De voortzetting van de behandeling van de wetsvoorstellen Nadere wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Wet werkloosheidsvoorziening en enige daarmee v... - Handelingen Tweede Kamer 1984-1985 22 november 1984 orde 6


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de wetsvoorstellen: -Nadere wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Wet werkloosheidsvoorziening en enige daarmee verband houdende wetten (verlaging van uitkeringspercentages) (18664); -Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (verlenging van de uitkeringsduur ingevolge de Wet werkloosheidsvoorziening voor werknemers van 50 jaar en ouder) (18672). De algemene beraadslaging wordt hervat.

©

L. (Louw) de GraafStaatssecretaris De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Het lijkt mij verstandig, de vragen te beantwoorden in de volgorde van de woordvoerders bij dit debat.

Mevrouw Groenman begon haar betoog met op te merken dat er weinig ruimte is voor een andere uitwerking. Ik erken dat. De marges zijn klein. De heer Schutte heeft daarop gewezen. Dat neemt niet weg, dat ik getracht heb, de bestaande ruimte in alle opzichten te benutten. Ik wijs slechts op de besteding van het bedrag van 110 min. en van het bedrag van 40 min. Dit laatste bedrag wordt besteed ter vertraging van de verlaging van de minimumdagloongarantie. Ik wijs voorts op een verandering in de voorstellen met betrekking tot de anti-cumulatie. Er is dus inderdaad niet veel ruimte, maar de aanwezige ruimte is goed en op verantwoorde wijze benut. Er is inderdaad een stap gezet op de weg naar wijziging van het stelsel. Mevrouw Groenman constateert dat onze wijze van handelen niet ten goede komt aan het op verantwoorde wijze uitwerken van deze stelselwijziging. Ook dit is al menige keer in deze Kamer besproken. Mevrouw Groenman heeft nog eens beklemtoond waarom zij van mening is dat oude gevallen anders behandeld moeten worden. Ik respecteer haar argumenten. Ik noteer dat zij structureel uitkomt op het punt waar ook het kabinet wil uitkomen ten aanzien van de niveauverlaging. Dat is een belangrijk punt van overeenkomst tussen mevrouw Groenman en mij. Het verschil van inzicht en aanzien van de behandeling van oude gevallen blijft bestaan. Ik heb erop gewezen waarom naar onze mening deze maatregelen ook voor oude gevallen moeten gelden. Ik begrijp best dat zij zegt, daaraan geen boodschapte hebben. Ik respecteer dat. Wil ik de mij gestelde taak uitvoeren, dan ontkom ik er niet aan, als het op deze wijze niet kan, het op een andere manier te doen. Een andere manier lijkt mij minder verantwoord. Mevrouw Groenman is nog even teruggekomen op de alleenverdieners en de tweeverdieners. Zij heeft daarbij met name gewezen op de negatieve effecten voor de minimumdagloongarantie die alleen maar dan geldt wanneer sprake is van de noodzaak ook een ander te moeten onderhouden. Ik geef toe dat zich op dit punt voor bedoelde categorieën een verslechtering voordoet. Er is echter voldoende aangegeven om welke reden wij deze garantie in die gevallen niet geven. Wij moeten niet uit het oog verliezen dat ook vandaag de dag nieuwe gevallen niet onder die garantie vallen en daarom slechter zijn dan de oude gevallen. Nogmaals, ook in dit opzicht hebben wij besloten de zaak te vertragen. Mevrouw Ter Veld heeft ook nog over die minimumdagloongarantie gesproken. Zij heeft daarbij herinnerd aan Van Leeuwen en Van Lier. Uit eerdere debatten met mevrouw Ter Veld meen ik mij te herinneren dat zij op zich zelf de reden voor het niet toepassen van de minimumdagloongaranties zoals indertijd werd voorgestaan, juist acht. Mevrouw Groenman is opnieuw teruggekomen op de gezinstoeslagenwet. Zij vond dat daarin een einddatum genoemd zou moeten worden. Zij verwees in dat verband ook naar de nota Emancipatiebeleid, waarin ook het jaar 1990 is genoemd. In eerste termijn heb ik al voldoende redenen genoemd waarom het opnemen van een einddatum in die wet geen overweging verdient. Ik sluit mij in dit verband ook aan bij hetgeen door de heer Schutte is opgemerkt. Ik wijs er overigens op, dat die gezinstoeslagenwet nu niet ter discussie staat. Die wet vormt een onderdeel van de stelselwijziging. Daarover komen wij nog te spreken. Ik ben geneigd te zeggen, dat het wijzer is te zijner tijd inhoudelijk over de gezinstoeslagenwet te spreken, al dan niet voorzien van een einddatum.

