Memorie van antwoord - Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 6

MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 11 januari 1988

  • Algemeen

Met vreugde heb ik geconstateerd, dat de algemene strekking van het wetsvoorstel in brede kring positief wordt beoordeeld. Met name wordt door vrijwel alle fracties ingestemd met de uitbreiding van de doelgroep en het toespitsen van artikel 36 WWV op (her)intreding in het arbeidsproces. Ondanks deze brede instemming heeft het voorstel toch de nodige vragen opgeroepen. Met name door de fracties van de V.V.D., D'66, P.P.R. en R.P.F, is gevraagd naar de relatie tussen het gewijzigde artikel 36 WWV en de invulling van de gereserveerde artikelen in de WW. In de in voorbereiding zijnde adviesaanvrage inzake het voorzieningenbeleid vanuit de sociale zekerheid voor werklozen zal centraal staan de vraag, over welke instrumenten de bedrijfsverenigingen dienen te beschikken om aan hun begeleidingsfunctie van langdurig werklozen -met wie zij voor de stelselherziening geen bemoeienis hadden -vorm te geven. Daarnaast zal de adviesaanvrage ingaan op de problematiek van scholing met behoud van uitkering, een materie die sterk in de aandacht staat, zoals ook uit het eindrapport van de tripartite werkgroep scholing van de Stichting van de Arbeid blijkt.

Bij de uitwerking van deze onderwerpen in de adviesaanvrage kan niet onbesproken blijven de relatie tussen de bedrijfsverenigingen en de gemeenten onderling en hun relaties met de arbeidsbureaus (de toekomstige arbeidsvoorzieningsorganisatie). Het feit op zich dat ook aan gemeenten in hun functie als uitvoerders van uitkeringsregelingen bij werkloosheid een voorzieningeninstrumentarium toekomt, zal daarbij niet opnieuw ten principale ter discussie worden gesteld. Dit betekent dat niet zozeer de vraag aan de orde zal worden gesteld naar het bestaansrecht van activiteiten die op grond van artikel 36 WWV kunnen worden verricht, als wel de relatie tussen dergelijke activiteiten en het overige voorzieningeninstrumentarium. Om die redenen is het gewenst de wijziging van artikel 36 WWV los van de invulling van de adviesaanvrage en de daaruit voortvloeiende invulling van het voorzieningenhoofdstuk in de WW, ter hand te nemen. Om misver-1 Het advies van de Stuurgroep Ontwikkelingsprojecten dd. 16-4-1986 ligt op de bibliotheek ter inzage

standen op dit punt te voorkomen: de WW is een door bedrijfsverenigingen uitgevoerde wet; in het voorzieningenhoofdstuk van die wet kunnen daarom alleen taken voor bedrijfsverenigingen worden geregeld, en niet bij voorbeeld taken voor gemeenten.

Het voorliggende voorstel heeft slechts in die zin een voorlopig karakter, dat op grond van evaluatie van de nieuwe regeling zal moeten worden bezien of het beoogde doel, het vergroten van de toetredingskansen van (langdurig) werklozen naar arbeidsmarkt en arbeidsmarktvoorzieningen, het meest adequaat kan worden gerealiseerd door middel van een specifieke uitkering. Het feit, dat in het voorstel gekozen is voor financiering via een dergelijke uitkering maakt het nodig -dit mede in antwoord op een vraag van de zijde van de C.D.A. fractie -om controle uit te oefenen op de wijze van besteding van die uitkering. Voorts dient te worden bedacht dat over enige tijd de uitkeringskant van de WWV geen materiële betekenis meer zal hebben. De vraag is dan hoe het bepaalde in de artikelen 36 ca. het beste kan worden vastgelegd. Daarbij speelt tevens een rol de uiteindelijke vormgeving van het voorzieningenbeleid voor werklozen, zoals die mede op grond van de alsdan ontvangen adviezen naar aanleiding van de adviesaanvrage inzake het voorzieningenbeleid, gestalte zal krijgen. In antwoord op de vraag van onder andere de leden van de fracties van de V.V.D., D66 en P.P.R. merk ik op dat ik het onwenselijk acht de voorliggende wijziging van artikel 36 WWV te laten wachten op de invulling van de gereserveerde artikelen in de WW. Van gemeentezijde bestaat een duidelijke behoefte aan een artikel 36 WWV nieuwe stijl.

Onderkend moet worden -zoals de leden van de fractie van de C.D.A. terecht opmerken -dat in de loop van de jaren een grotere gerichtheid op activiteiten gericht op herintreding is ontstaan, juist ook voor Rww-gerechtigden. Het huidige artikel 36 maakt evenwel een financiering van op herintreding gerichte programma's voor Rww-gerechtigden niet mogelijk. Dit betekent dat het huidige instrument voor de gemeenten met de toename van het aantal Rww-ers, van afnemende betekenis is, terwijl gemeenten zich juist gehouden zien met name voor de groep langdurig werklozen -en dus vooral Rww-gerechtigden -activiteiten te ontwikkelen. Het nu niet aanpassen van de wettelijke regeling zou betekenen dat gemeenten geen financiële ondersteuning krijgen bij het opzetten van op herintreding gerichte activiteiten voor de meeste langdurig werklozen. Dat zal in veel gevallen dan betekenen dat langdurig werklozen van een adequaat toeleidingstraject verstoken blijven. Dit acht ik hoogst ongewenst daar juist deze groep werklozen behoefte heeft aan extra begeleiding en voorzieningen. Uit de praktijk blijkt immers dat langdurig werklozen vaak moeilijk bereikt worden door bestaande arbeids-en scholingsvoorzieningen. Het is van belang dat voor de groep kansarme werklozen een toeleidingstraject kan worden ontwikkeld. Een belangrijk instrument daarbij moet naar mijn mening artikel 36 WWV nieuwe stijl worden. Juist dat instrument stelt gemeenten, die over het algemeen een goed inzicht hebben in de behoeften en de omstandigheden van de werklozen op hun grondgebied, in staat in te spelen op die behoeften en omstandigheden. Door samenwerking met met name het GAB (te zijner tijd RBA) kan zo de gedemotiveerden een beter perspectief worden geboden door het aanbieden van bij voorbeeld schakelprogramma's. Beginnend bij activiteiten op grond van artikel 36 WWV via bij voorbeeld scholingsprogramma's of CBB-of C(A)VV aanbod tot directe bemiddeling.

Met de leden van de fractie van de V.V.D. ben ik overigens van mening dat met de invulling van de gereserveerde artikelen in de WW en de ontwikkeling van een totaalvisie op het voorzieningenbeleid haast moet worden gemaakt. Ik vraag echter begrip voor het feit dat de problematiek van het voorzieningenbeleid complex is.

Ik moge bij wijze van voorbeeld wijzen op de discussies rondom scholing al dan niet met behoud van uitkering zoals die onder andere in de tripartite werkgroep scholing van de Stichting van de Arbeid aan de orde zijn geweest. Daarnaast raakt het beleidsterrein van de voorzieningen voor werklozen vanuit de sociale zekerheid aan het arbeidsvoorzieningenbeleid, een beleidsterrein waar fundamentele veranderingen aan de orde zijn in het kader van de tripartisering. Het is van belang dat in de adviesaanvrage inzake het voorzieningenbeleid op al deze ontwikkelingen adequaat wordt ingespeeld. Om deze reden heeft de adviesaanvrage, die naar verwachting begin 1988 gereed zal zijn, aanmerkelijk langer op zich laten wachten dan eerder was voorzien. Ik acht dit uitstel acceptabel omdat het leidt tot een adviesaanvrage die bij de tijd is. Een snellere procedure zou als nadeel hebben gehad dat de adviesaanvrage als het ware op het moment van verzending al door de feiten zou zijn achterhaald. Die situatie heb ik willen vermijden.

