De behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene arbeidsongeschiktheidswet, het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten, a... - Handelingen Eerste Kamer 1991-1992 25 februari 1992 orde 4


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van: -het wetsvoorstel Wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene arbeidsongeschiktheidswet, het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten, alsmede een regeling voor het overheidspersoneel in verband met maatregelen ter vermindering van het ziekteverzuim, beperking van langdurige arbeidsongeschiktheid en bevordering van de arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten, herschikking van de bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede enkele technische aanpassingen (terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume) (22228)

De beraadslaging wordt geopend.

©

H.M. (Hanneke)  Gelderblom-LankhoutMevrouw Gelderblom Lankhout (D66): Voorzitter! Vandaag behandelen wij opnieuw een wet waarmee wordt gesleuteld aan het stelsel van sociale zekerheid. Van de rust bij de stelselherziening die door de voorganger van deze staatssecretaris, oud-staatssecretaris De Graaf, is beloofd, is in feite niets terechtgekomen. Is het eigenlijk wel mogelijk om een stelsel te maken dat langer dan twintig jaar meegaat in een samenleving zoals de onze, waar veranderingen zo snel gaan en bovendien zo ingrijpend zijn? Wie het huidige stelsel analyseert-en ook in mijn partij is men daar intensief mee bezig -moet vaststellen, dat het een uitstekend stelsel is, maar dat het onbetaalbaar is geworden. De nadruk in het socialezekerheidsstelsel ligt tot nu toe vooral op het verzekeren van een bestaansminimum en het verstrekken van een uitkering. De wetgeving, maar vooral de uitvoeringspraktijk, legitimeert het verkrijgen van een uitkering. D66 is van oordeel, dat voortaan moet worden uitgegaan van de vraag hoe kan worden voorkomen dat mensen uit het arbeidsproces worden gestoten en in de positie terechtkomen dat zij een uitkering behoeven. Het antwoord daarop is dat wij moeten streven naar een zo hoog mogelijke arbeidsparticipatie. Werk hebben en daaruit Inkomsten krijgen, is nog steeds de beste basis voor zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Arbeid is niet alleen een belangrijke integratiefactor voor iedereen-en dus ook voor minderhedenin de samenleving, het is ook een middel tot ontplooiing. Door te werken zorgen mensen voor zichzelf. Een nieuw stelsel van sociale zekerheid moet daarom antwoord kunnen geven op de vraag: hoe bevorder je dat mensen voor zichzelf kunnen zorgen? De primaire taak voor de politiek en de overheid ligt volgens ons in de volgende definitie. Het gaat om het ontwikkelen van een stelsel waarbij permanente uitkeringen alleen worden verstrekt, wanneer het zelf verwerven van een inkomen niet of niet meer mogelijk blijkt, ondanks scholing, herscholing, intensieve begeleiding en een uitgebreid instrumentarium van arbeidsvoorzieningen. Voor zover het vandaag besproken wetsvoorstel de nadruk legt op arbeidsparticipatie, steunen wij het van harte. Wie echter op grond van objectief medisch vastgestelde gronden niet of niet meer kan werken, moet er, naar de mening van D66, blijvend van verzekerd zijn dat aan een uitkering waarvoor premie is betaald, niet wordt getornd. Het wetsvoorstel TBA, in de wandeling ook wel TAV III genoemd, dat staatssecretaris Ter Veld afgelopen vrijdag ter advisering aan de SVR heeft voorgelegd, doet dat niet. Het wijst naar de mening van D66 niet de juiste weg, omdat het nog steeds geen ondubbelzinnig arbeidsongeschiktheidscriterium biedt ten behoeve van mensen die echt niet meer kunnen werken. D66 betreurt het dan ook zeer dat de regering onverkort blijft vasthouden aan een beleid, waarbij ook degene die niet meer kan werken, in zijn uitkering wordt gekort. Wij vinden het onjuist om nu al vast te stellen dat de uitkering van mensen jonger dan 50 jaar onvermijdelijk moet worden aangetast. Het moet toch mogelijk zijn een zodanige definitie van volledig arbeidsongeschikt te vinden dat een dergelijke ingreep niet nodig is? Aan het werk dus. Het stemt tot voldoening dat organisaties van werkgevers en werknemers beide en samen tot de conclusie zijn gekomen, dat het gebruik van de WAO -ik hanteer het woord "gebruik" met opzet -als een sociaal aanvaardbare maatregel niet langer kan. De cijfers daarover zijn voor iedereen duidelijk. Gezamenlijk hebben werkgevers en werknemers de afgelopen jaren arbeidsrust gekocht. Sociale plannen, geen gedwongen ontslagen, het klonk allemaal mooi, maar wie als werknemer eenmaal de fuik van de WAO was binnengezwommen, bleek er zeer moeilijk weer uit te kunnen komen. Dat lag mede aan de taakopvatting van de uitvoeringsorganen. Zij hielden en houden zich voor een deel nog steeds vooral bezig met het legitimeren van de uitkering. Hoe? Door dossiervorming. Als het allemaal maar netjes geregistreerd staat, is het in orde en is de uitkering zeker. Die instelling heeft tot gevolg dat de hele WAO-populatie een hoeveelheid mensen is geworden, waarop eigenlijk niemand nog een gefundeerd zicht heeft. De vraag is of daarin nu definitief verandering komt. Daar begint de twijfel van mijn fractie. Als de fusie tussen GAK en GMD doorgaat, zullen de bedrijfsverenigingen en de GMD straks wellicht één organisatie vormen. Zijn zij wel in staat om wat wij noemen de mentale omslag te maken? Het gaat om een mentale omslag van het legitimeren van een uitkering naar het bevorderen dat iedereen weer aan het werk gaat, het begeleiden naar werk. Wij vrezen dat dit niet lukt. Die vrees heeft onder andere te maken met de bureaucratische manier waarop in die regionen nog steeds wordt gesproken over mensen die geen werk hebben. Daarmee kom ik op het amendement-Linschoten/Schimmel dat in de Tweede Kamer is aangenomen. Dat verplicht de bedrijfsverenigingen mensen die zes weken ziek zijn, te melden bij de GMD en bij dertien weken een reïntegratieplan op te stellen. Bij de plenaire behandeling leek de staatssecretaris al niet veel voor deze vroege inschakeling te voelen. Nu de SVR negatief heeft geadviseerd, is dit onderdeel van de TAV door de VVD-en de PvdA-woordvoerders in dit huis honend neergesabeld. Dat verbaast D66 om twee redenen. Allereerst kan ik mij niet voorstellen dat de gedachtengang achter deze vroege melding niet aanspreekt. Wie voor reïntegratie is, weet ook dat je daar zo vroeg mogelijk mee moet beginnen. Naar de mening van D66 moet het al in een zeer vroeg stadium mogelijk zijn, te beoordelen of iemand na ziekte vanzelf weer aan het werk komt, wellicht begeleiding nodig heeft, dan wel vrijwel zeker begeleiding behoeft. Om concrete voorbeelden te noemen, iemand met een gebroken been behoeft vrijwel zeker geen begeleiding, iemand die overspannen is, waarschijnlijk wel, en iemand die een ernstig ongeluk heeft gehad, vrijwel zeker. Volgens D66 is het daarom nodig, een dergelijk onderscheid in een zo vroeg mogelijk stadium te maken en niet te wachten tot er drie maanden zijn verstreken. Wij vinden het aantal van 100.000 dat uiteindelijk doorstroomt naar de AAW/WAO, van de 700.000 ziekmeldingen per jaar, te hoog. Een van de mogelijkheden om dat te voorkomen, is eerder aan reïntegratie beginnen. Dat moet naar onze mening al gebeuren aan het begin van de dossiervorming. Dat was de eerste reden waarom wij wat verbaasd reageerden op het neersabelen van het amendement. In de tweede plaats hebben wij ons buitengewoon geërgerd aan de woordkeuze waarmee de SVR dit aangenomen amendement heeft neergesabeld. Ik citeer: De commissie wijst erop dat per geval dossiers moeten worden overgedragen. Ik vraag mij af of men bij de GMD nog steeds met handgeschreven dossiers werkt. Men heeft daar toch ook wel van tekstverwerkers gehoord? Elders wordt gesproken over "gevallen die bemoeienis behoeven". Wij dachten dat het om mensen ging, mensen die weer aan het werk moeten... Natuurlijk zijn wij ook gevoelig voor het argument dat er geen onnodig werk verricht moet worden. Reïntegratieplannen maken voor mensen van wie verwacht kan worden dat zij uit eigen beweging wel weer aan het werk gaan, is natuurlijk overbodig. Daar ging het bij dit amendement ook niet om! Wat ons ergert, is de toon en de woordkeuze die getuigt van een bedrijfscultuur die ons doet vrezen, dat men meer denkt in termen van dossiers dan in termen van strategieën voor banen voor mensen. Om dat te veranderen, is er nogal wat nodig. Dat is vooral het begrip dat het in de WAO om mensen gaat. Ik zou graag willen weten, op welk moment de staatsscretaris meent dat moet worden begonnen met het inschatten of mensen hulp nodig hebben om weer aan het werk te komen. Hoe ziet zij de daarbij behorende gang van zaken? Wie over werk spreekt, dient zich ook uit te spreken over arbeidsplaatsen. Ik signaleer een viertal van elkaar verschillende zaken. In de eerste plaats is Nederland geen eiland. De economisch sombere vooruitzichten maken dat je je steeds meer dient te realiseren dat werk niet iets is dat er vanzelfsprekend is. Bedrijven gaan kapot. Werkgelegenheid verdwijnt over de grens. Wie denkt over financiële negatieve prikkels voor werkgevers dient zich daar extra van bewust te zijn. Ik neem aan dat dit toch ook geldt voor de partij die spreekt over 80.000 banen per jaar erbij. De PvdA zal zich dit gegeven toch ook aantrekken? In de tweede plaats zijn er banen verdwenen waarvan je je achteraf afvraagt of dat wel verstandig was. Ik noem een voorbeeld. In Amsterdam is het aantal zwartrijders op de tram een op de vier, maar niet op lijn 4. Daar is de conducteur terug. Op sommige scholen komt de conciërge terug. Een van de mogelijkheden die wij hebben, is dus, na te gaan of werk dat wij hebben afgeschaft opnieuw als rendabel werk gedefinieerd kan worden. In de derde plaats verbaast het mij dat de regering in haar voorstellen zo weinig nadruk legt op de mogelijkheid van deeltijdbanen voor gedeeltelijk arbeidsgschikten. lemand die tijdelijk uitgeschakeld is, zal eerder weer kunnen deelnemen, indien de start in deeltijd plaatsvindt. Als je de weg weet, is het werken in deeltijd wel mogelijk, maar de regelgeving is ingewikkeld of niet bekend. Ook dat behoeft duidelijk verbetering. Niet iedereen kent mensen op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Er is behoefte aan meer voorlichting op dit punt.