Mevrouw Groenman (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Dat ben ik met de staatssecretaris eens. Ik wil er wel op wijzen dat in de memorie van toelichting bij de gezinstoeslagenwet heel nadrukkelijk de relatie met het concept-beleidsplan inzake emancipatie wordt gelegd. Gelet op de antwoorden die de staatssecretaris nu geeft, ziet het ernaar uit dat er een discrepantie is tussen beide beleidsuitgangspunten.

Staatssecretaris De Graaf: Op dat punt wil ik graag een toezegging doen. Mevrouw Groenman heeft volkomen gelijk dat bedoelde relatie er is. Het lijkt mij zeer voor de hand liggend, in de toelichting bij de gezinstoeslagenwet op bedoelde problematiek in te gaan en de samenhang met ander beleid aan te geven. Ik spreek nu nog steeds van 'gezinstoeslagenwet'. Ik weet niet of deze benaming ook in de toekomst gehandhaafd zal worden. Misschien behoeft dat niet. Men kan ook rustig spreken over een toeslagwet. Die wet zou in een aantal situaties kunnen impliceren dat er recht is op toeslagen bij aan loon gerelateerde uitkeringen.

Mevrouw Groenman is ontevreden gebleven over de onduidelijkheid met betrekking tot het overgangsrecht bij de nieuwe geïntegreerde werkloosheidsregeling. Zoals reeds in eerste termijn is gebleken, kan ik die onduidelijkheid niet wegnemen. De heer Schutte wees op de kleine marges. Hij heeft terecht opgemerkt dat ik in mijn mondelinge behandeling niet veel nieuws heb toegevoegd aan hetgeen reeds schriftelijk was vastgelegd. Ik vind ook, dat in de schriftelijke behandeling alle ins en outs van deze voorstellen voldoende aan de orde zijn geweest. De heer Schutte heeft nog even gesproken over de maximering. Ook de heer Gerritse heeft daarover gesproken en hij vroeg zich dus af wat het uiteindelijke doel is van deze verlaging tot 70%. Ik persoonlijk verwacht niet dat het uiteindelijke niveau van de aan loon gerelateerde uitgaven anders zal zijn dan hier is aangegeven. De uiteindelijke discussie hierover moet echter nog plaatsvinden. Ik ben het ook eens met wat de heer Gerritse op dit punt heeft gezegd. Hij heeft gezegd dat nog niets geblokkeerd is. Inderdaad. Bij de wetgeving die wij vandaag behandelen, hebben wij het niet over de stelselwijziging. Die kan ook alleen in gemeen overleg met de Staten-Generaal tot stand komen. Daarom is elke discussie over deze zaak volledig open. Ik ben blij dat in ieder geval de heer Schutte erkent dat op dit moment moeilijk een andere keus kan worden gemaakt. De voorstellen zijn onvermijdelijk in verband met de volumeontwikkeling in de collectieve sector. Voor de steun die hij in die zin aan onze voorstellen geeft, ben ik hem ook erkentelijk. Met betrekking tot de toepassing van de WWV tot de leeftijd van 65 jaar heb ik nu wel voldoende duidelijkheid geschapen. Wat zijn opmerking over de einddatum betreft, verwijs ik naar mijn antwoord in eerste termijn. De heer Gerritse constateerde, evenals in eerste termijn, dat er geen vreugde is. Ik kan mij dat heel goed indenken. Het betreft immers een zaak die voor mensen pijnlijk is. Daarover behoef je en mag je ook geen vreugde hebben. Het is echter wel noodzakelijk. Op deze manier wordt de sociale zekerheid, ook voor de toekomst, veilig gesteld. Ook hij erkent dat er geen betere alternatieven voor handen zijn en daarom spreekt hij zich ook positief uit over de voorstellen die op tafel liggen.

