De voortzetting van de behandeling van: het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband m... - Handelingen Tweede Kamer 1991-1992 23 juni 1992 orde 14


Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van: het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar (22163)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

©

E. (Elske) ter VeldStaatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Ik wil graag beginnen met de Kamer dank te zeggen voor de positieve wijze waarop zij dit wetsvoorstel heeft benaderd. Misschien is het goed -daarnaar is verwezen door de heer Schutte, mevrouw Doelman en de heer Van Hoof; de laatste zelfs met enige weemoed, meen ik -iets te zeggen over het verleden. Ik zal dit vrij kort doen. Sinds 1988 -inderdaad, mevrouw Vliegenthart wees erop, dus ook al onder het vorige kabinet -vindt discussie plaats over bijvoorbeeld de beperking van het recht op de uitwonendennorm, de hoogte van het minimumjeugdloon en de uitkeringsrechten van mensen jonger dan 27 jaar. Maar niemand zal het mij kwalijk nemen als ik begin bij het regeerakkoord van het huidige kabinet. In het regeerakkoord hebben wij duidelijk vastgelegd, dat de uitwonendennorm voor jongeren beneden de 21 jaar uitsluitend nog toegepast zou worden in specifiek omschreven gevallen, dat voor schoolverlaters van 21 jaar en ouder een wachttijd van zes maanden zou worden ingevoerd vooraleer het recht op RWW zou worden ingevoerd, waarbij in dat halfjaar een uitkering zou worden verstrekt ter hoogte van de huidige norm van levensonderhoud van de WFS, met een grotere vrijlating ten opzichte van de huidige RWW en dat behalve deze twee maatregelen en de sluitende aanpak geen verdere wijziging in de uitkeringsniveaus en uitkeringsrechten voor jongeren beneden 27 jaar zouden worden aangebracht. Het is ook aan mij om daaraan zo goed mogelijk mee vorm te geven. Het is duidelijk dat wij daarmee bezig zijn geweest. Ik dank mevrouw Schimmel voor haar constatering -zij riep: wat een triestheid -dat het pad om het voornemen uit het regeerakkoord tot uitvoering te brengen niet erg gemakkelijk is begaan. Wij waren begonnen met de IWS, de Inkomensvoorziening werkloze schoolverlaters, een soort eigen wetje voor schoolverlaters, gedurende het eerste halfjaar, met een IWS-uitkering gelijk aan het WSF-budget. Maar de commissie-Kortmann constateerde, dat een dergelijk apart uitkeringsregime in een aparte wetgeving onverstandig zou zijn. Het zou tot complicaties leiden. Het element moest worden opgenomen in het zogenaamde BLN. De tweede stap was de oorspronkelijke wijziging van het BLN, met aparte normen voor schoolverlaters en niet-schoolverlaters waarbij, naar ik toegeef voor het gemak, voor echtparen en samenwonenden geen aanpassing van de bijstandsnorm werd overwogen. Dat is ook belangrijk voor de discussie die door de heren Schutte en Van der Vlies is aangekaart. Wij hebben toen overwogen schoolverlaters een halfjaar een lagere uitkering toe te kennen, maar voor echtparen en samenwonenden de leefsituatie prioriteit te geven boven schooltijd en leeftijd. De Raad van State achtte dat in strijd met de gelijke behandeling. Dit is al een eerste reactie op de vraag van de heren Schutte en Van der Vlies of ik bereid ben, het BLN aan te passen. De Raad van State constateerde bij het oorspronkelijke voornemen tot wijziging van het BLN, dat als voor alleenstaanden met of zonder kinderen de norm kan worden afgestemd op het niveau van de studiefinancierlng dezelfde overwegingen behoren te gelden voor echtparen en samenwonenden. Mevrouw Schimmel heeft gelijk. Het is niet zo gemakkelijk om dergelijke voornemens keurig in wetsvoorstellen om te zetten. Na het mondeling overleg van 23 oktober 1990 kwam het kabinet tot het nadere besluit, dat de schoolverlatersnormen zouden worden afgeleid van de norm voor 18-jarigen van de bijstand en dus niet van de WSF. Er wordt dan uitgegaan van de normale systematiek zoals die geldt voor bijstand, inclusief de koppelingssystematiek. De schoolverlatersnorm zou gaan gelden voor alle categorieën, dus ook voor echtparen en samenwonenden. Het kabinet heeft ook besloten de doorwerking van een en ander naar de normen voor degenen die jcnger zijn dan 21 jaar te vereenvoudigen. Op 21 februari 1991 hadden wij opnieuw een mondeling overleg. Ik kom daarop terug bij de discussie over echtparen. Mevrouw Vliegenthart was toen content met de toezegging, dat nooit voor meer dan één van de echtelieden de thuiswonendennorm zou worden toegepast; voor de ander dus de uitwonendennorm. Een echtpaar zal toch hooguit in één van de huishoudens waaruit het voortkomt wonen. Ik wil niemand er de schuld van geven, maar door het hele proces zijn de wetgevingsmaatregelen voor degenen die jonger zijn dan 21 jaar niet eerder van kracht geworden dan met de inwerkingtreding van het JWG. Die wens uit de Kamer is dus in ieder geval volledig gewaarborgd. Over de voorstellen in het algemeen maakte de heer Schutte een heel belangrijke opmerking, namelijk dat hij van rnening was dat een budgetonderzoek niet de norm voor de Algemene bijstandswet zou kunnen bepalen. Ik ben dat met hem eens. Voordat wij het BLN invoerden, werd er inderdaad getracht, de minimumbestaansnorm af te leiden van budgetonderzoek. Een van mijn voorgangers, mevrouw Dales als staatssecretaris, heeft ook al eens gezegd dat wie uitgaat van een uitgavenpatroon voor het bepalen van de minimumnorm, het risico loopt dat hij die norm steeds lager moet stellen, want als je een bepaalde uitgave niet kunt doen, wordt dat na verloop van tijd normaal. Zo hebben wij het dan ook niet gedaan. In het onderzoek waarnaar de Raad van State vroeg, hebben wij alleen nagegaan of er een onderscheid was tussen de leefwijze van schoolverlaters en die van studenten. In beide gevallen hebben wij niet bekeken of er sprake was van het juiste minimum. Mevrouw Dales wees er indertijd op dat budgetonderzoek in Zuid-Afrika tot de conclusie leidde dat men kennelijk geen jas nodig had omdat men er nooit een kocht, terwijl het ook daar toch wel eens vriest. Nogmaals, het onderzoek op