Ik wil hierover een vraag stellen Kan een werkgever een taxivergoeding claimen uit het AAW-fonds ten behoeve van een werknemer met bijvoorbeeld een gebroken been? Deze man krijgt nu nog bij de uitkeringsinstanties te horen dat hij maar beter thuis kan blijven met zijn gebroken been. Daar staan zes weken voor. Is in zo'n geval een taxivergoeding mogelijk? In de vierde plaats noem ik de onvervulde vacatures. Uit de mededelingen van het Centraal bureau voor de arbeidsvoorziening lees ik niet een keer, maar verschillende malen dat vrijwel geen geschoolde vakmensen op LTS-niveau te vinden zijn. Ik noem loodgieters, lassers, timmerlieden, elektromonteurs, machinebankwerkers enz. Bieden jeugdwerkgarantieplannen voldoende uitzicht op het vervullen van deze vacatures? Zijn er andere wegen om ervoor te zorgen dat deze vacatures niet onvervuld blijven? Ik zou graag een reactie van de staatssecretaris krijgen op deze vier punten. Een andere mogelijkheid biedt scholing. Naar onze mening is dat een van de beste mogelijkheden om mensen weer aan het werk te helpen die om welke reden dan ook geen baan hebben of niet meer hebben. Maar in het voorlopig verslag staat dat het twee maanden duurt, voordat de kleine commissie met haar beoordeimg klaar is. Is dat nu aanvaardbaar? Is het aanvaardbaar om nog steeds uit te gaan van het argument van concurrentievervalsing ten aanzien van een werkgever, die eventueel uit eigen middelen voor scholing kan zorgen? Wat moet ik met dat argument, als er geen sprake is van terug kunnen naar de oude werkgever? Kan het nu echt niet sneller? Afgelopen weekend hoorde ik, dat er onder begeleiders al een term bestaat voor zo iemand. Die heet "scholingsnomade". Dat is iemand zonder werk, die steeds naar een ander loket moet om te vragen, of de scholing, die hij/zij wil, nu mag en wanneer dan wel. Mijnheer de voorzitter! In het stelsel dat D66 voor ogen staat, wordt een aantal zaken anders geregeld. Personen hebben met één loket of beter met één gebouw te maken. De vraag is daar niet: wat kan ik voor u doen, maar: hoe had u zelf gedacht weer aan het werk te komen? De uitvoering en de controle van het beleid zijn gescheiden. De bemiddelaar heeft op zijn scherm een aantal mogelijkheden en kan op het moment, dat de persoon bij hem is, in vrij vergaande mate zelf beslissen, of de werkzoekende van de mogelijkheid tot scholing gebruik kan maken. Zinnen als: U wilt dit? Ik zal eens kijken of daar een cursus voor is, die wij dan aanvragen. Gaat u maar naar huis en komt u over twee maanden maar eens terug, dienen op de kortst mogelijke termijn tot het verleden te behoren. Over het onderdeel premiedifferentiatie Ziektewet wil ik op dit moment niet al te veel zeggen. Wij steunen het principe, maar waar het in de diverse CAO's naar zal leiden, is op dit moment nogal onoverzichtelijk. Heeft het kabinet al een oordeel over zaken die op centraal niveau geregeld leken, maar op bedrijfstakniveau onder dreiging van staking anders worden ingevuld? Ik verwijs onder meer naar de bouw-CAO. Of krijgen wij een dergelijke reactie pas bij het wetsvoorstel TZ, dat nu nog bij de adviesorganen ligt? Mijnheer de voorzitter! Ik kom te spreken over het bonus/malussysteem. De TAV voorziet in een systeem van financiële prikkels om de werkgevers ertoe aan te zetten, werkplekken te creëren voor werknemers met een handicap. Dat kunnen mensen zijn, die al in het bedrijf werkten, maar door ziekte of een ongeval uitvielen of andere werknemers met een handicapbijvoorbeeld jong-gehandicapten-of werknemers die eerst bij een ander bedrijf gewerkt hebben, maar daar geen aangepast werk konden gaan verrichten. De bonus geldt het creëren van een nog niet bestaande werkplek, de malus wanneer een werknemer met een handicap niet bij het oude bedrijf kan blijven werken. D66 is het met financiële prikkels van het bonus/malussysteem in grote trekken eens, maar er blijven wel een paar bedenkingen over. Evenals leden van andere fracties spraken wij de verwachting uit, dat dit systeem zou kunnen leiden tot een toename van tijdelijke dienstverbanden, arbeidscontracten. Het voorlopig verslag omzeilt dat onderwerp met nogal veel woorden, maar geeft eigenlijk geen concreet antwoord. Zou de staatssecretaris alsnog wat concreter willen antwoorden? Of ziet zij het probleem niet? Ook al wordt er via de wetgeving meer aandacht besteed aan bedrijfsveiligheid -dat is goed en er moet nog veel aan gedaan wordentoch moeten wij ons realiseren, dat 40% van de ongevallen een oorzaak heeft, die niet of niet direct met het werk te maken heeft. Zeker bij kleine werkgevers komt zo iets dan hard aan. Zij hebben namelijk minder mogelijkheden in vergelijking met een groot bedrijf en kunnen daarom ook minder gemakkelijk een financieel risico ondervangen. Slechts 10% van alle werkgevers heeft meer dan 10 werknemers in dienst, 5% heeft tussen de 5 en 10 werknemers en 85% heeft minder dan 5 werknemers. Het overgrote deel van de werkgelegenheid zit dus bij kleine werkgevers. Het risico is niet lineair. Ik denk, dat ik dit met een voorbeeld duidelijk moet maken. Vier mensen kunnen een piano een trap af dragen. Twee redelijk stevig gebouwde mannen kunnen dat ook nog wel, maar iemand krijgt nooit van zijn leven in z'n eentje de piano de trap af. Wie banen wil creëren, heeft ook de kleine werkgevers nodig. Zij willen wel, maar naarmate een bedrijf kleiner is, kunnen zij die risico's niet dragen. In de brief die wij ontvingen van het Koninklijk verbond van ondernemers in de horeca zijn de financiële risico's voor de kleine ondernemers nog eens met cijfers heel helder uiteengezet. In de Tweede Kamer is al tamelijk uitgebreid gesproken over het contra-effect van de malusregeling. Wij delen de zorg dat een malusregeling waarop geen enkele uitzondering mogelijk is er wel eens toe zou kunnen bijdragen, dat werkgevers die best zouden willen meewerken om gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan het werk te helpen hiervan vanwege het risico van hernieuwde uitval moeten afzien. Dat risico lijkt ons aanzienlijk groter dan het risico dat een gezond iemand een ongeval krijgt, het risico waarop de staatssecretaris in haar beantwoording ingaat. Daarom wil iktoch nog eens een pleidooi houden voor een tweetal uitzonderingen. Allereerst zou ik willen pleiten voor een vorm van pooling voor kleine werkgevers binnen een bedrijfstak. Ik blijf bij het voorbeeld van de regering uit het voorlopig verslag. Een klein eethuis heeft geen portier; een hotel wel. Wanneer zonder dat er verder bemiddelaars aan te pas hoeven te komen een dergelijke pooling binnen bijvoorbeeld de horeca zou kunnen worden opgelost, is dan een malus voor de eigenaar van het eetcafé nog gerechtvaardigd? Ten tweede wil ik terugkomen op de casus die ik in het voorlopig verslag heb beschreven. Voor een werknemer die na uitval terugkomt bij zijn werkgever kan de ziekte progressief toenemen, wat tot steeds verdere uitval leidt, totdat werken niet meer kan. De staatssecretaris heeft antwoord gegeven, maar niet op deze casus, die ik en ook de heer Van de Zandschulp duidelijk uiteen hebben gezet. Is het juist dat indien een minieme restcapaciteit tot een minieme baan leidt de werkgever geen malus hoeft te betalen, dus dat hij bij steeds minder uren werk geen malus behoeft te betalen? Wat is dan nog een minimale baan? Wat gebeurt er als die minimale baan tot nul wordt gereduceerd, doordat er van totale uitval sprake is? Is de staatssecretaris het met mij eens dat wanneer in het uiterste geval een medisch attest zegt dat werken niet meer verantwoord is een malus niet op zijn plaats is? Ik heb begrepen dat de staatssecretaris geen uitzonderingen wil op de malus. Zij schudt ook nu weer "nee". Ik denk dat die in dit uitzonderlijke geval toch wel op zijn plaats is. Een hardheidsclausule in de malusregeling die afgeschermd is en alleen in werking treedt wanneer een medisch attest stelt, dat verder werken onverantwoord moet worden genoemd, moet mogelijk zijn. De deur moet met die hele kleine kier open kunnen. Dat maakt dat ook de kleine werkgever het risico van een werkwillige met een handicap zal kunnen aangaan, zonder het risico opgezadeld te worden met een malus van 5% van de loonsom, die voor sommige kleine ondernemers tot faillissement zou kunnen leiden als het toch al niet zo goed gaat. En wie is daar nu mee gebaat? Voorzitter! Het zal van het antwoord van de staatssecretaris afhangen of D66 eventueel toch nog met een motie over de mogelijkheid van een hardheidsclausule komt. Voorzitter! Vanochtend kregen wij een uitgebreide fax van het ANP waarvan de kop luidt: de schatkist pikt een graantje mee uit het bonus/malussysteem. Nu heb ik in het voorlopig verslag al gevraagd hoe het zit. De malus is hoger dan de bonus. Hoeveel malus is er nodig? Er wordt een verlaging van de AAW-premie in het vooruitzicht gesteld. Dat is mooi, maar cynisch is wel dat de regering dit jaar de premie verhoogt van 1,8 naar 2,75. Dus eerst wordt er ingepikt en vervolgens mag men terugverdienen! Het antwoord was: 2,1 mld. in de eindsituatie. De vraag die gesteld wordt is wat het verschil tussen de bonus en de malus is in het eerste jaar en hoeveel dat de schatkist scheelt. De bonus is belast en de malus mag je van de winst aftrekken, maar wat gebeurt er als een bedrijf geen winst heeft? Hoe zit het dan met de malus? Kortom, er zitten nog wel een paar fiscale vraagjes aan vast.

Voorzitter: Zijlstra

©

H.F. (Han)  HeijmansDe heer Heijmans (VVD): Voorzitter. Uit de inbreng van mijn fractie voor het voorlopig verslag zal het de staatssecretaris wel duidelijk zijn geworden dat wij er geen behoefte aan hebben, uitvoerig op de voorgestelde maatregelen in te gaan. De "overzijde" heeft hieraan reeds alle aandacht gegeven. Deze keer gaat het ons om de vraag of wij met een zich steeds uitbreidende en steeds fijnmaziger wordende wet-en regelgeving op de goede weg zijn, ook-of misschien zelfs wel in de eerste plaatsin verband met de gevolgen voor de toegankelijkheid en de uitvoering van onze sociale zekerheid. Met een knipoog naar Marcel van Dam zou ik vandaag willen spreken over "de achterkant van het gelijk" van de staatssecretaris, van de minister of mijnentwege van het hele kabinet. Het is terecht om uit deze benadering de conclusie te trekken dat de bewindsvrouwe-of de bewindslieden, maar ik zal mij tot de staatssecretaris beperkengelijk heeft De verhouding tussen actieven en niet-actieven moet worden verbeterd: minder arbeidsongeschikten, minder werklozen. Daarvoor zijn beleidsmaatregelen nodig, maar daar zit een prijskaartje aan. Ik krijg alleen de indruk dat de staatssecretaris daar wellicht wat minder belang aan hecht. Het is de gewoonte dat in de toelichting op een wetsvoorstel de toekomstige besparingen breed worden uitgemeten. Ik laat maar even in het midden wat al die cijfers waard zijn, ik kom er later nog wel op terug. Zo wordt in de memorie van toelichting op TAV I, het wetsontwerp dat wij nu bespreken, uitvoerig aandacht gegeven aan de volume-effecten van de voorstellen, maar nauwelijks of geen aandacht is er voor de administratieve belasting van met name de uitvoeringsorganen en voor de financiële gevolgen, en zeker niet gekwantificeerd. Wij hebben in het voorlopig verslag de term "kosten/batenanalyse" gebruikt. Het is me opgevallen dat die uitdrukking in de memorie van antwoord niet één keer voorkomt. Waarom niet? In de memorie wordt uitvoerig ingegaan op concrete vragen over concrete onderdelen van het wetsvoorstel, maar de achterzijde blijft onderbelicht. Het is op dit punt dus een "memorie van geen antwoord". Ik herhaal de vraag: Waarom? Omdat de staatssecretaris hiervoor inderdaad geen of weinig belangstelling heeft? Omdat zo iets buiten het referentiekader van het departement valt? Of omdat het verschuiven van de schijnwerper van voor naar achter te weinig flonkering, te weinig overtuigingskracht aan de voorkant teweegbrengt? Ik geef een voorbeeld. Op pag. 12 van de gestencilde versie van de memorie van antwoord geeft de bewindsvrouwe aan dat zij zich zorgen maakt over de efficiency en de effectiviteit van de uitvoeringsorganisatie Dat begrijp ik. Maar begrijpt de staatssecretaris dat de uitvoeringsorganisatie zich steeds meer zorgen zou kunnen maken over de efficiency en de effectiviteit van de wet-en regelgever?

Staatssecretaris Ter Veld: Voorzitter, op zichzelf beantwoord ik jiatuurlijk alle vragen, maar er rijst er bij mij toch ook een. Als de Partij van de Arbeid nu na de memorie van antwoord nog nadere schriftelijke vragen heeft gesteld en de VVD niet, hoe is het dan mogelijk dat de VVD-fractie nu pas merkt dat zij geen antwoord heeft gekregen op bepaalde vragen? Waarom heeft zij geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de PvdA-fractie wel te baat heeft genomen, waarbij ik een uitvoerig antwoord heb gegeven?

De heer Heijmans (VVD): Ik zal daar een duidelijk antwoord op geven, voorzitter Ik weiger om nog een nader voorlopig verslag in te dienen, als de datum van de plenaire vergadering al vaststaat. Het resultaat daarvan zou zijn dat ik drie dagen voor de plenaire vergadering mijn hele speech nog zou moeten uitwerken, alleen omdat het departement in eerste instantie zijn werk niet goed heeft gedaan. Dat doe ik niet, in zo'n geval stel ik de zaak gewoon plenair aan de orde.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter, dat mag natuurlijk, maar ik zou hierbij wel de kanttekening willen maken dat ik de nota naar aanleiding van het eindverslag ongeveertien dagen voor deze behandeling heb gekregen.

