Eindverslag - Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 8

1 Samenstelling: Leden: Nypels (D66), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), M oor (PvdA), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Rempt Halmmans de Jongh (VVD), Groenman (D66), Oomen Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Linschoten (VVD), Alders (PvdA), Kamp (VVD), Nijhuis (VVD), Leijnse (PvdA), Doelman-Pel (CDA), G. Terpstra (CDA), Van Gelder (PvdA), De Leeuw (CDA), Biesheuvel (CDA) Plv. leden: Tommei (D66), Wolters (CDA), B. de Vries (CDA), Van Es (PSP), Worrell (PvdA), Kok (PvdA), Van lersel (CDA), Hageman (PvdA), Korthals (VVD), Engwirda (D66), De Kok (CDA), Van der Vlies (SGP), Melkert (PvdA), De Grave (VVD), Wöltgens (PvdA), Franssen (VVD), Schutte (GPV), Knol (PvdA), Paulis (CDA), Soutendijk van Appeldoorn (CDA), Vliegenthart (PvdA), Tuinstra (CDA), Leerling (RPF).

EINDVERSLAG Vastgesteld 25 februari 1988

Na kennisneming van de memorie van antwoord en de nota van wijziging zijn in de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog verschillende opmerkingen gemaakt en vragen gesteld. Onder het voorbehoud dat de regering deze tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

De leden van de C.D.A.-fractie waren de staatssecretaris erkentelijk voor de uitvoerige beantwoording van hun vragen die zij in het voorlopig verslag hadden doen opnemen. Zij verklaarden te kunnen instemmen met de gegeven uitleg van de complementariteit van activiteiten ingevolge artikel 36 WWV. De leden van de C.D.A.-fractie betreurden het dat de adviesaanvrage over het voorzieningenbeleid (zie blz. 1 memorie van antwoord) nog niet gereed is. Zij zouden graag vernemen wanneer dit het geval zal zijn. Deze leden onderkenden dat in het voorzieningenhoofdstuk van de WW geen taken voor gemeenten zullen worden geregeld. Zij waren echter van mening dat het zeer wenselijk is dat afstemming plaats vindt tussen gemeenten en bedrijfsverenigingen in dit opzicht. Vervolgens stelden zij de vraag of het waar is dat het initiatief van de gemeenten moet komen bij de intergemeentelijke samenwerking die de bewindsman voorstaat. Zou de rijksconsulent in deze een bemiddelende rol kunnen spelen? Het mogelijk langs elkaar werken van gemeenten zou op die wijze voorkomen kunnen worden, zo meenden de leden van de C.D.A.-fractie. Hoewel het wetsvoorstel met enige vreugde ontvangen werd door de leden van de C.D.A.-fractie, rezen er bezwaren over de financiering van het geheel. De bewindsman gaat uit van een bedrag van f30 min. over het jaar 1988, als incident. De Stuurgroep Ontwikkelingsprojecten gaat in haar advies, dat naar aanleiding van een onderzoek van de bestaande praktijk met proefgebieden is gedaan, uit van een bedrag van f 50,-per geregistreerde werkloze, wat neerkomt op een totaal van f35 min. Kan, zo vroegen deze leden, het tijdelijk beschikbaar gestelde bedrag van f 10 min., bovenop het vastgestelde bedrag van f20 min., omgezet worden in een vast budget? De