verzoek van de Raad van State had dus niet te maken met de hoogte van de uitkering, het was uitsluitend bedoeld om na te gaan of de leefwijze van studenten en schoolverlaters het eerste halfjaar verandert als gevolg van de wijziging van hun situatie. En wij hebben allen kunnen constateren dat de grootste wijzigingen voornamelijk veroorzaakt worden door het feit dat men een hogere uitkering krijgt. De heer Van Hoof merkte op dat hij het werk van het kabinet als "baanbrekend" zou willen karakteriseren. Vanuit mijn invalshoek hoop ik dat wij meer banen zullen creëren dan "breken". Een verdere inventarisering lijkt mij niet noodzakelijk. Mocht de heer Van Hoof van mening zijn dat bij de herziening van de Algemene bijstandswet verdergaande voorstellen denkbaar zouden zijn dan door het kabinet zijn gedaan, dan wacht ik de schriftelijke inbreng van de fractie van de VVD daarover graag af. De heer Willems is tegen. Toch wil ik hem zeggen dat zijn positieve interpretatie absoluut de juiste is geweest. Ik dank hem er dan ook voor dat hij in ieder geval in staat is geweest, deze positieve interpretatie door de hele tekst heen terug te vinden. Dan nog een algemene opmerking over het wetsvoorstel. Zelfstandigheid is zeker een belangrijke zaak voor jongeren, die opgroeien en zelfstandig willen zijn. De eerste zaak die daarbij hoort is naar mijn overweging dat degene die zelfstandig wil kunnen functioneren, die gebruik wil kunnen maken van het recht om zelfstandig te wonen, dat moet kunnen doen op grond van het eigen arbeidsinkomen. Zelfstandig zijn ten laste van een uitkering hebben wij voor mensen die vroeg gehandicapt zijn en niet anders kunnen, in de AAW en dergelijke gerealiseerd. Onze invalshoek is: "Zelfstandigheid? Zeker, maar voer die zelfstandigheid dan wel door naar de arbeidsmarkt." Bij de voorgestelde maatregelen, met name voor de jongeren onder de 21 jaar, zijn een aantal vragen gesteld over de beperking van de norm voor uitwonenden. In het algemeen wordt de norm voor uitwonenden toegepast wanneer deze noodzakelijk of redelijk is. Wij hebben daarbij een aantal voorbeelden genoemd: beide ouders zijn overleden, de ouders zijn woonachtig in het buitenland, de jongere is in het kader van de jeugdhulpveriening buitenshuis geplaatst of de jongere woont al ten minste een jaar buitenshuis vaor het begin van de bijstand. Vanzelfsprekend hebben de gemeenten via de bijstandswet de mogelijkheid om, bijvoorbeeld op basis van een indicatiestelling door een instelling voor jeugdhulpverlenlng, te besluiten dat er ook dan sprake kan zijn van toepassing van de norm voor uitwonenden, ook zonder dat er sprake is van vermeende plaatsing buitenshuis, dus wanneer verblijf bij de ouders niet mogelijk is. Mevrouw Doelman vroeg hiernaar. Deze mogelijkheden hoef je niet nader te omschrijven, omdat je dan alle uitzonderingen categoraal zou moeten omschrijven, waardoor je niet meer kunt spreken van individualisering. De genoemde mogelijkheid tot individualisering bij het toepassen van de norm voor uitwonenden is dus inderdaad inherent aan de bijstandsnorm. Wij hebben verder bij de uitkeringen voor mensen onder de 21 geen onderscheid meer naar niveaus. In het eerste halfjaar is daarvan overigens nog geen sprake, omdat dan immers de ouders kinderbijslaggerechtigd zijn. Wat dat betreft is er dus enige vereenvoudiging. Bij echtparen of samenwonenden, als elk van de echtgenoten jonger dan 21 jaar is, is er een optelsom van de uitkeringen die elk als alleenstaande zou hebben, maar per persoon nooit meer dan de halve echtparennorm en slechts voor één de thuiswonendennorm. Ik begrijp heel goed dat er een discussie kan zijn -die discussie hebben wij hier al eerder gevoerd -over de vraag wat nu grotere gelijkheid is. Is dat de gelijkheid naar het schoolverlater zijn en onder de 21 of de gelijkstelling tussen echtparen c.q. samenwonenden en de leefsituatie? Ik moet er toch op wijzen dat de Raad van State juist op dit punt mijn eerste voornemen tot wijziging van het BLN ten stelligste heeft afgeraden, omdat ik daarmee een onderscheid zou maken dat strijdig wordt geacht met de Grondwet en artikel 26 van het BuPo. Zou een dergelijk onderscheid wel worden aangebracht, dan kan ook een alleenstaande die wordt geconfronteerd met een beperking van de uitwonendennorm, waarschijnlijk met succes een beroep doen op grond van ongelijke behandeling. Dus uitvoering van een dergelijk voorstel zou leiden tot het schrappen van de gehele uitwonendenmaatregel. Nog los van het besparingsverlies van 56 mln. lijkt mij dat ook niet de bedoeling. Voorzitter! Op zichzelf is het zo dat in het voorstel voor echtparen, evenals voor alleenstaanden, met kinderen geen beperking van de uitwonendennorm wordt aangebracht. Voor echtparen zonder kinderen geldt de beperking slechts ten aanzien van één van hen. De maatregel maakt dus het voeren van een gezamenlijke huishouding mogelijk, zij het dat het paar in voorkomende gevallen bij de ouders van één van hen moet inwonen. Een ouderlijke bijdrage wordt niet in mindering gebracht op de bijstandsuitkering, als er sprake is van wonen binnen de huishouding van één van de ouders en als die bijdrage bestaat uit de normale activiteiten, zoals bewassing, het beschikbaar stellen van een kamer en dergelijke. Met een relatief beperkte ondersteuning kan er dus in die zin toch sprake zijn van zelfstandig wonen. Nogmaals, de maatregel geldt alleen voor nieuwe gevallen. Echtparen die jonger zijn dan 21 jaar en nu een bijstandsuitkering ontvangen, houden dus de gewone norm. Dat is een kwestie van een overgangsperiode. Voorzitter! Juist omdat ik zelf in de eerste versie van het BLN een dergelijk voorstel had opgenomen om het alleen voor de alleenstaande jongeren te gebruiken en omdat de Raad van State zo uitdrukkelijk adviseerde om dat absoluut niet te doen, maar om de gelijke behandeling daar te laten plaatsvinden waar het om de leeftijd ging, lijkt het mij verstandig dat ik adviseer om een dergelijke wijziging niet aan te brengen. Voor alle duidelijkheid: ik ben dus ook niet van plan om het BLN opnieuw in die zin te wijzigen.

