Inhoudsopgave

Tekst

Nr.39c

22012

Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en van een aantal sociale zekerheidswetten, houdende vaststelling van een stelsel van koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de loonontwikkeling met de mogelijkheid tot afwijking NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 30 oktober 1991

De leden van de PvdA-fractie stelden enkele vragen over verschillen in de cijfers van GMD en SVR over het aantal arbeidsongeschikten. De leden van de PvdA-fractie constateerden terecht dat het verschil tussen GMD-en SVR-cijfers bijna 60 000 is, terwijl het aantal arbeidsongeschikten in de ambtenarensector volgens de SVR thans 93 900 bedraagt. Om die reden zijn de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan ex-ambtenaren in de memorie van antwoord dan ook niet als enige oorzaak genoemd voor het bestaan van verschillen tussen GMD-en SVR-cijferopstellingen. De vraag van deze leden met betrekking tot de definitie van het begrip «nuluitkeringen» werd door hen zelf reeds van het juiste antwoord voorzien. In zijn algemeenheid is sprake van een nuluitkering indien de betrokkene andere inkomsten heeft welke tenminste gelijk zijn aan de uitkering maar waarbij herziening naar een lager percentage (nog) niet aan de orde is. Vanwege anticumulatie komt de uitkering dan niet tot uitbetaling. Ten aanzien van het volume is niet het aantal lopende uitkeringen op een bepaalde peildatum de relevante grootheid in het verhoudingscijfer inactieven/actieven, maar gaat het om het aantal herleide uitkeringsdagen. Aangezien de uitkeringsdag is gedefinieerd als een dag waarover een uitkeringsgerechtigde uitkering ontvangt worden de nuluitkeringen hierbij buiten beschouwing gelaten. In dit opzicht kan derhalve niet van bestandsvervuiling worden gesproken.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar een nadere toelichting inzake het verschil tussen het aantal volwassen minimumloners en het bereik van de Wet Loonkostenreductie op minimumloonniveau (WLOM).

In de WLOM zijn een aantal criteria opgenomen waaraan moet worden voldaan om voor WLOM in aanmerking te komen. Eén van de criteria betreft de beloning op het wettelijk minimumloonniveau (WML). Daarnaast moet een werknemer het gehele kwartaal bij de werkgever in dienst zijn geweest, moet er sprake zijn van een dienstbetrekking, mag het loon in het refertekwartaal (het eerste kwartaal van 1990) niet hoger zijn geweest dan het WML en moet de werknemer uit hoofde van zijn 11517 0FISSN0921736 3Sdu Uitgeverij Plantijnslraat '

s Gravenhage 1991

dienstbetrekking recht hebben op een loon gelijk aan het WML. CBS-gegevens geven aan dat er in oktober 1989 sprake is geweest van zo'n 88 000 volwassen werknemers die op het minimumloonniveau werden beloond. Wanneer de hierboven genoemde factoren worden verdisconteerd blijkt het potentieel aantal werknemers waarvoor WLOM kan worden aangevraagd lager te liggen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat bijna de helft van het aantal volwassen minimumloners conform (algemeen verbindend verklaarde) CAO-bepalingen recht blijkt te hebben op een loon dat hoger ligt dan het WML. Ook kan voor werknemers in WSW-verband die op WML-niveau worden beloond geen WLOM worden aangevraagd. Dit geldt tevens voor werknemers op WML-niveau die via de Kaderregeling Arbeidsinpassing (KRA) zijn geplaatst.

De leden van de fractie van D66 vroegen of de regering nog eens duidelijk wilde uiteenzetten wat de noodzaak is voor de Eerste Kamer om nu de WKA aan te nemen.

In het regeerakkoord van 1989 hebben de regering en het parlement aangegeven hoe het meest wenselijke stelsel voor de aanpassing van minimumloon en uitkeringen eruit ziet. Deze beschrijving bevat belangrijke elementen uit het standpunt van kroonleden en het werknemerslid benoemd door de MHP uit het SER-advies uit 1988. Op basis van het regeerakkoord hebben de regering en de Tweede Kamer het wetsvoorstel Koppeling met afwijkingsmogelijkheid (WKA) bij de Eerste Kamer aanhangig gemaakt. Het is consequent om dan ook te streven naar een zo spoedig mogelijke aanpassing van minimumloon en uitkeringen op basis van de WKA. Om op 1 januari een aanpassing op grond van de crïteria in de WKA mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat de Eerste Kamer nu de WKA aanneemt.

De leden van de D66-fractie vroegen ook waarom dit jaar geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om de WAM buiten werking te stellen. De Wet Aanpassingsmechanismen kan alleen buiten werking gesteld worden door een ad hoc wet, in de wet zelf zijn geen afwijkingsmogelijkheden geregeld. De regering heeft in 1991 geen ad hoc wet ingediend omdat daar geen redenen voor aanwezig waren. Zo bedraagt het verhoudingsgetal inactievenactieven in 1991 0,855. Dit is gelijk aan het niveau van 1990 en lager dan de norm van 0,86 in de WKA. Ook buiten het verhoudingsgetal van de WKA heeft de regering geen aanleiding gezien in 1991 de WAM buiten werking te stellen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, B. de Vries De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.