Nota naar aanleiding van het eindverslag - Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsongeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 9

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG Ontvangen 23 maart 1988

Ik dank de Kamer voor de wijze waarop is ingegaan op het voorliggende voorstel van wet. Met genoegen heb ik geconstateerd dat de leden van de C.D.A.-fractie kunnen instemmen met de wijze waarop in het kader van artikel 36 WWV nieuw invulling wordt gegeven aan het begrip complementariteit. Ik heb er begrip voor dat de leden van de C.D.A.-fractie het betreuren dat de adviesaanvrage over het voorzieningenbeleid nog niet gereed is. In antwoord op hun vraag wanneer de adviesaanvrage tegemoet kan worden gezien, deel ik mede, dat zoals ik ook reeds in de Memorie van Antwoord heb gesteld, haast dient te worden gemaakt met de ontwikkeling van een totaalvisie op het voorzieningenbeleid voor werklozen. De problematiek van het voorzieningenbeleid is complex en ik meen, dat het de uiteindelijke invulling van het voorzieningenbeleid alleen maar ten goede zal komen, indien de verschillende problemen goed zijn uitgekristalliseerd en rekening kan worden gehouden met de laatste maatschappelijke ontwikkelingen in deze. Het streven is erop gericht dit voorjaar de adviesaanvrage gereed te hebben.

In antwoord op de vraag van de leden van de C.D.A.-fractie of het initiatief van de gemeenten moet komen bij intergemeentelijke samenwerking deel ik mede, dat het in beginsel aan de gemeenten overgelaten dient te worden om bij het opzetten van activiteiten in het kader van artikel 36 WWV al dan niet samen te werken. Veelal zal het van de situatie in de regio afhangen of zo'n samenwerking tot stand komt. Samenwerking kan op verschillende wijzen geschieden, niet alleen door het beschikbaar stellen van het gemeentelijke budget aan een centrum-gemeente onder het beding van deelname door inwoners 'iit de bijdragende gemeente, die tot de doelgroep behoren, aan de activiteiten, die door de centrumgemeente worden georganiseerd, maar ook door het maken van afspraken met elkaar over de soorten activiteiten ter vergroting van de variatie in het aanbod. Voor alle duidelijkheid wil ik er met nadruk op wijzen dat het een beslissing van de gemeenten is om tot samenwerking te komen. Hierbij zie ik in zoverre een rol voor de rijksconsulent sociale zekerheid weggelegd, dat hij in het periodieke overleg met de gemeenten hen over de mogelijkheden van het nieuwe artikel 36 WWV informeert, daaronder begrepen de mogelijkheden voor samenwerking.

Getracht moet immers worden de middelen zo goed mogeijk te benutten. De leden van de CD.A-fractie hebben de indruk dat het budget van artikel 36 WWV voor 1988 eenmalig, bij wijze van incident, op f 30 miljoen is gesteld. Dit is niet juist. Ik neem aan, dat zulks het gevolg is van hetgeen ik in een passage in de Memorie van Antwoord, gewijd aan de projecten «Voorrang voor jongeren», heb gesteld met betrekking tot het niet verder kunnen verruimen van het budget van artikel 36 WWV. Bezien in samenhang met de passage, waarin is aangegeven dat het in de WWV-ramingen verwerkte bedrag van f20 miljoen met f 10 miljoen structureel is verhoogd, dient deze passage zo te worden geïnterpreteerd, dat ik geen mogelijkheden zie het budget voor artikel 36 nieuw tot boven f30 miljoen te verruimen.

Ik heb er begrip voor dat de leden van de C. DA. fractie het betreuren dat tengevolge van een forse herverdeling van middelen bepaalde gemeenten dan wel regio's geconfronteerd worden met een sterke terugval. Desondanks ben ik van mening, dat de gemeenten met het hun toekomende budget in staat geacht moeten worden een adequaat beleid te kunnen voeren. Hierbij wil ik niet ontkennen, dat het voor de betrokken gemeenten in de overgangsfase niet altijd gemakkelijk zal zijn bij het herformuleren van het beleid keuzen te maken.