De heer Heijmans (VVD): Dat is een gunstige uitzondering, want het komt meer dan eens voor dat die op het allerlaatste moment komt. In haar memorie zegt de staatssecretaris hier iets maar niet veel over. Zij geeft toe dat de belasting voor de uitvoeringsorganen en de daarmee samenhangende lasten in de toelichting op het wetsvoorsel niet expliciet tot uitdrukking komen, maar dat ze wel punten van aandacht vormen bij de uitwerking van de maatregelen (pagina 42 van het stencil). Zo is, om een voorbeeld te geven, op een aantal onderdelen volstaan met het aangeven van de kaders en wordt de invulling aan de bedrijfsvereniging of de GMD overgelaten. Maar er moet, door wie dan ook, ingevuld worden. Wat kost dat? De achterzijde als de nacht met nieuw maan, hoogstens eerste kwartier. De omslag in de relatie tussen de wetgever en de uitvoeringsorganisaties zou wel eens haar bron kunnen vinden in de stelselherziening van 1 januari 1987. Mevrouw Gelderblom sprak er ook over. Tot dan toe kon de uitvoering de wet-en regelgever nog wel, zij het met moeite, volgen. Het oude adagium "de politiek beslist en wij voeren uit" kon zonder al te grote, maarwel toenemende bezwaren overeind blijven. Dat was niet altijd even gemakkelijk. Was ten slotte een van de doelstellingen van de stelselherziening niet een vereenvoudiging, ook om het stelsel voor de burger meer toegankelijk te maken? Wij kennen het resultaat. Het stelsel werd aanzienlijk ingewikkelder en de uitvoering plus de burger zaten met de gebakken peren. Hoeveel tijd en energie heeft het niet gekost om in redelijkheid te komen tot de vaststelling van de eerste werkloosheidsdag? Denk aan het urencriterium dat, zoals meer onvolkomenheden in deze herziening, later wettelijk moest worden gerepareerd. Bovendien kwam er de laatste jaren steeds meer "aanpalend werk", verzuimbegeleiding, reïntegratieplannen, arbeidsbemiddeling, en dit nadat de uitvoering ook nog een al te perfecte verzekerdenadministratie had moeten opzetten. Ik herinner mij in dit verband kritische vragen van mijn vroegere fractievoorzitter Zoutendijk en van mij. En ik weet dat de toenmalige voorzitter van de Sociale Verzekeringsraad, overigens ook tevergeefs, bezwaren tegen de toenmalige staatssecretaris heeft kenbaar gemaakt. Zo groeit er een spanning tussen de wetgever die primair uitgaat van politieke wensen en de wetstechniek hieraan wel eens ondergeschikt maakt en de uitvoering die, nourri dans le détail, juist van die wetstechniek moet uitgaan, niet alleen om de toets van de rechter te kunnen overleven, maar vooral omdat de juiste uitkering op het juiste tijdstip nog altijd een leidend beginsel is. Het parlement, met name de Tweede Kamer, heeft als medewetgever zijn eigen politieke opvattingen ingebracht. Het nastreven van een uiterste aan rechtvaardigheid is kenmerkend en al dan niet compromissoire amendementen maken de wet vaak diffuus en zo fijnmazig, soms zo weinig consistent, dat ze in de praktijk moeilijk of niet hanteerbaar blijkt. Ik heb bovendien de indruk dat in de kamerdiscussies de aandacht voor de kleine wetstechniek de belangstelling voor grote politieke of structurele lijnen wel eens wat op de achtergrond drukt. Laten wij als Hoge Colleges van Staat niet proberen, ons om te vormen tot een gezelschap van wetstechneuten. Wij zijn er bovendien gelukkig niet voor geëquipeerd, zelfs al hebben wij het diploma sociale verzekering op zak. Maar het parlement, en hier zit een knelpunt, is intussen wel medeverantwoordelijk voor de wetgeving. Het kan er ook op aangesproken worden. De enige oplossing is eenvoud, maar dat schijnen wij helaas te kunnen vergeten, hoewel wij ernaar moeten blijven streven. Het wetsvoorstel dat wij nu bespreken is, zeker na een bepaalde amendering en de staatssecretaris weet wat ik bedoel, een voorbeeld van het tegendeel.

Staatssecretaris Ter Veld: Daar waar ik de wetsvoorstellen zelf nooit amendeer, is deze opmerking mij niet duidelijk. Misschien kan de heer Heijmans aangeven tegen welke onderdelen hij zijn bezwaren uit.

De heer Heijmans (VVD): Ik heb gezegd dat ik aannam dat de staatssecretaris weet wat ik bedoel. Ik neem aan dat zij dat weet, maar ik vind het amendement-Linschoten/ Schimmel een voorbeeld van een onduidelijkheid in de wetgeving. Ik kom hierop nog terug. Als de staatssecretaris het zo wil horen dan wil ik dat graag zeggen. Voorzitter! We zullen ons in hoofdzaak moeten beperken tot het maken van politieke keuzen, tot het opvangen en het verwerken van eventuele rode signalen en we mogen niet alle schuld op de uitvoeringsorganisatie schuiven. Vandaar mijn pleidooi om onze sociale wetgevingik denk dat het ook voor andere beleidsterreienen kan gelden -niet "eendimensionaal" te bekijken maar ook alle aandacht aan de lastenkant te geven. Slechts dan kan er verantwoord worden gekozen. Hierop aansluitend wil ik de wat teleurstellende reactie van de staatssecretaris over het voordeel voor het financieringstekort van het misbruik in de WAO aan de orde stellen. Dat is ook een diffuse zaak. Zij herhaalt dat het oneigenlijk gebruik een van de elementen is geweest bij de groei van het volume. Maar als ze dat zo stelt, moet ze toch enige kwantitatieve indicaties hebben, anders maakt zij zich schuldig aan laster of ten minste aan kwaadsprekerij Ik begrijp haar reactie wel, want ze zou met de billen-en met die van haar voorgangerbloot moeten en daar voelt ze blijkbaar niet voor en ik moet toegeven dat het daar ook niet het seizoen voor is. Maar ze ontkent het in elk geval niet, want ze reageert niet op onze vraag-en wie zwijgt, stemt toedat het hier om miljarden kan gaan. Toch krijg ik graag een bevestiging. Voorzitter! Ik ben de staatssecretaris erkentelijk voor het feit dat ze onze suggestie voor een meer structurele aandacht voor de gevolgen op het terrein van de uitvoering, het aanbevolen hoofdstukje "gevolgen voor de uitvoering", zinvol vindt. Maar doet zij het ook? Om een mogelijk misverstand weg te nemen, zeg ik haar dat het evenzeer om de materiële, de financiële, als om de immateriële aspecten gaat. Ik denk overigens dat ik sinds zaterdag, toen ik de adviesaanvrage over het wetsvoorstel "Terugdringing beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen" onder ogen kreeg, het antwoord wel weet. Het luidt onomwonden "ja" en de staatssecretaris zal begrijpen dat dit me veel deugd doet. Of zie ik het soms verkeerd? Ik ben echter wel geschrokken van de mededeling dat de periodieke herkeuring van arbeidsongeschikten structureel een toename van het werk met 45% betekent. Dat zal een aanzienlijke vermeerdering van het personeelsbestand inhouden. Ikzieal de hooggeleerden De Kam en Bomhoff in hun columns in NRC Handelsblad klagen over de toeneming van de uitvoeringskosten bij deze in hun ogen corporatistische organisaties. Ik denk dat wij straks toch goed zullen moeten overwegen of de baten hier de kosten overtreffen; of het proces van verdringing op de arbeidsmarkt -daar komt het immers in veel gevallen op neerdat politieke nevelspuiten rechtvaardigt Het is een wat cynische benadering maar ik geloof niet dat ze onjuist is. Ik kom er nog op terug. Het lijkt me in ieder geval noodzakelijk om straks, in de definitieve memorie van toelichting, deze achterkant van het gelijk het volle floodlight te geven. Voorzitter! Er is nog iets anders. In de memorie van antwoord op het voorliggende wetsontwerpzie pagina 12 van het stencil -worden de geïntegreerde gevalsbehandeling en de budgettering als belangrijke aandachtspunten genoemd. Natuurlijk is een geïntegreerde gevalsbehandeling aanbevelenswaard. Maar betekent dit dat GAK en GMD per se moeten samensmelten of liever dat de GMD ook organisatorisch in het GAK moet opgaan? Heeft de staatssecretaris gedacht aan de nadelen van een gigant met alle gevolgen voor een nog grotere bureaucratie? Ze weet ongetwijfeld dat het in de uitvoeringswereld vaak gedraaid heeft -en dat het daar nog steeds om draaitom machtsposities: het liefst monopolistische. Ze kent ongetwijfeld ook het verschijnsel "deseconomics of scale". Bovendien houdt een diploma sociale verzekeringen een andere discipline in dan een eindexamen sociale academie of de aantekening hulpverlener A. Zijn de schapen mak genoeg voor één hok? Krijgt dit aspect niet nog scherpere contouren door die uitbreiding straks van het personeel bijTAVIII? De staatssecretaris moet me goed begrijpen, ik zeg nu geen "ja" of "nee" en dat hoeft ook niet. Maar ik heb er in elk geval te weinig informatie voor op dit moment. Voorzitter! De bewindsvrouwe zegt verder dat er een fundamentele discussie zou worden gevoerd over de toekomst van ons stelsel. Dat verrast me, want sinds bijna twee jaar heb ik hierop aangedrongen maar ik kreeg steeds een negatief antwoord. Waarom kan het nu wèl? En vreest de staatssecretaris niet dat ze te laat is en dat ze achter de ontwikkelingen aan holt? De tendens gaat toch duidelijk naar een ministelsel. De heer Wöltgensik citeer de Volkskrant van 27 januari, mijnheer Van de Zandschulp -heeft erkend dat de Partij van de Arbeid nogal alleen staat in haar afwijzing. Toch vraag ik: wanneer komt die fundamentele discussie, wat is de kern hiervan en door wie moet zij worden gevoerd? De staatssecretaris is in haar memorie van antwoord vrij uitvoerig ingegaan op wat ik dan maar het derde deel van de trilogie noem: de aantasting in de WAO-uitkeringen. Dat geeft mij de gelegenheid om er hier ook iets over te zeggen of, liever gezegd, om een eventueel misverstand weg te nemen waarop de negatieve reactie van de minister-president kan zijn gebaseerd. Tijdens de algemene beschouwingen heeft mijn fractievoorzitter gepleit voor een commissiegeen staatscommissie, zo zeg ik met nadrukmet een tweeledige opdracht. Allereerst was dat: de mogelijkheid onderzoeken om zich bij verandering van polisvoorwaarden in de WAO individueel of collectief bij te verzekeren. Ik praat dus niet over mensen die al een uitkering hebben. Het gaat niet aan en het past niet in de "geloofsbelijdenis" van de bewindslieden-de overheid als een betrouwbare partner -om tegen hen die 20, 30 of 40 jaar premie hebben betaald maar nooit het genot (ik vind dat nog altijd een merkwaardige ambtelijke uitdrukking) van een uitkering kenden, te zeggen: bedankt voor uw trouwe bijdrage, u krijgt niet wat wij hebben beloofd en verder kunt u de boom in. Naar de mening van mijn fractie heeft die overheid ten minste de plicht om bij de behandeling van de wetsvoorstellen een "aanjager" te presenteren, waarin onder andere de voor-of nadelen van individueel dan wel collectief bijverzekeren zijn opgenomen en waarin de premiehoogte, dus de inkomensgevolgen, de aansluiting op het arbeidsongeschiktheidscriterium WAO en AAW, de eventuele verevening voor oud en jong, voor mensen met een risicovol of risicoloos beroep zijn verwerkt. Het zal de staatssecretaris toch bekend zijn dat particuliere maatschappijen zich nu al een domineren-de positie proberen te verschaffen. Kortom, wij vragen een soort plan de campagne. Het gaat hier welik zeg het met nadruk -om een absolute voorwaarde voor mijn fractie om straks de WAO-voorstellen met enige welwillendheid te bezien en een eventuele aanvaarding ervan in overweging te nemen. Hiernaast blijft natuurlijk -ik zeg dit voor alle duidelijkheid -de onaanvaardbare situatie bestaan van de aantasting van de uitkeringen voor de reeds arbeidsongeschikten. De vervolgopdracht voor de commissie zou moeten zijn -het kan ook gelijktijdig en het mogen ook andere mensen zijn -om de mogelijkheden en onmogelijkheden plus de modaliteiten van een ministelsel te bekijken, al was het alleen maar om straks te debatteren op basis van deugdelijke argumenten en niet op basis van ondeugdelijke, zoals de commissie-Wolfson heeft gedaan. Voorzitter! Het gelijk heeft vele achterkanten. Ik doel nu op de communicatie tussen werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Wij hebben in het voorlopig verslag gevraagd, welke invloed de terugdringing van het ene zal hebben op het andere bij een stagnerende of kleiner wordende arbeidsmarkt. Wij hebben gewezen op het feit dat er nu eenmaal geen 26 sigaren in een doos van 25 kunnen en dat er dus meer produktief werk moet komen. Tussen haakjes: het beleid van dit kabinet steunt zo'n ontwikkeling bepaald niet. Integendeel. Wij hebben de staatssecretaris ook gevraagd naar de politiekpsychologische ontwikkelingen -in tijden van stijgende werkloosheid meer aandacht voor de statistieken op dit terrein en bij een groeiende arbeidsmarkt meer aandacht voor ziekte en arbeidsongeschiktheid -en dit alles telkens weer met het doen aanrukken van een vers pakket kunst-en hulpmiddelen. Wij reageren nu eenmaal spastisch op statistieken, die, zoals bekend, tot de categorie van de grootste leugenaars behoren. De staatssecretaris gaat in haar memorie van antwoord nauwelijks op deze problemen in. Tussen haakjes: het zou beter zijn als het departement wat meer haast maakte bij het indienen van wetsvoorstellen en wat minder tijdens de schriftelijke voorbereiding. Dat zou de kwaliteit van die voorbereiding aanzienlijk verbeteren en het voor sommigen ook minder vaak noodzakelijk maken om een nader voorlopig verslag in te dienen. Wij hebben in de krant kunnen lezen over een absolute windstilte op het departement op dit terrein. Is dat juist? Betekent dit dat wij hier in dit huis te zijner tijd weer met een storm rekening moeten houden? De staatssecretaris erkent overigens een opwaarts werkloosheidseffect van bijna 24.000 uitkeringsjarenjammervoorde schatkist -en zij wijst op de 700.000 vacatures in 1990. Maar dat is voorbij. Aan zo iets gelooft alleen prof. Wolfson nog. Verder zegt de staatssecretaris, dat de vraag naar arbeid wordt bevorderd door de relatieve matiging van de loonkosten op minimumniveau. Dat zal waarschijnlijk wel zo zijn, maar hiertegenover staan de hoge looneisen van de vakbeweging, mede als gevolg van door dit kabinet en deze coalitie genomen kostenverhogende maatregelen. Ik noem dan het plan-Simons. Ik hecht overigens niet zoveel waarde aan cijfertjes die in de toekomst kijken. Ze rollen immers uit de computer, een machientje dat is samengesteld uit schroeven en moeren en dat anders reageert dan, ditmaal met een knipoog naar Victor Hugo, de "montage" van bloed en botten, de zogenaamde calculerende burger. Ik noem maar de CAO-uitkomsten over de Ziektewet. Voorzitter, een citaat: "Het ging dus niet alleen om het scheppen van nieuwe werkgelegenheid, maar ook om een zo goed mogelijke verdeling van de bestaande werkgelegenheid over de beschikbare arbeidskrachten, bijvoorbeeld door verkorting van de arbeidsweek, vervroegde pensionering, afremming van rationalisatie en mechanisatie, beperking van overwerk, wering van vrouwelijke arbeidskrachten en dergelijke." Slechts de laatste zinsnede geeft aan, dat het hier om een gedateerde opvatting gaat. Dat is ook zo. Zij is 55 jaar oud. Het citaat geeft de inhoud weer van de opvattingen van Romme als minister van Sociale Zaken. Het is te vinden in de Rommebiografie van prof. Bosmans. Het valt op dat alle veranderingen in die 55 jaar, demografische veranderingen, de toename van het inwoneraantal, het toetreden van minderheden en in wat wijder verband -ik geef het direct toe -de herintredende vrouwen en technologische veranderingen, zoals computers en robots, blijkbaar weinig of geen impact hebben gehad op de analyse en de aanpak van de werkloosheid. Wij hanteren voor een goed deel nog steeds de hulpmiddelen die in 1937 al geen effect hadden. Ik herinner eraan dat ongeveer een jaar later, dus in 1938, het vierde kabinet-Colijn struikelde over, jawel, de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Helaas moest er toen een oorlog komen en daarna een periode van wederopbouw om de werkloosheid echt weg te nemen. Ik herhaal: Moeten wij hieruit niet de lering trekken, maar dan uiteraard niet via een hjdensweg als die van 1940-1945, dat wij echt produktief werk moeten scheppen en geen kunstmatig in het leven geroepen al dan niet geheel gesubsidieerde, zonder denigrerend te zijn, couveusebaantjes, die wij toch al dan niet gedeeltelijk uit de collectieve middelen betalen en die op de verhouding actieven/nietactieven een goeddeels optisch effect hebben? Ook dat is een achterzijde van het gelijk. Ik rond af met de beoordeling van het wetsvoorstel. Wij staan achter het bonus/malussysteem, zij het dat wij de malus te hoog vinden, omdat de keuze tussen een computer of een andere machine en een gedeeltelijk arbeidsongeschikte voor de werkgever wel erg gemakkelijk wordt gemaakt. Wij stellen ons achter de gedachte, zojuist naar voren gebracht door mevrouw Gelderblom, over een hardheidsclausule, los van de vraag of dat nu per se in deze of in een andere vorm moet. De gedachte onderstrepen wij. Wij hebben -dat heb ik al gezegd -grote moeilijkheden met het amendement-Linschoten/Schimmel om de bekende redenen. Wat doet de staatssecretaris daaraan? Is zij bereid om, nu de SVR unaniem negatief heeft geadviseerd, het invoerings-KB op sintjuttemis te dateren? Van haar antwoord zal onze reactie in tweede termijn afhangen. Wij hebben overigens, alweer, geen antwoord gekregen op onze vraag waarom over het amendement aan de SVr wel advies over werkdruk en kosten is gevraagd en in het "grote" advies over het hele wetsvoorstel niet. Ik moet trouwens tegen mevrouw Gelderblom zeggen, dat ik wat verbaasd was over haar mededeling, dat de woordvoerders van de VVD en de PvdA-ik spreek alleen voor mijzelfhet amendement zouden hebben neergesabeld. Ik dacht dat daar geen sprake van was. Zij heeft ook het woord "neersabelen" gebruikt in relatie tot de bedrijfsverenigingen. Ik zou haar willen aanraden om het boekje "Menselijke verhoudingen in de sociale zekerheid", in het begin van de jaren zestig door de toen nog bestaande Vereniging van raden van arbeid uitgegeven, te lezen. Wellicht krijgt zij dan een iets andere indruk en zal zij merken dat het ook de uitvoeringsorganen gaat om de mensen en niet om de gevallen. Wij hebben ook onze twijfelshiermee sluiten wij ons aan bij de brief van de RCO van 9 januariover het nut van een premiedifferentiatie in de Ziektewet en de registratieverplichting inzake de WAGW. De voorgestelde loonkostensubsidie vinden wij een onjuist instrument. De staatssecretaris heeft onlangs ruiterlijk toegegeven dat de wet-Vermeend/Moor en de arbeidspools maar weinig zoden aan de dijk zetten, om het voorzichtig te zeggen. Waarom in dit wetsvoorstel dan toch deze mogelijkheid opgenomen, met alle bureaucratische trammelant van dien? En dat terwijl de staatssecretaris zelf schrijft, dat er over het resultaat niets met zekerheid is te zeggen.

