De behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de b... - Handelingen Tweede Kamer 1991-1992 23 juni 1992 orde 12


Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van: -het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar (22163)

©

De voorzitter: Mevrouw Schimmel heeft gevraagd, achteraan op de sprekerslijst te worden geplaatst. Ik neem aan dat daar geen bezwaar tegen is.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

G.J. (Gert)  SchutteDe heer Schutte (GPV): Mijnheer de voorzitter! De aanpassing van de bijstandsuitkeringen geschiedt niet zonder slag of stoot. Het vorige kabinet presenteerde een voorstel dat veel verder ging dan het onderhavige. De Raad voor het jeugd-beleid kwam met een volledig uitgewerkt alternatief, dat echter op onvoldoende wijze rekening hield met de financiële mogelijkheden van het Rijk. Het nu voorliggende voorstel kon slechts met grote vertraging aan parlementaire behandeling toekomen. Het kritische advies van de Raad van State en het onderzoek dat uit dit advies voortvloeide, zijn daaraan mede debet. Betekent deze lange voorgeschiedenis nu dat er een voorstel ligt waarvan alle plooien zijn gladgestreken? Dat lijkt mij iets te veel eer voor het voorstel. Laat ik beginnen met op te merken dat een bezuiniging in de bijstand ten koste van de jongste leeftijdsgroepen nog het beste lijden kan. Jongeren hebben over het algemeen betere arbeidsmarktkansen dan ouderen die langdurig werkloos zijn. Er is voor hen daarom meer financieel perspectief. Dit moet vooral ook zo blijven om het voor hen aantrekkelijk te houden, mee te werken uit de bijstandssituatie te geraken. Daarnaast hebben ouderen veelal reeds een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de samenleving en dezen mogen daarom relatief meer worden ontzien. Maar de vaststelling van de nieuwe normen moet wel objectief zijn, anders dreigen situaties van willekeur. Eerst zal ik iets zeggen over de beperking van het recht op bijstand voor de categorie 18-tot 21 -jarigen. In principe zullen zij slechts recht hebben op bijstand conform de thuiswonendennorm. Als regel worden jongeren in die leeftijdscategorie geacht, thuis te wonen. Ik onderschrijf dit uitgangspunt, maar ik constateer tevens dat dit een radicale breuk betekent met het recht op zelfstandige woonruimte, dat halverwege de jaren zeventig in een onbewaakt ogenblik is geproclameerd door een kabinet met een vergelijkbare politieke samenstelling als het huidige. Nu was dat recht in feite nooit echt te verwezenlijken, zoals de bouw van grote aantallen Van Dameenheden aantoont, daar die nu, als ik het wel heb, nogal eens onverhuurbaar blijken. Maar dit terzijde. Men heeft verwachtingen gewekt bij grote groepen jongeren, maar men heeft die verwachtingen niet waar kunnen maken. Het bieden van de vrije keuze tussen thuis wonen en zelfstandig wonen vormt een opwaartse druk op het uitgavenniveau; ieder aanbod schept zijn eigen vraag. Uitgaan van het thuiswonen als de normale situatie, sluit ook meer aan bij de realiteit van dit moment, omdat de trend is dat steeds meer jongeren op latere leeftijd het ouderlijk huis verlaten. Voor de gevallen waarin het ouderlijke huis niet bestaat of redelijkerwijs niet beschikbaar is, is er wel recht op een verhoogde uitkering voor zelfstandig wonenden. Met deze redenering kan ik goed uit de voeten. Moeilijker wordt het, wanneer ik een vergelijking maak met studerenden in dezelfde leeftijdsfase. Voor hen bestaat binnen het kader van de Wet op de studiefinanciering nog wel de vrije keus tussen zelfstandig wonen en thuis wonen. Ik heb deze vrije keus al eens ter discussie gesteld bij een van de talloze wijzigingen van de Wet op de studiefinanciering, maar kreeg toen geen gehoor. Veel anders verwacht ik nu ook niet, maar ik zie geen reden waarom wij de ene groep jongeren iets moeten onthouden wat wij een andere groep jongeren, die over het algemeen toch al relatief bevoorrecht is, wel bieden. Het aantal uitzonderingen zal bij studerenden groter moeten zijn dan bij werkenden. Zo zal de afstand tussen de ouderlijke woning en de studie-instelling een belangrijke rol moeten spelen. Het principe kan echter gelijk zijn. Wij zullen ook op dit punt het denkproces binnen het kabinet met belangstelling blijven volgen. Ik maak met enige vrijmoedigheid de vergelijking met studerenden, omdat het kabinet zelf de nieuwe bijstandsnormen afleidt van de budgetten voor levensonderhoud uit de Wet op de studiefinanciering. Op zichzelf is voor de benadering van het kabinet wel wat te zeggen. Het eerste halfjaar na het afsluiten van een studie is de positie van schoolverlaters in maatschappelijk opzicht vergelijkbaar met die van studerenden. Het is inherent aan het afsluiten van een opleiding dat een zekere periode verstrijkt voordat aan het arbeidsproces kan worden deelgenomen. Naarmate deze periode langer duurt, gaat de situatie van de studerende steeds meer lijken op die van een andere werkloze. Dan komt de gewone bijstandsnorm in beeld. Het onderzoek waarom de Raad van State vroeg, lijkt dit beeld te bevestigen. Toch wordt hiermee een objectief element in de bijstandswet ingevoerd. De bijstand heeft tot doel, een algemeen geldend bestaansminimum te garanderen, maar hoe hoog dit minimum is, kan kennelijk worden bepaald door het uitgavenniveau dat men gewend was uit de periode voordat men in de bijstand raakte. Kan men op grond van deze redenering met recht en reden bepleiten dat het bestaansminirnum hoger moet worden vastgesteld van bijvoorbeeld een vrouw die gescheiden is van een echtgenoot met een drie maal modaal salaris? Ik bepleit dit niet; dat zal duidelijk zijn. De redenering lijkt mij echter analoog aan die van het kabinet. Een belangrijk argument voor het gelijk houden van de bijstandsnorm in de naschoolse periode met het budget voor levensonderhoud overeenkomstig de Wet op de studiefinanciering is dat een verhoging van de uitkering met ƒ400 of ƒ 600 per maand direct na het beëindigen van de studie in een niet te verwaarlozen aantal gevallen dodelijk zal zijn voor de arbeidsmarktmotivatie. In de beleving van vele studerenden zal de uitzetting van het maandbudget met een dergelijk bedrag als zeer royaal worden ervaren. De niet maximaal gemotiveerden kunnen het met zo'n bedrag nog een hele tijd uitzingen. Uiteraard kan men niet blijvend dit niveau behouden. Inderdaad gaat de situatie van zo'n ex-student dan steeds meer lijken op die van een gewone werkloze. Hierin kan een rechtvaardiging liggen om het uitkeringsniveau gelijk te trekken, maar naarmate de werkloosheidssituatie langer duurt, gaat een activerende arbeidsmarkt steeds meer eisen stellen. Van wie na enige tijd nog steeds niet aan de bak is gekomen, mag worden verwacht dat hij of zij zich beschikbaar stelt voor bijscholing of eventueel omscholing.

Hierin kan de rechtvaardiging liggen om de uitkering op te trekken naar het normale bijstandsniveau. Het lijkt mij niet juist, hiervan een automatisme te maken, na zes maanden. In het kader van de sluitende aanpak die met de Jeugdwerkgarantiewet beoogd wordt, is het de bedoeling dat na verloop van tijd scholing of werk wordt aangeboden. De werkingssfeer van deze regeling wordt in de komende jaren geleidelijk uitgebreid tot alle leeftijdscategorieën tot 27 jaar. Tot zolang zullen wij moeten werken met het automatisme dat het wetsvoorstel nu biedt, maar in mijn visie is het een tijdelijke situatie. Tot zover is de voorgestelde regeling helder en goed te motiveren. Moeilijker wordt dit alles te doorgronden, als het gaat om bijzondere situaties: eenoudergezinnen, ongehuwd samenwonenden, al dan niet thuiswonend, en ouder of jonger dan 24 jaar. Getracht is de hoofdregel van de voorgestelde systematiek consequent op al deze bijzondere situaties toe te passen. Uitgaande van de reeds in een eerder stadium doorgevoerde verzelfstandiging van uitkeringsrechten in de bijstandswet, levert dit een scala aan verschillende normbedragen op, die elk een eigen rechtvaardiging kennen. Ik noem een voorbeeld. Voor gehuwden of samenwonenden die beiden schoolverlater zijn, wordt de norm op ƒ 1364,73 per maand gesteld als zij bij de ouders van een van hen inwonen. Dit bedrag is de som van een bijstandsuitkering voor een thuiswonende en een uitwonende schoolverlater. Op zich klopt het, omdat een van beide partners feitelijk nog thuis woont. Of het formeel ook klopt, is voor mij de vraag, want waar een huwelijk is gesloten, is een nieuwe leefeenheid ontstaan. De band met de huwelijkspartner gaat boven de band met de ouders. Het feit dat zij onder hetzelfde dak wonen, moet er eigenlijk niet meer toe doen. De realiteit gebiedt echter te erkennen dat in veel gevallen de beide huishoudens wel min of meer door elkaar zullen lopen. Meer moeite heb ik met de consequente wijze van doorredeneren, als het gaat om gehuwden en samenwonenden onder de 21 jaar en de vraag naar het recht op de uitwonendennorm. Ook hier wil het kabinet consequent vasthouden aan het uitgangspunt van de voorgestelde regeling, namelijk dat de groep onder de 21 jaar in principe geen recht heeft op de uitwonendennorm. Hier loopt het kabinet, dunkt mij, vast in zijn eigen gelijkebehandelingssystematiek. Wie dit tot in zijn uiterste consequentie doorzet, komt in minder geloofwaardige situaties terecht. Een zo'n consequentie is dat gehuwden en samenwonenden onder de 21 jaar net zo min als alleenstaanden recht hebben op de uitwonendennorm. Omdat er, wil er sprake zijn van samenwoning, in ieder geval één uitwonend moet zijn, krijgt één van de echtelieden/samenwonenden als uitzondering op de regel wel de uitwonendennorm toegepast. Dit alles wordt verdedigd met het adagium van de gelijke behandeling. Het is maar net welk punt van vergelijking je het meest relevant vindt, want er is sprake van ongelijke behandeling van twee groepen gehuwden/samenwonenden, die overigens in gelijke omstandigheden verkeren. Naar mijn oordeel is het al dan niet gehuwd zijn meer bepalend voor de situatie dan de vraag of men ouder of jonger is dan 21 jaar. Ik zou het dus redelijk vinden, indien gehuwden en samenwonenden die jonger zijn dan 21 jaar, op dezelfde wijze recht verkrijgen op toepassing van de uitwonendennorm als de groep van 21 tot 27 jaar. Is de staatssecretaris bereid het Besluit landelijke normering dienovereenkomstig aan te passen?