belangrijkste doelstelling van het kabinetsbeleid, te weten de bestrijding van de werkloosheid, zou, naar de mening van deze leden, hiermede zeker gediend zijn. De leden van de C.D.A.-fractie zeiden te kunnen instemmen met de verhoging van f 40,-naar f 50,-per deelnemer. Zij betreurden echter dat het totale budget, dat beschikbaar wordt gesteld te gering van omvang is. Door de forse herverdeling zouden sommige regio's te maken krijgen met een terugval die soms 3/4 van het oorspronkelijke budget beloopt. Zij vroegen zich in alle ernst af of er met deze middelen nog wel activiteiten ontplooid zullen kunnen worden.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. waren de staatssecretaris eveneens erkentelijk voor de uitvoerige beantwoording van de vele gestelde vragen. Hoewel deze leden hun positieve opstelling ten opzichte van het wetsvoorstel wilden handhaven, plaatsten zij een aantal vraagtekens bij de door het kabinet op onderdelen gekozen oplossingen. Hun eindoordeel over het wetsvoorstel zouden zij mede laten afhangen van de antwoorden op de in dit verslag te stellen vragen. De leden van de P.v.d.A. fractie deelden de opvatting dat de gemeenten in hun functie als uitvoerders van uitkeringsregelingen bij werkloosheid een instrument toekomt. Met instemming hadden deze leden kennis genomen van het standpunt van het kabinet het voorliggende wetsvoorstel niet een voorlopig karakter te geven. De leden van de P.v.d.A.-fractie leidden hieruit af dat er in de toekomst via drie verschillende instanties voorzieningen worden getroffen om werklozen in staat te stellen weer in het arbeidsproces te worden opgenomen. Gezien de ernst van de problematiek waarmede zeer vele gemeenten worden geconfronteerd zeiden de hier aan het woord zijnde leden het met de staatssecretaris eens te zijn dat een snelle invoering van het onderhavige wetsvoorstel de voorkeur verdient. Het langer aanhouden van de huidige situatie zou vele gemeenten onthouden van het treffen van voorzieningen en gemeenten die wel actief zijn op dit terrein in financiële moeilijkheden brengen. Evenals het kabinet achtten de leden van de P.v.d.A.-fractie het van belang dat voor de groep kansarme werklozen een toeleidingstraject kan worden ontwikkeld. Zij deelden de opvatting dat artikel 36 WWV nieuw hiertoe een belangrijke bijdrage kan leveren. Zij vroegen wel of de gemeenten voldoende mogelijkheden zullen worden geboden om op adequate wijze voorzieningen te treffen. De gemeenten dienen zich te richten op een categorie werklozen waarvan de meesten uitsluitend met een uiterste inspanning perspectief geboden kan worden. De gemeenten zullen langdurige voorzieningen moeten treffen om tot enig resultaat te komen. Het kwam deze leden voor dat de financiële middelen waarover de gemeenten de beschikking krijgen, ontoereikend zullen zijn om een aanzienlijke groep werklozen te bereiken. De hier aan het woord zijnde leden waren, zoals reeds eerder gesteld, het met het kabinet eens om de doelgroep aanzienlijk uit te breiden. Zij vreesden evenwel dat de tot deze doelgroepen behorende werklozen niet zullen worden bereikt. Met de verplichting, dat werklozen die deelnemen aan activiteiten op basis van artikel 36 WWV, ingeschreven dienen te staan bij het GAB, zeiden de P.v.d.A."fractieleden te kunnen instemmen. Niet geheel eens echter waren zij het met de opvatting dat werklozen die aan een activiteit in het kader van artikel 36 WWV deelnemen verplicht zijn een hem/haar aangeboden passende arbeid te aanvaarden. Het ware wenselijk in voorkomende gevallen, zulks na overleg tussen gemeente en GAB, de betreffende deelnemer dispensatie te verlenen, ten einde een op hem/haar gerichte activiteit te voltooien. Immers, zo luidde

de opvatting van deze leden, artikel 36 WWV is er op gericht (langdurig) werklozen betere arbeidsmarktperspectieven te bieden en daarvan is (waarschijnlijk) geen sprake indien een opleiding halverwege wordt onderbroken voor een tijdelijke baan. De leden van de P.v.d.A.-fractie waren voorts van mening dat gemeenten, waar het werklozenbestand voor een meer dan evenredig deel bestaat uit categorieën werklozen zoals herintredende vrouwen, minderheden, en zeer langdurig werkloze jongeren, in aanmerking dienen te komen voor een specifieke op deze categorieën gerichte extra uitkering, indien deze gemeenten voor deze groep(en) activiteiten ontwikkelen. Zij deelden in algemene zin de opvatting van het kabinet, dat gemeenten geen activiteiten dienen op te zetten die reeds door het GAB worden aangeboden. Zij wilden dat evenwel niet geheel uitsluiten; naar hun opvatting moeten gemeenten, zulks na overleg met GAB (RBA), in voorkomende gevallen in de gelegenheid worden gesteld dergelijke activiteiten wel te organiseren: Zoals reeds eerder door de leden van de P.v.d.A.-fractie is opgemerkt is het vastgestelde bedrag van f30 min. ontoereikend om de gemeenten de gelegenheid te geven voldoende activiteiten op te zetten voor kansarme werklozen. Het bevreemdde deze leden dat het kabinet niet bereid is gebleken het budget ten behoeve van de werkloosheidsbestrijding enigermate te verhogen. De hier aan het woord zijnde leden waren de mening toegedaan dat het kabinet een deel van de meevallers op de artikelen 45 van de begroting 1987 van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (WWV) (f 187,5 min.) en 47 (IOAW) (f37 min.) ten gunste van artikel 36 WWV had kunnen overhevelen. Hoewel deze leden konden instemmen met de door het kabinet voorgestelde regeling om de bijdrage aan de gemeenten te relateren aan een bedrag per ingeschreven werkloze, wilden zij daar een aantal kanttekeningen bij plaatsen. Zagen deze leden het goed, dan dreigt het gevaar dat er tekorten ontstaan bij gemeenten die zeer actief zijn, terwijl er tegelijkertijd sprake is van overschotten bij een niet actieve gemeente. Het kabinet gaat uit van f40 per ingeschreven werkloze en komt na een schatting van het aantal gemeenten dat geen gebruik zal maken van de mogelijkheden die artikel 36 WWV biedt, uit op f 50 per werkloze. Hoewel, zoals blijkt uit de memorie van antwoord, de bewindsman geen antwoord kan geven op de vraag hoeveel gemeenten actief zijn (geweest) in het kader van artikel 36 WWV, vroegen deze leden waarop die schatting is gebaseerd. De leden van de fractie van de P.v.d.A. waren verbaasd over het voorstel, ingeval mocht blijken dat meer gemeenten een beroep doen op dit artikel, waardoor het beschikbare budget wordt overschreden, die overschrijding in mindering te brengen op het macrobudget van het volgend jaar. Naar hun mening dient het kabinet dan extra gelden ter beschikking te stellen. Als gevolg van de nieuwe financieringssystematiek dreigen een aantal gemeenten, die in voorgaande jaren een actief beleid voerden en dat willen voortzetten, in ernstige financiële moeilijkheden te geraken. Het voorstel om een deel van het macrobudget te reserveren ten behoeve van bovenbedoelde gemeenten, ten einde de voor 1988 goedgekeurde activiteiten te financieren, ontmoette weinig sympathie bij deze leden. Zij waren de mening toegedaan dat hiervoor extra gelden beschikbaar dienen te worden gesteld, evenals dit ook zou moeten gebeuren voor de bedoelde overgangsperiode. De leden van de fractie van de P.v.d.A. konden weinig waardering opbrengen voor de bepaling dat het aanvullend bedrag meer moet zijn dan het basisbudget. Zij wilden gaarne vernemen waarom voor deze constructie is gekozen. De hier aan het woord zijnde leden zeiden te vrezen, dat gemeenten met een omvangrijke werkloosheid en die reeds vele activiteiten in voorgaande