De heer Gerritse wijst er voorts terecht op dat in een discussie over het nieuwe stelsel -ik verwijs naar de SER -, de aandacht zich meer zal richten op het beleid dat gericht is op de verlenging van de uitkeringsduur, met name in het kader van de werkloosheidsvoorzieningen, dan op het niveau van de uitkeringen. Op opmerkingen over de alleenverdieners heb ik in eerste termijn voldoende gereagereerd. Ik ben graag bereid om hierover met hem mee te denken. Dit meedenken zal worden verwoord in de toelichting op de nieuwe stelselwijzigingen. Ik ben geneigd om naar die discussie te verwijzen. De heer Gerritse zal dat met mij eens zijn. Mevrouw Brouwer zette nogmaals in krachtige bewoordingen uiteen wat haar bezwaren waren tegen onze voorstellen. Ik weet dat. Ik heb met haar vele discussies gevoerd. Mijns inziens bestaat er tussen ons een fundamenteel verschil over hetgeen op dit moment, gezien de economische situatie, noodzakelijk is in het belang van de mensen die op een uitkering zijn aangewezen. Ik heb het gevoel dat deze belangen bij ons in betere handen zijn dan wanneer zonder meer de voorstellen van mevrouw Brouwer worden overgenomen. Voorts vroeg zij mijn reactie op uitlatingen van de minister-president die hij gisteren deed tijdens de algemene politieke beschouwingen in de Eerste Kamer. Zij vroeg met nadruk wat eenen ander zal betekenen voor 1985 en of het iets anders zou kunnen betekenen dan ik heb aangekondigd. Voorts wilde zij weten wat dit zal betekenen voor 1986. Er is geen enkel ander plan dan het tot nu toe aangekondigde plan voor 1985, dat ik hier verdedig. Overigens zal hierop nader worden ingegaan in de wetsontwerpen tot stelselwijziging. Men weet wat dat betekent. Als het gaat om toepassing van de Wet aanpassingsmechanismen, dan betekent dit ook dat van een bevriezing sprake is. Dit geldt niet voor de aanpassing van de kinderbijslag per 1 januari. Op dit moment zijn er dus geen andere plannen voor 1985. Ik zou blij zijn als wij kans zien om ook voor 1986 de koopkracht van de sociale verzekeringsuitkeringen te handhaven. Overigens is 1986 het jaar dat dit kabinet, aannemende dat het de rit uitzit, hiervoor nog verantwoordelijkheid draagt. In het regeerakkoord is in een aantal maatregelen voor 1986

voorzien. Het is echter nu veel te vroeg om daarop vooruit te lopen. Bij de beoordeling van de houdbaarheid van de sociale verzekering in de toekomst, zal duidelijk moeten worden bezien wat de gevolgen zijn voor de arbeidsduurverkorting en de gevolgen daarvan voor de uitkeringen. Mijns inziens mag je bijzonder blij zijn als je kans ziet de koopkracht te handhaven. Zo drukte de minister-president dat uit. Dit was overigens ook een reactie op opmerkingen die mevrouw Ter Veld hierover maakte. Over de vrijheid van onderhandelingen wil ik het volgende opmerken. Ik heb eigenlijk niet veel toe te voegen aan hetgeen ik hierover in eerste termijn heb gezegd. In onze visie blijft de vrijheid van onderhandelen volledig aanwezig. Wij vinden alleen, dat in de sociale verzekeringswet moet worden vastgelegd wat het niveau en de duur van de uitkeringen in wettelijke zin moeten zijn. Als men daarnaast wil onderhandelen over bovenwettelijke voorzieningen, al dan niet in de semi-collectieve sfeer, dan kan ik mevrouw Ter Veld zeggen dat dit de partijen volledig vrijstaat. Ik denk dat dit ook wel zal blijken tijdens de discussie hier over de ziektewetplannen en alles wat daarmee verband houdt.

