Nota naar aanleiding van het eindverslag - Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 8

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG Ontvangen 9 december 1991

  • Algemeen

Met voldoening constateert het kabinet dat de aan het woord zijnde leden met de memorie van antwoord de meeste door hen gestelde vragen bevredigend beantwoord achtten. Het kabinet spreekt de verwachting uit dat met de beantwoording van de in het eindverslag gestelde vragen het wetsvoorstel op korte termijn mondeling kan worden behandeld. Bij de voorbereiding van deze maatregelen ten aanzien van de bijstandsuitkeringen voor jongeren is gebleken dat groot belang moet worden gehecht aan de gelijkebehandelingsaspecten die hierbij in het geding zijn. Tijdens het mondeling overleg van 28 februari jl. en in het voorlopig verslag is ook van de zijde van de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hiervoor nadrukkelijk aandacht gevraagd, met name met betrekking tot de gehuwden en ongehuwd samenwonenden. In dit verband hecht het kabinet eraan mee te delen dat de Raad van State inmiddels advies heeft uitgebracht over het met dit wetsvoorstel samenhangende ontwerp-besluit tot wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering. Blijkens dit advies acht de Raad de ten aanzien van de gehuwden en ongehuwd samenwonenden aangebrachte wijzigingen in overeenstemming met de eisen die daaraan vanuit de optiek van gelijke behandeling dienen te worden gesteld. Ten aanzien van de voorgestelde maatregelen voor degenen van 21 tot 27 jaar is de Raad van opvatting dat het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt dat zij gedurende een zekere periode in maatschappelijk opzicht op een lijn te stellen zijn met studerenden, nadere adstructie behoeft. Ook acht de Raad het noodzakelijk dat wordt ingegaan op het verschil dat met de maatregel voor degenen jonger dan 21 jaar ontstaat tussen de bijstand en de studiefinanciering. Het kabinet meent aan deze opmerkingen van de Raad van State tegemoet te kunnen komen. In de nota van toelichting op het besluit zal op deze aspecten worden ingegaan. Zodra het kabinet het nader rapport heeft uitgebracht, zal dit U, tezamen met het advies van de Raad van State, ter kennis worden gebracht.

11593 5FISSN0921 -7371 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1991

  • Uitkeringsregime voor schoolverlaters 21-27 jaar

De leden van de D66-fractie deelden niet geheel de opvatting van het kabinet dat de maatschappelijke positie van de schoolverlaters gedurende een zekere periode vergelijkbaar is met die van studerenden. Desalniettemin ondersteunden zij het voornemen om de bijstandsnormen voor schoolverlaters gedurende een halfjaar aan te passen aan het niveau van de studiefinanciering, aangezien er voor deze groep via de JWG de garantie wordt gegeven van een arbeids-of scholingsplaats en er bovendien sprake zal zijn van een ruimere vrijlatingsregeling van arbeidsinkomsten. Het verheugt het kabinet dat ook de leden van de fractie van D66 kunnen instemmen met dit voornemen. Er zij echter wel op gewezen dat de schoolverlatersmaatregel betrekking heeft op personen van 21 jaar of ouder. Deze groep wordt pas op termijn bij de sluitende aanpak betrokken.

  • Uitkeringsregime voor personen jonger dan 21 jaar

De leden van de PvdA-fractie vroegen nogmaals aandacht voor de voorgenomen behandeling van eenoudergezinnen. Zij begrepen de vergelijking die het kabinet maakte van eenoudergezinnen met alleenstaanden, maar vroegen zich toch af of de vergelijking van eenoudergezinnen onderling niet van doorslaggevender belang behoorde te zijn. Zij vroegen zich bovendien af hoe kan worden verantwoord dat voor de ene groep eenoudergezinnen de bijstandsnorm wordt gesteld op 90 procent van het sociaal minimum, terwijl voor de andere groep de relevante alleenstaandennorm van f 671 geldt. De vergelijking die de leden van de PvdA-fractie maken tussen de voorgestelde schoolverlatersnorm voor alleenstaande ouders en de algemeen gebruikelijke alleenstaandeoudernorm in de bijstand, berust kennelijk op een misverstand. In de voorstellen van het kabinet wordt de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder die als schoolverlater wordt aangemerkt, gesteld op de alleenstaandennorm die in de betreffende situatie zou gelden, verhoogd met f 671. Dit bedrag betreft dus een verhoging van de alleenstaandennorm en niet de alleenstaandeoudernorm zelf Deze verhoging is afgeleid van de systematiek van de studiefinanciering. Daar geldt een alleenstaandeoudertoeslag ter hoogte van 80 procent van het budget voor levensonderhoud voor een alleenstaande (zonder aftrek in verband met de OV-kaart). Volgens deze systematiek komt voor een alleenstaande ouder die thuiswoont de schoolverlatersnorm uit op f 1138 en voor een uitwonende alleenstaande ouder op f1510 (bedragen per maand, overeenkomstig de tabellen in de memorie en de nota van toelichting gerekend op 1 januari 1991, inclusief aanspraak op vakantietoeslag). Voor de niet-schoolverlaters onder hen bedragen de bijstandsnormen f 1387 (de 90-procentsnorm verminderd met de woningdelersaftrek) respectievelijk f 1560. Het kabinet acht dit, vanuit de uitgangspunten van de Algemene Bijstandswet, een verantwoorde uitkomst van de noodzaak om voor de verschillende groepen schoolverlaters onderling tot een gelijke behandeling te komen. Voor de alleenstaanden jonger dan 21 jaar wordt voorgesteld om de normen te harmoniseren op de niveaus die voor de schoolverlaters vanaf 21 jaar gelden. Een consistente uitkeringssystematiek -die daardoor ook voldoet aan het criterium van gelijke behandeling van de verschillende groepen bijstandsontvangers jonger dan 21 jaar -brengt met zich dat voor de alleenstaande ouders in deze leeftijdscategorie de normen eveneens gelijk zijn aan die voor de schoolverlaters.

