Memorie van antwoord - Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 6

MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 26 september 1991

  • Algemeen

Alvorens in te gaan op de gestelde vragen, wil het kabinet zijn erkentelijkheid uitspreken voor de korte termijn waarop de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid het voorlopig verslag heeft willen vaststellen. Door verschillende oorzaken zijn belangrijke vertragingen opgetreden in de realisatie van de onderhavige, uit het regeerakkoord voortvloeiende voorstellen om de bijstandsuitkeringen voor jongeren aan te passen. Bij een spoedige parlementaire behandeling is het mogelijk deze wijzigingen op 1 april 1992 hun beslag te laten krijgen. Het is geen goede zaak als lange tijd onzekerheid blijft bestaan omtrent voorgenomen beleidsmaatregelen. Het is ook van belang om het besparingsverlies ten gevolge van deze vertragingen zoveel mogelijk te beperken.

Het kabinet stelt het op prijs de reeds bij eerdere gelegenheden gebleken instemming van het merendeel van de fracties met de uitgangspunten en hoofdlijnen van de voorgestelde maatregelen wederom te kunnen constateren. De leden van de D66-fractie zien in de voorstellen vooralsnog reden tot enige terughoudendheid, terwijl de leden van de fractie van Groen Links hun reeds eerder naar voren gebrachte ongenoegen met de maatregelen in herinnering roepen.

Door de leden van de meeste fracties worden de voorstellen nadrukkelijk mede in het kader geplaatst van de Jeugdwerkgarantiewet (JWG). Met name voor de groep werkloze schoolverlaters jonger dan 21 jaar acht het kabinet het niet onredelijk dat deze koppeling wordt aangebracht. Beide maatregelen -de Jeugdwerkgarantiewet en de onderhavige voorstellen tot aanpassing van de bijstandsuitkeringen -hebben immers tot doel de economische zelfstandigheid van jongeren te bevorderen: de Jeugdwerkgarantiewet door de betrokken jongeren, voor zover nodig, uitzicht te bieden op werk en de bijstandsmaatregelen door te benadrukken dat financiële zelfstandigheid niet door middel van uitkeringsafhankelijkheid kan worden bereikt, maar door deelname aan de betaalde arbeid moet worden gerealiseerd. In paragraaf 5 zal nader worden ingegaan op de relatie tussen de voorstellen tot aanpassing van de bijstandsuitkeringen voor jongeren en de inwerkingtreding van de Jeugdwerkgarantiewet. De leden van de Groen-Linksfractie achten de onderhavige voorstellen -met name het voorstel om nadere voorwaarden te verbinden aan toekenning van de uitwonendennorm voor degenen jonger dan 21 jaar -niet in overeenstemming met het streven naar economische zelfstandigheid. In paragraaf 3, onder a, wordt hierop nader ingegaan.

De leden van de fractie van Groen Links beoordelen de voorgestelde wijzigingen tevens als complicerend. Naar hun oordeel zullen zij de uitvoerbaarheid en herkenbaarheid van de bijstand sterk aantasten. De leden van de GPV-fractie achten de voorstellen voor het merendeel evenwichtig en goed onderbouwd, maar dit had naar hun oordeel geleid tot een weinig inzichtelijke tekst van de memorie van toelichting. Met de voorgestelde aanpassingen in de uitkeringsstructuur worden in de bijstand op zich geen nieuwe categorieën onderscheiden. De beperking van het recht op de uitwonendennorm heeft betrekking op een categorie die momenteel ook reeds wordt onderscheiden. Voor degenen jonger dan 21 jaar geldt namelijk nu al op onderdelen een afwijkend uitkeringsregime in de bijstand. Bij hen wordt een onderscheid aangebracht tussen thuisinwonenden en uitwonenden dat bij andere leeftijdsgroepen niet wordt gehanteerd; ook geldt voor de werkloze schoolverlaters onder hen een wachttijd van een half jaar alvorens recht op bijstand ontstaat. De invoering van een schoolverlatersnorm voor degenen van 21 tot 27 jaar en het daarbij gemaakte onderscheid tussen thuis-en uitwonenden betekent derhalve evenmin dat een tot op heden in de bijstand onbekend onderscheid wordt ingevoerd. De leden van de GPV-fractie achten de in de memorie van toelichting op een aantal plaatsen gemaakte vergelijkingen tussen verschillende categorieën niet bevorderlijk voor de inzichtelijkheid van de tekst. Het kabinet erkent dat op deze punten de memorie van toelichting niet zeer toegankelijk is. Zoals verder in deze memorie van antwoord wordt aangegeven, lag hieraan de noodzaak ten grondslag om de voorgestelde maatregelen te toetsen aan de eis van gelijke behandeling van relevante groepen uitkeringsgerechtigden. Daartoe worden de voorgestelde uitkeringsmaatregelen telkenmale beoordeeld op de consequenties die deze zouden moeten hebben voor andere, op bepaalde punten vergelijkbare categorieën. Het aantal categorieën dat hierbij aan de orde komt is inderdaad groot. In de uiteindelijk voorgestelde regeling is het aantal onderscheiden categorieën echter beperkt. Door de voorgestelde harmonisatie van de bijstandsnormen voor degenen jonger dan 21 jaar ontstaat er een op hoofdlijnen gelijkluidend uitkeringsregime voor zowel degenen jonger dan 21 jaar als voor de schoolverlaters van 21 tot 27 jaar. Daarmee is de uiteindelijk voorgestelde uitkeringsstructuur aanmerkelijk eenvoudiger dan op grond van de memorie van toelichting -waarin de schoolverlaters van 21 tot 27 jaar en degenen jonger dan 21 jaar apart aan de orde worden gesteld -zou worden verondersteld. Tegenover het hanteren van extra criteria voor toekenning van de uitwonendennorm staat dat voor degenen die daarvoor niet in aanmerking komen, de feitelijke woonsituatie niet meer van belang is. Het kabinet is van oordeel dat de voorgestelde maatregelen per saldo niet leiden tot een verzwaring van de uitvoering.