Aan hetgeen ik in eerste termijn gezegd heb over wachtgeldregelingen, heb ik niets bijzonders meer toe te voegen. Dit geldt ook voor de middelentoets in het kader van de RWW voor het bestaande bestand van 50-jarigen. Er zijn geen plannen om in die zin verder te gaan dan wij tot nu toe al gedaan hebben. Het is namelijk niet zo dat, als het gaat om het eigen huis, er niets verbeterd is. Er zijn wezenlijke verbeteringen aangebracht in het kader van de Algemene Bijstandswet, als het bij voorbeeld gaat om de problematiek van het eigen huis. Mevrouw Ter Veld heeft de discussie in herinnering gebracht die wij hier eerder gevoerd hebben over het terugtrekken van de rijksbijdrage en de gevolgen daarvan voor de inkomens. Ik erken de gevolgen die zij in dit opzicht heeft genoemd. Ik heb deze destijds bij de verdediging van die voorstellen in het parlement ook nooit ontkend. Premieverlaging nu blijkt toch een mogelijkheid tot koopkracht te kunnen geven. Ik behoef alleen maar te wijzen op de invulling van de ziektewetmaatregelen en de doorvertaling daarvan naar lagere premies die er in ieder geval voor zorgt dat op minimumniveau ook een zieke werknemer nog een koopkrachtverhoging resteert van 0,5%. Ook daaruit blijkt dus dat er wel effectieve resultaten zijn. Ik stem volledig in met een actief beleid, gericht op bestrijding van de werkloosheid. Mevrouw Ter Veld wees erop dat deze zaak in de Kamer -ik neem aan volgende week maandag in de UCV -nog uitvoerig aan de orde zal komen. Over de pipeline-effecten van f580 miljoen heb ik al het nodige gezegd. Ik heb daar niets aan toe te voegen. Mevrouw Ter Veld zegt dat het moeilijk is om ramingen te ma!;en. Zij haalde daarbij cijfers aan uit het financieel overzicht sociale zekerheid. Dat is juist. Gezien dat feit in 1983 of 1984 hebben wij het aangedurfd om een zeker risico te nemen. Kijkend naar het grote tekort in de betreffende fondsen op dit moment van f800 miljoen, denken wij dat wij dit risico nu niet moeten nemen. Ik kom op de cijfers met betrekking tot de alleenstaanden die naar het minimumniveau gaan. Mevrouw Ter Veld heeft hierover een staatje verstrekt. Zij vroeg naar de achtergrond van de door mij genoemde 45% van de gehuwde alleenverdienen-de uitkeringsgerechtigden die de werking van de minimumloonregeling ondervinden. Ter verduidelijking merk ik op dat in 1983 circa 100.000 van de betrokken uitkeringsgerechtigden op het minimumloon zaten. Dit aantal neemt toe met 100.000 als gevolg van de kortingen op de daglonen en de niveauverlaging in 1985. In 1985 zullen derhalve circa 200.000 van de 450.000 betrokken uitkeringsgerechtigden de werking van de minimumdagloonregeling ondervinden. Mevrouw Ter Veld zal vragen hoe het dan zit met de cijfers die zij heeft verstrekt. Zij heeft daarin volgens mij een fout gemaakt. Zij rekent alle bruto WAO-uitkeringen onder f 3.052 per maand tot de minimumuitkeringen. Zij neemt daarbij kennelijk de gehele inkomensklasse die is aangeduid met een gemiddelde bruto-uitkering van f3.045. Deze inkomensklasse moet evenwel niet geheel tot een minimumuitkering worden gerekend. Om die reden komt hier volgens de computergegevens, waaruit mevrouw Ter Veld ook heeft geciteerd, het getal uit van 45%. Mevrouw Ter Veld heeft ook gevraagd of ik met betrekking tot de minimumdagloongaranties in de loondervingsverzekeringen nog andere toetsen ga inbouwen dan er nu in zitten. Ik kan daarover heel Tweede Kamer 22 november 1984

