Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van: -het wetsvoorstel Wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en enkele andere wetten in verband met maatregelen ter vermindering van het ziekteverzuim, beperking van langdurige arbeidsongeschiktheid en bevordering van de arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten, herschikking van bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede enkele technische aanpassingen (terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume) (22228).

©

De voorzitter: Het woord is aan heer Linschoten voor een punt van orde.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Ik zie alleen de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid achter de regeringstafel. In de loop van de schriftelijke voorbereiding is de problematiek van de bedrijfsgezondheidszorg uitdrukkelijk in discussie gekomen. Ik heb bovendien vastgesteld dat mijn collega van D66 op dit punt zelfs een amendement heeft ingediend. Ik stel de Kamer voor, niet met de behandeling van dit wetsvoorstel te beginnen, voordat ook de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid achter de regeringstafel heeft plaatsgenomen. Het element van de bedrijfsgezondheidszorg, dat een belangrijk onderdeel van het debat gaat worden, behoort namelijk tot zijn portefeuille.

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdAj: Mijnheer de voorzitter! Ik denk dat wij ons kunnen houden aan de gemaakte afspraak. Wij moeten vandaag de eerste termijn van de Kamer afhandelen. Ik denk dat de staatssecretaris competent genoeg is om de gehele materie te behandelen.

Mevrouw Groenman (D66): Mijnheer de voorzitter! Ik steun het voorstel van de heer Linschoten. Er zijn belangrijke amendementen ingediend. Deze moeten met de minister worden behandeld.

De heer Biesheuvel (CDA): Voorzitter! Mede gezien de opdeling van de behandeling (vandaag de eerste termijn van de Kamer en woensdag de afhandeling) zal de CDA-fractie het verzoek van de heer Linschoten niet steunen. Zij gaat er daarbij van uit, dat de minister de mogelijkheid heeft om er woensdag wel bij te zijn.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! De heer Biesheuvel zegt het volgende: "Het gaat om een zaak die de minister aangaat. Bij de inbreng van de Kamer vinden wij de aanwezigheid van de staatssecretaris echter voldoende. Aan de hand van wat ambtenaren voor hem opgeschreven hebben, kan de minister straks antwoorden." Die argumentatie staat mij niet aan. Wij gaan deze week in een krappe procedure een debat aan waarin de bedrijfsgezondheidszorg een wezenlijk element is. Dat regardeert de portefeuille van de minister. Ik vind het van betekenis dat de minister straks niet alleen een verhaal voorleest aan de Kamer, maar dat hij nu ook hoort wat er hier in de Kamer gebeurt en ziet op welke wijze dat element ook in de eerste termijn van de Kamer zijn beslag krijgt.

De voorzitter: Mijnheer Linschoten, ik heb een vraag aan u in verband met de orde. Wij kunnen hier natuurlijk nog heel lang over praten. Van de vaste Commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid heeft mij, gegeven de ondertekening van het wetsvoorstel door alleen de staatssecretaris, echter niet het verzoek bereikt om de minister ook voor dit debat uit te nodigen. Voor zover ik mij herinner, hebt u noch bij mij noch bij de griffie eerder een dergelijk verzoek ingediend. U stelt dit nu voor het eerst aan de orde.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Ik ben ervan uitgegaan dat na de indiening van een concreet amendement op het punt van de bedrijfsgezondheidszorg en...

De voorzitter Wij kijken altijd naar de ondertekening.

De heer Linschoten (VVD): ...en gegeven de schriftelijke voorbereiding en de activiteiten van de minister zelf vorige week in verband met deze zaak, de minister hier aanwezig zou zijn. Dat leek mij vanzelfsprekend.

De voorzitter U beantwoordt mijn vraag niet. De ondertekening door alleen de staatssecretaris is niet in de procedurevergadering van de commissie aan de orde geweest. Ik heb dit net even nagekeken. U confronteert de Kamer nu met dit verzoek. Als u vorige week een seintje had gegeven, dan hadden wij hierover kunnen overleggen. Ik zal op dit moment contact met de minister laten opnemen en hem laten vragen of hij alsnog kan komen. Hem zal in ieder geval gevraagd worden, woensdag bij het antwoord aanwezig te zijn. Ik wil nu echter wel vast beginnen met de behandeling van dit wetsvoorstel. Gelet op het totaal, had er eerder aan de bel getrokken moeten worden. Ik stel dus voor, toch met de behandeling van het wetsvoorstel te beginnen.

Daartoe wordt besloten.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

P.J. (Pieter Jan)  BiesheuvelDe heer Biesheuvel (CDA): Mijnheer de voorzitter! Met enig ongeduld is ernaar uitgezien, maar vandaag behandelen wij dan toch het eerste concrete wetsvoorstel dat een bijdrage zal dienen te leveren aan de doelstelling van het kabinet om het aantal arbeidsongeschikten in ons land terug te dringen. Binnen en buiten het parlement zijn vele suggesties gedaan om dit doel te bereiken. Het kabinet heeft aan het begin van zijn rit een politieke doelstelling geformuleerd. Mijn fractie heeft deze doelstelling onderschreven. De besluitvorming in het kabinet inzake de WAO is eind augustus jongstleden afgerond. Hoezeer de CDA-fractie echter ook zou willen dat alleen met de zogenaamde volumemaatregelen het politieke doel van het kabinet gehaald zou worden, met het te behandelen wetsvoorstel is wel aangetoond dat verdergaande maatregelen ten aanzien van de WAO onvermijdelijk zijn. In zijn algemeenheid wil ik met betrekking tot de WAO-problematiek het volgende opmerken. Het samenstel van maatregelen in het kader van de WAO is in de visie van de CDA-fractie niet alleen om financiŽle redenen noodzakelijk. Hier speelt ook zeer nadrukkelijk het sociale aspect een zeer belangrijke rol. De vragen naar sociale zekerheid, waarvan de WAO er ťťn is, kunnen niet worden gereduceerd tot louter financiŽle vragen. Wij moeten cok niet de indruk wekken, deze sociale kwestie met omvangrijke geldstromen geregeld te willen hebben. De politiek heeft ook de zeer belangrijke opdracht om ervoor te zorgen dat mensen niet zomaar buiten het arbeidsproces geplaatst worden en dat mensen die kunnen en willen werken, hun ontplooiingsmogelijkheden blijven behouden. Het gaat om meer dan het garanderen van een bepaald niveau van uitkeringen. Het gaat ook om het zich kunnen ontplooien overeenkomstig zijn of haar capaciteiten. In zo min mogelijk gevallen zou het ontvangen van een uitkering als een eindsituatie moeten worden beschouwd. Stimulansen tot eigen ontplooiing dienen een gerede kans te krijgen. Overigens houdt dit niet in dat deze stimulansen eenzijdig van de kant van de overheid behoren te komen. Een reeks van wettelijke maatregelen is aangekondigd, teneinde zo gericht mogelijk de ontwikkeling van het aantal arbeidsongeschikten in ons land te sturen. De CDA-fractie dringt er bij het kabinet op aan, het beoogde tijdschema van deze wettelijke maatregelen zo goed mogelijk te handhaven. Het gaat hierbij met name om de wetgeving inzake de terugdringing van het ziekteverzuim, de wijziging inzake de organisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid en de wetgeving inzake de WAO, ook wel TAV 3 genoemd. Naar aanleiding daarvan noem ik de terugdringing van het ziekteverzuim gemakshalve overigens maar even TAV 2. Voor de effectiviteit van het beleid is het van belang dat het beoogde wetgevingstraject ook op de beoogde tijdstippen in werking treedt. De CDA-fractie dringt er dan ook bij het kabinet op aan om het beoogde tijdschema zo goed mogelijkte bewaken. De beoogde doelstelling kan niet alleen gehaald worden met wettelijke maatregelen. Ook de sociale partners zelf hebben mogelijkheden in handen om het probleem inzake arbeidsongeschiktheid aan te pakken. Op individueel bednjfsniveau wordt het een en ander gedaan, maar het kan veel beter. Ronduit zorglijk vindt mijn fractie de geluiden die ons bereiken als het gaat om de uitwerking van het zogenaamde najaarsakkoord. Een belangrijk deel dat voor rekening van de wetgever kwam, behandelen wij vandaag. Wat hebben de sociale partners met hun deel gedaan? Het kabinet deed aanvankelijk onze zorgen ter zake af met de mededeling dat de CDA-fractie voorbarig was. Toch heeft de staatssecretaris zelf ook haar zorgen geuit, getuige haar toespraak voor de Sociale verzekeringsraad op 7 november. Het was overigens een zeer lezenswaardige toespraak, waarin met name het toezicht centraal stond. De staatssecretaris zal begrijpen dat wat dat onderdeel betreft ook ik ongeduldig ben. Die toespraak heeft echter ook een zeer duidelijk licht geworpen op de voortgang van een en ander.

Sinds de indiening van het wetsvoorstel dat wij nu behandelen, zijn twee gebeurtenissen in het kader van dit wetsvoorstel van belang. Allereerst het voorstel van de Federatie van bedrijfsverenigingen om te komen tot een nauwere samenwerking van het Gemeenschappelijk administratiekantoor en de Gemeenschappelijke medische dienst. Ik ga ervan uit dat deze nauwere samenwerking alsnog zal leiden tot een snelle uitwerking van dat deel dat de sociale partners op zich hebben genomen in het kader van het najaarsakkoord. Over de samenwerking zelf heeft de Tweede Kamer zich reeds gebogen. Ik wil op dat punt niet in herhaling treden. Het tweede feit dat ik wil noemen, is het bereiken van een akkoord in de Stichting van de arbeid over het terugdringen van het ziekteverzuim. Degene, die somber was over de waarde van de overlegeconomie in ons land, zal zich misschien toch even achter de oren hebben gekrabd. Het kan dus toch wel! Minister De Vries heeft inmiddels terecht afgezien van het indienen van een zogenaamd parapluwetje ter zake, met overigens wel een resultaatverplichting tegenover de sociale partners. Centrale werkgevers en werknemers roepen CAO-partijen op om nadrukkelijk aandacht te besteden aan het inbouwen van arbeids voorwaardelijke stimulansen ter terugdringing van het ziekteverzuim. Het betreft hier zowel positieve als negatieve prikkels. Met het oog op de komende CAO-onderhandelingen is het naar de mening van mijn fractie zeer gewenst om op korte termijn de mogelijkheden rnet betrekking tot deze oproep van de centrale organisaties in hun volle omvang te verwezenlijken. Daarbi] denkt de CDA-fractie zowel aan de marktsector als aan het overheidspersoneel. Het wetsvoorstel dat wij nu behandelen, heeft onder andere ten doel de financiŽle betrokkenheid van werkgevers bij WAO-maatregelen te vergroten. Verwacht wordt, dat een werkgever daardoor eerder geneigd zal zijn, maatregelen te nemen, die voorkomen dat een werknemer ziek of arbeidsongeschikt wordt. De CDA-fractie wil van de staatssecretaris gaarne vernemen of de beÔnvloedingsmogelijkheden van een werkgever in de marktsector daarbij gelijk zijn aan die van zijn collega in bijvoorbeeld de gepremieerde en gesubsidieerde sector.

Het voorstel van een zogenaamd malussysteem kan leiden tot een verscherpt wervings-en selectiebeleid van een werkgever. De voorzitter van het KNOV heeft daar inmiddels openlijk voor gewaarschuwd. De CDA-fractie gaat er vooralsnog vanuit dat het voorgestelde bonus/ malussysteem leidt tot stimulansen, die weer leiden tot het in dienst nemen of houden van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer. Toch wil de CDA-fractie niet geheel voorbijgaan aan de signalen die sommige werkgeversvertegenwoordigers ter zake afgeven Hoe denkt de staatssecretaris over dit probleem? Indien onverhoopt toch het effect van een verscherpt aanname-beleid zou optreden, zijn de mogelijkheden van de wetgever om hiertegen op te treden niet bijster groot.

De heer Linschoten (VVD): Hoe kijkt de CDA-fractie daar zelf tegenaan? Dit niet in de laatste plaats omdat er op dit punt een wijzigingsvoorstel is ingediend. Hij roemde zojuist het overleg met de sociale partners Dat overieg heeft in ieder geval niet geleid tot de enorm hoge malus die nu wordt voorgesteld. Is hij met ons van mening dat wij eigenlijk terug zouden moeten naar het resultaat van dat overleg en dat die verhoging uit deze wet zou moeten worden gehaald?

De heer Biesheuvel (CDA): De heer Linschoten zegt nu dat als wij een lagere malus zouden bepleiten, het met het wervings-en selectiebeleid van werkgevers wel mee zal vallen. Ik wijs hem erop dat op de jaarvergadering van het KNOV de heer Kamminga, hem ongetwijfeld zeer bekend, gemeld heeft dat een malus, in welke vorm dan ook, Łberhaupt zal leiden tot een reactie als het gaat om het wervings-en selectiebeleid. Dus in die zin wordt het probleem niet opgelost.

©

R.L.O. (Robin)  LinschotenDe heer Linschoten (VVD): Nee, maar wel het andere probleem dat in deze discussie aan de orde is: is de hoogte van de huidige malus -namelijk maximaal een jaarsalarisvoor de CDA-fractie aanleiding om serieus te overwegen om terug te gaan naar het resultaat van het overleg in de tripartiete werkgroep, waarna de malus bijvoorbeeld gemaximeerd kan worden op een salaris van hooguit een viertal maanden?

De heer Biesheuvel (CDAj: Het antwoord is "nee". In het vervolg van mijn betoog hoop ik ook te kunnen aangeven-en daarmee de heer Linschoten te overtuigendat het maar zeer de vraag is of de bezwaren die nu geuit zijn inderdaad zullen leiden tot een verscherpt wervings-en selectiebeleid. Op zichzelf wil ik die signalen wel serieus nemen, maar naar mijn mening kan ook zeker een ander gedrag van werkgevers op dit punt verwezenlijkt worden. Daar zal ik in het vervolg van mijn betoog nader ingaan. Mijnheer de voorzitter! Indien onverhoopt toch het effect van een verscherpt aannamebeleid zal optreden, zijn de mogelijkheden van de wetgever, hiertegen op te treden op zichzelf niet bijster groot. Een sollicitatiecode is wel mogelijk, maar wij moeten er natuurlijk voor oppassen geen symboolwetgeving te maken. De maatschappelijke verantwoordelijkheid van werkgevers zou dieneri in te houden dat het bonus/malussysteem eerder leidt tot verbeterde arbeidsomstandigheden dan tot een verscherpt aannamebeleid. Voorzitter! De grondslag voor de geldelijke bijdrage in het malussysteem wordt gevormd door het salaris, niet door de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het kabinet verdedigt dit op vrijwel louter praktische gronden: de potentiŽle invloed van financiŽle prikkels. Overigens is het voorbeeld dat in de memorie van antwoord ter zake genoemd wordt glashelder. Bij een keuze voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering als grondslag zou het kunnen voorkomen dat de geldelijke bijdrage voor een werkgever die een gedeeltelijk arbeidsongeschikte ondanks aanwezige restcapaciteit laat afvloeien, lager is dan die voor een werkgever die gedwongen is een werknemer die volledig arbeidsongeschikt is geworden, uit dienst te laten treden. Op zichzelf is er geen speld tussen deze argumentatie te krijgen. Toch dient naar onze mening deze praktische redenering gezet te worden naast een belangrijk principe in de sociale zekerheid dat ook niet zomaar opzij gezet kan worden, namelijk dat van het equivalentie-en het solidariteitsbeginsel. Daarbij is de hoogte van een uitkering gerelateerd aan de hoogte van een bepaalde premie. De uitkering is voor iedereen hetzelfde, maar men betaalt premie naar draagkracht tot een bepaald maximum. In het kader van dat equivalentie-en solidariteitsbeginsel zijn maximumpremiegrenzen vastgesteld. Tevens kent onze sociale verzekering een maximumdagloonbepaling. Als nu de grondslag van de malus gebaseerd is op het loon, dient dan ook niet een plafond vastgesteld te worden zoals een maximumdagloon of een gemaximeerde premiegrens? Gaarne een reactie hierop van de staatssecretaris. Voorzitter! Bij de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel iszojuist trouwens ook noguitgebreid aandacht besteed aan de bedrijfsgezondheidszorg. Inmiddels heb ik inzage gekregen in het antwoord op vraag 138 dat bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken aan de orde zal komen. Op dit moment is 40% van de werknemers aangesloten bij een vorm van bedrijfsgezondheidszorg. In de visie van de CDA-fractie dient dit percentage aanzienlijk hoger te liggen, maar langs welke weg moet daaraan dan inhoud worden gegeven? De verwachting is dat het systeem van de malus zal leiden tot een vergroting van het aanbod van bedrijfsgezondheidszorg. Dus weer een positieve prikkeldit aan het adres van de heer Linschotenals het gaat om het bonus/malussysteem. Werkgevers gaan immers voor verzuim en arbeidsongeschiktheid een prijs betalen. Daardoor zal de behoefte aan deskundige begeleiding en advisering toenemen. In de visie van de CDA-fractie zal uit de praktijk moeten blijken dat-en wij verwachten dat dat de uitkomst zal zijner geen behoefte is aan een eenvormig pakket van diensten. Ook hierbij dient eerder sprake te zijn van maatwerk. Een probleem is dat er op dit moment onvoldoende aanbod is. Een onmiddellijke verplichtstelling inzake bedrijfsgezondheidszorg is dan ook nu een lege bepaling. Zij is niet handhaafbaar. In het najaarsakkoord is over dit onderwerp een evaluatie in 1992 afgesproken. Tevens dient vermeld te worden dat er een EG-kaderrichtlijn ter zake is, een richtlijn die betreft de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van veiligheid en van de gezondheid van werknemers op hun werk. Deze kaderrichtlijn treedt uiterlijk 1 januari 1993 in werking, althans voor genoemde datum zal in de nationale wetgeving een en ander geÔmplementeerd moeten worden. Op basis van de praktische argumenten die ik zojuist heb genoemd en de EG-kaderrichtlijn kan niet met onmiddellijke ingang tot een algemene wettelijke verplichting worden gekomen. Voorzitter! Het onderhavige wetsvoorstel brengt administratieve lasten met zich. In een aantal gevallen is dat ook onvermijdelijk. Een kritische afweging van voor-en nadelen kan uiteraard geen kwaad. De CDA-fractie heeft bij de schriftelijke behandeling laten blijken, twijfels te hebben over de meerwaar-de van de premiedifferentiatie in de Ziektewet, naast de invoering van een eigen risico van zes c.q. drie weken voor de werkgever. Wat valt er, kort gezegd, van de ziektewetpremie nog te differentiŽren als een eigen risico is ingevoerd voor de werkgever van zes c.q. drie weken? Het gaat hier om een ingewikkeld systeem, dat de uitvoerders voor grote administratieve puzzels zal plaatsen, hetgeen overigens ook niet wordt ontkend door de staatssecretaris. Je kunt je natuurlijk toch afvragen of de uitvoeringskosten die dit met zich brengt zich nog wel verhouden tot het rendement. Is het dat waard? In dat kader zal de staatssecretaris het niet vreemd vinden dat ik wil waarschuwen voor de verhoging van de uitvoeringskosten. Zij zal zich ongetwijfeld ook nog mijn opmerkingen herinneren over de budgettering van de uitvoering van de sociale zekerheid. De CDA-fractie is van mening dat, indien desondanks toch tot invoering zal worden overgegaan -dat zou bijvoorbeeld kunnen doordat de staatssecretaris op dit punt de CDA-fractie overtuigtwij dan in ieder geval pleiten voor een invoeringsdatum van 1 januari 1993. Dat is in het kader van het heffen van een voorschotpremie uitvoeringstechnisch de beste oplossing. Voorzitter! Een andere administratieve belasting zouniet voor de uitvoerder, maar voor de werkgeverkunnen zijn de registratieplicht in het kader van de Wet arbeid gehandicapte werknemers. Zou de staatssecretaris de Kamer nog eens duidelijk kunnen maken in welke mate hier sprake is van een administratievelastenverzwaring? Bij de schriftelijke behandeling is de vraag aan de orde geweest wat voor zin de registratieplicht heeft, als er geen informatieplicht is. Wij willen graag weten welke administratieve belasting dit met zich brengt, want het beleid van het kabinet is erop gericht om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven zoveel mogelijk te beperken. Voorzitter! Met dit wetsvoorstel vindt daadwerkelijk een overdracht van bevoegdheden plaats aan sociale partners met betrekking tot de Ziektewet. De CDA-fractie wil dit feit memoreren, aangezien door onze fractie herhaalde malen om de voortgang van de overdracht van bevoegdheden is verzocht. De heer Schutte en mevrouw Groenmandestijds de indieners van de motie-en overigens ook de staatssecretaris, zij het in een andere hoedigheid, zullen zich zeker het debat in juni 1988 herinneren waarin uitgebreid is gesproken over het thema van verdeling van bevoegdheden tussen overheid en sociale partners op het terrein van de sociale zekerheid. Naar mijn mening zal dat thema actueel blijven, met name als het ook gaat om de toekomst van ons socialeverzekeringsstelsel.

De heer Linschoten (VVD)undefined: De heer Biesheuvel heeft mij beloofd, enige argumenten te noemen waarom het zo'n vaart niet zal lopen met zo'n enorm scherpe malus. Dat zou in het vervolg van zijn betoog aan de orde komen. Ik heb die argumenten echter niet vernomen.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik heb gezegd dat in de praktijk nog bewezen zal moeten worden of dit inderdaad tot een verscherpt selectie-of verwervingsbeleid leidt, of dat het juist gaat om investeringen die ziekmakende omstandigheden wegnemen om de eenvoudige reden dat er nu een prijs staat op dreigende ziekte of arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Naar onze mening zal het gedrag van de werkgever zich eerder bepalen op het wegnemen van dat risico dan dat hij van tevoren bij de werving of selectie gaat bepalen welk risico hij loopt met iemand. Het is overigens ook bijzonder moeilijk om in te schatten hoe de gezondheid van iemand over vijf of tien jaar zal zijn. Daar zal de heer Linschoten ook niet in slagen.

De heer Linschoten (VVD): Als u het zo moeilijk vindt om in te schatten wat er zal gebeuren, is het dan niet op voorhand verstandiger om voorzichtiger te zijn met het invoeren van een dergelijke regeling? Zouden nu juist die onzekerheid en de ingewikkeldheid van het hele proces van inschatten niet tot een zodanige voorzichtigheidook van de wetgever -moeten nopen, dat wij nu een eerste stap zetten en wij niet gelijk een straf op moeten gaan leggen die, blijkens uitlatingen van werkgevers, wel eens een averechts effect kan hebben?

De heer Biesheuvel (CDA): Het gaat om uitlatingen van een werkgeversvoorzitter, dus niet van werkgevers in het algemeen...

De heer Linschoten (VVD): Het gaat in ieder geval om de vertegenwoordiger van een organisatie die de meerderheid van de werkgevers in de marktsector vertegenwoordigt. Het gaat niet om de eerste de beste.

De heer Biesheuvel (CDA): Hij is zeker niet de eerste de beste. Wij moeten alles wel in zijn verband blijven zien. Het gaat om een bepaling die bepaald gedrag van werkgevers zal uitlokken. Wij praten Łberhaupt over de financiŽle betrokkenheid van werkgevers en werknemers bij deze WAO-problematiek. Het gaat om een inschatting van gedrag. Je kunt van tevoren zeggen dat het wel zo en zo zal gaan, maar ik moet dat in de praktijk nog zien. Trouwens, wij krijgen over twee jaar een uitgebreide evaluatie. Wij kunnen dan zien wie er gelijk heeft de heer Linschoten of ik.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Dat vind ik wat te gemakkelijk gezegd. Wij behandelen vandaag een wet die aanmerkelijke consequenties kan hebben. Ik vind het raar dat de heer Biesheuvel nu zelf toegeeft, niet te kunnen inschatten wat het gedragseffect zal zijn. Desalniettemin lijkt hij akkoord te willen gaan met een dergelijk zwaar middel. Zou het niet meer voor de hand liggen om terug te keren naar dat door de heer Biesheuvel geroem-de overleg tussen sociale partners? In dat overleg had men een heel andere malus voor ogen dan de malus die nu door de staatssecretaris in het wetsontwerp wordt voorgesteld.

De heer Biesheuvel (CDA): De werkgeversvoorzitter waarop de heer Linschoten en ik doelen, heeft die malusregeling ook niet geaccepteerd.

De heer Linschoten (VVD): Ik heb het nu over het overleg van alle sociale partners, die gezamenlijk hebben gezegd zo'n bonus/malussysteem te accepteren. In het overleg ging men uit van een heel ander niveau van malus dan nu in de wet wordt voorgesteld. De CDA-fractie verwacht veel van dat overleg. Mijn vraag aan de heer Biesheuvel is: is het niet verstandig om als je daarvan zoveel verwacht, ook recht te doen aan dat overleg en je te beperken tot de uitkomsten daarvan?

De heer Biesheuvel (CDA): Naar mijn mening zou het te gemakkelijk zijn om nu de ten opzichte van het tripartiete overleg verscherpte malus af te zwakken in de hoop dat daardoor een beter wervings-en selectiebeleid zal ontstaan. Dat is maar zeer de vraag. Naar de mening van de CDA-fractie is de verscherpte malus ook om een andere reden nodig. Die reden heb ik in mijn betoog proberen aan te geven: het doen van investeringen, het mhuren van deskundigheid op het gebied van bedrijfsgeneeskundige gezondheidszorg. Ik geef toe dat het ontzettend moeilijk is om van tevoren het gedrag van iemand te voorspellen. Heel veel effecten van dit wetsvoorstel zijn verwachtingen. Daarom is het zo belangrijk dat er een evaluatie komt. Mijn verwachting met betrekking tot het verantwoordelijkheidsgevoel van werkgevers is blijkbaar groter dan die van de heer Linschoten. Naar mijn mening zal de verscherpte malus uiteindelijk niet leiden tot een onaanvaardbaar wervings-en selectiebeleid. Mocht dat wel het geval zijn, dan is het onontkoombaar daarop een bepaald beleid los te laten. Ik zeg dat bij dezen vooruit. Ik ga niet zover om te zeggen dat wij de verscherpte malus nu maar los moeten laten omdat een werkgeversvoorzitter, ook al is hij niet de eerste de beste, de Kamer waarschuwt voor een verscherpt wervings-en selectiebeleid.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Mag ik nog een tweede vraag stellen? Wat is de toegevoegde waarde van die verscherping van de malus ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel van de tripartiete werkgroep? Ik zie dit even los van de vraag welke gedragseffecten zich ten opzichte van die verscherping voordoen.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik meen dat ik dat heb aangegeven door te zeggen dat een werkgever nu drie keer zal nadenken voordat hij iemand ontslaat die arbeidsongeschikt is of dreigt te worden.

De heer Linschoten (VVD): Dat geldt dus evenzeer voor de werkgever die drie keer nadenkt alvorens hij iemand in dienst neemt. De heer Biesheuvel draait in een cirkeltje rond. Wat hij als argumentatie gebruikt om de toegevoegde waarde aan te geven, ontkent hij als het gaat om de keerzijde van het probleem.

De heer Biesheuvel (CDA): Dat is zeer de vraag. Het is bij iemand die solliciteert ontzettend moeilijk om aan te geven hoe diens gezondheidspatroon er na een aantal jaren uitziet. Dat is van tevoren niet te voorspellen.

De heer Linschoten (VVD): Niet bij iedereen, maar bij een heleboel mensen wel. Stel dat alle keuringseisen worden verscherpt, dan wordt het buitengewoon moeilijk om als er ook maar iets met je aan de hand is straks in Nederland nog een baan te krijgen. Ik moet daar niet aan denken.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik wijs op de aanbevelingen die de Stichting van de arbeid heeft gedaan met betrekking tot sollicitatieprocedures waarover het kabinet trouwens binnenkort een standpunt zal bepalen. De heer Linschoten moet die aanbevelingen nog maar eens nalezen. Hij gaat meer uit van de kwade trouw van werkgevers dan ik.

De heer Linschoten (VVD): Het gaat niet om kwade trouw. Er zijn op dit moment mensen die op grond van medische overwegingen niet in staat zijn om bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij een particuliere maatschappij te verkrijgen. Wat zou de reactie van de heer Biesheuvel zijn als al die mensen straks niet meer in de gelegenheid zijn om een baan te krijgen in ons land?

De heer Biesheuvel (CDA): Hebben wij niet juist een bonussysteem aangenomen als het om die personen gaat? Die regeling behandelen wij vandaag toch ook? Het gaat om een bonus/malussysteem. Bij de persoon waarop de heer Linschoten nu doelt, zou men in aanmerking kunnen komen voor een bonus.

De heer Linschoten (VVD): Helemaal niet. Het hoeft niet te gaan om iemand die een AAW-of een WAO-uitkering heeft. Het zou kunnen gaan om een schoolverlater. Dan is geen bonus aan de orde. Wij hebben in dat geval te maken met de situatie dat iemand een medisch probleem heeft en als gevolg van het beleid dat in dit wetsvsoorstel is neergelegd geen kans meer heeft op een baan. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

De heer Biesheuvel (CDA): Ik wil erop wijzen dat ook het KNOV tot de conclusie is gekomen dat over een aantal beschermingsconstructies nog veel onbekend is. Het is de vraag of veel werkgevers zullen reageren als de heer Linschoten nu doet, omdat men de positieve stimulansen van veel van de maatregelen, die men nu al zou kunnen nemen om mensen op wie de heer Linschoten doelt in dienst te nemen, niet eens nodig heeft.

De heer Linschoten (VVD): Het cruciale element is dat men, indien men met zulke werknemers wordt geconfronteerd, nu de financiŽle risico's vrijwel geheel op de collectieve sector kan afwentelen, terwijl er straks een rekening ligt, namelijk de straf van een jaarsalaris. Je zult je als werkgever-en zeker als kleine werkgever -wel drie keer bedenken voordat je een dergelijke persoon in dienst neemt. Dit heeft niets met kwade trouw te maken, maar met ondernemen in Nederland.

De voorzitter Ik wil u beiden even onderbreken. U gaat uit van kwade trouw bij personen buiten deze zaal. Dat lijkt mij geen juiste terminologie.

De heer Biesheuvel (CDA): Daar heeft u gelijk in. Voorzitter! De heer Linschoten suggereert dat een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer een grotere kans op ziek zijn heeft. Het is maar zeer de vraag of dat juist is. Daarop is men uitgebreid ingegaan bij de schriftelijke behandeling.