Ik heb met genoegen geconstateerd dat de leden van de P.v.d.A-fractie de mening zijn toegedaan dat een snelle invoering van het onderhavige wetsvoorstel de voorkeur verdient. Ik ben het met hen eens, dat het langer aanhouden van de huidige situatie vele gemeenten zal afhouden van het treffen van voorzieningen dan wel hen in financiële problemen zal brengen. Daarom betreur ik het, dat de leden van de V.V.D. fractie niet overtuigd zijn van de noodzaak om «aan het einde van de rit» alsnog een wijziging in de WWV aan te brengen. In tegenstelling tot hetgeen de leden van de V.V.D.-fractie vrezen, zal de wijziging van artikel 36 WWV niet de druk van de ketel halen met betrekking tot de adviesaanvrage inzake de invulling van de in de Werkloosheidswet gereserveerde artikelen. Zoals ik hiervoor reeds heb uiteengezet is het streven erop gericht nog dit voorjaar deze adviesaanvrage te doen uitgaan. Wel wil ik er met nadruk op wijzen, dat het hierbij gaat om het nader aangeven van bevoegdheden van de bedrijfsverenigingen als uitvoeringsorgaan van de Werkloosheidswet. Artikel 36 WWV is een instrument in handen van de gemeenten. Onder meer in de Memorie van Toelichting heb ik de redenen uiteengezet, waarom het zinvol is dit instrument in aangepaste vorm in handen van de gemeenten te laten.

Met betrekking tot de door de leden van de P.v.d.A-fractie geuite twijfel of de gemeenten onvoldoende mogelijkheden hebben om op adequate wijze voorzieningen te treffen, wil ik opmerken, dat in het algemeen de gemeenten in staat moeten worden geacht zo'n beleid te voeren. Zoals ik ook reeds heb opgemerkt naar aanleiding van een vraag van de leden van de CDA.fractie is het mij bekend, dat er gemeenten zijn die minder zullen gaan ontvangen en op wie de taak rust hun beleid in deze bij te stellen. Om een zo groot mogelijk rendement van het beschikbare budget te verkrijgen zal het dan zinvol zijn het gemeentelijk beleid in het kader van een toeleidingstraject naar de arbeidsmarkt in perspectief te plaatsen met het beleid van onder andere arbeidsbureaus en van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

Het is inderdaad zo -dit naar aanleiding van een opmerking van de leden van de P.v.d.A.-fractie ter zake -dat in zijn algemeenheid aan het deelnemen aan activiteiten ingevolge artikel 36 WWV geen vrijstelling van de verplichting om aangeboden passende arbeid te aanvaarden dan wel zich ingeschreven te doen houden bij het arbeidsbureau is verbonden.

Zo'n generale vrijstelling wordt ook niet verbonden aan het volgen van scholing. Dit hangt af van de specifieke situatie van de deelnemer. In voorkomende gevallen kan het uitvoeringsorgaan (bedrijfsvereniging dan wel gemeente) na overleg met het gewestelijk arbeidsbureau daartoe besluiten. Een en ander zal mede afhangen van het totale arbeidsmarktperspectief voor betrokkene, waarin de artikel 36 WWV-activiteit een rol speelt. De leden van de P.v.d.A.-fractie pleiten voor het verstrekken van een specifieke extra uitkering aan gemeenten indien activiteiten worden opgezet voor bepaalde met name genoemde doelgroepen onder de werklozen. Hoewel de achterliggende gedachte zeker sympathie ontmoet, deel ik deze opvatting niet. In het kader van de socialezekerheidswetgeving ten behoeve van werklozen kan het zinvol zijn voorwaarden te scheppen met het oog op het bereiken van bepaalde doeleinden. Uit de aard der zaak behoren deze voorwaarden algemeen van aard te zijn en derhalve past het naar mijn mening niet om ten aanzien van bepaalde groepen onder de werklozen nog eens een categoraal beleid te gaan voeren. Daar komt nog bij dat het op bezwaren stuit om binnen het bestaande budget van artikel 36 WWV naast een budget ten behoeve van de noodzakelijke overgangsregeling ook nog een budget af te zonderen voor het opzetten van activiteiten voor bepaalde doelgroepen onder de werklozen.

