Brief van De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - Wijziging van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1980, 86), van artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek en aanvulling van de Wet medezeggenschap onderwijs en enkele andere onderwijswetten, alsmede opneming van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst (Stb. 1980, 384), van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (Stb. 1975, 129) en van de Wet tijdelijke voorziening gelijke behandeling van mannen en vrouwen en van gehuwden en ongehuwden in geval van beëindiging van de dienstbetrekking (Stb. 1979, 278) in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Wet tot herziening van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 11

' «Het in maart 1987 ingediende wetsvoorstel tot herziening van de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (TK 19908) voorziet in de instelling van een nieuwe Commissie Gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid; benoemingen geschieden door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met de Ministers van Binnen landse Zaken, van Justitie en van Onderwijs en Wetenschappen».

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERK GELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 27 april 1988

Hierbij wil ik u, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken, informeren over de procedureafspraken welke binnen het kabinet gemaakt zijn ten aanzien van de handelwijze van organen van de Rijksoverheid bij afwijking van een oordeel van de Commissie gelijke behandeling. Ter verduidelijking een korte weergave van het voorafgaande. In maart 1987 zijn door het Tweede-Kamerlid Groenman aan ondergetekende vragen gesteld over de handelwijze van overheidsorganen naar aanleiding van uitspraken (zienswijzen) van de Commissie Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst. Onder meer werd de vraag gesteld of de bereidheid bestaat te overwegen afwijking door organen van de r/y/csoverheid van oordelen van de (nieuwe') Commissie Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen te binden aan voorafgaand overleg met resp. instemming van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In de beantwoording (kamerstukken 1986-1987, Aanhangsel van de Handelingen 741) is zoals bekend de suggestie dat organen van de rijksoverheid instemming van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid behoeven alvorens zij afwijken van het oordeel van de (nieuwe) commissie, afgewezen, onder verwijzing naar de onderscheiden ministe-

riële verantwoordelijkheden en de principes van autonomie van overheidslichamen, decentralisatie en zelfbeheer door overheden. Wellicht, zo luidde het antwoord, is het echter wel mogelijk om bij de behandeling van het wetsvoorstel te komen tot een toezegging van kabinetszijde dat, alvorens door ministeries wordt besloten geheel of gedeeltelijk af te wijken van het door de Commissie in een concrete situatie vastgestelde oordeel, overleg zal plaatsvinden met de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Binnenlandse Zaken in verband met hun verantwoordelijkheid voor respectievelijk (naleving van) de Wet Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid en het overheidspersoneelsbeleid. In het voorlopig verslag naar aanleiding van het wetsvoorstel tot herziening van de wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen hebben de leden van de D66-fractie vervolgens de vraag gesteld of het kabinet in het kader van de memorie van antwoord een dergelijke toezegging wilde doen en of dit niet ook voor andere overheidsorganen zou moeten gelden. Zoals in de memorie van antwoord, die op 18 januari jongstleden aan de Tweede Kamer is aangeboden, is aangegeven is het in verband met de autonomie van de lagere overheden en het decentralisatieprincipe niet wenselijk de lagere overheden te binden aan voorafgaand overleg met ministers. Voor wat betreft de rijksoverheid is onderstaande procedure afgesproken. Alvorens nader in te gaan op de procedureafspraken, wordt kort ingegaan op de overwegingen die geleid hebben tot deze afspraken. In het wetsvoorstel tot herziening van de wetgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (de zogenaamde Reparatiewet) is voorzien in een (samengevoegde) onafhankelijke Commissie van deskundigen op het door deze wetgeving bestreken terrein, wier positie ten opzichte van de huidige twee Commissies (een voor de particuliere en een voor de overheidssector) wordt versterkt, o.m. door een uitbreiding van taken en bevoegdheden. De (gemakkelijker toegankelijke) Commissie oordeelt (al dan niet op verzoek) of bepaalde handelingen en regelingen al dan niet in strijd zijn met de Wet Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. Het oordeel van de Commissie heeft geen bindend karakter. In de opzet van de regeling van de Commissie wordt onder meer de onafhankelijkheid, de onpartijdigheid en de deskundigheid van de Commissie benadrukt. Verwacht mag dan ook worden dat de oordelen van de Commissie dermate gezaghebbend zullen zijn dat partijen een oordeel van de Commissie doorgaans vrijwillig opvolgen. De tussenkomst van de Commissie betekent op die manier dat de wet op ruimere schaal wordt nageleefd dan wanneer dit (alleen) door middel van een gerechtelijke procedure, waarvoor een veel hogere drempel bestaat, zou moeten worden afgedwongen.