©

D.J. (Jacqueline)  Beijlen-GeertsMevrouw Beijlen-Geerts (PvdA): Mijnheer de voorzitter! "Hoe ziek is de WAO?", is de titel van een van de vele artikelen die in de afgelopen maanden over de WAO zijn verschenen. Veel van die artikelen en ook een aantal onderzoeken hadden gemeen dat daarin werd gezocht naar de oorzaken van de ziekte. Ook ik wil in mijn bijdrage ingaan op de oorzaken van het groeiend aantal arbeidsongeschikten, op de oplossingen die in dit wetsvoorstel worden geboden en op de aanvullende voorstellen die mijn fractie daarbij wil doen. Daarnaast wil ik aandacht besteden aan het uitvoeringsproces met betrekking tot ziekte en arbeidsongeschiktheid alsmede de cultuuromslag die in dat kader moet plaatsvinden. Ik begin met de oorzaken. Het Sociaal en cultureel planbureau geeft als oorzaken aan: de groei van de beroepsbevolking, de introductie van de AAW, de oprekking van begrippen als ziekte en arbeidsongeschiktheid, de slechtere concurrentiepositie van gehandicapten op de arbeidsmarkt en de arbeidsomstandigheden. Anderen voegen daaraan toe dat van de arbeidsongeschiktheidsregelingen gebruik is gemaakt door zowel werkgevers als werknemers. Van beide zijden is recentelijk erkend dat in de jaren zeventig en tachtig ondernemers en vakbonden een kongsi sloten om de noodzakelijke inkrimping van bedrijven te laten plaatsvinden via de WAO. ledere arbeidsongeschikte kan echter alleen worden afgekeurd met medewerking van de uitvoeringsorganan. Bij die uitvoering kunnen dus ook heel wat vraagtekens worden gezet. En last but not least kan de vraag worden gesteld wat de politiek deed. In het afgelopen decennium is bij herhaling aangedrongen op volumebeleid. Voorgaande regeringen hebben zich op dit punt niet echt actief getoond. Het is in ieder geval duidelijk dat van de in de WAO beoogde doelstelling, dat geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikte personen zoveel mogelijk hun arbeidsgeschiktheid moeten herwinnen en in het arbeidsproces moeten worden teruggeplaatst of gehandhaafd, veel te weinig terecht is gekomen. Gelukkig is inmiddels iedereen, sociale partners en een breed frond in de politiek, ervan overtuigd dat het zo niet langer kan. Er is de algemeen aanvaarde opvatting dat de volumegroei moet worden omgebogen in een daling. Dit heeft in 1990 geresulteerd in het najaarsakkoord waarin overeenstemming werd bereikt over een aantal maatregelen die voor een deel in dit wetsvoorstel zijn verwerkt. Echter, gebleken is dat dit niet voldoende is. De volumegroei is van dien aard dat het kabinet zich midden in deze zomer genoodzaakt zag, aanvullende maatregelen te nemen. Een meerderheid in deze Kamer ondersteunde deze visie. Wel heeft mijn fractie met nadruk daarbij het volgende aangetekend. Als het volume vermindert en er zicht is op het halen van de bijgestelde doelstelling, wensen wij opnieuw te spreken over de bevriezing van de uitkeringen en over met wat men noemt "de oude gevallen". Voorzitter! De fractie van de PvdA heeft nog steeds moeite met twee onderdelen van de plannen, namelijk de bevriezing van de uitkeringen van de huidige WAO'ers en de zogenaamde "onomkeerbare gevallen". Juist daarom hebben wij bij de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel meer volumemaatregelen voorgesteld, die aangrijpen bij de bron van het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid. Ik doel hierbij op de omstandigheden in de werksituatie, op de begeleiding van zieken en op de systematiek van de keuring. Wij hebben de regering gevraagd, alles uit de kast te halen om de volumebeperking eerder te realiseren. Mijn fractie is niet geheel tevreden over het feit dat die voorstellen niet nu zijn overgenomen maar aan de orde komen bij de behandeling van de wetsvoorstellen inzake de herziening van de Organisatiewet sociale verzekering, de terugdringing van het ziekteverzuim en het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume, nummerS. Natuurlijk is een goede juridische toetsing noodzakelijk maar waar de Raad van State zelf in zijn advies aangeeft, het denkbaar te vinden dat voornemens, opgenomen in het SER-advies, zouden kunnen leiden tot wijziging van de thans voorliggen-de voorstellen, was onzes inziens mťťr mogelijk geweest. Omdat is toegezegd dat onze voorstellen nog aan de orde zullen komen en omdat de genoemde wetsvoorstellen binnen een halfjaar te verwachten zijn, kunnen wij hiermee echter leven. Wij blijven uiteraard van de regering verwachten dat bij die wetsvoorstellen werkelijk alles in stelling wordt gebracht om het volume sneller te doen verminderen. Waar de regering harde maatregelen aankondigt voor de arbeidsongeschikten, mag ook van het kabinet een uiterste inspanning worden verwacht. Voorzitter! Om het verzuim onder de duim te krijgen, moet er langs twee lijnen worden gewerkt aan een verbeterd volumebeleid. De ene lijn is die van de aanvulling van c.q. de verbeteringen in de wetgeving. Langs die weg moet nader worden aangegeven wat er moet gebeuren aan volumemaatregelen door middel van voorschriften, regelgeving en procedures. Hierdoor zal het uitvoeringsproces moeten veranderen. De andere lijn is die van de uitvoerders binnen de zogenaamde uitvoeringsorganisatie. Immers, niet alles is vast te leggen in regels, procedures en voorschriften. De wijze van uitvoering, verzorgd door de bedrijfsverenigingen, wordt ook in sterke mate bepaald door de bestuurders, de managers en de medewerkers. Daar zal een cultuuromslag moeten plaatsvinden in de werkstijl. Dat wil zeggen dat er meer aandacht moet komen voor het vasthouden van de werknemer door verbetering en aanpassing van de werkplek. Als vaststaat dat een werknemer niet meer op de desbetreffende werkplek kan terugkeren, moet er sprake zijn van een goede begeleiding op de weg naar ander werk. Dat vergt zoals gezegd een cultuuromslag, een mentaliteitsverandering en een andere wijze van werken bij de uitvoeringsorganisaties. De sociale partners hebben hier als beheerders van de bedrijfsverenigingen het voortouw, maar wlj zullen dit nauwlettend blijven volgen. Op grond van deze overweging heeft mijn fractiegenoot Buurmeijer gevraagd om een vorm van onafhankelijk toezicht. De vaste Commissie voor sociale zaken heeft besloten dat wij daarover in januari weer komen te spreken. Mijnheer de voorzitter! Voordat ik overga op de verschillende voorstellen in het wetsontwerp, wil ik nog even stilstaan bij het uitvoeringsproces. Als iemand ziek wordt, blijft hij of zij thuis van zijn of haar werk. Een verklaring van de dokter is niet noodzakelijk. Of er een controle plaatsvindt in het kadervan de Ziektewet, hangt af van de sector waarin men werkt. Een uitkering wordt desondanks meteen verstrekt. Als men is aangesloten bij een bedrijfsgezondheidsdienst-en dat geldt voor ongeveer 40% van de werknemers -dan is er meestal een vorm van ziektebegeleiding of anders kan de bedrijfsvereniging dit verzorgen. In de wet is opgenomen dat, indien duidelijk is dat iemand niet binnen een jaar zal herstellen, de bedrijfsvereniging een cliŽnt bij zes maanden ziekte meldt bij de GMD. Uit het feit dat ter zake een verplichting in de wet wordt opgenomen, blijkt dat de huidige wetgeving niet wordt uitgevoerd. Na ťťn jaar ziekte moet de keuring voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats hebben gevonden. In 25% van de gevallen gebeurt dat niet op tijd. Ook in dit opzicht wordt de huidige wetgeving dus niet uitgevoerd. De WAO-uitkering is redelijk definitief. Als men eenmaal onder de WAO valt, volgen er alleen in uitzonderingsgevallen herkeuringen. Men noemt dit de glijbaan van de WAO: men glijdt er wel in, maar men krabbelt er niet meer uit. Er gaan nog meer dingen fout in dit proces. Zo worden uitvoerders bijna gedwongen om de regels soepel toe te passen. Immers, of de cliŽnt wordt onaardig of hij zoekt zijn recht bij een beroepsinstantie. Die stelt veelal de cliŽnt in het gelijk, omdat de rechter zich weer baseert op het oordeel van medici. Daar komt bij de oprekking van het begrip ziekte: van "ongeschikt tot werken" is het geworden "het ontbreken van welbevinden". Onder die noemer kunnen ook arbeidsconflicten worden uitgevochten met behoud van een ziektewetuitkeri ng. Bovendien wordt de uitvoerder niet afgerekend op zijn prestaties en zijn er geen prikkels om efficiŽnt te werken. Ten slotte noem ik in dit verband de voor verbetering vatbare samenwerking tussen de verschillen-de instanties die bij dit proces betrokken zijn. Een voorbeeld daarvan, dat al genoemd is, is de zesdemaandsmelding die nu bij wet verplicht wordt gesteld. Het is goed te vermelden dat het de sociale partners zijn die verantwoordelijk zijn voor dit proces. De overheid krijgt hier maar moeizaam of niet een voet tussen de deur. Bij de herziening van de Organisatiewet sociale verzekeringen zullen wij dit punt uitvoerig aan de orde stellen. In dit verband is dus een wereld te winnen. Tijdens het najaarsoverleg hebben de sociale partners besloten tot een geÔntegreerde gevalsbehandeling. Daarin wordt precies geregeld welke instantie op welk moment actie moet ondernemen. Dit is een heel goede zaak. Het systeem wordt op die manier meer gericht op herintreding van de betrokkene, op het van betrokkene niet lang nodig hebben van een uitkering. Er worden ook meer zeven ingebouwd, zodat mensen niet meer vrijwel ongemerkt ťťn jaar ziek kunnen zijn. Hiermee zijn alle kwalen van het uitvoeringsproces echter niet verholpen. Er kan onzes inziens nog meer verbeterd worden. Diverse experimenten hebben inmiddels uitgewezen dat bedrijfsgerichte controle en begeleiding ter bestrijding en voorkoming van ziekteverzuim, van groot belang zijn. In de schriftelijke behandeling hebben wij evenals een aantal andere fracties, verzocht om een gefaseerde invoering van een verplichte bedrijfsgezondheidszorg. Het kabinet heeft die wens niet gehonoreerd. Wij blijven desondanks van mening dat de bedrijfsgezondheidszorg een belangrijke taak heeft gedurende de eerste zes weken van ziekteverzuim, zeker nu in de voorgenomen wijziging van de Ziektewet die eerste zes weken van ziekte voor rekening van de werkgever komen. Daardoor vermindert de bemoeienis van de verzekeringsgeneeskundige zorg. Ook de Raad voor de volksgezondheid adviseert tot het verruimen van de taak van de bedrijfsgezondheidszorg, omdat dit in het belang is van de betrokken werknemer, het bedrijf en de samenleving in verband met het gebruik van sociale voorzieningen. Wij overwegen dan ook om in tweede termijn een motie in te dienen, waarin de regering wordt opgeroepen om mede in verband met de EG-richtlijn ter zake per 1 januari 1993 zorg te dragen voor een vorm van bedrijfsgezondheidszorg voor alle werknemers. Wij kunnen ons heel goed voorstellen dat er voor verschillende bedrijven verschillende pakketten van diensten aangeboden kunnen worden. Met name vanwege de bekendheid met het bedrijf is de bedrijfsgezondheidsdienst de aangewezen instantie om ziekteverzuim te voorkomen en om gedurende de eerste zes weken van ziekte de betrokkene te begeleiden. Voor ons staat voorop dat zeker in die eerste ziekteperiode een goede begeleiding nodig is. De vormgeving is in dit stadium even minder belangrijk, mits een vorm van bedrijfsgezondheidszorg geboden wordt.

De heer Linschoten (VVD): Mevrouw Beijlen stelt een motie in het vooruitzicht, mede in het licht van de Europese richtlijn die 1 januari 1993 van kracht is. Zo'n motie heeft alleen maar zin, indien die de regering vraagt, meer te doen dan ingevolge die richtlijn verplicht wordt. Immers, dat moet dan toch al gebeuren. Wat vraagt u meer aan de regering dan waartoe zij verplicht is op basis van de Europese richtlijn?

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA): Een vorm van bedrijfsgezondheidszorg vinden wij voor alle werknemers van belang. De EG-richtlijn noemt dit ook, maar daarin wordt een minimale vorm van preventie binnen het bedrijf aangegeven. Dat is ons te weinig. Wij willen graag, dat voor 1 januari 1993 de regering voorstellen doet tot meer dan een bepaalde vorm van gezondheidszorg. Daarbij zijn verschillende pakketten bij verschillende bedrijven weliswaar denkbaar, maar wij zien graag dat de regering voorstellen daartoe doet.

De heer Linschoten (VVD): De bedoeling is, dat het voorstel van de regering verdergaat dan waartoe de EG-richtlijn verplicht?

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA) Oat is absoluut de bedoeling! Mijnheer de voorzitter! Er kan nog meer worden verbeterd in het uitvoeringsproces. In dit wetsvoorstel worden daartoe goede aanzetten gegeven. Zo zijn wij blij met de verplichte zesdemaandsmelding, al is het droevig om te constateren dat een verplichting kennelijk nodig is vanwege het feit, dat de GMD en de bedrijfsvereniging al jaren de afspraken niet nakomen. De zesdemaandsmelding vinden wij belangrijk, omdat daarmee in een vroegtijdig stadium bezien kan worden of een zieke werknemer eventueel met omscholing of revalidatie weer zijn eigen werk of ander werk kan hervatten. In sommige gevallen kan die wachttijd van zes maanden echter al te lang zijn. Er zijn nu eenmaal ziektegevallen, waarin op de eerste dag al duidelijk is dat iemand niet meer het eigen werk maar wel ander werk kan hervatten, bijvoorbeeld na een omscholing. In onze ogen zou de werknemer dan eerder gebruik moeten kunnen maken van de bemiddelingsdiensten van de GMD. Wij hebben daartoe een amendement ingediend om een eerdere melding bij de GMD mogelijk te maken, indien de betrokkene daarom verzoekt. Overigens, welke positieve effecten ziet de staatssecretaris in dit opzicht van de geÔntegreerde gevalsbehandeling door de nauwe samenwerking tussen het GAKendeGMD?

De heer Linschoten (VVD):

Voorzitter! Waarom moet eerder naar het geval worden gekeken indien alleen maar de betrokken werknemer daarom vraagt dan na de zes maanden? Ligt het niet zeer voor de hand om in alle gevallen zo vroegtijdig mogelijk te beginnen met het onderzoeken van de mogelijkheden om iemand niet langs de weg van de Ziektewet uiteindelijk in de WAO te doen belanden?

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA): Wat betreft de eerdere meldingen wil ik u graag gelijk geven, maar gezien het grote percentage lijkt het mij heel moeilijk om alle werknemers die langer dan zes of dertien weken ziek zijn te keuren. In sommige gevallen is dat ook niet echt nodig, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een beenbreuk. Het gaat om die gevallen, waarin een snelle melding bij de GMD en begeleiding nodig is. Dan kan namelijk bezien worden welke beroepsrevalidatie dan wel omscholing nodig is.

De heer Linschoten (VVD): Blijft de vraag waarom wij daar een halfjaar op zouden blijven wachten. Dat vraagt inderdaad extra capaciteit. Het CPB heeft dat ook uitgerekend, omdat de VVD-fractie dat in haar alternatief heeft voorgesteld. Inderdaad moet daarvoor extra ruimte worden vrijgemaakt, ook in termen van formatieplaatsen. Maar het kan wel en het kan een aanmerkelijke volumeontwikkeling in gunstige zin betekenen wat betreft het aantal mensen dat niet meer uiteindelijk in de WAO terechtkomt via de Ziektewet, maar dat door die snelle aanpak in dat jaar weer aan het werk geholpen kan worden.

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA) Op dit moment ligt een geÔntegreer-de gevalsbehandeling voor, waaraan de uitvoeringsorganen nog hun handen vol hebben. Daar zit dit onderdeel ook in. Met mijn wijziging wil ik zo ver gaan, dat die werknemer die behoefte heeft aan een eerdere melding bij de GMD dat ook moet kunnen doen. Die mogelijkheid wordt in dit amendement geregeld.

De heer Linschoten (VVD): En alle andere gevallen moeten eerst een halfjaartje bungelen, voordat wij kijken wat er nog te redden valt?

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA): In de geÔntegreerde gevalsbehandeling komt dit zeker aan de orde. Dit is een van de momenten die daarin zijn vastgelegd. Wij vinden het een goede zaak dat de zesdemaandsmelding ook gaat gelden voor de overheidssectoren. Juist daar kwam het veelvuldig voor dat mensen niet op tijd werden gekeurd. Dat gaat hopelijk nu tot de verleden tijd behoren. Wij hebben in de schriftelijke behandeling nog meer voorstellen gedaan. Zo willen wij een goede ziektecontrole die zich met name bezighoudt met de werknemers die frequent kort verzuimen. Dit voorstel zullen wij herhalen bij de behandeling van het wetsvoorstel Terugdringing ziekteverzuim. Verder kan in onze ogen de keuringspraktijk worden verbeterd door intercollegiale toetsing en door een second opinion. Artsen van de bedrijfsvereniging zouden zich niet vooral moeten bezighouden met claimbeoordeling, maar veel meer met de opbouwende taak, met te onderzoeken welke mogelijkheden de werknemer nog wel heeft en onder welke voorwaarden betrokkene kan blijven werken c.q. zijn werk kan hervatten. Ook het in jaarverslagen opnemen hoeveel keuringen er zijn verricht, hoeveel herplaatsingen er zijn gerealiseerd, hoeveel afschattingen er hebben plaatsgevonden, zorgt voor meer zicht op het uitvoeringsproces en op de uitvoeringsorganen. Wat de WAO betreft hadden wij verzocht om een tijdelijke toekenning van de uitkering, met name als het om een onstabiel ziektebeeld gaat. Bovendien lijkt het ons een goede zaak als er voor WAO'ers een periodieke herkeuring gaat gelden. Deze voorstellen zullen echter pas aan de orde komen bij de komende wetsvoorstellen. Ter vergroting van de financiŽle betrokkenheid van werkgevers en werknemers bij de arbeidsongeschikt heidsregelingen stelt het kabinet voor de premie van de Ziektewet te differentiŽren en een bonus/malussysteem te introduceren. Met het principe van het bonus/malussysteem kunnen wij instemmen. Als je veel brokken maakt, kost dat geld en goed gedrag wordt beloond. Dat het BMS geldt voor iedereen, dus niet alleen voor de marktsector, maar ook voor de overheidssectoren, vinden wij juist. ledere werkgever moet zich inspannen om het ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheidsvolume terug te dringen. Dat de lasten voor de werkgevers worden beperkt tot 5% van de loonsom vinden wij een goede zaak, vooral ook omdat dit voor de kleinere werkgevers een redelijke bescherming is tegen te hoge lasten. Over de momenten van uitbetaling en invordering verschillen wij van mening met het kabinet. Een bonus wordt toegekend indien een dienstbetrekking van ťťn jaar wordt aangegaan. Volgens het voornemen van het kabinet wordt vooraf betaald en na ťťn jaar gecontroleerd of dit terecht was. Het lijkt ons juist en administratief minder bewerkelijk om wel vooraf toe te kennen en pas indien het dienstverband ook werkelijk ťťn jaar heeft geduurd uit te betalen. Ook de Raad van State is vanwege de extra bezwaren van de uitvoering van mening dat de bonus na ťen jaar uitbetaald zal moeten worden. De werkgever zal op die wijze meer geprikkeld zijn om er een succes van te maken. Wat de malus betreft stelt het kabinet voor die pas op te eisen indien de arbeidsongeschikte reeds ťťn jaar een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen. Wij denken daar anders over. Voorkomen moet worden dat iemand een beroep op een arbeidsongeschiktheiduitkering moet doen. Daarom moet de prikkel er zo vroeg mogelijk zijn. Nu in de toelichting op de tweede nota van wijziging wordt gezegd dat de malus kan worden terugbetaald indien de werkgever de herstelde werknemer weer in dienst neemt, vervalt onzes inziens elk argument tegen betaling na twee jaar ziekte. Wij hebben dan ook een amendement hierover voorbereid waarin het moment van de betaling samenvalt met de ingangsdatum van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en wachten de reactie van de staatssecretaris af. Overigens is mijn fractie verheugd over het feit dat het bonus/malussysteem nu in de wet is geregeld en niet, zoals het voornemen was, in een AMvB. De opbrengst van het bonus/malussysteem is voor de verlaging van de AAW-premie, zo stelt het kabinet voor. Wij hebben voorgesteld een klein deel van die opbrengst aan te wenden voor intensivering van het volumebeleid, bijvoorbeeld voor de uitbreiding van de bedrijfstakgewijze preventie-activiteiten. Door preven-tie-activiteiten zal het volume dalen en gaat ook de premie weer mee omlaag, zo denken wij. Daarom willen wij het voorstel graag nog eens hier herhalen.

Staatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Mag ik even voor de verduidelijking vragen of het juist is dat dit zou betekenen dat uit het AAF geld werd benut voor preventie-activiteiten?

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA) Het betekent dat je meer geld aanwendt voor preventie-activiteiten. Ik wil gaarne van de staatssecretaris een toelichting ontvangen op wat zij heeft gesteld over de sociale werkvoorziening en het BMS. Klopt het dat alle maatregelen onverkort gelden voor de sociale werkvoorziening? En kan de staatssecretaris meedelen welk overleg er is geweest met de betrokken partijen? Wat de premiedifferentiatie betreft kan ik kort zijn. Wij zijn er voorstander van dat werkgevers die wel aan preventie doen en die wel aandacht hebben voor de arbeidsomstandigheden, worden beloond voor hun inspanningen in de vorm van een daling van de ziektewetpremie. En ongekeerd vinden wij het terecht dat een werkgever die zich minder bekommert om zijn werknemers, daarvan ook de financiŽle gevolgen ondervindt. Wij zijn ervan overtuigd dat het BMS en de premiedifferentiatie een stimulans zijn voor de werkgevers om de werkomstandigheden te verbeteren. Net als de heer Biesheuvel vragen wij ons af of door deze financiŽle prikkels de werkgevers niet strengere eisen zullen stellen bij de werving en de selectie van werknemers. Wij zouden graag vernemen op welke wijze het kabinet een verscherpte selectie denkt te voorkomen. Is de staatssecretaris c.q. de minister bereid, hierover met de sociale partners afspraken te maken? Mijnheer de voorzitter! In de Ziektewet en de WAO zitten voor zowel de werkgevers als de werknemers nu weinig stimulansen om het werken maar weer eens te proberen. In dit wetsvoorstel worden veel voorstellen gedaan om die drempels te slechten: voorstellen om een loonkostensubsidie te verstrekken, begeleidingssubsidie, verhoging van het ziekengeld gedurende de eerste drie jaren, uitstel van schatting bij scholing, herziening naar een hoger dagloon als een gedeeltelijk arbeidsongeschikte opnieuw uitvalt en een ruimere proefperiode bij werkhervatting. Wij kunnen alle voorstellen van harte ondersteunen. Maar niet alle drempels zijn hiermee geslecht. Wij hebben nog een vraag over de korting van inkomsten indien een arbeidsongeschikte niet passende arbeid aanvaardt. Ons bereiken signalen dat mensen die een aanvullende uitkering hebben, bij een periodieke verhoging van hun salaris meteen worden geconfronteerd met een daling van de uitkering. Dat geldt bijvoorbeeld voor de mensen die in WSW-verband werken. Dat is dus een grote groep. Om het probleem op te lossen, hebben wij voorgesteld om een vrijlatingsbepaling conform de Algemene bijstandswet te overwegen. In de nota naar aanleiding van het eindverslag staat dat een vrijlating bij TAV 3 aan de orde zal komen. Wordt dan dit voorstel bedoeld? Of wordt de vrijlating bedoeld die mijn collega WŲltgens al eerder voorstelde, namelijk oudere gehandicapten een stukje van de uitkering laten meenemen bij werkhervatting? Of worden misschien beide voorstellen bedoeld? Ik verneem hierop graag een reactie van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Ter Veld: Voordat ik een reactie kan geven, verneem ik graag het antwoord op de volgende vraag. De activiteiten verricht in het kader van niet passende arbeid, vallen nu onder de anti-cumulatiebepaling. Daarin is een vrijlating opgenomen van 15% van het dagloon. Bedoelt mevrouw Beijlen dat de vrijlatingsbepaling verkeerd uitwerkt? Wil zij bovenop de bestaan-de vrijlatingsbepaling nog een vrijlatingsbepaling? Ik begrijp het niet helemaal. Kan zij dit punt toelichten? Het gaat dan om het geval van niet passende arbeid waarbij geen afschatting, maareen anti-cumulatie van arbeidsinkomen en uitkering plaatsvindt. Daarbij is sprake van een vrijlating. Men kan verdienen tot 85% van het dagloon. De uitkering bedraagt 70% van het dagloon. Er is dus een vrijlating van 15%. Wat zijn nu de problemen voor de fractie van de PvdA?

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA): Als mensen gedeeltelijk werken en gedeeltelijk een uitkering hebben Ťn een salarisverhoging of een periodieke verhoging krijgen, betekent dit automatisch dat gekort wordt op de uitkering. Dat is geen stimulans voor mensen om te streven naar een promotie of iets dergelijks. Wij zien dit probleem. Wij zien dat mensen niet ornhoog gaan en altijd aan het maximum van 85% zitten. Wij vragen om een oplossing voor dit probleem. Is dat mogelijk of niet? Wij denken dat het mogelijk is om dit conform de ABW te doen: gedurende een bepaalde tijd een andere vrijlating regelen. Wij willen hierop graag een reactie van de staatssecretaris. Dat is het probleem.

Staatssecretaris Ter Veld: Het is mij toch niet helemaal duidelijk. De Algemene bijstandswet kent een vrijlatingsbepaling. De AAW/WAO kent een vrijlatingsbepaling in het geval van werken in niet passende arbeid. Wilt u bovenop de bestaande vrijlatingsbepaling nog eentje voor als iemand tussendoor promotie maakt? Uw probleem vloeit voort uit het feit dat de vrijlatingsbepaling al een keer benut is. Dat krijg je na verloop van tijd: de vrijlatingsbepaling is benut, iemand krijgt promotie en loopt tegen de grenzen van de vrijlatingsbepaling aan. Dat is in de ABW ook zo.

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA): De grens is die 85%. Daar zitten de problemen. Dit probleem geldt onder andere voor de WSW. Wij willen daar graag een oplossing voor. Als u met andere voorstellen komt, zou mij dat heel dierbaar zijn. Ik heb ze tot nu toe echter niet gehoord. Wordt dit voorstel meegenomen bij TAV 3 of heeft u bedoeld de vrijlating mee te nemen die de heer WŲltgens eerder genoemd heeft.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik dacht dat die vnjlatingsbepaling te maken had met het voorstel dat ook van de heer Brinkman kwam bij de algemene beschouwingen voor een soort stimuleringsmaatregel voor oudere arbeidsongeschikten die met behoud van een deel van hun uitkering elders hun werk zouden kunnen hervatten. U vraagt een wijziging van de bestaande vrijlatingsregelingen in de sfeer van de acceptatie van arbeid die niet leidt tot afschatting, maar die leidt tot een anti-cumulatieregeling van arbeid en inkomen. Misschien komt het in de derde TAV mee, maar misschien begrijp ik na goed lezen van uw stukken nog eens precies wat u van mij verwacht.

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA):

Het is mij in ieder geval duidelijk dat u in uw antwoord niet mijn suggestie bedoelt, maar de suggestie van de heren WŲltgens en Brinkman. Ik zal erover nadenken en er in tweede termijn op terugkomen.

De heer Linschoten (VVD): De WAO verzekert voor het verlies van verdiencapaciteit. Vindt u dan niet dat, indien iemands verdiencapaciteit voor zover hij aan het werk is toeneemt, hetgeen blijkt uit promoties en aanzwellend salaris, het eigenlijk heel raar zou zijn als je dat alsnog via de WAO zou compenseren, even los van de vrijlatingsbepalingen waar de staatssecretaris het over heeft?

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA): Je kunt het ook zien als een stimulans om de hoeveelheid inkomsten te verhogen, zoalsik heb er niet voor niets naar verwezendat bij de bijstand is geregeld. Daar geldt dat, als iemand inkomsten weet te verwerven, gedurende maximaal twee jaar een bepaald bedrag van de inkomsten wordt vrijgelaten. De bedoeling is mensen te stimuleren om nog meer inkomen te verwerven dan op dat moment het geval is, om zichzelf te kunnen bedruipen. Een soortgelijke redenering zou je bij de WAO kunnen ophangen. Met name voor de groep die in niet passende arbeid hervat, zou je kunnen onderzoeken of er mogelijkheden zijn om dit probleem op te vangen.

De heer Linschoten (VVD): Stimuleren is toch niet aan de orde, omdat het probleem dat u schetst zich pas voordoet als dat extra salaris zich daadwerkelijk aandient. Dan is het hele stimuleerverhaal naar mijn idee niet meer aan de orde.

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA): Maar dat iemand daar niet beter van wordt, betekent dat mensen misschien ook minder moeite zullen doen om een andere baan te krijgen of om promotie te maken. Ik vroeg mij af of je mensen zou kunnen stimuleren door middel van een vrijlatingsbepaling. Mijnheer de voorzitter! Het voorstel om artikel 30 van de Ziektewet uit te breiden, waardoor niet alleen passende arbeid bij de eigen werkgever, maar ook bij een andere moet worden aanvaard, kunnen wij ondersteunen. Dat zowel aan de werkgever als aan de werknemer een sanctie wordt opgelegd indien zij in gebreke blijven, heeft ook onze instemming. Uitvoeringsorganisaties moeten die sancties dan ook opleggen. Gezien het rapport "Tussen schroom en daad" twijfelen wij daar enigszins aan. Wat ons betreft, zouden ook die uitvoeringsorganen gesanctioneerd mogen worden indien zij in gebreke blijven Bij de herziening van de Organisatiewet sociale verzekeringen komen wij daar zeker op terug. Bij de uitbreiding van de werking van artikel 30 van de Ziektewet is een probleem onzes inziens nog niet opgelost, namelijk het risico van een dubbel dienstverband. Het kan voorkomen dat een zieke werknemer passende arbeid aanvaardt bij een andere werkgever en dan in feite twee dienstverbanden heeft. Wanneer de eerste werkgever hem terug wil, zit die werknemer met de problemen. Ik stel voor, dit op te iossen door de drie betrokken partijen schriftelijk een overeenkomst te laten aangaan over de voorwaarden waaronder die passende arbeid zal worden verricht. De GMD kan hierby als bemiddelend orgaan het initiatief nemen. Een amendement met deze strekking is ingediend. Om het instrument van artikel 30 Ziektewet ook te kunnen gebruiken in de WAO en AAW zijn daarin analoge bepalingen opgenomen. Dit heeft onze instemming, al vroegen wij ons wel af waarom dit wordt beperkt tot het eerste jaar van de WAO en AAW. Het leek ons zinvol, aan te sluiten bij de duur van de dienstbetrekking, zodat de werkgever zolang de dienstbetrekking duurt, kan worden aangesproken op zijn medeverantwoordelijkheid voor de reÔntegratie van zijn werknemers. In de WAGW wordt geregeld dat bedrijven hun gehandicapte werknemers moeten registreren. Wat ons verwondert, is dat daarbi] geen informatieplicht geldt. Voor wie registreren de bedrijven dan? Mijn fractie hecht zeer aan een informatieverplichting, omdat op deze wijze een adequate beoordeling van de inspanningsverplichtingen van werkgevers op grond van de WAGW mogelijk wordt en omdat zo naleving van de registratieverplichting wordt gestimuleerd. Wij overwegen een amendement met deze strekking in te dienen. Mijnheer de voorzitter! Over de arbeidsvoorwaardelijke prikkels zijn op centraal niveau afspraken gemaakt. In dit licht heeft de regering besloten, in het wetsvoorstel TZ geen dwingende bepahngen op te nemen over het inleveren van verlofdagen bij ziekte Volstaan wordt met een wijziging van artikel 1638ee Burgerlijk Wetboek, die het inleveren van verlofdagen mogelijk maakt en niet voorschrijft. Wij staan hier niet onwelwillende tegenover. Twijfel bestaat echter over de vraag of het mleveren van verlofdagen ook bij individuele schriftelijke overeenkomst en zelfs bij mondelinge overeenkomst mogelijk moet zijn, zoals uit de toelichting bij het voorontwerp TZ blijkt. Ons lijkt het beter, dit voor te behouden aan een collectieve regeling, ook uit een oogpunt van bescherming van de individuele werknemers. Gezien deze twijfel vragen wij ons af of het verstandig is, dit punt naar voren te halen. Beter ware het, hiervoor zorgvuldige procedures te volgen en de adviezen van de Sociale verzekeringsraad en de Raad van State in de beschouwingen te betrekken. Wellicht kan de regering op dit punt onze twijfel wegnemen. In dit verband is de mogelijkheid geopperd, de voorgenomen wijziging van artikel 1638e, waarbij de doorbetalingsverplichting wordt teruggebracht van 100% naar 70%, naar voren te halen en nu reeds in de wet op te nemen. Dit lijkt ons onacceptabel, zowel uit een oogpunt van zorgvuldigheid als met het oog op het evenwicht in het pakket. Het hier voorgestelde hangt onverbrekelijk samen met het voor rekening van de werkgever brengen van de eerste zes weken. Dit wordt eerst geregeld in het wetsvoorstel TZ. Daar hoort dus ook de voorgestelde wijziging van artikel 1638e BW, ten nadele van de werknemer, te worden behandeld. Mijnheer de voorzitter! Er is heel wat nodig om het volume te laten dalen. De instroom moet worden beperkt en de uitstroom moet worden bevorderd. Dat kan door werkgevers financieel te prikkelen, hun ziekteverzuim onder de duim te houden. Dat kan door via het BMS werkgevers te belonen als zij een arbeidsongeschikte in dienst nemen. Dat kan door het wegnemen van drempels voor die arbeidsongeschikte werknemers die weer aan de slag willen. Dit wetsvoorstel komt met goede aanzetten, maar het is niet voldoende, zo heeft het kabinet zelf ook geconstateerd. Wij wachten met spanning en ongeduld op de volgende wetsvoorstellen en gaan ervan uit dat veel van de door ons gedane voorstellen daarin zullen terugkomen. Ook van de sociale partners verwachten wij dat zij zich maximaal zullen inzetten voor de terugdringing van het volume ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Ik doel vooral op de mvloed die zij hebben op het uitvoeringsproces. De noodzaak van een uiterste inspanning van allen heeft zich in de afgelopen maanden nadrukkelijk aangediend. De keuzes van het kabinet voor een wijziging van de WAO zijn ingegeven door het te lang achterwege blijven van effectief beleid. De les die wij hieruit moeten leren is deze: de bescherming van hen die zijn aangewezen op de collectief georganiseerde solidariteit komt onder druk te staan en dreigt te bezwyken als de participatie aan arbeid drastisch vermindert. De huidige staatssecretaris heeft menigmaal gezegd: de beste sociale zekerheid is het bieden van werk. De nu voorliggende maatregelen en datgene wat nog komt, zullen ertoe moeten leiden dat er meer mensen op de werkvloer komen en dat er minder mensen een uitkering krijgen. Dat is een opdracht voor regering en parlement en voor werkgevers en werknemers. Ik hoop dat wij met dit wetsvoorstel een keer ten goede kunnen maken.