Door de leden van de fractie van D66 is gevraagd wat de nadelige effecten voor werkzoekenden zelf zijn als met de wijziging van artikel 36 wordt gewacht tot het voorhanden zijn van een geïntegreerd voorzieningenbeleid. Zoals ik al opmerkte in antwoord op vragen van de fractie van de V.V.D. ter zake, betekent niet aanpassen van het huidige artikel 36 WWV, dat Rww-gerechtigden niet deel kunnen nemen aan door de gemeente in het kader van artikel 36 WWV georganiseerde activiteiten. Daarnaast voorziet het huidige artikel niet in een toesnijding van de activiteiten op (her)intreding in het arbeidsbestel. Het niet aanpassen van artikel 36 WWV zou derhalve voor een groot deel van de potentiële doelgroep betekenen het missen van kansen op verbetering van hun herintredingsmogelijkheden. De vraag van de leden van de fractie van D66 naar wat het nieuwe artikel 36 WWV toevoegt aan de bestaande instrumenten, is hiervoor reeds beantwoord. Ik wil in dit verband ook nog wijzen op de evaluatie van de Stuurgroep Ontwikkelingsprojecten (SOWP). Op verzoek van de fractie van de P.P.R. doe ik u hierbij dit evaluatierapport toekomen. Uit de evaluatie blijkt dat in een vijftal proefgebieden in het kader van het nieuwe artikel 36 WWV een groot aantal activiteiten is ontwikkeld, en dat daarmee duidelijk in een behoefte wordt voorzien. Het feit dat drie ministeries activiteiten ontplooien betekent niet per definitie dat daarmede alle relevante behoeften worden gedekt. Ik wijs er in dit verband nogmaals op -ook de leden van de fractie van de P.v.d.A. doen dat -dat het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur zich uitdrukkelijk niet richt op herintredingsactiviteiten doch op opvangactiviteiten. In antwoord op een vraag van de leden van de fractie van D'66 en het lid van de fractie van het G.V.P. ter zake merk ik op dat deelname aan artikel 36 WWV vrijwillig is. Aangezien het aanbod in het kader van artikel 36 WWV beschouwd moet worden als het begin van een traject, waarbij het perspectief op directe (her)intreding nog tamelijk ver verwijderd kan zijn, lijkt mij een verplichting tot deelname niet in de rede te liggen. Een en ander laat natuurlijk de mogelijkheid onverlet dat de gemeente in begeleidende zin enige aandrang om deel te nemen uitoefent. Met deze leden ben ik van mening dat anders het gevaar bestaat, dat ook deze mogelijkheid om de herintredingskansen te vergroten juist door de meest kansarmen niet zal worden benut. Hier ligt echter een zeer wezenlijke taak voor de gemeente als begeleidende instantie. Door het adequaat vormgeven van een toeleidingstraject in samenspraak en samenhang met het GAB en de mogelijkheden die van daaruit kunnen worden geboden, kan juist voor de minst weerbaren een perspectief worden geboden op herintreding in het arbeidsproces. Dit perspectief is naar mijn mening de voorwaarde om deze groep te bereiken en tot deelname te motiveren. De

voorgestelde wijziging van artikel 36 WWV beoogt het kader te bieden waarbinnen dat perspectief zich kan ontvouwen. De invulling van dat kader is primair aan de gemeenten voorbehouden.

De leden van de fractie van D'66 vragen een overzicht van maatregelen met daarbij behorende uitgaven, gericht op behoud, herstel of bevordering van arbeidsgeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven, die thans in de praktijk functioneren. Deze maatregelen moeten worden onderscheiden in maatregelen, specifiek bedoeld voor gehandicapten (zoals WSW, werkvoorzieningen AAW en WAGW) en maatregelen bedoeld voor werklozen. Ik ga er vanuit dat deze leden doelen op de laatstgenoemde soort maatregelen. Het gaat daarbij om maatregelen, gericht op het opdoen van werkervaring en/of scholing. Primair op het opdoen van werkervaring gericht is de Tijdelijke voorziening gemeentelijke werkgelegenheidsinitiatieven voor jongeren, een voorloper van het JWG (1988: 80 min.), waarin overigens ook aan scholing aandacht wordt besteed. Ook kan worden genoemd het werken met behoud van uitkering, zoals dat nu functioneert, vooruitlopend op de WOAU die bij de Eerste Kamer in behandeling is (voor de uitvoering van de toetsing is 7 min. beschikbaar). Specifiek op scholing gericht zijn de volgende maatregelen: -De Kaderregeling Scholing, (KRS) uitgaven 1987

f 190,6 min. -de Bijdrageregeling vakopleiding jeugdigen (BVJ) uitgaven 1987

f202 min. -de Regeling voor Scholing in Centra voor (administratieve) Vakopleiding van Volwassenen (C(A)W) uitgaven 1987

f66,5 min. -Regeling voor Centra voor Beroepsoriëntatie en Beroepsoefening (CBB's) uitgaven 1987

f38,7 min. -Primaire Beroepsgerichte Volwasseneneducatie (PBVE) uitgaven 1 987

f25 min.

De leden van de fractie van de S.G.P. vragen naar een verduidelijking van de opmerking van de HRWB dat gewaakt moet worden tegen het ontstaan van een categoraal circuit van sociaal-culturele voorzieningen. In zijn advies van november 1980 zet de Raad in algemene zin uiteen, dat categoraal beleid (bijvoorbeeld sociaalcultureel beleid specifiek voor de categorie werklozen) het nadeel heeft dat het de categorie, voor wie het bedoeld is, apart zet met het gevolg gevaar voor maatschappelijke isolatie. Juist voor niet-actieven is dat -aldus de HRWB -een groot gevaar omdat veel welzijnsproblemen juist voortkomen uit een zeker maatschappelijk isolement. Alleen als het algemeen beleid te weinig mogelijkheden biedt om aan de specifieke problemen van een categorie aandacht te schenken, moet volgend de HRWB categoraal beleid worden overwogen. Dezelfde leden vragen, op welke gronden de gemeentebesturen kunnen bepalen tot welke categorie een op lokaal niveau getroffen voorziening behoort. Deze leden hebben daarbij het oog op het onderscheid tussen sociaal-culturele voorzieningen en voorzieningen, te treffen op basis van artikel 36 WWV nieuw. Het gaat daarbij vooral om het doel van de getroffen voorziening. Is dat het tegengaan van de negatieve gevolgen van werkloosheid (opvang) of is dat verbetering van herintredingskansen. Dat doel zal bij het opzetten van de voorziening moeten worden geëxpliciteerd. In de praktijk zullen vrijwel zeker ook projecten voorkomen, die deels het ene en deels het andere doel dienen. Gemengde financiering -ook nu een veel voorkomend verschijnsel -ligt dan in de rede, naar rato van de elk van beide doelen ingezette middelen.

