Voorlopig verslag van de vaste commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid - Nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 60a

18625

Nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen* en Wezenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen) 1 Samenstelling: Franssen (CDA) (voorzitter). Van Dalen (CDA), Mw. Uijterwaal-Cox (CDA), Van de Zandschulp (PvdA), Oskamp (PvdA), Heijmans (VVD), Van Tets (VVD), Mw. Vonhoff-Luijendijk (VVD), Mw. Bischoff van Heemskerck (D'66), Mw. Van Leeuwen (PSP), Hoekstra (CPN), Barendregt (SGP), De Gaay Fortman (PPR), Schuurman (RPF) en Van der Jagt(GPV).

VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Vastgesteld 27 november 1984

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid brengt met onderstaande vragen en opmerkingen verslag uit over het voorstel tot invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen.

Algemeen De leden van de fracties van C.D.A., V.V.D. en P.S.P. betuigden hun instemming met de naleving van de derde Europese richtlijn inzake gelijke behandeling in de sociale zekerheid.

De leden van de C.D.A.-fractie betreurden het dat de omstandigheden de regering gedwongen hadden de materie in tweeën te delen: één wetsvoorstel, houdende de verplichtingen welke naleving oproept en een tweede houdende de rechten die men aan de richtlijn zal kunnen ontlenen. De plichtenkant is in het voorliggend wetsvoorstel, waarmee deze leden en ook de leden van de V.V.D. zich overigens mee konden verenigen, ingebed. De rechtenkant zal later -echter met terugwerkende kracht -worden behandeld. De leden hier aan het woord hadden veel begrip voor bedoelde splitsing zowel wat het voorliggend voorstel als de daarmee verband houdende wetsvoorstellen 18515 (gelijkstelling AOW) en 18519 (derde fase tweeverdieners) betreft.

De leden van de V.V.D.-fractie zijn het eens met de opvatting van de staatssecretaris, dat bij verzelfstandigde aanspraken een systeem van verzelfstandigde premieheffing past (Handelingen Tweede Kamer 1984-1985, pagina 1154 l.k.). Zij vroegen zich wel af of deze stelling volgtijdig omkeerbaar is. Immers, de A.W.W. zal op 1 januari aan een verzelfstandigde premieheffing zijn onderworpen -met alle financiële gevolgen voor de verzekerde -terwijl ten aanzien van de prestaties nog slechts aan een adviesaanvrage wordt gewerkt. Heeft de staatssecretaris reeds geruchten vernomen dat mannen zich na aanvaarding van dit wetsontwerp willen wenden tot het Europese Hof van Justitie te Luxemburg?

Terugwerkende kracht

Gezien de bezwaren die in het algemeen aan terugwerkende kracht kleven en vooral gezien mogelijke lastenverzwaringen, die bij vertraging in de afhandeling wellicht ook met terugwerkende kracht zouden moeten worden opgelegd, achtten de leden van de C.D.A.-fractie spoedige behandeling van het voorstel zeer gewenst. De leden van de fractie van de V.V.D. vroegen of de opmerking in de Memorie van Toelichting wel juist is dat aan de uitkeringskant voortvloeiende voordelen van de verzelfstandiging (zonder bezwaar) terugwerkende kracht kan worden verleend omdat, in tegenstelling met de premieheffing, hieraan geen financiële lasten zijn verbonden. Indien echter de inkomensafhankelijke toeslagen -onverhoopt -in de wet zouden worden opgenomen, ontstaat er voor A.O.W."trekkers met een verdienende echtgenote beneden 65 jaar wel degelijk een lastenverzwaring c.q. een financieel nadeel, waaraan volgens deze leden geen terugwerkende kracht mag worden verleend. De mededeling van de staatssecretaris dat hier «geen enkel probleem» ligt (Handelingen Tweede Kamer pagina 1150 m.k.) lijkt hun dan ook ten minste enige nuance te ontberen.

Kinderbijslag Ten aanzien van de kinderbijslag stelde de staatssecretaris dat man en vrouw in beginsel recht hebben. Dit neemt niet weg dat in een gezin, waarin beide ouders (geacht worden) het kind (te) verzorgen de man nog steeds de instemming van de vrouw nodig heeft om kinderbijslag te kunnen aanvragen. De leden van de V.V.D.-fractie achtten dit meer een voorbeeld van indirecte (van de mannen) dan van positieve (vóór de vrouwen) discriminatie.

Verzekeringstijdvak De leden van de V.V.D.-fractie vroegen voorts of, mede als gevolg van de verhoging van de leerplichtige leeftijd, het nog zinvol is om een verzekeringstijdvak voor de A.O.W. van 50 jaar aan te houden. Deze leden deelden de aan de overzijde geuite bezwaren tegen het structureel maken van de tijdelijke verhoging van de premie-inkomensgrens met f 7000. Mede tegen deze achtergrond stellen zij de vraag hoe de staatssecretaris denkt over reservering van premieopbrengsten voor moeilijke tijden na 2000. Heeft de staatssecretaris kennis genomen van een rapport van de Nederlandsche Bank, waarin (blijkens N.R.C. Handelsblad 08-11-84) welvaartsvaste A.O.W.-uitkeringen bij een toenemende vergrijzing van de bevolking een verdubbeling van de A.O.W.-premie tussen nu en 2030 eisen? Hoe laat zich dit standpunt rijmen met de mededeling in de Financiële Nota Sociale Zekerheid (pag. 78): «Het hangt van de ontwikkeling van dat nationaal inkomen, het draagvlak dus, af, in hoeverre dit een probleem zou kunnen opleveren. Indien het volume van het nationaal inkomen eveneens met gemiddeld 0,7% zou stijgen, dan ontstaat geen drukverzwaring uit hoofde van demografische factoren.