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Ik steun de redenering van de staatssecretaris op het punt van de vergelijking tussen de categorieën van de alleenstaande jongeren en de gehuwde of samenwonende jongeren die beide beschikbaar dienen te zijn voor de arbeidsmarkt en een uitkering ontvangen omdat zij als werkloos kunnen worden beschouwd. Ik vind het echter wat onhelder op het punt van de eenoudergezinnen, omdat de situatie bij eenoudergezinnen, niet per se generiek, maar in individuele situaties, zo kan zijn dat er geen beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt kan worden gevergd en men dus langdurig op die lagere norm kan zijn aangewezen. Daarin verschilt de sociale positie van dat eenoudergezin dus fundamenteel van de positie van de alleenstaande jongeren. Als je het vraagstuk van artikel 26 van het BuPo toepast op de vraag waar sprake moet zijn van gelijke behandeling, is de sociale positie als criterium belangrijker dan de leeftijd sec.

Staatssecretaris Ter Veld: Mevrouw Vliegenthart heeft inderdaad gevraagd of er geen mogelijkheid bestaat om voor alleenstaande ouders voor wie de lage norm voor personen onder de 21 jaar of schoolverlaters gaat gelden, als een soort hardheidsclausule de gemeente de bevoegdheid te geven om de gewone eenoudernorm toe te kennen, als sprake is van een bijzondere situatie en deelname aan de arbeidsmarkt absoluut niet gevergd kan worden en dergelijke. Ik moet er toch eerst op wijzen dat tussen de normen voor alleenstaande jongeren en de alleenstaande ouders een behoorlijk verschil zit. In vergelijking met een alleenstaande schoolverlater zonder kinderen ontvangt de alleenstaande ouder onder de 21 jaar een bijstandsuitkering die per maand ƒ 700 hoger ligt. Er is dus uitdrukkelijk rekening gehouden met het feit dat een alleenstaande ouder in een andere situatie verkeert dan een alleenstaande schoolverlater zonder kinderen. Bij 23-plussers, waarbij de gewone normen gelden, ligt de norm voor een alleenstaande ouder ongeveer ƒ 360 boven datgene wat een alleenstaande krijgt. Desalniettemin is er voor de gemeente, zoals bekend, altijd de mogelijkheid, voor bijzondere en noodzakehjke kosten een aanvulling te bieden voor bijzondere bijstand. In de nieuwe Algemene bijstandswet is er voor de gemeenten zelfs een iets ruimere bevoegdheid om aanpassingen in strikt mdividueel gedefinieerde en getoetste situaties aan te brengen. Het verschil tussen een alleenstaande en een alleenstaande ouder met kinderen is dus ook bij de schoolverlatersregeling zeer ruim. Het duurt een halfjaar. In bijzondere situaties is er altijd de mogelijkheid van bijzondere bijstand. En, zoals ik al zei, in de nleuwe Algemene bijstandswet kennen wij in artikel 1b -als ik het goed heb, want ik ken de nieuwe wet niet uit mijn hoofd -ook de mogelijkheid dat een gemeente de uitkering hoger dan de norm vaststelt, in individuele, dus nooit categorale situaties. Het is overigens inderdaad de bedoeling om deze wijziging van de Algemene bijstandswet -zij is al voor een deel geïncorporeerd -op te nemen in de nieuwe Algemene bijstandswet, die thans voor behandeling bij de Kamer ligt. Ik zeg dit ook in antwoord op een vraag van de heer Van Hoof. Voorzitter! Allen hebben gevraagd: staatssecretaris, maakt u het niet veel te ingewikkeld? Op een aantal punten is het er inderdaad niet eenvoudiger op geworden. Ik wees echter al op enkele punten waar de zaak er wèl eenvoudiger op geworden is. Als ik het geheel zou moeten voorrekenen aan een zaal, waarbij ik alle normen zou opnoemen, kan ik mij heel goed voorstellen dat het ingewikkeld is. Voor de uitvoering als zodanig is het echter helemaal niet zo ingewikkeld. Bij de situatie en de leeftijd kan men gewoon het bedrag uit de computer laten rollen. Ik heb van horen zeggen dat de gemeente Den Haag de hele invoeringssystematiek al helemaal klaar heeft. Het is bijvoorbeeld simpeler geworden, doordat bij de alleenstaanden die jonger zijn dan 21 jaar, de huidige leeftijdsdifferentiatie is vervallen. Voor de alleenstaanden van 21 tot 27 jaar worden mderdaad twee criteria van belang. Ten eerste is er de vraag of men al dan niet schoolverlater is. Ten tweede is er de vraag of men al dan niet feitelijk bij de ouders woont. Deze laatste toets komt voor de schoolverlaters in de plaats van de woningdelersregeling. Er zijn dus enkele vereenvoudigingen, maar er zijn ook enkele zaken iets ingewikkelder geworden. Ik heb niet de indruk dat het verschil in normbedragen als zodanig een probleem is bij de uitvoering. Met name de heer Willems is uitgebreid ingegaan op de samenhang met de studiefinanciering. Ik moet toegeven dat ik in 1986 de discussie over de Wet op de studiefinanciering niet intensief gevolgd heb, hoewel dat een heel spannende en interessante discussie was. Ik geloof dat ik in 1986 als kamerlid vanuit de oppositie de stelselherziening sociale zekerheid aan mijn hoofd had. Ook in reactie op de vragen van de heer Van Hoof merk ik allereerst op dat wij inderdaad uitgaan van het normbudget van de WSF. De WSF kent, zoals men weet, verschillende hoogten, bestaande uit het ouderinkomensonafhankelijk deel en het ouderinkomensafhankelijk deel. Wij zijn bij onze eerste invalshoek uitgegaan van het normbudget. Het is dus niet de bedoeling, ervan uit te gaan dat de ouders in principe onderhoudsplichtig blijven, bijvoorbeeld bij boven-21-jarigen. Ook al verplicht het Burgerlijk Wetboek dat niet, toch is in de WSF de invalshoek dat er wél een ouderbijdrage wordt gerekend. De tweede vraag, met name gesteld door de heren Van der Vlies, Schutte en Leerling, was waarom in de WSF wel een keuze is gemaakt tussen uit-en thuiswonend en waarom men niet ook daarbij uitwonend mag zijn als dat absoluut noodzakehjk is. Die discussie kwam iets later dan 1986. Ik herinner mij, die discussie wél gevolgd te hebben. Door het vorige kabinet is getracht, een onderscheid te maken in de noodzaak van het uitwonend zijn, met name voor bepaalde sectoren in het onderwijs. Naar mijn beste herinnering is dat gewoon niet zodanig gelukt dat de Kamer het acceptabe! vond. Er zit inderdaad ook enig verschil in. Mede naar aanleiding van het verzoek van de Raad van State om dit verder te onderbouwen, zeg ik dat het studiefinancieringsniveau van de WSF niet uitgaat van economische zelfstandigheid. Ik zei al dat de ouders worden geacht, onderhoudsplichtig te blijven. Het studiefinancieringsniveau is bovendien een kostencompensatie, zoals al door de huidige minister van Onderwijs en Wetenschappen is aangegeven. Mede daarom is het naar zijn mening hooguit gevoelig voor prijscompensatie. Wij hebben voor een uitkering gekozen die binnen het BLN gekoppeld is. Ook is er bij de studiefinanciering, waar men geacht wordt, een deel te lenen, een andere vrijlating van inkomsten uit arbeid. Men wordt geacht, met de inkomsten uit arbeid de eigen lening te kunnen verlagen. Een bijstandsuitkering is om niet; men krijgt en hoeft niet terug te betalen. Daarom hebben wij gekozen voor een binnen de bijstand passende systematiek van vrijlating. Het huidige voorstel wijkt dus een beetje af van het regeerakkoord, wat ik al eerder gemotiveerd heb. Men krijgt dus niet exact dezelfde norm als bij de WSF, maar de norm is er wel in die zin van afgeleid dat wij, zoals bij de WSF oorspronkelijk is uitgegaan van de bijstandsnorm voor 18-jarigen, ook hier van de bijstandsnorm voor 18-jarigen uitgaan. Het is logisch dat in de systematiek van de WSF door een door de Kamer geaccepteerde andere wijze van verhoging en door de OV-jaarkaart, die niet aan bijstandsgerechtigden toekomt, een ander niveau ontstaat. De koppeling als zodanig betekent ook weer een verschil van ongeveer ƒ40. Dat andere niveau is niet onterecht, want studenten hebben ook andere uitgaven, bijvoorbeeld voor ziektekostenverzekeringen. Er is dus inderdaad enig verschil, maar de invalshoek is in beide gevallen gelijk geweest. Je kunt dus niet zeggen dat een student exact hetzelfde heeft. Er is een verschil, dat inherent is aan de keuze dit binnen de bijstand te regelen.