Staatssecretaris Ter Veld: Naar welk artikel verwijst de heer Heijmans waar hij stelt dat ik de wet-Vermeend/Moor en de banenpools op die wijze zou hebben gekwalificeerd?

De heer Heijmans (VVD): Ik moet wat dat betreft nu in gebreke blijven. Het is mijn gewoonte om de krant aan te geven waaruit ik een uitspraak aanhaal. Dat ben ik in dit geval vergeten. Ik kan dus niet onmiddellijk antwoorden op uw vraag. Ik zal het thuis nakijken en zal het u schriftelijk laten weten.

Staatssecretaris Ter Veld: Dan zal ik de heer Heijmans de tekst van de speech over de banenpools die ik toen gehouden heb, doen toekomen. Dan zal hij constateren dat de kranteknipsels ook nog kloppen met de tekst. De banenpools lopen namelijk goed; ze zijn voor meer dan de helft bezet. Dat is uitstekend als je bedenkt hoe kort geleden ze gestart zijn. Als anderen zeggen dat de helft negatief is, dan zeg ik dat ze ten minste halfvol zijn.

De heer Heijmans (VVD): Zonder een krant een blaam toe te willen werpen, ik heb het uit de krant gehaald, maar ik weet op dit moment niet meer welke. Hoe het ook zij, dat maakt ons "neen" toch niet minder hard. Mijnheer de voorzitter! Wij vragen de staatssecretaris om de maatregelen zo spoedig mogelijk te evalueren. Dan denken wij niet aan jaren, zoals bij de stelselherziening van 1987. Ook verwachten wij geen dikke boeken met wetenschappelijke analyses en betogen met reeksen, cijfertjes en statistieken. Enkele A4-tjes met beleidsmatige conclusies en eventuele aanpassingen, met de schijnwerper ook gericht op de achterkant van het gelijk-en dit in ook voor de burgers begrijpelijk Nederlands -lijken ons straks voldoende voor een globale politieke toets op rechtmatigheid en, niet minder, doelmatigheid. Ik heb de memorie van toelichting op het TAV III, zoals voorgelegd aan de SVR, nog niet bestudeerd, maar wel doorgebladerd. Ik krijg de indruk dat de staatssecretaris althans bij een eerste evaluatie ook in deze richting denkt. Als ik dat niet juist heb, dan hoor ik daarop straks graag haar reactie.

©

W. (Willem) van de ZandschulpDe heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter! Dit jaar bestaat de WAO 25 jaar. Ik heb nog niets gemerkt van enige voorbereiding om dit jubileum te vieren. Misschien is de WAO wel te controversieel geworden voor een jubileumviering. Dat zou jammer zijn. Ik meen nog steeds dat de WAO een goede wet is die de verdediging waard is en die zo ongeschonden mogelijk door een moeilijke periode heen geloodst moet worden. Natuurlijk kijk ook ik met sterke ambivalentie terug op 25 jaar WAO. De WAO had twee doelstellingen. 1.