  • Uitkeringsregime voor schoolverlaters 21-27 jaar
  • Algemeen

De PvdA-fractieleden zijn verheugd te constateren dat er sprake is van een dalende trend in de jeugdwerkloosheid en dat momenteel ruim 90 procent van de schoolverlaters binnen het jaar niet meer werkloos is. Zij verzoeken om een prognose voor de komende jaren. Het aantal schoolverlaters zal de komende jaren dalen. In 1990 waren er ongeveer 24000 0 schoolverlaters (volledig dagonderwijs, 15-64); in 1996 zal het aantal zijn afgenomen tot ongeveer 22800 0. Het is echter niet mogelijk een prognose te geven van de mate waarin schoolverlaters binnen het jaar werk zullen vinden. In de eerste plaats hangt dit af van de mate waarin vraag en aanbod in de komende jaren op elkaar aansluiten. Hierover kunnen op dit moment nog geen uitspraken worden gedaan. In de tweede plaats ontbreken realisatiegegevens over de werkloosheid onder schoolverlaters. Het CBS zal wellicht volgend jaar deze gegevens wel beschikbaar kunnen stellen. In de derde plaats worden door het CPB alleen ramingen gemaakt van de totale werkloosheid. Er worden geen ramingen van deelcategorieën (zoals bijvoorbeeld de jeugdigen) gemaakt. Het bovenstaande maakt het onmogelijk om concrete uitspraken te doen over de mate waarin schoolverlaters werk zullen kunnen vinden. Desalniettemin bestaat de indruk dat de dalende tendens van de jeugdwerkloosheid zich in de eerstkomende jaren zal voortzetten.

De leden van de D66-fractie geven blijk van hun twijfel over de noodzaak om voor de groep schoolverlaters van 21 tot 27 jaar het uitkeringsniveau te verlagen teneinde hen te stimuleren tot een actief zoekgedrag op de arbeidsmarkt. In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt als motivering voor de aanpassing van de uitkeringsniveaus voor de schoolverlaters van 21 tot 27 jaar de wenselijkheid van aansluiting met de daaraan voorafgaande niveaus van de Wet op de studiefinanciering gegeven. De verlaging van de uitkeringen voor schoolverlaters in deze leeftijdscategorie wordt derhalve niet gemotiveerd vanuit een overweging van stimulering van actief arbeidsmarktgedrag. Deze leden vragen zich eveneens af wat nu precies het verschi! in uitkeringsniveau tussen een werkloze schoolverlater van 26 jaar en een werkloze niet-schoolverlater van dezelfde leeftijd rechtvaardigt. De rechtvaardiging voor dit verschil tussen schoolverlaters en andere werklozen van 21 tot 27 jaar acht het kabinet gelegen in de specifieke maatschappelijke positie van de schoolverlaters tegenover die van niet-schoolverlaters onder hen. Inherent aan het volgen van scholing of opleiding is immers dat na afloop daarvan over het algemeen een zekere periode gemoeid is met het vinden van werk. Maatschappelijk wordt deze tijd gezien als behorende bij de studiefase van de betrokkene en wordt van de betrokkene ook een bestedingsniveau van studerenden geaccepteerd. Het is in de opvatting van het kabinet gerechtvaardigd om in de bijstand hierop aan te sluiten. Na verloop van een zekere tijd wordt de betrokkene niet zozeer meer als ex-studerende beschouwd, maar veeleer als werkloze en worden aan hem ook andere eisen qua levensniveau gesteld. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van het kabinet dat na verloop van zo'n overgangsperiode een hogere bijstandsuitkering wordt toegekend die gelijk is aan het niveau dat ook voor andere werklozen geldt. De leden van de SGP-fractie vinden de argumentatie van het kabinet minder overtuigend om ook voor de schoolverlaters tussen de 21 en 27

jaar, zolang zij niet onder het JWG-bereik vallen, het uitkeringsniveau aan te passen. Bovendien hebben, naar het oordeel van deze leden, afgestudeerden een andere maatschappelijke status dan studenten. Het kabinet is van oordeel dat de verandering van de maatschappelijke positie van studerenden niet abrupt plaats vindt op het moment van beëindiging van de studie, maar dat er sprake is van een overgangsperiode gedurende welke de afgestudeerde maatschappelijk nog gelijk te stellen is aan een studerende. Over de relatie tussen de aanpassing van de uitkeringsniveaus voor schoolverlaters in deze leeftijdscategorie en de werkingssfeer van de JWG wordt hierna in paragraaf 5 ingegaan.

De leden van de GPV-fractie stellen de vraag welke rechtvaardiging er is voor de stijging van de bijstandsnorm met ongeveer f 600 als voor de schoolverlater van 21 jaar of ouder de periode van een half jaar verstreken is. Deze leden, alsmede het lid van de RPF-fractie, vragen bovendien om welke reden de periode gedurende welke men als schoolverlater wordt aangemerkt, op een half jaar is gesteld. De door het vorige kabinet voorgestelde aanpassingen van de jongerenuitkeringen in de bijstand waren gebaseerd op het uitgangspunt dat slechts op grond van arbeidsverleden een hogere uitkering kon worden verkregen. Het wetsvoorstel voor invoering van een Wet inkomensvoorziening jongere werkloze werknemers voorzag in een dergelijke hogere uitkering gedurende een periode van ten hoogste twee jaar. Voor degenen met geen of een onvoldoende arbeidsverleden zouden de bijstandsuitkeringen worden afgestemd op het niveau van de studiefinanciering. Door het huidige kabinet zijn deze voorstellen niet overgenomen. De aanpassing van de bijstandsuitkeringen aan het niveau van de studiefinanciering geldt in de huidige voorstellen slechts voor een periode van een half jaar na beëindiging van de scholing of opleiding. De motivering van de onderhavige voorstellen is derhalve niet dat de betrokkenen nog een onvoldoende arbeidsverleden hebben om aanspraak te kunnen maken op de algemeen gebruikelijke bijstandsnormen, maar dat de positie van de betrokkenen nog gedurende een zekere periode vergelijkbaar is met die van studerenden. Het merendeel -tweederde -van de schoolverlaters vindt binnen een half jaar een baan. Als de betrokkene na deze periode nog geen werk heeft gevonden, is dat naar de opvatting van het kabinet dan ook niet meer te beschouwen als een gebruikelijke zoektijd, maar als werkloosheid die zich niet wezenlijk onderscheidt van die van niet schoolverlaters. Het is dan immers nog slechts een minderheid die geen werk gevonden heeft. Met deze periode van een half jaar wordt bovendien ook aansluiting gevonden met de wachttijd die geldt voor schoolverlaters jonger dan 21 jaar alvorens recht op bijstand ontstaat. Ook de JWG gaat uit van een zoektijd van een half jaar. De positie van de werkloze schoolverlater moet na dit halve jaar dan ook niet meer worden vergeleken met die van studerenden, maar met die van werklozen. Gegeven de uitgangspunten die aan het voorstel ten grondslag liggen, dient de betrokkene vanaf dat moment ook de volledige bijstandsnorm te worden toegekend. Er is geen reden om te veronderstellen dat de stijging van de bijstandsuitkering die gaat gelden na verloop van de periode dat men als schoolverlater wordt aangemerkt, zal leiden tot een minder actieve opstelling op de arbeidsmarkt. Dat zou alleen het geval zijn als het inkomen dat men kan gaan verwerven slechts weinig boven het bijstandsniveau ligt dat na een half jaar van toepassing is. De inkomsten die de betreffende groep over het algemeen kan verwerven, liggen echter aanzienlijk boven dit niveau, zodat van een dergelijk ontmoedigend effect geen sprake is. De stijging van de bijstandsuitkering die na een half jaar optreedt.

