Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 39

22012

Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en van een aantal sociale zekerheidswetten, houdende vaststelling van een stelsel van koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de loonontwikkeling met de mogelijkheid tot afwijking 1 Samenstelling: Bot-van Gijzen (CDA), Van der Meulen (CDA) (voorzitter), Rongen (CDA), Jaarsma-Buijserd (PvdA), Van de Zandschulp (PvdA), Gelderblom-Lankhout (D66), Soeten-horst-de Savornin Lohman (D66), Heijmans (VVD), Van Leeuwen-Schut (VVD). mw Bolding (Groen Links). Barendregt (SGP), Schuurman (RPF), Veling (GPV).

VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Vastgesteld 15 oktober 1991

Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

De leden van de CDA-fractie onderschreven de constatering dat de betekenis van het wetsvoorstel van verstrekkende aard is. Het voorstel beoogt immers volgens de beleidsdoelstellingen van het Kabinet een structurele balans aan te brengen tussen een tweetal algemene uitgangspunten n.l. enerzijds het ten goede laten komen van de algemene welvaartsontwikkeling aan degenen van de werkenden die op het minimumloon zijn aangewezen, maar ook aan degenen die niet werken, zoals de postactieven en de overige inactieven; anderzijds wil het voorstel de vermindering van de inactiviteit niet in de weg staan, hetgeen het geval zou kunnen zijn wanneer de economische situatie zodanig zou zijn dat toepassing van de koppeling tot meer inactiviteit zou leiden. Aldus legt het Kabinet zichzelf de rol op van een koorddanser op het koord tussen inkomensbeleid en werkgelegenheidsbeleid De functie en betekenis van het minimumloon voor het loongebouw en voor de «onderkant» van de arbeidsmarkt heeft de laatste jaren indringend aandacht gekregen. Zo constateert de WRR in het rapport «Een werkend perspectief» dat de hoge gemiddelde loonkosten in Nederland -vergeleken met andere EEG-landen -alsook de betrekkelijk geringe spreiding in de loonkosten, samenhangen met het feit dat het minimumloon en het hieraan gekoppelde sociaal minimum hoger is dan in de ons omringende landen. Hierdoor -zo stelt het rapport -zijn de mogelijkheden van loonkostendifferentiatie aan de onderkant van het loongebouw beperkt. En dit vormt een belemmering voor een hogere arbeidsparticipatie met name in de sectoren met de beste vooruitzichten op werkgelegenheidsgroei, maar ook met een relatief grote loongevoeligheid en met behoefte aan loondifferentiatie. Hierbij gaat het om sectoren als: detailhandel, zakelijke dienstverlening, horeca, de quartaire diensten waaronder gezondheidszorg.

11481 9FISSN 0921736 3Sdu Uitgevenj Plantijnstraat '

s Gravenhage 1991

Delen de bewindslieden deze analyse van de WRR en zo ja, op welke wijze is deze analyse meegewogen in überhaupt de keuze voor een koppeling van het minimumloon en de sociale uitkeringen aan de contractlonen, respectievelijk voor een hoofdregel van koppeling met afwijkingsmogelijkheden. Bij de invoering is het wettelijk minimumloon qua hoogte geijkt op de minimumbehoefte van een kostwinnergezin, bestaande uit de kostwinner, de gezinverzorgende echtgenote en twee thuiswonende minderjarige kinderen. Dit traditionele beeld is achterhaald: van alle werknemers voldoet nog slechts 0,4 % aan dit beeld. De Memorie van Toelichting stelt dat van de vier miljoen minimumloners en uitkeringsgerechtigden 0,8 miljoen huishoudens aangewezen zijn op slechts één enkele inkomensbron op minimumniveau. De andere dus niet.

Hebben de bewindslieden in de afwegingen, zoals in de eerste vraag bedoeld, deze getalsverhoudingen in de inkomensvorming en de mogelijke impact daarvan op het bepalen van de balans tussen een rechtvaardig inkomensbeleid en de noodzaak tot verhoging van de arbeidsparticipatie in de desbetreffende eerder genoemde sectoren, meegewogen? Zou naar de mening van de bewindslieden, in het licht van deze aspecten, bij nadere afweging de balans ook hebben kunnen doorslaan naar de hoofdregel: het primaat van de uitlokking van een hogere arbeidsparticipatie in de desbetreffende sectoren door niet (semi-automatisch) te koppelen aan de contractlonen; met als gevolg een zelfstandig, beleidsmatig vastgesteld, inkomensbeleid voor het minimumloon respectievelijk voor de sociale uitkeringen?