Werknemers adequaat te verzekeren tegen het loonverlies als gevolg van arbeidsongeschiktheid. 2. Arbeidsongeschikten te integreren of reïntegreren in de maatschappij, zo mogelijk via betaalde arbeid en anders door ze in staat te stellen op een andere wijze deel te nemen aan het maatschappelijk leven Beide doelstellingen behoren bij elkaar. Het gaat erom, zoals Joop den Uyl het huiselijk uitdrukte, de boel een beetje bij elkaarte houden. Helaas domineren in de maatschappij en in de politiek steeds weer krachten die beide doelstellingen uit elkaar trekken of zelfs tegen elkaar uitspelen. Bij een terugblik op 25 jaar WAO is op enkele punten toch een vrij brede maatschappelijke consensus gegroeid. Werkgevers en werknemers hadden, elk vanuit hun eigen invalshoek, soms een gezamenüjk kortetermijnbelang bij de WAO als "way out" uit het arbeidsproces, bijvoorbeeld bij reorganisaties, inkrimpingen, versnelde modernisering en opvoering van de arbeidsproduktiviteit en soms bij arbeidsconflicten. In de uitvoeringspraktijk domineerde het aspect van schadeverzekering boven revalidatie en reïntegratie in het arbeidsbestel. De uitkering fungeerde te vaak als afkoopsom voor het recht op arbeid. Uitkeringsbestel en arbeidsbestel zijn te sterk uiteen gegroeid. Wij moeten nu de lang verwaarloosde preventie-en reïntegratiedoelstelling in balans brengen met de inkomensbescherming. Naarmate dat beter lukt, kunnen de uitkeringslasten dalen. Ik hoop dat wij die volgorde weten aan te houden, anders slaat de balans straks door in de andere richting. Om een evenwicht te bereiken zijn veranderingen nodig in het arbeidsbestel. Financiële prikkels kunnen daarbij een nuttige, maar bescheiden rol spelen. Er zijn ook veranderingen nodig in de uitvoeringspraktijk van de arbeidsongeschiktheidswetten en in de uitvoeringsorganisatie. Er zal geïnvesteerd moeten worden in de uitvoeringsorganisatie. De publieke en politieke controle daarop moet versterkt worden. De uitvoeringsorganisatie moet niet alleen beoordeeld worden op het aantal behandelde gevallen of verstrekte uitkeringen, maar ook op het aantal via reïntegratie bespaarde uitkeringen. Na 25 jaar WAO is dit wetsvoorstel Terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume de eerste serieuze poging van de wetgever om tot een volumebeleid te komen. Wij verwelkomen dit met enig enthousiasme, al zullen wij op onderdelen sceptische en kritische opmerkingen maken. In TAV I wordt een scala van maatregelen voorgesteld. Over vele daarvan zal ik vanmiddag niet of nauwelijks spreken. Dat betekent dat die onze instemming hebben. Ik noem de verbeterde tekst van artikel 30 van de Ziektewet en de introductie van een analoge bepaling in de WAO, de loonkostensubsidies -een heel goed instrument dat zonder bureaucratische rompslomp te hanteren valt, mijnheer Heijmans-de inwerkvergoeding, de verruimde toepassingstermijnen van de artikelen 33 AAW en 44 WAO en de vertraging van schatting na scholing. Deze maatregelen zijn allemaal te beschouwen als bruikbaar gereedschap voor de uitvoeringsorganen om aan preventie en reïntegratie te werken. Mijn verdere betoog is ingedeeld in de volgende paragrafen: financiële prikkels voor de werkgever, financië-ie prikkels voor de werknemer, investeren in de uitvoeringsorganisatie en een slotbeschouwing. Ik begin met het onderdeel financiële prikkels voor de werkgever. Het volumebeleid van dit wetsvoorstel leunt voor een belangrijk deel op financiële prikkels. Ook mijn fractie beschouwt dit als een nuttig hulpmiddel Bij financiële prikkels voor de werkgever gaat het om een medaille met twee kanten. De prïkkels moeten zo substantieel zijn dat zij niet als bagatel beschouwd kunnen worden en zij moeten een gedragsreactie uitlokken. Die gedragsreactie kan positief zijn: meer preventie, verbeterd personeelsbeleid, verzuimbegeleiding en aanpassing van werk en werkplek. Eventueel kan de gedragsreactie ook negatief uitpakken, bijvoorbeeld in de vorm van een verscherpte selectie bij het aannamebeleid of meer tijdelijke contracten. Ik heb begrepen dat het kabinet zich dit jaar opnieuw buigt over werving en selectie, en ook over de rechtspositie van de keurling. Ik wacht de uitkomst daarvan af Er zijn nog enkele andere overwegingen op grond waarvan grenzen gesteld kunnen worden aan de mate van financiële prikkels voor de werkgever. Het maatschappelijk draagvlak is van belang. Het feit dat Nederland, terecht, geen onderscheid maakt tussen risque professionnel en risque social, noopt in dit verband tot enige terughoudendheid. Tenslotte hoort ook een kostenbatencalculatie voor de uitvoeringsorganisatie een rol te spelen in de afweging Ik heb over de afzonderlijke onderdelen nog enkele opmerkingen. Ik ben geen tegenstander van de gedachte van premiedifferentiatie in de Ziektewet per afzonderlijke werkgever. Ik ben evenmin tegen een eigen risico voor de werkgever bij zes of drie weken ziekteverzuim, een onderdeel van TAV II. Ik zet wel een vraagteken bij de combinatie van beide voorstellen. Een cumulatie van maatregelen die elk afzonderlijk bezien een nuttig effect kunnen hebben, betekent niet dat die nuttige effecten steeds eveneens cumuleren. Zes of drie weken eigen risico bij ziekteverzuim halveert ongeveer de ZW-premie en halveert eveneens de marges voor premiedifferentiatie. De resterende ZW-premie moet nu naar de individuele werkgever differentië-ren, na aftrek van het verzuim wegens zwangerschap en bevalling en eventueel na aftrek van de gepoolde kleine werkgevers. Omdat de ziekteverzuimregistratiesystemen nu nog gebrekkig zijn, betreft de premiedifferentiatie voorlopig het premiejaar minus twee, zodat er in de eerste jaren nog geen sprake zal zijn van een "lik-opstukbeleid". Ik kan niet overzien of er dan nog steeds genoeg overblijft om het beoogde effect, in de memorie van toelichting omschreven in termen als "een behoorlijk prikkelende werking" en "direct effect op het handelen van de werkgever", te realiseren. Indien het om kleine marges zou gaan, is het effect wellicht ook marginaal en dat moet dan gewogen worden tegen de overheadkosten van de uitvoering. Mijn tweede opmerking in dit onderdeel betreft het bonus/malussysteem in de WAO. Ik ben hier voorstander van. Een ding zit mij hierbij wel dwars. Als een werkgever een gedeeltelijk arbeidsongeschikte in dienst neemt (wellicht met een bonus) die later uitvalt wegens toenemende arbeidsongeschiktheid, is deze werkgever toch een malus verschuldigd. Ik denk dat dit als onrechtvaardig ervaren zal worden en dat dit misschien wel anti-reïntegrerend kan uitwerken. Dat klemt des te sterker als het gaat om tewerkstelling van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte met voortschrijdend ziektebeeld, van wie een latere uitval wegens toenemende arbeidsongeschiktheid welhaast voorspelbaar is. Op een ander moment in dit wetsontwerp is het kabinet wel bereid om tegemoet te komen aan de aarzelingen bij werkgevers om gedeeltelijk arbeidsongeschikten in dienst te nemen. Daar wordt geregeld dat bij ziekteverzuim van deze gedeeltelijk arbeidsongeschikte de collectieve ziektekas de bovenwettelijke aanvulling krachtens de CAO van deze werkgever gedurende drie jaar overneemt. Voor mij zou dat veel minder nodig zijn dan het achterwege laten van de malus in de hiervoor geschetste situatie. Ik begrijp alle bezwaren tegen uitzonderingen of verfijningen van de regelgeving. Als men geen verfijning wil, zou men misschien ook kunnen overwegen om in het betreffende artikel 59, lid i, van de AAW de woorden "of verhoging in verband met toeneming van de arbeidsongeschiktheid" te schrappen. Ook de mogelijkheid van een hardheidsclausule zou ik onder ogen willen zien. Ik wacht de reactie van de staatssecretaris af. Het thema financiële prikkels voor werknemers in ZW en WAO ligt gevoelig. Ik wil proberen er onbevangen naar te kijken. Wat de ZW betreft, constateer ik dat er bij het begin van de ziekmelding sprake kan zijn van een subjectief keuze-element, terwijl er in de eerste dagen van ziekmelding niet altijd sprake is van controle of medische begeleiding. Een zeker eigen risico bij de eerste dagen vanaf de ziekmelding vind ik zeker bespreekbaar. Een lagere uitkering dan een 100%-doorbetaling verdient daarbij de voorkeur boven het inleveren van vakantiedagen. Dat laatste betekent de facto arbeidstijdverlenging en dat acht ik maatschappelijk niet gewenst. Nu in de Nadere aanbeveling van de Stichting van de Arbeid van 8 november 1991 onder de titel "Arbeidsvoorwaardelijke prikkels" ook de variant van het inleveren van vakantiedagen bij ziekte als mogelijkheid genoemd wordt, zal ik mij er echter niet tegen verzetten dat de wetgever dit mogelijk maakt. Inmiddels blijkt uit de ervaring met een handjevol CAO's dat de CAO-partijen niet zo erg geneigd zijn om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Ik vind het nog wat vroeg om daarover nu al heel zorgwekkend te doen en ik vind het nog meer voorbarig om nu al te dreigen met het niet langer verbindend verklaren van bedrijfstak-CAO's. In elk geval meen ik dat wij eerst een grondige discussie moeten voeren over het instrument van de algemeenverbindendverklaring. Indien blijkt, dat de stichtingsaanbevelingen over "arbeidsvoorwaardelijke prikkels" weinig gevolg hebben, wil ik het kabinet vragen of er nog andere varianten in discussie kunnen komen. Ik denk bijvoorbeeld aan de volgende variant. Men kan de discussie met de vakbeweging heropenen en haar voorleggen een doorbetaling van minderdan 100% in het begin van het ziekteverzuim te accepteren in ruil voor het opnieuw bespreekbaar stellen van bijvoorbeeld onderdelen van de voorgenomen ingreep in de WAO, zoals opgenomen in het wetsvoorstel TAV III, dat inmiddels TBA heet. In dat geval zou de vakbeweging geconfronteerd worden met een test naar haar solidarïteitsgehalte: zijn actieve werknemers, die bijna allen wel eens ziek zijn, bereid om een klein stukje verworven bovenwettelijke rechten op te geven ter wille van collega's die langdurig arbeidsongeschikt worden verklaard? Ik ben beland bij de vraag of financiële prikkels ook een rol kunnen spelen bij WAO-uitkeringsgerechtigden. Bij de beantwoording van deze vraag past een grote zorgvuldigheid. Het gaat hierbij om personen die via een lange gang, vaak een martelgang, langs vele artsen en instanties langdurig arbeidsongeschikt zijn verklaard. Voor een deel van deze personen geldt, dat de maatschappij hun uitkering in het verleden soms nogal gemakzuchtig als afkoopsom voor het recht op arbeid heeft gehanteerd en dat een wezenlijk reïntegratiebeleid voor sommigen van hen een nieuwe kans kan bieden. Voor een ander deel gaat het om blijvend arbeidsongeschikten, mensen die inderdaad geen kant op kunnen. Bij heroriëntatie van het beleid gericht op intensivering van de reïntegratiedoelstelling heeft de eerste groep vooral behoefte aan positieve stimulansen: aanmoediglng van zelfvertrouwen, trajectbegeleiding, vormen van positieve actie. Bij een intensief reïntegratiebeleid kunnen positieve financiële prikkels en, bij eventuele afwezigheid van de bereidheid tot medewerking, negatieve financiële prikkels een zekere rol spelen. Reïntegratieprikkels passen in een reïntegratiebeleid. Enkele ervan zijn in dit wetsontwerp opgenomen. De roep om individuele financiële prikkels neemt echter groteske en absurde vormen aan, als deze ook toepasbaar wordt verklaard op blijvend volledig arbeidsongeschikten. Ik denk hierbij aan mensen die geen kant op kunnen, aan onomkeerbare gevallen; ik gebruik een aantal termen dat inmiddels gangbaar is geworden in de discussie. Dan verdwijnt de relatie met het reïntegratiebeleid achter de horizon en resteert slechts een naakt financieel argument. Wij beseffen heel goed dat bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid de vraag naar omkeerbaarheid of onomkeerbaarheid vrijwel nooit met zekerheid te beantwoorden is. Bij een goede begeleiding en periodieke herbeoordeling blijkt echter uiteindelijk vanzelf wie er onomkeerbaar arbeidsongeschikt is. De vraag naar eventuele onomkeerbaarheid leidt natuurlijk wel tot een uitzichtloze impasse als men zich niet tevreden stelt met de rol van begeleider en periodiek beoordelaar, maarzich de rol van toekomstvoorspeller wil aanmeten. Ik heb de indruk dat in de diverse kabinetsvoorstellen tot dusver het element van financiële prikkels iets overbelicht wordt en elementen als verbetering van de uitvoeringspraktijk en investeren in de uitvoeringsorganisatie iets onderbelicht blijven. De laatste zijn evenzeer onmisbaar bij een werkelijk volumebeleid. Tot voor kort waren de uitvoeringsorganisaties van de arbeidsongeschiktheidswetten nogal in zichzelf gekeerde en weinig transparante organen. Publieke en politieke belangstelling en controle waren miniem. Sinds kort is de publieke en politieke aandacht voor uitvoeringspraktijk en uitvoeringsorganen sterk gegroeid. Dat is een winstpunt, maar de wijze waarop die betrokkenheid zich uit, is niet altijd even gelukkig. Daar kom ik nog op terug. Sinds kort is ook de veranderingsbereidheid van de uitvoeringsorganisaties sterk toegenomen, evenals de bereidheid om verkokering te overwinnen. Het meest opvallend was wel de bereidheid van de FNV, in een recente nota, om schotten te verwijderen. De FNV is met vele posities geworteld in alle uitvoerings organen van de sociale verzekering en de arbeidsvoorziening. Van belang is zeker ook dat de eerste stap in de richting van een iets verzelfstandigd en een iets onafhankelijker en actiever toezicht op de uitvoeringsorganisatie van sociale verzekeringen in gang is gezet Ik ga nu niet in op allerlei herstructureringssuggesties, de discussie over de bestuurssamenstelling (bipartiet of tripartiet), de ingewikkel-de relatie tussen sectorale en regionale aanpak en de vraag op weike wijze het tot dusver onderling te sterk van elkaar verwijderde uitkerings-en arbeidsvoorzieningsbestel nauwer op elkaar afgestemd kunnen worden, hoewel al die vragen relevant zijn voor een volumebeleid. Ik blijf dichter bij huis en beperk mij tot vragen die direct relevant zijn voor een goede uitvoering van TAV I en overig volumebeleid inzake arbeidsongeschiktheid. Ik zei al dat ik de grotere politieke betrokkenheid bij de uitvoeringsorganisatie toejuich, maar dat zij soms ongelukkig tot uiting komt. Ik onderstreep de politieke eindverantwoordelijkheid voor de sociale zekerheid, inclusief de werknemersverzekeringen, en voor de wijze van uitvoering tegenover de leus "alle macht aan de sociale partners". Die eindverantwoordelijkheid kan echter alleen dan goed worden waargemaakt, als er sprake is van nauw overleg met de uitvoeringsorganisaties en als de politiek bereid is hun overwegingen inzake uitvoerbaarheid serieus te nemen. Ik kom dan op het amendement-Linschoten/Schimmel, dat ik volgens mevrouw Gelderblom tot haar verbazing honend neergesabeld zou hebben. Ik hoop dat ik met het volgende de verbazing van mevrouw Gelderbiom kan wegnemen. Ik begrijp heel goed dat de Tweede Kamer, na meer dan tien jaar onmachtig gestoethaspel met vrijwillige en vrijblijvende samenwerkingsafspraken tussen bedrijfsverenigingen en GMD, een daad wilde stellen en het belang van een zo vroeg mogelijke reïntegratie-inspan ning scherp wilde formuleren in de wet. Het op een achternamiddag bedachte amendement-Linschoten/ Schimmel, over een verplichte melding met dossieroverdracht aan de GMD na zes weken en een in de dertiende week door de GMD op te stellen reïntegratieplan, was echter een overreactie en een vorm van bureaucratisch radicalisme. De onwerkzaamheid van dit model is vorige week door de SVR voldoende aangetoond. In het amendement-Linschoten ging het om een melding van alle ziektegevallen na zes weken. Dat zijn er 700.000. De tekst van het amendement-Linschoten/Schimmel moet naar mijn mening alsnog worden gewijzigd in een werkzame formulering. Wat mij betreft staat daarbij het belang van een vroegtijdige reïntegratie-inspanning voorop, en niet formaliteiten als meldingsplicht en dossieroverdracht. Bij het ontwikkelen van een goed werkend model voor een vroegtijdige reïntegratie-inspanning mag er wat mij betreft voorlopig best een verschil bestaan tussen de bedrijfsvereingingen die zijn aangesloten bij het GAK, en de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen. De eerste groep heeft de GMD in eigen huis. Samenwerking en verdere integratie van GAK en GMD zijn al in de steigers gezet. In dit geval kan men zonder enige bureaucratische overhead al anticiperen op de zogenaamde geïntegreerde gevalsbehandeling. Bij de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen ligt dat anders. Natuurlijk moet ook van de zelfadministreerders geëist worden dat alle langdurig zieke werknemers vroegtijdig, dat wil zeggen uiterlijk na zes maanden en soms eerder, bij de GMD gemeld worden, zodat het niet langer kan voorkomen dat zieke werknemers na twaalf maanden ongemerkt de WAO inglijden. Voordat die eerste zes maanden verstreken zijn, zouden deze bedrijfsverenigingen zelf al terugkeerplannen kunnen maken. Daarvoor moeten de zelfadministreerders over arbeidsdeskundigen kunnen beschikken. Het zou goed zijn als zij die vanaf heden zouden aantrekken en/of opleiden. Als wij de reïntegratiedoelstelling serieus nemen, hebben wij meer arbeidsdeskundigen nodig. Investeren in de uitvoeringsorganisatie is een van de voorwaarden voor een goed reïntegratiebeleid. Voor de reïntegratietaak betekent dit meer en deels anders georiënteerd personeel. Ik denk daarbij zeker niet in de eerste plaats aan medici. De WAO is niet alleen een kwestie van medische mankementen, maar vooral een kwestie van mankementen in het arbeidsbestel. Ik denk vooral aan arbeidsdeskundigen en aan personeel dat zorgt voor begeleiding in het traject van uitkering naar werk.