bedraagt overigens voor het merendeel van de betrokkenen ten hoogste ongeveer f 400 per maand. De door de aan het woord zijnde leden genoemde stijging van f 600 breedt alleen op bij thuisinwonende schoolverlaters van 23 jaar of ouder. In deze leeftijdscategorie is men echter over het algemeen uitwonend.

De leden van de GPV-fractie gaan in op het verschil tussen het normbudget voor levensonderhoud op grond van de WSF en het netto minimumniveau. Zij stellen daarbij de vraag of dit verschil niet mhoudt dat of het normbudget van de WSF te laag is of het netto minimumniveau te hoog. De WSF heeft tot doel te voorzien in de noodzakelijke kosten die zijn verbonden aan het volgen van een studie. Het budget voor levensonderhoud strekt daarbij niet verder dan de voorziening in de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud van een studerende. De bijstand heeft daarentegen tot doel een algemeen geldend bestaansminimum te garanderen Dat is een inkomensniveau dat in vergelijking met andere inkomens als een welvaartsminimum moet worden aangemerkt en heeft een ruimere inhoud dan uitsluitend de kosten van levensonderhoud. Gelet op de andere functie en de andere inhoud van de onderscheiden regelingen kan derhalve in zijn algemeenheid niet worden gesproken van een te laag niveau van de WSF of een te hoog niveau van de bijstand.

De leden van de GPV-fractie missen een goede rechtvaardiging voor het verschil in vrijlatingsregelingen in verband met inkomsten zoals deze gelden in de WSF en de ABW. De vrijlatingsregeling in de WSF is ruimer dan die in de ABW. Het verschil is te verklaren vanuit de aard en strekking van beide regelingen. De WSF beoogt een inkomensvoorziening te bieden om de betrokkenen in staat te stellen een studie te volgen. De betrokkene is daarbij vrij de studie te combineren met werk. Aan de bijstand wordt daarentegen de voorwaarde verbonden dat de betrokkene naar vermogen dient te trachten om zelf in het bestaan te voorzien. In dit kader moeten ook de vrijlatingsregelingen worden bezien. In de WSF creëert de vrijlatingsregeling de mogelijkheid om minderte hoeven lenen zodat de uiteindelijke studieschuld lager wordt. In de bijstand, die immers om niet wordt gegeven, kan dit niet aan de orde zijn. De vhjlatingsbepalingen in de bijstand beogen daarentegen de deelname aan de arbeidsmarkt te stimuleren, zonder afbreuk te doen aan het minimumbehoeftekarakter van de ABW. Uit dit laatste volgt reeds dat de vnjlating duidelijk beperkt van karakter moet zijn. Tevens dient in zijn algemeenheid te worden voorkomen dat van de vrijlating een ontmoedigende werking uitgaat om door arbeid een toereikend inkomen te verwerven omdat op dat moment de vrijlatingsfaciliteit van de bijstand wegvalt. Bij de schoolverlaters moet er bovendien rekening mee worden gehouden dat, ingeval de betrokkene bijstandsafhankelijk blijft, na een half jaar het algemene uitkeringsregime van toepassing is. Een ruimere vrijlatingsregeling voor schoolverlaters dan nu voorgesteld, zou ertoe kunnen leiden dat het totale inkomen van de betrokkene na een half jaar zou dalen als gevolg van de beperktere vrijlatingsregeling die op dat moment van toepassing wordt.

  • Alleenstaanden

De leden van de D66-fractie vragen zich af waarom het bedrag van de noodzakelijke bestaanskosten voor alleenstaande schoolverlaters is verlaagd tot f 839,28 per maand. Deze norm is 50 procent van de norm die twee samenwonende of gehuwde schoolverlaters ontvangen. Daarmee wordt de 70-procentsnorm losgelaten.

De hoogte van de bijstandsnormen voor de schoolverlaters van 21 tot 27 jaar sluit aan op de normen zoals die in de WSF gelden. Het ontwerp-besluit beoogt gedurende een half jaar na de beeïndiging van het onderwijs een uitkeringsniveau te introduceren dat aansluit op de inkomenspositie tijdens de studie-of onderwijsperiode. Ook in de WSF bestaat er een 50/100-verhouding tussen de budgetten voor levensonderhoud voor alleenstaanden respectievelijk gehuwden of samenwonenden. Het bedrag dat gedurende dit eerste half jaar aan een uitwonende schoolverlater wordt toegekend, is gelijk aan de bijstandsnorm die thans voor een 18-jarige uitwonende geldt. In de huidige uitkeringssystematiek van het Bijstandsbesluit landelijke normering wordt bij dit uitkeringsbedrag geen rekening gehouden met de schaalvoordelen die zich voordoen ingeval de woonkosten met anderen worden gedeeld. Voor de alleenstaande woningdeler is het uitkeringsbedrag gelijk aan die voor de alleenstaande die zelf geheel voor de woonkosten dient op te komen. Het is dan consequent om bij twee gehuwde of samenwonende schoolverlaters die als alleenstaande dit bedrag zouden hebben ontvangen, de uit de gezamenlijke huishouding voortvloeiende schaalvoordelen eveneens buiten beschouwing te laten. Voor hen staat de uitkering derhalve niet in de gebruikelijke verhouding van 100/70e, is 140 procent, tot de alleenstaandennorm, maar wordt deze op tweemaal de alleenstaandennorm gesteld.

