijk dat kostwinners dan van overheidswege een aanvulling op hun inkomen moeten krijgen. Het inkomen moet afgestemd zijn op de behoefte en de prestatie. Iemand moet in staat worden gesteld, zelfstandig zijn gezin te onderhouden, zonder afhankelijk te zijn van overheidssteun. Wil men een grotere differentiatie op het nettominimumniveau, dan zal een geheel ander belastingregime tot stand moeten komen, waarbij een alleenstaande op minimumniveau zwaarder wordt belast dan een kostwinner op hetzelfde niveau. De niet-bevriezing van de kinderbijslagbedragen per 1 januari aanstaande heeft mijn instemming. Een terughoudend ombuigingsbeleid in de sfeer van de kinderbijslag is geboden, omdat vooral gezinnen met opgroei-ende kinderen op hoge kosten zitten, terwijl de inkomens voortdurend onder druk staan. Liever had ik gezien dat ook per 1 juli aanstaande de kinderbijslag zou worden aangepast, maar wegens de gigantische kortingen die in de afgelopen vijfjaar, vooral in de sfeer van de WAO, hebben plaatsgevonden, durf ik hierom niet te vragen. De kinderbijslag ging steeds voorop bij de bezuinigingen en mijn fractie vond dit niet terecht. Nu voor 1985 en 1986 ook ingrijpende maatregelen in de sfeer van de ziektewet worden voorgesteld, is de twijfelachtige voorsprong die de kinderbijslagsector had, enigszins ingelopen door andere sectoren. In dit licht bezien, acht ik bevriezing per 1 juli 1985 aanvaardbaar, zij het dat ik niet lichtvaardig denk over de consequenties hiervan.

©

W.J. (Wilbert)  WillemsDe heer Willems (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Laat ik ook dit debat beginnen met enige reacties uit het land te vermelden, omdat de bevriezing van het minimumloon en de hieraan gekoppelde uitkeringen en de bevriezing van de kinderbijslag per 1 juli 1985, in bijna alle protesten van vakbonden, maatschappelijke organisaties en gemeentebesturen is opgenomen. Het CNV liet ons verleden week weten dat het de band tussen werkenden en niet-werkenden in stand wil houden en dat het hieraan zelf een bijdrage wil blijven leveren. Op deze grond is het tegen de voorgestelde verlaging. De FNV roept ons in haar petitie op, de solidariteit met de niet-werkenden in stand te houden. Dit vragen de werkenden zelf aan ons. De gemeente Heemskerk stuurde ons verleden week een brief met als slot 'dat de raad uiting heeft gegeven aan zijn inzake de voornemens van de regering om de diverse sociale uitkeringen te verlagen, gezien de effecten ervan op het levensniveau van juist de sociaal zwakkeren en dat het lokale bestuur hiermee op zeer directe wijze wordt geconfronteerd'. De raad achtte het zijn plicht, ons hierop te wijzen en dit op deze wijze te laten betrekken in onze besluitvorming. Dit zal ook wel voor niks zijn gestuurd. Uit Amstelveen roepen 26 organisaties uit de vakbeweging, de kerkelijke groepen, andere maatschappelijke organisaties, ombudsman en dergelijke, ons op van de bevriezing af te ziene. Ten slotte noem ik een groep die in het bijzonder erop rekent, in dit Huis te worden gehoord, het CNV. Het schrijft in zijn petitie over het voor de zoveelste keer loslaten van de Wet aanpassingsmechanismen dat de leden van het CNV dit als willekeur beschouwen. Dit is een bloemlezing uit de reacties, want het aantal reacties is zo massaal dat het eigenlijk schandalig is dat er zo weinig mee wordt gedaan in deze Kamer en door het kabinet. Het debat van vandaag zal wel niet erg geÔnspireerd zijn omdat het voor een belangrijk deel een herhaling is van eerdere debatten. Ook bij deze maatregel hebben wij te maken met een jaarlijks terugkerend ritueel. De wet inzake aanpassingsmechanismen wordt nu voor het vierde achtereenvolgende jaar niet uitgevoerd. Deze wet, bedoeld om mensen met de laagste inkomens enige zekerheid te bieden, is zo een volstrekt dode letter gebleven. Van CDA en VVD valt geen enkele kritische kanttekening te verwachten. Ik vraag mij overigens af of de VVD Łberhaupt nog aan het debat meedoet.

De Voorzitter: De heer De Korte heeft zich verontschuldigd. Hij zal hier binnen enkele ogenblikken zijn.

De heer Willems (PSP): Neemt u mij niet kwalijk! De kaarten zijn geschud. Net als ieder jaar, wordt ook nu aan de mensen met een minimuminkomen onthouden wat hen krachtens de wet toekomt. Het is dan ook onverteerbaar Tweede Kamer 28 november 1984

dat de de regering in haar argumentatie voor deze nieuwe bevriezing nog steeds van een 'ad hoemaatregel' spreekt, terwijl het zo overduidelijk is dat het creŽren van een scheiding tussen werkenden en niet-werkenden en van afstand tussen de laagste en de hogere inkomens een integraal onderdeel van het kabinetsbeleid is geworden. Gisteren, bij de behandeling van de begroting voor Sociale Zaken, hebben wij nog eens gewezen op die verkeerde voorstelling van zaken door het kabinet van een nivellering die in de laatste jaren zou zijn opgetreden. Het tegendeel is het geval. In de afgelopen jaren is gebleken dat sprake is van een denivellering. De minister-president liet er in de Eerste Kamer weinig onduidelijkheid over bestaan dat ook de afstand tussen uitkeringen en lonen sterker moet worden. In deze memorie van antwoord geven de bewindslieden van Sociale Zaken toe dat ook deze maatregel weer een denivellerend effect op de inkomensverhoudingen heeft. Bovendien blijkt uit het erin opgenomen staatje dat de koopkracht van de echte minima in de afgelopen twee jaar met 3,5% is gedaald, terwijl die van vier maal modaal met 1,7% is gedaald. Dat betekent dat de meerjarige echte minima tweemaal zo veel koopkracht hebben moeten inleveren als de mensen die vier keer het modale inkomen verdienen. In dat kader moeten wij deze bevriezing van de minimumlonen en de uitkeringen zien. De argumentatie van de regering ter rechtvaardiging van deze maatregel moeten wij dan ook met de nodige emmers zout nemen. Er wordt wat gemompeld over 'terugdringing van het financieringstekort' en over 'de collectievelastendruk', maar ingrijpende maatregelen worden daarmee niet voldoende beargumenteerd. Het zijn argumenten met eeuwigheidswaarde. De collectievelastendruk kan in de visie van de regering nooit laag genoeg zijn; die druk is altijd te hoog. Daarom wordt een verwijziging naar de ontwikkeling van de collectievelastendruk van de afgelopen jaren en de effecten daarvan op de mensen die nu opnieuw moeten inleveren gewoon maar achterwege gelaten. Ons verzoek, in te gaan op de positie van de echte minima en op de schuldenlast waarmee zij momenteel te kampen hebben wordt doorverwezen naar een nog te voeren debat over het rapport Minima zonder marge.

Het voorliggende wetsvoorstel is er ťťn uit een serie die uiteindelijk ten doel heeft de scheiding tussen werkenden en niet-werkenden te vergroten en van de laagste inkomens meer te vragen dan van de hoogste. Die serie wetsvoorstellen heeft vooral mensen met lage inkomens en uitkeringen in de afgelopen jaren een aanzienlijk koopkrachtverlies gebracht. Het toppunt van denivellering is wel dat de verlaging van de minima bovendien via premieverlichting zelfs voor een deel weer ten goede komt aan de werkenden. Zo komt een bedrag van f105 miljoen via premieverlichting aan de werkenden ten goede. De keuze om opnieuw mensen met het minimumloon en met de laagste uitkeringen te treffen, is niet zo onvermijdelijk en onontkoombaar als regering, CDA en VVD ons telkens voorhouden. De geringe opbrengst van deze maatregel, namelijk f 50 miljoen voor de schatkist, f45 miljoen voor het bedrijfsleven en f 105 aan premieverlichting voor de werknemers, zou met een simpele ingreep ook ergens anders vandaan kunnen worden gehaald. De premies zouden slechts met een fractie hoeven te worden verhoogd om hetzelfde bedrag te halen. Daarbij zou men ervoor kunnen kiezen om, gezien de winstontwikkeling in de bedrijven en de koopkrachtdaling van de mensen met een minimuminkomen, de minima te ontzien.

De hoogste belastingschijven zouden slechts met een fractie van procenten hoeven te worden verhoogd om de budgettaire doelstelling van het kabinet te bereiken. Dat is een pijnloze ingreep voor mensen die het gemakkelijk kunnen betalen. Het verminderen van de kinderbijslag boven modaal zou een andere mogelijkheid zijn om het geld daar weg te halen waar het zit. Dit zijn andere, gemakkelijk uitvoerbare en weinig ingrijpende keuzes. Zo lang zij niet worden gemaakt, heeft het weinig zin te zoeken naar het sociale gezicht van het CDA. Dat masker is al lang gevallen, toen men er jaren geleden voor koos de tweedeling in de maatschappij te bewerkstelligen. Voorzitter! Bij interruptie heb ik al aan de woordvoerder van de fractie van het CDA gevraagd waarom het CDA niet aandringt op de uitvoering van de motie die door haar bij de algemene beschouwingen met betrekking tot de bevriezing van de kinderbijslag is ingediend. Ik vind het teleurstellend dat de fractie van het CDA toch akkoord gaat met het voorstel om de kinderbijslag per 1 juli te bevriezen. Zowel de Raad van State als de SER heeft immers overduidelijk aangetoond dat deze bevriezing meer de gezinnen met kinderen in de lage inkomensgroepen treft dan die in de hoge inkomensgroepen. Het CDA probeert in het land de suggestie te wekken dat zij de minima voortaan zal ontzien. Deze maatregelen bewijzen echter dat het tegenovergestelde het geval is. Voorzitter! Er moet f20 min. worden opgebracht door middel van deze besparing op de kinderbijslag. Oorspronkelijk was echter voorzien in een opbrengst van f90 min. De kinderbijslag zou dan het gehele jaar bevroren worden. Ik snap het verschil eigenlijk niet. Waar komt die f70 min. verschil vandaan? Komt dat omdat die f90 min. wellicht gebaseerd was op een forsere koopkrachtontwikkeling dan nu voorzien wordt of zijn er andere verklaringen waarom er ineens een verschil van f70 min. is? Voorzitter! Omdat de WAM met terugwerkende kracht werkt, is het onduidelijk wat nu precies het koopkrachteffect zal zijn voor de minima, zeker voor wat betreft de bevriezing op 1 juli. Ook de ontwikkeling van de koopkracht voor de minima op 1 januari is nog niet exact vast vast te stellen. Wat zijn de precieze cijfers, voor zover de laatste prognoses daarin inzicht geven? Het moet nu ongeveer bekend zijn wat volgens de WAM op 1 januari eventueel betaald zou behoren te worden. Ik vind dat wij over een betaling of een bevriezing per 1 juli op dit moment nog geen beslissing kunnen nemen. Er zijn nog zoveel onduidelijkheden over wat er gaat gebeuren in de ca.o. onderhandelingen met de arbeidstijdverkorting, met het inleveren van prijscompensatie dat het een slag in de lucht is daarop nu reeds vooruit te lopen. De woordvoerder van het CDA kan dan wel zeggen, dat hij er goed kennis van genomen heeft dat de regering dan bij de Kamer terugkomt. Ik zou het echter willen omdraaien. Wij moeten nu over de bevriezing op 1 juli geen enkele afspraak maken; wij moeten dit pas later in het jaar bekijken als duidelijker wordt wat er met de loonontwikkeling in het bedrijfsleven gaat gebeuren. Dat is ook het advies van de Raad van State geweest. Ik betreur het dat de regering dat advies volstrekt naast zich neergelegd heeft. Ik heb samen met de heer Buurmeijer een amendement inge-Tweede Kamer 28 november 1984

diend om de bevriezing in dit wetsontwerpte beperken tot een bevriezing op 1 januari, zodat wij in een later stadium op de situatie op 1 juli terug kunnen komen. Op die manier blijft de WAM in ieder geval in stand. Ik heb al gezegd dat er reacties vanuit de vakbeweging, gemeentebesturen, organisaties enzovoorts gekomen zijn waarin wij opgeroepen worden deze bevriezing niet te laten doorgaan. De koopkrachteffecten voor de laagste inkomens zijn al te ernstig geweest. Ook het advies van de SER is verdeeld, maar wel duidelijk. Het deel van de SER bestaande uit de werkgevers met precies de helft van de kroonleden steunt het kabinet en het andere deel bestaande uit werknemers en de andere helft van de kroonleden wijst het wetsvoorstel sterk af. Doordat het kabinet het advies van dat deel van de SER dat uit werkgevers bestaat volgt, bekent het kabinet voor de zoveelste maal kleur. Het zal duidelijk zijn, mijnheer de Voorzitter, dat dit niet onze kleur is.