Volgens het wetsvoorstel worden het minimumloon en de sociale uitkeringen jaarlijks per 1 januari en per 1 juli in beginsel gekoppeld aan de gemiddelde contractloonontwikkeling. De tabel op pagina 14/15 van de Memorie van Antwoord laat zien hoe de totale gemiddelde contractloonmutatie kan afwijken van de mutatie per bedrijfstak/onderneming. Door het wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen te koppelen aan de totale gemiddelde contractloonontwikkeling kan een «loongevoelige» structureel in de onderkant van de arbeidsmarkt opererende bedrijfstak/onderneming op enig moment, respectievelijk in enige periode, dan wel structureel geconfronteerd worden met een (extra) opstuwende werking van het minimumloon in het loongebouw, respectievelijk met een verkleining van de afstand tussen de lonen en sociale uitkeringen in het desbetreffende arbeidsmarktsegment, met de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid. Zou het, gelet op deze werking -in de gedachte van een koppeling aan de contractloonontwikkeling -ook een mogelijkheid zijn om te koppelen aan bijv. de contractloonontwikkeling in die sectoren die scoren in het laatste kwartiel van de totale contractloonontwikkeling?

Wat is de opvatting van de bewindslieden te dezer zake? Het wetsvoorstel bevat twee afwijkingsgronden op de hoofdregel van koppeling. Terwille van de rechtszekerheid en de helderheid van de beoogde doelstellingen van het wetsvoorstel moeten de gevallen waarin tot afwijking wordt besloten zo nauwkeurig mogelijk worden omschreven. Aldus de Memorie van Toelichting. De leden van de CDA-fractie waren van mening dat de omschrijving van elk der afwijkingsgronden apart, maar deze ook in onderlinge samenhang bezien, vele vragen kunnen oproepen bij de «koppelingsgerechtigden». Zoals: hoe werken deze beide afwijkingsmogelijkheden op elkaar in? Bovendien zijn de afwijkingsgronden gegoten in een «kan»-bepaling. Het behoort dus tot de discretionaire bevoegdheid van de regering om al of niet ervan gebruik te maken, volgens haar interpretatie van de omschrijvingen. En dat tweemaal per jaar. Nu vermeldt de Memorie van Toelichting dat, gezien de vele overwegingen die daarbij in beschouwing moeten worden genomen, het in de rede ligt dat bij de beleidsafweging op basis van de wettelijke afwijkingsgronden toespitsing plaats vindt op het criterium van de aantalsverhouding tussen inactieve en actieve inkomenstrekkers. In concreto wordt voor de lopende kabinetsperiode het verhoudingsgetal 0,86 als criterium genomen zowel op korte als op langere termijn en zulks op basis van ramingen door het CPB, aldus is het voornemen van het kabinet.

De aan het woord zijnde leden vroegen zich af of op deze wijze de rechtszekerheid naar de «koppelingsgerechtigden» toe wordt bereikt nu zowel de wettelijke omschrijving van de afwijkingsgronden zelf, alsook de translatie in de Memorie van Toelichting van de twee afwijkingsgronden naar het verhoudingsgetal 0,86 met zoveel mysterie (waarschijnlijk in de ogen van betrokkenen) is omgeven (black box). Daarbij komt nog dat bij de eerste toepassing van de wet per 1 januari 1992 reeds gebruik moet worden gemaakt van een (de) afwijkingsgrond(en). Zijn de bewindslieden het met de leden van de CDA-fractie eens dat hierdoor de indruk kan ontstaan dat deze wet dezelfde lijdensweg zal ondergaan als de WAM? Ware het niet beter geweest -alle hiervoor aangegeven aspecten in aanmerking nemende -zo vroegen deze leden zich af, beleidsmatig te koppelen zoals ondermeer bedoeld in de WBA, in januari 1989 aangeboden aan de Tweede Kamer?