  • Uitkeringsregime voor personen jonger dan 21 jaar
  • Algemeen

De leden van de PvdA-fractie constateren dat, naast de beperking van de uitwonendennorm, voor jongeren onder 21 jaar nog een maatregel werd voorgesteld, namelijk het laten vervallen van het leeftijdsonderscheid in de bijstand. Zij leggen de vraag voor of het laten vervallen van de leeftijdsdifferentiatie in de bijstandsnormen voor degenen jonger dan 21 jaar gevolgen zou kunnen hebben voor andere regelingen, zoals de staffeling in de minimumjeugdionen. De huidige naar leeftijd gedifferentieerde bijstandsnormen voor de alleenstaanden jonger dan 23 jaar kennen onderling slechts geringe verschillen, die nauwelijks nog enige betekenis hebben. De oorzaak daarvan is gelegen in de specifieke wijze waarop deze normen tot stand zijn gekomen. De bijstandsnormen voor jeugdige alleenstaanden bedragen in beginsel 75 procent van het voor de betreffende leeftijd geldende minimumjeugdloon. Voor de thuisinwonenden komt hierop een bedrag in mindering in verband met de lagere bestaanskosten die voortvloeien uit het deel uitmaken van het huishouden van de ouders. Deze bedragen worden vervolgens getoetst aan het geldende zogeheten «vloerbedrag», de ondergrens die aan de bijstandsuitkering voor jongere alleenstaanden wordt gesteld en gelijk is aan ongeveer de helft van de echtparennorm. Door dit vloerbedrag komt de in beginsel aanwezige leeftijdsdifferentiatie voor de alleenstaanden jonger dan 21 nauwelijks tot uitdrukking in de feitelijk geldende normbedragen. Voor de 21 -en 22-jarigen heeft de leeftijdsdifferentiatie wel betekenis, aangezien 75 procent van het netto minimumjeugdloon bij hen boven het vloerbedrag ligt en derhalve volledig tot gelding komt. Het kabinet doet ten aanzien van hen dan ook geen voorstel tot wijziging. De niveaus van de minimumjeugdlonen liggen -ook in netto termen -over het algemeen aanzienlijk boven de bijstandsnormen, zodat er geen sprake is van een ineendrukking. Slechts voor de 18-jarigen ligt het netto minimumjeugdloon enigszins onder de bijstandsnorm voor een uitwonende. De leeftijdsdifferentiatie behoudt daardoor zijn betekenis, die ook tot uitdrukking komt in de netto beloning. De harmonisatie van de bijstandsuitkeringen voor degenen jonger dan 21 jaar is dan ook geen aanleiding om een wijziging aan te brengen in de staffeling van de minimumjeugdlonen. De leden van de PvdA-fractie achten het van belang dat werk wordt verkregen, waarmee een volwaardig inkomen en economische zelfstandigheid kan worden verkregen. Zij verbazen zich echter wel over het rechtstreekse verband dat door het kabinet is gelegd tussen enerzijds de overheidsplicht om werkloze jongeren arbeid aan te bieden en de onderhoudsplicht van ouders voor deze groep. Een dergelijk rechtstreeks verband wordt door het kabinet niet bedoeld. Mogelijk is dit misverstand ontstaan door de passage in de memorie van toelichting bij het wetvoorstel, waarin de ouderlijke onderhoudsplicht en de plicht die de overheid in de vorm van de JWG op zich heeft genomen om jongeren arbeid aan te bieden te zamen worden genoemd in verband met de beperking van het recht op de uitwonendennorm. In de visie van het kabinet bestaat er geen overheidsplicht om door middel van de bijstand het de betrokkene financiee! mogelijk te maken om zelfstandig te wonen, als er voor hem nog een ouderlijke onderhoudsplicht bestaat. De wens om zelfstandig te wonen dient de betrokkene te realiseren door zelf het daartoe benodigde inkomen te verwerven. Met de Jeugdwerkgarantiewet wordt beoogd voor degenen die daartoe op eigen kracht niet in staat zijn, uitzicht te bieden om werk en daarmee op de financiële mogelijkheden om de gewenste zelfstandigheid te bereiken. Doordat de overheid de plicht op zich heeft genomen om arbeid aan te bieden kan deze met meer recht van de betrokkene vergen dat hij de gewenste zelfstandigheid niet met uitkeringsrechten, maar met betaalde arbeid realiseert.

De leden van de fractie van D66 constateren dat het streven naar economische zelfstandigheid van meisjes en de zorgzelfstandigheid van jongens niet bevorderd lijkt te worden met de voorgestelde beperking van de uitwonendennorm. Zij stellen de vraag of het kabinet het werkelijk mogelijk acht dat een uitwonende studerende van 20 jaar na beëindiging van zijn of haar studie met een bijstandsuitkering van f467,17 uitwonend kan blijven en of een terugkeer naar het oudelijk huis in die gevallen welhaast niet onvermijdelijk is. Ook de leden van de Groen-Linksfractie vragen hoe het voorstel tot beperking van de uitwonendennorm kan worden gerijmd met het streven naar economische zelfstandigheid. Zij achten het argument van betaalde arbeid niet voldoende. Als men kiest voor economische zelfstandigheid via betaalde arbeid, zal men ook moeten accepteren dat sprake kan zijn van werkloosheid. Ook in die situatie past naar het oordeel van deze leden volledige toepassing van dit streven. De beperking van het recht op de uitwonendennorm houdt in dat ook voor degenen die feitelijk uitwonen een bijstandsuitkering wordt verstrekt die is afgestemd op de lagere noodzakelijke bestaanskosten die optreden als de betrokkene bij de ouders woont. Van een bijstandsuitkering die is vastgesteld naar de thuisinwonendennorm van f467,17 per maand kan de betrokkene inderdaad geen zelfstandige huishouding voeren. Ingeval de betrokkene zelfstandig wil blijven wonen, zal hij daarvoor zelf de financiële middelen moeten gaan verwerven. Als dat niet mogelijk is, kan een terugkeer naar het ouderlijk huis inderdaad onvermijdelijk zijn. Naar het oordeel van het kabinet is dit niet onredelijk, aangezien deze maatregel slechts betrekking heeft op degenen die korter dan een jaar zelfstandig hebben gewoond. De noodzaak van terugkeer naar de ouderlijke woning kan zich derhalve alleen voordoen als er nog geen sprake van een zodanige bestendige situatie dat een dergelijke terugkeer onmogelijk moet worden geacht. Ook om andere redenen komt het regelmatig voor dat een jongere, na aanvankelijk de keus te hebben gemaakt om buitenshuis te gaan wonen, na een kortere of langere tijd weer bij de ouders gaat wonen. Zoals onder andere neergelegd in het Beleidsplan Emancipatie is het kabinet van oordeel dat financiële zelfstandigheid niet moet worden bereikt door middel van verruiming van uitkeringsrechten, maar door deelname aan de betaalde arbeid. Dat geldt evenzeer voor degenen jonger dan 21 jaar. Door de gunstige ontwikkeling van de werkgelegenheid voor jongeren hebben de meesten onder hen de mogelijkheid om snel op eigen kracht werk te vinden. Als dat op korte termijn niet mogelijk biijkt te zijn, biedt de Jeugdwerkgarantiewet hen daartoe de gelegenheid. Als de betrokkene door betaalde arbeid financieel in staat is geweest om zelfstandig te gaan wonen, kan ook in geval van werkloosheid deze woonsituatie veelal worden voortgezet. Alvorens de betrokkene bijstandsafhankelijk wordt, heeft deze immers recht op ten minste een half jaar WW-uitkering als is voldaan aan de voorwaarde dat in het afgelopen jaar gedurende 26 weken arbeid in dienstbetrekking is verricht. In zo'n situatie kan de betrokkene over het algemeen voldoen aan de voorwaarde voor toekenning van de uitwonendennorm, namelijk dat hij ten minste een jaar zelfstandig heeft gewoond. Als de betrokkene dergelijke WW-rechten niet heeft opgebouwd, is in de opvatting van het kabinet geen sprake van een gebleken economische zelfstandigheid van een zodanige betekenis dat daaraan consequenties moeten worden verbonden voor de bijstandsverlening.