Voorzitter: Tjeenk Willink

De heer Van de Zandschulp (PvdA)undefined: Voor een toelichting op dit standpunt kijk ik even terug naar de ontwikkelingen in de jaren tachtig. Toen de werkloosheid pijlsnel opliep in de richting van 850.000 is ervoor gekozen, bij de arbeidsbemiddeling voorrang te verlenen aan de iets kansrijkeren. Het ging om zogenaam-de vraaggerichte bemiddeling. De afdelingen bijzondere bemiddeling bij de arbeidsbureaus werden zelfs opgeheven. De prijs van die keuze bleek toen in de tweede helft van de jaren tachtig de arbeidsmarkt weer aantrok. De arbeidsinschakeling van veel langdurig werklozen vergde een arbeidsintensieve, individuele trajectbegeleiding en maatwerk. Daartoe werden instrumenten bedacht als heroriënteringsgesprekken, sollicitatieclubs, loonkosten-en scholingssubsidie en banenpools. De positie van langdurig arbeidsongeschikten met restcapaciteitom die afschuwelijke term te gebruikenis in menig opzicht vergelijkbaar met die van langdurig werklozen, al is de problematiek nog weerbarstiger. Die categorie is nog langer aan haar lot overgelaten. Vanaf medio 1986 kreeg de GMD de arbeidsbemiddelingstaak voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten opgedragen, aanvankelijk zonder bijpassend instrumentarium. De laatste jaren begint de GMD over enig gereedschap voor de reïntegratietaak te beschikken, zij het nog steeds mondjesmaat. Sinds enkele jaren beschikt de GMD over een bescheiden, maar toenemend scholingsbudget. Met de invoering van de verbeterde ontslagbescherming van arbeidsongeschikten in 1991 en met de invoering dit jaarvan het bonus/malussysteem, loonkosten-en inwerkingssubsidiemogelijkheden wordt de GMD voorzien van gereedschap voor die taak. De personeelstoerusting is echter beperkt. Van de ongeveer 1600 personeelsleden van de GMD zijn er, voor zover mij bekend, ruim 40 belast met arbeidsbemiddeling en vacaturewerving in het hele land. Ook als ik er rekening mee houd dat de arbeidsdeskundigen in hun contacten met bedrijven oren en ogen wijd open hebben, is dat aan de magere kant. Het aantal scholingstoepassingen was enkele jaren geleden nog zeer onbeduidend, maar groeit nu toch.

Voor 1990 kom ik alles te zamen op een kleine 6000 scholingstoepassingen. Dit is zeker vermeldenswaard, maar toch nog niet echt indrukwekkend. Van die scholingstoepassingen had circa 18% betrekking op personen boven de 40 jaar. Op het eerste gezicht viel dat percentage mij nog mee, totdat ik mij realiseerde, dat ruim driekwart van de arbeidsongeschikten boven de 40 jaar is. Over scholing maak ik nog één opmerking. Het kabinet stelt, dat scholing de kortste weg naar een arbeidsplaats dient te volgen. In het algemeen spreek ik dat niet tegen. Ik maak er echter wel een relativerende kanttekening bij. Arbeidsongeschiktheid kan soms zeer langdurig zijn. Prognoses over de arbeidsmarktontwikkeling hebben hun beperkte geldingsduur. Ik geef een voorbeeld Een jeugdige gymnastiekleraar met hart en ziel voor het onderwijs raakt lichamelijk fors gehandicapt. Hij zal zijn vroegere beroep waarschijnlijk nimmer meer kunnen uitoefenen. Misschien is deze persoon na omscholing wel heel geschikt als wiskunde-of aardrijkskundeleraar. Wellicht is dat niet de kortste weg naar betaalde arbeid, zeker niet als wij straks het begrip passende arbeid in de WAO vervangen door gangbare arbeid. Ik denk, dat wij deze langere scholingsweg van deze gymnastiekleraartoch maar moeten toestaan. Ik pleit dus voor een soepeler toepassing. Nu de GMD onder andere via dit wetsvoorstel voorzien wordt van gereedschap voor de reïntegratietaak, is het zaak, eveneens voldoende goed toegerust personeel voor deze taak aan de uitvoeringsorganisatie beschikbaar te stellen. De opgedane ervaringen met arbeidsmarkttoeleiding van langdurig werklozen kunnen door de GMD benut worden. Ik denk aan de heroriënteringsgesprekken. Samenwerkingsverbanden tussen GMD en arbeidsbureaus, zoals hier en daar al ontstaan, zijn zeer nodig. In het 25ste jaar van de WAO lijkt de maatschappij voor het eerst ernst te gaan maken met volumebeheersing. De start van het volumebeleid geschiedt helaas in een moeilijk arbeidsmarktjaar met licht oplopende werkloosheid. De implementatie van diverse maatregelen zal ook enige tijd vergen. Sommige maatregelen zullen na evaluatie wellicht bijgesteld moeten worden of aangevuld moeten worden. Er zal meer en anders georiënteerd personeel aangetrokken moeten worden voor de uitvoering van de reïntegratietaak. Ik heb goede verwachting van de mogelijkheden. De politiek moet wel enig geduld en enige volharding tonen. Na 25 jaar van veel scheefgroei is een volumebeheersing niet in een paar maanden te realiseren. Ik stel voor, dat wij tweeënhalf jaar de tijd nemen om dit pakket maatregelen goed te implementeren, bij te stellen en aan te vullen en dan de balans opmaken De eerste prille tekenen van een volumebeleid dienen zich al aan. In 1991 is er sprake geweest van een licht meevallende ontwikkeling van 5000 uitkeringsjaren, vergeleken met de ramingen van de nota Sociale zekerheid I992. Ik heb uit de schriftelijke gedachtenwisseling heel goed begrepen, dat ik ervoor moet waken om mij te vroeg rijk te rekenen. Die licht meevallende ontwikkeling van 1991 moeten wij toch wel in dank incasseren. Afgelopen vrijdag publiceerde het kabinet een nieuw concept-wetsvoorstel in een reeks van drie over Ziektewet en WAO. Wat mij betreft, mogen de op reïntegratie gerichte onderdelen daarvan snel in behandeling komen en daarna snel ingevoerd worden. Anders ligt het met het onderdeel, dat de WAO-uitkeringshoogte verlaagt. Dat past niet in de reeks volumemaatregelen en dat tast het maatschappelijk draagvlak van het kabinetsbeleid aan. Toch denk ik, dat dit meest aanvechtbare onderdeel misschien op enigerlei wijze dienstbaar te maken valt aan een volumebeleid. Laten wij dat onderdeel nu eens voorzien van een voorwaardelijke ingangsdatum, bijvoorbeeld in deze trant: dit onderdeel gaat in op 1 juli I994, tenzij een vooraf geformuleerde volumedoelstelling dan gehaald is Als het kabinet dan tegelijkertijd een voorstel voorbereidt tot quotumoplegging in de WAGW -toegegeven, een paardemiddel-en dat voorziet van precies dezelfde voorwaardelijke ingangsdatum, dan krijgen beide arbeidsmarktpartijen vanuit een uiteenlopende invalshoek een sterk gezamenlljk belang bij preventie en reïntegratie. Twee stokken achter de deur, om de druk maximaal op te voeren, zouden wel eens veel onvermoede energie kunnen losslaan. Twee stokken achter de deur is een beter instrument dan één stok die goeden en kwaden zonder onderscheid slaat. De notie dat goeden en kwaden zonder onderscheid getroffen worden, ontleen ik aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ik wens het kabinet en de maatschappij veel creativiteit en volharding toe bij het volumebeleid. Ik wens het kabinet een sterk strategisch en tactisch inzichttoe, gericht op vergroting van het maatschappelijk draagvlak, bij het zetten van verdere stappen. Misschien kan het WAO-drama dan toch nog een goede afloop krijgen. Bij al het moeizame geploeter met de weerbarstige WAO-problematiek is het goed om soms even een adempauze in te lassen en een buitenstaander aan het woord te laten. Ik citeer uit een recent interview met de Amerikaanse econoom Galbraith: "Ik ben een groot bewonderaar van de Nederlandse verzorgingsstaat, daar maak ik geen geheim van. Ik beschouw Holland als een van de beschaafdste landen ter wereld. Dat doe ik omdat het verzorgingsstelsel een groot aantal mensen behoedt voor narigheid in het leven. Er zijn natuurlijk altijd zaken die moeten worden bijgesteld als zij tot extremen leiden, maar ik ben liever in Holland arbeidsongeschikt dan in New York. Het is een van de rustigste en gelukkigste landen van de wereld. Waarom zouden de Nederlanders klagen? Het is beter dat er te veel mensen een uitkering hebben dan dat er helemaal geen uitkering is. Het Nederlandse verzorgingsmodel is completer dan het Amerikaanse. Dat vereist hogere belastingen. Ik vind het een teken van beschaving, dat mensen belasting willen betalen om anderen ellende en gebrek te besparen." Misschien moeten wij het 25-jarig bestaan van de WAO toch maar vieren, op ingetogen wijze.

©

H. (Harm) van der MeulenDe heer Van der Meulen (CDA): Voorzitter! De jaren tachtig kunnen gekenmerkt worden als een periode waarin een start werd gemaakt met de versterking van de werkgelegenheid en bestrijding van de hardnekkige werkloosheid, met als startpunt het centraal akkoord 1981, een akkoord dat helaas twee jaar te laat kwam. Hopelijk zullen de jaren negentig te boek gaan staan als jaren waarin met succes de strijd tegen ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid is begonnen.