©

L.S. (Louise)  GroenmanMevrouw Groenman (D'66): Mijnheer de Voorzitter! U zult het wel geen goede gedachte vinden, maar ik kan mij voorstellen dat wij voortaan met bandjes werken. Bandjes waarop de inbreng van de verschillende fracties staat gedurende het afgelopen half jaar en een bandje van de regering, dan kunnen wij daarnaar in een luie stoel nog eens luisteren. Het is immers elke keer weer hetzelfde liedje. Opnieuw wordt voor de zoveelste keer door de regering afgezien van het aanpassen van de uitkeringen, het wettelijk minimumloon en de kinderbijslag aan de ontwikkeling van de lonen zoals die tot uiting komt in de index van de regelingslonen. De memorie van antwoord op het voorlopig verslag windt er weinig doekjes om als het gaat om de vraag hoeveel de uitkeringen op dit moment achterlopen bij de ontwikkeling zoals die in de wet is vastgelegd. Sinds 1 januari 1980, het moment waarop de Wet aanpassingsmechanisme van kracht werd en ook het enige tijdstip waarop die wet onverkort is toegepast, hebben de minimumuitkeringen en de minimumlonen een achterstand opgelopen van, in netto termen, bijna f 100 per maand en meer dan f100 per maand indien de vakantietoeslag die uiteraard ook evenredig is verlaagd, daarin wordt betrokken.

Op zich zelf vormt dit al een duidelijke illustratie van het inkomensbeleid dat door het kabinet in de laatste jaren is gevoerd. Dit is echter nog maar de helft van het plaatje. In bruto termen lopen minimumlonen en de uitkeringen 10% achter op de index. Compleet wordt het beeld pas, indien de ontwikkeling in inkomen van andere groepen in onze samenleving wordt vergeleken met die van de minimum uitkeringen en de minimumlonen. De tabel op blz. 5 van de memorie van antwoord zegt dat de minimum WAO-er sinds 1982 er 9% op achteruit is gegaan, een niet-minimum-WAO-er ruim 12% en de werknemer slechts 6,4% dat op zich zelf ook een behoorlijke achteruitgang is, maar daarbij moet wel bedacht worden dat het cijfer exclusief incidenteel is en dat een heel behoorlijk deel van de werknemers dat incidenteel wel zal hebben gekregen. Door dit ook in aanmerking te nemen wordt het plaatje nog schever. Dat laatste is helemaal het geval als het jaar 1985 erbij wordt genomen. Volgend jaar gaat de modale WAO-er er namelijk ruim 5% extra op achteruit. Dat brengt het totaal op 17%. De minimum-WAO-er blijft ongeveer gelijk. Daarvoor blijft het dus 9%. De werknemer daarentegen gaat er opnieuw exclusief incidenteel circa 2% op vooruit, hetgeen voor hem neerkomt op een koopkrachtteruggang van 4%. Het is die ongelijke ontwikkeling, waartegen D'66 zich vanaf de aanvang van dit beleid heeft verzet. Ik wil overigens aan de staatssecretaris vragen hoe de cijfers van de tabel, aangevuld voor het jaar 1985 en aangevuld met incidenteel voorzover het werknemers betreft er precies uitzien. De ramingen voor 1985 zijn gebaseerd op een heel laag geraamd percentage aan inflatie van 1,5. Zeker nu volgens de laatste gegevens de inflatie weer enigszins toeneemt, is het realiteitsgehalte van die raming wel uiterst twijfelachtig geworden, meer een wensdroom dan een reŽle prognose. Wat is de jongste raming van het inflatiepercentage in 1985? Stel dat de prijsontwikkeling hoger uitkomt dan bij het opstellen van de Miljoenennota werd geraamd, welke conclusies zal het kabinet daar dan uittrekken? Mijnheer de Voorzitter! In de memorie van antwoord schrijft de regering onder meer dat de doelstellingen van de WAM als centraal uitgangspunt van kracht blijven. Dat wil zeggen, zo lees ik verder, dat het kabinet het principe, dat voor de ontwikkeling van de uitkeringen en het minimumloon de algemene loonontwikkeling bepalend is, blijft hanteren. Het kabinet schrijft dan ook nog, dat het geen plannen heeft in de richting van een ontkoppeling van het mini-mumloon en de sociale uitkeringen. Met die uitspraak op zich zelf ben ik gelukkig, hoewel uitspraken van de heer Lubbers op dit punt mij toch weer ernstig aan het twijfelen hebben gebracht. Dit heb ik echter gisteren ook al gezegd bij de begrotingsbehandeling. Wat het overige betreft is het voor mij onbegrijpelijk hoe iemand dergelijke onzin kan neerschrijven. Iets anders is het namelijk niet. Wat is namelijk een uitgangspunt waard dat ieder jaar weer even gemakkelijk ter zijde wordt geschoven? Het uitgangspunt van dit kabinet onderscheidt zich in niets van de goede voornemens die door velen met Oud en en Nieuw worden geuit. Vaak zijn zij die voornemens in februari weer vergeten. Het zou dit jaar uitermate gemakkelijk geweest zijn om nu eens wel uitdrukking te geven aan het goede voornemen en de uitkeringen en de minimumlonen gewoon te verhogen op grond van de loonontwikkeling die heeft plaatsgevonden. In de eerste plaats gaat het in vergelijking met voorgaande jaren om relatief geringe percentages en in de tweede plaats was de financiŽle ruimte er. In plaats van het goede voornemen na te komen, wordt aan de werkenden een extra arbeidstoeslag gegeven, bovenop de belastingvrije som. Los van het gekrakeel dat een paar weken geleden plaatsvond over de hoogte daarvan, is daarmee toch overduidelijk de keuze gemaakt dat de voordelen aan de werkenden en niet aan degenen meteen uitkering moeten worden toegespeeld. Het is dan niet anders dan schijnheilig om te zeggen dat de doelstellingen van de WAM het centrale uitgangspunt blijven vormen.

Mijnheer de Voorzitter! De fractie van D'66 heeft er enige jaren geleden voor gepleit om alle inkomens in Nederland te bevriezen en daarnaast de koopkracht zo goed mogelijk op peil te houden door het verlagen van de loon-en inkomstenbelasting voor iedereen. In dat kader hebben wij in het verleden ook ťťn keer een beperking van het minimumloon en de uitkeringen gesteund. Het zag er namelijk nog naar uit dat de ontwikkeling in de collectieve sector gelijk kon zijn aan die van de marktsector. Bovendien hebben wij gezegd dat indien wij arbeidsduurverkorting met Tweede Kamer 28 november 1984

kracht willen stimuleren het noodzakelijk is dat uitkeringen en minimumlonen daarbij enigszins vooroplopen ten opzichte van andere inkomens. Anders zou de inkomensdaling die het gevolg is van arbeidsduurverkorting ertoe kunnen leiden dat de verdiende inkomens beneden het miniumloon uitkomen. Dat zou tot allerlei fricties aanleiding hebben kunnen geven. Wij hebben er toen wel bij gezegd dat, als de ontwikkeling rond de arbeidsduurverkorting hiermee niet gelijke tred hield, de minimumlonen en de uitkeringen alsnog zouden moeten worden aangepast. Er zou dus een beleidsmatige koppeling zijn met een relatie metarbeidsduurverkorting en met eventueel een correctie achteraf. Is dit idee in een la verdwenen? Geen van beide argumenten doet zich thans voor. De ontwikkeling van de verschillende inkomensgroepen is dusdanig dat zij verder uit elkaar groeien. De afstand tussen de index der regelingslonen en de uitkeringen en het minimumloon loopt volgend jaar op tot ruim 10%. Mijnheer de Voorzitter! Mijn fractie kan geen enkel redelijk argument vinden die een maatregel als deze rechtvaardigt en zij zal derhalve tegen de bevriezing van het minimumloon en de uitkeringen stemmen.

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP): Het is geen opwekkende bezigheid om in een kort tijdsbestek een aantal bezuinigingsvoorstellen op het gebied van de sociale zekerheid te moeten behandelen. Gelet op de ombuigingstaakstelling in 1985 van f2,5 mld., spelen onderhavige maatregelen slechts een bescheiden rol. Het gaat in totaal om f200 min. Toch neemt mijn fractie met weinig vreugde kennis hiervan. Dat de basiskinderbijslagbedragen per 1 januari 1985 op de gebruikelijke wijze, in tegenstelling tot de oorspronkelijke voornemens, zullen worden aangepast, stemt binnen deze context echter weer tot voldoening. Ook waardeert mijn fractie het streven om de koopkracht voor de minima in 1985 niet nog verder achteruit te laten gaan. Dat daardoor de bovenminima in 1985 een relatief groot deel van de bezuinigingen moeten dragen, kan niet worden ontkend. Dit is echter wel rechtvaardig, gezien de positie van de minima, die ons en anderen zorgen geeft. Is evenwel ook van rechtvaardigheid sprake als men dit vergelijkt met de hogere verdiepingen in het loongebouw? Wij hebben daarover onze twijfels en vragen ons af of deze weg te nemen zijn. De bevriezing van de kinderbijslag per 1 januari aanstaande heeft duidelijk het karakter van een compromis. Dit compromis werd gesloten bij het algemeen financiŽle debat over de begroting voor 1985. Bij die gelegenheid heeft mijn fractie die beslissing gesteund als element in een pakket van maatregelen en wijzigingsvoorstellen. Wij zullen deze steun nu niet intrekken. Zijn er echter nu helemaal geen ontwikkelingen en omstandigheden denkbaar die heroverweging in de loop van de eerste helft van 1985 kunnen rechtvaardigen? Deze maatregel komt immers hard aan bij met name de grote gezinnen die van lagere inkomens moeten rondkomen. Daarom blijft mijn fractie op dit punt toch kritisch. De doelstellingen van de Wet aanpassingsmechanismen blijven als centraal uitgangspunt van kracht. Dit wil zeggen dat het principe dat voor de ontwikkeling van de uitkeringen en het minimumloon de algemene loonontwikkeling bepalend is, gehanteerd blijft. Tevens wordt de koppeling tussen het minimumloon en de sociale uitkeringen gehandhaafd. Dat klinkt geruststellend. Een aantal jaren is er echter reeds sprake van een afweging tussen verschillende doelstellingen, waarbij voor het kabinet de werkgelegenheid de grootste prioriteit had en nog heeft. Het is een afweging, waarbij het kabinet een ingreep in het WAM-mechanisme aanvaardbaar vond en nog vindt. Ik wil dit niet bestrijden. Ik vraag mij wel af of het niet-indexeren van het minimumloon en de sociale uitkeringen dan nog wel kan worden aangemerkt als een maatregel ad hoc, te meer daar het effect van deze maatregel structureel is. Achteraf vindt er immers geen correctie plaats. De WAM is alleen per 1 januari 1980 onverkort toegepast. Kan nog eens nader worden ingegaan op de opmerking dat tot 1983 de afwijkingen ten opzichte van de WAM tijdelijk van aard waren en dat deze in een later stadium werden gecorrigeerd? Met andere woorden: hoe zagen deze uitschuifoperaties er precies uit? Als gelet wordt op de meeruitgaven van de sociale zekerheid van een onverkorte WAM-indexering -deze meeruitgaven zouden f4 mld. bedragen-, kan men hetWAM-mechanisme dan blijven verdedigen? Dit is geen kritiek. Ik breng dit naar voren uit oprechte zorg. Daarom vraag ik de bewindslieden hoe zij in de toekomst de werking van het WAM-mechanisme zien. Naar een globale schatting zijn er momenteel 350.000 personen werkzaam op het niveau van het minimumloon. Ongeveer de helft betreft de minimumjeugdloners. Binnen welke termijn zal het CBS gegevens met betrekking tot de verdeling naar kostwinner en niet-kostwinner publiceren en wat zal er vervolgens met deze gegevens worden gedaan? Graag zou ik ook nadere gegevens ontvangen over de orde van grootte waarin een lichte denivellering plaatsvindt tussen het minimumloonniveau en het modale niveau als gevolg van het totale pakket van kabinetsvoorstellen. Kunnen ook mededelingen worden verstrekt over het verwachte precieze effect van de denivellering qua afhankelijkheid van de mate waarin de modale werknemer moet verzuimen door ziekte? Hoe zien de bewindslieden de voorstellen in het licht van de acutele context? Ik denk aan de debatten in de Eerste Kamer, aan de voorstellen van NCW en aan de claims van de FNV.