De leden van de SGP-fractie willen weten in hoeverre de kans aanwezig is dat de voorgestelde beperking van de uitwonendennorm ertoe zal leiden een groter beroep op de jeugdhulpverlening zal worden gedaan teneinde tot een uithuisplaatsing te komen. Het kabinet verwacht niet dat een dergelijk groter beroep zal worden gedaan. Aan een uithuisplaatsing ligt namelijk een indicatiestelling ten grondslag, waarvan de kwaliteit aan het toezicht van het Jeugdhulpadviesteam of de Inspectie Jeugdhulpverlening is onderworpen. De procedure omtrent de uithuisplaatsing in het kader van de Wet jeugdhulpverlening is derhalve met zodanige waarborgen omgeven dat geen aanleiding bestaat voor de vrees van een dergelijk oneigenlijk gebruik.

De leden van de fractie van het GPV wijzen erop dat de werkloze schoolverlaters jonger dan 21 jaar de eerste zes maanden van hun werkloosheid nog zijn aangewezen op kinderbijslag. De ouders dienen gedurende deze periode de financiële verantwoordelijkheid die eerst door de WSF is «overgenomen», te hernemen. In zijn algemeenheid is het niet juist om te stellen dat de financiële verantwoordelijkheid van de ouders voor hun kinderen gedurende de studieperiode geheel door de WSF wordt overgenomen. De WSF gaat uit van het beginsel dat de studerende een beroep doet op de financiële verantwoordelijkheid van de ouders. Als de ouders -naar de criteria van de WSF -draagkracht hebben wordt de aanvullende financiering namelijk lager gesteld. Voor dat gedeelte is de student financieel afhankelijk van de ouders. Slechts ingeval de ouders geen draagkracht hebben bestaat aanspraak op de volledige studiefinanciering en is de betrokkene financieel onafhankelijk van de ouders. Slechts een beperkte groep studenten ontvangt de volledige studiefinanciering. Een herleving van het beroep dat in dergelijke situaties op de ouders moet worden gedaan treedt derhalve slechts bij een beperkte groep op. Dit is een consequentie van de destijds gemaakte keuze bij invoering van een wachttijd in de Rww in combinatie met het nadien ingevoerde stelsel van studiefinanciering. Overnemen van de suggestie van de leden van de GPV-fractie om hen in aanmerking te laten komen voor een uitkering ter hoogte van het normbudget van de WSF, zou afschaffing van de wachttijd in de Rww inhouden alsmede wijziging van het thans bestaande overgangsrecht in de Algemene Kinderbijslagwet voor deze groep. Het kabinet acht dit niet gewenst.

Deze leden vragen tevens of de voorgenomen beperking van het recht op de uitwonendennorm er niet toe zou kunnen leiden dat in het kader van de WSF nog meer beroep zal worden gedaan op de uitwonendenbeurs, omdat dit bepalend zal zijn voor de hoogte van een eventuele bijstandsuitkering. Het kabinet acht het niet voor de hand te liggen dat de keuze tussen thuis-of uitwonen in de WSF bepaald zou worden door de mogelijke financiële consequenties die dit op termijn zou kunnen hebben voor een bijstandsuitkering. Over het algemeen spelen bij dergelijke keuzes financiële overwegingen met betrekking tot een op termijn eventueel noodzakelijk beroep op bijstand geen doorslaggevende rol. Dat is des te minder het geval als deze consequenties pas na een betrekkelijk lange periode kunnen optreden, namelijk na beëindiging van de studie. Bovendien zou dit alleen van belang zijn voor zover de betrokkene voor zijn 21e jaar bijstandsafhankelijk is. Voor degenen van 21 jaar of ouder zijn er immers geen voorwaarden meer verbonden aan de uitwonendennorm. Bij hen is het voor toekenning van een uitwonendennorm in de bijstand dus niet nodig om -al dan niet met gebruikmaking van de WSF -reeds ten minste een jaar uitwonend te zijn geweest.