De leden van de PPR.fractie stellen vragen over de relatie tussen artikel 36 WWV en onbetaald arbeid, zoals vrijwilligerswerk. Het is juist, zoals deze leden stellen dat artikel 36 WWV is gericht op verbetering van kansen op betaalde arbeid. Dat neemt niet weg, dat deelname aan artikel 36 WWV activiteiten ook tot gevolg zal kunnen hebben een vergroting van de geschiktheid voor bijvoorbeeld vrijwilligerswerk.

  • De doelgroep

Zoals ik al eerder constateerde, kunnen alle fracties zich verenigen met de voorgestelde uitbreiding van de doelgroep, zij het dat verscheidene fracties kanttekeningen daarbij plaatsen. De leden van de C.D.A. fractie vragen geïnformeerd te worden over de motivering voor het gekozen criterium, dat tot de doelgroep behoren alle werklozen, die voor meer dan eenderde van de normale arbeidsduur als werkzoekende bij het arbeidsbureau staan ingeschreven. In dit criterium is getracht een evenwicht tot stand te brengen tussen enerzijds de verantwoordelijkheid van de overheid ten aanzien van de zorg voor werklozen en anderzijds de mate waarin werklozen zich voor die arbeidsmarkt beschikbaar dienen te stellen om op die verantwoordelijkheid een beroep te kunnen doen. Aansluiting is gezocht bij het bepaalde in artikel 12 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, waarin onder meer wordt gesteld, dat onder dienstbetrekking niet wordt verstaan de arbeidsverhouding, waarin als regel gedurende niet meer dan eenderde van de normale arbeidsduur arbeid wordt verricht.

Onjuist is de veronderstelling, dat gemeenten de bevoegdheid hebben om vrijstelling van deze beschikbaarheidseis te verlenen aan niet-uitkeringsgerechtigden. Ook zij moeten voldoen aan dit criterium. In verband hiermee is het ook niet nodig om voor de WAO-gerechtigden een uitzondering te maken, zoals de leden van de C.D.A.-fractie suggereren. De gemeenten kunnen ten aanzien van de inschrijving geen eigen beleid voeren. Niet moet uit het oog worden verloren dat artikel 36 WWV een instrument is in het kader van het werkloosheidsbestrijdingsbeleid en dat derhalve daarvan alleen gebruik moet worden gemaakt door die personen, die willen (her-)intreden op de arbeidsmarkt en die daarin voor een substantieel deel van hun voor arbeid beschikbare tijd willen participeren. Hierin is de reden gelegen om ook aan niet-uitkeringsgerechtigden deze voorwaarde op te leggen. Dit laatste mede in antwoord op vragen van fracties van D66 en de P.P.R.

Hoeveel werkzoekenden een baan willen voor minder dan een derde van de normale arbeidsduur -de P.P.R.-fractie vraagt hier naar -is mij overigens niet bekend. Omdat het moet gaan om mensen die in betekenende mate betaalde arbeid kunnen en willen aanvaarden, kan -zulks in reactie op de vraag van de leden van de P.v.d.A.fractie -de gemeenten niet de vrijheid worden gegeven om in bepaalde gevallen van deze inschrijfnorm af te wijken. Waar artikel 36 WWV een plaats heeft in het toeleidingstraject naar de arbeidsmarkt, ligt het niet in de rede, deelname van een werkloze die van oordeel is dat hij zich niet voor de als minimum gestelde uren voor arbeid beschikbaar kan stellen, met overheidsmiddelen te financieren. Voor hem staan andere mogelijkheden, zoals die in het kader van het algemeen sociaal-cultureel werk, open.

Besluit een gemeente in bepaalde gevallen deelneming aan door de gemeente in het kader van artikel 36 georganiseerde activiteiten door niet tot de doelgroep behorende personen toe te laten dan dient de gemeente hiervoor eigen middelen beschikbaar te stellen. Door de uitbreiding van de doelgroep, die met dit voorstel wordt beoogd, wordt het aantal gevallen, waarin dit aan de orde zou kunnen zijn, drastisch beperkt.

In het wetsvoorstel -dit in antwoord op de vraag van de leden van de P.v.d.A. fractie -is de enige voorwaarde om aan activiteiten ex artikel 36 WWV te kunnen deelnemen de inschrijvingsplicht bij het arbeidsbureau gesteld. Met de leden van de P.v.d.A-fractie ben ik van oordeel dat het ontplooien van activiteiten op dit terrein in nauwe samenwerking dient te geschieden tussen de gemeenten en de arbeidsbureaus. In dit verband

wil ik nog wijzen op het onlangs uitgebrachte rapport van de werkgroep informatie-uitwisseling gemeenten en gewestelijke arbeidsbureaus (Wigg) waarin onder andere aanbevelingen voor samenwerking worden gedaan. In dit kader kunnen ook de heroriënteringsgesprekken met de langdurig werklozen worden geplaatst. De leden van de fractie van de P.v.d.A. zijn blijkbaar de mening toegedaan dat de toekomstige arbeidsvoorzieningsorganisatie de bevoegdheid zal krijgen om in geval van beëindiging van de dientsverlening ook de inschrijving te beëindigen. Dit is niet juist. De arbeidsvoorzieningsorganisatie zal wel de mogelijkheid hebben om de bemiddelende dienstverlening aan haar cliënten geheel of ten dele te beëindigen of op te schorten. Zij blijven evenwel in haar bestand als werkzoekende ingeschreven staan. De complicaties, die deze leden verwachten in verband met de uitkeringsvoorwaarden, zullen zich dan ook niet voordoen. Het blijft voor de werklozen, ten aanzien van wie de actieve bemiddeling geheel of ten dele is beëindigd, ook tot de mogelijkheden behoren om deel te nemen aan activiteiten ex artikel 36 WWV. Het is dan wel van belang dat -om een zo groot mogelijk rendement van de beperkte middelen te verkrijgen tussen arbeidsbureau en gemeente afspraken worden gemaakt met het oog op de doorstroming naar reguliere opleidingen. In dit verband wil ik verwijzen naar hetgeen ik eerder heb gezegd over de uitwerking van het Wiggrapport en de samenwerking ter zake van de heroriënteringsgesprekken met langdurig werklozen.

De leden van de D'66 fractie vragen hoe de in artikel 36 WWV neergelegde voorwaarde inzake de inschrijvingsnorm zich verhoudt tot de registratienorm, aan de hand waarvan het budget wordt bepaald. Ik wil in dit verband verwijzen naar hetgeen hierna (in hoofdstuk 5) wordt opgemerkt naar aanleiding van vragen van de leden van de fractie van de P.v.d.A. over hetzelfde onderwerp.

Naar aanleiding van een opmerking van het lid van de G.P.V.-fractie merk ik op dat het deelnemen aan activiteiten ex artikel 36 WWV de uitkeringsgerechtigde werkloze niet ontslaat van de verplichting om zich als werkzoekende bij het gewestelijk arbeidsbureau ingeschreven te houden en aangeboden passende arbeid te aanvaarden. Met instemming heb ik kennis genomen van het standpunt van het lid van de R.P.F, fractie, dat hij het gewenst en rechtvaardig acht -zulks mede vanwege het beperkte budget -dat het bereik van artikel 36 WWV zich uitstrekt tot degenen, die ook feitelijk aan het arbeidsproces kunnen en willen deelnemen.

