Voorlopig verslag - Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 5

' Samenstelling: Leden: Nypels (D66), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Groenman (D66), 0omen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Linschoten (VVD), Alders (PvdA), Kamp (VVD), Nijhuis (VVD), Leijnse (PvdA), Doelman-Pel (CDA), G. Terpstra (CDA), Van Gelder (PvdA), De Leeuw (CDA), Biesheuvel (CDA). Plv. leden: Tommei (D66), Wolters (CDA), B. de Vries (CDA), Van Es (PSP), Worrel (PvdA), Kok (PvdA), Van lersel (CDA), Hageman (PvdA), Korthals (VVD), Engwirda (D66), De Kok (CDA), Van der Vlies (SGP), Melkert (PvdA), De Grave (VVD), Wöltgens (PvdA), Franssen (VVD), Schutte (GPV), Knol (PvdA), Paulis (CDA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van Rijn Vellekoop (PvdA), Tuinstra (CDA), Leerling (RPF).

VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 8 oktober 1987

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid', belast met het voorbereidend onderzoek, brengt van haar voorlopige bevindingen als volgt verslag uit.

  • Algemeen

Het verheugde de leden van de C.D.A.-fractie dat nu eindelijk het voorstel van wet is ingediend om artikel 36 WWV aan te passen aan de gegroeide praktijk. Het wetsvoorstel beoogt duidelijkheid te scheppen in de toepassingsmogelijkheden van artikel 36 WWV. Met betrekking tot de afbakening van de doelgroep is een heldere, overigens wel nog te bediscussiëren lijn ingepast. De afbakening tot wat genoemd is, complementaire voorzieningen, kan echter, zo meenden deze leden, nog tot veel misverstanden aanleiding geven. De leden van de C.D.A.-fractie waren van mening dat het voorstel van wet geslaagd mag heten terzake van het terugdringen van regelgeving. Wanneer echter in restrictieve zin, na vaststelling en uitvoering van de programma's de Rijksoverheid mogelijkheden aan zich blijft houden tot afwijzing van de programma's, en men dus in feite het financiële touw in handen blijft houden, kan er een overmaat aan informele regelgeving ontstaan. Over de wenselijkheid om artikel 36 WWV te wijzigen merkten zij op dat zij het eens zijn met de conclusie dat men in de loop der jaren steeds meer de nadruk heeft gelegd op herintreding in het arbeidsproces.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. zeiden met belangstelling kennis genomen te hebben van het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 36 WWV. Gelet op de omvangrijke en vooral ook langdurige werkloosheid, waarmede bepaalde categorieën werkzoekenden worden geconfronteerd, achtten deze leden het een goede zaak dat er een duidelijke taakafbakening wordt voorgesteld tussen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Met de bepaling dat activiteiten, opgezet in het kader van artikel 36 WWV, zullen worden gericht op herintreding in het arbeidsproces en niet meer op het tegengaan van negatieve gevolgen van de werkloosheid, konden de leden van de P.v.d.A.-fractie instemmen.

Hoewel het nut van activiteiten, zoals bedoeld in het te wijzigen artikel 36 WWV, namelijk activiteiten gericht op het bevorderen van de arbeidsgeschiktheid en het herintreden in het arbeidsproces, naar het oordeel van de leden behorend tot de V.V.D.-fractie buiten kijf is, riep het onderhavige wetsvoorstel bij hen de nodige vragen op. De eerste en nogal voor de hand liggende vraag die bij deze leden opkwam, is die waarom het kabinet het nodig vond artikel 36 WWV nog te wijzigen terwijl het toch vast staat dat op korte termijn invulling zal moeten worden gegeven aan de voor het gemoderniseerde en geïntegreerde voorzieningenbeleid gereserveerde c.q. oningevulde artikelen in de Nieuwe Werkloosheidswet (NWW)? Het simpelweg erkennen dat dit wetsvoorstel slechts een tijdelijk en voorlopig karakter heeft, vonden deze leden een te gebrekkige redengeving voor het onderhavige voorstel. Zij vroegen de bewindsman daarom duidelijk te maken waarom niet op de meer omvattende herziening van het voorzieningenbeleid in de sociale zekerheid gewacht kan worden. Is een wijziging van artikel 36 WWV nu nog per se noodzakelijk gelet op de reeds gewijzigde praktijk? Te meer daar dit wetsvoorstel slechts beoogd een aanpassing te zijn van die gewijzigde praktijk. Of heeft het kabinet met dit voorstel impliciet willen duidelijk maken dat de voorbereiding van het invullen van de betreffende artikelen in de NWW even lang gaat duren als de voorbereiding van deze toch min of meer simpele wetswijziging? Kan de staatssecretaris daarover nadere informatie en helderheid verschaffen? In ieder geval wilden deze leden reeds nu duidelijk maken dat met het geïntegreerde voorzieningenbeleid haast dient te worden gemaakt. De huidige werkloosheidssituatie gebiedt dat en het geeft naar hun oordeel geen pas te streven naar een situatie waarbij de put wordt gedempt als het kalf reeds verdronken is. Bovendien wezen deze leden in dit verband op de recente uitspraak van de Kamer dat het kabinet spoedig dient te komen met een afgerond oordeel over de algehele herziening van de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid. Daarbij is vanuit de Kamer aangedrongen op regionalisatie en coördinatie dan wel integratie met onder meer activiteiten op het terrein van de arbeidsvoorziening.

De leden van de fractie van D66 zagen zich geplaatst voor een dilemma bij hun standpuntbepaling over dit wetsvoorstel. Enerzijds lijkt het logisch het oude artikel 36 WWV te wijzigen qua doelgroep, activiteitenpakket, financiering en toetsing. Anderzijds zijn er sinds het begin van de discussie over artikel 36 nogal wat ontwikkelingen geweest die een geïntegreerd voorzieningenbeleid vanuit de sociale zekerheid thans extra noodzakelijk maken. De keuze is dus, en daarmee is het dilemma geschetst, tussen een wijziging van artikel 36 WWV op dit moment, of wachten op het gïntegreerde voorzieningenbeleid. De problematisch blijvende afstemming tussen een reeks van mogelijke activiteiten en projecten die ten doel hebben de herintreding in het arbeidsleven te bevorderen, waarover de memorie van toelichting ook geen misverstanden laat bestaan, zou de hier aan het woord zijnde leden tot de overtuiging kunnen brengen dat een aanpassing van artikel 36 WWV moet worden gezien als een gewijzigd lapje in de totale lappendeken. Hun belangrijkste vraag die zij voorlegden is dan ook, wanneer er een nieuwe deken voorhanden is in de vorm van een geïntegreerd voorzieningenbeleid, en wat de nadelige effecten zouden zijn voor werklozen of werkzoekenden zelf, indien op die nieuwe situatie gewacht zou worden. Is het immers niet zo dat betrokkenen in die tussentijd ook een beroep kunnen doen op verschillende arbeidsvoorzieningsmaatregelen, educatieve voorzieningen, op artikel 57 AAW, de WAGW, de in voorbereiding zijnde WOAU en op het gewone sociaal-culturele werk? Wat voegt een nieuw artikel 36 WWR nu precies toe aan datgene wat al ten behoeve van de herintredingsmogelijkheden wordt gedaan door zeker drie ministeries (O&W, WVC en SoZa)?