De heer Schutte (GPV): Voorzitter! Mevrouw Beijlen heeft er aan het begin van haar betoog aan hetÔnnerd dat haar fractie nog steeds grote moeite heeft met de situatie van de onomkeerbare gevallen. Ik heb de hele tijd naar haar geluisterd en neem aan dat die moeite nog steeds bestaat. Zij heeft er echter niet meer over gesproken. Kan zij daar nog iets over zeggen? Is de PvdA-fractie er nog steeds op uit om die onomkeerbare gevallen een oplossing te bieden of heeft zij de strijd opgegeven?

Mevrouw Beijlen Geerts (PvdA): Ik denk dat mijn fractie niet de enige is die nog steeds een oplossing zoekt voor onomkeerbare gevallen. Wij zoeken daar in ieder geval nog steeds naar. Ik heb hier verder niet meer over gesproken, omdat ik vind dat dit eigenlijk aan de orde moet komen bij het wetsvoorstel TAV 3. Ik wil er nu uiteraard wel iets over zeggen. Het is niet zo moeilijk om aan te geven wie in een onomkeerbare situatie zit. Dat is namelijk iemand die niet meer naar het arbeidsproces kan terugkeren. Het is echter heel lastig om hiervoor ťťn categorie te zoeken en die categorie te benoemen. Het voorbeeld is genoemd van iemand met een dwarslaesie. De een kan met een dwarslaesie met enige moeite wel weer aan het werk, terwijl de ander dat nooit meer zal kunnen. Het zoeken van bepaalde ziektes biedt dus ook geen oplossing. Wij zijn aan het onderzoeken of er bepaalde procedures zijn, waardoor bepaalde categorieŽn aangewezen kunnen worden als waarschijnlijk onomkeerbare gevallen. In de schnftehjke behandeling hebben wij gewezen op het verhaal van de Industriebond. De Industriebond gaat ervan uit dat er een ziektewetperiode van zes tot negen weken komt en dat daarna gedurende een periode van twee jaar alle revalidatie-en reÔntegratiemiddelen moeten worden toegepast op degene die niet kan werken. Bij een uiteindelijke keuring zou dit kunnen leiden tot de conclusie dat iemand arbeidsongeschikt is en dat die toestand waarschijnlijk onomkeerbaar is. Die conclusie kan echter nooit tot iemands 65ste blijven bestaan. Er zal periodiek herkeurd moeten worden. Wij weten nog niet precies hoe dit proces in de wet zal moeten worden beschreven. Wij zullen hier dus nog op terugkomen bij TAV 3. Ik hoop dat andere partijen ook meedenken over de oplossing van dit probleem.

De heer Schutte (GPV): Voorzitter! Van de moeilijkheid om hiervoor een oplossing te vinden, was ik al van tevoren overtuigd. Het is echter met name de PvdA-fractie geweest die op dit punt verwachtingen heeft gewekt. Uit persberichten meen ik begrepen te hebben dat de PvdA het hoofd in de schoot zou leggen. Uit de bijdrage van mevrouw Beijlen begrijp ik nu evenwel dat de PvdA hier nog steeds mee bezig is en dat degenen aan wie die belofte gedaan is, daar nog steeds op mogen rekenen.

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA) Wij hebben het hoofd zeker niet in de schoot gelegd. Wij hebben heel eerlijk gezegd dat wij op dit moment geen pasklare oplossing hebben. Wij zijn nog steeds bezig met het zoeken naar wegen. De behandeling van het wetsvoorstel TAV 3 is het moment om daarop terug te komen.

De heer Biesheuvel (CDA): Voorzitter! Het betoog var. mevrouw Beijlen in ogenschouw nemend, besef ik dat zij op een aantal punten net zoveel ongeduld heeft als de CDA-fractie. Voor zover haar ongeduld niet met het wetsvoorstel TAV 1 weggenomen wordt, zal dat evenwel met de Wet terugdringing van het ziekteverzuim, de Organisatiewet sociale verzekering en het wetsvoorstel TAV 3 teruggedrongen moeten worden. Mevrouw Beijlen ging net als ik vrij expliciet in op het stichtingsakkoord inzake het terugdringen van het ziekteverzuim. Heb ik het nu goed begrepen dat het voor haar bespreekbaar is om het inleveren van vakantiedagen voor ziektedagen door middel van amendering naar voren te halen? Voor zover ik het begrepen heb, wordt dit nu namelijk in het wetsvoorstel TZ geregeld. De uitkeringshoogte ingevolge de Ziektewet zou zij echter niet door middel van amendering naar voren willen halen. Kan zij nog iets zeggen over het onderscheid dat zij op dit punt maakt? Dit klemt te meer, daar ik zelf bepleit heb om het stichtingsakkoord in zijn volle omvang op zo kort mogelijke termijn te doen ingaan.

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA) Wanneer dat inderdaad in volle omvang het geval is, moeten wij erover gaan nadenken of het wel of niet kan. In het stichtingsakkoord wordt met name de mogelijkheid genoemd om vakantiedagen, indien daarom wordt verzocht, in te kunnen ruilen bij ziekte. Ik vind dat hierbij aan kan worden gesloten, mits het goed geregeld wordt en het niet mogelijk wordt dat een individuele werkgever tegen zijn werknemer kan zeggen dat hij het zo gaat doen. Als het goed wordt geregeld, is dat zeker bespreekbaar voor mijn fractie. Het tijdens de eerste zes weken van ziekteverzuim 70% van het loon doorbetalen kan niet worden losgekoppeld van de verplichting voor de werkgever om het loon de eerste zes weken door te betalen. Het ene deel is voor ons dus wel bespreekbaar, maar het andere niet.

De heer Biesheuvel (CDA): Daarmee geeft mevrouw Beijlen echter geen inhoudelijk oordeel over dat tweede punt, de hoogte van de uitkering in het kader van de Ziektewet. Het gaat haar alleen om het tijdstip waarop wij dat gaan behandelen. Zij wijst die mogelijkheid dus niet nu al af.

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA) Wij hebben dat geaccepteerd toen wij de kabinetsplannen van 27 augustus hebben geaccepteerd.

De heer Leerling (RPF): Ik ben blij dat mevrouw Beijlen zoŽven zei dat zij nog perspectief zoekt voor de onomkeerbare gevallen In haar betoog heeft zij echter nadrukkelijk gezegd dat alle maatregelen ertoe moeten leiden dat er minder mensen een beroep doen op de WAO. Heeft zij er voldoende zicht op dat er werkgelegenheid is voor allen die door herkeuring weer op de arbeidsmarkt zouden komen? Zouden wij de mensen niet in het vooruitzicht moeten stellen dat als bij herkeuring blijkt dat men arbeidsgeschikt is, terwijl er geen werk is, men een beroep zal moeten doen op een werkloosheidsuitkering?

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA): Men zou zich ook kunnen voorstellen dat een herkeuring een heroriŽntatie is, waarbij wordt bekeken of men met bepaalde hulpmiddelen en met een bepaalde begelelding in staat is om te werken. Dat is een proces dat misschien langer kan duren. Herkeuring hoeft volgens mij niet meteen te betekenen dat er op hetzelfde moment een afschatting wordt gemaakt. Het zou ook kunnen betekenen dat je een plan van aanpak maakt voor de betrokken arbeidsongeschikte en kijkt welke scholing hij nodig heeft en welke vorm van proefplaatsing bij een werkgever en na afloop daarvan kan dan bekeken worden hoe het is gegaan.

De heer Leerling (RPF): Het gaat echter om de eerlijkheid. Als mensen inderdaad wordt voorgehouden dat wij willen proberen om hen uit de WAO te krijgen, dan kan niemand de garantie geven dat er ook voldoende werkgelegenheid zal zijn. Wij willen echter dat men in het juiste traject zit. Het liefst moet men naar de arbeidsmarkt, maar het kan toch ook betekenen dat men uit de WAO in de werkloosheidsuitkering terecht komt?

Mevrouw Beijlen-Geerts (PvdA): Ik meen dat wij daar heel goed moeten bekijken of iemand mogelijkheden heeft om zelf arbeid en werk te verwerven. Ik meen dat wij daar bij TAV 3 verder op terug moeten komen. Daar wordt het voorstel gedaan om over te gaan tot een periodieke herkeuring.

©

G.J. (Gert)  SchutteDe heer Schutte (GPV): Mijnheer de voorzitter! Bij de behandeling van dit wetsvoorstel kunnen wij er niet omheen, even stil te staan bij de voor-en nadelen van de Nederlandse overlegeconomie, waarover de heer Biesheuvel ook al enkele warme woorden sprak. Zowel de wijze van ontstaan, als de mogelijke wijze van wegwerken van het te grote aantal arbeidsongeschikten heeft daar alles mee te maken. Mede door de parallelle belangen van werkgevers en werknemers kon het volume vrij geruisloos zulke grote hoogten bereiken. Dat schept nu een groot probleem. Anderzijds is die geruisioosheid ook een indicatie van de grote mate van arbeidsrust, waardoor vrij soepel een diep dal van economische malaise en grote werkloosheid kon worden gepasseerd. Bij het zoeken naar oplossingsrichtingen is ook gebruik gemaakt van een typisch Nederlandse constructie als een tripartiete werkgroep. In goed overleg is een heel pakket maatregelen voorbereid Dat leidt weliswaar tot een brede acceptatie, maar de prijs daarvoor is wel hoog. De doorlooptijd voor de totstandkoming is lang en het compromiskarakter groot. Daarom worden wij nu geconfronteerd met wetgeving die behoorlijk gecompliceerd wordt en die tot hoge uitvoeringslasten leidt. Het is de vraag of het dit allemaal waard is. Onze manier van opereren leidt er bijna onvermijdelijk toe dat wij blijven doorknutselen aan het bestaande systeem. Het is kennelijk te veel gevraagd van de sociale partners om eens over hun eigen schaduw heen te springen en na te denken over fundamenteel andere oplossingen. Daarvoor zijn zij toch weer te zeer verweven met het bestaande stelsel. De gemeenschappelijke noemer van het grootste deel van de voorstellen die wij vandaag behandelen, is het toedienen van financiŽle prikkels om verzuimbestrijding te intensiveren. Men moet financieel belang krijgen bij een zo laag mogelijk ziekteverzuim en een veel kleiner bestand aan arbeidsongeschikten. Het is in feite een introductie van een gedeeltelijke marktwerking in een collectieve regeling. Daar is veel voor te zeggen en ik verwacht er ook zeker resultaten van. Maar de vraag is of een en ander ook niet gerealiseerd kan worden door delen van de sociale zekerheid als het ware te privatiseren. En dan bedoel ik niet de beperking van het wettelijk stelsel tot het minimumniveau, met een mogelijke aanvulling met een loongerelateerde uitkering, te regelen bij CAO, maar de uitbesteding van de verzekering aan private marktpartijen. Ook bij de uitvoerders kan er concurrentie ontstaan, een element dat in het huidige systeem ten enenmale ontbreekt. Daarnaast kunnen werkgevers die een actief verzuimbestrijdingsbeleid voeren en daarmee resultaten boeken ook met lagere premies worden geconfronteerd. Uiteraard zal ook bij een geheel andere opzet het collectieve element nog een belangrijke rol blijven spelen om de lasten tussen de bedrijfstakken met hoge en lage verzuimrisico's te spreiden, maar er kan toch voor een geheel andere manier van denken en werken worden gekozen. Het bezwaar dat ik tegen het thans voorliggende wetsvoorstel heb is, dat het zich in haar werkingssfeer voornamelijk richt tot ťťn partij, de werkgevers. Alleen zij zullen met financiŽle prikkels te maken krijgen. Misschien is dit wel de partij die daar het meest gevoelig voor is. Ik sluit dat niet uit. Maar ook de andere partijen die in het geding zijn, zouden veel directer met financiŽle prikkels geconfronteerd moeten worden. In het juli/augustuspakket zat dit wel door werknemers ziektedagen te laten verrekenen met vakantiedagen. Inmiddels is een stap teruggezet en wordt dit overgelaten aan de loononderhandelingen. Dan moeten wij dus afwachten wat hiervan in de praktijk terechtkomt. Het is zonneklaar dat het ziekteverzuim wel degelijk ook door de individuele werknemer valt te beÔnvloeden. Wie weet dat maandagverzuim een vakantiedag kost, zal wel wat minder uitbundig doorzakken in beide voorafgaande dagen. En dat zou om meer dan ťťn reden een goede zaak zijn. Wij zullen de onderhandelingen ter zake afwachten. Als de uitkomst echter is, dat er te weinig directe prikkels komen ten opzichte van individuele werknemer, dan kan de wetgever uiteindelijk niet passief blijven toezien.

Het meest opvallend vind ik het ontbreken van financiŽle prikkels ten opzichte van uitvoeringsorganisaties. In de memorie van antwoord heeft de staatssecretans dit een begaanbare weg genoemd en wil zij deze mogelijkheid betrekken bij de komende wijziging van de Organisatiewet. Ik kan dat positief duiden. Dan mogen wij wellicht op dit punt een aantal ingrijpende vernieuwingen verwachten, bijvoorbeeld het schrappen van de gedwongen winkelnering die in het huidige systeem is opgenomen. Dergelijke situaties leiden meestal niet tot het grootste kostenbewustzijn. Ik kan het ook negatief duiden als een zoethoudertje om de boot voorlopig nog een poosje af te houden. Dat zou ik jammer vinden, want ook binnen het kader van de huidige Organisatiewet moeten toch mogelijkheden te vinden zijn om het kostenbewustzijn te verhogen. Er wordt nu bijvoorbeeld een budgettering voorgesteld. De wenselijkheid daarvan kan ik begrijpen, maar ik heb toch het idee dat wij daarmee aan de verkeerde kant beginnen. Juist op het moment dat geÔntensiveerde en geÔntegreerde gevalsbehandeling gaat plaatsvinden, wordt budgettering voorgesteld. Maar dit zal in veel gevallen een arbeidsintensieve en dus dure oplossing kunnen blijken te zijn. Wij horen regelmatig klachten, onder anderen van verzekeringsgeneeskundigen, dat zij worden beoordeeld op het aantal contacten dat zij hebben. Maar als zij zich een paar dagen intensief met iemand bezighouden en voor het arbeidsproces bewaren, besparen zij op termijn natuurlijk veel meer. Is het, nu wij de weg terug willen inslaan, niet het verkeerde moment om budgettering in te voeren, omdat de beloning in de vorm van lagere premies door de uitvoeringsorganisatie niet als een positieve prikkel zal worden ervaren? Zou de financiering van de uitvoering niet moeten voorzien in een bonus voor iedere geslaagde reÔntegratie? En zou ook het eigen personeelsbeleid van de uitvoeringsorganisaties niet moeten voorzien in mogelijkheden om werknemers die goed scoren met een hoog percentage geslaagde reÔntegraties extra te belonen? Want laten wij maar eerlijk zijn, de salariŽ-ring van het medisch personeel van bedrijfsverenigingen is natuurlijk niet van zo'n niveau, dat het erg motiverend werkt en dat het goede personeel aan de organisatie kan worden gebonden. De staatssecretaris wil op dit moment niet erg ingaan op het functioneren van de uitvoeringsorganen. In antwoord op vragen van de fractie van GroenLinks zegt zij in de nota naar aanleiding van het emdverslag, dat zij zich wil baseren op de feitelijke constatering van de toezichthouder en dat zij over voorgenomen maatregelen eerst het oordeel van de toezichthouder wil vernemen. Wat heerlijk, als je zo onbezorgd kunt leven, zo denk ik dan. Alsof de SVR de eerstaangewezen instantie is om een objectief oordeel te vellen over de uitvoeringsorganisatie. Mijnheer de voorzitter! Het idee van een bonus/malussysteem in de WAO was niet nieuw. Daar is al veel eerder voor gepleit, alleen was de tijd er kennelijk nog niet rijp voor. De tripartiete werkgroep heeft op dit punt belangrijk baanbrekend werk verricht. Maar het idee is ťťn, de uitwerking is een tweede. Daarbij zijn nog heel wat modaliteiten mogelijk. Ik ben er op zichzelf tevreden mee dat met de tweede nota van wijziging het bonus/malussysteem in de wettekst zelf wordt geregeld. Dat is een hele verbetering. Maar ik blijf hetmet mevrouw Beijleneen moeilijk te verteren zaak vinden dat de bonus vooraf wordt uitgekeerd, terwijl de malus pas achteraf verschuldigd zal zijn. Nu is in de nota naar aanleiding van het eindverslag een kleine nuancering aangebracht. Wat die nuancering nu precies inhoudt, is door de voor mij wat onduidelijke formulering moeilijk na te gaan. Als ik het goed begrijp, verandert er in de feitelijke gang van zaken niets, alleen dat in de nu voorgestelde situatie het recht op de bonus pas ontstaat nadat het dienstverband ten minste ťťn jaar heeft geduurd, maar dat de bonus wel bij wijze van voorschot zal worden betaald. Materieel blijft het dus zo dat de werkgever bij de aanvang van het dienstverband al een half jaarsalaris krijgt uitbetaald. Dat geld kan hij bij wijze van spreken voor een deel op de bank zetten. Pas na zes maanden gaat hij zelf kosten maken. Ik vind dit wel een erg royale regeling. Hoe gaat het bijvoorbeeld als iemand met een restcapaciteit van 75% in dienst wordt genomen? Is er dan ook sprake van een bonus van 50% van het jaarsalaris? Als je als werkgever iedere keer dergelijke werknemers weet te vinden en een jaarcontract aanbiedt, kun je daar een aardige zakcent aan overhouden. Ik vind de redenering ook niet zo consistent. Op onze vraag om de boete in een eerder stadium te heffen in plaats van na verloop van ťťn jaar, krijgen wij als antwoord dat het veel te lastig is om weer terug te gaan betalen mdien de arbeidsrelatie toch in stand wordt gehouden. Maar de bonus wordt wel vooruitbetaald en kan -terecht overigensook worden teruggevorderd. Is dat dan niet te lastig? Wat zal trouwens vaker voorkomen? Het alsnog in stand houden van een arbeidsrelatie nadat iemand al in de WAO is, of het alsnog ontbinden van de arbeidsrela tie met een herintredende WAO'er? Kennelijk heeft de regering daar opvattingen over, gezien de keuze die is gedaan. De premiedifferentiatie in de Ziektewet is een goed instrument om werkgevers beter te confronteren met de consequenties van hun eigen handelen of nalaten. Maar ik vraagevenals de heer Biesheuvel-of de effectiviteit van het instrument niet enorm verminderd zal zijn als de eerste zes of drie weken van het ziekteverzuim direct al voor rekening van de werkgever gaan komen. Die maatregel levert op zichzelf al een halvering van de ziektewetpremie op. De differentiatie kan zich dus alleen nog maar uitstrekken over de overgebleven helft. Zal het eigen risico van die eerste zes weken er al niet toe leiden dat werkgevers alles uit de kast zullen halen om het ziekteverzuim te verminderen? Naar het oordeel van de regering is er ook na de eerste zes weken van het ziekteverzuim nog een niet te verwaarlozen verschil tussen bedrijven. Ik zal dat niet ontkennen. De vraag is hier alleen of de kosten tegen de baten opwegen. Om de differentiatie goed te kunnen uitvoeren, is immers een uitvoerige administratie nodig. Levert die investering wel voldoende rendement op in de vorm van significant lager ziekteverzuim? Ik kan mij een redenering voorstellen die zegt: een goede verzuimregistratie is in ieder geval nodig. Daar heb je altijd wat aan. En als je die gegevens toch hebt, is het toepassen van een gedifferentieerde premie niet meer zo'n klus. Die redenering gaat mijns inziens alleen op indien met de geregistreerde gegevens daadwerkelijk iets wordt gedaan. Daar zou dan een bedrijfsgezondheidsdienst op gezet moeten worden die actief aan de slag gaat met de verzuimgegevens. Maar ten aanzien van een verplich te aansluiting bij bednjfsgezond heidsdiensten neemt de regering nu juist een zeer terughoudend standpunt in. Een van de aardige dingen van het SER-advies was dat men het over het belang van bedrijfsgezondheidsdiensten eens was. Men was het gelukkig nog ergens over eens. Dat zegt overigens nog niets over de vraag of je aansluiting ookwettelijk moet verplichten. Gezien het grote belang van bedrijfsinterne gezondheidszorg, neig ik ertoe om die vraag positief te beantwoorden. Overigens heb ik wel oog voor de praktische bezwaren van een verplichte aansluiting op korte termijn. Een verdrievoudiging van de omvang van deze "bedrijfstak"-om het zo maar even te zeggenis inderdaad niet in een handomdraai te verwezenlijken. Het opleggen van wettelijke verplichtingen die vervolgens niet worden uitgevoerd, komt wel vaker voor in deze sector. Ik wijs op de quotering in de WAGW. Ik vind dat weliswaar geen lichtend voorbeeld, maar een wettelijke verplichting kan natuurlijk heel goed gefaseerd worden ingevoerd. Overigens leek in de nota naar aanleiding van het eindverslag enige beweging te komen in het standpunt van het kabinet. Men zou bereid zijn tot nadere regelgeving indien en voor zover... En dan volgen er een heleboel voorwaarden. Natuurlijk moet regelgeving doelmatig, doelgericht en handhaafbaar zijn. Natuuriijk kan niemand aan het onmogelijke worden gehouden. Als er echter niets is en er gebeurt verder niets in de vorm van enige aandrang, dan komt er ook niets. De regering is van oordeel dat premiedifferentiatie en invoering van eigen risico gedurende een periode van zes weken als stimulans voor de werkgever noodzakelijk zijn, voordat eventuele verplichtstelling van bedrijfsgezondheidszorg aan de orde is. Aan die voorwaarde kan eind volgend jaar toch zijn voldaan? Over een jaar zou dan toch een start gemaakt kunnen worden met de gefaseerde invoering van een dergelijke verplichting? Je zou kunnen beginnen met alleen de grootste bedrijven en deze verplichting langzamerhand uitbreiden naar kleinere bedrijven De suggestie is al eerder gedaan. Een andere mogelijkheid is een klein basispakket over de hele linie verplicht te stellen en dat pakket in stappen gedifferentieerd verder uit te breiden. Ongetwijfeld zijn er nog meer mogelijkheden. Het massieve neen van het kabinet vind ik mede in het licht van het SER-advies onbegnjpelijk. Ik zie dan ook met belangstelling de door mevrouw Beijlen aangekondigde motie tegemoet. Ik zie namehjk een nauwe samenhang tussen de eerste zes weken eigen risico, het optreden van de bedrijfsgezondheidsdienst in die periode en het onderscheid tussen verzuimbegeleiding in de eerste en tweede lijn zoals is ontwikkeld door de medewerkers van de GMD. Na die zes weken zou de overdracht dienen plaats te vinden van de bedrijfsgezondheidsdienst naar een geÔntegreerde GMD/bedrijfsorganisatie. 90% van de zieken is dan weer aan het werk. Van de overgebleven 10% is 7% binnen zes maanden weer actief in het arbeidsproces. Het gaat om die 3% die overblijft. ReÔntegratie kan in die gevallen niet vroeg genoeg beginnen. Van de 7% die toch binnen zes maanden weer aan het werk is, zal vaak wel duidelijk zijn dat dit het geval is. Daarop behoeft geen verdere actie te worden ondernomen. Voor het geval dat dit achteraf wel zo blijkt te zijn, zitten zij in ieder geval al in de goede organisatie. Er wordt nu gewerkt aan een geÔntegreerde gevalsbehandeling. Het GMD-personeel wordt, vooruitlopend op de gewijzigde Organisatiewetnu kan dus kennelijk wel op de wet worden vooruitgelopenal bij de bedrijfsvereniging ondergebracht. Wordt de discussie over het tijdstip en de meldingsplicht niet een beetje theoretisch? Voor zover ik het kan overzien, zit het belang van de wettelijke bepaling in het moment waarop gestart kan worden met het opstelien van een terugkeerplan. Dat kan mijns inziens niet vroeg genoeg gebeuren. Daarom vind ik het onbegrijpelijk dat wordt voorgesteld, de dertiendeweeksmelding te laten vallen. In de nota naar aanleiding van het eindverslag is de hele geschiedenis nog eens summier uit de doeken gedaan. Tussen de regels door lees je iets over de heftigheid van de stammenstrijd die heeft plaatsgevonden. Overigens lees ik ook dat de nieuwe bepalingen een dertiendeweeksmelding geenszins uitsluiten. Gevallen waarvoor naar het oordeel van de bedrijfsverenigingen reÔntegratie-activiteiten ontplooid moeten worden, kunnen eerderworden gemeld. Juist met het oog op een zo vroeg mogelijke start van de reÔntegratie lijkt het mij goed dat er sprake is van een verplichte melding zodra duidelijk is dat er reÔntegratiemogelijkheden zijn. Er moet een duidehjk moment zijn waarop die vraag nadrukkelijk onder ogen wordt gezien. In veel gevallen is een termijn van zes maanden te lang. Misschien moeten wij wel helemaal af van het noernen van een termijn en kunnen wij volstaan met het opnemen van een meldingsplicht zodra duidelijk is dat er reÔntegratie-activiteiten moeten worden gestart met een termijn van zes maanden als maximum. Hoe oordeelt de staatssecretaris hierover? Voorzitter! Ik vind het jammer dat het hanteren van een causaliteitsbe grip nog steeds taboe is. Bij het directer aanspreken op verantwoordelijkheden mogen wij de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van onverantwoord gedrag in de privťsfeer niet laten verdampen in de collectiviteit. Ik erken dat er een schimmig tussengebied kan zijn, waarin het niet duidelijk is of de arbeidsongeschiktheid is toe te schrijven aan de arbeidsomstandigheden of aan de privťsfeer. Toch moeten arbeidskundigen in staat zijn, te beoordelen in hoeverre arbeidsomstandigheden kunnen bijdragen aan de arbeidsongeschiktheid. Het is ook in andere EG-landen mogelijk een heel eind te komen met dit onderscheid. Denkt de staatssecretaris niet dat de wetenschap dat men zelf aansprakelijk is voor gevolgen van privťgedrag, preventief kan werken? Kan er niet een neerwaartse druk op de collectieve gevolgen ontstaan indien een deel van de arbeidsongeschiktheid particulier wordt verzekerd? Voorzitter! Vanuit delen van de vakbeweging wordt al geruime tijd aangedrongen op een overdracht van bevoegdheden in het kader van de Ziektewet aan de vakbeweging. Daar is zelfs een protocol over opgesteld. Die berg heeft een muis gebaard. Wat op dit punt in het wetsvoorstel wordt voorgesteld, is bepaald niet schokkend te noemen. De bevoegdheden die de SVR nu erbij krijgt, betreffen voornamelijk technische toepassing van de wetgeving. Ik heb daartegen geen bezwaren, zeker niet als de samenstelling van de SVR nog gewijzigd zal worden. Wel heb ik overwegende bezwaren als de SVR de bevoegdheid krijgt, af te wijken van wettelijke bepalingen. Dat geldt dan met name de voorgestelde wijziging van artikel 32, vierde lid, van de Ziektewet. Op dit punt heb ik dan ook een amendement ingediend. De terughoudendheid die de overheid wil betrachten bij de uitvoering van de Ziektewet kan ik billijken. Het aanvankelijke voornemen van de regering om een parapluwetje in te dienen, was hiermee moeilijkte rijmen. Ik kan mij echter voorstellen dat de minister de bevoegdheid moet hebben in uitzonderingssituaties goedkeuring te onthouden aan afspraken over bovenwettelijke uitkeringen. Is een parallel met artikel 10 van de Loonwet hier niet op z'n plaats? Graag krijg ik hierop een reactie van de staatssecretaris. Mijnheer de voorzitter! Ik kom tot een afronding. Met dit wetsvoorstel wordt heel wat overhoop gehaald. Er zit een aantal elementen in die de verantwoordelijkheid voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid nadrukkelijker daar legt waar zij hoort. Des te meer valt het op dat er te weinig aandacht is voor het accentueren van de verantwoordelijkheden van de uitvoeringsorganisaties en de individuele werknemers. Dat zijn pijnlijke leemtes in dit wetsvoorstel, die naar ik hoop bij volgende voorstellen worden opgevuld. Ondanks deze tekorten zal ik mijn stem aan dit wetsvoorstel uiteraard niet onthouden.