©

J.F. (Flip)  BuurmeijerDe heer Buurmeijer (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Dit debat vindt plaats op een wat merkwaardig moment: kort na de algemene beschouwingen, waarbij deze voorstellen al uitvoerig aan de orde zijn geweest, en tussen de eerste termijn van de Kamer en die van de regering over de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ook dit onderwerp heeft weer alles van doen met het inkomensbeleid van dit kabinet. In feite is het de zoveelste discussie over de rechtvaardigheidsgrondslag van het beleid van dit kabinet. Ik sluit mij aan bij diegenen die hebben geconstateerd dat de bevriezing van het wettelijk minimumloon en de kinderbijslag bij het kabinet-Lubbers een automatisme is geworden. Met de Wet Aanpassingsmechanismen werd beoogd het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen structureel te koppelen aan de gemiddelde loonontwikkeling. Thans is de ontkoppeling structureel geworden. De WAM zou eigenlijk WNAM moeten heten, de Wet niet-Aanspassingsmechanismen. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is buitengewoon cynisch als hij in de memorie van antwoord schrijft dat de doelstellingen van de WAM als centraal uitgangspunt Tweede Kamer 28 november 1984

van kracht blijven. Deze lippendienst aan het principe van de WAM is grof als wij kijken naar het feitelijke beleid. In dat licht is het des te opvallender als de woordvoerder van het CDA, de heer Paulis, te kennen geeft dat op termijn de WAM haar tijd heeft gehad. Na de stelselherziening moet er volgens het CDA op een andere wijze sprake zijn van een koppelingsmechanisme. Uitgenodigd om te vertellen wat dat zou moeten inhouden, deed zich een herhaling voor van de gang van zaken gisteren. De vraag werd voorgelegd aan de regering, een eigen antwoord was er niet. Naast het opmerkelijke van de mededeling, constateer ik dat zestig jaar regeringsverantwoordelijkheid fracties in deze Kamer geen aandrang tot het oplossen van de problemen meer geeft. Ik vind het vrij ernstig de constatering te moeten doen, dat ook het CDA afwil van de huidige WAM. Tot nog toe had ik begrepen dat de CDA-fractie als argumentatie gebruikte dat er omstandigheden waren waardoor de WAM niet kon worden toegepast. Thans blijkt dat ongeacht de omstandigheden na de stelselherzieing een nieuw systeem van koppeling moet worden ontworpen. Het tijdelijk opheffen van de werking van de WAM is vervangen door het afschaffen ervan. Bij interruptie heb ik al opmerkt dat de CDA-fractie daarmee weer op ťťn lijn zit met de VVD-fractie. Het is maar net welke woordvoerder van het CDA je hoort. Ik kom hierop terug als ik straks de heer Linschoten ten tonele voer.

Uit alle verstrekte gegevens blijkt overduidelijk dat de uitkeringsgerechtigden een grotere koopkrachtdaling hebben ondergaan dan de modale werknemers. Een WAO'er op het minimumniveau gaat in de periode 1982-1985 9% achteruit. De modale werknemer gaat in die periode 6,4% achteruit, waarbij incidenteel buiten beschouwing blijft. Dit is te lezen uit informatie van de regering zelve. Het niet dan wel partieel toepassen van de WAM heeft ertoe geleid dat de verdienende minimumloners en uitkeringsgerechtigden in de periode 1980-1985 9,9% zijn achtergebleven ten opzichte van de gemiddelde loonontwikkeling. In guldens uitgedrukt blijft het netto minimumloon in deze periode ruim f92 achter. Dat is voor echtparen, voor ťťn-oudergezinnen en voor alleenstaanden op het minimumniveau een zeer groot bedrag, zeker in het licht van de zich nu aftekende koopkrachtontwikkelingen van mensen in de marktsector. Ik sluit mij aan bij hetgeen collega Schutte hierover opmerkte. Dit maakt het des te schrijnender dat deze categorie mensen deze inkomensachteruitgang blijft houden, terwijl aan anderen de ruimte wordt geboden. De regering is er nimmer in geslaagd om deze relatief zware benadeling van de allerlaagste inkomens te rechtvaardigen. Een zo selectieve uitkering van het ombuigingsbeleid kan niet anders worden verklaard -wij hebben dit ook opgemerkt in de schriftelijke procedure -dan alleen uit budgettaire overwegingen voort te kunnen komen. De primaire verantwoordelijkheid voor deze gang van zaken ligt bij de regeringspartijen die in den blinde een regeerakkoord hebben afgesloten. Hoewel waarneembaar is dat het CDA in toenemende mate moeite krijgt met de toen gemaakte keuzes, moet het moment nog komen dat het er afstand van neemt. Gisteren bleek opnieuw de behoefte van de fractie van het CDA om de bij haar bestaande frustraties over het bezuinigingsbeleid in de sociale zekerheid hier naar voren te brengen. Het CDA gaat echter nimmer een brug te ver, maar komt steeds een trein te laat. Vandaag zorgde de heer Paulis ervoor dat de CDA-fractie weer in de pas liep met de VVD. De fractie van de PvdA constateert dat de regering in de nota naar aanleiding van het eindverslag overigens afstand neemt van een suggestie of een opvatting, verwoord in een vraag -ook de VVD weet zich van die techniek te bedienen -om het wettelijk minimumloon te bevriezen bij voortgezette economische groei. Als doelstelling van beleid wordt in de nota geformuleerd een sterk beheerste ontwikkeling van de uitkeringen, waarbij voor de minimumuitkering koopkrachthandhaving voorlopig het uiterst haalbare lijkt te zijn. Een dergelijke formulering is geen bevriezing, is niet de nulsituatie. Dat is geen incidentele koopkrachttoeslagensystematiek. Anders kan ik dit niet verklaren. Het element 'voorlopig' suggereert dat het ook anders zou kunnen. Als dit het uiterste is naar onderen, moet ik aannemen dat het ook kan inhouden dat er op een betere wijze een koopkrachtverdeling gaat plaatsvinden. Wij menen hierin een duidelijke accentverlegging te bespeuren in de reactie van de zijde van deze bewindslieden. Hoe verhoudt zich deze uitspraak echter tot die van premier Lubbers vorige week in de Eerste Kamer? Hij ging wel uit van een nullijn. We gaan ervan uit dat de regering deze doelstelling ook hanteert voor 1985. Wij vragen ons dan in gemoede af waarom dan toch het minimumloon en de kinderbijslag bevroren moeten worden. Dit zijn beide algemene maatregelen die juist gelden voor een grotere groep dan de allerzwaarst gedupeerden, de mensen die het meest in de moeilijkheden zitten, namelijk de echte minima, maar waardoor ook juist voorkomen wordt dat, als daarvoor iets gebeurt, wij direct het opdrukeffect krijgen in het traject tussen minimum en modaal. Dit is ons niet duidelijk. Wij hebben hier principiŽle kritiek op. Er is echter ook pragmatisch kritiek op haar plaats. Het bevriezen van het wettelijke minimumloon en de parallelle bevriezing van de kinderbijslag vergroten het risico dat de doelstelling van een koopkrachtbescherming in 1985 niet wordt gehaald. Ook voor de eerstejaars -mevrouw Brouwer moet mij de term niet kwalijk nemen -voor de mensen die in 1985 voor het eerst in de situatie en op het niveau van een echt minimum komen te verkeren, moet dan worden uitgeweken naar ad hoc maatregelen. Zoals wij reeds bij de algemene beschouwingen vaststelden, is er geen enkele reden om deze maatregelen te nemen, juist ook in dit licht. Het zal ook alleen maar het probleem aan de zijde van de regering weer gaan vergroten. Wij hebben geconstateerd, dat bij de algemene beschouwingen door het CDA licht is gemorreld aan de oorspronkelijke voorstellen, zij het dat de opstelling aangaande de kinderbijslag in feite toch maar halfis uitgewerkt In feite hebben ook degenen die recht hebben op kinderbijslag voor een deel, namelijk daar waar het gaat om de leeftijdsafhankelijke bijstelling, een sigaar uit eigen doos gekregen. Gelet op de thans geformuleerde doelstelling, de koopkrachthandhaving, zal echter ook de CDA-fractie zich toch nog opnieuw hebben te bezinnen op de toen gedane keuze. Waarom het risico nemen van een uitbreiding van de groep van de echte minima in 1985? Waarom opnieuw de last verhogen, waardoor het nog moeilijker wordt om op een aanvaardbare wijze de effecten van incidentele koopkrachttoeslagen op termijn weer op te vangen of te beŽindigen? Als geen der beide regeringspartijen thans de ruimte heeft -de VVD niet omdat zij niet wil en het CDA niet omdat het in Tweede Kamer 28 november 1984