Deze leden zagen in dit verband graag een helder overzicht van alle maatregelen (en daarbij behorenden uitgaven) gericht op behoud, herstel of bevordering van arbeidsgeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven, die thans in de praktijk functioneren. Een andere vraag is in hoeverre het deelnemen aan activiteiten gericht op herintreding, op grond van het voorgestelde nieuwe artikel 36 WWV verplicht of vrijwillig is. Zij hadden begrepen dat het om een vrijwillige deelname gaat, maar konden zich voorstellen dat daar, waar voor het kabinet het behoud of herstel van de arbeidsgeschiktheid van zo groot gewicht is, en dat ook in het belang van werklozen en werkzoekenden zelf is, enige aandrang op betrokkenen ten minste in de overwegingen betrokken zou moeten worden. Het risico leek deze leden niet denkbeeldig dat het brede scala aan mogelijkheden om de herintredingskansen te vergroten, alleen degenen zal aanspreken die niet tot de minst weerbaren behoren. De vraag is of er voor hen niet al genoeg mogelijkheden zijn, los van de artikel 36 WWV-activiteiten, op het gebied van het arbeidsvoorzieningen" en scholingsbeleid. De hier aan het woord zijnde leden van de fractie van D66 misten in de memorie van toelichting een principiële beschouwing over de vraag of en waarom er een voorziening op grond van artikel 36 WWV moet zijn tussen het arbeidsvoorzienings-en scholingsbeleid enerzijds en het specifieke sociaal-culturele werk anderzijds. Zij konden zich ook één gedecentraliseerde financieringsstroom voorstellen, waarin alle uitgaven die nu versnipperd bedoeld zijn voor herintredingsstimulering, gebundeld zijn en waarover gemeentelijke overheden of gemeentelijke samenwerkingsverbanden de uiteindelijke zeggenschap hebben, rekening houdend met hun bestand aan werklozen en werkzoekenden en in overleg met arbeidsbureau's, educatieve centra en sociale diensten. Eén en ander zal uiteraard betrokken moeten worden bij de uiteindelijke discussie over een geïntegreerd voorzieningenstelsel, maar de leden van de fractie van D66 wilden deze opmerkingen toch maken om aan te tonen dat zij vooralsnog moeite hadden met het wetsvoorstel, nu een perspectief op een alomvattend beleid ontbreekt.

De leden behorend tot de fractie van de S.G.P. hadden met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige voorstel van wet. Zij zouden volstaan met het stellen van enkele vragen en het plaatsen van enige opmerkingen. Zij onderschreven de wenselijkheid om de Wet Werkloosheidsvoorziening te wijzigen ten einde met het oog op de herintreding in het arbeidsleven daartoe passende voorzieningen te treffen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid van degenen, die wegens werkloosheid niet aan het arbeidsleven deelnemen. Kan nader worden ingegaan op de mate waarin er sprake is van een ontwikkeling om bij het opzetten van activiteiten in het kader van artikel 36 WWV steeds meer de nadruk te leggen op mogelijkheden voor herintreding in het arbeidsleven en minder op het tegengaan van de negatieve gevolgen van werkloosheid? Opgemerkt wordt dat de HRWB heeft gesteld dat er dient te worden gewaakt tegen het feit dat zonodig een categoraal circuit van sociaal-culturele voorzieningen gaat ontstaan. Kan dit (mogelijke) bezwaar nog eens nader worden verduidelijkt? Ook deze leden zeiden van oordeel te zijn dat een ruimere omschrijving van de personenkring dan thans in het voorgestelde wetsartikel is opgenomen niet nodig en niet wenselijk is. Opgemerkt wordt dat een algemeen geldende «blauwdruk» van voorzieningen die direct zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid dan wel op opvang van negatieve gevolgen van werklozen en op bevordering van zinvolle tijdsbesteding niet valt aan te geven. Maar op welke gronden kunnen dan wel met name de gemeentebesturen op basis van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt alsmede

de concrete inhoud van de voorzieningen bepalen tot welke categorie de op lokaal niveau getroffen voorzieningen behoren, zo vroegen de leden van de fractie van de S.G.P.?

De leden van de fractie van de P.P.R. hadden met interesse kennis genomen van het wetsvoorstel dat de inhoud en het bereik van artikel 36 WWV beoogt te wijzigen. Zij vroegen zich af waarom de indiening er van zoveel vertraging heeft opgelopen. De doelmatigheid van de procedure van wetswijziging en omschakeling naar de nieuwe regelgeving kan in hun ogen worden betwijfeld nu het kabinet zelf stelt dat, gezien de bezinning op het totaal van de complementaire sociale voorzieningen, de voorstellen een tijdelijk en voorlopig karakter hebbben. In dit verband verzochten zij de bewindsman nader in te gaan op de voornemens met betrekking tot het geheel van complementaire voorzieningen. Waarom laat herziening zo lang op zich wachten terwijl de werkloosheidsproblematiek aanhoudend ernstig is? Het was de leden van de P.P.R.-fractie opgevallen dat wanneer in de memorie van toelichting over arbeid wordt gesproken waarvoor artikel 36 WWV moet toerusten, uitsluitend bedoeld lijkt te zijn de betaalde arbeid. Zij zouden gaarne een nadere uitleg ontvangen over de relatie tussen artikel 36 WWV en de onbetaalde arbeid, zoals het vrijwilligerswerk. Indien namelijk het kabinet, zoals uit zijn beleid blijkt op tal van terreinen, het vrijwilligerswerk en meer wezenlijke maatschappelijke functie wil iaten vervullen, dan zal in artikel 36 WWV ook ruimte aanwezig moeten zijn om de arbeidsgeschiktheid hiervoor te verbeteren. De leden van de P.P.R.-fractie hadden tot hun verbazing in de memorie van toelichting een evaluatie gemist en de ervaringen die in de vijf proefgebieden zijn opgedaan met een experiment met artikel 36 WWV-nieuwe stijl. Het leek hen voor een goede beoordeling van het wetsvoorstel noodzakelijk om eerst kennis te kunnen nemen van deze ervaringen en daarom verzochten zij de bewindsman alsnog de Kamer een evaluatie te doen toekomen.