De leden van de fractie van D66 hadden met teleurstelling kennisgenomen van het voornemen tot beperking van het recht op de uitwonendennorm. In dit verband stelden zij de vraag welke objectieve rechtvaardigingsgrond er bestaat om echtparen en ongehuwd samenwonenden met kinderen wel het recht op de uitwonendennorm te geven, terwijl een alleenstaande jonger dan 21 jaar de financiële middelen daartoe zelf zal moeten opbrengen.

De ten aanzien van degenen jonger dan 21 jaar voorgestelde maatregel houdt in dat een uitwonendennorm slechts wordt toegekend als het voor de betrokkenen niet mogelijk is om bij de ouders te wonen of als het onbillijk zou zijn hen het zelfstandig wonen financieel niet mogelijk te maken. Het kabinet is van oordeel dat de aanwezigheid van een of meer kinderen een objectieve grond vormt om geen nadere voorwaarden te stellen aan de toekenning van de uitwonendennorm. De wens van de ouders om hun kinderen naar hun eigen inzichten en overtuigingen op te voeden is algemeen geaccepteerd. Een eigen woonomgeving wordt daarvoor tegenwoordig doorgaans als noodzakelijk gezien en de daaraan verbonden kosten dienen dan ook als noodzakelijke bestaanskosten in de zin van de Algemene Bijstandswet te worden aangemerkt. Naar de opvatting van het kabinet is die een afdoende rechtvaardiging voor het toekennen van een uitwonendennorm aan alleenstaande ouders en aan echtparen met een of meer kinderen. De door deze leden geuite twijfel of deze uitzonderingspositie geen problemen zal opleveren met het beginsel van gelijke behandeüng, wordt derhalve door het kabinet niet gedeeld.

  • Het ontwerp-Besluit tot wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln)

De leden van de CDA-fractie bleven van mening dat het verstandig en consistent zou zijn om in de voorgestelde bepaling van het Bijstandsbesluit landelijke normering met betrekking tot het recht op de uitwonendennorm expliciet de individualiseringsbevoegdheid van burgemeester en wethouders op te nemen om in bijzondere gevallen na indicatiestelling van de algemene regel af te wijken.

Het kabinet verschilt met deze leden niet van mening over de wenselijkheid om in de bedoelde gevallen te kunnen afwijken van de algemene regel dat slechts een thuisinwonendennorm wordt toegekend. Zoals in de memorie van antwoord is verwoord, is het kabinet er echter geen voorstander van om deze uitzonderingsmogelijkheid in de regelgeving zelf op te nemen. Daarmee zou immers de indruk kunnen worden gewekt dat bij bepalingen waarin een dergelijke bevoegdheid niet expliciet is opgenomen, er voor de gemeenten geen bevoegdheid zou bestaan om in voorkomende gevallen van de algemene regel af te wijken. Ook bij de onderhavige bepaling zelf zou zo'n geëxpliciteerde uitzonderingsmogelijkheid het gevaar in zich dragen dat de gemeenten menen geen bevoegdheid tot individualisering te hebben in nu nog niet voorziene bijzondere situaties waarin het onverantwoord zou zijn om een thuisinwonendennorm te verstrekken, hoewel de betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden voor de uitwonendennorm. Hiermee zou naar de opvatting van het kabinet afbreuk worden gedaan aan de algemene individualiseringsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 1, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet.

De leden van de PvdA-fractie vroegen om een vergeüjking van de netto maandinkomens inclusief de maximale vrjlating van schoolverlaters en niet-schoolverlaters in de bijstand met die van studerenden. Daarbij vroegen zij aandacht voor de situatie waarbij een student een forse bijverdienste heeft, maar die na beëindiging van de studie grotendeels teniet gedaan ziet worden vanwege de korting op de bijstandsuitkering.