De leden van de PvdA-fractie hadden met grote belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij konden dit wetsvoorstel in hoofdlijnen onderschrijven. Ter voorbereiding van het plenaire debat stelden zij de volgende vragen: 1. over de telling van het volume in uitkeringsjaren a. De voetnoot bij de tabel op bladzijde 20 Memorie van Toelichting meldt welke uitkeringen relevant geacht worden bij de telling van het volume in uitkeringsjaren. De aan het woord zijnde leden vroegen zich af waarom hier de uitkeringen aan (gewezen) overheidspersoneel ontbreken. Het kabinet kiest thans voor koppeling aan een gemengde index van de lonen in de marktsector, gepremieerde en gesubsidieerde sector en in de overheidssector vanuit de stelling dat thans in de overheidssectoren de gepremieerde en gesubsidieerde sector voldoende onderhandelingsvrijheid bestaat. Ligt het dan niet voor de hand om ook de uitkeringen aan (ex-)overheidspersoneel mee te tellen in het uitkeringsvolume? Indien en voorzover er thans sprake is of binnenkort zal zijn van een vergelijkbare onderhandelingsvrijheid van werknemers in de marktsector en de collectieve sector, ligt het dan niet in de rede om straks ook het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de werknemersverzekeringen te brengen, uiteraard met de mogelijkheid om via onderhandelingen bovenwettelijke uitkeringen overeen te komen?

  • Mag aangenomen worden dat bij herrekening van het aantal uitkeringsgerechtigden naar uitkeringsjaren -een 50%-AOW-uitkering van een gehuwde meetelt als een volledig uitkeringsjaar (indien het gehele jaar verstrekt), waar hier immers sprake is van een individueel uitkeringsrecht? -daarentegen een 50%-uitkering van ABW/IOAW/IOAZ van een gehuwde (bij gesplitste uitbetaling van een «gezinsuitkering») slechts meetelt als een half uitkeringsjaar, waar hier immers geen sprake is van een individueel uitkeringsrecht?

-bij een gekorte AOW-uitkering (wegens niet-verzekerde jaren) de korting naar rato wordt afgetrokken bij de herrekening naar uitkeringsjaren? -een gedeeltelijk arbeidsongeschikte (b.v. uitkering: 14% dagloon) die 38 uur p.w. werkt tegen lager loon telt als een volledig arbeidsjaar en voor het uitkeringsvolume meetelt naar de mate van zijn arbeidsongeschiktheid? Wordt het bescheiden vrij te laten inkomen uit arbeid van een uitkeringsgerechtigde wel op enigerlei wijze meegeteld bij de vaststelling van het volume in arbeidsjaren?

  • De aan het woord zijnde leden bleven enigszins «aanhikken» tegen de constatering dat ook een kortstondig zieke werknemer tot het volume van de «nietactieven» gerekend wordt. Zij concludeerden dat een massale griepepidemie en de recente verlenging van het zwangerschaps-en bevallingsverlof de getalsmatige verhouding arbeidsjaren/uitkeringsjaren ongunstig beïnvloedt. Betreft het meetellen van zieke werknemers tot het uitkeringsvolume slechts die werknemers die een beroep doen op de Ziektewet en tellen de zieke werknemers van eigen risicodragende werkgevers niet mee in het uitkeringsvolume? Betekent de voorgenomen overheveling van de eerste 6 of 3 weken ziekte van de Ziektewet naar de werkgever straks een verlichting van het getalscriterium arbeidsjaren/uitkeringsjaren?
  • De aan het woord zijnde leden konden de redenering volgen dat de kwantitatieve verhouding tussen betaald werken en uitkeringsgerechtigden van zeer groot belang is voor het financiële en economische draagvlak van de sociale zekerheidsuitgaven (waaronder de kosten van de koppeling). Zij vroegen daarnaast echter ook de aandacht voor de kwalitatieve verhouding en het maatschappelijk draagvlak (i.c. de bereidheid tot premiebetaling). Een relatieve verslechtering van de getalsverhouding die het gevolg is van groeiende werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid zal maatschappelijk anders ervaren worden dan een relatieve verslechtering van de numerieke verhouding die het gevolg is van een stijgende levensduurverwachting als gevolg van verbeterde levensomstandigheden en een verbeterde gezondheidssituatie. Waar (vrijwel) niemand haakt naar werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, haakt (vrijwel) een ieder naar een onbezorgde, liefst langdurige, oude dag. Zal in de nabije toekomst de striktkwantitatieve verhouding betaald werkendenuitkeringsgerechtigden niet een kwalitatieve correctie behoeven, waarbij ook de aard van de economische «inactiviteit» meeweegt? Of valt wellicht te overwegen of voor de toekomst het getals-criterium arbeidsjaren/uitkeringsjaren slechts toe te passen op de beroepsgeschikte bevolking van 15-65 jaar?
  • over het arbeidsongeschiktheidsvolume Bij het vraagstuk van de getalsmatige verhoudingen tussen betaald werkenden en uitkeringsgerechtigden waren de leden van de PvdA-fractie als vanzelf gestoten op de ontwikkeling van het arbeidsongeschiktheidsvolume. In dit kader stelden zij de volgende vragen: a. De laatste cijfers van de GMD (persbericht GMD 3 september 1991, geciteerd uit PS 25-9-91) en de SVR (geciteerd uit de Staatscourant van 16-9-91) vergelijkend, constateerden zij een opmerkelijk verschil. GMD: «Ultimo tweede kwartaal 1991 is de totaalstand ( = aantal personen met een gehele of volledige AAW/WAO-uitkering, leden PvdA-fractie) opgelopen tot 837594 AAW/WAO-uitkeringsgerechtigden».