De heer Schutte (GPV): Die verschillen waren mij duidelijk. Ik heb gewezen op het verschil in keuzevrijheid tussen uitwonen of inwonen.

Staatssecretaris Ter Veld Ik heb dit gemotiveerd met het argument dat solliciteren ook uitstekend vanuit het ouderlijke huis te doen is en dat jongeren die studeren, uitwonend zijn omdat de afstand tot hun opleiding dit vereist. Nogmaals, ik herinner mij dat er een discussie is gevoerd over de vraag of dit inderdaad zo is, maar dat hiervoor geen adequate oplossing kon worden gevonden.

Mevrouw Groenman (D66): Als een student een uitwonendenbeurs krijgt omdat hij zegt dat hij uitwoont, is hierop geen enkele toets mogelijk. Het verhaal erachter, van de onderwijsspreiding, begrijp ik wel, maar er wordt niets getoetst, terwijl voor andere jongeren allerlei zware criteria worden aangelegd. Ik blijf er een enorme ongeüjkheid in zien.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik zal aan mijn collega van Onderwijs doorgeven dat er bij de Kamer dringende behoefte aan bestaat, opnieuw te bezien of het inderdaad terecht is dat in de Wet op de studiefinanciering die vrije keuze bestaat.

Mevrouw Groenman (D66): De Wet op de studiefinanciering is langzamerhand helemaai niet meer heilig. Er zal dus wel een discussie over gevoerd gaan worden en dan kan dit daarbij wel degelijk aan de orde komen.

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Wat zij zei, hoeft de staatssecretaris niet namens de fractie van de PvdA door te geven.

Staatssecretaris Ter Veld Ik zeg de fractie van de PvdA toe dat ik dit er uitdrukkehjk bij zal vermelden.

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Ik wil nog een nuance aanbrengen. Wij willen best over de studiefinanciering praten, niet met deze invalshoek, maar over de gehele studiefinanciering. Dan kan dit aspect erbij betrokken worden. Dat bepalen wij dan wel graag zelf.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik krijg de indruk dat ik slechts een zeer voorzichtige boodschap aan mijn collega de heer Ritzen kan doorgeven, namelijk dat er in de Kamer enige vragen aan mij over zijn gesteld waarom bij hem niet een zelfde strengheid dan wel soepelheid in benadering kon plaatsvinden als kennelijk bij de bijstandswet wel mogelijk was, maar dat de grote fracties van oordeel zijn dat zij zelf best kunnen bepalen wanneer zij dit aan de orde willen stellen. Een mooie formulering, toch? Mevrouw Vliegenthart had een heel concrete vraag. Zonder in casuïstiek te willen verzeilen, wil ik deze hier toch even behandelen. Het gaat om een schoolverlater die direct na de opleiding een periode gaat werken, daarna een tijd in het buitenland verblijft en vervolgens werkloos in Nederland terugkeert. Is dit nu een schoolverlater of niet? Het maakt niet zoveel uit in welke volgorde het gebeurt. De schoolverlatersperiode begint op het moment dat men de opleiding beemdigt, ongeacht of men in die periode in Nederland of erbuiten verblijft. In het voorbeeld geldt voor de betrokkene bij terugkeer de gewone bijstandsnorm, als de periode van werken plus van verblijf in het buitenland langer dan zes maanden duurt. Alleen als iemand opnieuw naar het onderwijs gaat, wordt de wachttijd opgeschort. lemand die na vier maanden uitkering weer naar school gaat en dan weer een opleiding afmaakt, bijvoorbeeld in het buitenland, resteert nog twee maanden schoolverlatersuitkering.

Mevrouw Vliegenthart (PvdA) Voorzitter! Waar het om gaat in de redenering die de staatssecretaris toepast en waar zij ook het onderzoek naar heeft laten doen, betreft de vergelijkbaarheid van de leefsituatie van een student en van een schoolverlater ten opzichte van de situatie dat men arbeid verricht. De leefsituatie kan dan wezenlijk verschillen ten opzichte van de situatie toen men een student was, en of men dan naar het buitenland gaat, is een ander chapiter. Is het dan niet zo dat bij het werkloos worden de situatie die gold op het moment dat men werknemer was, doorslaggevend is en niet het gegeven dat men daarvoor ook nog gestudeerd heeft?

