Eindverslag - Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 7

EINDVERSLAG Vastgesteld 6 november 1991

Na kennisneming van de memorie van antwoord zijn in de vaste Commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid nog enkele opmerkingen gemaakt en vragen gesteld. Indien de regering deze tijdig zal hebben beantwoord, acht de vaste Commissie de openbare beraadslaging genoegzaam voorbereid.

  • ALGEMEEN

1 Samenstelling: Leden: Spieker (PvdA), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Van Houwelingen (CDA), Schutte (GPV), Groenman (D66), Wolters (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Linschoten (VVD), Kamp (VVD), Leijnse (PvdA), Brouwer (Groen Links), Janmaat (Centrumdemocraten), Doelman-Pel (CDA), voorzitter, G.H. Terpstra (CDA), De Leeuw (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), Schoots (PvdA), Beijlen-Geerts (PvdA), Schimmel (D66), Huibers (CDA), Middel (PvdA) Plv.leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Quint-Maagdenberg (PvdA), Reitsma (CDA), Van der Vlies (SGP), Versnel-Schmitz (D66), Paulis (CDA), Franssen (VVD), Dijkstal (VVD), De Korte (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Rosenmöller (Groen Links), Willems (Groen Links), G. de Jong (CDA), Tuinstra (CDA), Bijleveld-Schouten (CDA), De Kok (CDA), Van Zijl (PvdA), Melkert (PvdA), Leerling (RPF), Kohnstamm (D66), Vreugdenhil (CDA), Van Gelder (PvdA).

De leden van de CDA-fractie konden zich vinden in de antwoorden van de regering. Wat deze leden betreft resteerde er nog één punt waar naar hun opvatting het antwoord van de regering onvoldoende helder is. De leden van de fracties van PvdA en D66 dankten de regering voor de beantwoording en wilden nog enkele nadere vragen stellen en opmerkingen maken.

  • UITKERINGSREGIME VOOR SCHOOLVERLATERS VAN 21-27 JAAR De leden van de D66-fractie konden de argumentatie van de regering om de maatschappelijke positie van schoolverlaters gedurende zekere tijd nog te vergelijken met die van studerenden, niet geheel onderschrijven. De positie van een werkloze vroegtijdige schoolverlater zal bijvoorbeeld heel anders kunnen zijn dan die van een afgestudeerde student. Desalniettemin ondersteunden de hier aan het woord zijnde leden het regeringsvoornemen om de bijstandsnormen voor schoolverlaters gedurende een half jaar aan te passen aan het niveau van de studiefinanciering, aangezien er voor bedoelde groep schoolverlaters via de JWG-wet de garantie wordt gegeven op een arbeids-en/of scholingsplaats en er bovendien sprake zal zijn van een ruimere vrijlatingsregeling van arbeidsinkomsten. «lonen». Maar zij achtten het hierboven gegeven voorbeeld niet geheel denkbeeldig en verzochten de regering daarop in te gaan.

11540 3FISSN0921737 ISdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1991

  • UITKERINGSREGIME VOOR PERSONEN JONGER DAN 21 JAAR De leden van de PvdA-fractie vroegen nogmaals aandacht voor de gelijke behandeling van de hoofden van één-oudergezinnen. Zij begrepen de vergelijking die de regering maakte van alleenstaande één-oudergezinnen met alleenstaanden, maar zij vroegen zich toch af of niet de vergelijking van alleenstaande één-oudergezinnen onderling van doorslaggevender belang behoorde te zijn. Zij vroegen zich af hoe in het kader van de gelijke behandeling verantwoord kan worden dat voor de ene groep één-oudergezinnen bijvoorbeeld de bijstandsnorm wordt bepaald op 90% van het sociaal minimum, terwijl voor de andere groep de relevante alleenstaandennorm van f 671 geldt.

De leden van de fractie van D66 hadden met teleurstelling kennisgenomen van de voornemens van de regering om het recht op de uitwonendennorm voor schoolverlaters jonger dan 21 jaar te beperken. Ook de geraadpleegde adviesorganen wijzen dit aspect in meerderheid af. Kan de regering aangeven welke objectieve rechtvaardigingsgrond er bestaat om echtparen/ongehuwd samenwonenden met kinderen wèl het recht op een uitwonendennorm te geven? Vormt het hebben van kinderen wèl rechtvaardiging voor de wens om een zelfstandige huishouding te voeren waardoor recht op de uitwonendennorm ontstaat? Op welke wijze moeten alleenstaande schoolverlaters jonger dan 21 jaar hun wens om een zelfstandige huishouding te voeren dan rechtvaardigen om recht te krijgen op de uitwonendennorm? Kan de regering nader beargumenteren waarom er zich hier geen problemen zullen gaan voordoen met betrekking tot de gelijke behandelingsproblematiek? Het is toch juist dat een alleenstaande onder de 21 jaar zelf de financiële middelen zal moeten opbrengen wil betrokkene zelfstandig (blijven) wonen terwijl een echtpaar met een kind daarvoor de uitwonendennorm zal ontvangen?