SVR: «Eind juni van dit jaar waren er 897 300 lopende AAW/WAO-uitkeringen. Hoe verklaart het kabinet dit getalsmatig verschil van bijna 60000 lopende AAW/WAO-uitkeringen? Welk cijfer houdt het kabinet aan?

  • Onderschrijft het kabinet de volgende mededelingen uit genoemd GMD-persbericht: «Net als in 1986 (dus voor de stelselherziening) waren er in 1990 per 1000 verzekerden 116 uitkeringen» en: «Mede gezien de groei van het aantal verzekerden moet geconcludeerd worden dat de kosten per 1000 verzekerden uiteindelijk zijn gedaald Dit valt ook af te lezen uit de daling van het aantal uitkeringsjaren: in 1986 was dit nog 107 per 1000 verzekerden, terwijl dit in 1990 gedaald is naar 103.» c. In de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer op bladzijde 4 lazen de aan het woord zijnde leden: «Juist met het oog op de verbetering van de verhouding inactieven/actieven zullen de te nemen maatregelen (aanvullend pakket op het terrein van ZW/WAO, leden PvdA-fractie) vooral beoordeeld moeten worden op hun volume-effecten». De aan het woord zijnde leden onderschreven deze stellingname. In dit verband vroegen deze leden zich af waarop de veronderstelling gebaseerd is dat een prijsmaatregel in de WAO-uitkeringssfeer (zoals laatstelijk is voorgesteld bij brief van 27 augustus j.l.) het volume gunstig beïnvloedt. In dit verband merkten zij het volgende op: -voorzover bij deze veronderstelling wordt uitgegaan van een (ruime) marge aan keuzevrijheid van het individu om al dan niet arbeidsongeschikt verklaard te worden, meenden zij dat hierbij impliciet sprake is van een (forse) kritiek op uitvoeringspraktijk en uitvoeringsorganisatie. De oplossing van het hier veronderstelde verschijnsel zou dan veeleer gezocht dienen te worden in een verkleining van de individuele keuzemarge, d.w.z. een verbetering van de uitvoeringspraktijk en meer (onafhankelijke) controle op de uitvoeringsorganisatie dan in een «prijsmaatregel» die personen zonder enige keuzemarge het pijnlijkst treft; -indien en voorzover een «prijsprikkel» in de uitvoeringssfeer al een gunstig effect zou hebben op het volume, valt moeilijk te doorgronden waarom die nieuwe prijsprikkel zo sterk leeftijdsgebonden moet zijn en waarom die nieuw in te voeren prijsprikkel eerst zou moeten functioneren na enkele jaren van een 70%-loongerelateerde uitkering, gedurende welke periode de vervreemding van het arbeidsproces juist sterk vergroot wordt; -indien echter het volume-effect van de voorgestelde prijsmaatregel afwezig of marginaal is (de leden van de PvdA-fractie wezen erop dat enkele forse prijsmaatregelen in de WAO-uitkeringssfeer in de jaren tachtig evenmin een aantoonbaar volume-effect teweeg gebracht hebben), maar wel een opmerkelijk premie-effect oplevert, dan dringt zich de vraag op of de getalsverhouding arbeidsjaren/uitkeringsjaren nog steeds als doorslaggevend criterium voor het wel of niet toepassen van de koppeling kan gelden of dat (gedeeltelijk) overgestapt moet worden naar een maatstaf als de ontwikkeling van de uitkeringslasten als percentage van het netto nationaal inkomen of als percentage van de loonsom. M.a.w.: een prijsmaatregel met aantoonbaar premie-effect, maar zonder aantoonbaar volume-effect, ondermijnt de stelling van het kabinet dat de getalsverhouding het uiteindelijk beslissend criterium moet zijn in het koppelingsdebat.
  • over de samenstelling van de loonkostenontwikkeling en de samenstelling van de collectieve lastendruk De leden van de PvdA-fractie constateerden dat in de Memorie van Toelichting gesproken wordt over het belang van een beheerste loonkos-