  • De inhoud van de activiteiten op grond van artikel 36 WWV en de verhouding tot andere voorzieningen

Naar aanleiding van het verzoek van de C.D.A.-fractie om nader inzicht inzake de beoordeling of een activiteit complementair is, merk ik op, dat het begrip complementariteit in die zin moet worden begrepen, dat de in het kader van artikel 36 WWV georganiseerde activiteiten complementair dienen te zijn op activiteiten, die ingevolge andere reguliere voorzieningen worden georganiseerd. Dit betekent dat invulling van het begrip complementariteit in de praktijk afhangt van de lokale dan wel regionale situatie. Met voorbeelden wil ik dit verduidelijken. Als in een regio bij een CBB de mogelijkheid bestaat een cursus te volgen dan moet dezelfde cursus niet tevens in het kader van artikel 36 WWV worden georganiseerd. Wordt door een arbeidsbureau een informaticacursus georganiseerd, terwijl een gemeente gelegen binnen dit gabgebied in het kader van artikel 36 WWV een zelfde cursus organiseert, dan dient de gemeente laatstgenoemde cursus af te bouwen.

Door de leden van de C.D.A.-fractie is tot uitdrukking gebracht hun zorg hoe met het oog op de financiële gevolgen zal worden omgegaan met het restrictieve toezicht. In verband hiermee wil ik allereerst opmerken, dat tevens tot de taak van de rijksconsulent sociale zekerheid behoort om informatie aan de gemeentebesturen te verstrekken. Voorts acht ik het van belang erop te wijzen, dat de gemeente gehouden is de plaatstelijke WWV-of Rww-commissie te horen, waarin de rijksconsulent sociale zekerheid als lid zitting heeft. Overigens ligt het niet in de rede om in het overgangsjaar met betrekking tot omschakeling van artikel 36 WWV oud naar artikel 36 WWV nieuw in de gevallen, waarin achteraf geconstateerd moet worden dat een bepaalde activiteit niet past in het kader van artikel 36 nieuw, meteen tot terugvordering van het daarmee gemoeide bedrag over te gaan. Mijn voorkeur gaat er naar uit om in overleg met de gemeente tot afspraken te komen met het oog op het toekomstige beleid in deze. Ik verwijs in dit verband ook naar hetgeen in hoofdstuk 5 over het overgangsrecht wordt opgemerkt. Mocht evenwel blijken, dat een gemeente desondanks doorgaat met het organiseren van activiteiten die niet in het kader van artikel 36 WWV nieuw passen, dan zullen de daarmee gemoeide bedragen worden teruggevorderd. In reactie op de vraag van de leden van de C.D.A.-fractie welke mogelijkheden ik zie om in het contact met de gemeenten aan de positie van de herintredende vrouwen speciale aandacht te geven deel ik mede, dat de rijksconsulent sociale zekerheid zowel in het reguliere overleg dat hij met gemeenten heeft als in het kader van zijn lidmaatschap van de commissie, hiervoor de aandacht van de gemeente moet vragen. Ook in de voorlichting die vanwege het departement over de mogelijkheden van artikel 36 WWV nieuw zal worden gegeven, zal dit aspect uitdrukkelijk aandacht krijgen.

Door de leden van de C.D.A.-fractie is gevraagd welke criteria of richtlijnen de rijksconsulent sociale zekerheid ten dienste staan ingeval van raadpleging inzake gerezen problemen. De rijksconsulent zal zich daarbij richten naar hetgeen blijkens de wet en de wetsgeschiedenis wordt beoogd. Door mij is aangegeven dat het aanbeveling verdient om in gezamenlijk overleg met elkaar tot oplossingen te komen. De rijksconsulent sociale zekerheid (en dus het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) heeft in het eerste stadium slechts een adviserende en informerende functie. Het is aan de gemeente de uiteindelijke beslissing te nemen rekening houdend met de visie van de rijksconsulent. Door de rijksconsulent sociale zekerheid te raadplegen inzake probleemgevallen zullen naar mijn mening in de praktijk «titel» problemen kunnen worden voorkomen. De vraag van de leden van de C.D.A.-fractie of er reeds antwoord is ontvangen op het gevraagde advies inzake het nog nader in te vullen instrumentarium, waarin de activiteiten van O & W zullen worden geregeld, is mij niet duidelijk. Het ontgaat mij op welke adviesaanvrage wordt gedoeld. Zoals ik reeds in de memorie van toelichting heb gesteld heb ik begrip voor de bezorgdheid die spreekt uit het advies van de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de Sociaal Economische Raad met betrekking tot de financiering van niet rechtstreeks op de bevordering van op (her)intreding in het arbeidsleven gerichte activiteiten na het van kracht worden van het gewijzigde artikel 36 WWV. Ik wil echter benadrukken dat artikel 36 WWV als een complementaire voorziening een plaats heeft binnen het stelsel van de sociale zekerheid. De bekostiging van activiteiten die gericht zijn op het opheffen van de meer algemene problematiek van sociale en culturele achterstand en van het isolement

van bepaalde groeperingen, past daarin niet. Dit is ook in overeenstemming met de met de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ter zake gemaakte afspraken. Financiering van dergelijke activiteiten zal dus dienen te geschieden uit voor het algemeen sociaal-cultureel werk bestemde middelen.

De vragen van de leden van de fracties van de P.v.d.A. en D66 in hoeverre en op welke wijze de meer algemeen sociaal-culturele activiteiten voor werklozen zullen blijven voortbestaan en welk budget daarvoor beschikbaar zal zijn, betreffen het beleidsterrein van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Zij zijn niet te beantwoorden, omdat het hier in hoofdzaak gaat om door gemeenten gefinancierde voorzieningen. De opvatting van de leden van de P.v.d.A.-fractie dat de aan de gemeenten geboden ruimte te veel aan beperking onderhevig zou zijn, deel ik niet. In deze wordt geen verandering voorgesteld. Ook het huidige artikel 36 WWV gaat uit van de complementariteit van de voorzieningen, waar bepaalde cursussen, bij voorbeeld op het gebied van de informatica, door het gab worden aangeboden, moeten soortgelijke cursussen niet ook door gemeenten, gelegen in dat rayon, worden georganiseerd. De opvatting van deze leden komt erop neer, dat doublures moeten worden toegelaten. Ik ben het daar niet mee eens.

De leden van de V.V.D.-fractie hebben de vraag gesteld of het complementaire karakter van artikel 36 WWV wel duidelijk is en niet tot oeverloze twistgesprekken aanleiding zal geven. Daar ben ik niet bang voor. In de praktijk levert het huidige artikel ook geen problemen van betekenis op. In antwoord op de vraag van de leden van de fracties van de V.V. D. en D66 naar de criteria, die het kabinet zal hanteren bij het bepalen van nadere regels bij algemene maatregel van bestuur, merk ik op dat daar op dit moment nog geen inzicht in kan worden verschaft. Van deze mogelijkheid zal slechts dan gebruik worden gemaakt als in de praktijk zodanige afbakeningsproblemen blijken dat daarvoor op centraal niveau een oplossing moet worden gezocht. Overigens ben ik van oordeel, dat deze regelgeving algemeen van aard dient te zijn en niet te gedetailleerd.

