Gewijzigd voorstel van wet - Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de intreding of herintreding in het arbeidsleven)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 198

20006

Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de intreding of herintreding in het arbeidsleven)

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET 26 april 1988

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet Werkloosheidsvoorziening te wijzigen teneinde met het oog op de intreding of herintreding in het arbeidsleven daartoe passende voorzienim gen te treffen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid van degenen, die wegens werkloosheid niet aan het arbeidsleven deelnemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1 964, 485) wordt gewijzigd als volgt:

A In artikel 1, onderdeel c, en in artikel 37, eerste lid, wordt «de rijksconsulent voor complementaire sociale voorzieningen» vervangen door: de rijksconsulent sociale zekerheid.

B Onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid wordt in artikel 7 een nieuw zesde lid ingevoegd, luidende: 6. Met het oog op de toepassing van artikel 36 kan het gemeentebestuur de commissie uitbreiden met ten hoogste vier leden, die deskundigheid of bijzondere betrokkenheid hebben met betrekking tot voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid.

C Na artikel 7 wordt een nieuw artikel 7a ingevoegd, luidende.

S-SV

Artikel 7a

  • Indien de omstandigheden daarvoor gronden opleveren, kan het gemeentebestuur met het oog op de toepassing van artikel 36 in plaats van de in artikel 7 genoemde commissie de op grond van artikel 17 van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Stb. 1984, nr. 626) ingestelde commissie als adviescommissie aanwijzen. 2. Het zesde lid van artikel 7 is van overeenkomstige toepassing op de op grond van het eerste lid aangewezen commissie.

D Artikel 36 komt te luiden: 1. Indien de omstandigheden daarvoor gronden opleveren, treft het gemeentebestuur met het oog op (her)intreding in het arbeidsleven voorzieningen die in directe zin zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. 2. Het gemeentebestuur treft deze voorzieningen in samenwerking met de daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende organen en niet dan nadat de commissie is gehoord. 3. De voorzieningen kunnen zich uitstrekken tot werklozen en arbeidsongeschikten, die zich voor meer dan een derde van de normale arbeidsduur als werkzoekende bij het arbeidsbureau hebben doen inschrijven. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, gehoord de centrale commissie, ten aanzien van de normale arbeidsduur nadere en zonodig afwijkende regelen worden gesteld. 4. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan activiteiten, die direct zijn gericht op het verbeteren van de positie op de arbeidsmarkt, op het verkrijgen van vakkennis of op het deelnemen aan daarmee samenhangende vormen van educatie. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake nadere regelen worden gesteld.

E Na artikel 36 wordt een nieuw artikel 36a ingevoegd, luidende:

Artikel 36a

Onze Minister kan aan andere rechtspersonen dan gemeenten bijdragen toekennen voor het treffen of ontwikkelen van voorzieningen als bedoeld in artikel 36 ten behoeve van personen voor wie deze voorzieningen zijn bestemd.

F Artikel 40, eerste lid, onderdeel g, komt te luiden: g. De kosten van de in artikel 36 bedoelde voorzieningen, voor zover deze kosten door het gemeentebestuur zijn betaald of vergoed, en tot ten hoogste het in artikel 40a, tweede lid, bedoelde bedrag.

G Na artikel 40 worden ingevoegd de artikelen 40a en 40b, luidende:

Artikel 40a

  • Onze Minister geeft jaarlijks vóór 1 oktober het bedrag aan, dat voor het daarop volgende jaar per bij het arbeidsbureau als werkzoekende ingeschreven werkloze beschikbaar wordt gesteld voor vergoeding van de in artikel 40, eerste lid, onderdeel g, bedoelde kosten. 2. De aan de gemeente op grond van artikel 40, eerste lid, onderdeel g, toe te kennen vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag, dat de uitkomst is van het telkenjare per werkloze vastgestelde bedrag, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal bij het arbeidsbureau als werkzoekende ingeschreven werklozen uit die gemeente. Daarbij wordt

uitgegaan van de stand van de werkloosheid op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de kosten betrekking hebben.

Artikel 40b

Telkenjare stelt het gemeentebestuur zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, doch uiterlijk op 1 juli, Onze Minister door tussenkomst van de rijksconsulent in kennis van de in het kader van artikel 36 getroffen voorzieningen, de daarmee samenhangende uitgaven en het aantal deelnemers.

H In artikel 41, eerste lid, wordt tussen de woorden «regelen» en «inzake» tussengevoegd: inzake de kennisgeving, bedoeld in artikel 40b, I In artikel 42, eerste lid, wordt ingevoegd een nieuw onderdeel c, luidende: c. hetzij zijn gedaan voor voorzieningen, die redelijkerwijze niet passen in het bij of krachtens artikel 36 aangegeven kader of niet in een redelijke verhouding staan tot het met die voorziening beoogde doel.

ARTIKEL II

  • Onze Minister stelt het bedrag vast, dat per bij het arbeidsbureau als werkzoekende ingeschreven werkloze voor de periode van de datum van inwerkingtreding van deze wet tot 1 januari 1989 beschikbaar wordt gesteld voor vergoeding van de in artikel 40, eerste lid, onderdeel g, bedoelde kosten. 2. Indien toepassing van artikel 40a van de Wet werkloosheidsvoorziening, zoals dat zal luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, in 1988 leidt tot een ten hoogste toe te kennen vergoeding die onvoldoende is om de kosten te bestrijden van door een gemeentebestuur georganiseerde activiteiten als bedoeld in artikel 36 van de Wet werkloosheidsvoorziening, waarvan de begroting door de rijksconsulent is goedgekeurd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt de ten hoogste toe te kennen vergoeding in 1988 verhoogd tot een bedrag, dat voldoende is om die kosten te bestrijden overeenkomstig hetgeen ter zake bij of krachtens de Wet werkloosheidsvoorziening vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet was bepaald. 3. Onze Minister stelt regelen, op grond waarvan aan bepaalde gemeenten gedurende een bij die regeling te stellen termijn ook na 1988 een hoger bedrag beschikbaar wordt gesteld dan voortvloeit uit de toepassing van artikel 40a van de Wet werkloosheidsvoorziening, zoals dat zal luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.