Voorlopig verslag van de vaste commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid - Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 377

22163

Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar ' Samenstelling: Bot-van Gijzen (CDA), Van der Meulen (CDA), voorzitter, Rongen (CDA), Jaarsma-Buijserd (PvdA), Van de Zandschulp (PvdA), Gelderblom-Lankhout (D66), Soeten-horst-de Savornin Lohman (D66), Heijmans (VVD), Van Leeuwen-Schut (VVD), mw. Bolding (Groen Links), Barendregt (SGP), Schuurman (RPF) en Veling (GPV).

VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Vastgesteld 8 september 1992

Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

De leden van de CDA-fractie stonden positief t.o.v. een geïntegreerd scholings-, inkomens-en arbeidsmarktbeleid om de werkloosheid onder jongvolwassenen bij de bron te bestrijden. Vanuit die optiek stonden zij positief t.o.v. de voorgestelde wijzigingen in de systematiek van de jongerenuitkeringen, waarvoor wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers noodzakelijk is. Tegelijkertijd constateerden zij dat: -deze wijzigingen geen bijdrage leveren aan de tevens gewenste vereenvoudiging en doorzichtigheid van de regelgeving; -er van integratie tussen ABW en WSF door het hanteren van een verschillende grondslag slechts gebrekkig sprake is; -het loslaten van de echtparennorm voor bepaalde groepen jongeren tot 27 jaar, leidt tot het hanteren van verschillende uitgangspunten binnen de ABW ter bepaling van de hoogte van de uitkeringen, met als effect het ontstaan van onderscheid tussen echtparen jonger dan 21 jaar, binnen bepaalde categorieën echtparen in de leeftijd van 21-27 jaar en andere echtparen.

Zij vroegen zich af of: -het om de gewenste vereenvoudiging en doorzichtigheid van regelgeving en de gewenste werkloosheidsbestrijding te bereiken wenselijk is te komen tot één wettelijk regime voor jongeren waarbinnen een geïntegreerd scholings-, inkomens-en arbeidsmarktbeleid op meer eenvoudige en doeltreffende wijze kan worden gerealiseerd; -het loslaten van de echtparennorm voor bepaalde categorieën jongeren betekent dat een eerste stap gezet wordt op weg naar wetgeving waarbij de alleenstaande tot norm voor het uitkeringsregime wordt verheven; -welk bedrag de partners van een echtpaar jonger dan 21 jaar ontvangen, wanneer zij als echtpaar niet in aanmerking komen voor de 21423 6FISSN0921 • 7363 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1992

uitwonendennorm, maar niettemin op een eigen adres wonen en wilden daarover graag de opvatting van de staatssecretaris.

De leden van de PvdA-fractie hadden met gemengde gevoelens kennis genomen van de inhoud van wetsontwerp 22163. Hoewel een lagere «schoolverlatersuitkering» gedurende een half jaar in de ABW wellicht niet onoverkomenlijk is, tilden zij nogal zwaar aan de toenemende complexiteit en afnemende innerlijke consistentie van de ABW. Nog niet zo lang geleden was de Bijstandswet een begrijpelijke en toegankelijke wet waarbij het begrip «algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan» op een heldere wijze afgeleid was van het wettelijk minimumloon. Naar hun wijze van zien was de invoering van de woningdelerskorting een eerste aanslag op dit heldere karakter van de Bijstandswet en is dit wetsvoorstel een tweede aanslag erop De lagere schoolverlatersnorm, gebaseerd op het bestedingsniveau dat studerenden gewend zijn, is een enigszins subjectieve inbreuk op het begrip «algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan», terwijl een «doorvertaling» van de schoolverlatersnorm naar gehuwden leidt tot een inbreuk op het principe dat het normbedrag voor echtparen overeenkomt met het netto minimumloon. Het aantal normbedragen in de ABW neemt toe en het aantal uiteenlopende regelingen van vrijlating van inkomen uit arbeid wordt thans zo groot dat het aan niemand meer uit te leggen valt. De aan het woord zijnde leden vreesden dat de kans op fouten in de uitvoeringspraktijk hiermee toeneemt en de kans op correctie van die fouten door of vanwege belanghebben afneemt. Zij achtten het de vraag of dergelijke risico's en nadelen wel opwegen tegen het geraamde besparingsbedrag, waarvan de omvang afneemt met de teruggang van de jeugdwerkloosheid en de uitbreiding van de JWG. De leden van de PvdA-fractie konden de ratio van de afschaffing of beperking van de «uitwonendennorm» voor 18-21 jarige werklozen nauwelijks begrijpen. Immers voor werkloze schoolverlaters van 18-21 jaar geldt thans reeds een wachttijd van 2 kalenderkwartalen voor de RWW en na een «zoekperiode» van 6 maanden (in uitzonderingsgevallen te verlengen tot 12 maanden) vallen werkloze jongeren tot 21 jaar onder het bereik van de JWG, zodat van een beroep op de RWW niet of nauwelijks sprake zal zijn. Waarom wordt juist op dit onderdeel de regelgeving overhoop gehaald, terwijl dit na invoering van de JWG de facto nagenoeg geheel overbodig is, zo vroegen zij zich af.