©

I. (Ina)  BrouwerMevrouw Brouwer (GroenLinks): Mijnheer de voorzitter! Een aantal jaren geleden schreef de filosoof Hans Achterhuis een bijzonder boek over arbeid. Hij gaf het de titel mee "Arbeid een eigenaardig medicijn". De arbeid -bedoeld wordt betaalde arbeidis een tegenstrijdig fenomeen. Aan de ene kant: arbeid geeft zin, identiteit, status, draagt bij aan het gevoel nuttig te zijn en betaalde arbeid wordt uitgevoerd binnen een sociaal circuit, dat de deelnemers de gelegenheid geeft om gezien te worden. Aan de andere kant wordt de homo laborans gekweld door werktempo, discipline, vervreemding, starre verhoudingen, sombere toekomstperspectieven, gefrustreerde kwaliteiten en talenten en het ergste van al: dreiging met uitstoting. Veel werklozen snakken naar betaalde arbeid bij gebrek aan status en waardering, die aan het verrichten van onbetaalde arbeid kleven. Hun arbeid levert geen geld op en is dus niet produktief in de zin zoals wij die kennen. En de werkenden? Zij creŽren VUT-regelingen, kijken uit naar vakantie en vrezen dat zij na hun 35ste al geen perspectief meer hebben. Arbeid is weldadig en gewelddadig tegeiijkertijd, geeft en ontneemt perspectief, creŽert oplossingen en nieuwe problemen. Men krijgt er geld voor, maar men moet soms alles inleveren. Kortom, een medicijn met nogal wat bijwerkingen. Arbeid, zo betoogt Achterhuis terecht, is niet zozeer een verzamelwoord voor diverse handelingen die een produktief resultaat tot gevolg moeten hebben. Arbeid is een sociale verhouding tussen mensen en groepen van mensen. Wie doet welk werk en waarom? Wie heeft welke verantwoordelijkheid en zeggenschap? Wie kan en wie mag werken en wie staat langs de kant? Marx had niet ongehjk toen hij stelde dat de geschiedenis van de mensen de geschiedenis ook van de arbeid was. Ik begin mijn bijdrage op deze wijze, omdat het huidige debat over arbeidsongeschiktheid deze algemene noties mist. Van de pak ' m beet 300 pagina's die de Kamer en de staatssecretaris gezamenlijk over de arbeidsongeschiktheid hebben volgepend, gaan er misschien 20 over de maatschappelijke oorzaken van de arbeidsongeschiktheid. De rest wordt gevormd door maatregelen en techniek. En dat terwijl het deze maatregelen zijn die toch de legitimatie moeten zijn voor korting en bevriezing van de WAO en beperklng van de duur van de uitkering. Een bekende Nederlandse cabaretier zei ooit over het liberalisme: het zijn woorden, woorden, woorden en de waarheid zit er vanzelf wel tussen. Ik denk dat dit voor meer politieke stromingen opgaat en ook voor dit beleid. Er is sprake van een stortvloed van maatregelen, maar wie zoekt naar een visie op de oorzaken van de arbeidsongeschiktheid komt bedrogen uit. Het kabinet vermoedt dat de maatregelen effectief zijn.

Soms zou dat kunnen, soms heb je het idee dat ook in de schriftelijke voorbereiding vooral wordt teruggegrepen op geruchten, gesprekken aan de borreltafel. Ik kan de staatssecretaris niet kwalijk nemen dat de overheid, bij gebrek aan Ťcht inzicht en kennis van zaken, toch maatregelen moet nemen. Echter, het stuit mij tegen de borst dat, ondanks het ontbreken van een degelijke analyse, de uitkeringen voor nieuwe WAO'ers onder de 50 jaar worden gekort en dat er ook andere maatregelen worden genomen die de positie van de arbeidsongeschikten aantasten. Er is geen analyse maar kennelijk is wel duidelijk dat de WAO een tŤ luxe voorziening en tŤ aantrekkelijk is. Is er dan toch sprake van een analyse? Voorzitter, het is mij niet duidelijk. Ik nodig de staatssecretaris uit om nog eens op deze zaken in te gaan. Zij heeft gelijk als zij zegt dat er al veel onderzoek is verricht en dat de resultaten daarvan vele richtingen aangeven. Ik verzoek haar niettemin, in het bijzonder in te gaan op de vraag of er hier niet een verantwoordelijkheid ligt voor de politiekverantwoordelijken om een richting te bepalen en te kiezen voor een bepaalde achtergrondsanalyse. Voorzitter! Het lijkt er nu op dat de politieke aandacht is verschoven van de oorzaken van arbeidsongeschiktheid naar de financiŽle lasten. Dat is tegenwoordig heel normaal maar het is de vraag, of dit niet bij gebrek aan een analyse gebeurt. Kees Schuyt schreef vanochtend in de Volkskrant over het geld als de nieuwe religie van de samenleving. "Alle ongeluk en pech die mensen in hun leven kunnen krijgen, zoals een langdurige ziekte, handicaps en gebreken die met doodnormale ouderdom aan de orde komen, worden extra vervelend omdat rekenmeesters allang hebben uitgerekend hoeveel het de samenleving wel niet gaat kosten om hen te repareren, als dat al mogelijk is. Ze moeten zich schamen en ze gaan zich dan ook schamen, net als de ongelovige zondebokken in de middeleeuwen." Voorzitter! Wij moeten uitkijken voor een terugval in het sociale denken. Ik zeg dit niet alleen in de richting van de PvdA maar ook in die van het CDA, na het congres over 100 jaar christelijksociaal beleid. Solidariteit, zo lijkt het, is mooi maar mag niet te veel geld kosten. Sinds wanneer is solidariteit, georganiseerd door overheid en maatschappelijke organisaties, goedkoop? In politieke zin gesproken, kan 1989 niet de geschiedenis ingaan als het jaar waarin er sprake was van een trendbreuk met het beleid, gevoerd in de jaren tachtig. De PvdA heeft met het uitzetten van de politieke lijn met betrekking tot de WAO de lijn doorgetrokken die het CDA al in de jaren tachtig volgde. Wij hebben wel eens de indruk dat de PvdA in feite datgene opknapt wat CDA en VVD nooit hebben aangedurfd. Ik doel nu op de wijziging van de systematiek van de WAO, terecht gezien als het sociale boegbeeld van werkend Nederland. Ik geef toe dat daar durf voor nodig is maar een partij met een grote sociaal-democratische traditie die aan de kiezers geen ander geluid weet over te brengen dan een echo van de jaren tachtig, behoeft werkelijk niet op veel steun en enthousiasme te rekenen. Voorzitter! Waar kom ik met dit alles uit? Worden de arbeidsomstandigheden en het personeelsbeleid stevig aangepakt? Neen. Het blijft in hoofdzaak des ondernemers. Quotering is geen serieuze optie van het kabinet. Herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid lijkt achterhaald; dat is blijkbaar ook het oordeel van de sociale partners. De overheid laat zich niet zien, ook niet als het gaat om de vraag of er niet een geheel andere uitvoeringsorganisatie moet komen. Integendeel, de oude vertrouwde antwoorden als het gaat om de uitvoering blijven nu nog steeds gelden. Op de achtergrond speelt de discussie over het mini-stelsel, waarbij de overheid zich terugtrekt uit de samenleving en de mensen de aanvullende uitkeringen zelf laat betalen en zelf laat regelen. Let wel: dat is alleen mogelijk voor mensen die het geluk hebben dat ze betaalde arbeid kunnen verrichten, waardoor ze dit soort verzekeringen op een goede manier kunnen afsluiten. Voorzitter! Ik heb reeds aangegeven dat er grote onduidelijkheid over de oorzaken van arbeidsongeschiktheid bestaat. Daarom is de vraag wat vermijdbaar is en wat niet, erg moeilijk te beantwoorden. Het beleid zou zich moeten richten op het vermijdbare. Het onvermijdbare kan niet anders dan voor kennisgeving worden aangenomen en daar hoort een goede verzekering bij. Nu is bij gebrek aan deze fundamentele analyse alles bespreekbaar geworden. Het is niet erg origineel meer orn bij arbeidsongeschiktheid te spreken over werkdruk, werktempo, groeiende arbeidsproduktiviteit, grenzen van arbeidsdeling en specialisering, slechte arbeidsomstandigheden, slechte arbeidsverhoudingen, personeelsbeleid en vooral ook een zich steeds verder verscherpende selectie op de arbeidsmarkt. Wij moeten gewoon vaststellen-en onderzoek moet dat toch kunnen aantonendat er veel strengere eisen aan de arbeid gesteld worden De vraag is: is de WAO door die strengere eisen niet het vuilnisvat van de arbeid in de samenleving geworden? Het feit dat deze uitkering bestaat, heeft ertoe geleid dat iedereen zich ervan bewust moet worden dat de prijs van de huidige sociale economie heel hoog kan zijn. Dat is de boodschap van 900.000 WAO'ers en van allen die boven de 55 jaar geen betaalde arbeid meer verrichten, omdat zij niet meer op dezelfde wijze produktief kunnen zijn. Dat is een situatie die vraagt om een goede en fundamentele politieke vertaling! Ik wil daarom twee uitgangspunten in het arbeidsongeschiktheidsdebat hanteren. Ten eerste: uiteindelijk wordt iedereen arbeidsongeschikt. Dat is helaas een natuurlijk en onvermijdelijk proces. Het probleem is alleen: wanneer? Reeds 900.000 mensen hebben ervaren dat om diverse redenen hun belastbaarheid voortijdig, dat wil zeggen voor de pensioengerechtigde leeftijd, niet meer voldoende is om de belasting die de betaalde arbeid met zich brengt, te kunnen dragen. Dan heet men "arbeidsongeschikt". Ten tweede: dat dit zich massaal voordoet is, dunkt mij, een indicatie dat werknemers structureel overvraagd worden. De organisatie en de inrichting van betaalde arbeid dragen bij aan het creŽren van een lagere belastbaarheid of geeft de werknemer te weinig mogelijkheden om gedurende een periode van verminderde belastbaarheid toch arbeid te verrichten. Er zijn dus twee ingangen voor het beleid. De ene is: de belasting door arbeid terugdringen, zodat er geen overbelasting of minder overbelasting ontstaat. Oe andere is: de belastbaarheid van de mensen verhogen. Ik begin met de eerste. Wil je de belasting door arbeid terugdringen, dan moet de plaats die de arbeid heeft in het produktieproces, hoe paradoxaal dit ook moge klinken, minder belangrijk worden. De huidige markteconomie besteedt veel energie aan arbeid, hetzij door haar uit te stoten, hetzij door steeds meer van haar te vragen. Dat proces kun je vertragenwij hebben dat al vaker gezegd -dan wel omkeren door de prijsverhouding van kapitaal, energie en grondstoffen enerzijds en arbeid anderzijds drastisch te wijzigen Ik heb sterk de indruk dat, wanneer arbeid, bruto gezien, goedkoper wordt door het drastisch verlagen van de brutoloonkosten, er op het werk weer eens wat gelanterfant mag worden, men meer rust en ruimte heeft om op adem te komen, men meer mag nadenken over het werk en dat de druk om elk jaar een hogere produktiviteit te genereren en het werk sneller te doen, zal afnemen. Niet onbelangrijk is: er moet binnen de organisatie van de arbeid ruimte komen voor verminderde produktiviteit, alsook voor een combinatie met zorgarbeid Betaalde arbeid is, hoe je het ook wendt of keert, een topsport geworden, ontoegankelijk voor de middelmatige of ongetrainde voetballer die minder techniek en conditie heeft. Men treurt nu niet voor niets over het wegvallen van beschutte arbeidsplaatsen, waar vroeger oudere of minder produktieve werknemers op hun gemak tot hun 65ste konden functioneren. Een bonus/malussysteem zal de werkgever er zeer waarschijnlijk wel toe aanzetten om na te denken over het ontstaan van verzuim en arbeidsongeschiktheid. Maar of daarmee een begin wordt gemaakt, structurele oorzaken van arbeidsongeschiktheid weg te nemen, is nog maar zeer de vraag. Ik zei het al: daarnaast is een andere verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid van belang. Met name vrouwen die het slachtoffer zijn van de zware combinatie van betaald werk buitenshuis en zorgarbeid, vind je vaak terug in de arbeidsongeschiktheidsregeling. De overheid wil dat vrouwen zich op de arbeidsmarkt begeven. Maar als de mannen geen stapje terug doen, blijft op het thuisfront de oude situatie van kracht. Korter betaald werken, dat de gelegenheid biedt om te herstellen na gedane arbeid en de voorwaarden schept voor een betere verdeling van onbetaald werk, is nog steeds het antwoord. Ik zou wel eens willen weten, of de staatssecretaris op dat punt ook verdere beleidsplannen denkt te ontwikkelen. Daarmee kom ik vanzelf op een aantal voorstellen van de fractie van GroenLinks. Doordenkend op deze lijn, waarom dan geen 4-daagse WAO-uitkering? Ik geef toe, dat dit een onorthodox idee is maar wij hebben de indruk, dat het daar ook wel de tijd voor is. Een 4-daagse WAO-uitkering betekent niet, dat iemand die 5 dagen werkt voor 4 dagen slechts een WAO-uitkering krijgt. Wij zoeken naar een relatie tussen een verantwoord arbeidspatroon en datgene wat de collectieve sociale zekerheid nog verzekert. Met andere woorden: als een arbeidspatroon duidelijk het risico van arbeidsongeschiktheid dichterbij brengt als men het lang genoeg volhoudt, moet dat ook niet op dezelfde wijze verzekerd worden. Doordenkend op dezelfde lijn, waarom dan geen betaald verlof tussen 30 en 50 jaar en nog een halfjaar betaald verlof boven 50 jaar? Dat zou natuurlijk betekenen, dat mensen er wat vaker tussenuit gaan maar ook, dat werknemers boven 55 jaar wel degelijk kurinen meefunctioneren. Het probleem is niet zozeer de financiering, die op een geheel andere wijze moet gebeuren dan tot nu toe, maar vooral de reorganisatie van het arbeidsproces Er zal veel meer moeten gebeuren dan tot nu toe en dat zal van werkgevers, werknemers en van de overheid zelf een open houding moeten betekenen ten aanzien van onorthodoxe hervormingen van het arbeidsproces. Wij vinden het jammer, dat de staatssecretaris deze voorstellen toch wat gemakkelijk van tafel veegt. Zij wil allereerst deze plannen bespreken en daarna kunnen wij wel eens verder praten. Wij hebben echter de indruk, dat zij toch niet helemaal openstaat voor een open discussie. Bouwvakkers, stratenmakers en buschauffeurs komen bijvoorbeeld al vaak voor hun 40ste of 45ste jaar in de WAO terecht. Dan mag je toch wel nadenken over de vraag hoe lang deze arbeid verantwoord verricht kan worden? Dan is het toch logisch om te veronderstellen, dat een verkorting van de werktijd waarschijnlijk tot minder arbeidsongeschiktheid zal leiden? Dan is het toch niet vreemd om eens na te gaan of een verlofwet mensen de mogelijkheid kan bieden op tijd van beroep te veranderen om op latere leeftijd wat minder belastende arbeid te verrichten? Dan zou ons sociale systeem toch veel meer in die richting moeten worden gewijzigd? Als 72% van de werknemers tussen 55 en 64 jaar in de AAW en WAO zitten, lijkt de conclusie gerechtvaardigd, dat mensen in het huidige arbeidsproces te snel opgebrand zijn en de arbeid dus te veeleisend is. Dan is het aan de politiek om behoorlijk ingrijpende voorstellen te ontwikkelen om dat patroon te wijzigen. Overigens, als wij dat nu niet doen, zal dat op de langere termijn toch nodig zijn, gezien de vergrijzing van de beroepsbevolking. Natuurlijk, ook de plannen van GroenLinks zijn deels gebaseerd op speculatie want, zoals bekend, de echte en exacte oorzaken van arbeidsongeschiktheid zijn niet voor de volle 100% vastgesteld. Dat brengt mij overigens ook op de vraag of de staatssecretaris plannen wil ontwikkelen om meer geld te stoppen in onderzoek naar arbeidsongeschiktheid. Nederland loopt wat dat betreft achter, zeker bij bijvoorbeeld de Scandinavische landen. Eerder al hebben wij ons verzet tegen de kortingen op de WAO, gecombineerd met een ondersteuning van het merendeel van de voorstellen die nu op tafel liggen. Niet omdat wij daar alle heil van verwachten, maar wel omdat het naar onze mening niet slecht is om een aantal marktelementen in te brengen in de sociale zekerheid. Wij vinden het wetsvoorstel op een aantal punten nog wel erg zwak. Zo is er een gebrek aan visie op de huidige organisatie van arbeid en de gevolgen voor arbeidsongeschiktheid en in de tweede plaats zetten wij vraagtekens bij de uitvoeringsorganisatie. Uiteraard komen wij hierover nog te spreken maar in dit stadium wil ik een paar vragen stellen. Wil de staatssecretaris in dit debat nader ingaan op het rapport van de federatie op de uitvoeringsorganisatie? Ik vind namelijk nog steeds dat juist dit rapport zeer grote vraagtekens oproept bij de uitvoerbaarbeid van de voorstellen van de staatssecretaris, de voorstellen die door een projectgroep zijn voorbereid. Wij hebben dit rapport inmiddels toegestuurd gekregen.

Staatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Ik heb een rapport van derden ter kennisneming aan de Kamer toegestuurd. Mevrouw Brouwer verwacht toch niet van mij dat ik een dergelijk rapport hier becommentarieer? Het staat helemaal niet in dit wetsvoorstel verwerkt.

Mevrouw Brouwer (GroenLinks): Het lijkt mij toch niet onverstandig als de staatssecretaris, die het rapport ook kent, toch ook haar visie op het rapport geeft. Wij zijn allemaal bezig met nadenken over de uitvoeringsorganisatie, over de richting waarin het moet gaan. Er is op dit moment een rapport bekend, het is een dikke pil, ik heb hem ook niet helemaal gelezen, maar het geeft op zichzelf een indruk dat hetgeen waaraan ook door de staatssecretaris gewerkt wordt op het punt van de uitvoeringsorganisatie, een zeer bureaucratisch geheel is.

Staatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Dit gaat over een rapport van derden waarbij ik op geen enkele wijze betrokken ben. Onder die restrictie wil ik er best wel iets over zeggen.

Mevrouw Brouwer (GroenLinks): Dat is natuurlijk goed. Ik heb ook niet gezegd dat het rapport van uw hand is. Maar ik hoor wel graag uw reactie erop als dat kan. In de plannen van de staatssecretaris zelf over de nieuwe uitvoeringsorganistie wordt de centrale positie van werkgevers en werknemers gehandhaafd, hoewel ook het kabinet zegt de verhalen te kennen dat werkgevers en werknemers in samenwerking de WAO nogal eens hebben gebruikt als afvloeiingsregeling. Ik sluit mij aan bij vragen op dit punt die in dit debat zijn gesteld, wat dit nu betekent, nu de huidige posities intact blijven. Het kan dan toch niet anders dan dat er opnieuw een motor ontbreekt in de uitvoeringsorganisatie om dat misbruik in de toekomst uit te sluiten. Het bonus/malussysteem is op zichzelf een goede maatregel. Overigens moet ik zeggen dat ook die maatregel mij sterk bureaucratisch aandoet. De wettelijke regeling die ons is voorgelegd is is op zichzelf goed, maar je ziet dat het weer geweldige uitvoeringsproblemen met zich kan brengen. Afgezien daarvan blijf ik problemen houden met het feit dat een lagere malus wordt geÔntroduceerd voor bedrijven met zwaardere arbeidsomstandigheden. Ook blijf ik problemen houden met de gevolgen voor het selectiebeleid.

Hoe denkt de staatssecretaris te voorkomen dat ondernemingen in hun aannamebeleid arbeidsongeschiktheidsrisico's gaan inschatten, zoals al eerder is gezegd, en vooral neigen te kiezen voor jongere, goed produktieve werknemers en juist een aantal groepen zullen uitsluiten. Ik denk dat er een spanning zal optreden met het bonus/malussysteem als je tegelijkertijd minderheidsgroepen, groepen die lang uit de arbeidsmarkt zijn, een sterke positie wilt geven. Wat is de visie van de staatssecretaris hierop? De premiedifferentiatie ontmoet bij ons vooral bezwaren als het gaat om de differentiatie van het werknemersdeel. Ik zie niet in wat de collectieve verantwoordelijkheid van werknemers hierbij is. De huidige Wet op de ondernemingsraden geeft de werknemers geen macht om een effectief verzuimbeleid af te dwingen. Of gaat de staatssecretaris dit veranderen?

De heer Biesheuvel (CDA): Mevrouw Brouwer zegt dat het bonus/malussysteem haar een ingewikkelde regeling lijkt, die moeilijk uitvoerbaar is, terwijl zij dat argument niet gebruikt bij de premiedifferentiatie Ziektewet. Naar mijn mening is het bonus/malussysteem gemakkelijker uitvoerbaar dan de premiedifferentiatie Ziektewet, als tegelijkertijd ook de zes-weken/driewekenregeling wordt ingevoerd.

Mevrouw Brouwer (GroenLinks): Ik ben het met u eens dat die premiedifferentiatie Ziektewet ook geen eenvoudige maatregel is. Ikgeef toe dat ook ik een afweging maak met aan de ene kant de bureaucratie, de mgewikkelde regelgeving en aan de andere kant een inschatting van de effecten die de maatregel zal hebben. Ik heb niet gezegd dat de fractie van GroenLinks tegen het bonus/malussysteem is. Ik ben alleen wel een beetje geschrokken van de ingewikkelde regelgeving in de wettelijke regeling die we tegelijk met de nota naar aanleiding van het eindverslag hebben gekregen. Wij zullen er in dit debat nog wel op terugkomen. Ik heb gevraagd hoe het is gesteld met de Wet op de ondernemingsraden. De staatssecretaris heeft in de nota naar aanleiding van het eindverslag niet anders dan in algemene zin aangegeven dat werknemers mogelijkheden hebben in het kader van de WOR en de Arbowet. Mijn vraag is: wat zijn die mogelijkheden? Wat de bedrijfsgezondheidsdiensten betreft sluit ik mij aan bij vooral de opmerkingen die de heer Schutte heeft gemaakt. Er kan best een verplichting, een fasering daarvan, worden ingevoerd als de uitvoering op dit moment een probleem is. Het gaat tenslotte om het politieke feit. Ik pleit ervoor om die verplichting nu in te voeren. Het lijkt mij een van de belangrijkste maatregelen die preventief kunnen werken waar het gaat om de arbeidsongeschiktheid. Over de uitbreiding van artikel 30 van de Ziektewet en de analoge invoering daarvan in de AAW en de WAO merk ik het volgende op. Naast een tijdelijke aanvulling op het loon bij werkhervatting dan wel reÔntegratie is dit een sanctie-artikel. Men dient mee te werken aan werkhervatting. Op zichzelf hebben wij daartegen geen bezwaar. Maar ten aanzien van het toepassen van sancties past natuurlijk wel enige terughoudendheid. Ik heb daarom moeite met de plicht die aan bedrijfsverenigingen of aan de uitvoeringsorganisatie wordt opgelegd om sancties te nemen. Voor zover er nog ruimte is voor de uitvoeringsorganisatie komt die tot uitdrukking in het begrip deugdelijke grond, waarvan de staatssecretaris niet kan zeggen wat het uiteindelijk betekent. Is er sprake van eeri weigering tot medewerking zonder deugdelijke grond, dan moet er gestraft worden, zo stelt de staatssecretaris. Ik vraag mij af waarom er in het verleden zo weinig sancties zijn toegepast. Dat moet een achtergrond hebben. Dat moet toch te maken hebben met een individuele afweging. Die moet, wat ons betreft, mogelijk blijven. Ook op dit punt vraag ik de staatssecretaris om meer helderheid. Voorzitter! Een groot deel van TAV betreft kleinere wijzigingen die de reÔntegratie bevorderen: verhoging van het ziektegeld naar 100% bij herintreden, loonkostensubsidie van maximaal 20%. Deze maatregelen zijn op zichzelf goed. Je moet echter afwachten wat de effecten ervan zijn. Ook de loonkostensubsidie in het kader van de wet-Vermeend/Moor is een minder groot succes dan men had gedacht. Het blijkt ook dat in de praktijk voor veel bedrijven subsidie misschien wel belangrijk is, maar dat de arbeidsproduktiviteit en het passen in de arbeidsorganisatie nog belangrijker zijn. Ik ben dus zeer benieuwd naar het effect van deze maatregelen. Wij krijgen daarvan waarschijnlijk wel een evaluatie. Ik verneem van de staatssecretaris nog wel haar ideeŽn hieromtrent. Wij gaan overigens wel akkoord met deze maatregelen, uiteraard onder verwijzing naar de kanttekeningen die ik erbij geplaatst heb. Het zijn maatregelen waarvan je kunt zeggen zij vergroten wellicht de reÔntegratie. Het blijft echter een feit dat meer bekend moet zijn over de vraag waarom mensen niet in het arbeidsproces worden opgenomen, ondanks maatregelen als subsidie. Dan kom ik bij de zesdemaandsmelding. Een dergelijke verplichting is nuttig. Maar een melding na zes maanden is wel erg laat. De structurele problematiek van de uitvoering ligt er op dit moment nog steeds. Ik heb onlangs gevraagd: hoe gaat het nu eigenlijk met die verplichte zesdemaandsmelding? Ik heb niet de indruk dat er hard aan gewerkt wordt, zeker niet nu de GMD volop bezig is met de verhuizing naar de bedrijfsverenigingen. Het lijkt mij dat zij geen tijd meer hebben om deze verplichte zesdemaandsmeldingen goed te verwerken. Men zit nog wel in het gebouw, maar zal toch bezig zijn met inpakken. Daar is ook tijd voor nodig. Dan kom ik bij de zes weken in het kader van de Ziektewet. Ik vraag mij het volgende af, ook na lezing van een aantal opmerkingen van deskundigen. Ik kan mij heel goed voorstellen dat de eerste zes weken juist verzekerd worden bij de collectiviteit, terwijl de periode daarna tot de verantwoordelijkheid van de werkgevers gaat behoren. Want het is de vraag of juist het risico van de eerste zes weken niet bevordert dat werkgevers meewerken aan een langdurig ziekteverzuim. Als er dus een preventie moet komen waar het gaat om de arbeidsongeschiktheiddaar zijn wij ook voormoet juist de eigen verantwoordelijkheid worden gelegd in een later stadium. Met andere woorden, er zou na zes weken eens gekeken moeten worden naar een risico voor de werkgever. Daarmee wordt de werkgever extra gestimuleerd maatregelen te nemen om een werknemer of werkneemster niet volledig na zes weken af te schrijven. ledereen weet dat zes weken ziekte ongeveer de grens is waarbinnen je nog net bij de organisatie hoort en dat je daarna erbuiten valt, dat je dan een bloemetje en een kaartje krijgt, maar toch niet echt meer bij de arbeidsorganisatie hoort. Hoe kijkt de staatssecretaris hier tegenaan? Dan is de vraag: hoe moet dat nou als er minder arbeidsongeschikten zijn en het aantal banen moet worden uitgebreid? Er zijn 60.000 banen nodig voor minderheden en 35.000 voor de gereÔntegreerde arbeidsongeschikten en net niet geworden WAO'ers. Dat wordt een groot probleem met de toename van de werkloosheid. Is dat niet ook een extra argument om de arbeidstijdverkorting, de herverdeling van arbeid, die-ik geef het toeook bij de vakbeweging van tafel is verdwenen weer eens terug op de agenda te plaatsen? Hoe bevordert het kabinet dat al die extra banen er ook werkelijk komen? Gebeurt dat niet, dan betekent minder arbeidsongeschiktheid meer werkloosheid, meer bijstand; een verschuiving tussen de diverse uitkeringen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Voorzitter! De conclusie van mijn fractie luidt dat op twee onderdelen na dit wetsontwerp in grote lijnen onze instemming heeft. Wij zouden echter meer willen zien en vooral anders. Ik ben begonnen met de stelling dat er iets fundamenteel mis is met de organisatie van de arbeid in Nederland. Dat wil niet zeggen dat er vroeger al te grote politieke fouten zijn gemaakt, maar gewoon dat de maatschappelijke en economische werkelijkheid is veranderd. Wij zouden graag zien dat op dat niveau het debat ook over arbeidsongeschiktheid gevoerd wordt. Gebeurt dat niet, dan is het niet alleen jammer voor het debat, maar vrezen wij ook voor de maatregelen die nodig zijn voor het verminderen van arbeidsongeschiktheid. Daarom horen wij graag van de staatssecretaris hoe en wanneer zij de visie op arbeid in deze zin verder wil geven en onderbouwen.

De heer Van der Vlies (SGP): Mijnheer de voorzitter! Om maar met de deur in huis te vallen: de SGP-fractie hoopt dat dit wetsvoorstel zijn naam eer zal aandoen en een krachtige bijdrage zal leveren aan de terugdringing van het arbeidsongeschiktheidsvolume. De constatering dat die terugdringing dringend gewenst is, is gezien alles wat de afgelopen maanden hierover gezegd en gesproken is niet veel meer dan het intrappen van een open deur. De SGP-fractie hechtte in die discussie ook aan een daadkrachtig volumebeleid. Daar hoort dit bij. Er is de laatste maanden veel gesproken over de oorzaken van de groei van het aantal arbeidsongeschikten. Op een aspect daarvan wil ik in dit stadium toch nog nader ingaan. In de notitie van de Stichting van de arbeid over de invulling van de begrippen "ziekte" en "gebrek", die de staatssecretaris als bijlage bij de nota naar aanleiding van het eindverslag heeft toegestuurd, staan enkele zaken die je aan het denken zetten. Het begrip "arbeidsongeschiktheid" is in de loop der tijden aanzienlijk opgerekt. ‹iteraard zijn zorgvuldigheid, rechtvaardigheid, billijkheid en dergelijke bij de tenuitvoerlegging van de wet nodig. De WAO had en heeft een kring van gerechtigden die een geheel eigenlijk gebruik maken van de wet, maar tegelijk is een sfeer van omzichtigheid en te grote lankmoedigheid ontstaan. Ook is toegegeven dat van de WAO oneigenlijk gebruik is gemaakt. Gezondheidsklachten, het zich niet geheel wel bevinden, vormen een maatschappelijk geaccepteerde reden om zich te onttrekken aan de arbeidsverplichtingen. De Stichting van de arbeid ziet evenwel geen reden om terug te keren tot een striktere interpretatie van begrippen zoals "ziekte" en "gebrek", terwijl zij ook een strengere medische controle niet wenselijk acht. Er zijn blijkbaar wederzijds te onderscheiden belangen die elkaar in evenwicht houden bij de praktijk van dit deel van het leven. Een artikel in Intermediair over de medische keuringen bij bedrijfsverenigingen had de titel "Falende poortwachters". De notitie van de Stichting van de arbeid lijkt die benaming eerder te bevestigen dan te ontkrachten. Graag willen wij door de staatssecretaris geholpen worden bij het verwerken van de notitie van de Stichting van de arbeid. Zij zei zojuist geen oordeel over alles te hebben, maar wij kennen haar te goed om zelfs maar te veronderstellen dat zij er geen opmerkingen over zou kunnen maken.

De heer Biesheuvel (CDA): Op welke notitie doelt de heer Van der Vlies precies? Wij spraken daarnet over een notitie van het GAK, terwijl hij het nu heeft over een notitie van de Stichting van de arbeid.