Het lid van de G.P.V.-fractie stemde van harte in met de doelstellingen van dit wetsvoorstel. Inderdaad is het vraagstuk van het sociale zekerheidsstelsel niet beantwoord met het treffen van een inkomensvervangende voorziening, maar dient de vraag naar de mogelijkheid van herintreding in de arbeidsmarkt veel meer aandacht te krijgen. Een werkloze is immers meer gebaat bij een baan dan bij een uitkering. In die zin achtte dit lid het een verbetering indien de sociaal-culturele voorzieningen uit artikel 36 WWV zouden worden vervangen door voorzieningen die in directe zin zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. De vraag rijst echter of het aanbod van deze en andere voorzieningen tot nog toe niet te veel vrijblijvend is geweest. Is het niet aan te bevelen het recht op een uitkering krachtens de IOAW of op grond van de RWW te koppelen aan de verplichting van deze of andere voorzieningen gebruik te maken?

Het lid van de fractie van de R.P.F, had met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Hij stelde vast dat de eerste gedachten over wetswijziging bepaald niet van vandaag of gisteren dateert. Reeds in 1980 zijn de eerste stappen op deze weg gezet, zodat kon worden aangenomen dat de staatssecretaris niet over één nacht ijs is gegaan. In deze fase van voorbereiding wilde hij zich beperken tot de navolgende opmerkingen. Artikel 36 WWV zal de mogelijkheid scheppen activiteiten te ontwikkelen, gericht op behoud of vergroten van de arbeidsgeschiktheid. Ook voor wat betreft artikel 36 WWV oude stijl is dat reeds het geval. Het is uitermate onwaarschijnlijk dat artikel 35 WWV niet betrokken zal worden bij de nadere vormgeving van het geïntegreerde voorzieningenbeleid vanuit de sociale zekerheid. Twee wetswijzigingen op rij zijn derhalve niet denkbeeldig, zo betoogde het hier aan het woord zijnde lid. Graag zag hij een

nadere motivering van de beslissing om niettemin nu al het voorliggende wetsvoorstel aanhangig te maken. Het lid van de R.P.F.-fractie was het daarbij nog niet duidelijk of en in hoeverre de tripartisering van arbeidsvoorziening van invloed zou kunnen zijn op het beleid dat de gemeenten krachtens artikel 36 WWV voeren. Zou het verzelfstandigde arbeidsvoorzieningenbeleid zich niet kunnen gaan uitstrekken, zelfs tot het terrein dat nu betreden wordt door artikel 36 WWV?

  • De doelgroep

In het voorliggende wetsvoorstel vindt er formeel een forse uitbreiding plaats van de doelgroep die onder de werking van het nieuwe artikel 36 WWV gaan behoren. Voor wat betreft de uitbreiding met WAO-gerechttigden vroegen de leden van de C.D.A.-fractie, of, waar gesproken wordt van een werkzoekende voor meer dan een derde van de normale arbeidsduur, aansluiting is gezocht bij reeds bestaande opvattingen over termijnen in aanverwante gevallen. Zou de keuze voor dit criterium gemotiveerd kunnen worden? In geval van niet-uitkeringsgerechtigden mogen gemeenten m.b.t. de beschikbaarheidseis voor een derde van de normale arbeidsduur vrijstelling verlenen om toch tot de voorzieningen toegelaten te worden. Waarom is deze mogelijke vrijstelling niet geregeld voor WAO-gerechtigden, zo vroegen zij? Welke beleidslijn mogen gemeenten volgen bij het verlenen van deze vrijstellingen? Daar de kosten niet op de WWV verhaald kunnen worden in deze gevallen, werkt deze bepaling een bevoordeling in de hand van hen die niet aan de beschikbaarheidseis voldoen, doch in een gemeente wonen welke een ruimere financiële armslag heeft. Deze leden vroegen hoe deze discrepantie te rechtvaardigen is.

Met instemming begroetten de leden van de fractie van de P.v.d.A. het voornemen om de doelgroep van artikel 36 WWV uit te breiden met uitkeringsgerechtigden krachtens RWW, AAW en WAO, alsmede met niet uitkeringsgerechtigde werkzoekenden onder bepaalde voorwaarden. Deze leden wensten wel te worden ingelicht welke andere voorwaarden dan een inschrijfplicht bij de arbeidsbureaus aan niet-uitkeringsgerechtigden zullen worden gesteld. Met betrekking tot de voorwaarde dat de deelnemers in alle gevallen ingeschreven dienen te staan bij het arbeidsbureau merkten zij op dat naar hun oordeel aan de gemeenten de vrijheid moet worden gegeven in bepaalde gevallen, zulks naar het oordeel van de gemeente, af te wijken van de inschrijfplicht bij het arbeidsbureau. De daaraan verbonden kosten zouden in tegenstelling tot wat het kabinet voorstelt, wel voor vergoeding in aanmerking moeten komen. Toepassing van voorzieningen en het verlenen van faciliteiten ter opheffing van werkloosheid dient in nauwe samenwerking te geschieden tussen organisaties die belast zijn met de uitvoering van de sociale zekerheid, gemeenten en arbeidsvoorziening. Permanent overleg en coördinatie in de uitvoering tussen de verschillende organisaties is een absolute voorwaarde. Uit recente onderzoeken is evenwel gebleken dat er één en ander schort aan het overleg en coördinatie tussen de verschillende instanties. De leden van de P.v.d.A. fractie wilden graag vernemen welke mogelijkheden het kabinet ziet om hierin verbetering aan te brengen. Met betrekking tot de inschrijfplicht bij de arbeidsbureaus merkten de leden van de P.v.d.A.-fractie het volgende op: In het ontwerp-voorstel van de Nieuwe Arbeidsvoorzieningenwet is opgenomen dat de RBA's de dienstverlening ten behoeve van werkzoekenden kunnen opschorten of beëindigen indien blijkt dat er onvoldoende

perspectieven aanwezig zijn om in het arbeidsproces te worden opgenomen. De RBA's krijgen de bevoegdheid in dat geval de werkzoekenden uit te schrijven uit het bestand. Naar het oordeel van de leden van de P.v.d.A.-fractie zal dit leiden tot complicaties; in het kader van de sociale zekerheid dient een werkzoekende ingeschreven te staan bij een arbeidsbureau. Echter, om tot de doelgroep van artikel 36 WWV te behoren is registratie bij het arbeidsbureau verplicht, maar onderwijl kan hetzelfde arbeidsbureau de dienstverlening beëindigen. Bestaat niet het gevaar, zo vroegen deze leden, dat vrijwel uitsluitend nog werkzoekenden voor bemiddeling volgens artikel 36 WWV in aanmerking zullen komen, die nog voldoende arbeidsmarktperspectieven hebben. Gemeenten en bedrijfsverenigingen hebben bemoeienis met categorieën werklozen die, afhankelijk van onder andere leeftijd, arbeidsverleden en werkloosheidsduur, meer of minder intensieve aandacht vragen vanuit de doelstelling van de maatschappelijke (re)integratie. De leden van de P.v.d.A.fractie wilden vernemen welke situatie er zal ontstaan indien het RBA, volgens eigen criteria, de dienstverlening aan tot bovengenoemde categorieën behorende werkzoekenden heeft gestaakt. De hier aan het woord zijnde leden zeiden niet overtuigd te zijn van de argumentatie om volledig arbeidsongeschikten uit te sluiten van toepassing van artikel 36 WWV. Naar hun oordeel dienen in voorkomende gevallen de voorzieningen van artikel 36 WWV ook open te staan voor volledig arbeidsongeschikten, indien de betreffende uitkeringsinstantie dit wenselijk acht. Langs deze weg zou artikel 36 WWV het herintreden in het arbeidsproces van arbeidsongeschikten, eventueel samen met de voorzieningen in het kader van de Wet plaatsing minder valide werknemers, kunnen bevorderen.