Staatssecretaris Ter Veld: Stel nu dat iemand op 1 juni de school verlaat en na verloop van enige tijd een baan accepteert, maar dat vervolgens het bedrijf failliet gaat en hij of zij op dat moment nog niet de zes maanden heeft gehaald. Dan krijgt betrokkene geen WW-uitkering. Is betrokkene evenwel langer dan zes maanden van school af, dan is hij zonder meer geen schoolverlater. Doet het zich voor in een situatie waarin betrokkene korter dan zes maanden geleden de school verlaten heeft, dan kan hij voor de rest van die periode nog als schoolverlater worden aangemerkt, aangezien hij nog geen nieuw recht op grond van de WW heeft kunnen opbouwen. Het totale recht van een schoolverlater duurt dus zes maanden en dat begint op het moment dat men als schoolverlater de opleiding beëindigt. De uitvoerbaarheid is aldus verhoudingsgewijze vrij gemakkelijk. Als iemand twee maanden met vakantie gaat en drie maanden werkt, loopt hij of zij het risico van nog één maand een schoolverlatersuitkering, om daarna niet meer als werkzoekend, maar als werkloos te worden aangemerkt. Dat is de systematiek zoals deze in de wet voorligt. Voorzitter! Ik kom nu bij de relatie met de Jeugdwerkgarantiewet. Door onze keuze om mensen eerst een halfjaar als werkzoekend en daarna als werkloos aan te merken, vallen mensen na een halfjaar inderdaad onder alle vreugdes en regelgeving die wij aan werkloze werkzoekenden toekennen. Voor jongeren is daarbij relevant dat na een halfjaar een jongere in aanmerking kan worden gebracht, als hij of zij schoolverlater is, voor het JWG. Wij kennen op dit moment 124 jeugdwerkgarantie-organisaties, waarvan er een aantal voor meerdere gemeenten werken. Dit betekent dat ongeveer in alle gemeenten sprake is van een actieve inzet voor het Jeugdwerkgarantieplan. Eerlijk gezegd, zou ik geen gemeente kunnen noemen waar men er niet aan werkt. 25% van de gemeenten is op enigerlei wijze bezig met het versneld invoeren van het Jeugdwerkgarantieplan. En er zijn, zo kan ik melden in antwoord op een vraag van de heer Van der Vlies, nauwelijks weigeringen; ik hoop dat dit ook zo blijft bij de volgende generatie, respectievelijk het volgende cohort. De motivatie om deel te nemen is derhalve hoog. Ten aanzien van het eerste kwartaal blijkt uit declaratiegegevens, dat ruim 6200 jongeren deelnemen. De raming voor 1992 gaat uit van 6500 jongeren. Er is dus eigenlijk geen sprake van een afwijking tussen de raming en de actieve deelname. Wij moeten ervan uitgaan dat, hoewel het op dit moment allemaal goed loopt, er een risico bestaat dat een aantal gemeenten het snelle invoeringstempo niet zal kunnen bijhouden. Als de mvoering voor alle gemeenten versneld zou moeten gaan -men heeft de mogelijkheid zelf sneller te gaan dan onze fasering voorschrijft -lopen wij het risico dat het JWG geen banenpool maar een inkomenspool wordt. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Wij beogen niet mensen uit de bijstandsuitkering over te hevelen naar een inkomenspool. Wij proberen hen via het JWG aan werk te helpen. Voor de jongeren onder de 21 is in feite een koppeling tussen JWG en schoolverlatersuitkering in die zin al gelegd, dat het JWG al voor hen geldt. Men kan daarbij na een halfjaar voor een baan in aanmerking komen en op die manier zijn eigen zelfstandigheid via arbeid verwerven. Voor jongeren boven de 21 is de relatie naar mijn stellige overtuiging niet een juiste. Het JWG is geen compensatie voor een lagere uitkering. De uitkering betreft het eerste halfjaar. Na een halfjaar komt een jongere hetzij in aanmerking voor het JWG, hetzij in aanmerking voor een verlengde zoekperiode, waarbij de uitkering gesteld wordt op de "normale" hoogte voor een werkloze. Natuurlijk zou het kunnen lijken als een soort pleidooi om de uitkering dan een jaar langer laag te maken. Dit lijkt mij om een aantal redenen niet verstandig. Ik denk dat wij daarmee zowel in strijd komen met het regeerakkoord, aisook het risico lopen dat een trage gemeente de uitkeringssituatie van een jongere vergaand zou kunnen beïnvloeden. Bovendien worden schoolverlaters niet allemaal op hetzelfde moment 21: zij worden niet allemaal 21 op het moment dat hun schoolperiode afloopt. Ook daar zou het een merkwaardig effect geven als wij op die manier een fasering zouden aanbrengen. Tegen de heer Willems en mevrouw Schimmel zou ik willen zeggen, dat ik het niet verstandig vind om zo'n directe relatie aan te brengen tussen het JWG en de schoolverlatersuitkering. Mevrouw Vliegenthart stelde nog een vraag over de activiteiten van de RBA's. Inderdaad zijn er enkele RBA's die in de jongeren geen principiële doelgroep dreigen te zien. Dat is mogelijk want er zijn veel aanloopproblemen. Maar daarom hebben wij in samenwerking met het CDA en de VNG besloten om in september te starten met een monitor-en evaluatiesysteem, waarbij we per kwartaal de cijfers en de ontwikkelingen zullen krijgen toegeleverd. Daaruit zullen wij moeten bezien of de verwachting van mevrouw Vliegenthart dat sommige RBA's de jongeren niet meer als doelgroep zien, waar is of niet. Indien afspraken op centraal niveau niet op een juiste wijze vorm krijgen, dan geeft ons dat inzicht in de wijze van vormgeving en de redenen daarvoor. Op die manier zijn wij in staat om voor de ontwikkeling van zowel het JWG als de andere activiteiten voor jongere werklozen, de vinger aan de pols te houden. Wat zou uitstel betekenen? Voorzitter! Vuistregel bij deze maatregel is: ieder maand uitstel kost 10 mln. Daarom ben ik dankbaar dat uw Kamer in deze drukke tijd in staat is geweest, dit wetsvoorstel op haar agenda te plaatsen.

©

A. (Ali)  Doelman-PelMevrouw Doelman-Pel (CDA): Mijnheer de voorzitter! Ik dank de staatssecretaris voor de door haar gegeven antwoorden. Ik ben blij dat zij nogmaals heeft geconstateerd dat er voor individuele gevallen, indien dat nodig is, mogelijkheden zijn om via de ABW tot afwijkende vaststelling van het uitkeringsregime te komen. De staatssecretaris heeft op al onze vragen in eerste termijn geantwoord. Ik wil nog eens nadrukkelijk vaststellen dat in onze ogen de inkomensvoorziening voor jongeren tot 27 jaar een evenwicht is tussen rechten en plichten, zowel van de jongeren als van de organisaties en de gemeenten in verband met de aanbieding van arbeid en inkomen. Voor dit laatste mag van de jongere duidelijk een echte inspanning gevergd worden. Nadat wij het antwoord van de staatssecretaris gehoord hebben, kan ik constateren dat wij in een regime terechtkomen dat redelijk nieuw voor ons is; een afstemming tussen arbeid en inkomen. Vandaar, dat ik de regering een motie wil aanbieden die weliswaar niet door alle maar wel door vele fracties gesteund wordt, waarin uitgesproken wordt dat wij na twee jaar willen bezien hoe het systeem werkt. Wij denken dan niet alleen aan het uitkeringssysteem maar ook aan de relatie tussen arbeid en het inkomensregime.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende, dat het voorgestelde uitkeringsregime voor jongeren evenals de sluitende aanpakvan het JWG onderdeel uitmaakt van het jongerendossier;

overwegende, dat er sprake is van een nieuw uitkeringsregime;

verzoekt de regering de regeling over twee jaar te evalueren en de Kamer de resultaten aan te bieden, en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Doelman-Pel, Vliegenthart, Van Hoof, Schutte, Van der Vlies en Leerling. Zij krijgtnr. 11 (22163).

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Tot slot, voorzitter, wil ik hier duidelijk vaststellen dat voor ons het JWG nooit een inkomenscompensatie voor jongeren die geen werk kunnen vinden, kan zijn. Wij verlangen duidelijk van jongeren dat zij zelf initiatieven ontwikkelen. Wij willen het gebruiken van het JWG ook tot 27 jaar, niet tot een onmogelijkheid bestempelen maar bezien als een van de mogelijkheden in het totale pakket van mogelijkheden om te komen tot een sluitende aanpak.

Mevrouw Vliegenthart (PvdAj Voorzitter! Ik kan mij volledig aansluiten bij de woorden van mevrouw Doelman. In verband met de tijd doe ik dat ook.

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP):

Mijnheer de voorzitter! ik wil de staatssecretaris graag dankzeggen voor haar beantwoording. Ik had al instemming betuigd met het wetsvoorstel en dat is zo gebleven. Toch maak ik nog een paar opmerkingen. Ik wil de staatssecretaris nog eens bijvallen als zij zegt dat zelfstandigheid ook voor jongeren belangrijk is. Maar als daarvoor gekozen wordt, moet er ook sprake zijn van een onafhankelijk inkomen. Dat legt de koppeling naar de arbeidsmarkt. Zo heb ik haar begrepen. Ik vind dat een heldere stelhngname, een stellingname die ook resultaat is, denk ik, van een leerproces dat wij met elkaar in de politiek doormaken, in onderscheidene verantwoordelijkheden overigens. Want in de jaren zeventig en in het begin van de jaren tachtig is er wel eens wat anders over gedacht en gesproken. Ik spreek daar de staatssecretaris op zichzelf niet op aan, ik constateer dit in zijn algemeenheid. Ik denk daarbij ook aan de discussies die wij hadden over het zelfstandig woonrecht vanaf 18 jaar. Ik heb instemming betuigd met het verzoek om evaluatie, zoals ook blijkt uit de ondertekening van de motie Ik maak echter van deze tweede termijn nog gebruik, omdat ik nog even aandacht wil vragen voor het volgende. Er werd uitemdelijk toch nog wat terughoudend gereageerd op het punt van de uitwonendennorm, waar de leeftijd het op zichzelf in zich draagt dat daar kritisch naar gekeken wordt en op de vergelijking tussen iemand die zich klaar maakt voor, respectievelijk beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt en iemand die studeert. De SGP heeft nooit echt begrepen waarom iemand die in de stad kan en gaat studeren waar zijn of haar ouders wonen en toch kiest voor een ander adres dan dat van de ouders, zonder nader onderzoek en zonder nadere randvoorwaarden, in aanmerking komt voor die uitwonendenbeurs, terwijl er geen noodzaak bestaat voor het niet meer bij de ouders wonen en terwijl er, dat is toch bekend, ook heel erg wordt geleund op de thuissituatie. Ik heb dit al herhaaldelijk gezegd en ik denk dat ik dat maar moet blijven doen, in de hoop dat die gestage drup de steen toch nog een keer uitholt.