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP): Ik heb het over de notitie van de Stichting van de arbeid over ziekte en gebrek. Als de staatssecretaris over deze notitie zou spreken, komt daarbij de positie van de sociale partners in beeld wanneer het gaat om de terugdringing van het arbeidsongeschiktheidsvolume en de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregelingen. In de Stichting van de arbeid hebben werkgevers en werknemers overeenstemming bereikt over het ter discussie stellen van inlevering van vakantiedagen en aanvulling van de ziekengelduitkering in CAO-onderhandelingen. Wij vragen de staatssecretaris hoe zij tegen dit akkoord aankijkt. Is het meer dan alleen een onderlinge afspraak om de overheid buiten de deur te houden? Of verwacht de staatssecretaris dat ook werknemers zullen moeten inleveren voor het terugdringen van het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid? Hoewel het voor werknemers uiteraard niet aantrekkelijk is, zit er toch ook een element van rechtvaardigheid in. Arbeidsongeschikten zullen volgens de kabinetsplannen moeten inleveren, evenals de werkgevers. Werknemers kunnen dan als enigen niet altijd buiten schot blijven. Voorzitter! Dit wetsvoorstel richt zich vooral op het inbouwen van financiŽle prikkels voor werkgevers om arbeidsongeschikten in dienst te houden of te nemen. Daarnaast zullen andere wettelijke maatregelen, zoals de aanpassing van de structuur van de WAO, later aan de orde komen. Wij hopen echter dat met dit wetsvoorstel een dusdanige stimulans wordt gegeven aan de terugdringing van het aantal arbeidsongeschikten, dat de wijziging van de WAO-uitkeringen zelf beperkt kan blijven of, in het gunstigste geval. zeifs helemaal kan uitblijven. Immers, dat was de essentie van de inzet van de SGP-fractie kort na het zomerreces. Kort samengevat: iedereen moet alle zeilen bijzetten in het volumebeleid; intussen moet wetgeving voor een prijsingreep worden voorbereid; het van kracht worden daarvan moet afhankelijk zijn van de resultaten van het volumebeleid. In deze benadering schuilt voor alle geledingen, werkgevers, werknemers en overheid, een sterke prikkel om tot resultaten te komen. Daar gaat het om. Een ander discussiepunt is dan nog of de prijsingrepen, indien zij nodig zijn, alleen voor nieuwe gevallen of ook voor oude gevallen moeten gelden. Voor de categorie van de onomkeerbare gevallen wil de SGP-fractie zich blijven inzetten. De belangrijkste onderdelen van dit wetsvoorstel zijn de introductie van het bonus/malussysteem (BMS) en de premiedifferentiatie in de Ziektewet. In grote lijnen kan mijn fractie instemmen met deze maatregelen. In het BMS bedraagt de bonus zes maanden loon, terwijl de malus oploopt tot twaalf maanden loon. Het overschot dat ontstaat, zal gebruikt worden om de AAW-premie te verlagen. Op deze manier blijft macro-economisch gezien de collectievelastendruk gelijk. De oprichting van preventiefondsen in de bedrijfstakken wijst mijn fractie niet af, maar zij kan door de overheid niet worden afgedwongen. Zou de overheid dat wel doen, dan zullen elders de collectieve lasten verlaagd moeten worden om deze in totaal niet te laten stijgen. Voorzitter! In eerste instantie hadden wij wat vragen over de positie van de kleine ondernemingen. Eťn zieke werknemer telt procentueel veel zwaarder in een klein bedrijf dan in een groot bedrijf. Het hanteren van een grens van 5% van de brutoloonkosten per jaar biedt voor kleine ondernemingen de nodige garanties. Daarvan heeft de regering ons inmiddels overtuigd. Binnen het BMS wordt rekening gehouden met het arbeidsongeschiktheidsrisico binnen een bedrijfstak. Bedrijven met een hoog risico hoeven een lagere malus te betalen dan bedrijven met een laag risico. Enerzijds is daar veel voor te zeggen. Het arbeidsongeschiktheidsrisico in de bouw verschilt nogal van dat in het bankbedrijf, om maar eens een voorbeeld te geven. Anderzijds zien wij dat de arbeidsongeschiktheid die direct met de uitoefening van het beroep te maken heeft, gelukkig afneemt. Arbeidsongeschiktheid op grond van psychische redenen en door ongevallen in de privťsfeer neemt daarentegen toe. Bedrijven met een laag beroepsgebonden risico moeten voor deze gevallen wel een hogere malus betalen. Wij worstelen nog steeds met de vraag of dat wel altijd even rechtvaardig is. Wordt de verantwoordelijkheid voor de arbeidsongeschiktheid zo niet te eenzijdig bij de werkgever gelegd?

Werkgevers dienen ook een bijdrage te betalen, indien een werknemer arbeidsongeschikt raakt door oorzaken die buiten de bedrijfssfeer liggen. Dat roept toch wel wat vragen op. Werkgevers worden verantwoordelijk gesteld voor zaken, waarvoor zij niet rechtstreeks verantwoordelijk zijn en die zij ook niet echt kunnen beÔnvloeden. In de schriftelijke voorbereiding hebben wij al op dit punt gewezen. Dat hebben wij trouwens ook al in eerdere debatten gedaan. In een van die debatten beriep de minister-president zich op het begrip solidariteit. Dat is inderdaad een belangrijk begrip, ook voor ons. Echter, dat moet toch als het ware worden gezwaluwstaart met een ander net zo belangrijk begrip, namelijk eigen verantwoordelijkheid. De staatssecretaris heeft gezegd dat het moeilijk is om praktisch een onderscheid te maken tussen bedrijfsgebonden oorzaken en privť-oorzaken. Een tweede argument is dat het bonus/malussysteem er niet op is gericht om werkgevers te laten betalen voor het afvloeien van arbeidsongeschikte werknemers, maar om de arbeidsplek te behouden. Het laatste zouden wij echter wat willen relativeren. Het is uiteraard prachtig, wanneer een werkgever arbeidsongeschikte werknemers in dienst kan houden. Als dat kan, moet hij dat vooral ook doen. Van een werkgever kan echter niet het onmogelijke worden gevraagd. Wanneer een werknemer niet meer binnen een bedrijf kan functioneren, zal de werkgever toch gedwongen zijn om hem te laten afvloeien. Daar zou hij nu een bijdrage voor moeten betalen, ook al is hij er niet verantwoordelijk voor. Wij willen die bijdragelaat daar geen misverstand over bestaanzeker niet afschaffen. Wel zijn wij van mening dat het maken van een onderscheid tussen beroepsgebonden oorzaken en privť-oorzaken van arbeidsongeschiktheid meer recht doet aan de verantwoordelijkheid van zowel werkgevers als werknemers. Dat onderscheid zou dan overigens in het hele systeem van de WAO tot uitdrukking moeten komen. Het maken van dat onderscheid is inderdaad niet eenvoudig Er bestaat een grijs gebied. Er zijn echter ook situaties, waarin het wel heel duidelijk is. Ik denk hierbij aan arbeidsongeschiktheid als gevolg van een sportblessure. Die ligt toch duidelijk voor risico van de sportbeoefenaar zelf. Kan niet een begin worden gemaakt met het uitlichten van zo'n duidelijk af te bakenen onderdeel? Dat kan dan desgewenst door betrokkene zelf in een andere component van de sociale zekerheid respectievelijk de sociale voorzieningen worden ondergebracht. Voorzitter! Uit een enquÍte van het KNOV blijkt dat de meeste bedrijven het eens zijn met de stelling dat een beloning wel helpt om arbeidsongeschikten in dienst te nemen, maar dat een boete de uitstoot van arbeidsongeschikten uit het arbeidsproces niet zal verminderen. Nu krijgt men liever een beloning dan een boete. Dat zal ook wel voor werkgevers gelden. Dat relativeert evenwel de uitkomst van deze enquÍte. Een ander gegeven uit de enquÍte is dat bij de invoering van het BMS 55% van de bedrijven strenger zal gaan selecteren op risico's van ziekte en arbeidsongeschiktheid bij het aannemen van personeel. Als dat gebeurt, schieten wij niet veel op. Mensen met een zwakke gezondheid of een handicap zouden dan zelfs niet of moeilijk aan het arbeidsproces kunnen beginnen. Hoe staat de staatssecretaris tegenover deze uitkomst van de enquÍte? Wat kan zij doen om een dergelijke selectieve werving en selectie tegen te gaan? Statistisch gezien, is dit namelijk niet ondenkbaar. Het tweede belangrijke onderdeel van dit wetsvoorstel betreft de invoering van de differentiatie van de ziektewetpremie. Graag willen wij weten of de datum van 1 juli 1992 nog haalbaar is. In hoeverre kan dan aan alle nodige administratieve en organisatorische aspecten zijn voldaan? De werkgevers zullen de eerste zes weken ziekteverzuim voor eigen rekening nemen. Daarnaast krijgen zij te maken met een gedifferentieerde ziektewetpremie die een extra financiŽle prikkel moet geven. FinanciŽle prikkels zijn op zichzelf prima, maar wij vragen ons wel af of de administratieve kosten die de differentiatie met zich mee brengt, niet onevenredig groot zijn. Immers, 90% van het ziekteverzuim wordt binnen zes weken beŽindigd. Het gaat om maximaal 10% van het ziekteverzuim dat door de premiedifferentiatie wordt beÔnvloed. Wegen kosten en baten dan wel tegen elkaar op? Ook bij de premiedifferentiatie is de positie van de kleine bedrijven in het geding. Pooling van kleine bedrijven met niet meer dan vijf werknemers zorgt ervoor dat het ziekteverzuim binnen deze bedrijven niet al te sterk fluctueert. Nu is het moeilijk om een grens te trekken. Waarom wel bedrijven tot vijf werknemers en niet de grens leggen bij zes of acht of tien? Dat zijn immers ook bedrijven waar de ziekte van een werknemer het gemiddelde sterk doet stijgen? Overigens doet zich de vraag voor wat er gebeurt wanneer de bedrijfsverenigingen niet overgaan tot pooling van kleine bedrijven. Ziet de staatssecretaris dan een reden om mogelijk zelf in te grijpen? Pooling zorgt voor onderlinge solidariteit en dat is juist. Anderzijds kan het ook betekenen dat door de gedeelde verantwoordelijkheid verantwoordelijkheden juist worden afgeschoven en dan wordt er niet veel bereikt. Voor een belangrijk deel is uiteindelijk de mentaliteit van de individuele werkgever en werknemer bepalend. Dat geldt trouwens voor dit hele dossier, een dossier dat is uitgegroeid tot een maatschappelijk probleem. De SER heeft een verdeeld advies uitgebracht over de doorwerking van de premiedifferentiatie in het werknemersdeel in de ziektewetpremie. Vanwege dat verdeelde advies heeft de regering het aan de bedrijfsverenigingen overgelaten om al dan niet tot deze differentiatie over te gaan. Een niet zo logische redenering, naar onze mening. Juist wanneer sociale partners het met elkaar eens zijn, kan de overheid de uitvoering met een gerust hart aan hen overlaten. Maar wanneer werkgevers en werknemers visies hebben die haaks op elkaar staan-en dat lijkt hier het geval te zijndan zal de overheid, wanneer het gaat om zaken die het algemeen belang raken, knopen moeten doorhakken. Doet de overheid dat niet dan zal er in de praktijk ook niets gebeuren. De verdeeldheid in de SER zal zich immers weerspiegelen in de bedrijfsverenigingen. Dat is een realistische inschatting, dat zal de staatssecretaris toch moeten toegeven. Terecht zegt de staatssecretaris in de memorie van antwoord dat ook de werknemer in collectief verband verantwoordelijkheid draagt en mede aansprakelijk mag worden geacht voor de ontwikkeling van het verzuim. Een differentiatie van het werknemersdeel in de ziektewetpremie zou recht kunnen doen aan die verantwoordelijkheid. Collega Linschoten heeft een amendement ingediend dat voorschrijft dat de differentiatie van de ziektewetpremie tussen werkgevers en werknemers eerlijk wordt verdeeld. De mate waarin de werknemerspremie differentieert, dient onzes inziens te worden beperkt tot maximaal 1 %. De werknemerspremie kan met niet meer dan 1 % omlaag gaan en het is billijk dat de premie dan ook niet meer dan 1 % omhoog kan gaan. Graag horen wij een reactie van de staatssecretaris op dit punt. Ik heb dit intussen, na overleg met collega Linschoten, via een subamendement op zijn amendement aan de Kamer voorgelegd. Omdat het grotendeels aan de bedrijfsverenigingen wordt overgelaten hoe de premiedifferentiatie gestalte krijgt, is het goed dat er over een tijd een evaluatie komt over de resultaten. Aan de hand daarvan zal de politiek kunnen beslissen of verdergaande maatregelen nodig zijn. Het bonus/malussysteem en de ziektewetpremiedifferentiatie zullen ook van toepassing zijn op de overheid en de G en G-sector. Wij vinden dat terecht. Immers ook daar dient de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers meer concreet gemaakt te worden. Wat de overheid betreft, zal daarvoor een sterkere decentralisatie nodig zijn, waarbij iedere organisatie zijn eigen ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid registreert. In hoeverre worden daarbij de noodzakelijke vorderingen gemaakt? Binnen de desbetreffende sectoren in de G en G-sector zal het BMS budgettair neutraal verlopen, maar binnen een instelling kan het wel degelijk financiŽle gevolgen hebben. En dat roept de vraag op of de arbeidsvoorwaarden dan wel het voorzieningenniveau op peil kunnen blijven. In de intramurale zorg en de maatschappelijke dienstverlening is het ziekteverzuim hoog, onder meer vanwege de hoge werkdruk. Dat is een zorgelijke ontwikkeling, waarover wij onlangs nog in de Kamer hebben gesproken. Instellingen dienen inderdaad meer verantwoordelijkheden te krijgen, maar de overheid dient daarvoor in haar beleid de juiste randvoorwaarden te scheppen, ook in financiŽle zin. Wij denken daarbij onder meer aan geld dat beschikbaar is voor een redelijke loonsverhoging. Een deugdelijk overheidsbeleid is hier op haar plaats. Ontbreekt dat beleid, dan zal op het niveau van de instelling bij een tegenvallend ziekteverzuim bijna onvermijdelijk de kwaliteit van de dienstverlening in het gedrang komen. Die grens lijkt hier en daar zelfs al overschreden te worden. Uiteindelijk zijn de afnemers van die diensten de dupe. Zij kunnen niet gemakkelijk van de ene dienstverlener naar de andere overstappen, omdat concurrentie binnen de G en G-sector grotendeels ontbreekt. Wij willen daarom van de staatssecretaris horen hoe zij de kwaliteit van de dienstverlening in de instellingen zal bewaken of doen bewaken. Voorzitter! Ook in de onderwijssector is het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid groot. Voor deze sector is, vergeleken met het voorgaande jaar, mede daarom een ander systeem voorgesteld: 10% van de scholen die de grootste daling hebben gerealiseerd in het ziekteverzuim krijgt een restitutie van 1 % van de loonsom, terwijl de 10% scholen die de hoogste stijging hebben, 0,5% van de loonsom dient te betalen. Restitutie en betaling lopen via het zogenoemde vervangingsfonds, waar wij overigens te gelegener tijd over komen te spreken.

De voorzitter: Ik wil u er wel op wijzen dat dit punt nu niet aan de orde is. Het zal op een ander moment worden besproken.

De heer Van der Vlies (SGP): Dat deelde ik juist mee!

De voorzitter: Ja, maar dan hoeft het hierbij niet aan de orde gesteld te worden.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter! Ik heb de stukken gelezen en er staat uitdrukkelijk in dat het niet alleen voor de marktsector, maar ook voor de overheid, voor de G en G-sector en dus ook voor het onderwijs geldt. Ik heb mij de vrijheid veroorloofd daarover ťťn opmerking te zullen maken, maar ik zal uw aanwijzing uiteraard volgen. Het is de traditie van de SGP-fractie om het gezag te eerbiedigen. Maar het gaat mij net iets te ver om dit punt nu helemaal buiten de orde te verklaren. Ik zeg het u in alle oprechtheid Genoeg hierover, voorzitter! Van groot belang acht mijn fractie een verdere uitbreiding van de bedrijfsgezondheidsdiensten. Op dit moment functioneren deze diensten op basis van vrijwilligheid. Voor een verplichting om zich aan te sluiten bij een bednjfsgezondheidsdienst voelt de regering niet veel. Mijn fractie zou daarentegen toch een meer verplichtend karakter willen geven aan de bedrijfsgezondheidsdiensten, eventuee! gefaseerd ingevoerd voor met name bedrijven met een hoog ziekteverzuim. Wanneer er over een aantal jaren een adequaat systeem van registratie van ziekteverzuim is ontwikkeld, bestaat er een goed beeld van bedrijven die een hoog ziekteverzuim kennen in vergelijking met andere bedrijven in de bedrijfstak. Naar onze mening zou voor de bedrijven die een malus betalen, een verplichte aansluiting op een bedrijfsgezondheidsdienst noodzakelijk zijn. Wat is uiteindelijk, ook gehoord de fracties in dit huis, de mening van de staatssecretaris op dit punt? Voorzitter! Met dit wetsvoorstel zal een aantal nieuwe wapens worden geÔntroduceerd in de strijd tegen het hoge ziekteverzuim en de hoge arbeidsongeschiktheid. Een betere werking van reeds bestaande instrumenten mag evenwel niet vergeten worden. Wij denken daarbij aan de melding van de bedrijfsvereniging aan de GMD. In de praktijk blijkt die melding slecht te werken. Zij is vaak te laat, waardoor reÔntegratieplannen, als zij er al komen, ook veel te laat ontwikkeld worden. Een geÔntegreerde gevalsbehandeling zou op dit punt een verbetering kunnen zijn, zij het dat er bij ons twijfels leven over de wijze waarop de bedrijfsverenigingen zelf opereren. Een ander middel waar slechts spaarzaam gebruik van wordt gemaakt, is het opleggen van sancties aan werkgevers dan wel werknemers op grond van artikel 30 van de Ziektewet. In de periode tussen midden 1986 tot voorjaar 1989 is volgens de memorie van toelichting twee maal een sanctie toegepast ten opzichte van een werknemer en twee maal ten opzichte van een werkgever. Behalve dan het feit dat werkgevers en werknemers zo blijkbaar gelijk worden behandeld, is er toch van deze cijfers weinig goeds te melden. Blijkbaar is men bij de bedrijfsverenigingen te bang voor boze gezichten, zodat men geen sancties durft op te leggen. Een verbetering van de toepassing van artikel 30 Ziektewet, met onder meer een verruiming van het begrip "passende arbeid" en de verplichting voor bedrijfsverenigingen om een sanctie toe te passen, zijn belangrijke stappen vooruit. Maar ook dan nog is de mate waarin bedrijfsverenigingen wensen mee te werken aan dit nieuwe beleid grotendeels bepalend voor het resultaat. In de uitvoering van het socialezekerheidsstelsel spelen sociale partners een belangrijke rol en daar staan wij op zichzelf ook wel achter mits de sociale partners hun taak verstaan en mits de privaatrechtelijke en publiekrechtelijke sfeer maar niet met elkaar vermengd worden. Achter beide punten zetten wij, zij het node, een vraagteken. Wij hebben een notitie van de Stichting van de arbeid al aangehaald. Wij denken aan het uiterst moeizaam tot stand gekomen akkoord in de Stichting van de arbeid. Wij denken aan de uitlatingen van de voorzitter van de FNV, zoals die althans in de pers zijn gekomen, dat een lager ziekteverzuim schadelijk is voor de werkgelegenheid. Wij kunnen terugzien op de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregelingen in de afgelopen jaren, maar worden daar bepaald niet vrolijk van. Natuurlijk hebben sociale partners hun eigen belangen te verdedigen, maar wanneer zij daar niet van kunnen loskomen, zullen wij voorzichtig moeten zijn met het geven van grotere verantwoordelijkheden aan sociale partners. Voorzitter! Dit wetsvoorstel is voor ons een schakel in het geheel van een totaal programma om de groei in de WAO om te buigen. Ik hoop dat de andere wetsvoorstellen snel zullen komen. Uiteraard gaat het ook om belendende percelen, dan wel om het fundament van het leven en de zinvragen die zich daarbij voordoen. Ik denk aan arbeidsomstandigheden, arbeidsrust, sociaal klimaat, motivatie om te participeren in de samenleving, zich dienstbaar daaraan te maken, normen en waarden in een Bijbels genormeerde levensstijl.

De voorzitter: Alvorens ik het woord aan de heer Linschoten geef, deel ik de Kamer, in verband met de orde van deze dag, mee dat ik, gelet op de tijd die de heer Linschoten nodig zal hebben, voornemens ben om na zijn betoog de vergadering te onderbreken voor de dinerpauze. Voorts deel ik de Kamer mee, dat de minister van Sociale Zaken vanmiddag niet in de gelegenheid is om aanwezig te zijn in verband met informeel overleg in Brussel met het oog op de vergadering van de Sociale raad van morgen. Woensdag zal hij wel aanwezig zijn.

©

R.L.O. (Robin)  LinschotenDe heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Ik begin met een compliment aan het adres van de staatssecretarisik heb dat vanmiddag nog niet van de andere collega's gehoord -dat dit wetsontwerp nu eindelijk bij de Kamer ligt. Het had eigenlijk al veel eerder bij de Kamer moeten liggen. Eigenlijk vindt de VVD-fractie dat de voorganger van deze staatssecretaris al met een vergelijkbaar wetsontwerp naar deze Kamer had moeten komen. Voorzitter! Mijn volgende inleiden-de opmerking luidt als volgt. Dit wetsontwerp maakt onderdeel van een totaalprogramma uit, niet alleen deze TAV 1, maar ook het terugdringen van het ziekteverzuim, de wetgeving met betrekking tot het aanpassen van de WAO als zodanig, als de wetgeving die ons volgend jaar zal bereiken met betrekking tot de uitvoeringsorganisatie sociale verzekering, maken naar het oordeel van de VVD-fractie onderdeel uit van dat totale programma. Het zou te ver gaan om dat totale programma hier te bespreken. Daar is de behandeling van deze wet ook niet de meest gerede mogelijkheid voor. Voorzitter! Staat u mij toe om een enkele opmerking te maken over het historisch overzicht dat door de staatssecretaris in de memorie van toelichting is gegeven bij het indienen van het onderhavige wetsontwerp. De VVD-fractie vindt die historische weergave enigszins gekleurd, niet in de laatste plaats omdat die veel te laat begint. Natuurlijk zijn er met betrekking tot het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume een aantal opmerkingen gemaakt in het regeerakkoord. Een nadere invulling, taakstelling, heeft plaatsgevonden bij de Tussenbalans. Maar los van wat er in deze kabinetsperiode is gebeurd, is er daaraan voorafgaand een en ander gebeurd Ik geloof dat alle betrokkenen in dit debat zich dat ook heel goed realiseren, als gesproken wordt over maatregelen zoals zij voorkomen in het onderhavige wetsontwerp. Voorzitter! De huidige kabinetsperiode geeft slechts aan dat de besluitvorming in de eindfase heel erg lang geduurd heeft. Erzijnook financiŽle -taakstellingen geformuleerd die, nog voordat het eerste wetsontwerp is Ingediend, als zodanig al verlaten moesten worden. Bovendien heeft de eindfase van de besluitvorming naar onze mening de stroperigheid van de besluitvorming en soms ook de politieke opportuniteit goed weergegeven. Maar belangrijker is misschien het volgende. Willen wij deze wetgeving plaatsen in een juist perspectief en bijvoorbeeld ook een antwoord geven op de vraag, waarom deze staatssecretaris met dit wetsontwerp komt en niet al haar voorganger met een dergelijk wetsontwerp is gekomen, dan moeten wij eigenlijk terug naar de stelselwijziging sociale zekerheid; een stelselwijziging die ook op het punt van de arbeidsongeschiktheidsregelingen belangrijke wijzigingen met zich bracht. Voorzitter! Wijzigingen die ook destijds waren ingegeven door de wens om te komen tot een aanmerkelijke indamming van het volume in het kader van de WAO. Die stelselwijziging van de sociale zekerheid heeft in de loop van 1986 haar beslag gekregen en is op 1 januari 1987 van kracht geworden. De woordvoerders in deze Kamer weten dat binnen een jaar na het van kracht worden van die stelselwijziging en dus ook van de maatregelen in het kader van de WAO, het volstrekt duidelijk was dat de volume-effecten die bedoeld en voorgerekend waren, zich niet voordeden. Dat zou het juiste moment zijn geweest voor allen in deze Kamer om het startsein te geven voor maatregelen zoals die in dit wetsvoorstel zijn neergelegd. Dat is niet gebeurd Het lijkt mij goed, daarover vandaag een enkele opmerking te maken. Er worden vele redenen aangegeven waarom maatregelen lang op zich hebben laten wachten, maar hieraan ligt een belangrijke politieke reden ten grondslag. De staatssecretaris weet dat tussen het van kracht worden van de stelselwijziging voor de sociale zekerheid en wat er in de daarop volgende jaren gebeurd is, Tweede-Kamerverkiezingen hebben plaatsgevonden. Naar aanleiding van alle debatten die wij over de stelselwjziging hebben gevoerd, heeft een belangrijk element bij die verkiezingen de boventoon gevoerd. Dat was namelijk de opmerking van de toenmalig lijsttrekker van het CDA, de huidige minister-president, om te komen tot rust op het front van de sociale zekerheid. ledereen kan zich deze uitspraak ongetwijfeld herinneren. Naar het oordeel van de fractie van de VVO is die politieke uitspraak, die verkiezingsbelofte er in belangrijke mate debet aan dat het jaren heeft geduurd voordat verder kon worden gegaan met beleid, met name op het gebied van het terugdringen van het aantal mensen dat gebruik maakt van een WAO-uitkering. Dat was ook de reden waarom, ondanks alle opmerkingen gemaakt tijdens het paasdebat van 1988, er geen nadere maatregelen konden worden getroffen. Natuurlijk, de analyses konden niet onder tafel worden geschoven. Natuurlijk kon de fractie van de VVD die concrete voorstellen deed, niet worden teruggestuurd naar de bankjes. Er werd een werkgroep ingesteld, een tripartiete nog wel, om in ieder geval voor een aantal jaren van het probleem af te zijn en om de verkiezingsbelofte van rust op het front van de sociale zekerheid te kunnen waarmaken. Voorzitter! Achteraf daarop terugkijkend, moeten wij vaststellen dat dit naar ons oordeel een belangrijke politieke fout is geweest, omdat te lang oplossingen die noodzakelijk waren, op zich hebben laten wachten. Vandaar dat ik opmerk dat dit wetsontwerp eigenlijk te laat komt. Dat ligt niet aan deze staatssecretaris, maar aan haar voorganger die niet de politieke ruimte heeft gekregen om door te gaan met het werk dat is blijven liggen na de stelselwijziging van de sociale zekerheid.

De heer Biesheuvel (CDA): Voorzitter! De heer Linschoten houdt een zeer interessante historische beschouwing. Ik vraag mij echter af of hij de historie geen geweld aandoet. Uiteraard ontken ik niet dat het CDA in 1986 met deze verkiezingsbelofte in zee is gegaan. Maar steekt de heer Linschoten helemaal niet de hand in eigen boezem? De heer Linschoten zal zich ongetwijfeld herinneren dat de tripartiete werkgroep van start is gegaan na een zeer indringende brief over het probleem met betrekking tot het volume van de arbeidsongeschiktheid van de vorige staatssecretaris De Graaf.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Ik wil best de hand in eigen boezem steken. Daar gaat het niet om. Het was duidelijk dat toen in de verkiezingsstrijd bleek hoe moeilijk de stelselwijziging sociale zekerheid voor het CDA was als een soort alibi die verkiezingsbelofte van rust op het f ront van de sociale zekerheid is gekozen. Ik heb, ook als woordvoerder, moeten vaststellen, dat vanaf dat moment de feitelijke voortgang op het punt van volumebeleid en aanpassingen van de WAO zelf niet tot de mogelijkheden behoorden. Ik wijs de heer Biesheuvel op de activiteiten die de fractie van de VVD destijds heeft ondernomen in de aanloop naar het paasdebat. Er was een lange lijst met vragen van de fractievoorzitter van het CDA. De fractie van de VVD heeft de vraag aan de orde gesteld of het niet uit de hand liep met de WAO. Wij hebben gevraagd of wij niet gezamenlijk moesten vaststellen dat ondanks alle schone beloften en voorspellingen, gedaan ten tijde van de stelselwijziging wij een jaar later tot de conclusie moesten komen dat zij niet uitkwamen. Wij hebben gevraagd of er geen aanvullende maatregelen nodig waren. Op dat moment heeft de VVD-fractie niet alleen dit punt aan de orde gesteld en deze analyse gegeven, maar ook voorstellen gedaan. Ik stel achteraf vast dat die voorstellen natuurlijk welwillend werden ontvangen, maar dat een zodanige procedure werd gekozen dat zij in ieder geval voorlopig even van tafel waren. Ik schrijf dit toe aan de politieke situatie die gecreŽerd is door middel van een verkiezingsbelofte, waar de CDA-fractie op dat moment niet helemaal onderuit kon. Als ik de reactie van collega Biesheuvel zie, moet ik vaststellen dat ik blijkbaar niet helemaal naast de roos heb geschoten.

De heer Biesheuvel (CDA): In zoverre wel, dat de heer Linschoten net doet, alsof hij de einduitkomst van het paasdebat van 1988 vergeten is. Daar stond de VVD-fractie ook achter. Moet ik de heer Linschoten eraan herinneren dat niet in 1988 uiteindelijk de breuk is ontstaan tussen VVD en CDA, maar in 1989 en overigens niet over het onderwerp dat hij nu aansnijdt?

De heer Linschoten (VVD): Nu draaft u wel heel erg door! Ik probeer vanuit onze invalshoek te analyseren hoe het komt dat wij, ondanks het feit dat de stelselwijziging sociale zekerheid al sinds 1 januari 1987 van kracht is en dat wij al sinds begin 1988 weten dat de volumeontwikkeling de verkeerde kant uitgaat, nu pas een dergelijk wetsvoorstel behandelen. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de positie van uw politieke groepering, ook in dat kabinet niet de minst belangrijke partij, een niet onbelangrijke rol heeft gespeeld. Als de heer Biesheuvel overigens bedoelt dat de VVD op dat moment daarover een kabinetscrisis had moeten forceren, denk ik dat dit buiten het kader gaat van de discussie die ik nu aanzwengel. Voorzitter! Ik kom tot een tweede categorie opmerkingen uit de memorie van toelichting en dan kom ik bij de staatssecretaris zelf terecht. In de memorie van toelichting wordt uitgebreid ingegaan op de oorzaken van de ontwikkeling van de arbeidsongeschiktheid. Daarbij wordt een beroep gedaan op een rapport van het Sociaal en cultureel planbureau uit 1990, waarin een combinatie van factoren is genoemd die hebben geleid tot het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, dat wij op dit moment kennen. Gewezen wordt op de introductie van de Algemene ongeschiktheidswet in 1976, waardoor de kring van verzekerden aanmerkelijk werd uitgebreid. Gewezen wordt ook op de groei van de beroepsbevolking en de groei van het aantal herintredende vrouwen. Eveneens wordt gewezen op het ruimer wordende medisch-arbeidsongeschiktheidsbegrip en op de toename van de psychische belasting in het arbeidsproces. Last but not least wordt gewezen op de verslechterde concurrentiepositie van gehandicapten op de arbeidsmarkt. Het is zeer de vraag, voorzitter, of alleen die objectieve gegevens ertoe hebben bijgedragen dat wij te maken hebben met een niveau aan arbeidsongeschiktheid waarmee wij nu worden geconfronteerd. Ik heb al een paar opmerkingen gemaakt over onze toenmalige coalitiepartner. Ik wil ook iets zeggen over de opstelling van de huidige staatssecretaris. Wij moeten vaststellen dat er in de periode rond de stelseiwijziging heel weinig aanleiding was voor het nemen van verdergaande maatregelen. Hebben wij bij de stelselwijziging sociale zekerheid de herkeuringen niet beperkt tot mensen onder de 35 jaar? Dat steekt wel heel erg schril af tegen het gegeven dat nu tegen mensen onder de 50 jaar zelfs gezegd wordt: levert u uw uitkering maar in. Is het niet juist dat er in die situatie bij deze staatssecretaris helemaal geen ruimte was om te praten over het aanpassen van het begrip "passende arbeid"? Zijn het niet die dingen in combinatie met bijvoorbeeld de rust op het front van de sociale zekerheid die er de afgelopen jaren toe hebben bijgedragen dat er in deze Kamer geen ruimte was voor het nemen van aanvullende maatregelen, hetzij in de sfeer van de uitkeringsregelingen zelf hetzij in de sfeer van het volumebeleid? Overigens, als ik kijk naar de opsomming van factoren die door het Sociaal en cultureel planbureau zijn genoemd, moet mij van het hart dat daarin natuurlijk niet de kern van de problematiek kan zitten. Het gaat er niet om wat op grond van veranderde omstandigheden de toeloop naar dit soort regelingen is. Het gaat erom hoe het heeft kunnen gebeuren dat een groot aantal mensen, van wie het niet de bedoeling is geweest dat zij terechtkwamen in ziektewet-of arbeidsongeschiktheidsregelingen, daar toch in terecht zijn gekomen. Dit brengt mij tot de opmerking dat er wat dit betreft ook in de sfeer van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekering in die periode een aantal dingen fout zijn gegaan. Voorzitter! Het is eigenlijk pas sinds 1986 dat wij ons nadrukkelijk zijn gaan bezighouden met de problematiek rond de WAO. Dat komt natuurlijk niet in de laatste plaats vanwege het feit dat tot op dat moment de werkloosheidsproblematiek in de politiek prioriteit nummer ťťn had. Toen de vorige coalitie in 1982 haar werkzaamheden aanvatte, steeg de werkloosheid met 10.000 tot 15.000 mensen per maand. Op dat moment had de ontwikkeling van de Ziektewet en de WAO dan ook niet de hoogste politieke prioriteit. Toch zijn er in de jaren tachtig op dit terrein maatregelen genomen. Het is altijd goed om later na te gaan wat de effectiviteit van bepaalde maatregelen is geweest, zeker als je overweegt om vergelijkbare maatregelen of maatregelen die in het verlengde liggen van die eerder getroffen maatregelen te treffen.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik herinner mij dat juist tegen het einde van de jaren zeventig de WAO de hoogste prioriteit had. De heer De Korte hield over dat onderwerp zijn maidenspeech. leder keer wanneer er een mogelijkheid was om de quotering in te voeren zonder dat dit wettelijke consequenties had, lag er een motie van de fractie van de VVD.