In de memorie van toelichting heb ik reeds voorbeelden gegeven van hetgeen tot het beleidsterrein van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur gerekend moet worden en van hetgeen zou passen binnen het kader van artikel 36 WWV nieuw. Wat betreft de specifieke vraag van de leden van de V.V.D.-fractie of een VOS-cursus al dan niet onder artikel 36 WWV zal vallen, kan ik slechts opmerken, dat alleen op basis van de naam VOS-cursus dit niet kan worden bepaald. Deze cursussen houden niet overal hetzelfde in. Zij zijn veelal opgebouwd uit verscheidene op zichzelf staande onderdelen. Dit hoeft mijns inziens de financiële afwikkeling niet ingewikkeld te maken. De daarvoor in aanmerking komende onderdelen kunnen als activiteit ingevolge artikel 36 WWV worden aangemerkt. Een verschil met de huidige situatie is, dat het nu, als gevolg van het feit, dat tot de doelgroep van artikel 36 WWV alleen WW-en WWV-ers behoren, kan voorkomen, dat voor eenzelfde activiteit twee subsidiestromen nodig zijn vanwege de uitsplitsing naar WW-en WWV-ers en anderen, bijvoorbeeld Rww-gerechtigden.

In antwoord op de vraag van de leden van de V.V.D.-fractie wanneer een lascursus complementair is, merk ik op, dat het ervan afhangt of zo'n cursus al dan niet in het door het arbeidsbureau aangeboden cursuspakket, bijvoorbeeld van een C(A)VV is opgenomen. De leden van de V.V.D.-fractie willen weten, waarom bemiddeling door een vrijwilligersvacaturebank (VVB) een activiteit ex artikel 36 WWV kan zijn. Onder voorzieningen worden begrepen activiteiten die zijn gericht op het verbeteren van de

positie op de arbeidsmarkt. Hiertoe kan gerekend worden het opdoen van werkervaring, niet alleen door het verrichten van vrijwilligerswerk, maar ook door het verrichten van onbeloonde arbeid. Als een VVB zich mede hierop toelegt ten behoeve van werklozen kan zij voor een tegemoetkoming in het kader van artikel 36 WWV in aanmerking komen. In reactie op de door de leden van de fracties van D'66 en G.P.V. gemaakte opmerkingen inzake de afbakening wil ik nogmaals benadrukken dat ik beoogd heb om met artikel 36 WWV aan de gemeenten een flexibel instrument te geven, waarmee zij soepel en vlug kunnen inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. In deze visie past het niet om scherpe grenzen te trekken. Voorkomen moet immers worden, dat bepaalde zinvolle activiteiten door gemeenten in een bepaalde regio niet kunnen worden georganiseerd, omdat elders in den lande deze activiteiten tot het reguliere activiteitenpakket behoren van bijvoorbeeld een C(A)VV dan wel een CBB.

De leden van de fracties van D'66 en S.G.P. hebben geïnformeerd naar de stand van zaken inzake de adviesaanvrage over het voorzieningenbeleid in het kader van de nieuwe Werkloosheidwet. Hiervoor wil ik verwijzen naar hetgeen ik in het algemeen deel van deze memorie van antwoord dienaangaande heb gesteld.

In reactie op de vraag van de leden van de D'66-fractie ter zake merk ik op, dat ten tijde van de voorbereiding van het onderhavige wetsvoorstel in overleg met het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, om tot een oplossing te komen ingeval er problemen zijn gerezen ten aanzien van de taakafbakening tussen de beleidsterreinen, een plaats aan het bureau Landelijk Contact is toegekend. Nu tengevolge van reorganisatie het aantal bureaus zal worden beperkt en de bureaus een gewijzigde taakstelling zullen krijgen zal nader moeten worden bezien of de aan deze bureaus toegekende plaats nog reëel is. Dit staat vooral ter beoordeling van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Met hem zal ik hierover nader overleg voeren.

De leden van de S.G.P.-fractie spreken over de mogelijkheid tot een duidelijk onderscheid te komen tussen sociaal-cultureel werk enerzijds en op (her)intreding op de arbeidsmarkt gerichte activiteiten anderzijds. Tot nu toe werden door middel van artikel 36 WWV vergoedingen verstrekt voor door de gemeente georganiseerd sociaal-cultureel werk voor werklozen. In vele gemeenten zijn inmiddels activiteiten ontwikkeld die passen in het kader van artikel 36 WWV nieuw, die op dit moment ingevolge de in het huidige artikel 36 WWV gelegen beperkingen niet voor een financiële vergoeding in aanmerking komen. Deze activiteiten worden dan door de gemeenten zelf bekostigd. Hierbij wil ik er tevens op wijzen, dat voor zover aan de huidige onder de werking van artikel 36 WWV vallende activiteiten wordt deelgenomen door Rww-ers en gedeeltelijk arbeidsongeschikten de daaraan verbonden kosten door de gemeenten zelf gedragen dienen te worden. Na de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 36 WWV vindt er in zoverre een herschikking van middelen plaats dat de in het kader van artikel 36 WWV getroffen voorzieningen ten behoeve van alle deelnemende werklozen uit het aan de gemeente verstrekte budget van artikel 36 WWV kunnen worden betaald. Wil een gemeente voorzieningen treffen die niet meer in het kader van artikel 36 WWV nieuw passen, dan dient financiering met andere middelen te geschieden. De leden van de P.P.R-fractie hebben kritiek op de door hen veronderstelde tweeslachtige houding van het kabinet inzake het toepassing geven aan de decentralisatiedoelstelling enerzijds in relatie tot het emancipatiebeleid en anderzijds in relatie tot de financiële vormgeving. Ik deel deze kritiek niet. Begrip kan ik ervoor hebben, dat de leden van de P.PR.-fractie de mening zijn toegedaan, dat de decentralisatie zoals deze

toepassing heeft gevonden in de financiële vormgeving, niet ver genoeg is doorgevoerd, maar hierin kan naar mijn mening geen grond zijn gelegen om inzake de taakstelling ten aanzien van besteding van middelen voor vrouwen een vorm van centralisatie toegepast te willen zien. Binnen de beoogde decentralisatie van beleid en gelet op de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten in dezen past het mijns inziens niet richtlijnen daarvoor te geven. Positieve beïnvloeding -ook wanneer het de positie van minderheden betreft -kan plaatsvinden via de contacten van de rijksconsulenten sociale zekerheid met de gemeenten en in de voorlichting vanwege het departement.

In antwoord op een vraag van het lid van de R.P.F.-fractie merk ik op, dat er geen aanwijzingen zijn, dat de gemeenten moeite hebben bij de toedeling van de kosten naar activiteiten op sociaal-cultureel gebied en naar die op het gebied van de werkgelegenheid. Zoals ik reeds in de memorie van toelichting heb aangegeven zal een evaluatie plaatsvinden met het oog op een standpuntbepaling over het beleid op langere termijn in samenhang met de invulling van het totale voorzieningenbeleid in het kader van de sociale zekerheid.