tenontwikkeling en het belang van een beheersing van de collectieve lastendruk. Zij konden dit betoog in hoofdzaken onderschrijven. Zij constateerden tevens dat het kabinet bij het belang van een beheerste loonkostenontwikkeling een nader onderscheid maakt inzake de samenstellingvan de loonkostenontwikkeling: «een loonkostenontwikkeling die samenhangt met maatregelen gericht op de arbeidsmarkt zal een andere invloed uitoefenen op de werkgelegenheid dan een die voortvloeit uit een verhoging van de lonen zelf.» De aan het woord zijnde leden vroegen zich af of bij de onderstreping van het belang van beheersing van de collectieve lastendruk niet eveneens een nader onderscheid gemaakt kan worden naar de samenstelling van de collectieve lastendruk. De vraag in hoeverre de collectieve lastendruk op de factor arbeid rust is wellicht evenzeer van belang voor de werkgelegenheidsontwikkeling als de omvang van de collectieve lastendruk op zichzelf. Kan, aan de hand van de laatste ontwikkeling terzake, een zoveel mogelijk gedetailleerde en becommentarieerde inventarisatie van de lasten, die nu onder de collectieve lastendruk vallen, worden gegeven?

  • over de verhouding minimumloonwerkgelegenheid De Memorie van Toelichting meldt dat volgens CBS-cijfers blijkt dat in de periode 83-87 in het particulier bedrijf het aantal werkzame personen in de loonklasse op of net boven het ML met bijna 51 000 is toegenomen. Kan dit getal worden afgezet tegen de groei van het totaal aantal werkzame personen in dezelfde periode, m.a.w. hoe is de relatieve ontwikkeling? Kan dit aantal worden gesplitst in personen werkzaam op ML-niveau en op het niveau ML-plus? Hoe is de ontwikkeling van het aantal ML-ers in aantal en als aandeel van de hele werkzame bevolking sinds 1987 verlopen? Is de indruk juist dat het aantal volwassen ML-ers de laatste jaren daalt en dat de afstand tussen de laagste CAO-lonen en het WML sterk gegroeid is? Indien ja, is dit dan niet een indicatie dat de minimum behoefte functie van het ML is verminderd en het minimumloon meer marktconform is geworden? Hoe hoog is het aantal toepassingen van de loonkostensubsidie in het kader van de KRA en van de WLOM? Hoe verhoudt dit aantal toepassingen zich tot de eerdere verwachtingen?
  • Wat is het commentaar van het kabinet op het recente onderzoek van Konsumentenkontakt en Secretariaat Uitkeringsgerechtigden en Ouderen van de FNV naar de koopkrachtontwikkeling van de minima (Stcrt. 4 oktober 1991)7

De leden van de fractie van D66 stonden sympathiek tegenover dit voorstel, dat zij willen omschrijven als koppelen ja tenzij. Dit voorstel is in de Tweede Kamer afgehandeld vóór het debat over het terugdringen van arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim. Inmiddels is ook de miljoenennota 1992 verschenen. De aan het woord zijnde leden hadden behoefte de mening van de regering te vernemen t.a.v. enkele uitgangspunten van dit wetsvoorstel. Uitgangspunt is dat de koppeling in stand blijft wanneer de verhouding niet actieven/actieven niet slechter wordt dan 86%. Voor 1992 is 86,7% voorzien (kerngegevens miljoenennota). -Wat heeft de achteruitgang met 0,7% voor gevolgen voor het onderhavige wetsvoorstel? -Conform artikel 14, lid 15, kan de tenzijclausule in werking treden bij een bovenmatige loonontwikkeling. Is hiervan thans reeds sprake? -Is er sprake van een bovenmatige loonontwikkeling, wanneer ter compensatie van hogere inflatie hogere looneisen worden gesteld? Bij welke loonontwikkeling is er volgens de regering sprake van inflatiecompensatie, wanneer van bovenmatige loonontwikkeling?