De heer Linschoten (VVD): Zeker, maar ik heb het nu over het begin van de jaren tachtig, toen de werkloosheidsproblematiek enorm was. De staatssecretaris weet met mij dat er op dat moment terecht veel werd gediscussieerd over de WAO, mede in verband met de introductie van de verdiscontering, maar dat die debatten toch een wat andere invalshoek hadden. Het ging toen niet om de benadering die op dit moment voor een belangrijk gedeelte bepaalt hoe de discussie verloopt. Ik doel nu op de sterk uit de hand gelopen volumeontwikkeling. Op dat moment ging het veel meer om de discussie ten principale. Ik stel vast dat in de eerste jaren van de jaren tachtig de bestrijding van de werkloosheidsproblematiek de hoogste prioriteit had. Eigenlijk vond een groot aantal mensen in deze Kamer en daarbuiten het wel gemakkelijk dat die WAO er was omdat daarmee problemen die elders ontstonden, konden worden opgelost. Wat dat betreft kunnen wij elkaar rustig in de ogen kijken. Voorzitter! Ik keer terug naar de maatregelen die in de jaren tachtig werden overwogen en ingevoerd. Ik denk daarbij onder meer aan de Arbeidsomstandighedenwet. Diewet dateert weliswaar van het begin van de jaren tachtig maar zij is pas zeer recent volledig van kracht geworden voor zover het de derde fase betreft. Ik denk ook aan het realiseren van de arbeidsbemiddelende bevoegdheden van de GMD, zoals ze vanaf 1986 gelden. Ook denk ik aan het aanscherpen van de ontslagrichtlijnen, eveneens sinds 1986. Zelfs kan hier worden verwezen naar opmerkingen die in het verlengde liggen van een tijdige medische en arbeidskundige begeleiding. Dat moet op dit moment toch ook iedereen bekend in de oren klinken. Al in "Bestek '81" kwamen dergelijke voorstellen voor die, zachtjes uitgedrukt, in de praktijk niet tot een overdonderend resultaat hebben geleid. Moeten wij niet ook met betrekking tot de verdisconterÔng en de afschaffing daarvan in het kader van de stelselwijziging vaststellen dat een belangrijk gedeelte van de effecten pas ongeveer vanaf 1991 kunnen gaan optreden? Als wij kijken naar de gemiddelde leeftijd van de WAO'ers die met die afschaffing werden geconfronteerd, blijkt dat wij nu pas met de situatie te maken hebben waarin het werkloosheidsgedeelte van de uitkering ophoudt te bestaan. Verder denk ik aan de WAGW en de inspanningsverplichtingen die in dat kader een rol hebben gespeeld. Voorzitter! Zojulst is al aangegeven dat er in Nederland erg weinig onderzoek is gedaan naar de mate van effectiviteit van de genoemde maatregelen. Zou ik aan de staatssecretaris mogen vragen in haar antwoord aan te geven wat voor soort maatregelen tot nu toe getroffen is, in welke mate deze maatregelen een bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van het arbeidsongeschiktheidsvolume en waarom bepaalde typen maatregelen in de praktijk blijkbaar niet gewerkt hebben? Ik vraag dat omdat de voorstellen die we vandaag bespreken op een aantal punten een belangrijke gelijkenis vertonen met voorstellen of experimenten zoals ze ook in het verleden wel eens aan de orde zijn geweest. De voorstellen van de tripartiete werkgroep komen neer op premiedifferentatie, een bonus/malussysteem, loonkostensubsidie, schoningsbudget voor de GMD, maar ook een hogere ziektewetuitkering voor heringetreden WAO'ers. Als we daarnaast kijken naar de uit het najaarsoverleg voortgekomen voorstellen-de geÔntensiveerde gevalsbehandeling, de invoering en verbetering van de reÔntegratie-instrumenten en een nader preventiebeleiddan moeten we vaststellen dat er bij degenen die de praktijk moeten beoordelen veel scepsis is ten aanzien van de effectiviteit van maatregelen. Deze scepsis is minstens zo groot als die over de effectiviteit van de maatregelen die werden getroffen in het verloop van de jaren tachtig. In het SVR-advies van april 1991 worden zowel de voorstellen van de tripartiete werkgroep als de voorstellen die zijn voortgekomen uit het najaarsoverleg voorzien van het commentaar dat pas na verloop van tijd zal blijken in welke mate de voorstellen zullen bijdragen aan een vermindering van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Bovendien geeft de SVR nadrukkelijk aan dat er met de maatregelen desalniettemin een buitengewoon groot beroep op de uitvoeringsorganisatie wordt gedaan. Daar voeg ik aan toe, dat over belangrijke maatregelen die de staatssecretaris voorstelt en die straks onder in ieder geval een gedeelde verantwoordelijkheid van de SVR uitgevoerd moeten worden, het SVR-advies zelf verdeeld is. Ik noem het bonus/malussyteem, de financiering via het Algemeen arbeidsongeschiktheidsfonds, de maximum geldelijke bijdrage van met name kleine werkgevers en zelfs het belangrijke punt van premiedifferentiatie in het kader van de Ziektewet. Graag verneem ik de reactie van de staatssecretaris op die buitengewoon sceptische benadering van de Sociale verzekeringsraad. Een van de concretere onderdelen is het bonus/malussysteem. In de memorie van toelichting staat dat dit een van de voorstellen van de tripartiete werkgroep is. Ik ben echter zo vrij om op te merken dat dit niet helemaal waar is. Het begrip, het systeem "bonus/malus" is weliswaar een gevolg van de voorstellen van de tripartiete werkgroep, maar de concrete invulling, met name de hoogte van de straf, is zeker niet geadviseerd door de tripartiete werkgroep. Dit heeft de staatssecretaris zelf nader ingevuld. De voorstellen inzake het bonus/ malussysteem en de premiedifferentiatie in het kader van de Ziektewet hebben de bedoeling om werkgevers tot goed gedrag en preventief beleid te prikkelen. Met andere woorden: deze voorstellen beogen een gedragsreactie, die uiteindelijk moet leiden tot minder mensen die ziek worden en minder mensen die uiteindelijk afgekeurd worden en in de WAO terechtkomen. In interruptiedebatten hebben wij zojuist al van gedachten gewisseld over de vraag die bij de concrete voorstellen van deze staatssecretaris aan de orde is: zal de veronderstelde gedragsreactie zich ook in de praktijk voordoen? Mijn fractie verwacht veel van een bonus/malussysteem, als degenen die daarmee geconfronteerd worden zowel de bonus als de malus als billijk en evenwichtig ervaren. Ik moet vaststellen dat de werkelijkheid er naar alle waarschijnlijkheid naar aanleiding van deze voorstellen van de staatssecretaris anders zal uitzien. Een malus, een straf, die erop neerkomt dat bij niet eens in alle gevallen beinvloedbaar gedrag een extra jaarsalaris moet worden betaald, komt ons wel erg overdreven voor. Het is dan ook niet zo merkwaardig dat niet alleen de fractie van de VVD, maar ook andere de vraag stellen, of dit niet een enorme drempel is in het kader van het reÔntegratiebeleid. Is dit dus niet weer een van die buitengewoon goed bedoelde maatregelen die hun doel volstrekt voorbij schieten? Is niet juist als gevolg van een dergelijke invulling, de kans op participatie in de arbeidsmarkt van grote groepen mensen die niet voor de volle 100% gezond zijn, straks nihil? Dat zou het paard achter de wagen spannen, zijn. De oplossing is dan ook niet, zoals collega Biesheuvel zegt: er is dus ook een bonus. Nee, er zijn ook mensen die niet uit dat legioen van arbeidsongeschikten voortkomen. Ik wijs op de schoolverlaters en de herintreden-de vrouwen, die dolgraag een plek op de arbeidsmarkt willen hebben. Als alleen een loodzware medische keuring voor de bijna-garantie dat er geen sprake zal zijn van een groot ziekteverzuim en van instromen in arbeidsongeschiktheidsregelingen, leidt tot een arbeidscontract, zitten wij over een paar jaar met een veel groter probleem dan nu. Mijn fractie vindt dan ook dat de maximering van twaalf maanden, die in de wet is opgenomen, veel te ruim is. De 5%-maximering is uitstekend. Nu moet in de wet worden opgenomen dat de malus beperkt moet worden tot maximaal vier maanden salaris. Dat kan in AMvB's worden uitgewerkt. Om dat te bewerkstelligen heb ik inmiddels een wijzigingsvoorstel ingediend. Nu nog iets over de premiedifferentiatie in de Ziektewet. Ziekteverzuim terugdringen, de kern van het voorstel, ligt in het berekenen van een hogere dan wel lagere premie voor de werkgever, afhankelijk van het antwoord op de vraag of de werkgever ten opzichte van een door de bedrijfsvereniging ter zake vast te stellen gemiddelde, een hoger dan wel een lager ziekteverzuim in zijn bedrijf kent. Voorzitter! Het principe van die aanpassing, evenals overigens het bonus/malussysteem, vindt mijn fractie uitstekend. Wij zien een dergelijke maatregel ook nadrukkelijk in het verlengde van het privatiseren van de eerste zes weken in het kader van de Ziektewet, iets wat in TAV 2

aan de orde moet komen. Waarom vinden wij het principe uitstekend? Het zelf risico dragen voor ziektegedrag binnen de onderneming kan aanmerkelijke resultaten met zich brengen. Het verschil in ziekteverzuim en -begeleiding tussen de mensen die hun werknemers verzekeren in het kader van de Ziektewet en de eigenrisicodragers geeft aan hoe enorm belangrijk en hoe enorm effectief die financiŽle prikkel zou kunnen zijn. Even los van de techniek van dit instrument zijn wij van mening, dat het verbeterd kan worden. De staatssecretaris stelt voor om door middel van een moetbepaling die premiedifferentiatie in te voeren. Zij laat de wijze waarop overigens geheel aan de bedrijfsverenigingen onder toezicht van de Sociale verzekeringsraad over. Ik stel vast, dat een dergelijke situatie betekent dat sociale partners in die bedrijfsvereniging en in de Sociale verzekeringsraad nog steeds de bedoeling van de wetgever zouden kunnen frustreren. Daarom zou het goed zijn om die gedifferentieerde premie te onderwerpen aan een ministeriŽle goedkeurÔng. Mijn fractie heeft daartoe een wijzigingsvoorstel ingediend. Bovendien moet de minister een aanwijzingsbevoegdheid krijgen, als er geen voorstel tot premiedifferentiatie komt. Ook op dat punt heeft de VVD-fractie een wijziglngsvoorstel ingediend. Het derde wijzigingsvoorstel met betrekking tot dit element heeft te maken met het gegeven, dat de moetbepaling in de wet met betrekking tot de werkgevers naar ons idee ook haar weerslag moet hebben in de werknemerspremie. Als het dus bij de werkgevers gebeurt op grond van overwegingen in de wet geformuleerd, moet dat als tegenwicht ook in de werknemerspremie zijn beslag krijgen. Daarbij is mijn fractie overigens gevoelig voor de argumentatie van de heer Van der Vlies, namelijk de vraag of dat gemaximeerd moet worden, bijvoorbeeld tot 1 % van de ziektewetpremie. Ik wil dat graag bij de uiteindelijke afweging in mijn fractie betrekken. Voorzitter! Ook het onderdeel loonkostensubsidie steunt mijn fractie. Het is een noodzakelijk reÔntegratie-instrument in handen van de GMD. Zo'n arbeidsvoorzieningsinstrument bestaat uit twee componenten: enerzijds de loonkostensubsidie en anderzijds de schoningscomponent. In de schriftelijke voorbereiding wordt aangegeven op welke wijze afstemming moet plaatsvinden met het CBA en de RBA's, dat wil zeggen met de arbeidsvoorzieningsorganisaties. Mijn fractie zou in eerste instantie van de minister maar ook van de staatssecretaris willen weten hoe dat nu precies in de praktijk zijn beslag moet krijgen en hoe precies de verhouding is tussen beide onderhandelende partijen, dat wil zeggen de arbeidsvoorzieningsorganisatie enerzijds en de GMD anderzijds Bovendien zouden de voorstellen op het punt van de loonkostensubsidie zich in niet onbelangrijke mate kunnen lenen voor vormen van oneigenlijk gebruik. Zou men niet bijvoorbeeld in de contacten tussen GMD en werkgevers heel snel overgaan tot het aanbieden van een soort packagedeal, waarbij de loonkostensubsidie een element kan vormen? Overigens wil mijn fractie de staatssecretaris op dit punt vragen wat in het kader van deze regeling onder een nieuwe arbeidsovereenkomst zou moeten worden verstaan. Wat is de positie van de GMD in het overleg met werkgevers over de loonkostensubsidieregeling? Aangesloten is bij de KRA-regeling, dat wil zeggen een maximum van 20% van de loonsom voor een periode van maximaal vier jaar. De staatssecretaris zegt in de schriftelijke voorbereiding, dat er alle mogelijkheden zijn om dat van het begin tot het einde flexibel in te vullen. Dat is natuurlijk prachtig en op papier zijn wij dat ook helemaal met de staatssecretaris eens, maar die GMD moet wel iets gedaan krijgen van een betrokken werkgever. Die werkgever weet bovendien wat er te halen is. Dus wat is de kans dat er in de praktijk sprake zal zijn van een flexibele invulling naar beneden toe? Heb je niet al automatisch, gegeven de opzet van de regering, een situatie waarin de werkgever kan afdwingen omdat er van hem iets verlangt wordt dat de maximale loonkostensubsidie wordt gerealiseerd? Is het tegen die achtergrond wel verstandig om alleen de SVR in dit kader een toezichthoudende rol te laten vervullen? Voorzitter! Wat betreft de financiering heb ik een paar vragen met betrekking tot de gelden die er wat dit betreft uit het AAF beschikbaar komen, onder goedkeuring van de SVR. De wet geeft alleen maar aan, dat het budget gebaseerd moet zijn op de feitelijk gereahseerde toepassing van het afgelopen jaar en de inschatting voor het komende jaar. Op welke manier gaan daar conflicten opgelost worden als de GMD in conflict komt met het AAF-bestuur of met de Sociale verzekeringsraad? Wie trekt er dan aan het langste eind? Datzelfde geldt eigenlijk voor het schoningsinstrument. Daar moet de GMD blijkbaar gaan onderhandelen met het Centraal bureau voor de arbeidsvoorziening, ieder jaar opnieuw. Voor 1991 is bijna 15 mln. beschikbaar gesteld, maar in de loop van de komende jaren is de GMD blijkbaar afhankelijk van de goede wil en de goedertierendheid van die arbeidsvoorzieningsorganisatie. Kan de staatssecretaris mijn fractie duidelijk maken hoe dat in de praktijk zijri beslag gaat krijgen? Dan een enkele opmerking over de verhoging van het ziekengeld, ook een van die voorstellen uit de tripartiete werkgroep. Mijn fractie heeft sympathie voor het voorstel, maar staat wel sceptisch tegenover de achterliggende gedachte. Deze komt er wel op neer dat kosten die voortvloeien uit CAO's afgewenteld worden op de collectieve sector. Bovendien wordt met een dergelijke maatregel voeding gegeven aan het vooroordeel dat WAO'ers na herintreden een hoger ziekteverzuim hebben dan andere werknemers. Het is de vraag of dat verstandig is. Wij hebben er kennis van genomen dat de regeling weliswaar een horizon kent van drie jaar en dat verlenging mogelijk is via een algemene maatregel van bestuur. Maar zou het niet veel beter zijn om met elkaar vast te stellen dat blijkbaar die bovenwettelijke afspraken met betrekking tot het ziekteverzuim nadrukkelijk slecht zijn voor de reÔntegratiekansen? Dat wordt bovendien erkend door sociale partners zelf, want die zaten in die tripartiete werkgroep. Als die bovenwettelijke afspraken met betrekking tot de Ziektewet inderdaad slecht zijn voor de reÔntegratie, betekent dat dan niet dat ze dus in strijd zijn met het algemeen belang? Als onderdelen van CAO's in strijd zijn met het algemeen belang, is dan niet de overheid op grond van de Wet collectieve arbeidsovereenkomsten verplicht om die onderdelen van de CAO niet langer algemeen verbindend te verklaren? Mijn fractie gelooft dat op het punt van het aantoonbaar in strijd zijn met het algemeen belang alleen al de aanbevelingen van de tripartiete werkgroep sluitend zijn. Wij zouden dus over drie jaar die horizon niet eens meer nodig moeten hebben. Wij zouden na drie jaar moeten kunnen vaststellen dat er geen enkel element meer in een CAO bestaat dat zodanig in strijd kan zijn met het algemeen belang en dan toch nog in Nederland algemeen verbindend verklaard wordt. Dan de verbeterde toepassing van artikel 30 Ziektewet en de invoering van een analoog instrument in het kader van de WAO en in het kader van de AAW. Kortheidshalve sluit ik mij aan bij hetgeen op dat punt door de staatssecretaris wordt voorgesteld. Daar kan de VVD-fractie mee instemmen. Dan een enkele opmerking over het uitstel van schatting bij scholing. "Geen boete op goed gedrag" heb ik dat in het verleden van de discussie wel eens genoemd. Mijn fractie vindt het een belangrijk element in de voorstellen, omdat mensen die willen meewerken aan hun eigen reÔntegratie, niet op voorhand belemmerd moeten worden door de rechtspositionele aspecten die daaraan vastzitten. Het spreekt vanzelf dat de VVD-fractie dit onderdeel van de wet zal steunen. Hier hoort overigens wel een opmerking aan het adres van de uitvoeringsorganen bij. Het is in het verleden te vaak voorgekomen dat met name die uitvoeringsorganen WAO'ers ontmoedigden om mee te werken aan reÔntegratie-activiteiten vanwege die rechtspositionele aspecten. Mijn fractie gaat er ook van uit dat de staatssecretaris erop toeziet dat met deze voorziening in de hand die manier van het benaderen van de problematiek vanuit de uitvoeringsorganisatie dan ook daadwerkelijk tot het verleden zal behoren. De herziening naar een hoger dagloon of een hogere grondslag, in samenhang met artikel 40 WAO, 29a AAW, en een ruimere toepassing van 33 AAW en 44 WAO, geven mijn fractie geen aanleiding tot het maken van nadere opmerkingen. Die onderdelen van het wetsontwerp steunt mijn fractie. Dan de verplichte zesdemaandsmelding, naar het oordeel van mijn fractie een van de belangrijkste elementen in de discussie die wij hier vandaag met elkaar hebben. Die verplichte zesdemaandsmelding die de staatssecretaris nu in de wet opneemt, is helemaal niets nieuws. Al in 1982, in de documenten van "Bestek '81", van een kabinet dat ook deze staatssecretaris zich moet herinneren, kwam al het element van de tijdige medische arbeidskundige begeleiding voor. Tijdige inschakeling van de GMD derhalve, destijds, door middel van afspraken binnen de Federatie van bedrijfsverenigingen, ingevuld door een drietal actiemomenten, namelijk in de vierde maand, in de zesde maand en in de negende maand. Op al die momenten zou moeten worden bekeken welke reÔntegratie-activiteiten moeten worden ondernomen. Daar is in de praktijk bijna geen jota van terechtgekomen. Vervolgens zijn die afspraken omgezet in de beruchte zesdemaandsmelding. Ook daarvan is in de praktijk bar weinig terechtgekomen. Als je kijkt naar dat historisch verloop, is het merkwaardig dat de staatssecretaris met dit voorstel komt. Daar komt nog het volgende bij. Is een melding na zes maanden ziekte snel genoeg om een definitief uitrangeren in de richting van de WAO te voorkomen? De fractie van de VVD heeft alle signalen vanuit de uitvoeringspraktijk, dus vanuit werkgevers-en werknemersorganisaties, op zich laat inwerken. Die signalen houden in: zorg ervoor dat je er in geval van langdurig ziekteverzuim zo snel mogelijk bij bent om te bezien wat er aan de hand is en om te bezien of een reÔntegratieprogramma mogelijk is. Als alle signalen daarop wijzen, waarom moet dan zes maanden worden gewacht met een melding aan de GMD? Waarom moet dan zes maanden worden gewacht voordat er echt iets gaat gebeuren in het kader van reÔntegratieprogramma's? De staatssecretaris komt dan ongetwijfeld met het verhaal van de geÔntensiveerde gevalsbehandeling. Dat kan ik ook wel begrijpen. Maar dat neemt niet weg dat mijn fractie van mening is dat het nu wettelijk regelen van de zesdemaandsmelding in feite een gepasseerd station is. Wij zouden met elkaar moeten vaststellen dat het moment van melding veel eerder moet vallen. Eigenlijk zou het goed zijn als het geval werd gemeld aan het einde van de zes weken die binnenkort voor verantwoordelijkheid van de werkgever komen. Vanaf dat moment moet een analyse wordt gemaakt van de mogelijkheden en de onmogelijkheden van het individu. Dan moet ook bekeken worden welk reÔntegratieprogramma wel of niet tot de mogelijkheden behoort. Langer wachten dan noodzakelijk maakt meer mensen arbeidsongeschikt dan wij ons in deze samenleving kunnen permitteren. Mijn fractie heeft bij wijze van amendement voorgesteld om de zesdemaandsmelding te vervangen door een melding na zes weken en om bovendien vast te stellen dat binnen zeven weken daarna, dus uiterlijk in de dertiende week, een reÔntegratieplan beschikbaar is. Dan is duidelijk dat er met het betrokken dossier iets is gebeurd en dat mensen niet maand in maand uit blijven bungelen voordat er een adequate reactie komt vanuit de uitvoeringsorganisatie. Overigens, deze voorstellen kunnen de staatssecretaris niet vreemd voorkomen. Zij hebben integraal onderdeel uitgemaakt van het alternatief dat de VVD heeft gepresenteerd. Zij hebben ook de nodige personele en formatieve consequenties. Wij vinden dat in het kader van een werkelijk effectief volumebeleid de consequenties getrokken moeten worden. De basis daarvoor zou gelegd moeten worden in deze wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume. Mijnheer de voorzitter! Ik kom nu toe aan enkele opmerkingen over het onderdeel dat niet in het voorstel van de wet staat, maar dat wel in de schriftelijke voorbereiding een belangrijk deel van de discussie gaat uitgemaakt heeft. Het gaat dan om de vraag of en, zo ja, op welke wijze wij in Nederland toe zouden moeten naar een verplichting op het punt van de bedrijfsgezondheidszorg. Ikwil hierover enkele opmerkingen maken. Ik begin met het belang van de gezondheidszorg zelf. Vervolgens ga ik in op de relatie met de TAV 2. Tot slot ga ik in op de Europese richtlijn die aanstaande is. Buiten kijf staat het belang van de bedrijfsgezondheidszorg. Buiten kijf staat ook voor mijn fractie de effectiviteit van de bedrijfsgezondheidszorg als het gaat om het voorkomen van onnodig ziekteverzuim en onnodige uitstoot m de richting van de WAO. Het is heel goed als ook de 60% bedrijven die nog niet enigerlei vorm van bedrijfsgezondheidszorg hebben, dat zo snel mogelijk wel willen hebben. Eigenlijk vindt mijn fractie het noodzakelijk dat in ieder geval als binnenkort de TAV 2 van kracht is geworden, op het punt van de bedrijfgsgezondheidszorg aanvullende maatregelen worden genomen. Immers, de eerste zes weken komen dan voor verantwoordelijkheid van de werkgever. De rol van de bedrijfsverenigingen op het punt van begeleiden en controle in het kader van het ziekteverzuim in die zes weken zal dan niet formeel maar wel materieel een stuk teruggelopen zijn. Ik merk hierbij op dat wij niet eens zoveel vrijheid hebben om dat wel of niet te doen, omdat er een Europese richtlijn aan komt die inhoudt dat de bedrijfsgezondheidszorg in Nederland verplicnt moet worden gesteld. Naar aanleiding van de opmerkin gen die zij heeft gemaakt over het verplicht stellen van bedrijfsgezondheidszorg heb ik collega Beijlen gevraagd of zij vond dat wij in Nederland verder zouden moeten gaan dan de richtlijn van de Europese Gemeenschappen. Het antwoord dat zij daarop gaf, vond ik erg knap. Zij zei namelijk dat wij verder zouden moeten gaan. Waarom vind ik dat antwoord knap? Omdat mijn fractie nog niet echt helemaal in beeld heeft waartoe die Europese richtlijn in concreto toe zou verplichten. Dat er een verplichting bestaat tot het aanbieden van enigerlei vorm van bedrijfsgezondheidszorg is ons wel duidelijk, maar wat nu precies de inhoud van zo'n pakket zou moeten zijn en waar de grenzen liggen is mij nog niet helemaal duidelijk. Vandaar dat ik aan de staatssecretaris vraag om precies aan te geven wat de betekenis is van die richtlijn in de Nederlandse situatie. Ik wil haar ook vragen wat de relatie is tussen het pakket waartoe die richtlijn ons zou verplichten en datgene wat op dit punt is opgemerkt in de arbeidsomstandighedenwetgeving in Nederland. De vraag is of daar een marge tussen zit, hoe groot die marge is en hoever die zou moeten worden ingevuld. Mijn fractie merkt op dat goede vormen van bedrijfsgezondheidszorg op een heel goedkope wijze en ook op een niet bureaucratische wijze in Nederland worden aangeboden. Het verplicht stellen van bedrijfsgezondheidszorg hoeft dus geen grote mate van bureaucratie en ook geen grote lastenontwikkeling voor bedrijven met zich te brengen. Ik vraag de staatssecretaris daar een aantal opmerkingen over te maken. Bovendien zou ik haar willen vragen of het mogelijk is om in het kader van de richtlijn, die ons verplicht tot regelgeving op het punt van de bedrijfsgezondheidszorg, aan werkgevers en werknemers voor een belangrijk deel over te laten op welke manier die bedrijfsgezondheidszorg in de praktijk ingevuld kan worden.

De vergadering wordt van 18.15 uur tot 19.45 uur geschorst.