©

H.A.L. (Henk) van HoofDe heer Van Hoof (VVD): Voorzitter! Ook ik dank de staatssecretaris voor de antwoorden op de vele vragen die ik heb gesteld. Ik heb overigens begrepen dat mijn vragen bij een aantal fracties de gedachte hebben opgeroepen dat daaruit moest worden afgeleid dat mijn fractie zich misschien zeer kritisch ten opzichte van dit wetsvoorstel zou willen opstellen. Laat ik dat misverstand dan bij dezen wegnemen. De intentie van de wet spreekt ons wel degelijk aan. Het woordspelletje van de staatssecretaris over "baanbrekend" en "baanbevorderend" zal ik niet proberen te verscherpen. Ik denk dat zij heel goed heeft begrepen waar het om gaat. Dat is ook de reden geweest voor mijn fractie om de motie die daarnet is ingediend mede te steunen. Het gaat daarbij wat ons betreft met name om de samenloop van de werking van het Jeugdwerkgarantieplan en deze maatregelen en niet zozeer over de vraag of dit uitkeringsregime op zichzelf staand nu wel of niet geëvalueerd moet worden. Zoals gezegd, wat mij betreft zijn de effecten over twee jaar van het totaal erg belangrijk. Ik vind het jammer dat de staatssecretaris misschien wat gemakkelijk gezegd heeft dat de inventarisatie die ik heb gevraagd niet noodzakelijk is en dat, als de VVD-fractie vindt dat er op een aantal punten verder gegaan moet worden, zij dat dan wel zal zien in de schriftelijke voorbereiding. Ik vind dit daarom jammer, omdat er ten minste een paar onderdelen zijn die op dit moment best aan de orde zouden kunnen komen. Wanneer in dit wetsvoorstel wordt gesproken van de harmonisering van de 18-, 19-en 20-jarigen, dan vermag ik niet in te zien waarom ik dan ook niet de harmonisering van de 21-en 22-jarigen tegelijk mag meenemen. En als het gaat om de koppeling naar het minimumloon, stel ik in de richting van de staatssecretaris vast, dat ik daar nu wel over moet praten, omdat in de schriftelijke voorbereiding van het wetsvoorstel straks het minimumloon niet aan de orde is. Dus die kans voor de harmonisering van leeftijd bij het minimumjeugdloon zou ik op dit moment niet willen laten lopen

©

L.S. (Louise)  GroenmanMevrouw Groenman (D66): Voorzitter! Excuses namens mevrouw Schimmel dat zij hier niet kan zijn. In haar plaats zal ik in tweede termijn het woord voeren. Ik heb in 1982 een motie ingediend waarin samenhangend inkomensbeleid voor jongeren werd gevraagd, een adviesaanvrage aan de Raad voor het jeugdbeleid. Dat werd prachtig. Maar als ik het nu allemaal overzie, hangt het toch niet erg met elkaar samen. De staatssecretaris heeft gezegd dat op verzoek van de Raad van State een onderzoek is geweest naar het verschil in budget, in inkomensbesteding van werkzoekende schoolverlaters en studenten. Zo'n onderzoek is buitengewoon aardig, maar ik denk dat je het dan bij heel verschillende groepen zou kunnen doen. Het is enigszins willekeurig dat het op dit punt gedaan is, zonder daaraan overigens consequenties te verbinden. De zelfstandigheid is belangrijk voor jongeren, aldus de staatssecretaris, en wie zelfstandig wil functioneren, moet dat kunnen op grond van het arbeidsinkomen. Dat is wel eens anders geweest in deze Kamer. Als ik kijk naar hetgeen er vanuit een oogpunt van jeugdbeleid en emancipatie in deze Kamer is gezegd, constateer ik dat wij kennelijk nu een andere lijn volgen. Wij zeggen nu: dat kan alleen op grond van arbeidsinkomen. Wij blijven er moeite mee houden dat de uitwonendennorm wel kan gelden voor studenten en slechts onder zeer strikte voorwaarden voor andere jongeren. Wij hebben overwogen een motie ter zake in te dienen. Wij denken inderdaad dat het ook kan in het kader van de studiefinanciering omdat mijn fractie er niet gerust op is, dat de studiefinanciering niet alsnog gewijzigd zal worden. Als wij nu zeggen, dat deze jongeren ook recht moeten kunnen hebben op een uitwonendennorm, halen wij misschien iets overhoop dat later weer teruggehaald moet worden. Ik ben het er echter wel mee eens dat er sprake is van een ongelijkheid. De Raad van State heeft ook gelijk als hij zegt, dat de regering geen objectieve rechtvaardigingsgrond heeft aangedragen. Ik heb de staatssecretaris horen zeggen dat veranderingen in de jongerenuitkeringen tegelijk ingevoerd worden met de invoering van het Jeugdwerkgarantieplan. Ik zou dan toch nog eens het amendement dat D66 samen met GroenLinks heeft ingediend, in herinnering willen roepen. Ik heb uit het voorlopig verslag begrepen dat ook de Partij van de Arbeid, althans indertijd, vond dat, als het JWG gefaseerd werd mgevoerd, ook de bijstelling van de jongerenuitkeringen gefaseerd moest worden ingevoerd.

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Nee, dat heeft u verkeerd begrepen. Wat er toen dreigde te gebeuren, was, dat verlaging van de uitkeringen voor jongeren van 18 tot 21 jaar vóór zou ïopen op de invoering van het Jeugdwerkgarantieplan voor diezelfde categorie. Wij hebben nooit gezegd dat wij een directe relatie aanleggen met de maatregel voor boven-21-jarigen. Het gaat om een maatregel die betrekking heeft op het eerste halfjaar analoog aan de wachttijd in de RWW voor 18-tot 21-jarlgen. Daar leggen wij die koppeling tussen invoering JWG en die maatregel.