  • De rol van de gemeente

De leden van de fractie van het C.D.A. wijzen er terecht op dat de effectiviteit van de aanpak van de werkloosheidsproblematiek wordt verhoogd als voorzieningen naar plaatselijke omstandigheden worden aangepast. Ik ben het met deze leden eens, dat vooral kleine gemeenten, geconfronteerd met een regionale problematiek, er verstandig aan doen een regionaal pakket aan te bieden. Ik ga er vanuit dat gemeenten, voor wie dit aangewezen is, tot samenwerking en tot samenvoeging van middelen zullen overgaan. De leden van de fractie van de PvdA geven -in hoofdstuk 5 van het voorlopig verslag -in overweging om de mogelijkheid te openen van het aangaan van samenwerkingsverbanden met andere gemeenten. Ik meen dat dit wetsvoorstel zoals het thans luidt aan samenwerking tussen gemeenten niets in de weg legt.

De leden van de fractie van de V.V.D. stellen de vraag, waarom de activiteiten in het kader van artikel 36, WWV nieuwe stijl door de gemeenten moeten worden uitgevoerd. Zij wijzen in dit verband op de taken van de gewestelijke arbeidsbureaus. Het lid van de fractie van het GPV wijst in dit verband op de activiteiten van sociale partners en onderwijsinstellingen, gericht op herintreding en vraagt zich af, of het bestaan van die activiteiten de gemeenten niet tot terughoudendheid zou moeten bewegen. Op de afbakening tussen de verschillende instanties die zich op verbetering van herintredingskansen van werklozen richten is in het voorgaande reeds ingegaan. Daarbij is duidelijk tot uitdrukking gebracht, dat ik op dit terrein óók voor gemeenten een taak zie. Daarbij noopt met name het complementaire karkater van de rol van de gemeenten tot terughoudendheid in die zin, dat gemeenten moeten voorkomen dat de schaarse, beschikbare middelen worden ingezet voor voorzieningen, die al door andere instanties worden aangeboden.

  • Financiële aspecten

De leden van de fractie van het C.D.A. vragen om een onderbouwing van het beschikbare budget. Het gaat daarbij om een bedrag van 30 min. Vaststelling van een bedrag voor een budget heeft, zeker als het gaat om nog in te voeren regelgeving, altijd tot op zekere hoogte arbitrair karakter. Het gaat hier om het voor artikel 36 -oud in de WWV-ramingen verwerkte bedrag van 20 min, opgehoogd met 10 miljoen onder meer in verband met uitbreiding van de doelgroep. De realisatie over de afgelopen jaren

kan als volgt worden weergegeven: 1984 f 11,7 min., 1985 f 12,6 min., 1986 f 15,9 min.

Dezelfde leden vragen voorts, waarom de eertijds via Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur beschikbaar gestelde 10 min komen te vervallen. Er vanuitgaande, dat hierbij wordt bedoeld het bedrag, dat in 1984 en 1985 door WVC, doch in 1986 door SZW is beschikbaar gesteld voor projecten «Voorrang voor Jongeren», wijs ik er op dat steeds duidelijk is geweest, dat het hier ging om een tijdelijke regeling, waarop in 1986 voor het laatst een beroep kon worden gedaan. Ik zie -ook dit in antwoord op een vraag van de zijde van de C.D.A.-fractie -geen mogelijkheden het budget voor artikel 36 WWV-nieuwe stijl te verruimen. De leden van de fractie van de PvdA menen dat het -beperkte -budget er niet toe zal leiden dat het aantal deelnemers wordt vergroot. Ik meen dat daartoe wel degelijk de mogelijkheid wordt geschapen. Het beschikbare budget is immers aanmerkelijk hoger dan het de laatste jaren in het kader van artikel 36 WWV bestede bedrag. Dit mede in antwoord op een vraag van de zijde van de S.G.P.-fractie en op de vraag van de zijde van de V.V.D.-fractie, of het beschikbare budget geen druppel op een gloeiende plaat zal blijken te zijn. Het is overigens niet doenlijk om op voorhand te onderzoek welke gemeenten tot welk bedrag van de voorgestelde regeling gebruik zullen maken. De meeste gemeenten hebben daar ook zelf op dit moment nog geen duidelijk inzicht in. De leden van de fractie van het C.D.A. vragen, waarom gekozen is voor 1 oktober als datum waarop het per werkloze beschikbare bedrag wordt vastgesteld. Kan, zo vragen zij, de gemeente in de knel komen, omdat de gemeentebegroting eerder moet worden opgesteld? In verband hiermee is van belang er nog eens op te wijzen, dat voor dit bedrag niet alleen de omvang van de werkloosheid, maar ook het totaal op de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgetrokken bedrag van belang is. Vóór 1 oktober moet in ieder geval het overleg binnen het Kabinet over de rijksbegroting zijn afgerond. De voorstellen ter zake zijn dan bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakt. Het kan ook zijn, dat in het begrotingsoverleg op een (veel) eerder tijdstip overeenstemming binnen het Kabinet wordt bereikt over het voor artikel 36 WWV-activiteiten uit te trekken bedrag. Het ligt dan in de reden ook (veel) eerder aan de gemeenten mededeling te doen van het per werkloze beschikbare bedrag. Dat zal hoe dan ook een voorlopige mededeling moeten zijn, omdat het definitieve bedrag eerst vaststaat nadat de begrotingsvoorstellen het parlement zijn gepasseerd. Dat kan niet vóór 1 oktober het geval zijn.

Dezelfde leden vragen naar de mogelijkheden om in te spelen op tekorten bij bepaalde gemeenten en onderbenutting bij andere. Het wetsvoorstel voorziet niet in een systematiek, die het de rijksoverheid mogelijk maakt in de loop van een begrotingsjaar gelden over te boeken van de ene naar de andere gemeente. Dat past ook niet in een regeling waarin -op gronden in de memorie van toelichting uiteengezet -geen toetsing van activiteiten vooraf meer plaatsvindt. Een totaalbeeld van de bestedingen van de gemeenten is dus pas achteraf beschikbaar. Dat neemt niet weg, dat gemeenten, die meer acitiviteiten willen organiseren dan hun budget toelaat, zich tot andere (naburige) gemeenten, waar overschotten zijn, kunnen wenden met de vraag deel te nemen in door de eerstbedoelde gemeenten te organiseren activiteiten. Goede intergemeentelijke contacten kunnen aldus leiden tot een vollediger benutting van de beschikbare middelen.

De leden van de C.D.A.-fractie vragen mijn visie op de betekenis van het bestuursakkoord met de VNG in verband met beslissingen, te nemen ten aanzien van het voor artikel 36 WWV-activiteiten jaarlijks beschikbaar

te stellen budget. Van belang lijkt mij vooral de situatie, waarin het voornemen bestaat om het budget voor een bepaald jaar lager vast te stellen dan in het voorafgaande jaar. Het gaat dan om een korting op een specifieke uitkering, waarop punt 9 van het Bestuursakkoord betrekking heeft. De in punt 9 opgenomen inhoudelijke en procedurele afspraken zullen dan uiteraard worden nagekomen.