duidelijk zijn: dat is geenszins de bedoeling. Mijn excuses aan het adres van mevrouw Dales voor het feit dat ik op twee vragen van haar nog geen antwoord heb gegeven. De eerste vraag betreft de melding bij de Europese Commissie. Ik had het antwoord wel in mijn tekst staan, daarom zal ik het alsnog voorlezen. De regeling van de verlengde WWV-uitkering voor 50-jarigen en ouder is niet aan de Europese Commissie toegezonden. Het ligt ook niet in de bedoeling, dit te doen. Naar aanleiding van het verzoek van de Europese Commissaris wordt op ons departement wel een inventarisatie gemaakt van maatregelen die wij van plan zijn te nemen of al genomen hebben ter uitvoering van de derde richtlijn. Deze maatregel die nu aan de orde is, wordt evenwel niet ter uitvoering van de richtlijn genomen. Zij creërt evenmin discriminatie. Derhalve wordt zij niet in de inventarisatie die ik zojuist noemde, opgenomen. De tweede vraag van mevrouw Dales had op het volgende betrekking. Stel, dat het niet lukt om de wetgeving op 1 juli rond te krijgen -ik heb het dus over de stelselwijziging -dan wil zij dat de Kamer onverwijld van dat gegeven op de hoogte wordt gesteld. Ik doe deze toezegging. Over de gezinstoeslagenwet is een interessante discussie ontstaan tussen de heer De Korte en de heer Gerritse. Ik heb er met interesse naar geluisterd. Ik heb met instemming vastgesteld dat de heer De Korte in ieder geval geen tegenstander is van de minimumdagloongaranties die wij nu in onze werknemersverzekeringen kennen. Dat doet mij deugd. Ik was even bang dat hij daarvan een tegenstander was. Dan zouden wij namelijk erg in de knoei kunnen komen met de toeslagverlening bij de realisering van de stelselwijziging. Op dit punt heeft hij mij gerustgesteld. Over de glijdende schaal ter zake van de bovenminima hebben wij inmiddels al uitvoerig van gedachten gewisseld. Ik erken dat de ingreep in het bovenminimale circuit in de sociale verzekering vrij pittig is. De cijfers die de heer De Korte daarvoor heeft genoemd, liegen er niet om; ook de heer Schutte heeft erop gewezen. Overigens ben ik blij dat ook de heer De Korte van oordeel is dat wij bij ons beleid de sociale minima zoveel mogelijk moeten ontzien. Over de bovenwettelijke voorzieningen bij WAO, WW en WWV is er een verschil van mening tussen de heer De Korte en mij. Hij heeft ook geconstateerd dat de werkgevers daarvan kennelijk niet wakker liggen. Voor hem behoeft daarover dan ook niet verder te worden gesproken. Op d't punt zijn wij het dus ook eens, al is het voor een deel misschien voor de schijn. Mevrouw Beckers vindt dat je eigenlijk niet tot een zelfstandige beoordeling zou moeten komen van het niveau van de uitkeringen, los van de invulling van de stelselwijziging. Op dit punt verschil ik met haar van mening. Zij constateert een discrepantie tussen hetgeen ik zeg over de erkenning van het feit dat dingen hard aankomen bij mensen en de mededeling dat er keuzen moeten worden gemaakt. Die discrepantie is er niet. Het is mijn overtuiging dat juist met het oog op het veilig stellen van de sociale zekerheid in de toekomst, het noodzakelijk is dat een aantal bijstellingen dient te geschieden. Ik heb ook de indruk dat in het debat in de Kamer die zaak meer dan één keer heel uitvoerig en goed onderbouwd uiteen is gezet. Het is om die redenen dat wij, als het kan hier en daar bijstellend -een en ander is ook bij de behandeling van dit voorstel wel gebleken -menen toch een aantal beslissingen te moeten nemen om het doel te bereiken. Mevrouw Beckers verwijst vervolgens naar blz. 33 van de toelichting op onze begroting, waarin gesproken wordt over gelijke kansen, de bestaanszekerheid en de beschaafde samenleving. Wat in de memorie van toelichting wordt beschreven met betrekking tot de gelijke kansen in de bestaanszekerheid staat geenszins haaks op de voorstellen die ik hier in deze Kamer verdedig. Integendeel, het is juist met het oog daarop dat wij dat veilig willen stellen; wij doen deze voorstellen om die gelijke kansen te handhaven. Uiteindelijk geeft dat het stukje zekerheid dat voor die beschaafde samenleving noodzakelijk is. Over de tweedeling in de maatschappij is mijns inzien al heel veel gesproken. Mevrouw Beckers constateert dat bij mensen met een uitkering of mensen die gefinancierd worden in de collectieve sector, als ambtenaar, trendvolger of via de sociale verzekering een zekere afstand is geschapen. Dat is ook voldoende en uitermate goed gemotiveerd. Ik erken dat dan ook. Betekent dit dan ook dat er daarmee sprake is van een tweedeling in de samenleving? Maar mijn gevoel is dat niet het geval. Ook bij het nieuwe stelsel van sociale zekerheid, ook bij dat lagere niveau, wordt van werkenden nog zo'n grote solidariteit gevraagd -men wil die solidariteit ook opbrengen -dat je moeilijk kan spreken van een tweedeling in onze samenleving.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Er is gesproken over nieuwe feiten. Ik heb na de discussie over de algemene beschouwingen een nieuw feit aangevoerd: de CBS-cijfers. De minister-president heeft gezegd dat ver van zich af te werpen: die tweedeling is er niet, en als er al iets is van een verschil tussen mensen dan wordt dat niet bevorderd door dit beleid. De cijfers van het CBS geven echter een aantal dingen aan over 1983. Mijn vraag aan u is of uw beleid daar schuld aan is, als u daarin bij voorbeeld verdisconteert dat 100.000 mensen alleen al door de kortingen van het laatste half jaar op het minimum terechtkomen. Als die schuld er is -volgens mij is die er -wat doet u daar dan aan?