Mevrouw Groenman (D'66): Dan is mij dat verkeerd doorgegeven. Wij verkeerden in de veronderstelling dat de Partij van de Arbeid dat wel een logische relatie vond. Nu wordt er iets gedaan bij ouderen die geen recht hebben onder het JWG te vallen. Dat vinden wij op dit moment inconsequent. Het zou geleidelijk moeten oplopen. Nogmaals, wij bevelen dat amendement in de aandacht aan. Wij vinden het amendement beter dan de motie van mevrouw Doelman. Wij zouden die motie wellicht wel kunnen steunen, maar wij vinden dat eerst het amendement een kans moet krijgen omdat wij anders twee jaar iets scheefs laten bestaan en dan op grond van een evaluatie zeggen, dat het misschien anders had gemoeten.

©

W.J. (Wilbert)  WillemsDe heer Willems (GroenLinks): Voorzitter! Ik dank de staatssecretaris voor haar zeer bondige en heldere beantwoording. Zij riep mij op om met name het positieve aspect van mijn beoordeling te laten prevaleren en wel in de zin, dat het nog veel slechter had gekund Er lagen nog veel slechtere voorstellen op tafel en dan valt dit voorstel natuurhjk mee. Ik heb tegelijkertijd gezegd dat het een verslechtering is en blijft. Dat is voor ons de doorslaggevende reden, het voorstel niet te steunen. Wat ik in mijn eerste termijn aangaf, gebeurde eigenlijk precies bij de beantwoording van de staatssecretaris toen er een interruptiedebatje ontstond over de parallel tussen studiefinanciering en uitkeringen voor schoolverlaters. De staatssecretaris geeft in haar beantwoording eigenlijk haarscherp aan dat er enorm veel verschil blijft bestaan -en ook wordt geaccepteerd -tussen de systematiek van de studiefinanciering en die van de uitkering in het kader van het BLN en de bijstandswet en dat de hoogte van de uitkering het enige is dat overeenstemt. Er vindt dus qua inkomensniveau voor schoolverlaters en studerenden een nivellering plaats. Het feit dat de systematiek blijft verschillen, maakt het wellicht voor de uitvoeringsorganisaties gemakkelijk een en ander te berekenen, doch voor degenen die daarvan de dupe zijn is het niet altijd gemakkelijk te begrijpen -ook bijvoorbeeld vanwege de verschillende indexeringen, vanwege de verschillende componenten die in het bedrag zitten of daaraan toegevoegd worden -dat er altijd verschillen blijven in uitkeringsniveau, terwijl er wel een soort parallel wordt nagestreefd. Althans dat neemt de regering voortdurend als leidmotief voor het wetsvoorstel. Tegelijkertijd heb ik gezegd: nu we een verslechtering aanbrengen in de jongerenuitkeringen, parallel aan die van de studiefinanciering, dreigt natuurlijk het gevaar van haasjeoverspringen, en van nieuwe verslechteringen in de studiefinanciering, die weer gebaseerd zijn op de verslechteringen die nu al worden doorgevoerd bij de jongerenuitkeringen. En jawel, er wordt nu al openlijk gesproken over het afschaffen van de thuiswonendennorm binnen de studiefinanciering, en zelfs de staatssecretaris is bereid om dat aan haar collega van Onderwijs en Wetenschappen, zij het in zeer bescheiden mate, voor te leggen als een in deze Kamer gerezen wens. Ik wil mij aansluiten bij degenen die zeiden: niet namens mij. Ik wil dat haasjeoverspringen nu juist voorkomen, iets wat mevrouw Vliegenthart ook terecht opmerkte. Om dit nog eens duidelijk te illustreren wijs ik op iets wat ik in mijn eerste termijn al heb gezegd, namelijk dat ik vind dat je de uitwonendennorm in de bijstandswet en de uitkeringen van jongeren in stand moet laten. Daarmee ga ik niet in op de suggestie van de heer Van der Vlies om dit als normaal door te trekken naar 21 -jarigen. Ik vind dat je 18-tot 21-jarigen die uitwonend zijn in het kader van hun studie, en die dus ook als schoolverlater uitwonend zijn, niet moet dwingen om een aantal maanden thuis te gaan wonen, om van daaruit te gaan solliciteren omdat dat voor de schatkist goedkoper is. We hadden nu juist het systeem bedacht om de economische zelfstandigheid vanaf 18 jaar zoveel mogelijk te vergroten, wat nog niet over de gehele breedte voor de 18-tot 21-jarigen is ingevoerd. Het zetten van een stapje terug op het gebied van de economische zelfstandigheid lijkt me in strijd met de ontwikkeling die we in de afgelopen jaren hebben gepropageerd.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik mag er de heer Willems aan herinneren dat ik het begrip "schatkist" bij mijn argumentatie ten enenmale buiten beeld heb gehouden. Het is een argument, maar bepaald niet het gewichtigste.

De heer Willems (GroenLinks): Ik heb de indruk dat uw argumentatie van meer principiële aard is dan die van de regering. De argumentatie van de regering wordt min of meer volledig door de zorgen om de schatkist gedomineerd. De principiële argumenten wegen bij de regering veel minder. Dat maakt overigens voor de uitkomst van uw beider conclusies niet veel uit, want die komen op hetzelfde neer. Ik zie dat ook de regering al weer denkt aan het schrappen van de thuiswonendennorm in de studiefinanciering, waarmee men dicht komt bij uw principiële redenering. Om deze neerwaartse spiraal tegen te gaan, wil ik de volgende motie aan de Kamer voorleggen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende, dat de regering het recht op de uitwonendennorm voor 18-tot 21-jarige schoolverlaters aanzienlijk wil beperken;

van oordeel, dat dit voornemen onverenigbaar is met zowel de huidige leeftijd voor meerderjarigheid als de bevordering van economische en zorgzelfstandigheid voor jongens en meisjes;

verzoekt de regering af te zien van haar voornemen tot beperking van de uitwonendennorm, en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter Deze motie is voorgesteld door het lid Willems. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund. Zijkrijgtnr. 12 (22163).

De heer Willems (GroenLinks): Voorzitter! Ik zie de ondersteuning van mijn motie als een puur technische zaak! Het andere punt, waarvoor mevrouw Groenman al aandacht vroeg, is het amendement van de leden Schimmel en Rosenmöller, die nu zijn vertegenwoordigd door mevrouw Groenman en de heer Willems. Dat betreft de parallel met het Jeugdwerkgarantieplan en de Jeugdwerkgarantiewet. De weerstand die de staatssecretaris daartegen nu ten toon spreidt, is in feite vooral geïnspireerd door het feit dat het JWG nog geen sluitend karakter heeft. Er komen dus veel jongeren nog niet in het JWG terecht als zij schoolverlater zijn, terwijl het naar mijn idee juist de bedoeling van het JWG was dat het een sluitende aanpak zou garanderen. Wellicht zou dat niet onmiddellijk gebeuren -er is enige tijd nodig om dat tot stand te brengen -maar juist de perspectiefvolle wijze waarop volgens de staatssecretaris gemeenten met het JWG bezig zijn, waarbij zij proberen om in dat kader zinvolle banen te scheppen, zou er toch toe moeten leiden dat op 1 januari 1993, of zoveel later, een parallel met de jeugdwerkgarantieplaatsen moet kunnen worden gelegd. Ons amendement om die relatie nu al te leggen, en niet pas na twee jaar te kijken of dat allemaal nog wenselijk is -de gedachte die spreekt uit de motie van mevrouw Doelman -is beter. Het gaat natuurlijk niet om de hele categorie die nu ineens op de arbeidsmarkt zou verschijnen. Het is een groep die de komende jaren mondjesmaat als schoolverlater op de arbeidsmarkt komt. Deze groep moet via het JWG op te vangen zijn. Dat is de opdracht waarvoor de regering staat, gelet op haar eigen intentie om de JWG-regeling een sluitende aanpak te laten zijn. Voorzitter! Laat dit mijn bijdrage zijn aan het bevorderen van de economische zelfstandigheid, ook van jongeren vanaf 18 jaar.