Van de zijde van de fractie van de P.v.d.A wordt er op gewezen, dat ook in nomen overgangsmaatregel. Door de leden van de CDA. fractie wordt in dat verband gewezen op de situatie in de zogenaamde proefgebieden. Van de zijde van de fractie van de PvdA wordt er op gewezen, dat ook in andere gemeenten, die een actief werkloosheidsbestrijdings-en werkgelegenheidsbeleid hebben gevoerd, vergelijkbare problemen te verwachten zijn. De leden van de fractie van D66 vragen om een uitvoeriger uiteenzetting over de overgangsregeling. Het lid van de R.P.F, fractie vraagt zich af, of het bestaande voorzieningenbeleid van gemeenten door de voorgestelde regeling en de beperkte financiële middelen in gevaar zou kunnen worden gebracht. De overgang van een systeem van openeindfinanciering, waarvan een beperkt aantal gemeenten gebruik maakt, naar een budgetsysteem, waarin de beschikbare middelen naar een vaste verdeelsleutel over alle gemeenten worden verdeeld, brengt onvermijdelijk consequenties met zich voor die gemeenten, die van de open-eind-regeling veel meer dan gemiddeld gebruik maakten. Tot die gemeenten behoren in ieder geval vijf van de proefgebieden experiment specifiek welzijn, die met artikel 36 WWV-nieuwe stijl (wat betreft soort activiteiten en doelgroep) werken. In het twintigste advies van de Stuurgroep ontwikkelingsprojecten van 10 april 1986 wordt aangegeven, om welke bedragen het in de betrokken gebieden gaat. Daarnaast wordt door de Stuurgroep aangegeven welke bedragen dezelfde gebieden beschikbaar zouden krijgen in de nieuwe systematiek. Daarbij ging de Stuurgroep nog uit van een budget van 20 miljoen en een bedrag per werkloze van f25. Het beschikbare budget is inmiddels verhoogd tot 30 min. In de memorie van toelichting is daarom -bij wijze van voorbeeld -uitgegaan van een bedrag van f40 per werkloze. In de onderstaande tabel staan in de eerste kolom de door de Stuurgroep opgegeven bedragen voor 1985 en 1986, in de tweede kolom de in hetzelfde jaar gerealiseerde uitgaven ex artikel 36 WWV en in de derde kolom de bedragen die volgens de nieuwe regeling zouden worden toegekend, uitgaande van de aantallen werklozen, genoemd door de Stuurgroep, vermenigvuldigd met f40.

overzicht

realisatie

beschikbaar stuurgroep

volgens nieuwe systematiek

Almelo 1986

790000

444509

23200 0Arnhem 1985

1165 000

826479

510200 De Bevelanden 1986

730000

490471

92000 Heerenveen 1985

34500 0

28302 9

90000 Oostelijk Zuid-Limburg 1985

21501-00

21501-86

752000

Het bedrag van f40 geeft overigens slechts de orde van grootte aan, waarin moet worden gedacht (f30 min. gedeeld door 700000, naar beneden afgerond op een veelvoud van 10 gulden). Dit mede in antwoord op vragen van de zijde van de P.v.d.A.-en de P.P.R.-fracties hierover.

Het is duidelijk, dat een teruggang in één keer in deze omvang de betrokken gebieden voor problemen zou stellen. Dit klemt te meer, omdat het juist in deze gebieden nu reeds voor een groot deel gaat om -over het algemeen positief te waarderen -activiteiten, die naar hun aard en

naar doelgroep passen in artikel 36 WWV-nieuwe stijl. Anderzijds moet worden bedacht, dat nu landelijke invoering wordt voorgesteld, het niet zo mag zijn, dat tot in lengte van jaren voor een beperkt aantal gemeenten een afzonderlijk regime zou kunnen blijven gelden dat ten koste zou gaan van de overige gemeenten. Binnen afzienbare tijd moet de regeling uniform gelden voor alle gemeenten. Met een systematiek, waarin aan bepaalde gemeenten naast de algemene regeling objectsubsidies worden verleend (zoals de P.v.d.A.-fractie het noemt), of waarin naast de algemene regeling voor bepaalde gemeenten een openeindfinanciering zou blijven bestaan (de C.D.A.-fractie) of met selectieve objectsubsidies (de R.P.F.-fractie, verwijzend naar een brief van de gemeente Eindhoven) zou dit bestuurlijk uitgangspunt geheel worden verlaten. Een overgangsregeling, waarmee te grote schokeffecten worden voorkomen, is echter wel geïndiceerd. Daar moeten -ik ben dat met de leden van de fractie van de P.v.d.A. eens -ook andere gemeenten bij worden betrokken, die in het kader van artikel 36 WWV-oud een meer dan gemiddeld actief beleid voerden en daarom bij een plotselinge invoering van de nieuwe financieringssystematiek een te scherpe teruggang in middelen zouden ondervinden. Die overgangsregeling zou er uitgaande van invoering per 1 april 1988, naar mijn oordeel zo uit moeten zien, dat in 1988 van de beschikbare 30 min. een deel wordt gereserveerd, waarna de rest met gebruikmaking van de voorgestelde verdeelsleutel over alle gemeenten wordt verdeeld. Voor de meeste gemeenten zal dit «basisbudget» afdoende zijn om reeds goedgekeurde activiteiten in 1988 te financieren. Voor een aantal gemeenten geldt dit niet. Zij krijgen het basisbudget uit de eerdergenoemde reserve aangevuld tot het voor doorfinanciering van goedgekeurde activiteiten benodigde bedrag. In het jaar 1988 geldt dus voor elke gemeente, dat bedragen van goedgekeurde begrotingen, voor zover deze zijn gerealiseerd en passen in het kader van artikel 36 WWV, worden vergoed. In 1989 worden alleen nog activiteiten gefinancierd, die naar hun aard in artikel 36-nieuwe stijl passen. Gemeenten, die in 1988 voor een aanvulling in aanmerking komen, ontvangen in 1989 ook een aanvulling. Deze is gelijk aan 2/3 van het verschil tussen het basisbudget 1989 en het in 1988 in totaal voor artikel 36-activiteiten ontvangen bedrag. Deze regeling geldt alleen voor gemeenten voor wie de aanvulling in 1988 meer bedraagt dan de helft van het basisbudget. Gemeenten, die in 1989 een aanvulling ontvangen, ontvangen er ook één in 1990 ter grootte van 1 /3 deel van het verschil tussen het basisbudget voor 1990 en het in 1988 in totaal voor artikel 36-activiteiten ontvangen bedrag. In 1991 zullen er geen aanvullingen meer zijn.

Ik meen, dat op deze wijze het juiste evenwicht wordt bereikt tussen enerzijds het belang van een uniforme systematiek voor alle gemeenten en anderzijds het belang van de gemeenten, die op dit moment meer dan gemiddeld gebruik maken van de mogelijkheden van artikel 36 WWV. Bij nota van wijziging wordt voorgesteld artikel II, waarin de overgangsregeling is opgenomen, te verduidelijken.