  • HET OIMTWERP-BESLUITTOT WIJZIGING VAN HET BIJSTAIMDSBESLUIT LANDELIJKE NORMERING (BLN)

De leden van de CDA-fractie bleven van mening dat het verstandig en consistent zou zijn, gegeven de discussie die daarover is gevoerd, het volgende in het ontwerp-besluit op te nemen: de formulering in onderdeel E, artikel 5, lid 3, betreffende toepassing van de uitwonendennorm voor 18-tot en met 20-jarigen, van de individualiseringsbevoegdheden van Burgemeester en Wethouders om na indicatiestelling van de algemene regel af te wijken in bijzondere gevallen. Zij vroegen de regering te overwegen om het voorgaande alsnog in het betreffende artikel op te nemen.

De leden van de PvdA-fractie vroegen de regering een vergelijking te maken van de nettomaandinkomens inclusief maximale vrijlating van (niet-) schoolverlaters met die van studerenden. Deze leden konden zich situaties indenken waarbij een student een forse bijverdienste heeft (tot maximaal gemiddeld 670 gulden netto op maandbasis) maar die na beëindiging van de studie grotendeels teniet ziet gedaan vanwege de korting op de uitkering. Indien de maatschappelijke situatie van een jongere in het eerste half jaar van werkloosheid gelijk moet worden geacht als die tijdens de studie, zoals de regering stelt, dan zou een gelijke of gelijkwaardige behandeling wat betreft de vrijlating niet onlogisch zijn. Deze leden stelden tegelijkertijd dat een gecombineerd inkomen uit uitkering en arbeid niet tot ongewenste gedragseffecten zou moeten leiden, in die zin dat economische zelfstandigheid niet meer zou «lonen». Maar zij achtten het hierboven gegeven voorbeeld niet geheel denkbeeldig en verzochten de regering daarop in te gaan.

  • INVOERING EN SAMENHANG MET DE JEUGDWERKGARAN-TIEWET De leden van de fractie van D66 hadden reeds in het voorlopig verslag aangegeven dat zij dit wetsvoorstel in nauwe relatie met de «sluitende aanpak», zoals neergelegd in de Jeugdwerkgarantiewet, wilden beoordelen. De regering legt in de memorie van antwoord een uitdrukkelijke relatie tussen het feit dat de overheid de plicht op zich heeft genomen om arbeid aan te bieden en de wijziging van de uitkeringsniveaus voor jongeren tot 27 jaar. In de memorie van toelichting wordt bovendien aangegeven dat de sluitende aanpak van een aanbod van werkervarings-en scholingsplaatsen aanvankelijk geldt voor alle werkloze jongeren tot 18 jaar en voor alle schoolverlaters tot 21 jaar. Het invoeren van inkomensmaatregelen voor de gehele groep schoolverlaters van 18 tot 27 jaar, zoals de regering nu voorstelt, verhoudt zich niet tot het feit dat een sluitende aanpak uiteindelijk pas rond 1998 verwezenlijkt zal zijn. De leden van de fractie van D66 constateerden dat de regering de voorgestelde uitkeringsmaatregelen voor 21 tot 27-jarigen niet gefaseerd wenst in te voeren. Daarmee doorbreekt de regering naar de opvatting van de hier aan het woord zijnde leden de gelegde relatie met de Jeugdwerkgarantiewet en de daarin neergelegde werk/scholingsgarantie. De door de regering aangevoerde rechtvaardigingsgrond als zou de maatschappelijke positie van 21-tot 27-jarige schoolverlaters gezien moeten worden als behorende bij de studiefase van betrokkenen, sprak de hier aan het woord zijnde leden onvoldoende aan. De door de regering genoemde rechtvaardigingsgrond beschouwden zij als een onvoldoende rechtvaardigingsgrond om óók voor de genoemde groep schoolverlaters reeds bij de inwerkingtreding van deze wet uit te gaan van het nieuwe uitkeringsregime. De hier aan het woord zijnde leden verzochten de regering met enige klem alsnog een gefaseerde invoering te overwegen.

De voorzitter van de Commissie, Poelman-Pel De griffier van de Commissie, Van Dijk

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.