Met de uitbreiding van de doelgroep konden de leden van de fractie van D66 instemmen. Wel vroegen zij waarom het criterium wordt voorgesteld ten aanzien van niet-uitkeringsgerechtigden van een inschrijving als werkzoekende bij het arbeidsbureau voor meer dan een/derde van de normale arbeidsduur. Hoe verhoudt zich dat tot de registratienorm aan de hand waarvan het budgetsysteem wordt opgesteld? Krijgen gemeenten een bedrag per werkloze die voor meer dan een/derde van de normale arbeidsduur werk zoekt, of gelden bij het toekennen van een budget eerdere registratienormen? Geldt voor vrouwen met een ABW-uitkering ook die zelfde eis en hoe wordt dan voorkomen dat een bijstandsmoeder met kleine kinderen, die wel aan een activiteit op grond van artikel 36 WWV wil deelnemen, maar zich niet in staat acht tot betaalde arbeid, toch daartoe verplicht wordt, gezien haar inschrijving bij het arbeidsbureau voor meer dan een/derde van de normale arbeidsduur? Het zou de voorkeur verdienen, naar de mening van de hier aan het woord zijnde leden, om ook personen die niet aan de beschikbaarheidseis kunnen voldoen toch tot de voorzieningen worden toegelaten. Indien deze kosten niet op grond van de WWV kunnen worden vergoed, kunnen deze dan op andere wijze worden vergoed?

Hoewel de memorie van toelichting wél vrouwen expliciet als doelgroep van artikel 36 WWV noemt was het de leden van de P.P.R.-fractie opgevallen dat tegelijkertijd een drempel voor deelname door vrouwen wordt opgeworpen. Zij doelden hier op de voorwaarde dat de werkloze voor meer dan een derde van de normale arbeidsduur bij het GAB als werkzoekende moet staan ingeschreven. Zij vroegen de staatssecretaris nader te verduidelijken waarom deze voorwaarde is opgenomen, en tevens in te gaan op de effecten die dit kan hebben op de mogelijkheden tot deelname door vrouwen. De zin op blz. 7 van de memorie van toelichting: «Dat doel kan alleen worden nagestreefd als de voorzieningen worden toegepast ten aanzien van personen, die

werkelijk van plan èn in de gelegenheid zijn arbeid in een niet te verwaarlozen omvang te aanvaarden» deed hen de vraag stellen hoeveel werkzoekenden een baan willen voor minder dan één derde van de normale arbeidsduur. Het lid van de G.P.V.fractie kon ermee instemmen dat de doelgroep van artikel 36 WWV wordt verbreed, maar hij achtte het een vereiste dat iemand die van de onderhavige mogelijkheden gebruik wil maken zich reëel beschikbaar houdt voor de arbeidsmarkt.

Het fractielid van de R.P.F, onderschreef de nadere omlijning van de doelgroep van artikel 36 WWV. Hij achtte het gewenst en rechtvaardig dat het bereik zich uitstrekt tot degenen die ook feitelijk aan het arbeidsproces kunnen en willen deelnemen. Afgezien van andere overwegingen staat alleen al het beperkte budget verdere uitbreiding in de weg.

  • De inhoud van de activiteiten op grond van artikel 36 WWV en de verhouding tot andere voorzieningen

In het voorliggende wetsvoorstel moeten de te subsidiëren activiteiten in directe zin bijdragen aan herstel, behoud of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. De leden van de CD.A-fractie stemden ermee in dat hierdoor het doel van artikel 36 WWV op een meer rechtstreekse wijze zijn functie als complementaire voorziening in het kader van de sociale zekerheid vervult. De vraag of een activiteit complementair is, kan echter zeer verschillend beoordeeld worden. Kan een nader inzicht hierin gegeven worden? Deze leden deelden de mening dat door de genoemde wijziging het voordeel ontstaat dat aan gemeenten meer ruimte gelaten wordt om door het voeren van een eigen beleid een meer op de plaatselijke situatie en ontwikkelingen afgestemd activiteitenpakket aan te kunnen bieden. Anderzijds zal het restrictieve toezicht financiële gevolgen met zich kunnen brengen. Hoe zal daarmede worden omgegaan? Zij wensten wel te benadrukken dat in het contact met de gemeenten aan de positie van de herintredende vrouw speciale aandacht gegeven dient te worden. Welke mogelijkheden ziet de bewindsman in dezen?

De leden van de CD.A-fractie zeiden artikel 36 WWV te zien als een direct toepasbaar instrument waardoor aan gemeenten een kader is gegeven waarbinnen zij concrete projecten kunnen realiseren, als wezenlijk onderdeel van de zogenoemde complementaire sociale voorzieningen. Voorwaarde hierbij is dat overleg en samenwerking tussen arbeidsbureaus en gemeentebesturen bevorderd worden. Deze leden konden instemmen met het onderscheid dat nu gemaakt wordt met betrekking tot enerzijds activiteiten van recreatieve aard en activiteiten gericht op opvang van negatieve gevolgen of zinvolle tijdsbesteding in verhouding tot, anderzijds, de activiteiten welke in de toekomst onder toezicht van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen zullen vallen. Ingeval er problemen ontstaan dient de rijksconsulent geraadpleegd te worden. Welke criteria c.q. richtlijnen staan hem ten dienste? Wat te doen in twijfelgevallen, zo vroegen de leden van deze fractie. Zij stelden dat er op moet worden toegezien dat niet door «titel»-problemen er vertraging optreedt in de uitvoering van een bepaald project. Verder informeerden zij of er reeds antwoord is op het gevraagde advies over het nog nader in te vullen instrumentarium waarin de activiteiten onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen geregeld zullen worden. In dit verband vroegen zij naar de wijze waarop het kabinet het advies van de Commissie Werkloosheidsvoorziening van de SER inpast, die signaleert dat op het vlak van de werkloosheidsbestrijding activiteiten die op het opheffen van werkloosheid worden ondernomen,

gepaard moeten gaan met activiteiten die zijn gericht op het opheffen van de meer algemene problematiek van sociale en culturele achterstand en het isolement van bepaalde groeperingen. Het kabinet onderschrijft deze visie. Echter de vertaling ervan in een mogelijk maken van initiatieven op dit terrein onder vigeur van artikel 36 WWV, ontbreekt, zo meenden de leden van de C.D.A.-fractie.