©

A. (Ali)  Doelman-PelMevrouw Doelman-Pel (CDA): Voorzitter! Vandaag behandelen wij de wet die het uitkeringsregime regelt voor jongeren tot 27 jaar. Er is sprake van een lange voorgeschiedenis en de wet heeft een lang traject afgelegd. Je kunt je de vraag stellen: waarom nu een apart regime voor deze jongeren? Maar daarnaast kun je meteen de constatering doen dat er alreeds een apart regime is voor schoolverlaters van 18 tot 21 jaar. Voor de CDA-fractie is het aparte regime een essentieel onderdeel van de sluitende aanpak voor jongeren, zoals overeengekomen bij het regeerakkoord. De filosofie of, zo u wilt, de achterliggende gedachte was en is, dat jongeren niet langdurig werkloos mogen worden en dat na een actief zoekgedrag scholing of werk wordt aangeboden, of zo mogelijk nog een extra halfjaar actief zoekgedrag. Ik zeg heel nadrukkehjk, ook aansluitende bij de opmerking van de heer Schutte, dat het geen automatisme is dat men na een halfjaar het verhoogde uitkeringsbedrag krijgt. Het kan immers best zo zijn dat men niet actief is geweest. Dan moet dit ook worden vastgesteld en zou eventueel een sanctie op haar plaats zijn. De meest essentiële vraag bij dit wetsvoorstel is, of jongeren na hun school als werklozen moeten worden beschouwd. Volgens de CDA-fractie is de meest heldere redenering dat een schoolverlater geen werkloze is. Hij kent geen verlies van werk, maar is in feite een werkzoekende. Het onderzoek dat is uitgevoerd naar aanleiding van het advies van de Raad van State, laat dat ook duidelijk zien. Populair gezegd laat het onderzoek zien dat, als je geen geld meer hebt om uit te geven, je dit ook niet kunt besteden en dat er een glijdende schaal is in het meer besteden, als men ook meer inkomen heeft. Gisteren zei iemand tegen mij: dan ligt er voor jullie al een argument klaar om de termijn van een halfjaar te verlengen met nog een halfjaar, om uit te komen op een jaar. Dit zou kunnen, voorzitter, maar ik stel het niet voor. Na een halfjaar actief zoekgedrag mag iemand als werkloos worden aangemerkt. Voorzitter! Het zal duidelijk zijn dat dit voorstel door de CDA-fractie wordt ondersteund, mede omdat het een onderdeel uitmaakt van het regeerakkoord. Je moet vervolgens wel vaststellen dat het uitkeringsregime niet eenvoudiger wordt. Maar dat is een consequentie van de keuze en van het rekening houden met verschillende omstandigheden: de omstandigheden van in-of uitwonen, de reden waarom men uitwonend is, het samenwonen of het al of niet kinderen hebben. Bij de schriftelijke behandeling hebben wij als CDA-fractie duidelijk laten blijken dat wij daar ook enige zorg om hadden en wel omdat wij enige zorg hadden om bijvoorbeeld de eenoudergezinnen en omdat het niet ondenkbaar is dat iemand ook door individuele omstandigheden een beroep zou moeten doen op de verhoogde norm. Vandaar ook dat wij bij de behandeling hebben gevraagd of in deze wet niet zou moeten worden geregeld dat er uitzonderingen mogelijk zijn. Wij hebben ons echter door het antwoord van de staatssecretaris laten overtuigen, dat dit niet noodzakelijk is omdat de Algemene bijstandswet het mogelijk maakt, altijd op individuele basis af te wijken van deze wet en van het uitkeringsregime. Ik neem aan, dat de staatssecretaris opnieuw wil bevestigen dat dit de escape is en dat daar waar er sprake is van bijzondere omstandigheden, deze op een bepaalde wijze beoordeeld worden door het gemeentebestuur dat de bijstandswet uitvoert. Een ander punt dat de aandacht vraagt is het volgende. Het is mogelijk dat men in het eerste halfjaar gedurende enige tijd werkzaam is. Men bouwt dan geen rechten op. Maar ik neem aan dat men gedurende dat eerste halfjaar, ook als men een paar maanden gewerkt heeft, schoolverlater blijft. Is deze interpretatie juist? Voorzitter! Je zou kunnen zeggen dat er bij deze wet eigenlijk geen verschil meer is tussen een schoolverlater, een 18-jarige en een 26-jarige. Immers, van 18 tot 21 jaar kenden we een wachttijd en nu wordt er ook een wachttijd ingevoerd voor 21 -tot 27-jarigen, met daarbij wel de bijzonderheid dat voor de 18-tot 21-jarigen slechts de inwonendennorm zal gelden, met een uitzondering voor de uitwonendennorm wanneer daar een indicatie voor is, bijvoorbeeld omdat men voor die tijd al uitwonend was op basis van jeugdhulpverlening. Deze 18-tot 21-jarigennorm voor inwonenden is best ingrijpend voor jongeren en ook soms ingrijpend voor ouders, maar gezien de onderhoudsplicht van ouders vinden wij dit zeer te verdedigen. Naast het feit dat wij de onderhoudsplicht van ouders te verdedigen vinden, achten wij het aan de andere kant ook verdedigbaar dat de norm voor de 21 -tot 27-jarigen wordt vastgesteld op het niveau van levensonderhoud zoals dat ook bij de studiefinanciering gebeurt. Wat dat betreft gaat men tijdens het zoekgedrag op hetzelfde niveau door als wanneer men studeerde. Het zoekgedrag van de jongeren zal, zo nemen wij aan, mede gestimuleerd worden door het feit dat men beloond wordt als men door te gaan werken uit het uitkeringsregime komt. Eigenlijk kunnen wij constateren dat veel mensen snel werk vinden. Direct na de school vindt, afhankelijk van de opleiding, 50% tot 80% meteen een baan. Naast het actief zoekgedrag van de jongeren, dat ik al een paar keer heb genoemd, mag natuurlijk ook een actief gedrag van overheden en instellingen voor onderwijs en scholing en bemiddeling van essentieel belang worden geacht, naast uiteraard het leerlingwezen. Wat dat betreft is er een evenwicht van rechten en plichten van de jongeren maar ook een evenwicht van rechten en plichten van de gemeenten en instellingen. Met vreugde kunnen wij constateren dat een aantal gemeenten zeer actief is in het JWG en dat zij eigenlijk al verder zijn dan de vereiste leeftijd die tot nu toe wordt vastgesteld. Ik ben nieuwsgierig of de staatssecretaris enige indicatie kan geven op welke datum bepaalde gemeenten de 27-jarigen bereikt zouden kunnen hebben. De sluitende aanpak is immers pas rond als wij alle jongeren van 18 tot 27 jaar hebben bereikt.