  • Eenoudergezinnen

De leden van de fracties van CDA en PvdA herinneren aan de tijdens het mondeling overleg van 28 februari jl. gemaakte afspraak om de vraag of met wijziging van artikel 1, derde lid, van de Algemene Bijstandswet het beginsel van de gelijke behandeling geweld wordt aangedaan, expliciet in de stukken aan de Raad van State voor te leggen. Zij betreuren het dat uit de stukken niet bleek dat dit was gebeurd en vroegen hieromtrent een nadere verklaring. Door de voorlegging van het wetsvoorstel wordt de Raad van State om advies gevraagd over het gehele wetsvoorstel, met inbegrip van de gelijkebehandelingsaspecten. Het wetsvoorstel vloeit bovendien rechtstreeks voort uit het negatieve advies van de Raad over het oorspronkelijke ontwerp-besluit. In de memorie van toelichting is deze aanleiding voor de voorgestelde aanpassing van artikel 1, derde lid, ABW nadrukkelijk aangegeven. Aan het slot van paragraaf 2 is melding gemaakt van het oordeel van de Raad van State dat het oorspronkelijke ontwerp-besluit strijdig is met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten en van de beslissing van het kabinet om de oorspronkelijke voorstellen zodanig aan te passen dat deze ook gelden voor echtparen en samenwonende gehuwden. In het vervolg van de memorie van toelichting worden de door het kabinet noodzakelijk geachte aanpassingen, zowel voor de groep jonger dan 21 jaar als de groep schoolverlaters van 21 tot 27 jaar, nadrukkelijk beoordeeld in het licht van de gelijke behandeling. Daarbij wordt de positie van gehuwden en ongehuwd samenwonenden ten opzichte van alleenstaanden telkenmale uitdrukkelijk aan de orde gesteld alsmede de verhouding tussen deze groepen en alleenstaande ouders. Door op deze wijze het aspect van gelijke behandeling in de memorie van toelichting aan de orde te stellen meent het kabinet dat aan de Raad van State ook nadrukkelijk de vraag is voorgelegd of de voorgestelde maatregelen aan de daarvoor geldende eisen voldoen. De leden van de PvdA-fractie vestigen in dit verband speciaal aandacht op de voorgestelde maatregelen ten aanzien van hoofden van eenoudergezinnen, die inhouden dat voor degenen jonger dan 21 jaar een ander regime gaat gelden dan voor de ouderen onder hen. Zij vragen of dit onderscheid niet als een vorm van ongelijke behandeling zou kunnen worden aangemerkt. Ook de leden van de GPV-fractie wensen in dit verband een toelichting. Het valt deze leden op dat het adagium gelijke behandeling op verschillende momenten in de memorie van toelichting wordt gehanteerd ter rechtvaardiging van een keuze. Ten aanzien van alleenstaanden en alleenstaande ouders is hen de noodzaak hiervan niet duidelijk. De voor onderscheiden categorieën geldende bijstandsnormen dienen een afspiegeling te zijn van een verschil in noodzakelijke bestaanskosten. Als ten aanzien van een groep een wijziging van de bijstandsnorm wordt overwogen, dient derhalve de vraag te worden gesteld of, en zo ja op welke wijze, dit dient door te werken naar de normen die voor andere groepen gelden, zodat voldaan blijft worden aan het uitgangspunt van de bestedingsgelijkheid van de onderscheiden bijstandsuitkeringen. Indien voor een categorie de bijstandsnorm wel wordt aangepast en niet voor een andere categorie, terwijl daarvoor geen toereikende motivering kan worden gevonden in een verschil in noodzakelijke bestaanskosten, ontstaat het risico van ongelijke behandeling. Bij de onderhavige voorstellen is dat niet alleen aan de orde in de verhouding tussen de alleenstaanden en gehuwden of samenwonenden, maar ook tussen deze groepen en hoofden van eenoudergezinnen. Het kabinet heeft zich in de uitwerking van de uitkeringsmaatregelen dan ook de vraag gesteld of de systematiek die in de WSF wordt gehanteerd voor de afleiding van de normbudgetten voor alleenstaande ouders en echtparen ook kan worden toegepast binnen de bijstand om op deze wijze een consistente uitkeringsstructuur te bereiken die recht doet aan het uitgangspunt van aansluiting van de schoolverlatersnormen op het daaraan voorafgaande WSF-niveau, voldoet aan de eis van gelijke behandeling en in overeenstemming is met het karakter van de bijstand als voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten. Zoals uit de memorie van toelichting blijkt, voldoet naar het oordeel van het kabinet de voorgestelde uitkeringsstructuur voor de schoolverlaters van 21 tot 27 jaar aan deze toetsingspunten. Voorgesteld wordt om, teneinde de niet meer functionele leeftijdsdifferentiatie te vervangen door een vereenvoudigde uitkeringsstructuur, het bijstandsniveau voor alleenstaanden jonger dan 21 jaar gelijk te stellen aan dat voor de schoolverlaters van 21 tot 27 jaar. Voor de alleenstaande ouders en echtparen jonger dan 21 jaar dienen de bijstandsuitkeringen dan ook op dezelfde wijze van de alleenstaandennorm te worden afgeleid als bij de schoolverlaters van 21 tot 27 jaar plaatsvindt. Voor een alleenstaande ouder die schoolverlater is, ligt de bijstandsnorm, in verband met de hogere bestaanskosten die zijn verbonden aan het voeren van een dergelijke huishouding, boven de norm voor een alleenstaande schoolverlater. Eenzelfde afstand dient dan ook in acht te worden genomen als de betrokkene jonger dan 21 jaar is. De norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar is immers gelijk aan de norm voor een alleenstaande schoolverlater van 21 tot 27 jaar. De -genormeerde -extra bestaanskosten voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar dienen dan ook met hetzelfde bedrag hoger te worden gesteld dan het niveau dat voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar geldt. Gegeven dit uitkeringsniveau voor alleenstaanden jonger dan 21 jaar, zou een afwijkend normbedrag voor alleenstaande ouders in dezelfde leeftijdscategorie inconsistent zijn binnen de totale uitkeringsstructuur van de

bijstand en derhalve wijzen op een ongelijke behandeling tussen hetzij alleenstaanden en alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar, hetzij tussen alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar en alleenstaande ouders vanaf 21 jaar die schoolverlater zijn. Het kabinet meent dat er een zorgvuldige afweging van de verschillende aspecten heeft plaatsgevonden en is van oordeel dat de voorgestelde normen voor alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar voldoen aan de eis van gelijke behandeling.

De leden van de PvdA-fractie vragen tevens naar de omvang van de onderscheiden categorieën. In onderstaande tabel zijn de bij de ramingen gehanteerde volumina weergegeven.