-De ijkdata zijn volgens het wetsvoorstel 1 januari en 1 juli. In de toelichting wordt gesteld dat de beslissing over het toepassen van de koppeling in een bepaald jaar geschiedt op basis van de ontwikkelingen zoals die zich op dat moment aftekenen.

Is dat moment aangebroken wanneer de regering besluit over het niet toepassen van de koppeling aan de SER advies te vragen, of wanneer het parlement hierover een Algemene Maatregel van Bestuur wordt voorgelegd? De aan het woord zijnde leden waren het met de regering eens dat stijging van de collectieve lastendruk een bedreiging vormt voor de koppeling. Deze leden wilden daarom graag dat helder is wat onder stijging van collectieve lasten wordt verstaan. Zij hadden de indruk dat steeds vaker datgene wat de burgers als collectieve lasten ervaren, niet identiek is aan datgene waarmee in de officiële statistieken als collectieve lastendruk wordt gerekend. Stijgen de collectieve lasten wanneer: a. de grens waarover premie wordt geheven naar boven gaat? b. de gemeentelijke heffingen stijgen? c. de verplichte omslagpremie voor particulier ziektekostenverzekerden stijgt ter dekking van niet kostendekkende polissen voor ouderen en (wellicht binnenkort) studenten?

De leden van de fractie van de VVD hadden het wetsvoorstel met gemengde gevoelens ontvangen. De minister gaf zowel in de schriftelijke stukken als tijdens de mondelinge behandeling aan de overzijde als rechtsgrond voor het wetsvoorstel de «grotere mate van duidelijkheid» dan die, welke in het wetsvoorstel van het vorige kabinet was opgenomen. Bovendien sprak hij over een heldere en verantwoordelijke wijze waarop het besluit over de koppeling kan plaats vinden. Vindt de minister dat de discussies in het kabinet eind augustus en de uitkomst hiervan dit uitgangspunt onderstrepen? Het nu aan de orde zijnde wetsvoorstel zou betrokkenen minder in de onzekerheid laten over de ontwikkeling van hun inkomens in relatie tot de algemene inkomensontwikkeling (memorie van antwoord, pagina 12). Zou de minister nog eens uiteen willen zetten hoe een «kan-»bepaling (artikel 14, lid 5) grotere zekerheid biedt -en dus minder een beleidsmatig karakter moet hebben -dan het zoëven genoemde wetsvoorstel van het kabinet Lubbers II, waarin een wettelijk vastgelegde koopkrachtgarantie was opgenomen? Geeft zo'n garantie niet meer zekerheid dan een inspanningsverlichting? Is met het uitgangspunt van de minister niet in strijd de opmerking in de nota naar aanleiding van het eindverslag dat de «kan-»bepaling erin voorziet dat de regering de eigen beleidslijnen kan meewegen?

Vindt de minister dat de door hem in zijn tweede termijn aan de Overzijde vermelde vier casusposities (Handelingen Tweede Kamer, pagina 5840) voor al dan niet ontkoppelen de helderheid voor betrokkenen vergroten? Is het voor een op een verantwoorde manier «verder kijken dan de neus lang is» niet een vereiste dat het doctoraal examen (macro) economie of econometrie met vrucht is afgelegd? Kan zulks van een gerechtigde worden verwacht?

De vierde casuspositie houdt in dat in het eerste jaar het verhoudingsgetal hoger is dan 0,86, maar dat er een heel duidelijk perspectief is dat het in de jaren daarna weer soepel op orde zal komen. De minister denkt dat de afweging dan iets gemakkelijker zal zijn.

In de Miljoenennota 1992 (pagina 10) wordt gezegd dat het verhoudingsgetal in 1992 stijgt naar 86,7, maar dat wordt verwacht dat deze verhouding na volgend jaar weer zal verbeteren. Zou dan eigenlijk volgens het scenario van de minister niet moeten worden gekoppeld? Zo neen, waarom niet? Is één en ander duidelijk uit te leggen aan gerechtigden met (nauwelijks meer dan) een lagereschoolopleiding? Moet de dreiging van een kabinetscrisis eigenlijk niet als derde afwijkingsmogelijkheid worden gezien? Is het waar, zo vroegen de leden van de fractie van de VVD vervolgens, dat de minister de komende jaren de koppeling wil loslaten (De Volkskrant, 4 september)? En is het eveneens waar dat de staatssecretaris een langdurige ontkoppeling niet accepteert (idem)? Dient, indien het bericht juist is, het voorliggende wetsvoorstel dan slechts als een legitimatie voor ontkoppeling?