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Mijnheer de voorzitter! Mijn bijdrage aan het debat over de wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar, kan kort zijn, aangezien wij tegen de strekking en de inhoud van het voorstel geen overwegende bezwaren hebben. Het is wel opmerkelijk dat wij keer op keer geconfronteerd worden met voorstellen die beogen, het stelsel van sociale zekerheid verder te saneren. Anders gezegd, jaren na de herziening van het stelsel van sociale zekerheid in het begin van de jaren tachtig, blijkt het mogelijk, bezuinigingen te bereiken door wijzigingen van de regelgeving in het stelsel van sociale zekerheid. Is de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het met mij eens, dat met deze gang van zaken nog eens wordt aangetoond dat het stelsel van sociale zekerheid in ons land door de jaren heen royaal, eerlijk gezegd te royaal, van opzet is geweest? Daarnaast kan de vraag worden gesteld in hoeverre de overheidsbemoeienis met het stelsel van sociale zekerheid te uitbundig is geweest. Hoe het zij, de nu voorgestelde sanering wordt door ons van harte ondersteund. Aan het begin van de jaren tachtig werd de jeugdwerkloosheid als een van de grootste problemen van onze samenleving gezien en niet ten onrechte. Sommigen spraken toen de verwachting uit dat dit probleem vanzelf zou verdwijnen, daarbij afgaande op enerzijds de leeftijds opbouw van onze bevolking, en anderzijds de hoop uitsprekend dat de werkgelegenheid zou toenemen. Tot op zekere hoogte is die verwachting ook inderdaad uitgekomen. De jeugdwerkloosheid blijkt echter niet automatisch geheel te verdwijnen. Dat zou ook te mooi zijn voor woorden. Er zijn helaas nog jongeren die na afronding van school, studie en opleiding geen werk vinden, althans niet direct. Dit kabinet heeft daarom terecht de nodige maatregelen voorbereid en reeds getroffen om tot een bevredigende oplossing te komen. Ik denk daarbij in eerste instantie aan de Jeugdwerkgarantiewet, die bijna een jaar geleden, om precies te zijn eind september 1991, in werking is getreden. De RPF-fractie heeft het desbetreffende wetsvoorstel dan ook van harte gesteund, ook al vond en vind ik de sancties voor jongeren die niet willen meewerken veel te licht. Het onderhavige wetsvoorstel hangt nauw samen met de JWG. De regering wil komen tot een beperking van de uitwonendennorm voor jongeren beneden de 21 jaar en invoering van een wachttijd in de RWW voor schoolverlaters van 21 jaar en ouder, waarin een uitkering ter hoogte van WSF-norm zal worden verstrekt. Zoals gezegd gaat de RPF met die intentie akkoord. Het is overigens duidelijk dat niet alleen budgettaire overwegingen tot het indienen van het wetsvoorstel hebben geleid. Het is namelijk tevens de bedoeling dat jongeren worden gestimuleerd tot wat wij noemen "actief zoekgedrag" op de arbeidsmarkt. Sommigen hebben inderdaad die prikkel nodig. De door het vorige kabinet voorgestelde aanpassingen van de jongerenuitkeringen in de bijstand gingen overigens nog een stapje verder. Ze waren gebaseerd op het uitgangspunt dat slechts op grond van arbeidsverleden een hogere uitkering kon worden verkregen. Ik ben dan ook van oordeel dat het voorstel van het vorige kabinet nog meer recht deed aan de bedoeling het zoekgedrag te stimuleren. Is de staatssecretaris dat met mij eens? Waarom heeft de regering afgezien van die toch wat forsere aanpak? Gelet op de nauwe samenhang tussen de JWG en het voorliggende wetsvoorstel had naar mijn oordeel een gelijktijdige invoering ook voor de hand gelegen Het is er helaas niet van gekomen. Ik kan mij voorstellen dat de JWG prioriteit heeft gekregen, maar ik vraag mij af waarom de indiening en behandeling van beide wetsvoorstellen niet meer parallel kon lopen. Vorig jaar werd er nog van uitgegaan dat de nu voorgestelde wijziging al per 1 april van dit jaar een beslag zou hebben gekregen. Het kwam er niet van, doordat de staatssecretaris de Kamer had toegezegd eerst nog nadere informatie te verstrekken. Het ging daarbij met name om het advies van de Raad van State en de kabinetsreactie hierop bij het met dit wetsvoorstel verband houdende ontwerp-besluit. Nu de behandeling enige vertraging heeft opgelopen, zou ik de regering willen vragen wat ook in dezen de budgettaire consequenties zijn. Ik heb nog een enkele vraag van inhoudelijke aard. Ik heb de staatssecretaris in de schriftelijke fase gevraagd of het niet wenselijk is om, analoog aan de JWG, over te gaan tot een gefaseerde invoering van de voorgestelde maatregelen. Het kabinet ziet hiervan de noodzaak niet in. Is het kabinet van oordeel dat met een gefaseerde invoering niet meer recht wordt gedaan aan de relatie tussen enerzijds werk en schoolgarantie en anderzijds wijziging van de uitkeringsmaatregelen voor jongeren tot 27 jaar? Kan de staatssecretaris de Kamer nog meedelen wat op dit moment de stand van zaken rond de JWG is? Hebben sommige gemeenten nog problemen met het aanbieden van voldoende garantieplaatsen? De Raad van State is van oordeel dat het ontwerp-besluit fraudegevoelige bepalingen bevat. Dit geldt onder andere voor artikel 5, omdat hierbij een woonsituatie van ten minste twaalf maanden terug moet worden aangetoond. Is het risico van fraude te verwaarlozen? Hoe vaak zal het voorkomen dat in dit kader naar bewijsstukken zal moeten worden gevraagd? Afrondend merk ik op dat ik de intentie en inhoud van het voorstel van harte steun.

©

A.M. (Margo)  VliegenthartMevrouw Vliegenthart (PvdA): Voorzitter! Wij behandelen vandaag een tweetal maatregelen die rechtstreeks voortvloeien uit het zogenaamde jongerendossier uit het regeerakkoord. Wij hebben toen afspraken gemaakt over het activerend arbeidsmarktbeleid voor jongeren, de JWG en een tweetal maatregelen in de uitkeringssfeer die vandaag voorliggen. Die ingrepen zijn voor de fractie van de PvdA verdedigbaar, omdat zo nadrukkelijk gekozen is voor het bestrijden van het ontstaan van de jeugdwerkloosheid bij de bron. Inkomen uit werk verschaft meer sociale zekerheid dan afhankelijkheid van een uitkering. Jongeren met een zwakke positie op de arbeidsmarkt worden geholpen hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren door scholing, werkervaring en intensieve bemiddeling. Het JWG is nu een halfjaar van kracht en mijn indruk is dat het heel behoorlijk loopt. Je hoort soms zelfs gemeenten en RBA's zeggen dat men een gebrek aan werkloze jongeren heeft. Dat is al heel wat. Zo'n vaart zal het waarschijnlijk niet lopen, zeker niet in de grote steden. Maar toch, een gunstige ontwikkeling van de algemene werkloosheid onder jongeren doet de aandacht verslappen voor een aantal specifieke groepen die het niet gemakkelijk hebben. RBA's geven aan, jongeren niet meer tot de prioritaire doelgroepen te rekenen en de vraag is, hoe zich dat verhoudt met de afspraken die in het CBA met sociale partners gemaakt zijn over het activerend arbeidsmarktbeleid voor jongeren, de intensieve bemiddeling en verwijzing naar voortrajecten in het leerlingwezen. Kan de regering een oordeel geven over de ontwikkelingen die zich in de praktijk op dit punt aftekenen? Is er enig zicht op de ontwikkeling van de omvang van de doelgroep van de JWG?