jaren hebben ontwikkeld, hierdoor in ernstige moeilijkheden komen te verkeren. Het was deze leden geheel onduidelijk waarom deze overgangsmaatregel ten laste moet komen van gemeenten die in voorgaande jaren met een lager budget werkten. De leden van de fractie van de P.v.d.A. zouden willen voorstellen voor een systematiek te kiezen waarbij enerzijds het basisbudget van f40 per werkloze kan worden gehandhaafd en, anderzijds, actieve gemeenten in staat worden gesteld de reeds gestarte activiteiten, door middel van een extra budget voort te kunnen zetten. Zij wezen daarbij vooral op voortzetting van zeer goed lopende projecten. Naar hun mening moet worden voorkomen dat die projecten gedwongen zijn af te slanken. De leden van de P.v.d.A.-fractie waren voorts de mening toegedaan dat gemeenten, die nog geen gebruik hebben gemaakt van artikel 36 WWV, maar die nu reeds wel mogelijkheden bieden dergelijke activiteiten in uitvoering te nemen, vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze wet, gebruik moeten kunnen maken van het beschikbare budget. Zij verwezen daarbij naar de situatie in Nijmegen en andere gemeenten, die plannen hebben om de langdurige werkloosheid te bestrijden. Met betrekking tot de overgangsregeling merkten de leden van de P.v.d.A.-fractie nog op dat naar hun opvatting deze drie volle jaren dient te zijn, ingaande het jaar dat deze wet van kracht wordt. Zij wilden vervolgens antwoord krijgen op de volgende vragen. Wanneer dienen gemeenten een aanvraag te doen? Wanneer bestaat inzicht in het aantal gemeenten dat een aanvraag voor een bepaald jaar indient? Wanneer kan beslist worden over een eventuele verhoging van het bedrag per werkloze? Ten slotte wilden deze leden ingelicht worden over het aantal gemeenten dat nu reeds gebruik maakt van de mogelijkheden die artikel 36 WWV biedt, over het bedrag dat in 1987 is uitgegeven en welk bedrag naar schatting in 1988 zal worden gebruikt.

De leden van de V.V.D. fractie waren de staatssecretaris erkentelijk voor de uitvoerige beantwoording van de gestelde vragen in de memorie van antwoord. Hoewel deze leden het in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde beleid onderschreven, waren zij door de memorie van antwoord nog niet overtuigd van de noodzaak om «aan het eind van de rit» nog in de WWV een aanpassing door te voeren. Een definitieve regeling in de Werkloosheidswet is immers geboden. Deze leden vreesden dat het alsnog wijzigen van artikel 36 WWV de druk van de ketel haalt met alle vertraging van dien. Zij achtten dit beslist onwenselijk. Bovendien vonden zij de aangevoerde argumenten (blz. 2, memorie van antwoord) nogal formalistisch. Waarom artikel 36 nog wijzigen wanneer het beleid in de praktijk al is aangepast aan hetgeen gewenst geacht wordt? Waarom, zo vroegen zij vervolgens, zouden langdurig werklozen met een Rww-uitkering per se buitengesloten worden? Door het kabinet kan toch (doelgericht) geldt ter beschikking gesteld worden om ook deze categorie aan artikel 36 WWV-activiteiten te laten deelnemen? Dat is toch niet verboden? Of gaat het om het wettelijk verankeren van de rechten van de betrokkenen? Naar het oordeel van deze leden kan dit niet het argument zijn. Net zo goed als het kabinet deze rechten beperkt door het invoeren van de voorgestelde budgetfinanciering -waar deze leden het overigens van harte mee eens zijn -kan het kabinet de doelgroep verbreden door het beschikbaar stellen van (extra) geld. Kortom, deze leden vonden de noodzaak van deze wetswijziging (nog) niet afdoende aangetoond.

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier van de commissie, Van der Windt

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.