de pas moet blijven -om zich alsnog integraal tegen de voorstellen te keren en de indexering van de kinderbijslag en het wettelijk minimumloon regulier te doen plaatsvinden, waarom wordt dan toch nu reeds de situatie voor geheel 1985 volledig dichtgespijkerd? Wat is er tegen om ook vanuit hun positie medio april 1985 de situatie opnieuw onder de ogen te zien? Als het CDA meent wat het gisteren zei en wat de heer Weijers zei voor De Rooie Haan, zal het op zijn minst nu duidelijk moeten maken, dat het de situatie per 1 juli open wenst te laten om aan de hand van nader te verstrekken gegevens, die er dit voorjaar zouden moeten zijn, te bepalen welke houding het gaat innemen. Steeds vaker valt op, dat bij het zoeken naar andere wegen door het CDA er wordt gezegd: na de stelselherziening. De heer Paulis heeft zoeven aangegeven, dat die veel verder strekkende gevolgen heeft dan op zich het stelsel van de sociale uitkeringen, namelijk de verankering van het stelsel ten aanzien van de welvaartsontwikkeling. Wij hebben, omdat het CDA dreigt akkoord te gaan met deze voorstellen en wellicht niet meent wat het hier gisteren zei, een amendement ingediend om deze fractie in een keuzepositie te brengen. Ik zeg daarbij wel nadrukkelijk, dat wij niet van mening zijn, dat daarmee de gang van zaken per 1 januari acceptabel is. Wij vinden dat de tweede positie, die per 1 juli, ook in dit debat ernstig moet worden overwogen. Wij menen dat de argumentatie van de Raad van State, die door de regering is weggewuifd, serieus moet worden genomen. Vandaar ons amendement, dat mede is ondertekend door collega Willems. De gang van zaken bij deze voorstellen is -ik heb het al aangeduid -van grote betekenis voor de groep van de echte minima en er is reden om te twijfelen aan de door de regering geschetste ontwikkeling en de geschatte prijsontwikkeling in 1985. Er is onzekerheid of de inflatie beperkt zal blijven tot 1,5%. Ik zeg nu niet, dat wij erop uit zouden moeten zijn die inflatie geweldig te doen stijgen maar de onzekerheid daarover neemt toe. Indien dit niet het geval is, valt het inkomensbeeld dat de regering heeft gepresenteerd volledig aan duigen en de noodzaak van een eenmalige uitkering voor alle echte minima is dan weer volop aanwezig. De regering ontwijkt vragen onzerzijds door te verwijzen naar de reeds behandelde voorstellen ten aanzien van de meerjarige echte minima. Zij behoort nu klip en klaar duidelijk te maken, dat indien zich aftekent dat het inflatieniveau hoger zal komen te liggen dan werd verwacht en meer zal bedragen dan het percentage waarop het beleid werd afgestemd, de koopkrachtbescherming van de minima, in het bijzonder die van de echte minima, in stand blijft. Dat is een doelstelling die de regering verwoordt in de nota naar aanleiding van het eindverslag. Ik dien daarover nu nog geen motie in. Ik moet aannemen, dat de regering de belofte die zij nu heeft geformuleerd gestand wil doen en er dan ook geen moeite mee heeft om te zeggen, dat zij het komende voorjaar -zeg april -de verzekering wil concretiseren door dan aan de hand van de cijfers de beleidsvoorstellen te doen, maar dan wel uitgaande van deze verzekering. Wij nemen waar dat, waar het CDA tracht, enerzijdsanderzijds, zijn sociaal gezicht weer op te zetten, de VVD zich daardoor rabiater in tegenovergestel-de richting gaat opstellen. De heer De Korte stelde gisteren onverbloemd, dat de afstand tussen de lonen en de uitkeringen in de eerstkomende jaren beduidend groter moet worden. Voor hem zijn dit soort maatregelen dan ook alleszins aanvaardbaar. Het is in dit licht toch buitengewoon onthullend in een partijpublikatie van de VVD over de telefoonactie te moeten lezen, dat zijn fractiegenote mevrouw Den Ouden opschrikt van de problemen van uitkeringsgerechtigden, maar dit, om haar eigen woorden te gebruiken, niet relateert aan het beleid van haar eigen partij. Zij realiseert zich blijkbaar niet, dat haar jeugdige collega de heer Linschoten hier gisteren naar voren bracht, dat naar het oordeel van zijn fractie de WAM ter discussie dient te komen, omdat, zo gebruikte hij nota bene als argumentatie, er meer inkomens gekoppeld zijn dan er inkomens zijn om aan te koppelen. Het past de VVD niet langer -laat zij dat dan ook zeggen -omdat zij vrij baan wil maken voor de actieven en daarmee elk element van solidariteit achterwege wil laten.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik zou de heer Buurmeijer willen vragen, of hij wil nalezen, wat ik op het punt van inkomensverdeling gisteren heb gezegd bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ik wijs met klem de beschuldiging van de kant van de heer Buurmeijer van de hand, dat wij de sociale minima zo maar alleen op achterstand willen zetten. Wij hebben hier gisteren heel nadrukkelijk naar voren gebracht, dat wij uit doelmatigheidsoverwegingen de sterken willen versterken, omdat zij danig verzwakt zijn, en daarmee het algemene groei-en welvaartspeil in Nederland omhoog willen brengen om zo ten slotte de minima te kunnen maximaliseren. Wat de heer Buurmeijer doet is het omgekeerde; daarmee zakken de minima uiteindelijk almaar verder terug.

De heer Buurmeijer (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik neem geen woord terug van wat ik zoeven heb opgemerkt. Punt 4 van de tekst die de heer De Korte ter beschikking van de pers heeft gesteld, vermeldt, dat de opvatting van de VVD is, dat de afstand tussen de lonen en de uitkeringen de eerstkomende jaren beduidend groter moet worden. Dat was ook de inzet van zijn zijde. De heer De Korte vult het nu in en verkondigt er ook een opvatting bij. Het is niet de onze. Ik constateer wel, wie van dat uitgangspunt uit geredeneerd het slachtoffer gaan worden.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! De heer Buurmeijer mag dan niet spreken over rabiaat en dergelijke, want dat zou betekenen, dat wij er geen goede redenering achter hebben zitten. Ik heb zeer nadrukkelijk gisteren de hele eerste termijn van Sociale Zaken gebruikt om die redenering hier helder voor het voetlicht te brengen. Als de heer Buurmeijer daar niet naar wenst te luisteren dan is dat zijn zaak, maar dan moet hij ons niet van rabiaatheid of iets dergelijks betichten, want dat is volstrekt onjuist. Wij hebben alleen gezegd, dat we de groei van volgend jaar en de jaren daarna allereerst moeten gebruiken om de actieven te activeren, zodat we de minima kunnen maximaliseren. Dat is onze doelstelling. Ik zou wensen, dat hij daar eens meer naar zou luisteren.

De heer Buurmeijer (PvdA): Ik doe niet anders. Ik lees zelfs de tekst van de heer De Korte na op het moment dat ik hier niet aanwezig kan zijn. Daar zit het niet in. Ik blijf volharden in mijn opvatting, dat de heer De Korte in diens formuleringen geen enkele nuance meer nodig heeft voor zijn theorie, dat het voor de zwakkeren in onze samenleving beter zal worden naarmate we meer inzetten op de sterkeren in deze samenleving. Dat is zijn filosofie. Hij heeft er zelfs bij Tweede Kamer 28 november 1984

aangegeven, dat 75.000 voor de een 25.000 voor de ander zou kunnen betekenen en daarmee 10.000 meer. Dat is een ideologie die uitgaat van het recht van de sterkste. Die krijgt prioriteit. Dan zeg ik, dat we zelfs in die theorie maar moeten hopen, dat de zwakkeren er iets van mee krijgen. We praten nu met de bevriezing van het minimumloon vanuit de situatie, dat die mensen op dat punt blijven staan en dat de heer De Korte zijn best doet -ik neem het hem niet kwalijk dat hij het hier uitspreekt; het is zijn politieke richting maar ik wens het te bestrijden -daardoor ruimte te creŽren voor diegenen die nog werk hebben en die wij thans aanduiden als de actieven.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik ben blij, dat de heer Buurmeijer nu vaststelt, dat de VVD met haar goede bedoelingen -daar wekte hij even twijfel aan -hier een politiek uiteenzet om op de langere termijn de minima te maximaliseren. Natuurlijk is het zijn recht op de korte termijn te zorgen, dat ieders koopkracht gehandhaafd blijft. Dan zullen we de resultaten maar moeten afwachten. We zien het nu al; werkloosheid is er alom. Het is een verschil van mening. Wij werken op de lange termijn, de PvdA op de korte termijn. Als we dat maar even vasthouden.

De heer Buurmeijer (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Deze Kortiaanse wijze van schildering van de posities van de VVD en de PvdA doet natuurlijk geenszins recht aan hetgeen ik heb opgemerkt. Ik constateer, dat de heer De Korte zich niet verzet tegen mijn stelling dat hij nu kiest voor de actieven en dat hij daarmee het element van solidariteit, dat volop aanwezig was in het inkomensbeleid in dit land, volledig doorbreekt. Voorzitter! Naar het oordeel van de fractie van de Partij van de Arbeid dient het bruto minimumloon opnieuw gekoppeld te worden aan de gemiddelde loonontwikkeling en daardoor de gemiddelden te blijven volgen. Voorts dient het sociaal minimum als referentieminimum gekoppeld te blijven aan het netto minimumloon. Wij hebben het dan ook over een dubbele koppeling. Wij plaatsen op die wijze het sociaal minimmum in het kader van de algemene welvaartsontwikkeling. Dit betekent dat, wanneer de economische ontwikkeling enige groei vertoont, de sociale minima rechtvaardig meedelen in deze groei. Mocht onverhoopt de welvaartsontwikkeling zich in neerwaartse richting bewegen dan staan wij -net zoals anderen, maar wij in het bijzonder -voor de taak, een uitgebreid spectrum aan inkomenspolitieke instrumenten te hanteren om de bestedelingsmogelijkheden van de laagste inkomensgroepen, in het bijzonder die van huishoudens met een sociaal minimum, te beschermen. Voorzitter! Ten slotte wil ik een opmerking maken over een element, dat als een terzijde door de regering in de schriftelijke procedure naar voren is gebracht, te beginnen in de memorie van toelichting. Ik doel op de mededeling, dat de uitkeringen van de oorlogsgetroffenen gekoppeld zullen worden aan de militaire invaliditeitspensioenen. Wij vonden deze wijze van presentatie niet juist en niet te behoren tot een behoorlijke omgang tussen regering en parlement, evenmin in relatie tot de groepering, waarom het hierbij gaat. Wij zien de relatie niet zo eenvoudig gelegd als de minister in de nota naar aanleiding van het eindverslag doet. Daarbij zeg ik ook: het is thans niet het moment om deze discussie te voeren. Die zullen wij op een ander moment, aan de hand van een ander stuk met een andere bewindsman voeren.

©

I. (Ina)  BrouwerMevrouw Brouwer (CPN): Voorzitter! De koppeling is door het CDA -ik meen bij monde van de heer Weijers; het is al vaker gezegd en ik herhaal het graag -genoemd een teken van beschaving. Op zich zelf valt daar iets voor te zeggen. Dit op het oog zuiver technische mechanisme staat voor de gedachte dat ook werklozen en arbeidsongeschikten hun koopkracht op peil moeten kunnen houden en niet, ik zou haast willen zeggen, dubbel gestraft moeten worden omdat zij buiten het arbeidsproces staan. Als het met ieder teken van beschaving net zo zou gaan als met de koppeling, is het wel heel slecht gesteld met de samenleving. Immers, de regering heeft de wet vooral gehanteerd om de werking ervan te bevriezen. Wij kunnen vaststellen dat er in feite sprake is van een ontkoppeling en dat over herstel van hetgeen ontkoppeld is, dus van hetgeen eindelijk niet ten goede is gekomen aan uitkeringsgerechtigden en mensen met een minimumloon of uitkering, helemaal niet gesproken wordt. De uitspraken van de minister-president van de vorige week, gesteund door de VVD, maken het nog erger. Het ziet ernaar uit -en dit debat geeft daartoe een extra aanzetje -dat er in de komende jaren door de regering, gesteund zelfs door beide regeringspartijen, verder en nu officieel ontkoppeld wordt. De bewindslieden zeggen in de schriftelijke voorbereiding, dat de geest van de koppeling wordt gehandhaafd. Ik zou daarop willen reageren met: van de geest kan je nu eenmaal niet eten. Het vaandel van het CDA onder het trotse motto 'niet bij brood alleen' in de trant van ' de geest moet je verheffen boven de materie' kan op zich zelf wel wervend zijn, maar roept naar mijn idee om aanpassing: 'zelfs niet alleen bij brood'. Toepassing van het koppelingsmechanisme nu ligt voor de hand. Daarvoor zijn een aantal argumenten aan te dragen, die ik kort wil noemen. In de eerste plaats is er een wettelijke plicht en deze kan, naar het oordeel van de CPN, niet telkens door regering en parlement straffeloos opzij worden gezet. Stel je voor, dat bij de uitvoering van wetten ieder jaar de vraag wordt gesteld: Laten wij eens kijken of we dit gaan uitvoeren? Ik zou een ieder hier willen vragen, eens zijn fantasie te laten gaan. Wat zou eraan gebeuren met de rechtsorde? Het vertrouwen in de werking van de wet is een belangrijk uitgangspunt voor de maatschappelijke basis van de wet. Men mag dit toch in de eerste plaats van de wetgever zelf vragen. In de tweede plaats wijs ik erop dat de koppeling nu slechts een woord is; er wordt zelfs over een geest gesproken. Ontkoppeling van minimumloon, sociale uitkeringen en lonen is een feit. Dat zou hersteld moeten worden, ten minste als regeringspartijen hun woord gestand doen dat de wens bestaat om een koppeling tussen uitkeringen, minimumloon en loontontwikkeling te handhaven. In de derde plaats hebben degenen met minimumlonen en uitkeringen zeer veel ingeleverd. Volgens berichten uit alle windstreken strekt het probleemzich verder uit dan het minimum alleen. Wat dit betreft kan ik instemmen met een aantal opmerkingen, die namens de VVD zijn gemaakt. Ook mensen met een modaal inkomen komen in de problemen terecht. De moeilijkheden rijzen niet alleen voor de niet-werkenden maar ook voor de werkenden. Doorwerking van de indexering is bij dit alles wel het minste wat men mag vragen, zeker als men ziet dat er een geweldige verlaging heeft Tweede Kamer 28 november 1984