De PvdA zou ervoor willen pleiten dat de regering -ik sluit daarbij aan op het betoog van mevrouw Doelman -gemeenten en RBA's stimuleert, de invoering van de JWG te versnellen door eerder oudere leeftijdsgroepen, waar dat kan, erbij te betrekken. Veel gemeenten zijn helemaal niet op de hoogte van het feit dat de wet hen die mogelijkheid biedt. Er moet niet passief toegezien worden; er moet activerend opgetreden worden door het departement. Graag een reactie van de staatssecretaris. Voorzitter! Binnen de filosofie van meer nadruk op werk, zijn de voorliggende voorstellen acceptabel. Dat wil niet zeggen dat wij er niet kritisch naar gekeken hebben. Voor jongeren onder de 21 jaar wordt met inachtneming van een aantal uitzonderingssituaties de uitwonendennorm afgeschaft. De staatssecretaris heeft naar aanleiding van het desbetreffende mondeling overleg de voorstellen aangepast en de verschillende hardheidsclausules in het voorstel ingevoegd. Ik ben daar tevreden mee. Op èén punt wil ik de discussie voortzetten. De consequentie van de maatregelen voor een eenoudergezin is fors te noemen, terwijl het in die situatie zo kan zijn dat de sociale dienst oordeelt, dat beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet vereist kan worden, bijvoorbeeld in verband met de zorg voor één of meer kinderen. Dat maakt een essentieel verschil met werkloze leeftijdsgenoten waarvoor geldt dat zij er, als zij er zelf niet in slagen een baan te vinden, een sluitende aanpak van de JWG is. Voor hen is die uitkeringssituatie dus kortdurend. Bij jonge eenoudergezinnen kan sprake zijn van een situatie waarbij men langdurig aangewezen Is op een uitkering en waarbij de draagkracht tengevolge van die lagere normuitkering die wij hier bespreken, van een eenoudergezin minder is dan bij eenoudergezinnen waarbij de ouder boven de 21 jaar is. Gelijke behandeling binnen dezelfde leeftijdsgroep van 18 tot 21 jaar levert dus een andere vorm van ongelijke behandeling op, namelijk van mensen die in een zelfde sociale positie verkeren doch van een verschillende leeftijd zijn. Ook de heer Schutte sprak daarover. In de schriftelijke behandeling hebben wij hiervoor aandacht gevraagd. De regering heeft geantwoord. dat wij kennelijk de argumentatie van het kabinet niet begrepen hadden. Die hebben wij heel goed begrepen en de regering is op zichzelf consistent in haar redenering. De regering kiest voor gelijke behandeling binnen een leeftijdsgroep. Wij vroegen nu juist, of hier geen andere redenering zou moeten worden toegepast, namelijk een vergelijking met andere eenoudergezinnen die in een zelfde sociale positie verkeren. Is leeftijd belangrijker als objectieve rechtvaardiging voor onderscheid dan bijvoorbeeld de sociale omstandigheden? Ik zou graag willen dat de staatssecretaris hierop nog eens uitdrukkelijk ingaat. Als er dan al niet in zijn algemeenheid binnen het BLN voor een andere positie van de eenoudergezinnen gekozen zou moeten worden, is het vervolgens de vraag in hoeverre het individualiseringsbeginsel uit de Algemene bijstandswet h.ier soelaas kan bieden. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of het individualiseringsbeginsel in de bijstandswet het de gemeenten toestaat, in individuele gevallen naar boven toe af te wijken, met name als de zorg voor het kind en de situatie waarin het moet opgroeien, in de knel komen doordat de middelen om te voldoen aan de noodzakelijke kosten van bestaan te kort schieten, juist omdat men langdurig op die lage norm is aangewezen. De tweede maatregel is de schoolverlatersmaatregel. Reeds in de schriftelijke behandeling hebben we aangegeven, de redenering van de regering te delen, dat niet vanaf de eerste dag van schoolverlaten de kosten van levensonderhoud ineens veranderen, omdat men geen student meer is. De illustratie daarvan wordt gegeven in het onderzoek dat de regering heeft laten doen naar aanleiding van het kritische advies van de Raad van State. Tegelijk blijkt uit dat onderzoek dat een zeer grote groep schoolverlaters zeer snel aan het werk komt, en dat na een halfjaar nog slechts 10% werkloos is. Voor die groep geldt dat de werkloosheid steeds minder een tijdelijk onvermijdelijk uitvloeisel is van de overgang tussen studie en werk, maar dat men problemen heeft om aan de slag te komen. Wat echter niet duidelijk is in de stukken, is of een persoon die werk heeft dat direct aansluit op de opleiding, maar die bijvoorbeeld onvrijwillig werkloos wordt binnen zes maanden, en die dus niet aan de referte-eis van de WW voldoet, vervolgens als schoolverlater wordt aangemerkt, of als werkloze werknemer in de zin van de RWW. Het laatste zou logisch zijn, gezien de onderbouwing die het kabinet geeft op de kritiek van de Raad van State. Graag op dit punt een toelichting van de staatssecretaris. Tot slot nog een algemene vraag. De voorstellen die we nu behandelen, vormen een verdere verfijning. Voor een deel is dat inderdaad een gevolg -mevrouw Doelman zei dat al -van keuzen die gedaan zijn. Hoewel de maatregelen zelf redelijk helder en eenvoudig zijn uit te leggen, blijkt uit de toelichting, de staatjes en alle bedragen dat het toch nog behoorlijk ingewikkeld is. Wij komen op minstens achttien verschillende bedragen, en dan hebben we de woningdelers nog niet meegerekend. Soms gaat het maar om een cent verschil! Kan dat niet gestroomlijnd worden in het kader van de herinrichting van de ABW?

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP): Mijnheer de voorzitter! Verlaging van de uitkering -daar gaat het in dit wetsvoorstel om -is voor de betrokken personen zonder twijfel een onplezierige zaak. Het is voor politici ook prettiger om leuke dingen voor de burger te doen. Maar in een tijd van financiële krapte, en een groot beroep op sociale voorzieningen, ontbreken daarvoor nu eenmaal de mogelijkheden. leder zal zijn bijdrage moeten leveren aan het weer gezond maken van de verzorgingsstaat, en wie sterk is zal dan ook meer dan wie zwak is kunnen maar ook moeten dragen. Jongeren behoren in het algemeen zeker niet tot de zwakkeren in de samenleving, in vergelijking met bijvoorbeeld ouderen, zieken en arbeidsongeschikten. Evenals de regering willen we dit wetsvoorstel zien in het licht van een geïntegreerd inkomens-en arbeidsmarktbeleid. Doel daarbij is dat jongeren betaald werken vinden, om zo te voorkomen dat ze een beroep moeten doen op een uitkering. Het eerste instrument, de Jeugdwerkgarantiewet, is inmiddels ingezet. Graag vernemen wij van de regering, of de JWG in de gemeenten ook goed van de grond komt, en aan de verwachtingen, te weten een uiteindelijk sluitende aanpak, blijkt te voldoen. Of zijn er ook nog knelpunten? Zijn er voldoende plaatsingsmogelijkheden, en hoe staat het met de motivatie van de deelnemende jongeren? Het tweede instrument betreft de verlaging van de uitkeringen voor jongeren, zoals die door dit wetsvoorstel wordt geregeld. Een verlaging van de uitkering bedoelt een extra stimulans te zijn voor jongeren om betaald werk te aanvaarden. Het wetsvoorstel valt in twee delen uiteen. In de eerste plaats wordt voor jongeren onder de 21 jaar de uitwonendenuitkering in beginsel afgeschaft. Terecht, naar onze mening. In een tijd van individualisering kan wel eens het beeld ontstaan dat iedere burger een maximale vrijheid dient te hebben, en als dat problemen oplevert, dient de overheid maar een oplossing te bieden. Tegen de tijdgeest van die ver doorgevoerde individualisering in, hechten wij echter veel waarde aan het samenleven in maatschappelijke verbanden, en het gezin, waarbij ouders en jongeren bij elkaar wonen, neemt daarbij nog altijd de voornaamste plaats in. Ouders hebben bovendien een wettelijke zorgplicht voor hun kinderen tot hun 21ste jaar. Zij dienen dan ook aan hun kinderen onderdak te verlenen en volgen hiermee -dat is van doorslaggevend belang -de Bijbelse roeping, hun kinderen op te voeden en te verzorgen. Aan die roeping is geen leeftijdsgrens gehecht. De overheid heeft hier hoogstens in uitzonderlijke gevallen een taak. Er zijn helaas ook niet-harmonische en ontwrichte situaties en dan komt de overheid uiteindelijk in beeld. Voorzitter! Wil een jongere niet thuis wonen, dan zal hij zelf of zullen zijn ouders in principe voor de financiële consequenties hiervan opdraaien. De gemeenschap hoeft dit niet te doen. Het is te gemakkelijk om dit af te wentelen op de overheid. De jongeren zien zichzelf graag als zelfstandige personen, waarbij met name zelfstandigheid ten opzichte van de ouders wordt bedoeld. Wanneer de overheid dan de zorgende rol zou overnemen, blijven de jongeren net zo min onafhankelijk. Het feitelijk stimuleren van uitwonen door een verhoudingsgewijs hogere uitkering wordt in het wetsvoorstel dan ook naar onze wijze van zien terecht gecorrigeerd. Wel vragen wij of het niet zinvol is ook eens kritisch te kijken naar het gebruik van de uitwonendenbeurs in de studiefinancienng, een zaak waarover al heel vaak gesproken is. Ik zeg dit dan ook niet voor het eerst. Mogelijk kan hier ook de eigen verantwoordelijkheid van de student en zijn ouders meer naar voren worden gebracht. Voorzitter! Een uitzondering wordt gemaakt voor jongeren beneden de 21 jaar die gehuwd zijn of ongehuwd samenwonen en één of meer kinderen hebben. Het is inderdaad gebruikelijk dat in die situatie niet meer bij de ouders of een van hen wordt gewoond. Wel kan de vraag in zijn algemeenheid worden gesteld of het verstandig is van die jongeren om op die leeftijd, als zij financieel nog niet op eigen benen kunnen staan, tot een huwelijk te besluiten en een gezin te stichten. Ik ga uiteraard die vraag niet voor hen beantwoorden, maar men moet zich deze vraagstelling naar de samenleving toe wel bewust zijn. Als het huwelijk is gesloten, is dit een gegeven van burgerlijke staat dat weegt in vergelijking met gehuwden die ouder dan 21 jaar zijn. Voorzitter! Deze benadering zou consequenties moeten hebben voor het Bijstandsbesluit landelijke normering. Enkele sprekers voor mij hadden het hier ook over. Een andere uitzondering betreft jongeren die al langer dan een jaar niet meer bij hun ouders wonen. Met deze uitzondering hebben wij -hoewel wij de gedachte die eraan ten grondslag ligt, op zichzelf wel onderkennen -wat meer moeite. Waarom de grens van een jaar? Wordt hierdoor juist niet het uithuiswonen en blijven wonen alsnog gestimuleerd? Graag ontvang ik hierop een reactie van de staatssecretaris. Voorzitter! De tweede maatregel in het wetsvoorstel betreft het verlagen van de uitkering van schoolverlaters gedurende het eerste halfjaar tot het niveau van de studiefinanciering. Ook met dit punt, zoals het ons door de regering is voorgelegd, kunnen wij instemmen. Wel vragen wij ons af of dit niet puur een bezuinigingsmaatregel is die eigenlijk losstaat van de doelstelling om jongeren spoedig aan een baan te helpen. Is het zelfs niet mogelijk dat deze maatregel in dat opzicht een averechts effect heeft? Door de verruimde bijverdienmogelijkheden in de studiefinanciering kan het voor studenten misschien aantrekkelijker zijn om het afstuderen nog enige tijd uit te stellen, namelijk zolang zij nog geen baan hebben. Kan dit geen extra kosten opleveren voor het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen? Graag zouden wij zien dat de regering nader inging op de relatie tussen dit onderdeel van de wet en de JWG. Volgens de regering is er geen direct verband aangezien de JWG slechts geleidelijk voor 21 plussers zal gaan gelden. De leeftijdsgrens van 27 jaar wijst daarentegen toch wel op een zekere relatie. Wanneer de JWG zou gelden voor alle jongeren onder de 27 jaar, dan is het de vraag of het nog juist is om onderscheid te maken tussen schoolverlaters en niet-schoolverlaters die op een uitkering zijn aangewezen. Geldt bovendien niet voor alle jongeren dat een verlaging van de uitkering een extra stimulans kan zijn voor het zoeken en aanvaarden van werk? Voorzitter! De vette jaren van de verzorgingsstaat zijn voorbij. De uitgedijde verzorgingsstaat ondergaat al enige tijd een vermageringskuur. Daarbij gaat het natuurlijk niet alleen om een verlaging van uitkeringen, maar ook om een draagvlak in de samenleving, om de daar aanwezige mentaliteit: de geestelijke instelling of houding ten aanzien van de totale inrichting, materieel en immaterieel, van de samenleving. In dat opzicht vinden wij het belangrijk dat mensen weer meer dan in het recente verleden wel geschiedde, op hun eigen verantwoordelijkheid en op de verantwoordelijkheid ten opzichte van elkaar worden gewezen. Het spreekt vanzelf dat redelijkheid en billijkheid bij de verdeling van lusten en lasten in acht genomen moeten worden. In dat licht kunnen wij dit wetsvoorstel steunen.