Het doet mij genoegen dat de leden van de P.v.d.A.-fractie in algemene zin de opvatting van het Kabinet delen dat gemeenten geen activiteiten dienen op te zetten die reeds door het gewestelijk arbeidsbureau worden aangeboden. Ik begrijp echter niet goed in welke omstandigheden dit wel nodig zou zijn. Ik stel me voor, dat bij het opzetten van activiteiten het beleid zodanig op elkaar is afgestemd, dat hiervoor geen noodzaak zal zijn. In antwoord op de vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie over de hoogte van het macrobudget merk ik, zoals hiervoor reeds aangegeven, op dat in dat verband van belang is dat het kabinet heeft besloten het macrobudget van 20 miljoen structureel te verhogen tot 30 miljoen. Ik verwijs in dit verband naar de Memorie van Toelichting bij de SZW-begroting 1988 (blz. 100). Los daarvan merk ik op dat het niet mogelijk is de niet bestede middelen betreffende WWV en IOAW aan te wenden voor de voorzieningen ex artikel 36 WWV. Het betreft hier zgn. exogene middelen die niet aangewend kunnen worden voor andere uitgaven categorieën. In de Memorie van Antwoord heb ik -zulks naar aanleiding van een verzoek van de leden van de fractie van de P.P.R. -een nadere uitleg gegeven van het voorgestelde financieringssysteem van onder-en overbesteding. Met het oog op de duidelijkheid is daarbij gebruik gemaakt van een voorbeeld. De uitkomst daarvan was een bedrag van f 50 per werkloze. Dit voorbeeld kan echter niet als maatstaf worden genomen ten aanzien van de hoogte van het bedrag per werkloze, zoals de leden van de fractie van het C.D.A. veronderstellen. Onder de werking van het huidige artikel 36 WWV doet ongeveer 1/3 van het aantal gemeenten, omvattende ongeveer 65% van het werklozenbestand, een beroep op een bijdrage. Bij het vaststellen van het bedrag per werkloze zal hiermee rekening dienen te worden gehouden en zal zeer zorgvuldig dienen te worden gehandeld. Voorkomen moet immers worden dat er overbesteding ontstaat. De leden van de PvdA-fractie waren verbaasd over het voorstel om eventuele overschrijding van het beschikbare begrotingsbedrag in mindering te brengen op het budget van het daaropvolgende jaar. In

antwoord daarop merk ik op dat met deze regeling wordt beoogd het beschikbare budget optimaal te benutten. De in de Memorie van Antwoord opgenomen passage had ten doel de systematiek toe te lichten. Bij de feitelijke toepassing van de regeling zal terughoudendheid worden betracht teneinde te voorkomen dat het begrotingsbedrag wordt overschreden. Ik heb er begrip voor dat de leden van de PvdA-fractie de mening zijn toegedaan dat om aan de financiële problemen van de actieve gemeenten, die als gevolg van de nieuwe wijze van financiering, minder te besteden krijgen, tegemoet te komen alsmede om de overgangsregeling te financieren, extra gelden beschikbaar dienen te worden gesteld. Ik ben het daar niet mee eens. Ik heb er de voorkeur aan gegeven het budget structureel op 30 miljoen te brengen en uit dat verhoogde bedrag tevens gedurende de termijn van de overgangsregeling de daarmee gemoeide extra kosten te vergoeden.

Wat betreft de overgangsregeling konden de leden van de PvdA-fractie weinig waardering opbrengen voor de overgangsbepaling, voorzover deze inhoudt, dat het aanvullende bedrag meer moet zijn dan het basisbedrag, waarbij ik aanneem dat hier is bedoeld meer dan de helft van het basisbedrag. Bij het vormgeven aan deze constructie heb ik gepoogd een evenwicht te vinden tussen enerzijds het stimuleren op zo groot mogelijke schaal van een beleid gericht op toeleiding van werklozen naar de arbeidsmarkt, uit te voeren door gemeenten en anderzijds het in een redelijke mate tegemoetkomen gedurende een zekere termijn aan de financiële terugval van die gemeenten, die in het verleden in deze een actief beleid hebben gevoerd. Hoe zorgvuldig ook getracht wordt zo'n constructie te verkrijgen, ik besef zeer wel, dat desondanks een en ander niet zonder problemen zal verlopen.

Overigens kan ik me niet verenigen met het voorstel van de leden van de PvdA-fractie om enerzijds voor alle gemeenten een bepaald basisbedrag vast te stellen en anderzijds voor de actieve gemeenten een extra aanvullend bedrag om hen in staat te stellen de reeds gestarte activiteiten voort te kunnen zetten.