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Voorzitter! In de afgelopen jaren is bij herhaling gesproken over het sterk groeiende beroep op de voorzieningen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid. Het gaat daarbij zowel om de Ziektewet (ZW) als de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Tot structurele ingrepen kwam het om verschillende redenen niet. Met name het massieve maatschappelijke verzet torpedeerde maatregelen die naar onze wijze van zien noodzakelijk waren. Ik wijs op de gang van zaken rond de plannen die de toenmalige bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in 1982 presenteerden. Nu, bijna tien jaar later, zijn de problemen zo groot geworden dat niet alleen kamerbreed, maar ook in de kring van sociale partners er volop bereidheid is, de koe bij de horens te vatten. Over de manier waarop dat moet gebeuren, lopen de meningen nog uiteen. Vaststaat echter dat er iets moet en gaat gebeuren. De fractie van de RPF maakte het kabinet al eerder een compliment voor de moed om de tot onaanvaardbare hoogte gestegen problematiek van de arbeidsongeschikheid aan te pakken. Ik zet nog eens een streep onder dat compliment. In de afgelopen maanden is er ook in de Kamer al heel wat te doen geweest over de maatregelen die het kabinet wil nemen om het aantal arbeidsongeschikten terug te dringen. Nu we deze week het wetsvoorstel Terugdringing arbeidsongeschikheidsvolume (TAV) plenair behandelen, wordt, onverlet iatend de discussies in verband met de herziening van het stelsel van sociale zekerheid en de diverse begrotingsdebatten, voor het eerst de kans geboden een integraal debat te voeren over de WAO. De fractie van de RPF acht dat een goede zaak. Al over een reeks van jaren hebben wij betoogd dat de toepassing en uitvoering van de WAO niet beantwoorden aan de oorspronkelijke bedoelingen. En zou dat wel het geval zijn, dan moet al geruime tijd worden geconstateerd dat de bedoelingen niet goed zijn geweest en dringend correctie behoeven. Ik ben de overtuiging toegedaan dat een heel belangrijke oorzaak van de ontsporingen met betrekking tot de WAO gelegen is in het feit dat de politiek van de jaren zestig en later te veel gestempeld is geweest door de gedachte dat de mens van nature goed is en zich vanzelfsprekend hoedt voor misbruik en oneigenlijk gebruik van collectieve voorzieningen. Dat zou immers op gespannen voet staan met de veronderstelde solidariteit. "Een burger die naar zich toerekent, was onvoorstelbaar", zo formuleerde minister Ritzen het enige tijd terug in een vraaggesprek met dagblad Trouw. Het mag dan zo zijn dat sommigen een dergelijke analyse als moreel gebeuzel zullen afdoen, men loopt naar mijn wijze van zien dan wel om de dieper liggende kern van de problematiek heen. Reeds bij de algemene beschouwingen heb ik gezegd dat een overheid moet beseffen dat elk mens van nature geneigd is het kwade te doen, egoÔstisch te denken en te handelen. In een door de zondeval gebroken wereld ligt dat nu eenmaal niet anders. Het is dan een onvervreemdbare taak van de overheid als dienares van God om vanwege die "kwade neigingen" van burgers door middel van wet-en regelgeving het recht te bestellen en de gerechtigheid te bevorderen, ook waar het gaat om het op rechtmatige wijze gebruik maken van collectieve voorzieningen die in het leven zijn geroepen om in geval van ziekte, werkloosheid, handicap en ouderdom niet veroordeeld te worden tot de bedelstaf. Dat moet dan wel alleen gelden voor hen die werkelijk door ziekte of handicap op geen enkele wijze een inkomen kunnen verwerven, dan wel door werkloosheid zijn uitgeschakeld of wegens ouderdom niet meer in staat zijn aan het arbeidsproces deel te nemen. Achtereenvolgende kabinetten hebben gefaald door de ware aard van de mens te negeren, dan wel er onvoldoende rekening mee te houden. Sterker nog, er is eerder aanleiding gegeven misbruik en oneigenlijk gebruik aantrekkelijk te maken, haast uit te lokken. Ik wijs bijvoorbeeld op het zo goed als ongeremde beroep dat op de Ziektewet kan worden gedaan en de vrij soepele mogelijkheid voor werkgevers om een werknemer te laten afvloeien naar de WAO. Ik wijs op de relatief gunstige uitkerings-voorwaarden die de WAO kent: een langduriger uitkering dan de WW, nauwelijks of geen controle en geen inkomenstoets. Je bindt de kat dan wel op het spek. Ik besef zeer wel, dat we bij de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen te maken hebben met wat we noemen werknemersverzekeringen. De eerste verantwoordelijkheid daarvoor lag van oudsher bij de sociale partners. In het arbeidsvoorwaardenoverleg kunnen ook aanvullingen op de WAO worden afgesproken. Toch is de overheid verantwoordelijk voor de inhoud van de WAO zelf, die immers door wetgeving tot stand gekomen is. Ik zie nog af van het feit dat de overheid als werkgever zelf daadwerkelijk direct partner is in dit proces. Dit kabinet beseft terdege dat er nu ingrijpende maatregelen moeten worden genomen om te komen tot terugdringing van het arbeidsongeschiktheidsvolume, zoals wij dat met een mond vol noemen. Voorzitter! De maatregelen kunnen echter niet op verantwoorde wijze worden genomen als niet eerst wordt vastgesteld wat de taak van de overheid is met betrekking tot het stelsel van sociale voorzieningen. Dit kabinet heeft de mond vol van kerntaken. Ik spreek liever van eigenlijke en oneigenlijke taken. Met het hanteren van het begnp "kerntaak" wordt de suggestie gewekt dat we een onderscheid moeten maken tussen belangrijke en onbelangrijke overheidstaken. Daarmee komen wij volgens mij echter niet tot de noodzakelijke sanering van het takenpakket van de overheid als geheel. Bij een andere gelegenheid zullen we daar nog nader over spreken naar aanleiding van de nota die de minister van Binnenlandse Zaken over deze problematiek aan de Kamer heeft gezonden. Ik wil niettemin dit principiŽle punt ook bij dit debat niet onbesproken laten. Toen 100 jaar geleden het Christelijk sociaal congres werd gehouden, moest de hand aan de ploeg worden geslagen om sociale voorzieningen in het leven te roepen. De sociale omstandigheden van die tijd waren onrechtvaardig. Er moest uit een oogpunt van onderlinge verantwoordelijkheid voor elkaar en zorg voor de zwakke in het bijzonder een einde komen aan de ontluiste rende armoede, waarin niet weinigen als gevolg van ziekte, handicap of werkloosheid verkeerden. De overheid moest optreden en zich een schild voor de zwakken tonen. Nu een eeuw later staan we voor de taak, het uit zijn voegen gebarste stelsel van sociale voorzieningen te saneren en naar een verantwoord niveau terug te brengen, omdat de overheid dat stelsel van sociale voorzieningen te uitgebundig heeft opgetuigd. We moeten, wat de wettelijk voorschriften betreft, naar een stelsel dat alleen uitkeringen op het minimumniveau garandeert. Dat is overigens niets nieuws, want in de oudedagsvoorziening is het nooit anders geweest. Ook voor de Algemene weduwen-en wezenwet, alsmede de Algemene arbeidsongeschiktheidswet geldt dit. Ik vermag niet in te zien wat ten principale het verschil is tussen de genoemde uitkeringen en de WAO. Naar onze wijze van zien zal er derhalve met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering moeten worden gewerkt aan een basisvoorziening met uitkeringen op minimumniveau. Dit wordt ook wel mini-stelsel genoemd. De AAW en de WAO zouden daarbij moeten worden geÔntegreerd en worden omgevormd tot een volksverzekering. De toeslag op het miniumumniveau, van belang voor ťťnverdienershuishoudens, is dan inkomensafhankelijk. Daardoor kan voorkomen worden dat in een huishouden twee personen beiden langdurig over een arbeidsongeschiktheidsuitkering beschikken en daarmee toch een behoorlijk gezinsinkomen hebben. Vanzelfsprekend zal zo'n ombouw niet eenvoudig zijn, de nodige consequenties hebben en een lange overgangstermijn vergen. Het gaat mij evenwel om de principiŽle lijn die wij moeten uitzetten. Bovendien moeten de verantwoordelijkheden daar gelegd worden waar zij horen. Uit de vorige week ontvangen nota Strategische verkenningen maak ik op dat het kabinet dat idee niet op voorhand afwijst, al vraag ik me af wat de Kamer met deze interne en vrij globale departementale discussienota aan moet Het zal wel goed bedoeld zijn, maar ook hier geldt het adagium: regering, regeer; kom dus met een goed doordacht voorstel en maak de zaak niet nodeloos ingewikkeld door ons reeds tijdens het denkproces op het departement met een interne departementale nota te vermoeien. Rest de vraag aan de staatssecretaris of zij in beginsel mijn lijn kan volgen en ernstig overweegt om zo'n mini-stelsel te ontwerpen in de komende tijd. Mogelijk kan daar in deze kabinetsperiode nog een aanzet toe worden gegeven. Voorzitter! De RPF-fractie heeft de schriftelijke voorbereiding gebruikt om nadrukkelijk aandacht te vragen voor de oorzaken van het groeiende beroep op de WAO. Het kabinet is gelukkig met mij van mening dat het de voorkeur verdient om bij het voorstellen van maatregelen ter vermindering van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen expliciet aan te geven waar de oorzaken van dat beroep liggen. Hoe nauwkeuriger het inzicht is in de factoren die de groei veroorzaken, des te gerichter zal het kabinetsbeleid ter bestrijding van de groei kunnen zijn. Eerlijk gezegd, valt de schriftelijke beantwoording van het kabinet mij met name op dit punt wat tegen. De staatssecretaris verstopt zich naar mijn oordeel te gemakkelijk achter het ontbreken van gedegen studies naar de oorzaken van de groei. Wat is echter gedegen? Het Sociaal en cultureel planbureau noemt in het Sociaal en cultureel rapport 1990 een aantal oorzaken, ook in combinatie met elkaar, van de volumegroei: a. de introductie van de AAW in 1976; b. sociaal-demografische factoren; er werken meer mensen onder andere door de arbeidsparticipatie van de vrouw; c. een ruim medisch-arbeidsongeschiktheidsbegrip; d. een toenemende psychische belasting in het arbeidsproces; e. een slechtere concurrentiepositie van gehandicapten op de arbeidsmarkt. In zowel de memorie van toelichting als het SER-advies worden deze oorzaken herhaald, zonder dat de moeite wordt genomen om eventueel aanvullende oorzaken op te sommen. Ik denk dat het Sociaal en cultureel planbureau inderdaad een aantal fundamentele oorzaken noemt. Maar wordt niet te licht voorbijgegaan aan het karakter van de regelingen zelf? Ik noemde hiervoor al de aantrekkelijkheid van de WAO in vergelijking met andere regelingen. Verder is het meeverzekerd zijn van het risque social een belangrijke factor. Een aanzienlijk deel van de instroomwe kunnen twisten over het exacte aandeelis terug te voeren op het risque social, terwijl dit element in ons omringende landen niet is meeverzekerd. Kort en goed, het karakter van de regelingen zelf als oorzaak van de sterke groei vind ik in de analyse van het SCP niet terug. Een ander punt dat ik daarin miste betreft de afnemende arbeidsmotivatie en het besef van medeverantwoordelijkheid bij vele werknemers voor het gebeuren in het bedrijf. Ik geef toe dat de invloed van deze factor zeer moeilijk meetbaar is, maar dat geldt evenzeer voor het door het SCP genoemde ruim medisch-arbeidsongeschiktheidsbegrip. De invloed van die factor is toch ook moeilijk exact in cijfers uit te drukken, maar is het niet overdone als het zich niet welbevinden als ziekte kan worden beschouwd en motief is voor arbeidsverzuim? Bovendien is simulatie niet te voorkomen. Zouden op dat punt de touwtjes niet wat strakker moeten worden aangehaald en wie is daarvoor verantwoordelijk? Voorts is er dringend behoefte aan een sluitend controlesysteem. Het zal niet eenvoudig zijn om anno 1991 in dit opzicht terug te keren naar de jaren zestig. We zijn met elkaar verwend. Toch noopt de uit de hand gelopen praktijk ons ertoe om ons ernstig te bezinnen op het omgaan met psychische klachten. Juist bij jongeren en herÔntredende vrouwen wordt de instroom voor een groot deel bepaald door psychische factoren. In welke mate dragen emancipatie en individualisering hiertoe bij? Moeten we niet gewoon erkennen dat een dubbelrol, namelijk enerzijds betaald werk en anderzijds werk in de huishouding, teveel vraagt van de gemiddelde Nederlander, zowel in fysiek als in psychisch opzicht? Ik heb ernstige bezwaren tegen de stelling van het kabinet in de nota naar aanleiding van het eindverslag, waar wordt gesteld dat het niet duidelijk is of het ontbreken van een periodieke herbeoordeling, ofte wel herkeuring, in belangrijke mate bijdraagt aan het volume van het gebruik van de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Zoals ik reeds eerder heb betoogd -onder andere in augustusis de RPF-fractie ervan overtuigd dat een massale herkeuring een zeer substantiŽle sanering van het WAO-bestand tot gevolg zal hebben. Heeft de staatssecretaris aanwijzingen dat het tegendeel het geval is? Het kan toch moeilijk anders, als men beseft dat bijvoorbeeld bij het overheidspersoneel in zeer veel gevallen niet of nauwelijks sprake is van een adequaat keuringsbeleid. Mijnheer de voorzitter! In de memorie van toelichting geeft de staatssecretaris zelf al aan dat van de tweede doelstelling van de WAO, namelijk revalidatie en sociale integratie, in de prakijk veel te weinig terecht is gekomen. Eens arbeidsongeschikt impliceerde in heel veel gevallen blijvend arbeidsongeschikt, zo schrijft de staatssecretaris op pagina 7. Ze zal hiermee toch niet willen zeggen dat degenen, die blijvend een beroep doen op een WAO-uitkering, ook allen terecht aanspraak blijven maken op een uitkering? Wat dit punt betreft is sinds 1970 al te lang struisvogelpolitiek bedreven. Gelukkig is het taboe rond dit thema voor een groot deel verdwenen, maar nu de zaken bij naam kunnen worden genoemd, is een krachtdadig beleid een logisch gevolg. Als hiervan geen sprake zal zijn, zullen degenen die voikomen terecht aanspraken maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte van een negatief stempel worden voorzien. Het bestand moet dan ook via intensieve herkeuring worden gesaneerd. Zeker nu er plannen liggen het begrip "passende arbeid" te verruimen, moeten hiertoe mogelijkheden komen. Ik besef dat zich hierbij problemen in uitvoeringstechnische zin kunnen voordoen. Waar halen we immers op korte termijn zoveel keuringsartsen vandaan? Ik herinner het kabinet er echter aan dat het nu menens is met de strijd tegen de volumegroei en dat daarbij forse middelen van stal moeten worden gehaald. Is het niet mogelijk om bijvoorbeeld huisartsen en militaire artsen massaal in te zetten bij de "oorlog" tegen de wildgroei in de WAO? In het voorlopig verslag heeft de fractie van de RPF overigens ook aandacht gevraagd voor het ontbreken van een keuring bij een deel van de uitkeringsgerechtigden. Het gaat hier met name om de oudere WAO'ers, die vanzelf uit de Ziektewet doorstromen in de WAO. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit gegeven? Voorzitter! Het is mij bekend dat er altijd een groot aantal personen zal bostaan dat blijvend recht heeft op een WAO-uitkering. Dat is een trieste constatering, maar zo liggen de feiten wel: de onomkeerbare gevallen, zoals wij ze zijn gaan noemen. Ik ben ook de laatste die die mensen hun rechten zou willen ontnemen. Echter, een groot aantal uitkeringsgerechtigden zou bij een stringenter keuringsbeleid weer opgenomen moeten kunnen worden in het arbeidsproces dan wel zouden zij een beroep moeten kunnen doen op de helaas minder aantrekkelijke werkloosheidsvoorzieningen. Ik vroeg mevrouw Beijlen zoŽven naar haar opvatting op dit punt. Het kabinet geeft in elk geval de realiteit weer dat het wellicht niet mogelijk is, alle mensen aan werk te helpen en dat er dan een extra beroep zal worden gedaan op de werkloosheidsuitkering c.q. bijstandsuitkering. Daarworden in de stukken ook getallen bij gegeven. In de huidige praktijk was immers nooit te voorzien wat de makers van de WAO voor ogen stond, met name minister Veldkamp. Laatstgenoemde hield toch altijd voor ogen dat de instroom en de uitstroom elkaar in evenwicht zouden houden. Dat is nu niet het geval en dat geeft de structurele problematiek aan. In dit verband moet ik nog een misverstand wegnemen dat in de schriftelijke gedachtenwisseling is ontstaan. Het is beslist niet zo dat ik ervan uitga dat de WAO oorspronkelijk alleen als overbruggingsregeling was bedoeld. De staatssecretaris gaat hier zowel in de memorie van antwoord als in de nota naar aanleiding van het eindverslag ten onrechte van uit. Het valt toch niet te ontkennen dat de WAO in hoge mate bedoeld was als overbruggingsuitkering gedurende een periode waarin iemand wegens ziekte of handicap buiten het arbeidsproces stond en na verloop van tijd, eventueel na her-of bijscholing, terug zou keren in het arbeidsproces. Het gaat mij erom, dat er van de overbruggingsregeling, die toch een wezenlijk deel van de oorspronkelijke opzet vormde, in de praktijk niet veel terecht is gekomen en dat heeft de staatssecretaris ook geconstateerd. Ik vraag mij af of zij door dit misverstand in de stukken niet is ingegaan op de vraag die ik twee maal heb gesteld, namelijk hoe het komt dat van die revalidatie en die reÔntegratie in de praktijk niet veel terecht is gekomen. Misschien kan zij daar alsnog op ingaan. Ligt dat uitsluitend aan de uitvoeringsorganen of hebben politici en de overheid in het algemeen daar ook een belangrijke rol bij te vervullen. Voorzitter! Om het beroep op de Ziektewet en op arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen terug te dringen heeft het kabinet in aansluiting op het vorig jaar gehouden najaarsoverleg met de sociale partners een pakket maatregelen genomen. Het liegt er niet om. Ik heb er een compliment over gemaakt. Die maatregelen kunnen niet als ťťn geheel worden behandeld. Aan de ene kant is dat jammer, maar aan de andere kant ontstaat zodoende wel de mogelijkheid om enkele volumebeperkende maatregelen op hun effect te toetsen alvorens de meest zware middelen te grijpen, namelijk snijden in de duur en de hoogte van de bestaande uitkeringen. De RPF meent overigens dat deze laatstgenoemde ingrijpende maatregel uit een oogpunt van rechtvaardigheid moeilijk te verdedigen valt en ook niet nodig zal blijken te zijn als de beschikbare volumebeperkende maatregel door alle betrokkenen serieus wordt uitgevoerd. Ik heb dat al eerder gesteld en ik houd daar ook aan vast. Ik wijs nogmaals op het probleem van de keuring. Kan het standpunt van het kabinet op dit terrein nog eens helder over het voetlicht worden gebracht? Uit de nota naar aanleiding van het emdverslag maak ik op dat de regering hoe dan ook wil komen met een ingreep in duur en hoogte, zij het dat op grond van positieve resultaten die mogelijkerwijs zouden kunnen worden geboekt door middel van de volumemaatregelen, tussentijds tot enige verzachting kan worden overgegaan. Maar is het kabinet het niet met mij eens dat, als wij drastisch gaan keuren, die ingreep in duur en hoogte absoluut niet nodig is? Vraag is dan hoe stellig het kabinet zelf gelooft in de effecten van de maatregelen die al genomen zijn en nu genomen worden als het wetsvoorstel wordt aanvaard. Naast de in het onderhavige wetsvoorstel voorgenomen maatregelen zijn er nog meer wegen te bedenken die tot het gewenste doel kunnen leiden, al besef ik dat je daarvoor uitdrukkelijk de medewerking van derden nodig hebt: sociale partners, de uitvoeringsorganen, de keuringsartsen en heel in het bijzonder de personen die het in eerste instantie aangaat bij de WAO, namelijk de werkgever en de individuele werknemer. "Een andere mentaliteit", zo formuleerde mevrouw Beijlen dat vanmiddag terecht. Het WAO-bestand moet binnen de kortst mogelijke termijn zodanig worden opgeschoond, dat de onomkeerbare gevallen als vanzelf boven water komen. Dan hoef je er ook geen criteria voor aan te geven. Dat is namelijk steeds het probleem Ook mevrouw Beijlen zei dat vanmiddag. Als je maar sterk selecteert, blijven de onomkeerbare gevallen vanzelf over. Voor hen mag er geen korting op hoogte en duur komen. En voor kostwinners die volledig aangewezen zijn op een WAO-uitkering, pleit de RPF bij herhaling voor verhoging van de uitkering tot 80% van het laatstgenoten loon. Hoe dan ook moet in elk geval worden voorkomen dat de goeden lijden onder de kwaden. Dat zijn degenen die misbruik dan wel oneigenlijk gebruik maken van de desbetreffende voorziening. Ik denk daarbij aan hen die met behoud van een WAO-uitkering toch betaald werk verrichten, al dan niet over de grens. Waarom is daar niet meer controle op? Zijn er in dit opzicht eventueel afspraken te maken met ons omringende landen, BelgiŽ en de Bondsrepubliek. De staatssecretaris heeft in de schriftelijke gedachtenwisseling aangegeven dat naar schatting 235.000 huidige arbeidsongeschikten medisch in staat zouden zijn, betaald werk te verrichten, waarvan er 190.000 aan de slag kunnen, als het begrip "passende arbeid" conform dit wetsvoorstel wordt verruimd. Die cijfers heb ik ook reeds bij de algemene beschouwingen naar voren gebracht. Toen is daarop niet gereageerd. Gelukkig is dat nu in de schriftelijke gedachtenwisseling wel gebeurd. In 1994 verwacht het kabinet dat een effect van deze maatregel slechts zo'n 20.000 uitkeringsjaren AAW/WAO kan worden gerealiseerd, vanwege gebrek aan herkeuringscapaciteit. Ik kom hiermee terug op het probleem dat ik zoŽven al schetste. Als op korte termijn op grote schaal wel kan worden gekeurd c.q. herkeurd, is het kabinet wat de budgettaire kant van de zaak betreft, toch uit de problemen, want dan kan het aantal uren voor de 190.000 mensen worden afgeboekt. Daar ging het nu juist om. Wij zitten dan ver beneden de taakstelling van het kabinet. Ik heb daarop nog geen antwoord gekregen in de stukken. Wellicht kan de staatssecretaris dat alsnog in het debat doen. Dit feit is, zo denk ik, toch de achilleshiel van de WAO-voorziening: de adequate keuring, dan wel herkeuring. Voorzitter! Dan ligt er nog een ander probleem, namelijk dat mensen die arbeidsongeschikt zijn door uitvoeringsorganen worden gehinderd om weer volop aan de slag te gaan. Daarbij worden nogal formalistische redeneringen gebruikt. Men let meer op de regels en de voorschriften dan op de mens in kwestie en dat is toch de wereld op zijn kop. Een simpel voorbeeld uit de praktijk. Een man van goed 30 jaar is wegens problemen met zijn knieŽn afgekeurd als hovenier. Hij weet een nieuwe baan te vinden bij een installatiebedrijf waar hij vrijwel uitsluitend staand werk moet doen. Na veel soebatten is het hem toegestaan om dat werk partieel te doen. Inmiddels gaat het al vele jarenacht, negen jaargoed, maar de keuringsarts weigert zijn verzoek in te willigen, hem weer geheel arbeidsgeschikt te verklaren voor dat nieuwe werk. Het enige motief dat de keuringsarts kan bedenken: u houdt het toch niet vol! Het laat zich verstaan dat zo'n behandeling als de dictatuur van de uitvoeringsorganen wordt gezien. Die is bepaald ook weinig bemoedigend voor de persoon in kwestie, nog afgezien van het feit, dat de weigering om de betrokkene weer geheel in het arbeidsproces te laten opnemen, hem in hoge belemmert in zijn ontplooiingskansenpromotiekansen etceterabinnen het desbetreffende bedrijf. Is de staatssecretaris het met mij eens dat zo'n behandeling ongehoord is en geen recht doet aan enerzijds de bedoelingen van de wetgeving en anderzijds aan de eigen verantwoordelijkheid van mensen die in een eigen inkomen willen voorzien? Uitgangspunt moet toch zijn en blijven dat iemand die om welke reden dan ook arbeidsongeschikt wordt verklaard, zelf alles op alles zet om weer aan de slag te komen, hoe dan ook en waar dan ook? Dat mag men toch verwachten als men gebruik maakt van een collectieve voorziening? Die is slechts bedoeld als overbrugging. Voorzitter! Ik kom nu nog concreet te spreken over de nu voorgelegde maatregelen. Ik ben de staatssecretaris overigens erkentelijk voor het alsnog opnemen van een aantal belangrijke aspecten in de wet zelf, nadat aanvankelijk was voorgesteld die bij AMvB te regelen. In het nu voorliggende wetsvoorstel blijven slechts enkele punten over die voor nadere regeling bij delegatie in aanmerking komen. Ik denk dat het een goede zaak is dat met name een regeling van de uitvoering en van de financiering wettelijk worden vastgelegd. Ik onderschrijf de intentie van het kabinet om door financiŽle prikkels positieve gedragsreacties los te maken bij werkgevers en bij werknemers. Met betrekking tot het voorgestelde bonus/malussysteem is in de schriftelijke voorbereiding al het nodige aan de orde gesteld. De RPF-fractie staat in principe positief tegenover dit stelsel. In de schriftelijke gedachtenwisseling heb ik wel aandacht gevraagd voor de voor-en nadelen van positleve en negatieve prikkels. Ook nu wil ik onderstrepen dat naar ons oordeel het zwaartepunt dient te liggen bij de positieve prikkels. We moeten nu niet ons heil gaan zoeken in een soort strafcultuur, maar juist allereerst uitgaan van positieve prikkels: niet straffen, maar belonen. Het moet voor een werkgever ronduit aantrekkelijk zijn dan wel worden om een werknemer, ongeacht een handicap in welke vorm dan ook, in zijn personeelsbestand te hebben en te houden. Het heeft er echter de schijn van dat in de nabije toekomst het straffende element toch de boventoon gaat voeren, of wil de staatssecretaris dat tegenspreken? Voorzitter! Het koppelen van de hoogte van de bonus en de malus aan het inkomen in plaats van aan de uitkering heeft bij ons de nodige vragen opgeroepen. Hoewe! ik het logischer vind om uit te gaan van een koppeling met de uitkering, zal ik mij op zichzelf niet verzetten tegen het kabinetsvoorstel op dit punt. Ik zit nog wel met enkele vragen waarop in de schriftelijke voorbereiding geen antwoord is gegeven. Ik blijf het namelijk onrechtvaardig vinden dat werkgevers een geldelijke bijdrage moeten leveren, als hun werknemers tengevolge van sociale oorzaken, gelegen in privťsituaties, in de Ziektewet dan wel in de WAO terechtkomen. Ook in de nota naar aanleiding van het eindverslag overtuigt de staatssecretaris mij allerminst. Als zij stelt dat het maken van onderscheid tussen een risque professionel en een risque social in het buitenland tot problemen leidt, wil ik dat geloven, maar is in ons land in vergelijking met het buitenland het betere niet de vijand van het goede? De staatssecretaris stelt dat het vermoeden bestaat dat het trekken van een operationele grens problematisch is. Kan zij misschien meedelen of in landen als Duitsland en BelgiŽ het maken van het genoemde onderscheid dermate problematisch is, dat daar serieus wordt overwogen om het onderscheid op te heffen en het Nederlandse systeem te volgen? De staatssecretaris gaat verder in de nota naar aanleiding van het eindverslag nog in op de bedoeling en kern van de geldelijke bijdragen Ik citeer: "Deze is niet bedoeld om werkgevers te laten betalen voor het af laten vloeien van arbeidsongeschikten, maar het is gericht op het behoud van de arbeidsplaats (...) zodat betaling kan worden voorkomen. In het kader van dat streven is de schuldvraag niet aan de orde." Met andere woorden: de malus moet niet worden gezien als boete. Voor een dergeiijk versluierd taalgebruik kan ik niet veel waardering opbrengen. Laten wij de zaken bij de naam noemen. "Malus" betekent gewoon "slecht" en voor een slechte daad wordt men terecht beboet. De staatssecretaris gebruikt in de memorie van antwoord niet voor niets de term "een forse negatieve financiŽle prikkel". Als zij van oordeel is dat wij niet moeten spreken van een boete, dan moeten wij ook afstappen van de term malus. Voorzitter! Het kabinet is van oordeel dat betaling van de malus ťťn jaar na toetreding tot de AAW/WAO het meest in de rede ligt. De daarbij gehanteerde argumentatie is duidelijk. Ik wil hierover niet moeilijk doen. De staatssecretaris schrijft echter in de nota naar aanleiding van het eindverslag dat binnen een jaar na toetreding tot de arbeidsongeschiktheidsregelingen nog relatief vaak terugkeer naar de oude werkgever wordt gerealiseerd. Kan de staatssecretaris aangeven in hoeveel gevallen dat de afgelopen jaren is gebeurd? Is het, afgezet tegen de totale instroom in de AAW/WAO marginaal? De RPF-fractie ziet in de bonusregeling goede mogelijkheden tot reÔntegratie. Als het verstrekken van een bonus ertoe leidt dat een nieuw dienstverband ontstaat, is dat een goede investering. Ik wil de staatssecretaris nog vragen of het uitgesloten moet worden geacht dat een bepaalde bedrijfstak niet wettelijk zal worden verplicht de bonus te hanteren. Ik heb begrip voor de bezwaren die bestaan om kleine ondernemingen uit te zonderen van het bonus/malussysteem. De RPF-fractie heeft in de schriftelijke gedachtenwisseling met name aandacht gevraagd voor bedrijven met minder dan tien werknemers. Met het argument dat deze categorie juist zal profiteren van het bonus/malussysteem omdat tengevolge van dit stelsel de AAW-premie zal dalen, is niet alles gezegd. Een malus komt hoe dan ook keihard aan bij een kieme ondernemer Relatief veel harder dan bij een groot bednjf Als het echt problematisch zal zijn om de kleine ondernemingen uit te zonderen, voel ik veei voor het idee van de Sociale verzekeringsraad, die opteert voor een maximering van de totaal in een jaar aan een werkgever op te leggen geldelijke bijdragen op 2% van de totale brutoloonkosten, in plaats van 5%. Blijft deze optie open, als in de nabije toekomst blijkt dat 5% te hoog is voor de kleinere ondernemingen? Voorzitter! Ik wil kort ingaan op de premiedifferentiatie in de Ziektewet. De RPF-fractie staat hier niet onverdeeld positief tegenover, zoals ook tijdens de schriftelijke voorbereiding is gebleken. De werkgevers worden namelijk dubbel aangepakt, als naast een eventueel hogere premie tevens de eerste weken van ziekte geheel voor rekening van de werkgevers wordt gebracht. Dit is in tegenstelling tot het op dit punt unanieme advies van de SER. Ik heb echter begrepen dat de premiedifferentiatie geen betrekking heeft op het ziekteverzuim korter dan zes, dan wel drie weken. De differentiatie is primair bedoeld om het langdung ziekteverzuim terug te dringen. Dit lijkt mij een redehjk uitgangspunt. De RPF-fractie kan in elk geval het principe van premiedifferentiatie onderschrijven, al zullen in de praktijk onbedoelde en ongewenste situaties kunnen ontstaan. In de schriftelijke voorbereiding is hierop echter al uitvoerig ingegaan. Ik ben van oordeel dat het overlaten van de doorwerking van de premiedifferentiatie aan de bedrijfsverenigingen te vrijblijvend is. De staatssecretaris is naar mijn mening in haar beantwoording van een vraag van de RPF-fractie ter zake te optimistisch met haar veronderstelling, dat dit punt zeer wel aan de zelfregulering van de sociale partners kan worden overgelaten. Moeten 25 jaar ervaring met de Ziektewet en de WAO ons niet tot minder optimistische gedachten brengen? Mijnheer de voorzitter! Ik wil nog het een en ander zeggen over de loonkostensubsidie. De regering wil de GMD-of moet ik zeggen: het GAK-een versterkt reÔntegratie-instrumentarium bieden. Dit moet in de vorm van een aparte loonkostensubsidie gestalte krijgen. Dit lijkt mij een goed uitgangspunt, al wordt het langzamerhand moeilijk om door de bomen van de loonkostensubsidie-instrumenten het bos van de sociale zekerheid nog te zien. Ik vraag me af of deze regeling het verwachte effect zal sorteren. Kan de staatsecretaris duidelijk aangeven waarom dit arbeidsvoorzieningsinstrument niet direct wordt toevertrouwd aan de arbeidsvoorzieningsorganisatie? Ik wil ook nog iets zeggen over passende arbeid en over de uitvoeringsorganisatie. Een andere manier om reÔntegratie te bevorderen, is een verruiming van het begrip "passende arbeid". Hiervan is de RPF-fractie een groot voorstander. Het is toch te gek voor woorden dat iemand, die een relatief kleine handicap heeft en daarom ongeschikt is voor zeer specifiek werk, tot zijn 65ste een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan krijgen. ledere Nederlander kent vermoedelijk wel voorbeelden van personen, die betrekkelijk gezond zijn, maar door een zogenaamd ontbreken van passende arbeid uitkeringsgerechtigd zijn en blijven. Ik heb met verbazing kennis genomen van het feit dat, voor zover bekend, van de huidige sanctiemogelijkheden, die artikel 30 van de Ziektewet biedt, van 1986 tot 1989 slechts vier maal gebruik is gemaakt. Het betrof twee maal een werkgever; de twee andere keren ging het om werknemers. Dit duidt er toch op dat er iets structureel fout zit? Is het op grond hiervan wel reŽel te veronderstellen dat bij een verruiming van het begrip "passende arbeid" vaker tot sanctie-oplegging zal worden overgegaan? Als het systeem namelijk al niet functioneert wanneer in zeer duidelijke gevallen passende arbeid wordt geweigerd, hoe moet dat dan als werknemers in de toekomst veel eerder werk moeten accepteren? Ik denk dat dit pas mogelijk is, als er sprake is van een grondige-ik kom er weer op terug -mentaliteitsverandering. Zou het niet de voorkeur verdienen om ten aanzien van het begrip "passende arbeid" een omgekeerde redenering te volgen, dat wil zeggen: werk is niet passend, als ondubbelzinnig is aangetoond dat iemand dat werk echt niet aankan? Ik hoor graag het oordeel van de staatssecretaris hierover. Voorzitter! Last but not least een enkel woord met betrekking tot de uitvoeringsorganisatie. In de schriftelijke voorbereiding heeft de RPF-fractie aandacht gevraagd voor de termijn waarbinnen de GMD moet worden ingeschakeld. Ik verwijs kortheidshalve naar hetgeen collega Linschoten op dit punt naar voren heeft gebracht. Hij wil in de wet laten opnemen dat de GMD eerder, te weten na zes weken, wordt ingeschakeld. Gelukkig gaan er steeds meer stemmen op om de controle op en de uitvoering van de sociale zekerheid te scheiden. Ik steun het initiatief om hiernaar een onderzoek te laten instellen van harte. Ik heb echter begrepen dat de discussie hierover wordt uitgesteld tot de staatssecretaris het wetsvoorstel betreffende de nieuwe uitvoeringsorganisatie heeft ingediend. Datzal in hetvoorjaar gebeuren. Het voorjaar duurt van februari tot juni. Kan iets nauwkeuriger worden aangegeven wanneer de Kamer dat wetsvoorstel tegemoet kan zien? Voorzitter! Het moge duidelijk zijn dat de RPF-fractie geen onoverkomelijke problemen heeft met het onderhavige wetsvoorstel. Ik heb hier en daar wat kanttekeningen gemaakt. Ik wacht de reactie van de staatssecretaris met veel belangstelling af.