Verdeling van personen jonger dan 21 jaar in de ABW (1991 en 1996)

1991

1996

Echtparen

1600

1 100 Eenoudergezin

2150

1500 AMeenstaanden

16900

11900

  • Echtparen/ongehuwd samenwonenden

De leden van de FVdA-fractie wensen een nadere uiteenzetting omtrent het voornemen om ook bij echtparen en samenwonenden de beperking van de uitwonendennorm toe te passen door de uitkering mede af te laten hangen van de norm die betrokkenen ieder voor zich als alleenstaanden zouden ontvangen. De reden voor deze systematiek ligt besloten in de noodzaak van gelijke behandeling van echtparen en samenwonenden enerzijds en alleenstaanden anderzijds. Het kabinet acht het niet juist dat in die gevallen waar voor de betrokkene als alleenstaande een lagere uitkering dan de helft van de echtparennorm toereikend wordt geacht, voor deze als gehuwde of ongehuwd samenwonende een hogere uitkering te verstrekken. Zelfs nog zonder rekening te houden met optredende schaalvoordelen, kunnen de noodzakelijke bestaanskosten voor de betrokkene als gehuwde immers niet op een hoger niveau liggen dan de uitkering die voor deze als alleenstaande zou hebben gegolden. Omdat een dergelijke hogere uitkering niet kan worden beargumenteerd uit hogere bestaanskosten zou dit derhalve een bevoordeling van gehuwden of ongehuwd samenwonenden boven alleenstaanden inhouden. Een dergelijke regeling zou derhalve strijdig zijn met de eis van gelijke behandeling. De gevolgde benadering om een dergelijke ongemotiveerde bevoordeling te voorkomen houdt niet in niet dat de betrokkenen als afleenstaanden worden beschouwd, doch uitsluitend dat, om tot een evenwichtige normstelling voor echtparen en samenwonenden te komen, wordt derhalve uitgegaan van de normen die voor elk van hen als een alleenstaande zouden hebben gegolden.

De leden van de GPV-fractie vragen zich af of bij gehuwden niet het uitgangspunt zou moeten gelden dat zij een nieuw huishouden vormen en daarom in principe recht hebben op de uitwonendenorm. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting, heeft bij de voorbereiding van de onderhavige voorstellen een zorgvuldige afweging plaatsgevonden tussen enerzijds het uitgangspunt dat de beperking van het recht op de uitwonendennorm zich in beginsel dient uit te strekken tot alle bijstandsontvangers jonger dan 21 jaar, en anderzijds het gegeven van de specifieke situatie van gehuwden. Het, zonder nadere voorwaarden, toekennen van de uitwonendennorm aan gehuwden zou, gelet op de in de sociale zekerheid geldende gelijke behandeling van gehuwden en

ongehuwd samenwonenden, inhouden dat dit ook zou moeten gelden voor de groep ongehuwd samenwonenden. Het kabinet achtte dit ongewenst. Niet alleen zou dit ongewenste gedragsreacties tot gevolg kunnen hebben, maar ook zou de regeling zich daarmee kwetsbaar kunnen maken voor een toetsing aan het beginsel van gelijke behandeling. Een beperking die voor alleenstaanden geldt, zou dan immers niet van toepassing zijn voor ongehuwd samenwonenden, terwijl het kabinet daarvoor geen objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig acht. Het kabinet meent dat met de gekozen handelwijze om bij gehuwden of ongehuwd samenwonenden zonder kinderen slechts ten aanzien van een van hen uit te gaan van een thuisinwonendennorm, aan beide uitgangspunten recht is gedaan en daarmee voldoet aan het beginsel van gelijke behandeling.

  • Het ontwerp-Besluit tot wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln)

De leden van de CDA-fractie missen in onderdeel E, artikel 5, lid 3, van het ontwerpbesluit, de formulering met betrekking tot de individualiseringsbevoegdheid van burgemeester en wethouders om in bijzondere gevallen na indicatiestelling van de algemene regel af te wijken, terwijl deze naar hun opvatting in de toelichting wel goed verwoord is. De constatering van de leden van de CDA-fractie is juist. In het betreffende artikel is de individualiseringsbevoegdheid van burgemeester en wethouders niet opgenomen. Deze bevoegdheid berust namelijk op de algemene individualiseringsbevoegdheid die aan burgemeester en wethouders toekomt op grond van artikel 1, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet. Een herhaling van deze algemene bevoegdheid in een afzonderlijke bepaling wordt door het kabinet niet noodzakelijk en ook niet wenselijk geacht. Het zou immers de suggestie wekken dat bij alle bepalingen waarbij een dergelijke clausule ontbreekt, individualisering is uitgesloten. In verband met deze afwijkingsbevoegdheid, merkten de leden van de CDA-fractie voorts op dat het hen voorkwam dat de memorie van toelichting van het onderhavige wetsvoorstel ten aanzien van dit punt niet volledig was. Het is echter ook niet de bedoeling van het kabinet geweest bij het opstellen van de memorie van toelichting hierop uitvoerig in te gaan. In de toelichting op het wetsvoorstel worden slecht de hoofdpunten van het ontwerpbesluit aangehaald teneinde een beeld te schetsen van de nadere regelgeving die mogelijk wordt gemaakt door het onderhavige wetsvoorstel. Verdere verduidelijking van het ontwerpbesluit vindt plaats door middel van de daarbij behorende nota van toelichting.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de verruimde vrijlatingsbepalingen in het ontwerpbesluit ook van toepassing waren op de JWG-lonen, voor zover die onder het sociaal minimum liggen. Met de voorgestelde wijzigingen in het Bln kan het slechts in uitzonderingssituaties voorkomen dat het JWG-loon onder de relevante bijstandsnorm ligt. Voor de betrokkenen zal de bijstandsnorm immers over het algemeen worden gesteld op de norm voor thuisinwonenden. De verdiensten uit een JWG-betrekking liggen boven dit niveau. In de uitzonderingssituaties dat een deelnemer aan de JWG in de bijstand een uitwonendennorm toegekend zou krijgen, kan het slechts bij de 18-en 19-jarigen voorkomen dat de inkomsten uit een volledige JWG-baan onder het dan geldende bijstandsniveau liggen. Voor 18-jarigen met een uitwonendennorm zijn de vrijlatingsbepalingen niet van toepassing. Voor de 19-jarigen onder hen ligt het niet in de rede om de vrijlatingsbepalingen toe te passen. Blijkens de nota van toelichting

op het besluit van 29 december 1982 (Stb. 743) tot wijziging van de vrijlatingsbepalingen dient in voorkomende gevallen te worden beoordeeld of toekenning van deze faciliteit verantwoord is gezien de doelstelling daarvan. Daarbij wordt onder andere gewezen op de situatie dat de betrokkene een volledige werkkring heeft waaruit echter geen toereikend inkomen wordt verworven. Voor degenen die aan het JWG deelnemen geldt 32 uur als een maximaal dienstverband. Van een vrijlating kan derhalve niet de stimulans uitgaan om met een volledige werkkring een toereikend inkomen te gaan verwerven.