En ook hier lag als startpunt een door de overheid, werkgevers-en werknemersorganisaties bereikt akkoord. Zonder een dergelijk akkoord tussen alle verantwoordelijke groeperingen zou er geen kans van slagen zijn. Alle groeperingen moeten hieraan meewerken. Het zou eiger .ijk van een overtrokken arrogantie getuigen wanneer een der groeperingen zou denken deze gigantische operatie alleen te kunnen klaren, maar dat is gelukkig niet het geval. De schijnwerpers zullen in de komende jaren gericht worden op een ernstige poging om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid terug te dringen. Dat is een goede zaak. Wij hebben in de achterliggende jaren te maken gehad met een vaak forse toename van bedrijfsinvesteringen en werkgelegenheid. In de MEV 1992 wordt vastgesteld dat een groeivertraging voor ons land onvermijdelijk is, met nadelige effecten op onder andere de groei van de werkgelegenheid. Ook de minister van Economische Zaken en prof. Rutten hebben daar verleden week het een en ander over gezegd. Dreigt niet het gevaar dat de bestrijding van met name de langdurige werkloosheid in het moeras zal zakken, om nog maar te zwijgen van de plannen om zestigduizend allochtonen aan het werk te krijgen? Zijn wij, ook als er sprake is van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, in staat om zowel het een als het ander en nu ook het derde te realiseren? Of is het meer een kwestie van het een, het ander of het derde aan te pakken? Die zorg, die ongerustheid van de CDA-fractie klinkt ook door aan de overzijde en bij de minister zelf in het pleidooi voor of de gedachte aan wettelijke maatregelen voor het in dienst nemen van allochtonen. Hoe groot is de kans dat de bestrijding van het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid als een modeverschijnsel wordt gezien waarmee eer te behalen is als er in een bedrijfstak of onderneming successen worden geboekt terwijl het algemene beeld van de werkloosheid verslechtert? Ik doel nu niet op bepaalde verdringingsprocessen die wel van tijdelijke aard zullen en die wij ook voor onze rekening moeten nemen. Nee, het gaat mij veeleer om een structurele aanpak van de door mij genoemde aandachtsgebieden langdurige werkloosheid, allochtonen en ziekte en arbeidsongeschiktheid. Hoe zal dat alles gaan bij de in de komende jaren te verwachten economische ontwikkelingen? Mijn fractie zou het op prijs stellen als de staatssecretaris hieraan een beschouwing wilde wijden, maar misschien zouden wij ook eens kunnen letten op de wijsheid van de Prediker: "Als je steeds op de wind let, zul je niet zaaien en als je steeds op de regen let, zul je niet maaien; doe je werk nu maar, want je weet niet of het een gelukken zal of het andere, dan wel of beide te zamen goed zullen zijn." Voorzitter. Mijn fractie onderschrijft de doelstelling, verwoord in de memorie van toelichting: het terugdringen van de groei van het arbeidsongeschiktheidsvolume en het geven van betere mogelijkheden aan een arbeidsongeschikte om weer aan het arbeidsproces deel te nemen. In het voorlopig verslag heeft de CDA-fractie maar een paar vragen op hoofdpunten gesteld. Ik dank de staatssecretaris voor haar antwoord daarop, maar ik zou mij toch nog enkele opmerkingen willen veroorloven. Een zeer omstreden punt, ook in relatie met de nu unanieme opvatting in de SER, is de als een verplichting gehandhaafde premiedifferentiatie. Dit systeem is een goed uitgangspunt, want de rekening wordt neergelegd waar de kosten worden gemaakt. En als er niets wordt gedaan aan preventie, begeleiding, arbeidsomstandigheden en dergelijke, moet degene die daar verantwoordelijk voor is, maar op de blaren zitten. Het omgekeerde geldt ook. Maar door het eigen risico voor de werkgever om de eerste drie of zes weken voor eigen rekening te nemen komt dit nog veel pregnanter naar voren. Als er in een bedrijfstak sprake is van een gemiddelde van bijvoorbeeld 6%, met een spreiding van 2 tot 16%, dan komt dit hard aan. Wij hebben geen concreet antwoord gekregen op de vraag, hoeveel procent de ziektewetpiemie zal dalen bij invoering van de periode van drie tot zes weken. Ik moet mij dus beperken met gegevens van anderen. De FME heeft berekend, uitgaande van bepaalde veronderstellingen, dat in de metaalindustrie de premie zal dalen van 9% naar 3%. En van die 3% komt ongeveer 1,5% voor rekening van de werkgevers en daar zou de differentiatie plaats moet vinden. Wegen hier de kosten op tegen de baten? Zijn daarover berekeningen bekend? Of gaan wij hier dezelfde weg op als bij de vervroegde aanmelding van ziekte bij de GMD? Ik kom hier straks nog op terug. Heeft de SVR hier een oordeel over? Hier betreft kosten en vooral effecten bij de verplichte differentiaties. De uitvoeringsorganisaties liggen toch al zwaar onder vuur, om een uitdrukking van collega Heijmans aan te halen. Worden uitvoeringsorganen, naast uitkeringsfabrieken nu ook berekeningsfabrieken die tot twee cijfers achter de komma, premies moeten vaststellen? Het lijken de Olympische Spelen wel, een verschil van 0,09 gaat van goud naar brons. Naast praktische argumenten wil ik een meer principieel punt opvoeren. Mijn fractie onderschrijft de opvatting in de memorie van toelichting dat er een "herschikking van bevoegdheden tussen overheid en sociale partners moet komen. Vergroting van verantwoordelijkheden in het kader van de Ziektewet sluit immers aan bij de verantwoordelijkheid die sociale partners dragen bij terugdringing van het ziekteverzuim." Wordt hier, zo vraag ik de staatssecretaris, de verantwoordelijkheid van sociale partners niet verkleind door het verplicht opleggen van een ver doorgevoerde premiedifferentiatie? Ik meen dat nu wordt gewerkt met gemiddelde premies. Past het niet meer In het uitgangspunt van de vergroting van de eigen verantwoordelijkheid, de verplichting om te zetten in een bevoegdheid van een gemiddelde premie af te wijken? Een paar opmerkingen over het bonus/malussysteem. Ikga niet twisten over de uitvoerbaarheid en ingewikkeldheid. Het is een voorstel dat gedragen wordt door de SER. Men kan een groot geloof hebben in de werking daarvan, maar zelfs met een klein geloof kunnen bergen worden verzet. Wij hebben moeten constateren dat er wat onrust is bij kleine bedrijven. Hun woordvoerder, de heer Kamminga, heeft daarvan op 20 februari blijk gegeven. Hij voorziet duizenden failiissementen door het bonus/malussysteem en roept de Eerste Kamer op of het voorgestelde systeem zijn doel niet voorbij schiet. Dat moesten wij nog maar eens ernstig nagaan in deze Kamer. Ik leg de opvatting van de heer Kamminga bij de staatssecretaris neer. Op duizenden faillissementen zitten wij niet te wachten. Naast veel menselijk leed is er veel werkgelegenheid mee gemoeid. Ook heb ik begrepen dat er in het veld bij bepaalde G en G-sectoren met name in de gezondheidszorg ongerustheid bestaat over de vraag of dit systeem wel werkt. Men werkt met krappe budgetten. Er moeten meer handen aan het bed. Herbezetting is moeilijk en men heeft zorg over het handhaven van de kwaliteit van de zorg. Is het mogelijk, in navolging van enkele onderwijssectoren, onder stringente voorwaarden vrijstelling te verlenen? Dan het systeem zelf. Op grond van welke overwegingen kan de werkgever straks een boete worden opgelegd, ook in situaties waaraan de werkgevers part noch deel hebben? Mogen risico's, opgedaan in de persoonlijke sfeer, worden afgewenteld op de werkgever? Ik denk dat deze vraag straks in verhevigde vorm terugkomt als werkgevers verplicht worden, drie weken of zes weken voor eigen rekening te nemen. Waarom is bij de malusregeling uitgegaan van het jaarsalaris en niet van het bedrag dat door de uitkeringsinstantie moet worden uitgekeerd? Dat is toch de schade die gaat ontstaan? Voorzitter! Het oordeel over een hardheidsclausule zal door de fractie van het CDA gegeven worden na het antwoord van de staatssecretaris, al komt die clausule ons in eerste instantie sympathiek voor. Ten slotte maak ik nog enkele opmerkingen over het aanvaarde amendement betreffende de zesweekse melding aan de GMD en de verplichting om binnen dertien weken met een reïntegratieplan te komen. In het voorlopig verslag heeft de CDA-fractie reeds aangegeven, deze weg niet op te willen gaan. Onze vraag, wat de staatssecretaris zou doen bij een negatief advies van de SVR, werd toen niet beantwoord. Daar kan de staatssecretaris nu niet om heen. Ik geloof dat wij vast kunnen stellen dat het oordeel van de SVR vernietigend is. Ik behoef niet alles te herhalen want de conclusies zijn algemeen bekend. Los van de kosten zou een "berichtenstroom" op gang komen die eerder belemmerend dan effectief zal zijn. Geen automatische overdracht van dossiers die betrekking hebben op mensen met elk een eigen geschiedenis en een eigen problematiek, maar een betrouwbare doeltreffende selectie, zo snel als mogelijk is, zoals nu reeds tussen GAK en GMD is overeengekomen. Naarwij hopen, kunnen de zelfadministrerende organen zich hierin ook vinden. Ik heb kennis genomen van het standpunt van collega Van de Zandschulp, die een suggestie deed voor een tweesnelhedenbeleid. Het beleid van de eerste snelheid zou moeten bestaan uit wat GAK en GMD op gang hebben gebracht maar dat van de tweede snelheid is niet duidelijk. Is dat wat nu in de zes/dertien weken staat of wat in de zes maanden en in de jaaropgave staat?

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter! Ik bedoelde daarmee dat de zelfadministreerders inderdaad uiterlijk in de zesde maand, maar in een aantal situaties waarin hun dat nuttig lijkt eerder, een langdurig zieke werknemer bij de GMD moeten melden, maar dat zij voordien zelf al aan de slag kunnen met reïntegratiepogingen, bijvoorbeeld door een terugkeerplan op te stellen. Dat was mijn concrete invulling voor het model van de zelfadministreerders.

De heer Van der Meulen (CDA): Voorzitter! Dat is helemaal duidelijk. Ik zou me er nog in kunnen vinden ook, maar we zitten nog wel met het gewijzigde artikel 71 a, waarin gesproken wordt van de zesde week in plaats van de zesde maand. In haar brief aan de SVR schrijft de staatssecretaris "Ik overweeg de te wijzigen wetsartikelen niet in werking te laten treden dan nadat uw Raad hierover heeft geadviseerd". De Eerste Kamer had dan een besluit moeten nemen zonder kennis te dragen van het advies. Er is echter een vertraging opgetreden omdat ambtenaren nogal veel tijd gekregen hebben om de memorie van antwoord te schrijven. Ik vraag de staatssecretaris of er een mogelijkheid is om dit artikel niet in werking te laten treden, ook na aanvaarding van het totale wetsvoorstel door de Eerste Kamer. Anders zitten we er vanaf 2 maart aan vast en dan zal de GAK vanaf 2 maart, als het voor die datum in de Staatscourant heeft gestaan, moeten beginnen met het opsturen van al die dossiers, terwijl zowel de staatssecretaris als de SVR zegt dat we die weg niet op moeten gaan. Stel dat het niet mogelijk is om dit uit te zonderen van de wet. Is de staatssecretaris dan van mening dat hier in feite sprake is van onzorgvuldige wetgeving?

Tot slot wil ik nog een korte opmerking maken over de werkingssfeer van de wet. Op een vraag van de CDA-fractie over de positie van het overheidspersoneel werd geantwoord dat het artikel over die 6 en 13 weken geen betrekking heeft op ambtenaren. Dat doet bij ons de vraag rijzen, of er nog meer artikelen van deze wet niet van toepassing zijn op ambtenaren. Met excuses voor de vele vragenwij hebben het snel in deze Kamerwillen behandelenwacht ik met belangstelling de antwoorden af.

©

K. (Kars)  VelingDe heer Veling (GPV): Mijnheer de voorzitter! Graag zeg ik de staatssecretaris dank voor de antwoorden die zij op mijn vragen heeft gegeven. In deze openbare behandeling van TAV I ga ik graag nog eens in op de achtergrond van de discussie over het stelsel van sociale zekerheid in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid. In de discussie over Ziektewet en WAO worden drie onderling samenhangende zaken onderscheiden: het arbeidsbestel (waarin mensen inkomen verwerven door ervoor te werken), het zorgsysteem (waarin mensen aangewezen zijn op een uitkering) en, zoals ik het laatst hoorde noemen, de zorgpassage (het tussenterrein waar mensen onderweg zijn, naar ik vrees, van het arbeidsbestel naar het zorgsysteem). Het is een goede zaak dat in de herbezinning op de sociale zekerheid rondom ziekte en arbeidsongeschiktheid het gehele samenstel van de drie genoemde zaken aan de orde komt, zij het niet tegelijkertijd. Wij zullen het nog hebben over het zorgstelsel als zodanig en ook over de inrichting van de "passage". Vandaag spreken wij vooral over het arbeidsbestel. Dat is, als ik het goed heb, niet het meest spectaculaire onderdeel van de TAV-operatie: het eerst klaar en geen of niet veel politieke spanningen. Moet daaruit worden geconcludeerd dat maatregelen met betrekking tot het arbeidssysteem het minst belangrijk zijn? Dat is mijns inziens beslist niet het geval. De kwaliteit van het arbeidsbestel is natuurlijk altijd voorwerp van veel zorg geweest, ook in de politiek. Maar bij de ontwikkeling van de sociale zekerheid in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid in de achter ons liggende decennia hebben toch vooral de opbouw van een goed zorgsysteem en de organisatie van een soepele "passage" veel aandacht gekregen. Dat was goed voor de mensen die vastliepen in het arbeidsbestel en dat was ook goed voor het arbeidsbestel zelf, omdat het zo ontlast werd van de zorg voor mensen wier arbeidsproduktiviteit te wensen overliet of zelfs voor mensen die op hun arbeidsplek overbodig werden. Nu wordt de politiek vandaag verweten dat zij naïef is geweest, te weinig realistisch. Er is te weinig rekening gehouden met calculerende burgers en met eveneens naar zich toe rekenende bedrijven en instellingen. Beide partijen hebben te weinig oog voor de macro-economische effecten van de hoge lasten van ziekte-en arbeidsongeschiktheidsregelingen. Over die calculerende burger zullen wij het in de toekomst in het vervolg van de TAV-operatie nog wel eens hebben. Het is ook belangrijk, vandaag te spreken over de berekenende onderneming of instelling. Er zijn veel verschillende oorzaken van uitval uit het arbeidsbestel. Ik meen dat de cultuur in ons arbeidsbestel zelf de uitval bevordert. Arbeidsorganisaties staan dikwijls onder grote druk; er moet rendement worden behaald en dus worden hoge eisen gesteld aan de arbeidsproduktiviteit van werknemers. Het paradoxale van de ontwikkeling van een goed en toegankelijk zorgstelsel, waar veel aan is gedaan, is geweest dat de arbeid door een verhoging van de premiedruk duurder werd. Daardoor groeide de druk op de arbeidsproduktiviteit en werd het streven om mensen door machines te vervangen, versterkt. En dus werd de uitval uit het arbeidsbestel nog eens bevorderd. Een reden te meer om met alle macht te streven naar verkleining van het volume van de arbeidsongeschiktheid. Hoe doe je dat? Niet alleen door oneigenhjk gebruik en misbruik van het zorgsysteem te bestrijden en het systeem eventueel minder aantrekkelijk te maken. En ook niet alleen door de passage opnieuw in te richten. Het laatste moet overigens met zorgvuldigheid worden gedaan en niet door goedbedoelde, maar onvoldoende doordachte maatregelen, zoals de zesdeweeksmelding, waarover al veel is gezegd. Er moet namelijk ook worden gekeken naar het arbeidsbestel. Mensen moeten minder gauw uit het luik van het arbeidsbestel vallen. Als ze door de trampoline van het zorgstelsel teruggekaatst worden, dan moet het luik natuurlijk niet net zijn gesloten. Het is van groot belang dat de arbeidsorganisaties verantwoordelijkheidsbesef aan de dag leggen voor de werknemers, ook voor mensen die niet of niet meer kunnen voldoen aan de hoogste maatstaven van produktiviteit. Is de staatssecretaris het met mij eens dat de intentie van TAV I zo kan worden omschreven? Bestudering van de concrete voorstellen maakt echter duidelijk dat wetgeving in dezen maar een gebrekkig instrument is om een cultuurverbetering in het arbeidsbestel te bevorderen. Ik ben blij met het initiatief om te komen tot een verplichting voor bedrijven om gebruik te maken van een vorm van bedrijfsgezondheidszorg. Verder lijkt het mij juist, financiële prikkels in te voeren voor bedrijven en instellingen om zorgvuldig met mensen om te gaan. Premiedifferentiatie kan wellicht zo'n prikkel zijn, hoewel ik mijn twijfels houd omtrent de effectiviteit ervan in relatie tot de drie/zeswekenmaatregel. Ook de invoering van een bonus/malussysteem lijkt mij bruikbaar. Maar wat dit laatste instrument betreft moet mijns inziens worden gevreesd dat het ook averechtse effecten kan hebben. Zal in een arbeidsbestel waar de arbeidsproduktiviteit zo hoog genoteerd staat een bonus veel werkgevers ertoe brengen om riskante werknemers in dienst te nemen, anders dan misschien tijdelijk? En zal in zo'n arbeidsbestel de wens om een malus te ontwijken niet leiden tot een verscherping van de selectie bij indiensttreding? In antwoord op mijn vraag hierover spreekt de staatssecretaris over waarborgen bij medische keuringen. Maar hierdoor wordt toch geen garantie geboden, dat risico's van ziekte niet op een meer impliciete manier in de werving van personeel een rol gaan spelen? Op mijn vraag naar de wenselijkheid om in het bonus/malussysteem bedrijfsrisico's te onderscheiden van sociale risico's verwijst de staatssecretaris naar de komende discussie over de WAO. Toch vraag ik haar nu, bij de behandeling van de maatregelen betreffende het arbeidsbestel, of het streven naar een versterking van het verantwoordelijkheidsbesef in arbeidsorganisaties niet wordt tegengewerkt, doordat een werkgever ook de lasten moet dragen van risico's die volstrekt buiten zijn verantwoordelijkheid liggen? Dat lijkt mij een vraag die in dit kader aan de orde is. Ten slotte heb ik nog een vraag over de situatie in het onderwijs, voor zover de personele bekostiging plaatsvindt op basis van declaraties. De staatssecretaris wijst op pagina 22 van de memorie van antwoord op de bonus/malusregeling die in verband met het Vervangingsfonds zal gaan gelden in het FBS-regime. Wij zullen daar later vandaag nog over spreken. Mijn vraag is, of die verwijzing wel juist is. Het Vervangingsfonds werkt toch niet in de passage van het arbeidsbestel naar het zorgsysteem en vice versa? Het is een verzekering die de vervanging voor onderwijsinstellingen mogelijk maakt. De bewindslieden van Onderwijs hebben zich nogal beijverd om te laten zien dat dit geen zaak is die binnen het systeem van de sociale zekerheid moet worden bekeken. Ik wacht het antwoord van de staatssecretaris met veel belangstelling af.