plaatsgevonden van uitkeringen, minimumloon en minimumuitkeringen. In de vierde plaats is de kwestie van de loonontwikkeling voor 1985 onzeker. De Raad van State heeft daarop gewezen en gevraagd, waarom een en ander niet opnieuw op 1 juli 1985 wordt bezien. Daar is heel veel voor te zeggen omdat op dat moment de loonontwikkeling pas duidelijk wordt. In welke richting het gaat, hebben wij deze week kunnen zien. Het is al tenminste een jaar duidelijk dat mensen het inleveren beu zijn. Arbeidstijdverkorting blijkt door regering en werkgevers vooral misbruikt te worden om de lonen omlaag te brengen. Echte arbeidstijdverkorting, laat staan herbezetting, wordt blauwblauw gelaten. Het is dus een oneigenlijk argument om de lonen verder te kunnen verlagen. Het is de natuurlijke plicht van een vakbeweging om de mensen tegen deze inleverpraktijken te beschermen. De heer De Korte vergeet dat volgens mij nog wel eens. Het lijkt erop dat werkgevers op zich zelf geen grenzen kennen om de situatie waarin wij verkeren te gebruiken -ik zou eigenlijk willen zeggen: te misbruiken -om de lonen naar beneden te brengen. Natuurlijk richt zich dat met name op het minimum, het minimumloon, de minimum jeugdlonen. De heer Schutte gaf het ai aan: de NCW komt nu met het voorstel om het minimumloon met 30% te verlagen, terwijl wij allen toch weten dat het minimum nu al tŤ laag is! Hetgeen regering en Kamer nog niet willen -ik ben voorzichtig om uit te spreken dat de meerderheid van de Kamer zich altijd op dat standpunt zal blijven stellen -nl. een structurele verlaging van het minimumloon en de minimumuitkering, wil het NCW kennelijk via de bedrijven bewerkstelligen. Het perspectief daarvan? Half Nederland -ik zeg daarbij: niet werkend, maar ook werkend -naar de bijstand!

Immers, het zou kunnen betekenen dat als men werkt men toch niet voldoende ontvangt om van rond te komen en men dus ook een aanvullende bijstandsuitkering nodig heeft. De NCW -en naar ik heb begrepen ook de VVD -verwijst wel eens naar het bijzondere loonsysteem in Amerika. Dat zou zo'n geweldig goed systeem zijn, want het is flexibel, het kent geen vloer, geen minimum. Dat moet worden onderhandeld en zo krijg je de echte concurrentieverhoudingen. Degenen die daarnaar verwijzen, wil ik verwijzen naar de gaarkeukens, die mijns inziens de keerzijde zijn van deze loonpolitiek.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Nu de verlaging van de minimum jeugdlonen is genoemd, wil ik uitdrukkelijk afstand nemen van de opmerking van mevrouw Brouwer dat NCW en VVD hetzelfde zouden willen. Ik wil op deze plaats met nadruk stellen dat de VVD dat niet wenst. Verleden week heb ik nog gezegd dat wij niet naar een toeslagenmaatschappij willen. Wij vinden dat degenen die werken voor de kost, in principe zich zelfstandig in leven moeten kunnen houden. Dat geldt voor jeugdigen Ťn voor boven-23-jarigen. Wat ons betreft, mag u ons dus niet in de rij zetten van het NCW. Die heeft zijn eigen verantwoordelijkheid. Wij zijn er in ieder geval niet voor!

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik ben blij dat u dat zo duidelijk en helder uiteenzet. Wel wil ik u nog vragen of u van mening bent dat degenen die een minimumuitkering hebben dan wŤl omlaag kunnen, dat wil zeggen verdere ontkoppeling. Zo ja, hoe kunnen die mensen zich volgens u dan zelf in leven houden, rekening houdend met de woonlasten, e.d.?

De heer De Korte (VVD): Onze visie op dat punt heb ik gisteren al uiteengezet in het kader van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Degenen die tot de echte minima behoren, de mensen die dus alleen of met anderen van een minimum rond moeten komen, mogen niet verder verzwakt worden. Dat lijkt mij een voldoende uitleg.

Mevrouw Brouwer (CPN): Dat lijkt mij toch een bevestiging van het idee dat de VVD nog steeds het ouderwetse begrip heeft dat alleen werken beloond zou mogen worden en dat, als men werkloos of arbeidsongeschikt is, men niet zou bijdragen aan deze maatschappij. In dat geval zou ik de heer De Korte willen uitnodigen nog eens te kijken naar hetgeen onder produktieve arbeid moet worden verstaan. Volgens mij betekent het in ieder geval dat de VVD zich uitspreekt voor ontkoppeling. Ook dan is het perspectief gaarkeukens. Ik heb daar al op gewezen toen ik sprak over het Amerikaanse loonsysteem. Als de VVD inderdaad haar zin krijgt en deze politiek wordt doorgezet, is het perspectief in ieder geval de gaarkeukens.

De heer De Korte (VVD): Dat is natuurlijk volstrekte onzin. Als ik zeg wat ik heb gezegd -de echte minima niet verder verzwakken -dan is het perspectief niet de gaarkeukens, want die hebben wij in dit land ook op dit moment niet. Wij mogen er ook trots op zijn dat we ze niet hebben. Ik wil dus nogmaals met nadruk stellen dat dit perspectief niet uit onze voorstellen voortvloeit. U moet dat dan niet gaan verdraaien. In de tweede plaats hebt u tot mijn vreugde zoeven gezegd dat ook u van mening bent dat tussen het minimum en het gemiddelde, modaal, voor werknemers wel erg weinig afstand bestaat

Mevrouw Brouwer (CPN): Neen, neen!

De heer De Korte (VVD): Welnu, als u dat met mij zegt, dan kunt u er niet onderuit dat ons standpunt logisch is.

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik begrijp best dat u probeert om mijn woorden tot die van de VVD te verklaren, maar dat zal toch moeilijk gaan. Ik ben met u van mening dat mensen die een modaal inkomen hebben -en soms zelfs de mensen met een iets hoger inkomen -en die vaak zeer hoge woonlasten hebben, in de problemen kunnen komen. De financiŽle problemen beperken zich dus niet tot het minimum. Maar ik concludeer dan niet dat er een grotere afstand moet komen tussen minimum en modaal, want in uw filosofie zou dat betekenen dat het minimumniveau zou moeten zakken. In mijn visie moet zowel het minimumals het modaalniveau worden verhoogd, omdat financiŽle problemen op een andere wijze niet zijn te voorkomen. De 'afstandstheorie' van de VVD wordt door ons ook niet onderschreven. Mijnheer de Voorzitter! Naar onze mening klampt de FNV zich terecht niet langer vast aan de dode letter -en dat is het op dit moment -van deze wet, maar probeert zij de positie van de laagstbetaalden in de ca.o.'s te verbeteren en tracht zij verslechtering tegen te gaan. Voor het in stand houden van de koppeling zal, zo heb ik begrepen, ook de FNV blijven vechten. Dat is echter in de allereerste plaats een politiek gevecht. De FNV stelt zich niet afwachtend op, met als resultaat dat ook de positie van laagstbetaalden in de bedrijven niet kan worden verdedigd. Ik zou willen zeggen dat de ontstane situatie het resultaat is van de opstelling van regering en regeringspartijen die denken, de uitkeringsgerechtigden en Tweede Kamer 28 november 1984

de vakbeweging blijvend buitenspel te kunnen zetten. Wat de bevriezing van de kinderbijslag betreft -ook al is deze enigszins gematigd -herinner ik eraan dat die met name de laagstbetaalde gezinnen en verzorgers met kinderen treft. Evenals de fractie van de PvdA, willen wij apart nog enkele opmerkingen maken over de positie van oorlogsgetroffenen. De fractie van de CPN heeft zich consequent op het standpunt gesteld dat het hier gaat om een groep waarvoor Kamer en regering een op zich zelf staande regeling hebben getroffen, met als basis de bijzondere solidariteitsplicht van het Nederlandse volk ten opzichte van deze groep. Anders dan verleden jaar tijdens het debat over de kortingen per 1 januari 1984, stelt de regering zich tot onze vreugde ook op dit standpunt. Dat valt in haar te prijzen. De regering heeft de uitkeringen van deze groep niet verlaagd, zoals die van andere groepen. Vraag is, waarom dan wel is besloten tot bevriezing. Het gaat immers om een groep met een aparte status. Wij wijzen elke vorm van analogie van de hand, voor zover die wordt gebruikt als rechtvaardiging voor inleveren. Wij zien ook niet waarom een koppeling wordt aangebracht met militaire pensioenen. Met de heer Buurmeijer zijn wij van mening dat daarover eerst grondig moet worden gediscussieerd. De status van de regeling voor oorlogsgetroffenen komt uitgebreid aan de orde bij de stelselherziening. De fractie van de CPN zou het op prijs stellen als nog eens door de minister wordt bevestigd dat ook dan zal worden uitgegaan van de bijzondere status van de groep oorlogsgetroffenen 1940-1945.

©

R.W. (Rudolf) de KorteDe heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Dit wetsvoorstel levert een besparing van 200 min. op, waarvan 150 min. wordt gedragen door de minima. Dit is dan tevens hun hele bijdrage voor 1985 aan het totale ombuigingspakket van 2,5 mld. in de sociale zekerheid. In vergelijking tot 1984 worden de minima zoveel mogelijk -eigenlijk helemaal -door het kabinet ontzien wat hun koopkracht betreft. De fractie van de VVD heeft de sterke indruk dat deze op zich zelf te loven stellingname van het kabinet ten kosten van de bovenminimale uitkeringen is gegaan, want zij leveren in 1985 zo'n 2,3 min. in. Daarbij gaat het om een groep van ongeveer 650.000 uitkeringsgerechtigden en bij de sociale minima gaat het om een groep van 2,6 miljoen uitkeringsgerechtigden, van wie 1,9 miljoen neveninkomsten of een partner met eigen inkomsten hebben. Het kabinet heeft verleden week tijdens de behandeling van de wet die de uitkeringspercentages voor de WW, de WWV en de WAO per 1 januari aanstaande naar 70% brengt, niet ontkend dat de bovenminima 22 keer zoveel inleveren in 1985 als de sociale minima. Zoiets mag niet nog eens voorkomen, is ons standpunt. De Wet aanpassingsmechanismen, afgekort WAM, is sinds de inwerkingtreding op 1 januari 1981 slechts eenmaal onverkort toegepast, de andere negen keer ten dele of helemaal niet. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt dit aantal op 11 gebracht. Van een maatregel ad hoc, zoals de memorie van antwoord nog stelt, is in dit licht natuurlijk al lang geen sprake meer. Als niet toepassen regel en wel toepassen hoge uitzondering is, moeten wij ons zelfs afvragen of wij het mechanisme van de WAM op korte termijn nog alscentraal uitgangspunt kunnen handhaven. Is het principe dat voor de ontwikkeling van de uitkeringen de algemene loonontwikkeling bepalend is, gedurende de huidige kabinetsperiode en gedurende de periode erna financieel haalbaar? De fractie van de VVD ziet graag dat dit zo is, maar acht het gezien de geringe structurele economische groei van hooguit 1,5% over een periode van vier jaar, niet haalbaar. Dan is het eerlijker, hiervoor ronduit uitte komen en hiermee in het beleid rekening te houden. Een algemene ontkoppeling bepleit de fractie van de VVD niet. Wel is koppeling op verdere afstand dan wij nu kennen, onzes inziens onvermijdelijk, tenzij de economische groei zich wonderwel herstelt naar een niveau van 4% of meer. Wie gelooft echter hierin? Voor de gehele periode van 1980 tot 1984 hadden de uitkeringen conform de Wet aanpassingsmechanismen met 20,2% moeten worden verhoogd.