Overheerst hier een ideologische preoccupatie (jongeren tot 21 jaar horen thuis te wonen) of een letterknechterij aan een compromistekst uit het Regeerakkoord of slaat hier de twijfel omtrent het welslagen van de «sluitende aanpak» van JWG toe?

De aan het woord zijnde leden hadden op zichzelf geen onoverkomelijke bezwaren tegen de introductie van een wachttijd van 6 maanden (te overbruggen via een lagere schoolverlatersuitkering) voor 21-27 jarige schoolverlaters, alvorens de «normale» RWW-uitkering verstrekt kan worden. Wel vonden zij (een deel van de) redengeving nogal geforceerd: de eerste periode na beëindiging van de studie ligt geheel in het verlengde van de studie, een werkzoekperiode van 6 maanden is normaal en eerst na 6 maanden is er sprake van «normale» werkloosheid. Zij hadden de indruk dat een zoekperiode van 6 maanden enigszins op gespannen voet staat met het thans zo dominante leerstuk van vergroting van de arbeidsparticipatie.

Omdat de voorgestelde regelgeving nogal complex is, wilden de aan het woord zijnde leden op enkele onderdelen verifiëren of zij die onderdelen goed begrepen hadden.

Zij hadden de indruk dat de huidige wachtperiode voor de RWW voor 18-21 jarige schoolverlaters enigszins gewijzigd wordt, hoewel zulks niet in de stukken expliciet vermeld of beargumenteerd wordt. De huidige wachtperiode voor genoemde groep is tenminste 2 volle kalenderkwartalen (hetgeen bij «schoolverlating» in de loop van een kalenderkwartaal meer dan 6 maanden is). De huidige interpretatie van de wachtperiode is immers dat het onderwijs wordt geacht te zijn beëindigd op de laatste dag van het kwartaal waarin het onderwijs is beëindigd. De nieuw voorgestelde tekst van het BLN (zij baseerden zich op de tekst van het ontwerp-besluit d.d. 7 februari 1991) laat de wachttijd ingaan op de eerste dag van de maand waarin geen aanspraak meer bestaat op WSF18 + , onderscheidenlijk de eerste dag van de maand volgend op die waarin het onderwijs feitelijk is beëindigd (art. 1a). De leden van de PvdA-fractie vonden de nieuw voorgestelde tekst een verbetering. In dit verband wezen zij op de volgende passage uit De Grote Almanak voor Advies en Informatie, julidecember 1992 (uitg. NIZW): «Let op! Schoolverlaters van 18 tot 21 jaar die na 1 juli hun studie voortijdig (d.w.z. zonder hun school of opleiding afgemaakt te hebben) beëindigen, lopen het recht op kinderbijslag voor het derde kwartaal mis. Peildatum voor de kinderbijslag is namelijk 1 juli. Wie bijvoorbeeld op 15 juli de studie beëindigt, krijgt voor de maand juli nog WSF18 + . Voor de maanden augustus en september krijgt men geen WSF18 + en bestaat er ook geen recht op kinderbijslag omdat men op 1 juli niet aan de voorwaarden voldeed. Doet men na 1 juli eindexamen VWO of HBO, dan bestaat er wél recht op kinderbijslag voor het derde kwartaal. De «automatische» einddatum is in die gevallen gesteld op 30 juni» Wordt hier een lacune in de bestaande regelgeving gesignaleerd en wordt deze lacune opgeheven in de nieuw voorgestelde tekst van het BLN? Voorts vroegen deze leden zich af in hoeverre de huidige wachttijd voor de RWW (voor 18-21 jarige schoolverlaters) ook functioneert voor 1-oudergezinnen en (al dan niet gehuwd) samenwonenden? Prevaleert hier de status van 1-oudergezin, resp. gehuwden boven de ouderlijke onderhoudsplicht tot 21 jaar of gelden hier de strikte beperkingen van de «erkende» wegloopsituaties?