Ik acht het geen goede zaak dat in het kader van een wettelijke regeling gedurende langere tijd een tweedeling tussen gemeenten wordt gemaakt. Voorts is het voor de werklozen, die wonen in gemeenten waar nog geen dan wel in geringe mate een beroep op artikel 36 WWV is gedaan, van groot belang, dat hun gemeenten een zodanig bedrag kunnen claimen, dat zij daarmee een adequaat beleid kunnen opzetten.

De leden van de PvdA-fractie zijn de mening toegedaan, dat gemeenten, die nog geen gebruik hebben gemaakt van het huidige artikel 36 WWV en die thans wel reeds mogelijkheden bieden dergelijke activiteiten in uitvoering te nemen, vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze wet, gebruik moeten kunnen maken van het beschikbare budget. Voorzover passend binnen het kader van het huidige artikel 36 WWV kunnen gemeenten voor de overigens wel beperkte doelgroep een bijdrage vragen. Het stuit evenwel op staatkundige bezwaren om voor de inwerkingtreding van de wet reeds een budget te gaan benutten, dat formeel nog niet beschikbaar is. Daarvoor zou een nadere regeling noodzakelijk zijn. Een dergelijke regeling acht ik thans ongewenst vanwege het feit, dat deze ten koste zou gaan van het voor artikel 36 WWV nieuw beschikbare budget. In dit verband verwijs ik u naar de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die onlangs aan de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van uw Kamer is gezonden met betrekking tot een dergelijk verzoek van de zijde van de gemeente Apeldoorn mede namens 7 andere gemeenten.

Thans ga ik nog in op enkele door de leden van de PvdA-fractie gestelde vragen. Na inwerkingtreding van het nieuwe artikel 36 WWV kunnen de gemeenten gedurende het gehele kalenderjaar bij het ministerie een beroep doen op het hun toekomende budget. In verband hiermede is het niet mogelijk om voor het einde van dat jaar inzicht te hebben in het aantal gemeenten, dat zijn budget zal aanwenden. Hiermee hangt ook samen dat het niet mogelijk is om het bedrag per werkloze in de loop van een jaar te verhogen. Bij de vaststelling van het bedrag per werkloze voor een bepaald jaar dient een zorgvuldige afweging te worden gemaakt van alle factoren, die daarop van invloed zijn. Voorkomen moet immers worden, dat ten gevolge van een te hoge vaststelling, zoals hiervoor ook reeds opgemerkt, overbesteding ontstaat. In 1986 heeft ongeveer 1/3 van het totale aantal gemeenten met in totaal ongeveer 65% van het werklozenbestand een bijdrage in het kader van artikel 36 WWV gevraagd. Op dit moment is nog niet bekend hoe groot het uiteindelijke subsidie ingevolge artikel 36 WWV over 1987 zal zijn, aangezien tengevolge van de regelgeving ter zake deze gegevens pas in het najaar van 1988 bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid moeten zijn ingediend. Tot slot is het voor mij niet goed mogelijk een schatting te maken ten aanzien van het bedrag dat in 1988 zal worden gebruikt. Dit hangt onder meer af van de omvang van de huidige doelgroep, die een neergaande lijn te zien geeft, alsmede van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 36 WWV nieuw.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de door mij aangewende argumenten om alsnog tot wetswijziging van het huidige artikel 36 WWV nieuw over te gaan nogal formalistisch zijn. Hierbij baseren zij zich op de veronderstelling dat in de praktijk het beleid reeds is aangepast. Dit is evenwel niet juist. Binnen de mogelijkheden van het huidige artikel 36 WWV heeft weliswaar zoveel mogelijk een accentverlegging plaatsgevonden in de richting van toeleiding naar de arbeidsmarkt, maar gelet op het feit, dat in het artikel gesproken wordt van sociaal-cultureel werk, kan niet voorkomen worden, dat in het kader van het huidige artikel 36 WWV activiteiten worden opgezet, die gelet op de taakafbakening, gemaakt met de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, tot diens beleidsterrein behoren.

De veronderstelling van de leden van de VVD-fractie, dat feitelijk nu reeds Rww-gerechtigden onder de werking van artikel 36 WWV vallen, is in zijn algemeenheid niet juist. De door de gemeenten gemaakte kosten voor Rww-gerechtigden komen ingevolge het huidige artikel 36 WWVniet voor vergoeding in aanmerking. Een wetswijziging is derhalve noodzakelijk om de door de leden van de VVD-fractie gewenste situatie te realiseren.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.