©

H.A.L. (Henk) van HoofDe heer Van Hoof (VVD):

Voorzitter! Het voorliggende wetsvoorstel tot wijziging van de Algemene bijstandswet zal naar verwachting morgen niet uitgebreid de voorpagina van de kranten halen Daarvoor lijkt het niet voldoende belangrijk. Dat neemt echter niet weg dat dit wetsvoorstel naar het oordeel van de VVD-fractie een aantal opzienbarende en baanbrekende elementen bevat. Ik zal hierop ingaan. Daarnaast heeft mijn fractie nog een aantal vragen en opmerkingen over dit wetsvoorstel. Een van de in het oog springende constateringen is ongetwijfeld dat door deze wijziging van de Algemene bijstandswet en de IOAZ aan bestaande groepen en categorieën binnen het totaal van de uitkeringsgerechtigden weer een nieuwe groep en weer nieuwe categorieën worden toegevoegd: de groep schoolverlaters van 21 tot 27 jaar, thuiswonend of uitwonend; alleenstaand, eenoudergezin of echtpaar. Niet alleen nieuwe groepen worden toegevoegd, maar er is tevens sprake van weer een nieuwe systematiek voor het bepalen van de van toepassing zijnde bedragen en de hoogte van de uitkering. Kortom, de voorgestelde wijziging van de wet draagt niet bij aan de eenvoud en de doorzichtigheid, die wij misschien wel juist bij een wetgeving als deze nastreven. Mijn fractie is dan ook van mening dat dit een nadelig effect van het wetsvoorstel is. Zij vraagt zich af, mede met het oog op de handhaving -een in deze periode uiterst actueel onderwerp -in hoeverre een en ander leidt tot extra belasting bij de uitvoering. Ik hoor op dit punt graag een reactie van de staatssecretaris. Met betrekking tot het aspect van de vereenvoudiging zal de staatssecretaris ongetwijfeld ook wijzen op het opheffen van de differentiatie in de uitkeringsbedragen voor 18-, 19-en 20-jarigen. Dat is overigens, naast de aanscherping van de uitwonendennorm en het creëren van een apart bijstandsregime voor de werkloze schoolverlater van 21 tot 27 jaar, in feite een derde wijziging die door middel van deze wetswijziging wordt doorgevoerd. Deze harmonisering wordt onder andere ingegeven door het argument van de daarmee te bereiken vereenvoudiging. Tegen de achtergrond van hetgeen ik zojuist gezegd heb, zal duidelijk zijn dat mijn fractie vereenvoudiging toejuicht. De vraag die daar logischerwijs op volgt, is de volgende: wanneer het met zo'n eenvoudig en tevens zo'n terecht argument mogelijk is om een deel van de leeftijdsdifferentiatie, namelijk die van 18-, 19-en 20-jarigen, op te heffen, is er dan geen aanleiding om na te gaan of de resterende bestaande differentiatie verder te verminderen is? Ik denk daarbij uiteraard aan een harmoni sering van de uitkeringen voor 21 -en 22-jarigen op overeenkomstige wijze. Voorzitter! Naar aanleiding van mijn woorden over de harmonisering kom ik tot de volgende vraagstelling. Wanneer het kennelijk mogelijk is om de leeftijdsdifferentiatie in de Algemene bijstandswet geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, zou dan niet gekomen kunnen worden tot het opheffen van diezelfde differentiatie in leeftijd als het gaat om de niveaus bij het minimumjeugdloon? Er is immers een relatie tussen het normbedrag van de bijstand en de hoogte van het wettelijk minimumjeugdloon. Zou zoiets ook niet moeten gebeuren voor de leeftijdscategorie van 18-, 19-en 20-jarigen? Bovendien geldt ook voor het minimumloon dat een verdere vermindering -verder dan de categorie van 18-, 19-en 20-jarigen -qua leeftijdsverschillen overwogen zou kunnen worden. Nu het kennelijk mogelijk is, bestaande oude principes en systemen in dezen te doorbreken, zijn er naar de mening van mijn fractie meer mogelijkheden. Ik zou op dit punt graag het oordeel van de staatssecretaris vernemen.

Voorzitter: Deetman

De heer Van Hoof (VVD)undefined: Voorzitter! Ik heb al aangegeven hoe in het bestaande systeem van leeftijdsdifferentiatie door dit wetsvoorstel wijziging wordt gebracht. Bovendien heb ik gezegd dat de relatie tussen het niveau van de bijstand en dat van minimumjeugdloon wordt losgelaten. Ik voeg daaraan nog een constatering toe, namelijk dat het principe dat de bijstandsnorm voor een echtpaar gelijk is aan het netto minimumloon door dit wetsvoorstel wordt doorbroken.

Dit alles overziend, zou dit wetsvoorstel ten minste baanbrekend genoemd kunnen worden. Ik zou de staatssecretaris dan ook willen vragen of zij alle afwijkingen van bestaande principes, verhoudingen en relaties, die in of met betrekking tot dit wetsvoorstel voorkomen en waarvan ik er een paar heb genoemd, eens wil inventariseren en daarbij bovendien wil aangeven tot welke verdere aanpassingen in deze of andere wetten dit zou kunnen leiden, wanneer naar analogie werd gehandeld. Dit hoeft uiteraard niet vandaag, maar het zou op een later moment een zeer bruikbaar gegeven kunnen zijn bij de gedachtenbepaling inzake de herinrichting van de Algemene bijstandswet. Dit brengt mij tot de vraag hoe dit voorstel zich verhoudt tot die herinrichting. Ik heb nog niet de mogelijkheid gehad, een en ander tot in details te vergelijken, maar is mijn indruk juist dat dit wetsvoorstel is verwerkt in het onlangs aan de Kamer gezonden wetsvoorstel ABW herinrichting, zoals ik het maar even noem? Heeft de staatssecretaris overigens overwogen om de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel uit te stellen en te incorporeren in de behandeling van de nieuwe bijstandswet? Hoe groot zal, als dat gebeurt, dan het toch al opgetreden besparingsverlies zijn? Voorzitter! Ik kom tot het verschil tussen de Wet op de studiefinanciering en de Algemene bijstandswet. In de memorie van toelichting wordt daarover gezegd dat de Wet op de studiefinanciering zich van de bijstandswet daarin onderscheidt dat slechts een gedeelte van de budgetten voor levensonderhoud en studie a fonds perdu worden verstrekt en dat het overige moet worden gefinancierd uit een ouderlijke bijdrage en/of een lening. De legitimatie daarvoor zou zijn gelegen in het feit dat het volgen van een studie of opleiding een bewuste keuze is en een investering in de toekomst. Dit betekent dat de ouderlijke bijdrage en die lening een wezenlijk onderdeel uitmaken van het beschikbare budget. Wanneer tengevolge van deze wetswijziging een schoolverlater van 21 jaar of ouder gedurende het eerste halfjaar na de beëindiging van de studie of opleiding die lagere bijstandsuitkering ontvangt, die er zoals gezegd van uitgaat dat er in de omstandigheden van betrokkene niets verandert, is het dan niet juist dat er door middel van deze wetswijziging van wordt uitgegaan dat er gedurende die periode sprake zal zijn van een aanvulling van de zijde van de ouders of door middel van een lening? Ik wil van de staatssecretaris op dit punt graag een duidelijk antwoord hebben, zodat volledig helder wordt of een groep bijstandsgerechtigden wordt gecreëerd voor wie ervan wordt uitgegaan dat er behalve via een uitkering ook anderszins, in de vorm van ondersteuning door ouders of via een lening, in het levensonderhoud moet worden voorzien. Wanneer de reactie hierop bevestigend is, zou er opnieuw sprake zijn van een opvallende, baanbrekende afwijking van bestaande principes.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik luister met veel belangstelling naar wat collega Van Hoof naar voren brengt en ik moet zeggen dat ik in toenemende mate wat hinder krijg van de spanning die hij steeds creëert tussen de principes die wij nu in wet-en regelgeving hebben liggen en het baanbrekende karakter van dit wetsvoorstel. Ik heb toch goed begrepen dat diverse onderdelen van het pakket dat nu voor ons ligt in het verleden door de VVD-fractie in dit huis zijn bepleit? U neemt daar toch geen afstand van?