De doorwerking van de beperking van de uitwonendennorm (18-21 jr.) en de introductie van de schoolverlatersnorm (21-27 jr.) naar gehuwden is nogal gecompliceerd. Bij lezing van de stukken hadden zij soms het gevoel dat zij de nieuwe systematiek begrepen hadden, maar sloeg later toch weer de twijfel toe. Daarom legden zij het voorlopig resultaat van hun bevindingen ter verificatie aan de staatssecretaris voor. Als zij het goed begrepen hebben wordt voorgesteld de normbedragen voor echtparen (21-27 jr., schoolverlatend) als volgt vast te stellen: a. beiden schoolverlater, geen van beiden thuisinwonend: 2x uitwonendennorm a839 = 1678 b. beiden schoolverlater, inwonend bij de ouder(s) van één van hen: 1x thuiswonendennorm (467) + 1x uitwonendennorm (839) = 1306 c. één schoolverlater, één niet-schoolverlater, niet inwonend bij de ouders van één van hen: 1x uitwonendennorm (839) + 1x halve «gewone» echtparennorm (897) = 1706 d. één schoolverlater, één niet-schoolverlater, inwonend bij de ouders van één van hen: 1x thuiswonendennorm (467) + 1x halve «gewone» echtparennorm (897) = 1334. (Alle bedragen d.d. 1 januari 1991, inclusief vakantietoeslag).

De memorie van toelichting bevat onder punt 4.2 (blz. 11 en 12) een ingewikkelde redeneertrant om de echtparennormbedragen vast te stellen voor werkloze jongeren van 18-21 jaar, dit keer niet geïllustreerd met rekenvoorbeelden. Hebben zij het goed begrepen dat toepassing van deze redeneertrant steeds tot dezelfde uitkomsten leidt als de vaststelling van de verschillende echtparennormen als bij schoolverlaters van 21-27 jaar, zij het dat de uitwonendennorm nog getoetst moet worden aan de criteria van toegestane uitwoning (en dat niet meer dan 1x de thuiswonendennorm toegepast zal worden)?

Naast hiervoor genoemde 4 echtparennormen waren zij nog een vijfde echtparennorm tegengekomen, nl. het woningdelend echtpaar a raison van f 1505,16 en waren zij gestoten op de volgende voor hen duistere passage: «Als beide echtgenoten bijvoorbeeld 23 jr. zijn en één van hen is schoolverlater, wordt de uitkering derhalve gesteld op f801,99 plus f 805,69 is f 1 607,68» (Nota van toelichting Ontwerpbesluit wijziging BLN, blz. 15). Kan deze laatste berekening worden toegelicht?

De normen voor de schoolverlatersuitkering zijn ontleend aan de normbedragen van de kosten van levensonderhoud van WSF18 + . Voor zover hen bekend is, kent de WSF18+ in het geheel geen woningdelerskorting. In de Nota van toelichting Ontwerpbesluit wijziging BLN waren zij gestoten op een woningdelend schoolverlatend 1-oudergezin (a 1337,30) en een woningdelend schoolverlatend echtpaar a 1505,16 (Blijkens de toelichting horen beide echtgenoten tot dezelfde categorie, dus i.c. de schoolverlaterscategorie. Wordt het normbedrag anders vastgesteld als slechts één van beiden schoolverlater is?)

Waar WSF18+ geen woningdelerskorting kent, vroegen deze leden naar de innerlijke consistentie van deze cumulatie van «schoolverlaterskorting» met woningdelerskorting.

Tenslotte vroegen de leden van de FvdA om een volledige opsomming van alle verschillende normbedragen (per maand) voor periodieke bijstand (met bijbehorende categorieën gerechtigden) zoals die zullen voorkomen na invoering van wetsvoorstel 22163.