Het door deze leden gewenste overzicht wordt in onderstaande tabel gegeven Om redenen van overzichtelijkheid is een beperking aangebracht tot alleenstaanden. Voor studerenden is er hierbij van uitgegaan dat de betrokkene de beschikking heeft over het maximale budget voor levensonderhoud. Omwille van de vergelijkbaarheid met de in de memorie van toelichting opgenomen overzichten is uitgegaan van de bedragen zoals deze op 1 januari jl. zouden hebben gegolden. Het budget voor levensonderhoud is exclusief de compensatie voor retributies en verzekeringen en gecorrigeerd voor de korting vanwege de OV-kaart. Alle bedragen zijn per maand, afgerond op hele guldens en -voor zover van toepassing -met inbegrip van de aanspraak op vakantietoeslag. Totaal inkomen van schoolverlaters in de bijstand en van studerenden in de studiefinanciering bij verschillende niveaus van inkomsten uit arbeid.

inkomsten uit

bijstand

studiefinanciering arbeid

thuiswonend

uitwonend

thuiswonend

uitwonend

467

839

445

800335

551

923

780

21501-70

670

1007

1115

1470

Voor de student met zeer ruime bijverdiensten is inderdaad sprake van een daling van het totale inkomen -arbeidsinkomen en studiefinanciering respectievelijk bijstand -als deze bij beëindiging van de studie bijstandsafhankelijk wordt. Voor de beoordeling hiervan is van belang dat de bijverdiensten tijdens de studieperiode tot functie kunnen hebben de opbouw van een studieschuld te beperken In de bijstand kan een dergelijke overweging geen rol spelen, aangezien deze geheel om niet wordt verstrekt. De bijstand neemt ook in die zin een andere positie in dan de studiefinanciering, dat de bijstand gebaseerd is op het uitgangspunt dat de betrokkene primair zelf verantwoordelijk is voor de bestaansvoorziening. Daaruit volgt dat in het beginsel het volledige inkomen in aanmerking wordt genomen om te bezien in welke mate de betrokkene een aanvulling behoeft om in de noodzakelijke bestaanskosten te kunnen voorzien. De studiefinanciering heeft het karakter van een financiële tegemoetkoming om het studeren mogelijk te maken. Dat laat een andere benadering van de eigen inkomsten toe. De vrijlating van arbeidsinkomsten is in de bijstand op grond hiervan al tot een zeker maximum gebonden, wil deze in overeenstemming kunnen blijven met het sociaal-minimumkarakter. Daarnaast is uiteraard ook het door de leden van de PvdA-fractie genoemde aspect van belang. Een te ruime vrijlatingsregeling kan tot gevolg hebben dat de bijstand plus de vrijgelaten inkomsten op een zodanig hoog niveau komen te liggen dat het voor de betrokkene financieel onvoldoende aantrekkelijk is om een volledige werkkring te aanvaarden, zelfs als de inkomsten daaruit ver boven het minimumniveau zou liggen. Het kabinet meent dat met de voorgestelde regeling een verantwoord evenwicht is bereikt tussen enerzijds de wens om voor de schoolverlaters een ruimere inkomensvrijlating te laten gelden en anderzijds de laatstgenoemde beperkingen die daarbij in acht moeten worden genomen wil het totale uitkeringsregime voor schoolverlaters in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de Algemene Bijstandswet en met de algemeen geldende uitkeringsstructuur.

  • Invoering en samenhang met Jeugdwerkgarantiewet

De leden van de D66-fractie constateerden dat het kabinet de voorgestelde uitkeringsmaatregelen voor de personen van 21 tot 27 jaar niet gefaseerd wenst in te voeren in samenhang met de Jeugdwerkgarantiewet. De door het kabinet aangevoerde rechtvaardigingsgrond als zou de maatschappelijke positie van 21-tot 27-jarige schoolverlaters gezien moet worden als behorende bij de studiefase van de betrokkenen, sprak deze leden onvoldoende aan. De leden verzochten met enige klem om alsnog een gefaseerde invoering te overwegen.

Het kabinet ziet geen aanleiding om de invoering van de voorgestelde maatregel voor degenen vanaf 21 jaar parallel aan de uitbreiding van de personenkring van de JWG te laten verlopen. Ten aanzien van deze groep houden de voorgestelde maatregelen slechts in dat het niveau van de bijstand gedurende een zekere periode op een lager niveau wordt vastgesteld dan momenteel het geval is. De bijstand blijft de betrokkenen echter onverkort de huidige financiële zelfstandigheid bieden. De maatregelen voor degenen jonger dan 21 jaar, waarbij wel een koppeling is aangebracht met de JWG, zijn echter wezenlijk anders van karakter. Bij hen is sprake van een beperking van de financiële zelfstandigheid die door de bijstand wordt geboden. De gewenste zelfstandigheid dienen zij door arbeid te verwerven. De JWG biedt hen daartoe de mogelijkheid. Ten aanzien van degenen vanaf 21 jaar is er geen sprake van een dergelijke samenhang tussen de JWG en de bijstand.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.