Naar het oordeel van de leden van de P.v.d.A.-fractie geeft het voorstel de gemeenten meer ruimte om het herintredingsproces te bevorderen. In dit verband wensten zij geïnformeerd te worden in hoeverre en op welke wijze de meer algemeen sociaal-culturele activiteiten voor werklozen zullen blijven voortbestaan en welk budget daarvoor beschikbaar zal zijn. Waar het gaat om de gestelde voorwaarden vroegen de leden van de P.v.d.A.-fractie of de ruimte die de gemeente geboden wordt niet te veel aan beperkingen onderhevig is. Zo mogen de activiteiten niet doubleren met het arbeidsvoorzieningenbeleid of dat beleid doorkruisen. Ditzelfde geldt de activiteiten van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Het kwam deze leden voor dat na overleg en met instemming van de voor die activiteiten bevoegde instanties, bijvoorbeeld een arbeidsbureau, van de voorwaarden afgeweken moet kunnen worden.

De leden van de V.V.D.fractie vroegen of het complementaire karakter van de artikel 36 WWV-activiteiten wel zo duidelijk is en niet tot oeverloze twistgesprekken aanleiding zal geven. Overigens constateerden zij, dat ook het kabinet de bui kennelijk al ziet hangen, reden waarom het zich in artikel 36, vierde lid de mogelijkheid wil verschaffen om bij amvb nadere regels te stellen. Welke criteria zal het kabinet dan hanteren? Kan daarover nu reeds inzicht worden verschaft? Staat overigens een dergelijke -naar moet worden aangenomen -gedetailleerde regelgeving niet op gespannen voet met de decentralisatiegedachte en dereguleringsoogmerk van dit wetsvoorstel? Kan aan de hand van een aantal concrete voorbeelden de afbakening helder worden weergegeven? Valt bijvoorbeeld een VOS-cursus («vrouwen oriënteren zich op de samenleving») wel of niet onder het nieuwe artikel 36 WWV? Of kunnen bepaalde onderdelen van een dergelijke cursus er wellicht onder vallen? Indien dit laatste het geval is, wordt dan de toerekening van kosten -de activiteit valt dan immers onder meer dan één subsidieregeling -niet vreselijk ingewikkeld? Wanneer is bijvoorbeeld een lascursus, zoals bedoeld in de toelichting op artikel 36, vierde lid WWV complementair -en dus een zaak van de gemeente -en wanneer behoort deze tot het regulier werkterrein van arbeidsvoorziening/Centra voor (administratieve) Vakopleiding van Volwassenen (C(A)VV)? Kan voorts worden uitgelegd waarom de bemiddeling door een vrijwilligersvacaturebank een artikel 36 WWV-activiteit kan zijn?

De leden van de fractie van D66 maakten zich zorgen om de afbakening van artikel 36 WWV-activiteiten ten opzichte van het arbeidsvoorzieningenbeleid, het welzijnsbeleid en het onderwijsbeleid. Indien die afbakening niet eens en vooral voor een ieder duidelijk is, voorzagen zij nogal wat problemen. In het algemene deel hadden zij reeds de suggestie gedaan om alle maatregelen, gericht op verbetering van herintredingskansen, te bundelen. Binnen een dergelijke gebundelde en gedecentraliseerde financieringswijze zou dan wel onderscheid gemaakt kunnen worden tussen scholing en arbeidsmarktcomponenten. Het geld dat nu met de toepassing van artikel 36 WWV gemoeid is, zou daaraan dan moeten worden toegevoegd. Daarnaast moeten er overigens voldoende middelen beschikbaar zijn voor het reguliere sociaal-culturele werk. De kortingen op dat gebied vallen buiten het kader van dit wetsvoorstel, maar betekenen dat de zorg van de VNG bewaarheid wordt. Ook de leden van de fractie

van D66 zeiden de nieuwe kortingen op het sociaal-cultureel werk af te wijzen en zij deden een beroep op het kabinet aandacht te schenken aan de functie van het sociaal-cultureel werk óók voor werklozen.

De leden van de fractie van D66 herhaalden hun bezorgdheid omtrent de afbakening van activiteiten. In paragraaf 3.3. wordt zo uitvoerig ingegaan, op wat allemaal niet mag, en waar andere maatregelen prevaleren, dat het uiterst onduidelijk zal zijn wat wèl mag. In het gunstigste geval zal er altijd nog veel overleg nodig zijn tussen verschillende adviescommissies. Wat wordt bedoeld met de mogelijkheid nadere algemene regels te stellen omtrent die afbakening, zo vroegen deze leden. Moet dat niet per geval en per gemeente beoordeeld worden? Nadere bezinning op de aard en doelstelling van de complementaire sociale voorzieningen in onderlinge samenhang is dan ook dringend noodzakelijk. Wanneer zal de adviesaanvraag hieromtrent verzonden kunnen worden? Ook vroegen de hier aan het woord zijnde leden hoe de korting op de Bureaus Landelijk Contact (overigens een verantwoordelijkheid van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur) zich verhoudt tot de opmerking op blz. 21 van de memorie van toelichting dat bij taakafbakeningsproblemen deze bureaus dienen te worden ingeschakeld.

Op grond van artikel 36 WWV, zo merkten de leden van de S.G.P.-fractie op, zullen uitsluitend die activiteiten kunnen worden bekostigd die aanwijsbaar gericht zijn op (re)integratie in het arbeidsleven van de deelnemende personen. Bij gemeentelijke activiteiten met het karakter van sociaal-cultureel werk is tot nu toe een onderscheid als bovenbedoeld niet altijd duidelijk aanwezig of is van specifiek op het arbeidsleven gerichte activiteiten in onvoldoende mate sprake. Dit zo zijnde, rijst de vraag hoe de nodige duidelijkheid op dit punt in de toekomst ook feitelijk gestalte zal kunnen krijgen. In de komende tijd moet een nadere bezinning op de aard en doelstelling van de complementaire sociale voorzieningen in onderlinge samenhang plaatsvinden en moet nadere uitwerking worden gegeven aan een adequaat voorzieningenbeleid voor werklozen. Ten einde zo spoedig mogelijk over een uitgewerkt instrumentarium te kunnen beschikken, waarmee de uitvoeringsorganen in relatie tot de mogelijkheden van andere uitvoeringsorganen een actief beleid ter zake kunnen voeren, zal over opzet, inhoud, financiering en uitvoering van dit voorzieningenbeleid voor werklozen op korte termijn een adviesaanvrage aan de SER, SVr, VNG en ER worden gericht. Is dat advies reeds aangevraagd en zo ja, kan dan preciezer worden medegedeeld hoe deze aanvrage precies is ingekleed? Gaarne zouden de leden van de fractie van de S.G.P. nadere informatie willen zien over de dringende noodzaak van een goede afstemming ten opzichte van het arbeidsvoorzieningenbeleid en het revalidatiebeleid krachtens de AAW en de WAO.