De heer Leerling (RPF): Ik wil u nog iets over de koppeling vragen. U zei dat u in principe ertoe bereid bent, tot een grotere afstand te komen dan nu bestaat. U voegde hieraan echter toe: tenzij er economische groei is. Bedoelt u het niet zo principieel dat er een koppeling op grotere afstand moet komen, ongeacht de economische groei? Lijkt u dit laatste niet veel verstandiger?

De heer De Korte (VVD): Wij kiezen ten principale het standpunt dat wij het koppelingsmechanisme op de lange termijn gezien niet willen verlaten. Er moet ergens een ijkpunt zijn in het volgen door de uitkeringen van de lonen. Wegens de afwezigheid van groei is de huidige koppeling echter niette handhaven. Daarom moeten wij een zekere grotere afstand gedogen en vervolgens, als wij herstel hebben bereikt, de koppeling op het dan bestaande niveau handhaven. Dan is er echter een zekere afstand gegroeid. Er zijn optimisten die menen dat de groei daarna zo groot is dat wij zelfs iets van de afstand kunnen verkleinen. Ik treed hier vooralsnog niet in, want dat betreft 1990 en daarna; dus dit lijkt mij niet verstandig. Voor politici is het beter dat zij zich wat dit betreft bij de realiteit houden.

De heer Leerling (RPF): Dit is een lang antwoord op een korte vraag. Is de VVD ertoe bereid, de afstand tussen het minimumloon en de minimumuitkering te vergroten en wil zij deze grotere afstand eventueel 'restaureren', zodra er economische groei is?

De heer De Korte (VVD): Als u het zo duidelijk stelt, antwoord ik hierop kort en krachtig ja.

De heer Leerling (RPF): Dan blijft het iedere keer touwtrekken over de vraag of er groei is.

De heer De Korte (VVD): Dit is een belangrijke vraag. Het is net als met de baron Von MŁnchhausen, die dacht zich aan de haren uit het moeras te kunnen trekken. Ik meen dat wij er met elkaar uit zijn dat deze baron in ons land niet bestaat. Wij moeten zelf op een gegeven moment groei maken. Daarom pleitte ik er gisteren en vandaag voor, vooral degenen die nu actief zijn, zich voor deze groei tot het uiterste te laten inspannen. Uit deze innerlijke kracht en deze inspanningen moet de groei worden hersteld. Dan is er weer veel mogelijk en zie ik ook weer perspectieven voor de heer Buurmeijer.

De heer Buurmeijer (PvdA): De heer De Korte zal begrijpen dat de beeldspraak over de heer Von MŁnchhausen op mij slecht van toepassing is. De heer De Korte zei dat een groei van 4% nodig zou zijn. Dat legt hij niet duidelijk uit. Als er sprake is van economische groei, waarmee voor een deel loonontwikkeling wordt bekostigd, welke reden is er dan om die ontwikkeling niet ook tot voordeel te laten zijn van die mensen die niet in staat zijn, door middel van werk een Tweede Kamer 28 november 1984

inkomen te verwerven? Dat heeft de heer De Korte nog steeds niet duidelijk kunnen maken.

De heer De Korte (VVD): Dat probeer ik al de hele week uit te leggen. Mijn aanknopingspunt daarbij is dat het groeiherstel er niet mee is gediend wanneer de verdiensten van de mensen die actief zijn en die zich tot het uiterste moeten inspannen heel gering zijn ten opzichte van de mensen die nu helaas voorlopig even aan de kant staan. Onze stelling is dat het mede daarom mogelijk moet zijn, de heel lage conjuncturele groei van 2% -dat is heel weinig op een hoogtepunt van de conjunctuur -op de lange duur bij voorbeeld op 3% structureel te brengen. Daar zitten wij bij lange na nog niet. Wij zitten nu op een structurele groei van 1% a 1,5%. Het is uit te rekenen dat het met het enorme aantal inactieven van dit moment 4% of meer groei vergt om koppelingen in stand te houden en tegelijkertijd werkgelegenheids-en rendementsherstel te bewerkstelligen. Dat is gewoon een macro-economische rekensom waarvoor u zich bij het Centraal Planbureau kunt vervoegen.

De heer Buurmeijer (PvdA): Ik houd de discussie graag nog even hier, als u dat goed vindt. U wekt een buitengemeen valse suggestie door hier te zeggen dat de mensen die werk hebben zich in feite onvoldoende zouden inspannen, in de wetenschap dat datgene wat hun toekomt ook zou toekomen aan diegenen die niet in staat zijn om te werken. Die formule gebruikt u!

De heer De Korte (VVD): Inderdaad. Die formule is een inschatting van de werkelijkheid. Wij hebben gezien dat het inkomensgebouw inzakt wanneer je die inschatting niet maakt maar geheel op basis van solidariteit dat gebouw overeind probeert te houden. Wij hebben in de afgelopen tien jaar een maximum aan solidariteit gekend, en wij zien wat daar nu uit komt. Wij kennen nu een groei die de helft bedraagt van die in de ons omringende geÔndustrialiseerde landen. Dat zit hem niet in de machines, mijnheer Buurmeijer, maar in de mensen. Mensen maken groei. Mensen maken met hun inspanningen dat er welvaart komt. Natuurlijk gebruiken ze daar machines bij. Maar het zijn de mensen die het doen!

De Voorzitter: Mag ik de leden nu vragen hun interrupties te beperken?

Omdat de agenda vroeger op de dag meeviel, heb ik nog een onderwerp georganiseerd. Dat moet nu niet bedorven worden. Wij hebben morgen nog de hele dag, uitsluitend voor Sociale Zaken.

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik zou ook niet voor een bevriezing van sinterklaasfeestjes zijn...

De Voorzitter: Ik heb deze vraag ook tot u gericht.

Mevrouw Brouwer (CPN): U vroeg of wij ons wilden beperken. Ik heb nog niks gezegd!

De Voorzitter: Als ik zeg 'beperken', is dat een beleefde vorm voor 'eventjes wachten'.

Mevrouw Brouwer (CPN): Zou u dat dan voortaan willen zeggen?

De Voorzitter: Goed, hoor. Tegen u zal ik dat in het vervolg zeggen.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb zoeven geprobeerd uiteen te zetten dat de uitkeringen met 20,2% zouden zijn verhoogd wanneer het mechanisme van de Wet op de aanpassingsmechanismen voluit had gewerkt. De feitelijke ontwikkeling bedraagt tot en met 1984 10,9%. Daarmee is in die periode dus een afstand gegroeid van 9,3%. Die afstand zal ook in 1985 groeien -het is niet anders -en wel tot bijna 10%. Bij een onverkorte indexering zouden wij in 1985 f4 miljard meer uitgeven aan de sociale zekerheid dan wij nu doen. Dit beloopt in macropremiedruk ruim 1 % van het nationaal inkomen. Ik heb aan het kabinet gevraagd om met behulp van het kompasmodel van het Centraal Planbureau eens uiteen te zetten wat daarvan volgens dat model de gevolgen zouden zijn voor de stijging van de werkloosheid. Het antwoord van het Centraal Planbureau is -onder bepaalde condities en aannamen -11.000. In het jaar daarna -1985 -volgt een verdere stijging tot 13.000 a 14.000, waarna dit hogere niveau van de werkloosheid geduren-de een reeks van jaren blijft bestaan. Natuurlijk kan het Centraal Planbureau geen zekere voorspellingen verschaffen. Het verschaft ook alleen een kwantitatief inzicht omtrent de uitwerking die een verdere verhoging van de belasting-en premiedruk op de werkloosheid kan hebben. Voor de fractie van de VVD is de onvermijdelijkheid van de gegroeide afstand van bijna 10% heel goed te beargumenteren. Die grotere afstand werkt uiteindelijk in het voordeel van de uitkeringsgerechtigden zelf, omdat hun perspectief op beŽindiging van hun gedwongen inactiviteit zich op termijn verbetert. Mijnheer de Voorzitter! In dit verband wil ik iets zeggen over de FNV-looneisen, die nu heel recentelijk op tafel zijn gelegd en die vanmorgen weer aan de orde waren in de nieuwsbladen. Onze fractie acht het mŤt de Raad van State niet uitgesloten dat de feitelijke loonontwikkeling in 1985 hoger uitkomt dan door het kabinet thans wordt geraamd. Dat zou natuurlijk een slechte ontwikkeling zijn, want onze economie heeft bovenal behoefte aan een zich nog enkele jaren voortzettende algemene loonmatiging; dit tot herstel van onze concurrentiepositie op de wereldmarkt en tot herstel van de eigen vermogensverhoudingen van ons bedrijfsleven. Daarom valt het ook te betreuren dat de FNV nu deze extra loonclaim op tafel heeft gelegd, die uitkomt op 3%. Als daarbovenop wordt gesteld dat men de bovenwettelijke uitkering tot 100% aangevuld wil zien, zullen daardoor de loonkosten in 1985 met 4% stijgen. Daardoor zullen de prijzen in 1985 stijgen. Het is duidelijk dat, als wij dit opnieuw laten doorrekenen, het directe effect van de loonclaim van de FNV, geÔsoleerd bezien, op meer dan 1% prijsstijging in 1985 uitkomt. Op de middellange termijn kan dit effect, onder dezelfde veronderstellingen, geraamd worden op 1,5%. Dit zijn ook de percentages waarmee de koopkrachtontwikkeling van mini-mumloon en sociale uitkeringen in negatieve zin worden beÔnvloed. Kortom, door de loonclaim van de FNV en door de stijging van de loonkosten met 4% dreigen de sociale minima -wier koopkracht door alle inspanningen van het kabinet zeker zou zijn gesteld in 1985 -met 1% in koopkracht achteruit te gaan. Tegelijkertijd gaan de modale actieven met nog zo'n extra 2% omhoog. Dan komen zij op 4%. Wie goed kan tellen, ziet dat in dat geval, als gevolg van de loonclaims van de FNV, de afstand tussen gemiddelde actieven en de niet-actieven op het minimumniveau groeit met 5% koopkracht. Dat is dan de afstand die groeit als gevolg van de loonclaims van een organisatie die het kabinet verwijt dat het de sociaal-zwakken in hun inkomenspositie aantast. Ik vind dat daarom ook een wrang verwijt. De organisatie die deze loonclaim stelt, Tweede Kamer 28 november 1984

zou dit nog wel eens kunnen overdenken. Er is echter nog meer aan de hand en dat is nog veel ernstiger. Want, wie zo'n loonclaim stelt, brengt ook het werkgelegenheidsherstel in gevaar. Ook nu heb ik weer het kompasmodel van het CPB te hulp geroepen. Uit de doorberekening blijkt dat in het eerste jaar 6600 meer werklozen zullen ontstaan. Het gevolg op termijn is nog veel ernstiger; want op termijn kun je namelijk laten uitrekenen dat in 1989 daardoor de werkloosheid met 33.000 zal stijgen en in 1992 zelfs met 44.000. Ik vind dit verontrustende cijfers. Ik zou ook het kabinet nog eens heel nadrukkelijk willen vragen of het daarover zijn oordeel wil geven. Wij zijn werkelijk in de aap gelogeerd als dit voornemen voor 1985 wordt uitgevoerd. Daarbij zou al het herstel dat nu aarzelend op gang komt, helemaal van tafel geveegd worden. Ik zou dat een bijzonder slechte ontwikkeling vinden. Wij houden ons nu druk bezig met de vraag hoe wij de werkgelegenheid kunnen herstellen. Wij moeten er daarom in dit Huis voor oppassen dat zo iets gebeurt.

Mevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de Voorzitter! Zo het woord 'hypocriet' een parlementair woord is, wil ik dat voor het betoog van de heer De Korte gebruiken. Ik zal ook zeggen waarom ik zijn betoog hypocriet vind. De heer De Korte heeft er recht op dat te weten. Kijk, de VVD is voor vrije onderhandelingen, dat zegt zij althans steeds. De uitkeringen gaan omlaag. De meerderheid van de Kamer heeft zich namelijk voor verlaging uitgesproken. Dan heeft toch, ook volgens de filosofie van de heer De Korte, de vakbeweging het recht te proberen via vrije onderhandelingen met de bedrijven dit te herstellen. De vakbeweging heeft dan toch ook het recht looneisen te stellen. Hoe heb ik het nu! De VVD beklaagt zich eerst over de uitkeringen en vervolgens beklaagt zij zich over de opstelling van de vakbeweging.

De heer De Korte (VVD): Heeft mevrouw Brouwer mij horen zeggen dat de vakbeweging dat recht niet zou hebben? Ik zal mevrouw Brouwer nog het volgende zeggen. De VVD is een liberale partij. Zij gelooft heilig in vrijheid en in vrij overleg. Daar hoort echter altijd nog iets bij, namelijk verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid zou wel zoek zijn, als inderdaad de loonclaim van het FNV werkelijkheid werd.

Ik heb mevrouw Brouwer uitgebreid meegedeeld wat het inwilligen van zo'n claim voor het volgend jaar zou betekenen. Ik vind dat men zich met zo'n claim niet verantwoordelijk opstelt. Ik geef iedereen de volste vrijheid dit soort zaken te doen, maar ik mag ze toch wel afkeuren.

Mevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de Voorzitter! De heer De Korte heeft het over een liberale partij. Daarover heb ik nog wel iets te zeggen. Ik wil dit nu maar niet doen. De heer De Korte heeft het ook over verantwoordelijkheid. De vakbeweging stelt zich op dit moment niet alleen verantwoordelijk op voor de werkenden, maar zij doet dat ook voor de uitkeringsgerechtigden die door verlaging van de uitkeringen getroffen worden. De heer De Korte heeft gezegd voor die verlagingen te zijn. De vakbeweging heeft het recht om die mensen te beschermen tegen de inkomensachteruitgang die hier is vastgesteld, terwijl zij hier niets te vertellen had. Verantwoordelijkheid impliceert dus ook dat men het recht heeft mensen te vertegenwoordigen en dat men opkomt voor hetgeen waarvoor men staat.

De heer De Korte (VVD): Dat moet je dan wel op een verstandige manier doen. Ik vind dat nu onverstandig wordt opgetreden. Ik vind dat dit optreden bijna van domheid getuigt. De vakbeweging vindt dat zij de laagste uitkeringen zoveel mogelijk moet beschermen. Met haar plannen voor 1985 doet het kabinet dat ook. Nu komt men vervolgens met eisen die de laagstbetaalden in de positie brengen waarin zij op -1 % uitkomen. Het is heel simpel aan te geven dat dit het gevolg is. Ik vind dat men op zo'n manier niet verstandig bezig is. Dat zeg ik ook met het oog op de mogelijke negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid. Mijnheer de Voorzitter! Ik zie dat het lampje brandt. Waarvoor is dat?

De Voorzitter: Dat is een teken dat we moeten opschieten.

De heer De Korte (VVD): Dat zullen wij doen. Nu het kabinet ook in 1985 vasthoudt aan een nettonettokoppeling tussen minimumloon en minimumuitkeringen, zal er dankzij de bevriezing van het wettelijk aanpassingsmechanisme een verdere denivellering optreden tussen de werkenden die een mini-mumloon ontvangen en de werkenden die een modaal loon ontvangen. De nettoverhouding tussen die twee niveaus zal per 1 januari 1986 1: 1,31

zijn. Op 1 januari 1983 was die verhouding 1: 1,25. Er is dus sprake van enige oprekking van het traject ter zake. Om bestaande arbeidsmarktfricties -die zijn er nog altijd -te verminderen en de motivatie bij het aanbod van vaklieden te verhogen, is dit juist. Wij vinden dit een logische ontwikkeling. Men begrijpe ons goed, het gaat ons niet om prikkels waarmee werklozen, die voortdurend zonder succes proberen aan de slag te komen, verdriet wordt gedaan. Ik wil dat uitdrukkelijk zeggen. Het gaat ons in dit geval om prikkels die werkgevers ertoe zullen aanzetten met mobiele en gemotiveerde vakmensen tot nieuwe ondernemersactiviteiten te komen. Daardoor zou de groei gestimuleerd worden. Daardoor zou het mogelijk zijn het koppelingsmechanisme weer op te vatten en uiteindelijk zou men dan de minima kunnen maximaliseren.

Vanuit haar visie, van loon naar inspanning, verwelkomt de fractie van de VVD helemaal niet dat de laagstbetaalde actieven die de kost verdienen door het vasthouden van het kabinet aan de nettonettofictie op achterstand worden gezet. Gelukkig blijkt uit de praktijk dat hier veelal sprake is van een snelle doorstroming naar de minimumplusniveaus. Naar schatting zijn momenteel zo'n 350.000 mensen op dit niveau werkzaam, waarvan de helft jeugdigen. Van de overigen is waarschijnlijk niet meer dan een derde alleenverdiener. Wie van 1983 tot en met 1985 minimumloner is, hetgeen vanwege de doorstroming naar iets hogere niveaus bij alleenverdieners geen vaste regel zal zijn, moet 5,5 a 6% in koopkracht inieveren. Tegelijkertijd gaat de werkweek terug van 40 naar 38 uur. De koopkracht van het mini-mumuurloon is dus niet of nauwelijks teruggelopen. Dat is in ieder geval een zekerheid die wij hebben. Ik wil hierop graag het commentaar van het kabinet horen. Wat de kinderbijslag betreft, vinden wij het juist dat het kabinet heeft besloten om eerst te ontdooien en dan te bevriezen. Op die manier wordt de motie-De Vries Nijpels het beste uitgevoerd. Wat de echte minima betreft, stellen wij nadrukkelijk dat het kabinet ervan uitgaat dat de meerjarige echte minimumtoeslag een incidenteel karakter zal behouden. Indien de koopkrachtontwikkeling van de sociale minima verder op peil blijft, respectievelijk hoger wordt, zal het Tweede Kamer 28 november 1984

tempo van de vermindering van de toeslagregeling tot nul, hoger kunnen zijn. Wij hebben er begrip voor dat het kabinet zich thans nog niet definitief over dit tempo wil uitspreken. Als er geen verdere koopkrachtverliezen voor de minima optreden, lijkt ons een beŽindigingsperiode van drie jaar redelijk. De fractie van de VVD ondersteunt het kabinet in zijn stellingname om met dit wetsvoorstel ook de bevriezing per 1 juli alvast te regelen en dit niet in een later stadium te doen. Bij een tegenvallende koopkrachtontwikkeling in 1995 als gevolg van hetgeen er allemaal kan gebeuren door de looneis van de FNV of door de dollarkoers is er altijd een mogelijkheid om alsnog een eenjarige uitkering aan de echte minima te verschaffen. Daarmee kan het kabinet onzes inziens voorkomen dat de eenjarige echte minima in koopkracht achteruit zullen gaan. Is het kabinet het met deze visie eens? Ten slotte merk ik op dat de versterking van de economie, de daarmee samenhangende noodzaak om de collectieve lastendruk en het financieringstekort terug te dringen en de verbetering van het werkgelegenheidsperspectief op termijn dit wetsvoorstel onontkoombaar doet zijn. Men kan ook niet ontkomen aan het feit dat nog veel vaker zal moeten worden ingegrepen in het aanpassingsmechanisme van de uitkeringen, tenzij de economische groei zich wonderwel zou herstellen. Wij pleiten, nogmaals, niet voor ontkoppeling maar voor een koppeling op afstand. Deze moet nog iets groter worden. Bij de keuze tussen de hoogte van de uitkering en de werkgelegenheid, moet de werkgelegenheidsdoelstelling de hoogste prioriteit hebben. Wij willen de mensen uiteindelijk weer actief bezig zien. Tegen de fractie van de Partij van de Arbeid zeg ik dat het er soms wel eens op lijkt dat zij zoveel van de zwakken en niet-actieven houdt, dat zij op dat niveau zoveel mogelijk mensen wil hebben. Dit is een citaat van de heer Drees jr., tien jaar geleden. Ik zou de tractie van de Partij van de Arbeid willen voorstellen dit citaat nog eens tegen het licht te houden.

