Brief van de staatssecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid - Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 10

Ter inzage gelegd op de bibliotheek.

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 20 mei 1992

De plenaire behandeling in de Tweede Kamer der Staten-Generaal van wetsvoorstel 22163 betreffende de jongerenuitkeringen in de bijstand is voor de week van 26 mei a.s. voorgenomen. Met het oog hierop zend ik u hierbij de tekst van het hiermee verband houdende besluit tot wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering met bijbehorende toelichting, zoals dat heden in het Staatsblad is geplaatst.1 Tevens doe ik u hierbij toekomen het advies van de Raad van State betreffende dit besluit en het Nader Rapport naar aanleiding van het advies.1

Van de gelegenheid maak ik gebruik u het rapport «Onderzoek naar de leefsituatie van schoolverlaters»' aan te bieden. Het onderzoek is naar aanleiding van het genoemde advies van de Raad van State in opdracht van mijn ministerie verricht door Research voor Beleid b.v. te Leiden. De resultaten ervan zijn betrokken bij de opstelling van het Nader rapport.

Het onderzoek

Ten behoeve van het onderzoek zijn twee onderzoekvragen geformuleerd: 1. Welke wijzigingen in de omstandigheden van personen die hun opleiding beëindigen doen zich voor en wat zijn hiervan de financiële gevolgen? 2. Over welke specifieke voorzieningen voor studerenden kunnen schoolverlaters in het eerste half jaar na beëindiging van de studie nog wel beschikken en over welke niet meer?

Om de eerste onderzoekvraag te beantwoorden is een steekproef samengesteld uit het bestand van WSF-verlaters van de Informatiseringsbank. De onderzoekpopulatie bestaat uit schoolverlaters van WO, HBO en MBO die op het moment van beëindiging van de WSF niet jonger dan 21 en niet ouder dan 27 waren.

21315 7FISSN0921737 ISdu Uitgeverij Plantijnstraat '

s Gravenhage 1992

Aan de schoolverlaters uit de steekproef is een schriftelijke anonieme vragenlijst toegestuurd. Ongeveer 3000 respondenten -zowel werkenden als bijstandsontvangers -hebben de vragenlijst teruggestuurd. Om de tweede onderzoekvraag te beantwoorden is een inventarisatie gemaakt van de voorzieningen die open staan voor studerenden. Daarbij is een onderscheid gemaakt naar opleidingstype.

Conclusies uit het onderzoek

Ten aanzien van de tweede onderzoekvraag over studentenvoorzieningen is de conclusie dat een aantal voorzieningen die voor studerenden open staan in de loop der tijd niet meer voor ex-studerenden toegankelijk zijn. Dit kan direct zijn (OV-kaart) maar ook aan het einde van een studie of kalenderjaar. Uit het onderzoek blijkt dat het belang van deze voorzieningen beperkt is. Vaak is het gebruik ervan tijdens de studie beperkt; bovendien hebben deze voorzieningen voor een groot deel betrekking op het studeren en niet op noodzakelijke bestaanskosten in de bijstand.

Voor een aantal andere voorzieningen geldt dat zij niet alleen voor studerenden open staan, maar voor jongeren in het algemeen.

Bij beëindiging van de studiefinanciering heeft ongeveer de helft van de schoolverlaters betaald werk. Een half jaar na het beëindigen van de studiefinanciering verricht driekwart betaalde arbeid. Circa 10 procent is op dat moment nog werkzoekend. Voor een zeer kleine groep, verandert er weinig; zij studeren nog steeds.

Veranderingen in de huisvestings-en huishoudenssituatie vinden in dezelfde mate plaats na afloop van de studie als in de periode daaraan voorafgaand. Het moment van beëindigen van de studiefinanciering is niet als een cesuur te kenmerken.

Tijdens de studiefinanciering kan een flinke spreiding in inkomen worden geconstateerd, maar ook in de periode daarna. Van alle onderscheiden categorieën schoolverlaters stijgt het inkomen na de studie. Dit geldt zowel voor degenen die een bijstandsuitkering zijn gaan ontvangen als voor de werkenden. Uiteraard is de inkomensstijging van de werkenden groter dan van de bijstandsontvangers.

Het patroon van maandelijkse uitgaven geeft het volgende beeld. In het onderzoek is van 24 uitgavenposten nagegaan of er zich veranderingen in bestedingen voordoen na de afloop van de studie.

Uitgavenposten die veelvuldig veranderen zijn openbaar vervoer, verzekeringen, kleding en schoeisel. Per uitgavenpost blijkt gemiddeld 80% van de bijstandsontvangers daaraan niet meer uit te geven dan toen men nog studeerde. Bij 75% van de bijstandsontvangers blijken de hogere uitgaven zich te beperken tot ten hoogste 5 uitgavenposten. De bijstandsontvangers nemen hierbij ten opzichte van de werkenden overigens geen wezenlijk andere positie in. De waargenomen veranderingen in bestedingspatronen kunnen niet worden verklaard uit een wijziging in de huisvestings-of huishoudenssituatie. Degenen die op de laatstgenoemde aspecten een verandering doormaken, laten uiteraard een veranderend bestedingspatroon zien. Maar ook degenen die geen verandering in de huisvestings-of huishoudenssituatie doormaken hebben in dezelfde mate een dergelijke verandering van bestedingspatroon. Dit bevestigt de gedachte dat door schoolverlaters nauwelijks vorm wordt gegeven aan een eigen leefwijze door differentiatie in bestedingen. Zowel de werkenden als de bijstandsontvangers blijken hun prioriteiten in bestedingen op dezelfde plaats te leggen, terwijl in geen van beide categorieën duidelijke verbanden met veranderingen in de leefomstandigheden kunnen worden waargenomen.

Waarneembare verschillen tussen werkenden en bijstandsontvangers doen zich wel vaker voor bij eenmalige uitgaven. De grotere inkomensstijging van de werkenden maakt het hen mogelijk vaker eenrnalige duurzame uitgaven te doen.

De algemene conclusie is dat verhoging van het inkomen -bijstand of arbeidsinkomsten -de belangrijkste factor vormt voor wijzigingen in het uitgavenpatroon.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.