De leden van de fractie van D66 stelden vast dat het voorliggende voorstel voortkomt uit afspraken neergelegd in het regeerakkoord. Zij stelden vast dat deze voorstellen duidelijk de bedoeling hebben jongeren aan te zetten een inkomen uit arbeid te zoeken en banen, ook minder aangename, te aanvaarden. Voorzover deze maatregel sluitend samenhangt met een aanpak zoals neergelegd in de Jeugdgarantiewet, waarbij via een banenpool een baan wordt gegarandeerd, konden zij zich met het wetsvoorstel verenigen.

Vastgesteld moet worden dat na lezing van de toelichting de indruk niet kan worden weggenomen dat dit wetsvoorstel opnieuw een ingewikkelde regeling toevoegt aan de toch al ingewikkelde sociale wetgeving. De aan het woord zijnde leden stelden zich daarom met enige reserve tegenover dit wetsvoorstel op. Ook het feit dat de mogelijkheid vanaf het 18e jaar zelfstandig te wonen na het aannemen van dit voorstel voor diegene die geen studie meer volgen en zelfstandig nog geen baan hebben weten te verwerven, financieel nagenoeg onmogelijk is geworden, gaf aanleiding tot gemengde gevoelens.

Zij hadden de volgende vragen:

Terminologie Er worden in de toelichting diverse termen gehanteerd. De ABW beoogt nadrukkelijk een «welvaartsminimum te garanderen». (pag. 7). De ABW beoogt te voorzien in de «algemeen noodzakelijke kosten van bestaan» (pag. 6). Daarnaast worden gebruikt de begrippen «budget voor en kosten van levensonderhoud» en «norm toereikend voor de bestaansvoorziening» (pag. 8): a. Zijn deze termen allen identiek en derhalve onderling uitwisselbaar? b. Indien deze begrippen niet identiek zijn, wat is het verschil?

Eenoudergezin Het normbedrag voor èénoudergezinnen wordt afgeleid van de normbedragen voor alleenstaande schoolverlaters: a. Is het juist dat het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor een kind in de nieuwe regeling is gebaseerd op 80% van de uitwonendennorm van een uitwonende alleenstaande van 18 jaar? b. Gaarne uitleg waarom voor 80% wordt gekozen (volgens rekenmachine van de aan het woord zijnde leden is 80% overigens f 671,43)? c. Geldt dit bedrag voor de totale groep schoolverlaters eenoudergezinnen? (van 18 t/m 26 jaar)? d. Is in dit bedrag de kinderbijslag verrekend?

Definitie van baan

Indien de leden van de fractie van D66 de toelichting goed begrepen hebben betreft het voorgestelde wetsvoorstel een uitkering wanneer degenen van 18 t/m 26 jaar een opleiding verlaten danwel hebben afgerond. Gaarne uitleg hoe de situatie is wanneer de NWW dan wel de voorgestelde wetgeving van toepassing is: a. bij beroepsopleiding scholing gecombmeerd met werk in de verpleging, horeca, bouw; b. na een baan uit de banenpool; c. na niet verlenging dienstbetrekking proefperiode; d. na afloop arbeidscontract van resp. 6 maanden, 9 maanden, 1 jaar.

Ook deze leden vroegen of een totaaltabel kan worden gegeven over hoe de situatie er per 1 januari 1993 zal uitzien.

Samenhang met jeugdwerkgarantieplan Pas in 1998 is voor de gehele leeftijdsgroep tot 27 jaar sprake van een sluitend geïntegreerd beleid. Het amendement om het voorliggende wetsvoorstel cohortsgewijze in te voeren is niet overgenomen. Welke andere mogelijkheden ziet de staatssecretaris om de invoering van de schoolverlatersnormen in de ABW voor de oudere leeftijdsgroep parallel te laten lopen met de doelgroep van de Jeugdgarantiewet? Zijn mogelijkheden daartoe (ook zonder verplichting) met het CBA besproken?

Schulden Hoe moeten schulden, aangegaan in de vorm van studieleningen, worden afgelost, indien afgestudeerden na beëindiging van de studie geen baan kunnen vinden? Het voorgestelde budget laat geen rentebetaling, laat staan aflossing, toe. Behoort het tot de mogelijkheden van gemeenten om dit op individuele basis te regelen?

De voorzitter van de commissie, Van der Meulen De griffier van de commissie, Dijkstra-Liesveld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.