De leden van de P.P.R.-fractie hadden van de voorstellen tot afbakening van de diverse voorzieningen kennis genomen. Het had hun bevreemd dat voor wat betreft de activiteiten die niet (of in verwijderd verband) op herintreding zijn gericht slechts wordt verwezen naar de verantwoordelijkheid van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur zonder aan te geven wat binnen diens ministerie momenteel aan instrumentarium bestaat voor het entameren van sociaal-culturele activiteiten voor werklozen. Zij vroegen dit alsnog aan te geven zodat duidelijk wordt of en zo ja hoe het «gat» dat valt door het wegvallen van de sociaal-culturele activiteiten binnen artikel 36 WWV wordt opgevuld. Naar aanleiding van het zonder meer afwijzen van het advies van de Emancipatieraad om enkele extra voorwaarden aan gemeenten te stellen zodat verbetering van de arbeidspositie van vrouwen beter is gewaarborgd, wilden de P.P.R. fractieleden enkele kritische opmerkingen maken. Zij

constateerden dat het kabinet met betrekking tot de wens tot decentralisatie een dubbele houding aanneemt. Enerzijds wordt bewust niet overgegaan tot decentralisatie van bij voorbeeld de financiën en het toezicht hierop door de Rijksconsulent, anderzijds wordt decentralisatie gehanteerd als argument om wensen vanuit een emancipatoire invalshoek niet te honoreren. Hoe kijkt de staatssecretaris hiertegen aan? Het verschuilen achter, ditmaal de decentralisatie, toont eens te meer aan dat als het om het ten uitvoer brengen van de doelstellingen van het emancipatiebeleid gaat, het kabinet blijft steken. Het voorstel van de Emancipatieraad om gemeenten voor te schrijven met taakstellingen met betrekking tot besteding van middelen voor vrouwen past uitstekend in de «positieve aktie» die door het kabinet wordt voorgestaan. Of ziet het kabinet dit anders? Verwonderd waren de leden van de P.P.R.-fractie dat in de memorie van toelichting geen aandacht wordt geschonken aan de bijzonder slechte positie van werklozen uit minderheden. Vooral ten behoeve van hen past het, gegeven ook de reeks intentieverklaringen van het kabinet, om, door middel van taakstellingen, te proberen het bereik van juist deze groepen te waarborgen.

Met de voorgestelde wijziging rijst direct de vraag, aldus het G.P.V.-fractielid, naar de afbakening met andere activiteiten die zijn gericht op herintreding op de arbeidsmarkt. In de memorie van toelichting worden onder andere genoemd activiteiten in het kader van de volwasseneneducatie en in het kader van het arbeidsvoorzieningenbeleid. Het is niet de bedoeling dat artikel 36 WWV-activiteiten de reeds bestaande voorzieningen gaan verdringen. Dat riep de vraag op naar het specifieke eigen karakter van deze activiteiten. Welke voorzieningen kan artikel 36 WWV bieden die niet in de andere kaders aangeboden (kunnen) worden? Welke voorzieningen zullen niet meer bekostigd kunnen worden op grond van artikel 36 WWV? Welke bedragen zijn daarmee gemoeid? Worden die bedragen toegevoegd aan de gemeentelijke middelen ten behoeve van sociaal-culturele voorzieningen?

Artikel 36 WWV (nieuwe stijl) is nadrukkelijk complementair van karakter, aldus het lid van de R.P.F.-fractie. Dit heeft tot gevolg dat de gemeente voor wat betreft de inhoud van het voorzieningenbeleid gericht op de arbeidsgeschiktheid zeer afhankelijk zijn van de activiteiten die door het ministerie van Onderwijs & Wetenschappen of van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur worden gefinancierd, dan wel door het GAB worden ontwikkeld. Vooral het vóórkomen van die subsidiestromen voor in de praktijk vaak verwante voorzieningen kan problemen scheppen. Zijn er aanwijzingen dat gemeenten op grond van deze problematiek moeite hebben met de declaratie van de kosten van hun activiteiten op sociaal-cultureel terrein en op dat van de werkgelegenheid? Deze problematiek kwam ook onder het oude regime voor, voordat de stelselherziening van kracht werd. Toch wordt één en ander onder artikel 36 WWV nieuwe stijl niet wezenlijk opgelost aldus dit lid. Hij vroeg in hoeverre het zinvol zou kunnen zijn de subsidiestromen samen te voegen, waarbij de gemeenten dan vrijer zouden kunnen beslissen over de bestemming van de gelden. Een besluit of een bepaalde activiteit al dan niet onder artikel 36 WWV nieuwe stijl valt, leek hem namelijk per definitie tamelijk arbitrair. Zodoende kunnen er gemakkelijk problemen ontstaan.

  • De rol van de gemeente

De gemeente wordt gezien als het eerst aangewezen orgaan voor het treffen van bedoelde voorzieningen. De effectiviteit van de aanpak van de werkloosheidsproblematiek wordt verhoogd indien voorzieningen naar plaatselijke omstandigheden worden aangepast. Van de zijde van de

CD.A-fractie rees de vraag of het niet verstandig zou zijn vooral waar het kleine gemeenten betreft, geconfronteerd met een regionale problematiek, een regionaal voorzieningenpakket aan te bieden. Dit leidt tot kostenreductie en een grotere variëteit aan projecten. Bovendien biedt dit meer mogelijkheden voor de werklozen in gemeenten die door een laag werkloosheidspercentage, geremd zijn in hun activiteiten dienaangaande.

Tegen de achtergrond van hun opmerkingen uit het algemene deel kwamen de leden van de V.V.D. fractie tot een tweede, belangrijke hoofdvraag, namelijk waarom moeten de activiteiten in het kader van «artikel 36 WWV nieuwe stijl» worden uitgevoerd door de gemeenten? Zij hadden zich er nogal over verbaasd dat het kabinet hieraan geen beschouwing wijdt en de uitvoering door de gemeenten kennelijk als vanzelfsprekend beschouwt. Of dit wel zo vanzelfsprekend en zo doelmatig is, is zeer de vraag. Een nadere beschouwing daarover vonden deze leden bepaald wenselijk. Dat in het verleden de artikel 36 WWV-activiteiten door de gemeenten werden uitgevoerd vonden zij min of meer logisch. In ieder geval begrijpelijk, want het ging toen om sociaal-culturele activiteiten, die nauw verweven waren met en aansloten bij de overige sociaal-culturele activiteiten waarvoor de gemeenten verantwoordelijk waren. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt echter de artikel 36 WWV-activiteiten te beperken en te verengen tot activiteiten die de arbeidsongeschiktheid en de herintreding in het arbeidsproces bevorderen. Derhalve activiteiten die -zoals ook uit de toelichting op artikel 36a WWV blijkt -verweven zijn dan wel zelfs samenvallen met activiteiten op het terrein van de arbeidsvoorziening en die nauwe aansluiten bij het werk van de gewestelijke arbeidsbureaus. Is tegen deze achtergrond het opdragen van de uitvoering van de beoogde activiteiten aan de arbeidsbureaus niet veel meer logisch? Zou dat bovendien de duidelijkheid niet ten goede komen? De opvatting van de VNG, zoals verwoord op blz. 3 van de memorie van toelichting, laat wat dit betreft aan (on)duidelijkheid niets te wensen over.