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Mijnheer de Voorzitter! Opnieuw bespreken wij enkele niet direct populaire maatregelen die het kabinet meent te moeten nemen om tot beperking van de collectieve uitgaven te komen en anderzijds om meer ruimte te scheppen voor het bedrijfsleven, in de verwachting dat er meer werkgelegenheid komt. Voordat dit belangrijke doel is bereikt, moeten er pijnlijke ingrepen worden gedaan. Ik heb de indruk dat hetgeen wij vanmiddag bespreken weliswaar niet zonder gevolgen zal blijven, maar dat een en ander ook weer niet dermate schokkend is dat daartegen massaal te hoop wordt gelopen. Wij hebben voortdurend te maken met het feit dat wij erin financieel-economisch opzicht in ons land weinig rooskleurig voorstaan, ook al zijn er ontegenzeglijk tekenen van herstel. Dat is iets om dankbaar voor te zijn. Daarvoor kan men het kabinet ook prijzen. Ik heb dat gisteren ook al gezegd. De operatie die is ingezet, blijft niet zonder gevolg. Het gaat nu om de bevriezing van het wettelijk minimumloon, alsmede om enkele uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten. Daarnaast wordt in ťťn adem voorgesteld de bevriezing van de kinderbijslag per 1 januari aanstaande ongedaan te maken, en deze te verschuiven naar 1 juli van het volgende jaar. Met deze voorstellen kan mijn fractie leven. Mijnheer de Voorzitter! Gegeven de politieke realiteit van de niveauverlaging tot 70% van de bovenminimale uitkeringen, stelt de RPF zich op het standpunt dat het niet-bevriezen van het minimumloon en de minimumuitkering zou leiden tot een beperkte maar voortgaande nivellering van de inkomensverhoudingen. Dat lijkt niet gewenst, gelet op de geringe afstand die al bestaat tussen minimum en modaal. Met dit deel van het wetsvoorstel stemd de RPF-fractie derhalve in. De bevriezing van de minimumlonen wordt bereikt door het buiten toepassing laten van de Wet Aanpassingsmechanismen. Lijkt het niet verstandiger een wet die niet langer wordt gebruikt, in te trekken? Dat schept duidelijker verhoudingen. Geldt dit niet te meer, daar bij onverkorte toepassing van de WAM de socialezekerheidsuitgaven met maar liefst f4 mld. per jaar zouden oplopen? Kan de minister het bedrag van f4 mld. nader toelichten? Waardoor wordt het verschil veroorzaakt tussen de forse meeruitgaven bij onverkorte toepassing en de toch geringe besparing bij het niet-toepassen van de WAM? Als het bedrag van f4 mld. juist is, lijkt het onverantwoord de WAM ook in de toekomst onverkort te handhaven. Deelt de minister deze opvatting? Welke functie acht hij nog aanwezig voor de WAM? Mijnheer de Voorzitter! In de schriftelijke voorbereiding heeft de regering laten wegen geen plannen te hebben om te komen tot ontkoppeling van het nettominimumloon en de nettominimumuitkering. In de memorie van toelichting is op blz. 4 wellicht niet zonder bedoeling het jaar 1985 genoemd. In de memorie van antwoord zegt het kabinet dat het geen enkel voornemen heeft om tot ontkoppeling te komen. Bij het begrip 'ontkoppeling' zijn er snel misverstanden. Ook de RPF wil de koppeling vasthouden, zij het op afstand. Ik citeer mijn verkiezingsprogramma: 'Het gelijkstellen van minimumloon en minimumuitkering doet geen recht aan enerzijds prestatie en anderzijds behoefte. Minimumloon en minimumuitkering moeten weliswaar gekoppeld zijn, maar op afstand. Het bestaansminimum mag hierbij echter niet worden aangetast'. Met nadruk wil ik die laatste zin uitspreken. Kunnen de bewindslieden mij duidelijk maken wat er tegen de in mijn ogen gerechtvaardigde koppeling op afstand is? Zou een dergelijke koppeling geen prikkel kunnen vormen om als het maar enigszins kan werk aan te pakken. Wij weten immers dat voor het minimumloon vaak onaangenaam en niet zelden vuil werk moet worden verricht. Nu het arbeidsethos in onze tijden niet bij iedereen zo levendig is, lijkt het mij gewenst die prikkel in te bouwen. Iemand die een arbeidsprestatie levert, neemt in menig opzicht ook meer risico's dan degene die helaas gedwongen geen werkkring heeft. Voor de RPF blijft voor de laagstbetaalden gelden, dat ook zij hun loon waard zijn. Dat is iets anders dan het recht, hoe belangrijk ook uit een oogpunt van gerechtigheid, op een uitkering. Deze week heeft de nieuwe algemene directeur van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond, de heer Weitenberg, een forse steen in de inkomensvijver gegooid door ervoor te pleiten het minimumloon met maar liefst 30% te verlagen. Onder andere werd als argument aangevoerd dat de meeste personen met een minimuminkomen toch geen gezin hebben te onderhouden. Ik hoor graag een reactie van de minister op de argumentatie van het NCW, dat door verlaging van het minimumloon de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven zal worden vergroot, waardoor weer meer werkgelegenheid zal worden geschapen.

Ik heb wel moeite met de voorstellen als men ervan uitgaat dat de meeste minimumloners toch geen gezin hebben te onderhouden. Hoe moet het dan met hen die wel een gezin moeten onderhouden? Moeten die mensen van een toegift gaan leven en daardoor dure krachten worden met als gevolg daarvan een vergrote kans op werkloosheid? Dat lijkt mij onrechtvaardig en een zeer gevaarlijk neveneffect dat kan optreden bij het verlagen van het minimumloon. Mijnheer de Voorzitter! Als motivatie van de beoogde bevriezing geeft de memorie van antwoord aan dat het budgettaire argument gebaseerd is op de filosofie dat het noodzakelijk is om te streven naar een versterking van de nationale economie en een uitbreiding van de bedrijvigheid. Deze beleidslijn ondersteunt de RPF, mede omdat in de internationale concurrentieverhoudingen het loonkostenniveau van grote betekenis is. Wij weten allemaal dat het loonkostenniveau in Nederland hoog is. Kan de minister ons hierover nader informeren? Hoe kan het loonkostenniveau verder worden aangepast aan de realiteit? Is de concurrentiepositie van Nederland verbeterd door de volgehouden loonkostenmatiging van de laatste tijd en, zo ja, in welke mate? Hoe liggen trouwens de in ons land geldende minimumlonen in vergelijking met bij voorbeeld de overige EG-lidstaten? De koopkracht van de minima kan door de ombuigingen in de collectieve sector gehandhaafd blijven. Generieke kortingen konden daardoor worden voorkomen. Het kabinet onthoudt zich evenwel van een oordeel over de vraag of dit ook in de toekomst gerealiseerd zal kunnen worden. Gelet op het beperkte brutonettotraject van de uitkeringen op minimum niveau, zal naar verwachting verdere premieverlaging niet veel soelaas kunnen bieden. Acht de minister het gezien in het licht van de verdere noodzakelijke ombuigingen voor 1986 en volgende jaren mogelijk dat de minimum uitkeringen vooralsnog op het huidige niveau gehandhaafd kunnen blijven? Of zal dit in de toekomst opnieuw slechts kunnen worden gehandhaafd ten koste van de bovenminimale uitkeringen die verreweg het grootste deel van het aantal uitkeringsgerechtigden vormen? Volgens de memorie van antwoord vormt het aantal bovenminimale uitkeringen in de WW, WWV en WAO driekwart van het totaal aantal uitkeringsgerechtigden.

Het is duidelijk dat de uitkeringen krachtens de diverse sociale verzekeringswetten van de schatkist een grote, steeds groeiende bijdrage vergen. Daar moet paal en perk aan worden gesteld. Er zijn echter grenzen. Met invoering van een nieuw sociaal zekerheidsstelsel kunnen wellicht, zij het pas op langere termijn, bezuinigingen worden bereikt. Mijn fractie blijft er echter op harmeren dat er, naast bezuinigingen in de sfeer van de sociale voorzieningen, toch voor alles over een breder veld van de overheidsuitgaven moet worden gekeken naar beperkingen in de sfeer van de collectieve uitgaven. Opnieuw wijs ik op de noodzaak om te komen tot een principiŽle herbezinning op de taken van de overheid. Deze operatie zou moeten leiden tot een drastische afslanking van het takenpakket van de overheid en daaraan gekoppeld de uitgaven. Wat mogen wij in dit opzicht nog van dit kabinet verwachten in de periode 1985-1986? Dat ten aanzien van de oorlogsgetroffenen en de gepensioneerde militairen gekozen wordt voor bevriezing van de uitkeringen in plaats van voor het verlagen van het uitkeringspercentage, heeft de volledige instemming van mijn fractie. De toelichting in de memorie van antwoord heeft in dezen zeer verhelderend gewerkt. Immers, mede aan deze mensen hebben wij onze vrijheid, die wij ook thans nog genieten, te danken. Ik wijd nog een enkel woord aan het voorstel om de kinderbijslag per 1

januari enigszins aan te passen aan de index en om deze per 1 juli niet verder te verhogen. De RPF is de regering erkentelijk dat zij onder invloed van de motie-De Vries/Nijpels heeft afgezien van haar voornemen om de kinderbijslagbedragen voor heel 1985 op het huidige peil te handhaven. Immers, hoewel kinderbijslag niet kostendekkend is, stijgen wel de kosten van het levensonderhoud met als gevolg een grotere mate van bestedingsbeperking dan wenselijk is met name voor gezinnen met opgroei-ende kinderen. Daarom acht mijn fractie het, ondanks de budgettaire problemen, gewenst dat de bevriezing geheel of gedeeltelijk ongedaan zal worden gemaakt. Nu hieraan althans gedeeltelijk gehoor is gegeven, zal mijn fractie ook dit deel van het voorstel steunen. De voortgangsrapportage over de eventuele invoering van het woonlandbeginsel zie ik met belangstelling tegemoet. Wel hoor ik graag van het kabinet wat nu in het kader van de kinderbijslag de plannen zijn voor de rest van de kabinetsperiode. Ik heb al diverse malen gepleit voor stabiliteit en duideljkheid met betrekking tot het beleid van de kinderbijslag. Zijn de bewindslieden in staat deze week die duidelijkheid te geven?

©

M.J.H. (Greetje) den Ouden-DekkersMevrouw Den Ouden-Dekkers (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil uitdrukkelijk stellen dat ik geen participant ben in het kamerdebat over dit onderwerp. Ik heb echter mogen Tweede Kamer 28 november 1984

constateren dat men mij citeert. Dit is natuurlijk altijd goed, onder de voorwaarde dat het citeren dan ook goed geschiedt. De wijze waarop mijn woorden in dit debat gebruikt zijn met het kennelijke doel om naar de bevolking toe duidelijk te maken dat de VVD uit verschillende personen zou bestaan en een verschillende benadering zou hebben ter zake van de voorstellen van het kabinet, hebben mij ertoe geleid de voorzitter de vrijheid te vragen hier toch iets van te zeggen. Aan het adres van de heer Buurmeijer wil ik het volgende zeggen. Hij moet lezen wat er staat. Hij moet niet lezen wat hij wil dat er staat. In de tekst die hij citeert, staat uitdrukkelijk dat mensen mij gebeld hebben met problemen, niet samenhangend met het kabinetsbeleid. Vervolgens heeft men mij een uitvoeringsprobleem voorgelegd in een gemeente. Ik zal deze niet noemen. Ik moet echter wel constateren dat in het bestuur daarvan de liberalen niet geweldig goed vertegenwoordigd waren, om niet te zeggen in het geheel niet. Ik mag de heer Buurmeijer ook niet onthouden wat mij in dat telefoongesprek werd meegedeeld door betrokkene. Deze schrok mij overigens niet op vanwege emoties, zoals de heer Buurmeijer zegt, maar deelde mij mee wat haar emoties waren. Ik schrik niet zo gauw meer; ik ben al lang door de emoties bevangen die wij allemaal hebben. Deze persoon heeft mij ook meegedeeld, dat zij in het geheel geen vertrouwen heeft in datgene wat de PvdA op dit gebied voorstelde. Zij meldde mij dat de PvdA een koe met gouden horens beloofde maar dat zij verwachtte dat zij nog niet het touw in handen kreeg waaraan het beest vaststaat. In dat licht moet de heer Buurmeijer mijn citaat zien en niet zoals hij het wil zien.

De heer Buurmeijer (PvdA): Ik heb geenszins gepretendeerd te citeren. In dat opzicht wordt door mevrouw Den Ouden een verkeerde weergave gegeven. Ik begrijp nu, dat zij er behoefte aan had om deze uitleg te geven over datgene wat zij in het telefoongesprek was tegengekomen. Uit het artikel heb ik dat niet kunnen opmaken. Vervolgens constateer ik, dat ik geen verbazing heb mogen uiten over het gegeven, zoals ik het interpreteerde, dat zij verbaasd was over de gevolgen van een kabinetsbeleid maar dat het ging over een plaatselijke situatie. Mogelijk is dat een hoge uitzondering geweest en is deze weergave daarom zo uitbundig in het blad van de VVD weergegeven.

Mevrouw Den Ouden-Dekkers (VVD): Ook wat de heer Buurmeijer nu zegt berust op een volstrekte suggestie, die niet wordt onderbouwd door feiten. Hij blijft zich begeven op de weg die hij heeft aangenomen in het debat, namelijk dat de VVD uit verschillende soorten liberalen zou bestaan. Wij zijn nog altijd de liberalen uit 1978 die toen bij monde van Rietkerk al zeiden: als wij nu niets doen aan de beheersing van de overheidsuitgaven, zullen wij ertoe worden gedwongen -de heer Buurmeijer kan de Handelingen van de algemene beschouwingen erop nalezen -straks te snijden in uitkeringen van mensen die deze het hardst nodig hebben. Rietkerk voegde eraan toe -ik citeer letterlijk, want het zijn woorden die in mijn ziel gegrift staan -: en dat is het laatste wat wij, de liberalen, willen. De Kamer, onder andere de partij van de heer Buurmeijer, heeft ons daar echter om gehoond.

De Voorzitter: De regering zal morgen antwoorden. De algemene beraadslaging wordt geschorst.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.