Van de zijde van de fractie van de P.v.d.A. wordt gewezen op de bevoegdheden die een RBA in de toekomst zal hebben, met betrekking tot de registratie van werklozen. Dat zou, naar het oordeel van deze leden, kunnen betekenen dat het RBA uiteindelijk kan bepalen hoeveel financiële middelen een gemeente ontvangt. Ik meen, dat deze gevolgtrekking niet juist is, omdat er vanuit moet worden gegaan dat op het punt van de registratie een landelijk afgestemd beleid zal worden gevoerd, waarvan regionaal niet aanzienlijk zal worden afgeweken. In theorie kan een stringenter beleid op registratiegebied leiden tot een kleiner aantal geregistreerde werklozen. Voor gemeenten betekent dat niet anders dan

dat per werkloze een hoger bedrag beschikbaar is: het totaalbedrag is onafhankelijk van de registratie. Aldus bezien is het ook zonder financieel belang voor gemeenten, dat werklozen worden geregistreerd als zij voor 20 uur of meer beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt terwijl voor het behoren tot de doelgroep inschrijving voor ca. 13 uur voldoende is, zoals de leden van de fractie van de P.v.d.A. terecht opmerken. Bij de telling voor de toepassing van dit wetsvoorstel gaat het alleen om geregistreerde werklozen, zodat personen, beschikbaar voor tussen 13 en 20 uur per week, niet mee worden geteld. Zouden die wel worden meegeteld, dan zou dat geen ander resultaat hebben dan dat per werkloze een lager bedrag beschikbaar komt terwijl het totaalbedrag per gemeente gelijk blijft. Dit zou alleen anders zijn als zou moeten worden aangenomen, dat de groep personen, die werk zoeken voor tussen 13 en 20 uur per week, niet min of meer gelijk over Nederland zou zijn verdeeld. Er is geen aanleiding om dat aan te nemen. In dit verband moet ook worden geplaatst de opmerking van het lid van de G.P.V. fractie, dat zich een paradoxale situatie voordoet omdat gemeenten belang krijgen bij een zo groot mogelijk aantal werklozen. Mij is niet duidelijk hoe de gemeenten dat «belang» dan zouden kunnen dienen. In ieder geval betekent dit niet het introduceren van een nieuwe openeindregeling. Bij een gegeven budget betekent een groter aantal werklozen dus een groter bedrag. Laatstgenoemd lid vraagt zich af, of ook gedeeltelijk arbeidsongeschikten moeten worden meegeteld, nu zij van de geboden voorzieningen gebruik kunnen maken. Ik ga er vanuit, dat dit doelt op gedeeltelijk arbeidsongeschikten, die overigens werkloos zijn. Als zij als werkloze zijn geregistreerd, worden zij meegeteld.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. informeren naar de mogelijkheid van een extra uitkering aan een gemeente ten behoeve van een werkloze, die komt uit een andere gemeente, waar geen beroep wordt gedaan op artikel 36 WWV-gelden. Ik wijs in dit verband op hetgeen ik hierboven heb opgemerkt over intergemeentelijke samenwerking. Het zal in veel gevallen zinvol blijven activiteiten gezamenlijk op te zetten en middelen samen te voegen. Als blijkt, dat werklozen in naburige gemeenten deelnemen aan artikel 36 WWV-activiteiten, zal dat voor de woongemeente van die werklozen aanleiding moeten zijn het beschikbare budget aan te spreken met het oog op meefinanciering van de activiteiten in de naburige gemeente. Samenwerking zal voor kleinere gemeenten met een relatief gering aantal werklozen eerder aan de orde komen dan voor grotere gemeenten. Niet alleen omdat het beschikbaar budget relatief klein is, maar ook omdat de doelgroep voor artikel 36, WWV-activiteiten relatief klein is. De leden van de fractie van P.v.d.A. willen voorts inzicht in het aantal deelnemers aan de onderscheiden doelgroepen dat maximaal in aanmerking kan komen voor de activiteiten als bedoeld in artikel 36 WWV. De voorgestelde regeling stelt geen maxima aan doelgroepen. Iedereen, die voldoet aan omschrijving van artikel 36, derde lidnieuw kan aan de activiteiten deelnemen.

De leden van de fractie van de S.G.P. vragen waarom alleen op lokaal of regionaal niveau beoordeeld kan worden of van de zijde van de sociale werkvoorziening ter zake diensten kunnen worden geboden. Dat is omdat alleen ter plekke kan worden beoordeeld of een bepaald SW-bedrijf de ruimte heeft capaciteit beschikbaar te stellen. De diensten van een SW-bedrijf kunnen alleen tegen betaling voor artikel 36-activiteiten worden aangewend", omdat anders sprake zou zijn van onjuiste kostenallocatie. De leden van de fractie van de P.P.R. verzoeken om een nadere uitleg van het voorgestelde financieringssysteem van onder-en overbesteding.

Door het beschikbare macrobudget door het aantal ingeschreven werklozen te delen ontstaat het budget per ingeschreven werkloze waarop de gemeenten een beroep kunnen doen. In het voorstel in de Memorie van Toelichting is een bedrag van f40 genoemd. Omdat naar verwachting niet alle gemeenten een beroep op artikel 36 WWV zullen doen zou het totaal beschikbare bedrag niet volledig worden besteed. Om te komen tot een zo volledig mogelijke benutting van het macrobudget wordt ingeschat welk deel van de gemeenten geen beroep zal doen op artikel 36 WWV. Indien -bij wijze van voorbeeld -een aantal gemeenten waarin 1 /5 deel van de ingeschreven werklozen woont, geen beroep zou doen op artikel 36 WWV dan zou van de beschikbare 30 min. maar 24 min. worden besteed. Dit nu acht ik ongewenst. Voorgesteld wordt om het bedrag per ingeschreven werkloze in dat geval in beginsel te verhogen tot f50. Daarmede wordt beoogd het beschikbare macrobudget volledig te benutten. Indien blijkt dat toch meer gemeenten een beroep doen op artikel 36 WWV dan aanvankelijk verwacht, dan zal het beschikbare budget worden overschreden. Voorgesteld wordt in dat geval in beginsel het deel van de overschrijding in mindering te brengen op het macrobudget van het volgende jaar. De hierboven weergegeven methode leidt er toe dat weliswaar in een afzonderlijk jaar over -cq. onderschrijding van het begrotingsbedrag kan plaatsvinden maar dat het totaalbedrag over de periode van enkele jaren niet het totaal van de begrotingsbedragen over die jaren overcq. onderschrijdt. Na verloop van een aantal jaren zal een zekere stabilisatie optreden. Teneinde de fluctuaties over de eerste jaren niet te groot te laten zijn, zal bij de raming van de onderuitputting een zekere terughoudendheid worden betracht.

De evaluatie na 4 jaar, waar de leden van de P.PR. fractie naar vragen, heeft niet het oogmerk de wet een tijdelijk karakter te geven. Wel moet na vier jaar door evaluatie onder meer worden vastgesteld, of verdere financiering van de regeling in de vorm van een specifieke uitkering is geïndiceerd.

  • Artikelen

Artikel 1, onderdeel C (artikel 7a nieuw).

Het arbeidsbureau is uit hoofde van het bestaande artikel 7 al lid van de commissie, die gehoord wordt over de in het kader van artikel 36 WWV te organiseren activiteiten.

Artikel 1, onderdeel D (artikel 36, vierde lid).

De taakafbakening tussen het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft ten doel gehad duidelijkheid te verkrijgen inzake de grenzen van de eigen beleidsterreinen. Die taakafbakening brengt niet met zich, dat vanwege WVC voor werklozen geen projecten van sociaal-culturele aard meer zouden kunnen worden gefinancierd. Voor sociaal-cultureel beleid zijn, naar ik meen, nog slechts beperkte niet-gedecentraliseerde middelen beschikbaar.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.