Staatssecretaris De Graaf: U spreekt over schuld...

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Noem het dan maar oorzaak.

Staatssecretaris De Graaf: Het is duidelijk dat het verband er is. U heeft mij toch ook niets anders horen zeggen? Op het moment dat je de niveaus van uitkeringen verlaagt, gebeurt er voor de mensen die een uitkering hebben iets meer dan voor anderen. Dat is simpel inherent aan de aard van de maatregelen die je neemt. Die verbanden zal ik ook nooit ontkennen. Daarmee is er nog geen sprake van een tweedeling in de samenleving. Integendeel, de samenleving is ook in zo'n nieuw stelsel solidair met mensen die op een uitkering zijn aangewezen; de samenleving wil dat in de toekomst waar blijven maken. Daarom moeten wij af en toe, ik erken dat, een aantal pijnlijke maatregelen nemen.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Als er verband is tussen uw beleid en de groei van de verschillen tussen werkenden en niet-werkenden, als de groei in de verschillen zich uit in het gebruik van medicijnen, in bezoeken aan de dokter en in meer beroep op hulpverlening -dat zegt het CBS met betrekking tot 1983 -dan vraag ik mij af waarom u die maatschappelijke kosten dan niet mede in dit beleid berekent. Waarom blijft u alleen in uw eigen hokje bezig?

Staatssecretaris De Graaf: Ik kan op de verbanden die mevrouw Beckers nu noemt niet zomaar reageren. Ik zou daarover eerst

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Ik heb ze in eerste termijn ook al genoemd.

Staatssecretaris De Graaf: Het gaat mij om het volgende. Als wij in de sociale verzekering en bij de ambtenaren en de trendvolgers bij voorbeeld een generieke korting toepassen van 3% dan geeft dat een verschil. In de collectieve sector tussen werkenden en niet-werkenden is er dan in beginsel wel dezelfde mate van solidariteit. Ik ontken dat verband in ieder geval niet. Mijnheer de Voorzitter! Over het punt van de morele rechten op uitkeringen voor verzekeringen waar men lange tijd voor heeft betaald, wil ik nog een paar opmerkingen maken. In de stukken heb ik al aangegeven dat hier gaat om risicoverzekeringen die via omslag worden gefinancierd. Ik begrijp best dat men voor dat risico jarenlang heeft betaald en dat er dan ook zekere verwachtingen bestaan. Als men echter niet op die manier uitkeringen mag aanpassen, omdat het past en verantwoord is in een nieuw stelsel en men moet toch de ombuiging invullen -ik weet wel dat u daar geen boodschap aan heeft, maar het is wel een verantwoordelijkheid waarvoor ik sta -dan komt men heel snel tot generieke kortingen die juist ook de minima treffen. Wij willen juist proberen om die zo veel mogelijk te ontzien. Dat is wel gebleken uit de invulling van de maatregelen voor 1985.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Ik had niet meer willen interrumperen, maar de staatssecretaris zei in een tussenzinnetje: u heeft daar geen boodschap aan. Mijn vraag was echter toegespitst op iets anders. Als de overheid in zo grote mate het verwijt van onbetrouwbaarheid krijgt -dat was de tekst van het CNV -kan de staatssecretaris dat dan iets schelen? Het gaat niet om formele redeneringen.

Staatssecretaris De Graaf: Het zijn niet mijn woorden.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Het heeft echter wel consequenties voor uw beleid als half Nederland u onbetrouwbaar vindt.

Staatssecretaris De Graaf: Als men in Nederland nooit kan komen tot een bijstelling van iets dat bestaat in de collectieve sector -het maakt niet uit :f het nu voor ambtenaren is of voor onderwijzers, of voor trendvolgers, of voor de sociale zekerheid -dan komen wij in de grootste problemen. Als er dan invulling aan wordt gegeven op de manier die wij hebben gekozen, dan mag men dat beleid niet als onbetrouwbaar kwalificeren. De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De Voorzitter: Ik stel voor, de stemmingen in verband met de wetsvoorstellen aanstaande dinsdag te houden. Daartoe wordt besloten.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.