Vindt de minister een voortgezette nivellering als gevolg van het eventueel voor een langere periode achterwege laten van de inflatiecorrectie voor de tweede en derde schijf aanvaardbaar?

De leden van de fractie van de VVD zouden een nadere onderbouwing op prijs stellen van de opmerking in de memorie van toelichting (pagina 15) «Premiestijgingen als gevolg van bijvoorbeeld verschuivingen (in volume-of financiële termen) tussen de sociale fondsen en de rijksbegroting die niet samenhangen met de volumeontwikkeling van het totaal van uitkeringsgerechtigden, vallen buiten het kader van de afwegingen die hier aan de orde zijn». Moet deze opmerking worden gezien als een impliciete vrijbrief voor de overheid om naar behoefte uit de fondsen te blijven «slobberen»?

De aan het woord zijnde leden zouden vervolgens willen weten of de minister (eindelijk) een criterium heeft voor het «al te gemakkelijk» afwentelen van uitgavenoverschrijdingen in de sfeer van de rijksbegroting op de sociale zekerheid (Handelingen Tweede Kamer, pagina 5518). Is het nog steeds zo dat bewindslieden maar al te graag naar de sociale zekerheid grijpen wanneer ze in hun eigen begroting niet meer kunnen of willen snijden? Welke is in die situatie de principiële opstelling van de bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid? En de feitelijke? De aan het woord zijnde leden zouden tenslotte willen weten of in de intitulés van de stukken nr. 10 (herdruk) en nr. 20 een (oneigenlijk) gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot afwijking of dat het hier gaat om slordigheden. Zo neen, welke betekenis moet dan worden gehecht aan de toevoeging «onder omstandigheden» op stuk nr. 10? Moet voor de afkorting WKA in den vervolge worden gelezen «Wet Knikkeren met Afwijkingsmogelijkheden»?

Het lid van de fractie van het GPV merkte op dat het wetsvoorstel, waarin een structurele koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de lonen wordt geregeld, ook de mogelijkheid van afwijking regelt. Gegeven de feitelijke ontwikkelingen en de beleidsvoornemens van de regering lijken de afwijkingsbepalingen meer actualiteitswaarde te hebben dan de koppeling. Dat maakt de behandeling van het wetsvoorstel goeddeels tot een tamelijk theoretische aangelegenheid. Toch moet zorgvuldig gekeken worden naar de voorgestelde koppeling. Daarover de volgende vragen: -In de Macro Economische Verkenning 1992 (pag. 83 e.v.) is een berekening gemaakt van de ontwikkelingen in de jaren '80 die zouden zijn opgetreden wanneer een strak koppelingsbeleid zou zijn gevoerd. De werkgelegenheid zou aanzienlijk lager zijn geweest, de verhouding

actieven/nietactieven zou op 90% zijn uitgekomen. Wat is de reactie van de regering op deze gegevens? Moeten deze gevolgen hebben voor de benadering van de koppeling zoals die in het wetsvoorstel wordt geregeld? Nu voor 1992 een beroep wordt gedaan op de mogelijkheid in de WKA om van de koppeling af te wijken, wordt duidelijk dat de discussie over de inkomensontwikkeling gevoerd moet worden in een brede politieke context. Automatismen bieden weinig steun. In dit verband stelde het aan het woord zijnde lid de volgende vraag. De regering gaat in haar adviesaanvraag aan de SER over de aanpassing van minimumloon en uitkeringen (d.d. 17 september 1991) ervan uit dat de contractloonraming voor de marktsector tot 3% beperkt kan blijven.

-Hoe reëel is deze verwachting, gegeven het feit dat de al afgesloten CAO's voor 1992 een stijging van 4% te zien geven, zodat een gemiddelde stijging van 3% slechts bereikt zou worden wanneer de nog af te sluiten CAO's in een maximale stijging van 2,4% zouden resulteren (MEV 1992, pagina 17, noot 1).

De voorzitter van de commissie, Van der Meulen De griffier van de commissie, Dijkstra-Liesveld

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.