Kosten De leden van de V.V.D.-fractie vonden het juist, mede uit een oogpunt van solidariteit, dat de kosten voor de premiereductie-en vrijstellingsregeling ten laste van de fondsen worden gebracht. In de Financiële Nota Sociale Zekerheid wordt in dat verband een bedrag van 250 min. genoemd. Mag uit het feit, dat in de memorie van toelichting op het wetsontwerp een bedrag van 100 min. wordt opgevoerd worden afgeleid dat 150 min. voor rekening van de overige volksverzekeringfondsen komt? Aan welke fondsen komen overigens de «nog aanwezige rijksbijdragen» ten goede, en bestaan er voornemens tot een verdere afbouw?

In de tabellen op de pagina's 17 en 19 van de Memorie van Toelichting is wel rekening gehouden met 10 miljoen extra administratiekosten in verband met een eventuele inkomensafhankelijkheid, maar niet met de eenmalige en structurele administratiekosten, in verband waarmee tijdens de hoorzitting van de Tweede Kamer op 24 oktober een bedrag van 40 a 100 min. is genoemd. Waarom niet?

Opslagpremies De leden van de V.V.D.-fractie konden niet inzien dat een afzonderlijke maximering van de opslagpremies een «ontoelaatbare doorbreking zou vormen van de solidariteit, die ten grondslag ligt aan de premieheffing» (Memorie van Antwoord pag. 13), zulks als consequentie van de -terechte -stelling dat tegenover een gelijk recht op prestaties een gelijke premieplicht bestaat. Immers, in de prestaties van de aan de opslagpremie onderworpen wetten verandert niets; de discriminatie in de A.W.W. blijft een inbreuk op bovengenoemde stelling. De verzelfstandiging in het systeem van premieheffing bij opslag is exogeen bepaald, n.l. als gevolg van de verzelfstandiging in de premieheffing van de A.O.W., die op haar beurt het terechte gevolg is van de geïndividualiseerde prestaties.

Pendelaars De leden van de fractie van het C.D.A. vroegen de staatssecretaris toe te lichten of, en zo ja, op welke wijze, de onbillijkheden waaronder pendelaars te lijden hadden verdwijnen dan wel worden verminderd dank zij de verzelfstandiging. In het verleden is reeds meermalen gesproken over deze onbillijkheden.

Derde richtlijn

De leden van de P.S.P.-fractie wilden, nu de derde richtlijn in de Nederlandse wetgeving wordt verwerkt, duidelijkheid verkrijgen over de juiste interpretatie van de inhoud van de richtlijn. Zij achtten de behandeling van voorliggend wetsvoorstel een goede gelegenheid deze zaak aan te snijden. Bij de behandeling van verschillende wetsvoorstellen in dit kader blijkt het kabinet een andere interpretatie te hanteren dan verschillende fracties in de Tweede Kamer. Daarom stelden zij de volgende vragen: Interpreteert het kabinet de in de Derde Richtlijn genoemde gelijke behandeling als het nastreven van individualisering? Verstaat het kabinet onder individualisering het economisch onafhankelijk zijn van individuen? Waarom hanteert het kabinet de individualisering niet als uitgangspunt bij de wetten 18625 en 18515 (premiekant en uitkeringskant AOW e.d.)? Bij de behandeling van het wetsontwerp 18625 gaf de staatssecretaris een eigen interpretatie, waarbij hij verzelfstandiging onderscheidde van individualisering. Beide houden volgens hem een gelijke behandeling in, maar verzelfstandiging hoeft niet noodzakelijk een individualisering te betekenen. Ongeacht de vraag of het gemaakt onderscheid een juiste is, roept dit de vraag op of een verzelfstandiging die geen onafhankelijkheid zou inhouden een juiste interpretatie van de Derde Richtlijn inhoudt. In het verlengde van een en ander is de vraag relevant wanneer het kabinet denkt bij andere sociale wetgeving over te gaan tot uitvoering van de Derde Richtlijn, a. in de zin van «verzelfstandiging»? b. in de zin van «individualisering»? Met name richt deze vraag zich op de bijstandsuitkeringen.

Welke wetten voldoen volgens het kabinet momenteel wèl aan de Derde Richtlijn? Kunnen de bewindslieden aangeven of de door het kabinet gehanteerde interpretatie aansluit bij de interpretatie van de EG zelf?

De voorzitter van de commissie, Franssen De griffier van de commissie. Mevrouw Dijkstra-Liesveld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.