Geldt het voorgaande in zijn algemeenheid, voor wat betreft de rijksoverheid dient bedacht te worden dat zij een dubbelfunctie vervult en daardoor in een enigszins bijzondere positie verkeert. Enerzijds is de rijksoverheid -als wetgever -verantwoordelijk voor de ingediende reparatiewetgeving en de instelling van de (nieuwe) Commissie, terwijl zij anderzijds -in de functie van werkgever -zelf gehouden is aan deze wet. Verwacht mag dan ook worden dat de rijksoverheid in het bijzonder het gezag van de Commissie erkent en niet dan bij hoge uitzondering en dan gemotiveerd van de oordelen van de Commissie afwijkt. De hier geschetste tweezijdige betrokkenheid van de rijksoverheid bij de naleving van de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen rechtvaardigt een toezegging, dat organen van de rijksoverheid niet dan na overleg met de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Binnenlandse Zaken zullen afwijken van uitspraken van de

nieuw te vormen Commissie Gelijke behandeling van mannen en vrouwen en dat, hoewel de wetgeving gelijke behandeling mannen en vrouwen daartoe geen verplichting bevat de Commissie op de hoogte gesteld zal worden van de conclusies die uit uitspraken van de Commissie getrokken worden. Op basis van bovenaangehaalde overwegingen zijn de volgende procedureafspraken gemaakt: Indien aan een orgaan van de rijksoverheid door de Commissie een oordeel wordt gegeven dat inhoudt dat in strijd met de wetgeving gelijke behandeling is gehandeld, geeft dit bevoegd gezag daarop binnen twee maanden aan de Commissie een schriftelijke reactie waarin aangegeven wordt of en zo ja op welke wijze het oordeel van de Commissie invloed heeft op de handelingen of de situatie waarop het oordeel betrekking heeft en in hoeverre het beleid is aangepast aan de voorschriften van de wet. Indien het een concrete situatie betreft waarin het gemaakte onderscheid niet meer kan worden recht gezet (bij voorbeeld bij sollicitatieprocedure), dan wordt aangegeven hoe in de toekomst zal worden gehandeld ter voorkoming van herhaling. Indien een orgaan van de rijksoverheid nochtans van oordeel is dat het oordeel van de Commissie niet gevolgd kan worden en meent dat de situatie waarop het oordeel betrekking had wél in overeenstemming was met de wettelijke voorschriften, dan vindt overleg plaats tussen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en -wanneer het overheidspersoneelsbeleid betreft -de Minister van Binnenlandse Zaken, en het betrokken orgaan over de vraag of in redelijkheid aangenomen kan worden dat het betwiste besluit conform de wettelijke voorschriften is. Uiteraard kunnen de resultaten van dit overleg, gezien de eigen verantwoordelijkheden niet beschouwd worden als een (vervangende) instemming door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (en, vanuit diens verantwoordelijkheid, de Minister van Binnenlandse Zaken) met een door het betrokken departement te nemen besluit. In het overleg met het betrokken orgaan van de Rijksoverheid echter kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als deskundige op emancipatieterrein, en in voorkomende gevallen, nl. wanneer het overheidspersoneelsbeleid betreft, de Minister van Binnenlandse Zaken als werkgever van het rijksoverheidspersoneel, een bijdrage leveren bij de afweging of in het betwiste besluit de wettelijke voorschriften zijn nageleefd. Op deze wijze zal de grootst mogelijke eenheid tussen de rijksoverheid als wetgever en als werkgever bereikt worden zonder dat de eigen verantwoordelijkheid van de verschillende departementen aangetast wordt. Op deze wijze wordt op genoegzame wijze naleving van de wet bevorderd. Uiteraard laat een dergelijke procedure onverlet dat het uiteindelijke oordeel in concrete gevallen door de rechter gegeven wordt.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. de Koning

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.