Nu het niet meer zal gaan om sociaal-culturele voorzieningen maar om voorzieningen met het oog op herintreding op de arbeidsmarkt wordt de vraag naar de rol van de gemeenten actueel, zo zei het lid van de fractie van het G.P.V. Het feit dat aard, omvang en intensiteit van de werkloosheid per gemeente verschillen betekent nog niet dat dus de gemeente zelf ook het meest aangewezen orgaan is voor het organiseren en aanbieden van voorzieningen gericht op herintreding. Juist het feit dat zowel sociale partners als onderwijsinstellingen zich volop op deze «markt» bewegen zou de gemeente tot terughoudendheid moeten brengen. Hoe oordeelt de bewindsman hierover?

  • Financiële aspecten

Het kabinet stelt voor om de tot nu toe gehanteerde openeind financiering te vervangen door een rijksbijdrage door middel van een verdeelsleutel; toewijzing van een bedrag per plaatselijk geregistreerde werkloze. Op zich is het hebben van een geplafonneerd budget geen probleem. Wel wilden de leden van de C.D.A.-fractie vernemen hoe de onderbouwing van de beschikbare f20 min. tot stand is gekomen. Ook zouden zij de reden willen vernemen waarom de eertijds via het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan het ministerie van WVC beschikbaar gestelde f 10 min., welke voor de onderhavige doelgroep werd ingezet, straks zal komen te vervallen. In dit verband vroegen deze leden naar de in een mondeling overleg (19700 nr. 184) toegezegde evaluatie van de projecten voorrang voor jongeren. De leden van deze fractie moesten de conclusie trekken dat door de mogelijkheden van een grotere deelname, de spoeling nu dunner wordt. Welke mogelijkheden ziet de bewindsman voor een eventuele verruiming van het budget?

Met de nu voorgestelde methodiek hebben de gemeenten een relatieve zekerheid omtrent de te besteden bedragen, zo constateerden de leden van de C.D.A.-fractie. Wel vroegen zij waarom gekozen is voor 1 oktober als datum waarop het per werkloze beschikbare bedrag door de minister wordt vastgesteld. Kan, zo vroegen zij, de gemeente niet in de knel komen omdat immers de gemeentelijke comptabiliteit een eerdere vaststelling van de begroting vereist? Nadeel van de voorstellen is dat een plaatselijk grotere behoefte aan deze voorzieningen niet ingevuld kan worden of anderzijds de voor dit doel bestemde gelden niet benut worden. Welke mogelijkheden heeft de bewindsman om hierop in te spelen? De door de VNG bepleitte garantie inzake het niveau van het beschikbare budget werd afgewezen. Wel wordt er verwezen naar de algemene, ter zake geldende gedragslijn als afgesproken in het bestuursaccoord Rijksoverheid-VNG. Kan er een visie worden gegeven omtrent de inhoud van deze algemene gedragslijn in een concrete casus als de onderhavige, zo vroegen deze leden. De Stuurgroep Ontwikkelingsprojecten, de Raad voor de Gemeentefinancieringen en de VNG adviseren ten aanzien van de proefgebieden, dat het wenselijk zou zijn om door te gaan met financiering conform de sinds 1982 ingezette experimenten met artikel 36 WWV nieuwe stijl. Het kabinet ziet evenwel geen mogelijkheden om deze wens in te willigen. Is, zo vroegen de leden van de C.D.A.-fractie, het waar dat de experimenten in deze gebieden goed lopen? Kan aangegeven worden welk beslag het doorlopen van de experimenten legt op de beschikbare financiën. Kan de inhoudelijke motivering om niet positief in te gaan op het verzoek van genoemde instanties dan alsnog worden gegeven? Met betrekking tot de financieringsstructuur merkten de leden van de P.v.d.A. fractie op het teleurstellend te vinden dat, terwijl de langdurige werkloosheid toeneemt en de kansen van categorieën werkzoekenden om weer in het arbeidsproces opgenomen te worden geringer worden, goede voorzieningen in het kader van artikel 36 WWV aan budgetfinanciering gekoppeld worden. Zoals reeds opgemerkt is het vergroten van de doelgroep een goede gedachte, maar vanwege de beperkte financiële ruimte zal dit er niet toe leiden dat het aantal deelnemers zal worden vergroot. In tegendeel zelfs, het gevaar bestaat dat actieve gemeenten fors zullen moeten snijden in hun activiteiten. Is het kabinet op de hoogte van het gegeven, dat gemeenten die in het verleden financiële verplichtingen zijn aangegaan vanuit een actief werkloosheids/werkgelegenheidsbeleid met het nieuwe voorstel in de problemen komen? Zo ja, kan een overzicht worden gegeven van de specifieke uitwerking van de voorgestelde regeling ten aanzien van deze gemeenten? Wat denkt het kabinet hieraan te doen? Waarom is er voor deze gemeenten, die als gevolg van een actief beleid met het nieuwe voorstel in ernstige financiële problemen komen, niet een overgangsregeling toegepast, zoals die ook van toepassing is op de vijf proefgemeenten? Gelet op het tijdelijk karakter van deze wet, vroegen deze leden of niet gekozen zou kunnen worden voor een systematiek waarin, naast de voorgestelde algemene regeling, objectsubsidies mogelijk zijn voor specifieke projecten/activiteiten in het kader van artikel 36 WWV. Hiermede, zo stelden de leden van de fractie van de P.v.d.A., zou in belangrijke mate tegemoet kunnen worden gekomen aan de financiële problemen waarvoor tal van gemeenten zullen komen te staan. Overigens wilden zij nog vernemen waarop de hoogte van het bedrag van f40 per bij het arbeidsbureau ingeschreven werkloze is gebaseerd. Over de registratieplicht bij het arbeidsbureau maakten de P.v.d.A.-fractieleden nog een aantal opmerkingen, daarbij verwijzend naar de bevoegdheid die het RBA met betrekking tot de registratie zal krijgen. In geval het voorstel voor een Arbeidsvoorzieningenwet kracht van wet krijgt zou dat