De heer Van Hoof (VVD): Als ik mijn betoog afmaak, krijgt de heer Van der Vlies antwoord op die vraag. Ik ben het met hem eens dat er wel degelijk spanning in zit. De conclusie die aan die spanning verbonden moet worden is hoogst interessant. Als die spanning uitstraalt naar de rest van de sociale zekerheid of in ieder geval naar de Algemene bijstandswet, kan dat tot heel interessante conclusies leiden. Ik wacht eerst de uitspraken van de staatssecretaris daarover af. Een van de meest essentiële onderdelen van de toelichting zijn de overwegingen die hebben geleid tot het wetsvoorstel. Eraan refererend dat de Algemene bijstandswet voorziet in de kosten van levensonderhoud, afgestemd op de omstandigheden, stelt de staatssecretaris dat er, althans in het eerste halfjaar na het beeindigen van een studie, geen verschil is in omstandigheden en mogelijkheden van de schoolverlater en de studerende. Dat wordt na verloop van tijd gewijzigd. Er zouden dan -ik citeer de memorie van toelichting -"aan hem" -de schoolverlater dus -"dan andere eisen qua levensniveau worden gesteld". Ik zou mij nog hebben kunnen voorstellen dat er had gestaan dat er door hem, in plaats van aan hem, andere eisen qua levensniveau worden gesteld. In de schriftelijke voorbereiding is aan dit aspect de nodige aandacht gegeven. Tot mijn spijt is mijn fractie tot nu toe nog niet helemaal duidelijk waaruit die verschillen in omstandigheden en mogelijkheden die geleidelijkaan ontstaan, gaan bestaan. Waarom zijn die verschillen dan zodanig geworden, dat de schoolverlater van 21 jaar na een halfjaar van ƒ 467 naar ƒ 860 moet gaan en iemand van 23 van ƒ467 naar ƒ 1040? Ik gebruik de oude bedragen. Het gaat niet zozeer om de bedragen als wel om het uitgangspunt. Graag verkrijg ik nog een toelichting van de staatssecretaris op dit punt. Ik vind haar antwoord extra belangrijk omdat -dit is ook enigszins een antwoord aan de heer Van der Vlies -wanneer die verschillen niet duidelijk aan te geven zijn dit nogal wat consequenties zou kunnen hebben voor de hoogte van de overige bedragen in de Algemene bijstandswet. De wijziging van de wet wordt overigens niet alleen beargumenteerd met een verwijzing naar de ongewijzigde omstandigheden. Het wetsvoorstel wordt heel nadrukkelijk ook geplaatst in het kader van de JWG, waarbij voorts wordt verwezen naar de wachttijd in de RWW. Mijn fractie kan zich in die argumenten wel vinden, maar vraagt zich af in hoeverre het juist is dat de werking van de JWG en het voorliggende wetsvoorstel niet parallel lopen. Ook op dit punt krijg ik graag nog een verduidelijkende reactie van de staatssecretaris. Het voorstel geeft mijn fractie nog aanleiding tot een tweetal korte opmerkingen. De eerste is dat de vergelijking van de bedragen er nog weer eens de aandacht op vestigt, dat de hoogte van de bijstandsuitkering voor in dit geval met name jongeren en de hoogte van de bedragen in de Wet minimumloon heel dicht bij elkaar liggen en het bijstandsniveau soms zelfs hoger is. Dat is nadrukkelijk een reden om te wijzen op de wenselijkheid om die verschillen te vergroten, door een neerwaartse aanpassing van het minimumloon of misschien, met verwijzing naar hetgeen de nieuwe voorzitter van de vakcentrale CNV onlangs suggereerde, het afschaffen van het minimumloon.

Staatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Ik begrijp niet wat voor zin het heeft het verschil tussen een minimumuitkering en het minimumloon, als die bijna gelijk zijn, te vergroten door juist het minimumloon te verlagen. Dan zou de uitkering juist hoger zijn dan het minimumloon. Dit is echt inconsistent.

De heer Van Hoof (VVD): Het gaat erom dat in ieder geval duidelijk is dat de verschillen op dit moment niet groot zijn. Het is van belang dat naar een oplossing van dat probleem wordt gezocht. De gedachte die door de nieuwe voorzitter van de vakcentrale CNV is gehanteerd zou misschien een rol kunnen spelen. Mijn tweede opmerking is de belangrijke constatering, dat met name voor de 23-jarige of oudere schoolverlater een bijstandsniveau tot stand is gebracht dat onder het voor die leeftijdscategorie tot nu toe gehanteerde sociale minimum is gezakt. Ik vind dit op zichzelf baanbrekend en vraag mij af of daarmee een precedent is gecreëerd. Misschien kan de staatssecretaris dit nog zetten op de lijst over het doorbreken van bestaande principes die ik haar heb gevraagd. Voorzitter, ik rond af. De VVD-fractie kan instemmen met de harmonisering van het uitkeringsniveau voor 18-, 19-en 20-jarigen en dat geldt ook voor het aanscherpen van de uitwonendennorm. Op het stuk van het uitkeringsniveau voor de categorie 21-tot 27-jarige schoolverlaters zijn er nog enkele belangrijke vragen onbeantwoord gebleven. Tot slot constateer ik dat er nogal wat principes worden doorbroken, hetgeen mogelijk precedenten met zich meebrengt.

©

A.M. (Margo)  VliegenthartMevrouw Vliegenthart (PvdA):

Voorzitter, de heer Van der Vlies zei al dat de VVD in een vorige kabinetsperiode mede-initiatiefnemer was van voorstellen die verdergingen, ook voor de categorie boven 21 jaar, dan de voorstellen die wij nu behandelen. Daarbij was die principiële vraag zelfs nog sterker aan de orde dan nu. Verder hebben wij ter voorbereiding van deze behandeling ook een aantal keren mondeling overleg gevoerd met de staatssecretaris, waarbij de VVD-fractie heeft ingestemd met de uitgangspunten voor de maatregelen die wij nu bespreken. Zij heeft verder niet deelgenomen aan de schriftelijke voorbereiding van de behandeling van het wetsontwerp; dat is haar goed recht, maar ik ben wel enigszins verbaasd door alle vragen en opmerkingen van de heer Van Hoof.

©

H.A.L. (Henk) van HoofDe heer Van Hoof (VVD): U heeft gelijk, de grote lijn van de uitgangspunten voor het wetsvoorstel is in het mondeling overleg door de VVD-fractie onderschreven. Het gaat mij in dit debat ook niet om het ter discussie stellen van het wetsvoorstel, het gaat mij erom dat er in het wetsvoorstel op een aantal punten zodanig wordt afgeweken van bestaande regels, principes en verhoudingen dat wij ons moeten afvragen, in hoeverre er naar aanleiding van hetgeen in dit wetsvoorstel aan de orde wordt gesteld, geen conclusies zouden kunnen worden getrokken die verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor bijvoorbeeld de behandeling van de herinrichting van de ABW. Maar zulke conclusies heb ik nog niet getrokken, ik wacht het antwoord van de staatssecretaris af.