  • Invoering en samenhang met Jeugdwerkgarantiewet

De leden van de fracties van CDA, PvdA, D66, Groen ünks en RPF vragen om nader in te gaan op de inwerkingreding van de voorgenomen bijstellingen van de jongerenuitkeringen in relatie tot de iriwerkingtreding van het Jeugdwerkgarantieplan. De leden van de fracties van PvdA, D66, Groen Links en RPF merken daarbij op dat een gefaseerde invoering, analoog aan de Jeugdwerkgarantiewet, voor de hand zou liggen. In het Regeerakkoord is een samenhangend geheel van beleidsvoornemens opgenomen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid. In de discussie over de inwerkingtredingsdatum van de voorgenomen aanpassingen van de jongerenuitkeringen in de bijstand is dan ook een relatie gelegd met het eveneens tot dit pakket aan beleidsvoornemens behorende Jeugdwerkgarantieplan (inmiddels door aanvaarding van het daartoe strekkende wetsvoorstel: de Jeugdwerkgarantiewet). In de opvatting van het kabinet bestaat een dergelijk verband met de inwerkingtreding van de Jeugdwerkgarantiewet uitsluitend bij de aanpassing van de uitkeringen voor degenen jonger dan 21 jaar. Aan de voorgestelde beperking van het recht op de uitwonendennorm ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de betrokkene zijn zelfstandigheid op eigen kracht dient te bereiken. Dit houdt in dat de betrokkene slechts door voldoende eigen arbeidsinkomsten te verwerven zelfstandig kan wonen. Een dergelijke maatregel zou onbillijk kunnen worden geacht als de betrokkene daartoe bij gebrek aan arbeidsmogelijkheden niet reëel de mogelijkheid heeft. De Jeugdwerkgarantiewet biedt hen, voor zover zij niet reeds eerder op eigen kracht werk hebben kunnen vinden, daartoe de garantie. De beperking van het recht op de uitwonendennorm vindt daarom mede een rechtvaardiging in de Jeugdwerkgarantiewet. Deze is op 1 september jl. in werking getreden en zal op 1 januari 1992 voor alle gemeenten verplicht zijn. De voorgenomen aanpassingen in de bijstand zullen op 1 april 1992 in werking kunnen treden, uitgaande van afronding van de parlementaire behandeling voor het eind van dit jaar en de op grond van het bestuursakkoord tussen Rijk en gemeenten in acht te nemen termijn van drie maanden tussen totstandkoming van regelgeving en de inwerkingtredingsdatum daarvan. In de opvatting van het kabinet kan een dergelijke relatie met de Jeugdwerkgarantiewet niet worden gelegd met de voorgenomen uitkeringsmaatregelen voor de schoolverlaters van 21 tot 27 jaar. Voor deze aanpassing is een op zichzelf staande rechtvaardigingsgrond aanwezig in de wenselijkheid van een betere afstemming van de bijstandsuitkeringen op de niveaus die in de Wet op de studiefinanciering gelden. De voorgestelde maatregelen voor deze groep houden op geen enkele wijze een beperking in van de financiële zelfstandigheid die de betrokkenen in het kader van de Algemene Bijstandswet wordt geboden. Waar de voorgenomen beperking van door de bijstand geboden financiële zelfstandigheid een reden is om een koppeling te leggen met de inwerkingtreding van de Jeugdwerkgarantiewet, onbreekt deze derhalve voor de schoolverlaters vanaf 21 jaar. Er is dan ook in de visie van het kabinet geen reden voor een gefaseerde invoering van deze maatregelen

synchroon aan de uitbreiding van de doelgroep van de Jeugdwerkgaran tiewet tot oudere leeftijdscategorieën.

Het lid van de RPF-fractie vraagt in hoeverre het reëel is uit te gaan van een besparing van 250 mln, aangezien de opbrengst en de onderbouwing van de aanpassing van de uitkeringen gerelateerd zijn aan de werking van de JWG. Conform de huidige inzichten zal de structurele besparing van de aanpassing van de jongeren uitkeringen ongeveer 113 mln dragen en van de JWG ongeveer 210 mln. De totale structurele besparing (323 mln) is dus groter dan de in het regeerakkoord voorziene 250 mln.

De leden van de fracties van het SGP en de RPF vragen of er aanwijzingen zijn dat verschillende gemeenten met een tekort aan JWG-banen kampen. Het kabinet is geen problemen met de werving van garantiebanen bekend, ook niet in de grote gemeenten. Opvallend is juist dat op de lijst van bijna 100 gemeenten die hebben ingetekend voor deelname aan de JWG per 1 september jl. ook drie van de grootste gemeenten voorkomen (Rotterdam, Utrecht en Den Haag) en daarnaast onder andere Nijmegen, Groningen, Breda en Maastricht. Hieruit mag worden afgeleid dat deze gemeenten in staat zijn geweest een vlotte start te maken. De JWG voorziet immers pas in verplichte deelname voor gemeenten per 1 januari 1992, de zogenaamde landelijke inwerkingtreding. Gemeenten die vóór deze datum intekenen, doen dat op vrijwillige basis. Een aanta! andere grotere gemeenten, waaronder Leiden en Eindhoven, zullen per 1 oktober starten. De overige gemeenten hebben vanaf deze datum nog drie maanden extra tijd om zich voor te bereiden op de verplichte invoering. Daar komt nog bij dat gemeenten die nu met de uitvoering starten, te maken hebben met een beperkte doelgroep. Wettelijk voorgeschreven is in eerste instantie een sluitende aanpak voor werklozen jongeren van 16 en 17 jaar, voor werkloze schoolverlaters jonger dan 21 jaar en voor deelnemers aan de Tijdelijke voorziening gemeentelijke werkgelegenheidsinitiatieven voor jongeren die zelf om een aanbod verzoeken. De werkloze schoolverlaters jonger dan 21 jaar komen pas rond 1 januari 1992 voor de JWG in aanmerking, omdat de huidige lichting in het algemeen niet eerder de minimale zoektijd van zes maanden zal hebben doorlopen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.