kunnen betekenen dat het RBA uiteindelijk kan bepalen hoeveel financiële middelen een gemeente ontvangt. Daarbij wezen zij bovendien op de situatie dat het arbeidsbureau nog uitsluitend die werklozen registreert die voor 20 uur of meer beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, terwijl in het onderhavige wetsvoorstel 13 uur als uitgangspunt wordt genomen. De leden van de fractie van de P.v.d.A. vroegen voorts of de voorgestelde begrotingsmethodiek de gemeenten niet in grote onzekerheid brengt omtrent de hoogte van de rijksbijdrage in de meerjarenbegroting van de gemeente. Zij zouden in overweging willen geven de mogelijkheid te openen dat gemeenten, die door een beperkt werklozenbestand onvoldoende in staat zijn, op eigen kracht, activiteiten in het kader van artikel 36 WWV te organiseren, samenwerkingsverbanden met andere gemeenten aangaan. Ook vernamen zij gaarne of het mogelijk zal zijn voor werkzoekenden wier gemeenten geen beroep doet op de artikel 36 WWV-gelden, activiteiten te volgen in een naburige gemeenten en of in een dergelijke situatie de naburige gemeente in aanmerking komt voor een extra uitkering ten behoeve van de desbetreffende persoon. Ten slotte zouden de leden van de P.v.d.A.-fractie graag inzicht willen krijgen in het aantal deelnemers van de onderscheiden doelgroepen dat maximaal in aanmerking kan komen voor de activiteiten als bedoeld in artikel 36 WWV. Op welke wijze zal de voorgestelde financiële regeling uitpakken voor de kleinere gemeenten in verhouding tot de grote steden?

De leden van de V.V.D.-fractie vroegen of het kabinet aan de hand van de te verwachten aanvragen (is hiernaar overigens onderzoek gedaan?) duidelijk kan maken dat de geboden f20 + f 10 min. realistisch is. Zal dit niet een druppel op een gloeiende plaat blijken te zijn?

Het nieuw voorgestelde budgetsysteem kon in principe op de instemming van de leden van de fractie van D66 rekenen, hoewel ook overheveling naar het gemeentefonds, maar dan tegelijkertijd met andere middelen ten behoeve van (her)intredingsmogelijkheden, denkbaar zou zijn. Nochtans hadden deze leden behoefte aan een uitvoeriger uiteenzetting over de overgangsregeling, aangezien daarover meer dan eens in de Kamer gesproken is, ook in verband met de motie-Koetje c.s. (Kamerstuk 19700, XVI, nr. 57)

Door alsnog het voor 1987 beschikbare budget met een bedrag van f 10 min. te verhogen tot f30 min. wordt nog geenszins tegemoetgekomen aan de wens van de gemeenten, aldus de leden van de S.G.P.-fractie. De vraag die zich hierbij voordoet is of de armslag die door de gemeenten wordt bepleit een reële voedingsbodem heeft en tevens rijst de vraag wat er onder voldoende armslag moet worden verstaan, zo vroegen de leden van de fractie van de S.G.P. Waarom laat zich de vraag of en in welk opzicht van de zijde van een SW-bedrijf ter zake diensten kunnen worden geboden slechts lokaal of regionaal beantwoorden? Wat zijn de verwachtingen van het voornemen om die diensten niet anders dan tegen kostprijs mogen worden verleend? Het was de leden van de P.P.R. fractie niet geheel duidelijk of het inderdaad in het voornemen ligt om per ingeschreven werkloze f40 ter beschikking te stellen. Is dit zo? Hoeveel wordt er nu in de proefgebieden ter beschikking gesteld? Voorts verzochten zij om een nadere uitleg van het voorgestelde financieringssysteem van onder-en overbesteding. Wat zijn de mogelijkheden voor gemeenten voor overbesteding als gevolg van een zeer actief beleid? Voorts wensten zij een nadere verduidelijking van de voorgenomen evaluatie na 4 jaar. Indien het niet de bedoeling is om de Wet een tijdelijk karakter te geven, heeft de periode van 4 jaar dan uitsluitend betrekking op de wijze waarop gemeenten hun geld ontvangen?

Het lid van de G.P.V.-fractie zei geconstateerd te hebben dat de financiën worden verleend volgens een sleutel die refereert aan het aantal geregistreerde werklozen. Nu gedeeltelijk arbeidsongeschikten echter ook gebruik mogen maken van deze voorzieningen rijst de vraag of voor de bepaling van de hoogte van het budget de gedeeltelijk arbeidsongeschikten niet dienen te worden meegeteld. De koppeling van het budget aan het aantal werklozen brengt de paradoxale situatie met zich mee dat de gemeenten een financieel belang hebben bij een zo groot mogelijk aantal werklozen. Betekent deze constructie niet het introduceren van een nieuwe openeinderegeling. Is dit uit het oogpunt van budgetbeheersing niet uiterst onwenselijk te achten? Is ook overwogen een totaalbudget vast te stellen waarvan gemeenten op declaratiebasis gebruik kunnen maken?

Wat de financiële aspecten van het wetsvoorstel betreft, vroeg het lid van de R.P.F.-fractie in hoeverre het bestaande voorzieningenbeleid van gemeenten met betrekking tot werklozen, in gevaar zou kunnen worden gebracht door de voorgestelde wetswijziging. Het scala aan activiteiten, waarvoor door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een tegemoetkoming wordt verleend wordt immers drastisch beperkt, terwijl niet te zeggen is of in het kader van een andere regeling subsidie kan worden verkregen. Gegeven de beperkte financiële middelen van de gemeenten zal wellicht een groot deel van de bestaande voorzieningen abrupt moeten worden beëindigd, of omgezet in andere kaders. Voorts vroeg dit lid naar de mening van de staatssecretaris over de suggestie om een overgangsmaatregel te treffen niet alleen voor enkele experimenteergemeenten maar zodanig dat lokale verschillen in voorzieningen door middel van een combinatie van subject-en selectieve objectsubsidies in goed overleg zijn te reguleren tot gewenste niveaus en samenhangen per regio. In dit verband verwees dit lid naar de brief van de gemeente Eindhoven van 18 augustus 1987 aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

  • Artikelen

Artikel I, onderdeel C (artikel 7 a nieuw)

Kan medegedeeld worden waarom wel de GMD en niet bij voorbeeld het GAB bij de kring van deskundigen en belanghebbenden is genoemd, zo vroegen de leden van de C.D.A.fractie.

Artikel I, onderdeel D (artikel 36, vierde lid, nieuw)

Moet uit de taakafbakening tussen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid enerzijds en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur anderzijds, afgeleid worden dat de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur nog projecten zal subsidiëren in het kader van de voorgestelde doelgroep, anders dan via de gedecentraliseerde bijdragen Welzijnswet, aldus een vraag van de leden van de fractie van het C.D.A.

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier van de commissie, Van der Windt

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.