D

©

A.J. (Arthie)  SchimmelMevrouw Schimmel (D66): Mijnheer de voorzitter! Wat een narigheid heeft de staatssecretaris gehad met het verlagen van de bijstandsuitkering voor jongeren onder de 27 jaar! Allereerst had de Toetsingscommissie voor wetgevingsprojecten nogal zware kritiek, met name op de juridische vormgeving van een en ander. Aan die kritiek is de staatssecretaris tegemoet gekomen. Vervolgens had de Raad van State nogal veel

bezwaren, met name tegen de onderbouwing van de regeling. Een gedeelte van die bezwaren kwam ons in ieder geval bekend voor. Volgens ons is de regering er redelijk in geslaagd om ook aan deze kritiek enigszins tegemoet te komen, hoewel wij er niet gerust op zijn dat de regeling op alle punten houdbaar zal zijn. Ik noem het punt waar ook de heer Schutte op doelde: hoe rechtvaardigt de regering dat er in de noodzakelijke kosten van bestaan een verschil kan bestaan tussen de 27-jarigen en de plus-27-jarigen? De heer Schutte gaf al aan dat je dan groepen gaat isoleren die een ander niveau van de noodzakelijke kosten van bestaan hebben. Je vraagt je dan al snel af, in hoeverre er een volgende stap zal worden gedaan waarbij weer een andere groep geïsoleerd gaat worden. Zo kom je uiteindelijk op verschillende niveaus waarbij de ABW een verschil zou kunnen gaan uitmaken. Een punt van kritiek dat door de regering is weerlegd, is dat de levensstijl van een werkloze schoolverlater ongeveer te vergelijken is met de levensstijl van een student. Daar is onderzoek naar gedaan. De Raad van State heeft ook kritiek geleverd op het feit dat voor 18-tot 21-jarigen de inwonendennorm in principe gaat gelden terwijl dat voor de 18-tot 21 -jarigen onder de WSF niet geldt. Hij vraagt daar een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor. De regering geeft dan als rechtvaardigingsgrond dat een werkloze jongere ook vanuit zijn ouderlijk huis arbeid kan verwerven. Ik vraag mij af of deze veronderstelling juist is. Wij voeren toch een beleid waarbij niet alleen heel dicht bij huis naar arbeid moet worden gezocht? Ik vraag me toch af, in hoeverre dit een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond is om uiteindelijk te kunnen zeggen dat wij bij de 18-tot 21-jarigen in principe uitgaan van de norm voor inwonenden. Is daar dan ook een onderzoek naar gedaan? In hoeverre kun je dit argument overeind houden? Het belangrijkste punt voor mijn fractie, waarop wij ook een amendement hebben ingediend, is dat wij de keuze kunnen onderschrijven om die bijstandsuitkeringen voor jongeren van 21 tot 27 jaar te verlagen naar het niveau van de budgetten voor levensonderhoud op basis van de Wet op de studiefinanciering. Wij vinden het wel belangrijk dat de invoering daarvan parallel loopt aan de Jeugdwerkgarantiewet, met name wat betreft de doelgroep waarvoor de Jeugdwerkgarantiewet gaat gelden. Ons amendement is intussen rondgedeeld De toelichting staat erbij. Het komt er toch vooral op neer dat wij de relatie willen leggen tussen een werk-en scholingsgarantie en de wijziging van de uitkeringsmaatregelen voor jongeren tot 27 jaar. Dat betekent dat bij de toepassing van de voorgestelde nieuwe bijstandsnormen rekening zal worden gehouden met de vraag of die jongeren reeds tot de werkingssfeer van de Jeugdwerkgarantiewet behoren. Nog een opmerking over het beperken van de uitwonendennorm voor degenen jonger dan 21 jaar. Wij zijn ook wel gevoelig voor de bezwaren die door de Emancipatieraad en de SER zijn geformuleerd. Het regeringsvoorstel zal de individuele keuzevrijheid van schoolverlaters, jonger dan 21 jaar, om buitenshuis te gaan wonen ernstig belemmeren. Ook de heer Schutte heeft daar al op gewezen. In hoeverre staat het ene gedeelte van het regeringsbeleid toch niet haaks op hetgeen waarvoor wij nu kiezen? De beperking van de uitwonendennorm zal ervoor zorgen dat de economische en zorgzelfstandigheid van jongens en meisjes zeker niet wordt bevorderd. Ik vraag de staatssecretaris dan ook om hierop nog eens in te gaan. Het laatste punt dat ik naar voren wil brengen, is ook al door de overige sprekers, met name mevrouw Doelman, mevrouw Vliegenthart en de heer Van Hoof, naar voren gebracht. Deze maatregelen maken de uitvoering weer niet eenvoudiger. Wat ik eigenlijk heel erg jammer vind, is dat wij heel vaak op spreekbeurten en op fora horen dat het allemaal eens wat minder ingewikkeld en minder verfijnd moet worden en dat je niet almaar door moet blijven gaan met het onderscheiden van steeds meer groepen in alle uitvoeringsmaatregelen in de sociale zekerheid. Wij zijn blijkbaar heel weinig in staat om dat uiteindelijk vorm te geven in de wetsvoorstellen die wij zelf naar voren brengen. Ik vind het heel erg jammer om te moeten constateren dat wij er ook vandaag weer alleen maar mee bezig zijn om een ingewikkeld systeem op poten te zetten met verschillende leeftijdscategoneën, namelijk van 18 tot 21 jaar en van 21 tot 27 jaar. Mevrouw Vliegenthart heeft ook al gevraagd hoeveel groepen je in het een en ander kunt onderscheiden en hoeveel kwartjes en dubbeltjes dat allemaal weer oplevert. Wij kunnen wel klagen over een heel mgewikkelde uitvoeringsinstantie, maar wij moeten ook de hand in eigen boezem steken en kijken in hoeverre wij daar niet zelf een rol in vervullen. Helaas zijn wij blijkbaar geen van allen in staat geweest om op dit punt een amendement in te dienen om te proberen ons aan onze eigen woorden te houden. Ik noem maar de verschillende vrijlatingsregelingen. Het lijkt mij in ieder geval een hele klus voor het uitvoeringsveld om daar weer op een fatsoenlijke manier mee om te gaan.

©

W.J. (Wilbert)  WillemsDe heer Willems (GroenLinks): Voorzitter! Ik begin met de conclusie van mijn betoog. De fractie van GroenLinks kan zich niet vinden in het voorstel van de staatssecretaris. Als het aan ons had gelegen, had dit wetsvoorstel überhaupt het licht niet gezien. Ik ken de achtergrond van het zogenaamde jongerendossier en wellicht wenst de staatssecretaris daarom ook dat ik wat coulanter tegenover haar zou zijn en wat begrip zou kunnen opbrengen. Wie immers de IJW, de IWS en het revolutionaire voorstel van de Raad voor het jeugdbeleid erop naslaat, moet wel constateren dat de staatssecretaris de schade nog beperkt heeft gehouden. Daarvoor ook hulde, maar de schade blijft. De huidige uitkeringsrechten van jongeren worden op een zeer ongeloofwaardige en ongelukkige manier beperkt. Het is een wijze van kruimelen en kruidenieren in de sociale zekerheid waarvan de voordeurdelersmaatregel het dieptepunt vormde. Hoe vaak hebben de sociale diensten al niet laten weten dat dit een onuitvoerbare maatregel was en is? Met dit wetsvoorstel slaat opnieuw de verbijzondering van de bijstand toe. Dat is begonnen met de voordeurdelersmaatregel. Opnieuw worden oneigenlijk diverse groepen in de bijstand onderscheiden. En wat ons betreft is dat een onwenselijke ontwikkeling. Bij de herinrïchting van de Algemene bijstandswet, die binnenkort hier aan de orde is, zal daar zeker opnieuw over gesproken worden. De fractie van GroenLinks vindt dat wij een keer zouden moeten ophouden met dit soort generiek maatwerk. In een mondeling overleg hebben wij al gesproken over de jongerenuitkeringen. Elke keer als ik de voorgenomen maatregelen lees -nu dan in de vorm van een wetsvoorstel -krijg ik pnkkeloogjes van de ingewikkeldheid. Zowel de voorstellen als de argumentatie die gehanteerd wordt, zijn soms van een complexiteit en een vergezochtheid die mijn inlevingsvermogen te boven gaan. Ik vind dat een slechte beurt voor dit kabinet. Het komt met maatregelen die niet zijn uit te leggen. Was het niet veel makkelijker en ook eerlijker geweest om te zeggen "ik heb gewoon geen geld, er moet worden bezuinigd, de uitkeringen moeten naar beneden, daar moet iedereen voor betalen, dus ook de jongeren"? Dan hadden wij een helder debat kunnen hebben over de vraag of wij dat terecht vonden of niet. Voorzitter! Wat de 21 -tot 27-jarigen betreft, waar dit wetsvoorstel betrekking op heeft, krijgen de schoolverlaters een uitkering die afgeleid wordt van het niveau van de basisbeurs. Ik heb mij over die redenering zeer verbaasd. Ik heb met de collega's voor onderwijs regelmatig gesproken over de harmonisatie van aan de ene kant de studlefinanciering en aan de andere kant de bijstand en de minimumuitkeringen voor jongeren. Wij kregen altijd van de regering te horen dat dit niet kon, omdat de studiefinanciering een kwalitatief andere inkomensvoorziening was dan de bijstand en er dus heel moeilijk vergelijkingen te trekken waren. Studiefinanciering was een soort compensatie voor het verkrijgen van studiegenot. Uitkeringen hadden iets te maken met werkloos zijn of werk hebben. En toch wordt die koppeling, maar nu op een omgekeerde manier, door de regering gelegd. Ook de Raad van State heeft indertijd heel duidelijk opmerkingen gemaakt over de afstemming van beide zaken.

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP): Ik maak even een kanttekening bij de vergelijking van de studiefinanciering en de uitkeringen. Er is een hele discussie over gevoerd wat je met het ene dan wel het andere bedoelde. Het zal de heer Willems niet zijn ontgaan -ik geloof dat hij zelfs naast mij zat in het desbetreffende debat -dat, toen wij de studiefinanciering op zichzelf herinrichtten, er onderscheiden lagen zijn gemaakt. In die lagen zaten doelstellingen van voorzieningen. Dan is er wel degelijk een parallel te trekken.