©

A.J. (Arthie)  SchimmelMevrouw Schimmel (D66): Mijnheer de voorzitter! Dit wetsvoorstel over terugdringing ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid komt naar de opvatting van D66 te laat en bevat te weinig. Te laat, omdat de stabilisatiedoelstelling ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid twee jaar geleden in het regeerakkoord werd vastgelegd en wij nu pas het eerste wetsvoorstel om dit te realiseren behandelen. Dit had volgens ons sneller gekund en ook sneller gemoeten. Te weinig, omdat niet alle maatregelen worden genomen die zonder in de uitkeringen in te grijpen het volume zouden kunnen beheersen. In TAV 2 en TAV 3 komen nog andere volumemaatregelen. Wij hadden liever gezien dat eerste alle volumemaatregelen zouden zijn gepresenteerd en daarna pas, indien nodig, de andere maatregelen. Ik spreek dan nog niet eens over de maatregelen die een betere uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregelingen en de Ziektewet kunnen bewerkstelligen. Ik heb het dan vooral over de uitvoeringsorganisatie. De heer Schutte heeft in de aanvang van zijn bijdrage daarover behartigenswaardige woorden gezegd. Ook in mijn fractie wordt nagedacht over een privatisering van de uitvoeringsorganisatie. Kortom, de volgorde van de wetgeving past niet in de lijn die onze fractie graag had gezien. Wij vinden dat alle volumemaatregelen en de organisatiemaatregelen eerst behandeld hadden moeten worden en dat vervolgens bekeken had moeten worden of andere wetgeving nodig was geweest. De oplossing van het probleem van het toenemende beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen beschouwen wij in de eerste plaats als een probleem van de uitvoering en met name het vaag en vrijblijvend worden van allerlei begrippen en waarden als zodanig. Met het vaag en vrijblijvend worden van begrippen en waarden doel ik vooral op de invulling van de begrippen "ziekte" en "gebrek" en de weinige nadruk die wordt gelegd op waarden als "herstel" en "terugkeer in het arbeidsproces". Ik geef een voorbeeld In de voorlichtingsfolder van het Voorlichtingscentrum sociale verzekering wordt alleen voorlichting gegeven over het geldelijke verlies en over de wijze waarop een uitkering kan worden verkregen. De term "herstel en terugkeer naar het arbeidsproces" komt daarin niet meer voor. Daarop kan een werknemer blijkbaar geen recht meer doen gelden, zulks ondanks het feit dat dit als tweede doelstelling van de WAO is opgenomen. Wat wij missen in deze wetgeving is een wettelijk verplichte bedrijfsgezondheidszorg, een wettelijk terugkeerplan en een wettelijk terugkeerrecht. Wat wij voorts missen zijn zaken als intercollegiale toetsing, een verplicht doktersattest en een verplichte periodieke keuring. Vooral de laatste drie zaken zijn simpele maar doeltreffende maatregelen en zeker niet nieuw als men kijkt naar de wijze waarop het in de Invaliditeitswet van 1919werd geregeld. In deze wet stond bijvoorbeeld in artikel 102, dat de uitvoeringsorganisatie zich verplichtte om regelmatig contact met de uitkeringsgerechtigde te onderhouden. Dit geschiedde op halfjaarlijkse basis waarbij via de buitendienst onderzoek werd gedaan. Zelfs werd er via kwartaalopgaven bij instellingen nagegaan of uitkeringsgerechtigden daar nog verbleven. In de uitvoeringspraktijk van de afgelopen jaren is dit element praktisch geheel buiten de aandacht geraakt. Enkele bedrijfsverenigingen doen steekproefsgewijs schriftelijk, via enquÍteformulieren, nog een dergelijke onderzoek maar over het algemeen is de gehele WAO-populatie een onzichtbare hoeveelheid mensen geworden waarop niemand nog een gefundeerd zicht heeft. De huidige en komende voorstellen van de regering hebben vooral als uitgangspunt: de calculerende werkgever en de calculerende werknemer. Het gaat dus om financiŽle prikkels of de portemonnee, zoals mevrouw Brouwer het noemde. Voorzitter! Wij vinden dit een verschraling van het denken over de beheersing van het beroep op socialeverzekeringswetgeving. Het wetsvoorstel als zodanig heeft onzes inziens pijnlijk duidelijk gemaakt hoe weinig er eigenlijk in de praktijk is geregeld op het gebied van het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Eigenlijk ontbreken zelfs de basisvoorzieningen op grond waarvan een beleid zou kunnen worden gevoerd. Ik denk hierbij aan een ziekteverzuimregistratiesysteem. Noch in het bedrijfsleven, noch bij de overheid, noch bij de uitvoeringsorganisaties bestaan er volgens de memorie van toelichting en de memorie van antwoord dergelijke systemen. Er worden in het onderhavige wetsvoorstel tien maatregelen getroffen die ertoe moeten leiden dat er een geringer beroep wordt gedaan op Ziektewet en arbeidsongeschiktheidsregelingen. De belangrijkste voorstellen zijn volgens ons de bonus/malus-regeling en de premiedifferentiatie Ziektewet. Wat de bonus/malus-regeling betreft zou je kunnen zeggen dat er wordt gekozen voor een sterk geÔndividualiseerd stelsel van premiedifferentiatie WAO. Op zichzelf zijn wij hier wel voor. Premiedifferentiatie WAO hebben wij nooit zo zien zitten, gelet op het feit dat die differentiatie betrekking zou hebben op een uitkering die pas na 52 weken Ziektewet zou aanvangen. Een langer verzuim is moeilijker te beÔnvloeden dan een kort verzuim. Met het bonus/malussysteem is daarvoor een goede oplossing gevonden, in aanvulling op de premiedifferentiatie Ziektewet. Wat de inrichting daarvan betreft, hebben wij echter een aantal kritische kanttekeningen te plaatsen. Zo is de malus in juli/augustus wel zeer verhoogd ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel. Daarin werd gesteld dat het niet de bedoeling was om een financieel reservoir te laten ontstaan door de inkomsten op het terrein van de malus en de uitgaven op het gebied van de bonus. Het is onze fractie nog steeds niet zo duidelijk waarom dit nu wŤl de bedoeling is en wij vragen ons af, of budgettaire overwegingen hierbij een rol spelen. Wij maken ons, evenals de fractie van de VVD, zorgen over de hoogte van de voorgestelde malus, niet omdat wij niet willen dat de werkgever de kosten voor zijn rekening neemt maar omdat wij vrezen dat een dergelijke hoogte haar doel voorbij zou kunnen schieten en wel eens averechts zou kunnen uitpakken. Natuurlijk moet een malus niet zo laag zijn dat de werkgever deze ziet als een onaangename maar overkomelijke afkoopsom. Tegelijkertijd denk ik dat de malus niet zo hoog moet zijn dat deze als onrechtvaardig wordt ervaren, met name wanneer de oorzaakvan de arbeidsongeschiktheid geheel en al buiten de schuld van de werkgever moet worden gezocht. Dan druist een te hoge malus in tegen het rechtvaardlyheidsgevoel van mensen die personeelsbudgetten binnen organisaties beheren. Aan de hand van onderzoek is gebleken dat slechts 40% van de arbeidsongeschiktheid zijn oorzaak op het werk vindt. Wat gebeurt er aan de basis wanneer een manager zijn personeelskosten vermeerderd ziet met een malus van twaalf maanden terwijl hij absoluut niets kan doen aan de oorzaken van de arbeidsongeschiktheid? Voor ons speelt deze vraag een belangrijke rol omdat wij er niet erg voor zijn om onderscheid te gaan maken tussen "risque professionel" en "risque social". Echter, als dit zozeer in zou kunnen gaan druisen tegen het rechtvaardigheidsgevoel van mensen, roept men als het ware deze discussie daarmee op. Onze vraag is, of dat ook de bedoeling is van deze regering. Het verschil tussen bonus-en malusopbrengsten komt tot uitdrukking in de verlaagde AAW-premie. Wij zijn er voorstander van om de opbrengst te bestemmen voor preventie-activiteiten die via een fonds gefinancierd worden, en wel met name omdat er in Nederland nog geen goede structuur voor preventie is opgezet. De activiteiten zijn te verbrokkeld, te versnipperd en te weinig gericht op toepassing in de praktijk. Wellicht zou in een later stadium het saldo kunnen worden aangewend voor een verlaagde AAW-premie, maar voor de komende jaren zien wij toch meer in het financieel stimuleren van op preventie gerichte maatregelen via een fonds. Wij vragen ons af, of de malus niet het best gekoppeld kan worden aan een werknemer met een zogeheten restcapaciteit. Bij hem of haar zijn in principe namelijk nog mogelijkheden aanwezig om arbeid te verrichten. Daarop zou de werkgever ook aangesproken mogen worden. Over de differentiatie van de malus hebben wij ook enkele vragen. Er wordt gedifferentieerd naar drie risicoklassen: hoe hoger het invalideringsrisico, des te lager de malus. Hierbij wordt eigenlijk afgeweken van de lijn: de werkgever is verantwoordelijk. Immers, hoe groot is de prikkel nog voor een werkgever om die invalideringsrisico's omlaag te brengen? En is de differentiatie in drie klassen niet te sterk? Het tijdstip van de malus moet naar het inzicht van onze fractie, evenals dat van de PvdA-fractie en de GPV-fractie, als ik het goed heb begrepen, zo dicht mogelijk liggen bij het moment waarop een werknemer onder de arbeidsongeschiktheidsregelingen komt te vallen. De werkgever moet bij de malus een directe relatie ervaren met de uitstoot van een werknemer naar de AAW/WAO. De constatering van de regering dat de werknemer een jaar na toetreding tot de arbeidsongeschiktheid relatief vaak terugkeert naar de oude werkgever, kan inderdaad uitvoeringstechnisch problemen opleveren. Maar ons is niet bekend dat dit relatief vaak voorkomt. De heer Leerling heeft daar ook aan gerefereerd. Wellicht kan de regering daar nog wat nadere gegevens over verstrekken. Vooralsnog acht ik het van groot belang dat de financiŽle prikkel, de malus, in directe relatie staat tot de uitstoot naar de AAW/ WAO. Wij zijn altijd voorstander geweest van premiedifferentiatie in de Ziektewet in tegenstelling tot premiedifferentiatie in de WAO. Kort verzuim is mmder lastig te bestrijden dan lang verzuim. Van premiedifferentiatie in de Ziektewet mag enig effect verwacht worden, zoals ook al in de praktijk gebleken is. Overigens moet dat effect ook weer niet overdreven worden. Er kan nu ook al gedifferentieerd worden, echter nog niet op ondernemingsniveau. In het advies van het ABP over de bonus/malus bij de overheid staat ook al, dat de financiŽle verantwoordelijkheid van de werkgever zich niet altijd vertaalt in een effectieve prikkel om de uitstroom te beperken. Daarbij doelt men op de werkgever in overheidssfeer die nu ook al een herplaatsingswachtgeld van vijf jaar voor zijn rekening moet nemen, als een ambtenaar niet herplaatst wordt. Met een gedeelte van de SER vragen wij ons af waarom de premiedifferentiatie helemaal wordt overgelaten aan de bedrijfsvereniging. Evenals de VVD-fractie lijkt het ons niet gewenst dat zo'n belangrijke doelstelling als beperking van het ziekteverzuim door het geven van financiŽle prikkels aan ondernemingen, onttrokken wordt aan de invloed van regering en parlement. Wij vragen de staatssecretaris dan ook hoe zij denkt, daarop nog invloed te kunnen uitoefenen. Wat de financiŽle betrokkenheid van werknemers betreft, is een differentiatie van de ziektewetpremie die op het loon wordt ingehouden, geen verstandig instrument. De invloed van werknemers op het verbeteren van de arbeidsomstandigheden is gering. Dat bleek ook uit het rapport "Systemen en maatregelen tot vermindering van het ziekteverzuim en de instroom in de WAO" van de Loontechnische dienst. In veel gevallen is de overlegstructuur zodanig dat de invloed van de werknemers op de verzuimpercentages beperkt blijft. De werknemers hebben tot nu toe te weinig instrumenten in handen om het ziekteverzuim dusdanig te beÔnvloeden dat zij daarop financieel kunnen worden aangesproken. Over het invoeren van het ziekteverzuimregistratiesysteem van de bedrijfsvereniging heb ik nog een vraag. De regering zegt dat een dergelijk systeem binnen vijf jaar ingevoerd moet worden. Onze fractie vindt die termijn nogal lang. Wij zullen de rapportage van de Sociale verzekeringsraad van december afwachten om te bekijken hoe dit in de praktijk verloopt. Anders overwegen wij om bij de herziening van de Organisatiewet sociale verzekeringen een amendement in te dienen dat ertoe strekt om de termijn alsnog verplichtend vast te leggen. Bedrijfsgezondheidszorg vinden wij belangrijk in verband met de preventie van arbeidsgebonden aandoeningen, bevordering van reÔntegratie in het arbeidsproces van mensen die beperkt belastbaar zijn als gevolg van ziekten en gebreken, ziekteverzuimbegeleiding en het leveren van een bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit van de arbeid. Een kwalitatief goede BGZ, interdisciplinair samengesteld en werkend vanuit een onafhankelijke positie ten opzichte van werkgevers en werknemers, kan een belangrijke bijdrage leveren aan de preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Op het gebied van bedrijfsgezondheidszorg doen zich snelle ontwikkelingen voor, onder meer door het ontstaan van op individuele bedrijven toegesneden zorgpakketten en afspraken tussen sociale partners over invoering ervan in bedrijfstakken en ondernemingen. Dit proces vindt momenteel plaats op basis van vrijwiligheid, te weten op bedrijfstakniveau in het kader van arbeidsvoorwaardenoverleg en op ondernemingsniveau in het kader van sociaal beleid in de onderneming. Dit proces als zodanig willen wij niet doorkruisen, maar eerder daarop aansluiten vanuit het belang dat het parlement hecht aan een volumebe-ieid. Bedrijfsgezondheidszorg past zowel in de opzet van de geÔntensiveerde gevalsbehandeling als in de samenhang met de aangekondigde maatregel om de financiŽle betrokkenheid van de werkgever bij het ziekteverzuim in zijn onderneming te vergroten, de zogenaamde zeswekenmaatregel. Enige aandrang lijkt ons van belang en daarom dienen wij een amendement in voor een wettelijke verplichtstelling op het gebied van de bedrijfsgezondheidszorg, vooruitlopend op de Europese regelgeving. De mogelijkheid die de heer Schutte naar voren bracht, bijvoorbeeld om in eerste instantie te volstaan met een klein basispakket en dat pakket in stappen verder en gedifferentieerd uit te breiden, staat ons daarbij voor ogen. De gemeenschappelijke verklaring volumebeleid arbeidsongeschikten ligt alweer ruim een jaar achter ons. Daarin werd duidelijk gesteld, dat het contact tussen werkgever, werknemer en bedrijfsvereniging van wezenlijk belang is om de zieke werknemer weer zo snel mogelijk zijn arbeid te laten hervatten. Het overleg tussen betrokkenenzo was helder te lezen -moet na drie maanden verzuim resulteren in het ontwikkelen van een terugkeerplan. De eerste rapportage van de Sociale verzekeringsraad over de stand van zaken laat weliswaar enige aanzetten voor het hanteren van terugkeerplannen zien, maar daarmee is voorlopig dan ook alles gezegd. Natuurlijk beseft mijn fractie, dat het intensiveren van gevalsbehandeling enige tijd vergt, maar dat tijd geld kost, is nu juist bij dit wetsvoorstel sterk van toepassing. Het rapport van de SVR laat zien, dat voorlopig slechts twee bedrijfsverenigingen begonnen zijn de werkgever in alle gevallen bij het opstellen van een terugkeerplan te betrekken. Vrijwel alle bedrijfsverenigingen volgen op dit moment nog een selectieve aanpak met betrekking tot de intensivering van de gevalsbehandeling. Een en ander acht mijn fractie weliswaar begrijpelijk uit een oogpunt van beperkte inzet van mensen en middelen, maar daarom nog niet wenselijk. In dit wetsvoorstel hadden wij een wettelijke regeling met betrekking tot het opstellen van terugkeerplannen verwacht. Uitstel van een wettelijke regeling lijkt ons niet verstandig en bovendien niet in lijn met een voortvarende volumeaanpak naar terugdringing van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Uit de nota naar aanleiding van het eindverslag begreep ik, dat de regering het wetsvoorstel Terugdringing ziekteverzuim al heeft doen toekomen aan deze Kamer, al moet ik helaas constateren, dat dit vanochtend nog niet het geval was. Toch heb ik dankzij de ambtenaren vluchtig van de inhoud kennis kunnen nemen.

Staatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Hoe kan dat? Ik heb het toegestuurd aan de SVR, aan deze Kamer en aan de Raad van State. Het kan dus nooit zijn, dat mevrouw Schimmel het alleen via mijn ambtenaren gezien heeft. Het is de Kamer gewoon toegezonden!

Mevrouw Schimmel (D66): Voor mij is deze vraag buitengewoon moeilijk te beantwoorden, want ik heb het antwoord ook niet.

De voorzitter: Ik zal het uitzoeken, maar als het de Kamer is toegestuurd en het aangekomen, is het zeker bij de commissie terechtgekomen. Ik zal het laten nagaan. Ik zie andere leden "ja" knikken; bij anderen is het dus bekend. Kijkt u uw dossier nog eens na!

Mevrouw Schimmel (D66): Goed Dat doet niets af aan het feit, dat in het wetsvoorstel ook geen wettelijke verplichting wordt opgenomen ten aanzien van het terugkeerplan. Wij zouden dat eigenlijk wel zeer willen bepleiten. Naar onze mening -wij sluiten ons daarmee aan bij een deel van de SER -moet er op dit punt een verplichting in de Ziektewet worden opgenomen, waarbij de bedrijfsvereniging erop toeziet dat werkgever en werknemer ten minste na drie maanden verzuim een verantwoord terugkeerplan opstellen en uitvoeren. Indien een en ander niet plaatsvindt, past daarbij naar onze mening een sanctie in de zin van verhaal dan wel een korting op de uitkering. Wellicht ten overvloede merk ik nog op, dat ik hierover een amendement zal indienen. Het terugkeerrecht is een inmiddels bekend begrip en bovendien een veelbesproken onderwerp. De SER heeft er in zijn advies over terugdringing van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid de nodige aandacht aan besteed. De adviesaanvrage van het kabinet aan de SER over de Ziektewet en de WAO sprak al over de mogelijkheid van herplaatsingsbevordering van gehandicapten en arbeidsongeschikte werknemers. Daarbij werd de vraag gesteld of een herplaatsingsregeling wenselijk zou zijn die de termijn van het huidige ontslagverbod overschrijdt. Mijn fractie voelt veel voor het invoeren van een terugkeerrecht. De werknemer zou tot twee jaar na het beŽindigen van de dienstbetrekking een recht op terugkeer bij zijn oude werkgever moeten hebben. De gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer krijgt op die manier een soort extra werkgelegenheidsgarantie wanneer sprake is van nieuwe tewerksteilingsmogelijkheden bij zijn vroegere werkgever. Mijn fractie blijft vasthouden aan dit helaas door het kabinet in de ijskast gestopte reÔntegratie-instrument. Wij betreuren dan ook dat een en ander niet wettelijk wordt geregeld bij het wetsvoorstel Terugdringing ziekteverzuim. Daarom zullen wij bij dit wetsvoorstel een amendement indienen. Wat de loonkostensubsidie betreft zou je je kunnen afvragen wat nog het nut is van het nemen van maatregelen waarbij de GMD een rol rnoet spelen nu de ontwikkelingen in de uitvoeringsorganisatie zo verlopen als ze verlopen. Dan gaat het ook niet alleen over de loonkostensubsidie, maar ook over die verplichte zesdemaandsmelding. Kan de staatssecretaris mij uitleggen hoe ik mij die combinatie moet voorstellen van de maatregelen die worden voorgesteld en tegelijkertijd de "fusie" van de GMD en het GAK? Evenals de heer Leerling vraag ik mij af of de effectiviteit van de loonkostensubsidie wel groot zal zijn. Ook de WRR heeft daar zijn vraagtekens bij gezet. Ook in dit voorstel wordt de zaak weer tamelijk ingewikkeld. De werkgever kan een bonus krijgen bij het in dienst nemen van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte, maar dan kan hij geen loonkostensubsidie meer krijgen. Wat betekent dat voor de instrumenten die nu tegelijkertijd worden ingezet? Kan de werkgever kiezen? Welke waarde moet aan beide instrumenten worden toegekend? Lopen wij dan niet het gevaar met een woud van allerlei stimuleringsmaatregelen en arbeidsinstrumenten een situatie te creŽren die op papier fraai en daadkrachtig oogt, maar in de praktijk misschien niet zo effectief zal zijn? Wij waarderen het voorstel van het kabinet om de herintreding van gedeeltelijk arbeidsongeschikten op de arbeidsmarkt te bevorderen via de ophoging van het wettelijk ziekengeld. Wij delen de opvatting van het kabinet dat daarmee voor de werkgever een financieel risico wordt weggenomen. De door het kabinet ingezette lijn beperkt zich helaas tot degenen die een beroep doen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en derhalve tot hen die reeds langer dan een jaar arbeidsongeschikt zijn. Naar onze mening zou het wegnemen van financiŽle drempels bij werkgevers ten behoeve van herintreding van langdurig zieken, langer dan drie maanden, evenzo belangrijk geacht moeten worden. Een en ander betekent concreet dat ik de regering verzoek om de regeling uit te breiden tot werkhervatting in ander passend werk al dan niet op basis van een nieuwe arbeidsovereenkomst bij de eigen werkgever. Op die manier kan de werknemer die bijvoorbeeld in het kader van een terugkeerplan in een andere functie het werk bij zijn werkgever heeft hervat, bij hernieuw-de uitval eveneens recht krijgen op een verhoogde ziekengelduitkering. Op die mamer kan een extra stimulans voor de werkgever worden gecreŽerd om ook aan langdurig zieken een andere passende functie aan te bieden. In combinatie met het zojuist door mij voorgestelde wettelijke terugkeerplan kan een en ander een wezenlijke bijdrage leveren aan een zo intensief mogelijk volumebeleid. Op het puntvan de verhoging van het ziekengeld zal ik dan ook een amendement indienen. De fractie van D66 heeft het betreurd en betreurt het nog steeds dat de quotumverplichting van de WAGW niet in werking is getreden, toen uit de evaluatie bleek dat op basis van vrijwilligheid niet eens de 3% werd behaald. Wij hebben het niet alleen betreurd, wij hebben ook gemerkt dat afspraken die hierover in de Tweede Kamer in samenspraak met de regering zijn gemaakt, niet zijn nagekomen. Zo heeft het CDA destijds bij de behandeling van de WAGW gezegd dat als op basis van vrijwilligheid de 3% niet zou worden gehaald, de quotumverplichting in werking zou worden gezet en dat er niet gekeken zou worden naar intenties die er dan op dat gebied zouden heersen, maar naar feitelijke realisaties. De stok van de quotumverplichting wordt in de memorie van toelichting weer heel zachtjes achter de deur gezet. Wij vinden eerlijk gezegd dat het te zachtjes gaat en dat er alle reden is om de quotumverplichting weer in te voeren. De regering noemt twee redenen waarom eventueel opnieuw bekeken zal worden of de quotumverplichting weer moet worden ingevoerd. De eerste reden is als er geen ander middel meer beschikbaar zou zijn. Dat was naar mijn idee noch de inzet van de Tweede Kamer, noch de inzet van de regering toen de WAGW werd ingevoerd. De tweede reden zou zijn als de werkloosheid onder gedeeltelijk arbeidsongeschikten te groot zou gaan worden. En die werkloosheid dreigt, de regering geeft het zelf aan. De maatregelen in de sfeer van de AAW en WAO zullen een extra beroep op werkloosheidsregelingen te zien geven, een beroep van 30.000. Het lijkt mij dat er alle reden is een werkgelegenheidsbeleid voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten te gaan voeren en de quotumverplichting weer in werking te stellen. De staatssecretaris heeft gezegd dat zij een technisch advies zal vragen aan de SVR over de quotumverplichting. Wat is de uitkomst van dat technisch advies eigenlijk geworden? Zijn er al bedrijfstakken genoemd waarvoor overwogen wordt, een quotumverplichting in te stellen? De registratieverplichting, zoals nu wordt voorgesteld, is naar onze smaak te vrijblijvend. Ook als aan die registratieverplichting geen informatieverplichting is gekoppeld, vraag ik mij echt af wat wordt toegevoegd aan de huidige situatie. Volgens de regering zijn bedrijfsverenigingen toch al op de hoogte van het bestand van arbeidsongeschikten die in dienst zijn. Ik verwijs naar pagina 47 van de memorie van antwoord. Wij voelen het meest voor een openbaar jaaroverzicht, vergelijkbaar met hetgeen wordt voorgesteld voor de minderheden in de Wet bevordering arbeidskansen. Wat de overige maatregelen betreft zijn wij tevreden. Het gaat dan om de verbeterde toepassing van artikel 30 van de Ziektewet en de invoering van het instrument analoog aan artikel 30 van de Ziektewet in de WAO en de AAW, om het uitstel van de schatting bij scholing, om de herziening naar een hoger dagloon of een hogere grondslag en om een ruimere toepassing van artikel 33 van de AAW en artikel 44 van de WAO.

©

De heer Janmaat (Centrumdemocraten). Mijnheer de voorzitter! De terugdringing van de arbeidsongeschiktheid in WAO en Ziektewet is een meer dan noodzakelijke zaak. De zware lasten die het gevolg zijn van het grote volume van deze sociale wetgeving zijn bijna niet meer te dragen voor de Nederlandse werknemers en werkgevers, die uiteindelijk de lasten van de premies moeten opbrengen. Het is dus meer dan noodzakelijk. De Centrumdemocraten juichen de maatregelen om diverse redenen toe.

Er is allereerst een politieke reden Door het verlagen van de uitkering wordt niet alleen het niveau van inkomen verdiend uit werk hoger en het niveau van inkomen uit sociale uitkeringen lager. Dan ontstaat er dus een groter financieel verschil. Er is echter een politiek argument om te blijven hameren op het handhaven van de hoogte van de uitkeringen, wetend dat het op den duur toch niet meer te dragen is. Daarom zullen de linkse politieke partijen wat meer aangezet worden tot een reŽel politiek beleid. Dat geeft wat spanning in hun achterban, maar dat kan geen kwaad. Die achterban wordt met de neus op de feiten gedrukt en ziet in hoe de politieke mogelijkheden in werkelijkheid liggen. Die liggen heel anders dan de campagneverhaaltjes in de verkiezingen! Mijnheer de voorzitter! Er moet dus een zekere lust zijn in het verrichten van arbeid. Daarbij valt natuurlijk niet te ontkennen dat werkgevers een zekere bijdrage kunnen leveren. Maar werk moet uiteindelijk altijd verricht worden. Dat heeft soms negatieve kanten. Het is natuurlijk zeer eenvoudig, zeker als het niet gepaard gaat met het verlies van inkomen, om je in de Ziektewet of zelfs de WAO te laten zetten. Het is allereerst een goede stap om een zeker risico voor de werknemer mee te nemen: als men uit het arbeidsproces treedt, geniet men ook minder inkomen. Dan blijft er in ieder geval een financiŽle prikkel over om de ziekte of de arbeidsongeschiktheid zo snel mogelijk te beŽindigen. Wat dat betreft zijn de hoogte en de duur van de uitkering ter discussie gesteld en nu uitemdelijk in regeringsbeleid omgezet. Daar staat de fractie van de Centrumdemocraten positief tegenover. Er worden grote aantallen mensen in de WAO gezet. Dat is juist. Er is een oneigenlijk gebruik geweest, niet alleen door de mensen die in de WAO zitten maar ook door degenen die deze mensen daarin hebben geprezen. De medische staven hebben dat veel te makkelijk gedaan. Die zullen tot herkeuring moeten overgaan. Ik heb in dit verband een vraag aan de staatssecretaris. De medische diensten komen onder druk te staan. Nu hoef je niet altijd gelijk de schuld bij de minderheden te leggen. Eťn geval is echter wel erg bekend geworden. Toen wees een arts iemand van de minderheden gelijk aan om toch maar weer te gaan werken. Vervolgens ondernam deze persoon activiteiten, waardoor de arts onmiddellijk aan zijn levenseinde kwam. De medische diensten komen bij de herkeuring onder druk te staan. Er kan zeker sprake zijn van toenemende agressiviteit. Aan welke maatregelen denkt de regering om die artsen in ieder geval dusdanig te beschermen dat zij tot een, voor zover mogelijk, objectief medisch oordeel inzake de psychische of fysieke toestand van de werknemer in de WAO kunnen komen? Er moet toch een algemeen geldend principe worden aangewezen voor het al dan niet geschikt zijn tot werken. De reÔntegratie door middel van wijziging van de passende arbeid zal aanleiding zijn tot grotere spanningen op de arbeidsmarkt. Die grotere spanning zal zeker komen. Er komt natuurlijk een groter aantal werklozen, maar juist daarvoor is de WAO ook misbruikt. Mensen zijn te eenvoudig in de WAO gezet, omdat daarmee niet alleen het werkloosheidscijfer werd gedrukt, maar bovendien ondernemers misschien wel gemakkelijk van lastige werknemers afkwamen. De kwaliteit van de werknemer is in veel gevallen mogelijkerwijze de reden geweest voor een werkgever om hem of haar maar in de WAO te zetten. Wat dat betreft, zou een verbetering van de arbeidsmentaliteit worden bevorderd door een grotere financiŽle afstand tussen wel en niet werken. In de bonus/malus, een financiŽle prikkel voor de werkgever, ziet de CD niet veel positieve aspecten. Bij een wijziging van de arbeidsmentaliteit zou dat minder kwalijke kanten kunnen hebben dan het nu lijkt, maar vooral de kleinere ondernemers zitten toch met grote angst tegen die zogenaamde financiŽle prikkels aan te kijken, want in veel gevallen hebben die kleine ondernemers nauwelijks een positieve of negatieve bijdrage te leveren in het schuiven naar de WAO. Daar doen zij weinig aan, zeker als het psychische factoren betreft. Mijnheer de voorzitter! Er zijn nogal wat vraagtekens, hoewel de CD in zijn totaliteit het wetsvoorstel positief wil benaderen. Het zal van de beantwoording van de staatssecretaris afhangen of wij in totaliteit de CD-stem daaraan kunnen geven.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter: De staatssecretaris zal woensdag antwoorden.

De vergadering wordt van 20.48 uur tot 20.53 uur geschorst.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.