©

E. (Elske) ter VeldStaatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Ik begin met een opmerking in de richting van mevrouw Groenman. Het onderzoek dat wij hebben gedaan, mede op verzoek van de Raad van State, was niet bedoeld als een inkomensonderzoek. Het was uitsluitend bedoeld om na te gaan of de leefsfeer van studenten, scholieren zich wijzigde in het eerste halfjaar nadat men de school verlaten had. De heer Schutte heeft een vrij principiële vraag gesteld. Wij maken geen normen op grond van budgetonderzoek. Wij maken in Nederland de normen, afgeleid van het minimumloon. Het lijkt mij heel verstandig om de discussie of dit hoog of laag is en om welk budget het gaat, niet te voeren. Het onderzoek had uitsluitend tot doel om na te gaan of de leefsituatie, de leefsfeer van iemand zich wijzigt in dat halfjaar. Voorzitter! Ik kom bij de motie van mevrouw Doelman en vele anderen. Wij hebben inderdaad bij het JWG, omdat het hierbij ook om de sluitende aanpak gaat, de afspraak om dit constant in de gaten te houden. Dit betekent dat er per drie maanden informatie verstrekt wordt. Er is tussen CBA, VNG en SZW een afspraak om een onderzoek te laten doen door het NEI naar de gang van zaken rondom het JWG. Het lijkt mij belangrijk om de motie in dat kader te zien. Het is goed om over twee jaar meer inzicht te hebben in de dan voor die generatie geldende sluitende aanpak. Hoe werkt het? Hoe werkt het JWG erop in? Wat was het effect van de gang van zaken? Op zichzelf is er voor de 18-tot 21-jarige schoolverlaters, juist voor de groep onder de 21, het eerste halfjaar geen sprake van een wijziging in het regime en de uit-en thuiswonendennorm. De ouders kregen al kinderbijslag. Ik zeg dit nogmaals in de richting van de heer Willems. Men kan zich via het JWG zijn eigen economische zelfstandigheid verwerven, als men niet op een andere wijze een baan kan vinden, op grond waarvan men door eigen arbeid in eigen inkomen kan voorzien, waarna men daar kan gaan wonen waar men het zelf verkiest.

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Voorzitter! Voor alle duidelijkheid: de interpretatie van de motie, zoals de heer Willems die gaf, is niet de mijne. Ons gaat het om de sluitende aanpak. Er zijn verschillende elementen belangrijk. Het JWG, maar ook de scholing, de terugkeer naar het onderwijs, het aanbieden van een baan, ook via de arbeidsbemiddeling bijvoorbeeld. Wat dit betreft vragen wij in het kader van de sluitende aanpak en het nieuwe uitkeringsregime inderdaad een onderzoek. Het gaat niet alleen om het JWG.

Staatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Misschien is het duidelijk dat het onderzoek van het NEI gaat over het JWG en de gevraagde elementen. Als de Kamer de motie zou aannemen en ik het NEI-onderzoek naar de Kamer toestuur, kunnen wij op dat moment bekijken of vraag en aanbod op elkaar aansloten of dat er verder materiaal nodig is. Het JWG en de gang van zaken zal hierbij zeker vaak aan de orde komen. In die zin, voorzitter, lijkt het mij heel verstandig om als wij het NEI-rapport hebben, verder te kijken. Als de Kamer deze motie wil aannemen om dat vastgelegd te hebben, heb ik hier geen enkel bezwaar tegen.

De heer Willems (GroenLinks): Voorzitter! Voor alle duidelijkheid. Het lijkt mij niet dat wij bezwaar kunnen hebben tegen het onderzoek, zoals de staatssecretaris dit heeft geformuleerd en zoals het in de motie is gevraagd, ofschoon ik de tekst niet meer exact voor ogen heb. Het gaat mij erom dat een dergelijke evaluatie losstaat van onze wens om nu al die koppeling met elkaar af te spreken. Als je het vrijblijvend formuleert, in de zin van: wij zullen straks eens kijken hoe het JWG uitpakt met de andere elementen die voor een sluitende aanpak gelden, dan houd je een aantal jaren onzekerheid over de afstemming van de uitkeringsregeling en de JWG. Die afstemming zou ik juist graag via ons amendement willen afspreken.

Staatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Het is volstrekt duidelijk, ook gezien de ondertekening van de motie, dat de indieners van de motie beogen zicht te blijven houden op de werkelijkheid. Geen van de indieners van de motie heeft een dergelijke relatie tussen JWG en voorgenomen maatregelen in de bijstandssfeer op dezelfde wijze gelegd als de heer Willems en mevrouw Schimmel. Die relatie kan ook niet in de motie zitten, zoals mevrouw Doelman zelf ook aangaf. De heer Willems legt opnieuw vast dat er tussen het JWG en deze maatregelen een directe relatie moet liggen. Ik heb al aangegeven dat dit naar mijn opvatting juist niet het geval dient te zijn. Ik zie de relatie ook niet, omdat het JWG in werking treedt na een halfjaar en omdat bij de mensen boven de 21 na het halfjaar van de periode van werkzoekende de normale uitkering gaat gelden, wanneer men een verlengde zoektijd krijgt, bijvoorbeeld niet in het JWG behoeft te worden opgenomen. Ik zie de relatie dus niet. Door de vertraging in deze behandeling, die wij mede met z'n allen hebben veroorzaakt door keuzen die de Raad van State niet accepteerde en dergelijke, hebben wij nu de situatie dat de JWG al in werking is terwijl deze maatregel nog behandeld moet worden. Wie had dat kunnen denken! Voorzitter! De heer Willems legt in zijn motie nogmaals vast dat hij de zorgzelfstandigheid van jongens en meisjes met name wil zien in het toekennen van een bijstandsuitkering op grond waarvan men buitenshuis ook kan functioneren. Die motie spreekt mij natuurlijk op geen enkele wijze aan. Ik zou het begrip "zorgzelfstandigheid" veel liever definiëren als een wijze waarop mannen en vrouwen, onafhankelijk van sekse en burgerlijke staat, de zorg voor een eigen huishouden, hun eventuele kinderen en de zorg voor een eigen arbeidsinkomen als hun eigen verantwoordelijkheid op zich nemen. In die zin zit ook bij de zorgzelfstandigheid en de economische zelfstandigheid in al onze discussies de actieve deelname aan de arbeidsmarkt opgesloten. De heer Van der Vlies zou het niet beter hebben kunnen zeggen: zelfstandigheid uitstekend, maar dat doe je wel door je eigen arbeidsmarktdeelname. Als dat niet mogelijk is, dan hebben wij altijd de AAW-uitkering voor mensen met een handicap.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter: Ik stel voor, af te zien van artikelsgewijze behandeling en morgen na de lunchpauze te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.