©

W.J. (Wilbert)  WillemsDe heer Willems (GroenLinks): Tijdens dat debat in 1986, maar ook later, heb ik geprobeerd om duidelijk te maken dat je ook bij de studiefinanciering te maken hebt met een inkomensvoorziening voor jongeren. Het is beter om het niveau daarvan af te leiden van de Wet op het minimumloon, zodat je een uitdrukkelijke koppeling hebt met de ontwikkeling van de andere uitkeringen. Dat argument, nog onlangs hier in de Kamer naar voren gebracht, werd door de minister van Onderwijs en Wetenschappen -ook in een vorige regeringsperiode -voortdurend afgewezen, met als reden dat het om een eigensoortige voorziening ging, waardoor ook de indexering op een andere manier zou moeten gebeuren dan bij de lonen en uitkeringen. Wij hebben dat toen een vreemde redenering gevonden. In feite is voor het hele niveau van de studiefinanciering dus een eigensoortige redenering opgebouwd. Dat niveau is onderverdeeld in verschillende groepen, maar de redenering als zodanig wijkt af van de voorzieningenredenering die achter de Wet op het minimumloon en de uitkeringen in het kader van de Algemene bijstandswet werd geformuleerd. De Raad van State heeft daarover overigens ook diverse keren kritische opmerkingen gemaakt. Hiermee sluit ik ook wel aan bij de gedachte over de wenselijkheid van harmonisatie van jeugdlonen, studiefinanciering en uitkeringen. Die wenselijkheid als zodanig hebben wij ook nooit bestreden. Wij willen die echter juist naar de andere kant toe. De harmonisatie moet er niet toe leiden dat elke keer de rechten van jongeren verslechteren. Zij moeten in feite verbeteren. Het is inderdaad een kwestie van geld.

De staatssecretaris stelt dat de situatie van een schoolverlater gedurende het eerste halfjaar werkloosheid na de studie niet vergelijkbaar is met de situatie van werkloze jongeren. Nee, de situatie van die schoolverlater is volgens haar vergelijkbaar met de situatie van de student. En dus mag de uitkering omlaag. En waarom dat na een halfjaar niet meer zo is en waarom de situatie van de schoolverlater dan wél vergelijkbaar is met die van de jonge werkloze en waarom hij of zijn dan recht heeft op een hogere uitkering, blijft nogal duister. Het is eigenlijk duidelijk dat de enige motivering hiervoor geldgebrek is. Wie de debatten uit begin 1986 erop naslaat, hoort het de toenmalige minister van Onderwijs en Wetenschappen nog zeggen: een van de belangrijkste voorwaarden voor het nieuwe stelsel is budgettaire neutraliteit. Een meerderheid van de Kamer wilde toen de leeftijds-grens in het nieuwe stelsel van 27 naar 30 jaar verhogen; de voorzitter herinnert zlch waarschijnlijk nog alles van die discussie. Ik citeer uit de schriftelijke voorbereiding voor het voorstel van wet op de studiefinanciering: "In verband met de honorering van de eveneens vrij unaniem geuite wens de leeftijds-grens van 27 jaar te verhogen, was het niet mogelijk uit te gaan van een hoger bedrag dan dat voor een 18-jarige uitwonende." In de nota naar aanleiding van het eindverslag werd nog door de regering opgemerkt: "Wij hebben geen kans gezien de inkomensniveaus van 18-jarigen op een zodanig niveau te brengen dat men daar zelfstandig van kan leven." Zo is dus het te lage normbedrag voor de studiefinanciering tot stand gekomen. Sindsdien is de studiefinanciering er bepaald niet beter op geworden. Nu, anno 1992, verlaagt de regering de bijstand naar een niveau waarvan het kabinet in 1986 vond dat het te laag was. Kennelijk is het minimumniveau van de sociale zekerheid voortdurend voor discussie vatbaar. Het valt op dat deze bodem elk jaar lager komt te liggen. Verlaging van lonen, toelagen, uitkeringen en normbedragen en het instellen van wachttijden van een halfjaar, zoals bij de RWW, worden na verloop van jaren zelf weer de norm waaraan andere uitkeringen worden getoetst. Deze blijken dan vanzelfsprekend weer te hoog te zijn vergeleken met de nieuw ingevoerde normen. Onder de noemer van gelijke behandeling kan zo nog heel wat bezuinigd worden. De jongerenuitkeringen kunnen naar beneden, omdat ook de vroege schoolverlaters een halfjaar wachttijd hebben. Zo kan ook het wettelijke minimumloon met 30% naar beneden als loon voor niet meer bestaande kostwinners. Zo kan ook de WAO naar beneden, want die uitkeringen zijn te royaal. Zo kan ook 10% van de bijstandsnorm worden gebruikt voor schuldsanering; anders worden bijstandstrekkers maar uitgenodigd om schulden te maken, zo lijkt de redenering te zijn. Zo kan ook de nabestaandenuitkering naar beneden. Bovendien wordt met de regelmaat van de klok het hele stelsel ter discussie gesteld, net zolang tot wij feitelijk op een minimumstelsel uitkomen. Het moge duidelijk zijn dat deze gang van zaken de fractie van GroenLinks niet erg aanspreekt. Hoelang zal het nog duren voordat de nieuwe schoolverlatersnorm op het niveau van de studiefinanciering, die nu wordt voorgesteld, de norm voor alle uitkeringen tot 27 jaar zal zijn? Ik keer terug naar de 21 -jarigenmaatregel. Ik kan mij voorstellen dat het kabinet de uitkeringen verlaagt om schoolverlaters buiten het Jeugdwerkgarantieplan te houden. Na een halfjaar op de beurs-RWW komt immers de JWG al in zicht. Dit soort prikkelargumentatie is tegenwoordig nogal populair. Je kunt het ook vriendelijker formuleren: het kabinet getroost zich een grote inspanning om langdurige werkloosheid te voorkomen. Hier tegenover staat tijdelijk een lager uitkeringsrecht, want aan het einde van de rit is er altijd een baan in zicht, regulier of via de JWGO. Het heeft mijn eerste voorkeur niet, maar hier zit ten minste nog enige iijn in. Daarom heeft de heer Rosenmöller, die eerst dit debat voor GroenLinks zou doen, samen met mevrouw Schimmel een amendement mgediend waarmee een parallelle invoering van de 21 -jarigenmaatregel en de JWG wordt beoogd. Voor schoolverlaters die niet onder de JWG vallen, geldt deze maatregel dus niet. Dit vind ik in ieder geval rechtvaardiger dan de huidige maatregel Ik zie graag een reactie van de staatssecretaris hierop tegemoet. Hiermee kom ik toe aan het tweede onderdeel van het wetsvoorstel, de beperking van het recht op de uitwonendennorm. De fractie van GroenLinks is tegen deze maatregel, omdat het haaks staat op de principes van economische zelfstandigheid en zorgzelfstandigheid. Wij zien niet in waarom nu ineens de rechten van 18-, 19-en 20-jarigen moeten worden beperkt. De staatssecretaris beroept zich hierbij op het Burgerlijk Wetboek en vindt dat jongeren onder de 21 in principe geheel of gedeeltelijk door hun ouders moeten worden onderhouden. Bij de studiefinanciering is juist voor een andere weg gekozen: economische zelfstandigheid van studerenden vanaf 18 jaar. De eenheid van regeringsbeleid is hier blijkbaar nog afwezig. Het ligt eerder in de lijn van de verwachtingen dat de desbetreffende bepalingen in het Burgerlijk Wetboek worden gewijzigd. Waarom is hier uitgerekend voor het volgen van het Burgerlijk Wetboek gekozen, terwijl andere keuzes nog mogelijk zijn? Omdat het wetsvoorstel als zodanig op dit punt niet amendeerbaar is, overweeg ik nog om hierover samen met D66 een motie in te dienen. Voorzitter! Onze conclusie is -daarmee kom ik weer terug bij mijn begin -dat het een onzalig wetsvoorstel is, dat indruist tegen een economische zelfstandigheid voor juist de nieuwe generatie. De sociale zekerheid volgt daarmee niet de maatschappelijke ontwikkeling, zoals de staatssecretaris ons bij de nabestaandenwet wil doen geloven, maar draait deze ontwikkeling terug. De bijstand wordt nog ingewikkelder dan deze al is en de waaier van diverse onderscheiden groepen wordt steeds groter. Dit alles biedt weinig perspectief voor de toekomst. Als het erom gaat de sociale zekerheid betaalbaarte houden, weet mijn fractie wel een andere inzet te kiezen. Dit soort wetsvoorstellen doet vrezen voor toekomstige discussies over de studiefinanciering: waarom moeten de studenten onder de 21 eigenlijk buitenshuis wonen en waarom niet de uitkering gedurende het tweede halfjaar voor 21 -plussers ook verlagen? Ook is er vast onderzoek mogelijk dat bevestigt, dat het verschil tussen werkloze jongeren en studenten gering is. De geschiedenis leert namelijk dat, wanneer de veronderstelde gelijke behandeling geld oplevert, een kabinet het niet zal laten om dat door te voeren.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 18.28 uur tot 20 00 uur geschorst.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.