©

F. (Fenna)  BoldingMevrouw Bolding (GroenLinks): Mijnheer de voorzitter! De grote politieke belangstelling voor een beleid dat is gericht op het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume, moet alle betrokkenen zonder meer goed doen. Hoeveel jaren wordt er al niet gevraagd om maatregelen die de instroom van arbeidsongeschikten in het arbeidsproces bevorderen? Je zou verwachten dat een regering die via wetswijzigingen, dus met inschakeling van het gehele parlement, optreedt voor verbetering van instroommogelijkheden, niets dan lof ten deel valt. Toch leveren dergelijke discussies altijd weer heftige en verhitte debatten op. Dat komt meestal omdat er vaak tegelijkertijd een verlaging van de financiële overheidsbijdragen aan wordt gekoppeld. En dat is ook vandaag weer het geval. Goed, wij praten over maatregelen die het arbeidsongeschiktheidsvolume moeten terugdringen, maartegelijkertijd weten wij dat, als het volume-beleid niet aanslaat, er onvermijdelijk kortingen op de uitkeringen zullen volgen. Daar zit nu een belangrijke kern van het probleem. Daarmee wordt namelijk iets gezegd over de betrokkenheid die de overheid voelt met deze groep uit de samenleving. Het is enigszins wrang te moeten constateren dat vele discussies over het WAO-volumebeleid beginnen met de constatering dat het aantal uitkeringsgerechtigden te hoog is geworden, dat het allemaal te duur wordt, dat het niet meer op te brengen is en dat dus het aantal uitkeringsgerechtigden omlaag moet. Vervolgens komen er al dan niet fraaie voorstellen die bij elkaar worden gepresenteerd als een serieus volumebeleid. Geen wonder dat iedere arbeidsongeschikte in ons land zijn hart vasthoudt als de zoveelste stelselwijziging wordt voorgesteld. Door in het verleden al de verdisconteringsbepalingen in de WAO en de AAW af te schaffen en de arbeidsongeschikte niet langer arbeidsongeschikt maar gedeeltelijk arbeidsgeschikt te noemen, wordt deze weliswaar veel meer gelijkge steld met andere werkzoekenden, hetgeen positief is, maar een bijkomend effect is wel dat in de meeste gevallen ook de uitkering wordt verlaagd. Ook de manier waarop de WAO-discussie in augustus vorig jaar werd gevoerd, is een ongelukkig voorbeeld. Het kabinet lanceerde een proefballon die een enorme schokgolf teweegbracht omdat de effecten niet te overzien waren, trok dat vervolgens ook weer voor een deel in, maar veroorzaakte al met al wel een grote ongerustheid onder een van de kwetsbaarste groepen in onze samenleving. Dat had toch ook wel wat zorgvuldiger gekund? Als het uitgangspunt is, dat deze kwetsbare groepen in de samenleving een kans moeten krijgen, dan rust daarmee een heel zware verantwoordelijkheid op de schouders van onder andere de Partij van de Arbeid als regeringspartij. Zo omgaan met de problematiek als vorig jaar is gebeurd, levert zonder meer een gepeperde rekening van de kiezers op. De wijzigingen van de arbeidsongeschiktheidsregelingen komen ook nog in een periode die wordt gekenmerkt door een enorm groot overschot op de arbeidsmarkt, waardoor zelfs de gezonde Hollandse jongens al hard tegen elkaar op moeten concurreren om een baan te verkrijgen. Dan vat al snel het gevoel post dat het om de zoveelste ordinaire bezuiniging gaat, verpakt in een geraffineerd jasje.

Natuurlijk mag de politiek zich niet neerleggen bij het hoge percentage ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in ons land. De groep mensen die veel te vroeg het arbeidsproces verlaat, is niet alleen veel te groot, maar is in toenemende mate ook nog eens veel te jong. Het is en blijft hard nodig om enig inzicht te krijgen in de achtergronden daarvan, want alleen dan kan er immers een begin gemaakt worden met het zoeken van een structurele oplossing Een vergelijking met onze zuiderburen in België laat zien dat de arbeidsongeschiktheid in ons land onder jongeren veel groter is, dat de uitstroom lager is en dat een psychische diagnose in ons land drie keer zo vaak wordt gesteld. Een sluitend antwoord op de vraag wat precies de oorzaak van het hoge arbeidsongeschiktheidspercentage is, is niet te geven. Ook de staatssecretaris komt niet verder dan de conclusie dat een veelheid van factoren een rol speelt. Vervolgens is bij al die factoren wel een kritische of relativerende opmerking te maken. Ik ga in op twee veel genoemde factoren, namelijk stress op de werkplek en de zogenaamde zeer aantrekkelijke arbeidsongeschiktheidsregelingen in ons land. Eerst het effect van stress op de werkplek. In toenemende mate wordt de werkdruk als te zwaar ervaren. Mensen kunnen het huidige tempo niet meer bijhouden. Nederland kent een hoge arbeidsproduktiviteit, maar helaas kan lang niet iedereen de constante druk en de permanente achterstandenook in de overheidssectorop de lange duur aan. De gevolgen daarvan variëren van een paar weekjes overwerkt zijn tot volledig uitgeschakeld raken, omdat iedere druk als ondraaglijk wordt ervaren. Een drukke betaalde baan houden, is inmiddels vergelijkbaar geworden met het bedrijven van topsport. De staatssecretaris zegt in haar reactie op onze nadruk op het belang van werktijdverkorting, dat haar geen gegevens bekend zijn over de effecten van werktijdverkorting op het onstaan c.q. het voorkomen van arbeidsongeschiktheid. Zij gaat nog een ontmoedigend stapje verder door te wijzen op de uitlatingen van een van de onderzoekers die het rapport "Werkstressrisico's in bedrijf en beroep" hebben uitgebracht. Deze onderzoeker vermoedt dat het gevolg van arbeidstijdsverkorting is, dat dezelfde groep mensen dezelfde hoeveelheid werk verricht, maar nu in kortere tijd. Kortom, arbeidstijdverkorting levert meer stress op en brengt geen rust. De staatssecretaris zegt weliswaar met nadruk dat dit voor haar geen reden is te concluderen dat arbeidstijdverkorting moet worden teruggedraaid, maar echt bemoedigend klinkt het ook niet. Dat er een goede afstemming moet zijn van het aantal gewerkte uren op de hoeveelheid werk, is vanzelfsprekend. Dit mag echter niet ten koste gaan van het beleid gericht op arbeidstijdverkorting. Arbeidstijdverkorting moet betskenen: minder arbeidstijd maar ook minder taken. Als de oorspronkelijke taken toch allemaal vervuld moeten worden, moet herbezetting het gevolg zijn. Gebeurt dit niet, dan stelt in wezen de gehele arbeidstijdverkorting niets voor. De tweede veel gehoorde verklaring voor de vele arbeidsongeschikten wordt gezocht in wat genoemd wordt: de veel te aantrekkelijke arbeidsongeschiktheidsregelingen in ons land. Van deze regelingen is jarenlang gebruik gemaakt om minder goed functionerende of minder goed van pas komende werknemers uit het arbeidsproces te laten stappen. Ik ga er niet uitgebreid op in, maar dat het ook anders kan, bleek onder andere uit de ervaring van een personeelsfunctionaris die aanwezig was op het symposium "Een waarborg voor het bestaan". Deze vertelde dat hij jaren geleden werd geconfronteerd met de vraag of er voor een bepaalde werknemer niet een lijntje naar de WAO kon worden gelegd. De personeelstunctionaris voelde daar weinig voor en besloot de betrokken werknemer te adviseren, elders te solliciteren en daar, desgewenst, bij te assisteren. In dit geval met succes. Zo had het natuurlijk in een hoop andere gevallen ook gekund en in de wetsvoorstellen wordt gelukkig ook veel meer uitgegaan van een dergelijke benadering. Uiteraard zijn er naast deze twee aspecten nog tal van andere factoren die hebben bijgedragen aan het huidige arbeidsongeschikheidsvolume. Mijn fractie is van mening dat er meer inzicht moet komen in de invloed van die verschillende factoren. Een grondig onderzoek naar de achtergronden is nodig om tot structurele oplossingen te komen. Gebeurt dit niet, dan is het risico van dweilen met de kraan open levensgroot aanwezig. De fractie van GroenLinks vraagt de regering dan ook een dergelijk onderzoek te laten verrichten. Niet om het in gang zetten van maatregelen te vertragen en ook niet omdat wij verwachten dat een dergelijk onderzoek tot één remedie voor alle kwalen zal leiden, maar eenvoudigweg omdat het onmogelijk is een stelsel aan te passen aan de eisen van de jaren negentig, zonder een gedegen inzicht te hebben in de achtergronden van de gegroeide situatie. Wij vragen om een concrete toezegging van de regering op dit punt. De organisatie van de arbeid in ons land maakt kennelijk ziek. De snelle ontwikkelingen in de maatschappij, de technologische vernieuwingen en de automatisering hebben duidelijk niet geleid tot een aantrekkelijker en rustiger werkklimaat. De vraag is nu hoe wij als maatschappij omgaan met mensen die dat tempo niet kunnen bijhouden. Wat is de taak van de overheid hierbij? In onze eeuw is het idee van de sociale rechtsstaat ontwikkeld. Dit idee steunt op het beginsel dat de overheid de taak heeft, zodanig in het sociaal-economisch leven in te grijpen dat aan de materiële voorwaarden voor een menswaardig bestaan wordt voldaan. Dat idee roept onmiddellijk een aantal vragen op, zoals: Hoe diep mag de overheid ingrijpen? Wat is een menswaardig bestaan? Welke prioriteiten heeft het, gelet op de andere taken die de overheid ook heeft? Ik wil hier nu niet al te diep op ingaan. Wel wil de fractie van GroenLinks constateren dat het solidariteitsbeginsel onlosmakelijk is verbonden met de socialerechtsstaatsidee. Dit komt ook tot uitdrukking in de arbeidsongeschiktheidsregelingen in ons land. Vaststaat dat een deel van de bevolking ermee te maken krijgt, maar wie het zal treffen, is niet bekend. Het kan, zo gezegd, iedereen overkomen. Met een collectieve verzekering tegen het risico van arbeidsongeschiktheid krijgt de solidariteit met de nog onbekende collega die het zal treffen, vorm. De solidanteitsgedachte die ten grondslag ligt aan de financiering van het huidige stelsel, wil mijn fractie niet loslaten. De solidariteit met de sociaal-economisch zwakkere in de samenleving wordt ermee tot uitdrukking gebracht. Dit past ook in het model van het collectieve succes, de consensus en de zorg voor de toekomst, dat door Albert wordt geplaatst tegenover het snelle individuele succes en de snelle winst. De Franse ondernemer Michel Albert verdedigt de verzorgingsstaat en stelt dat een goede maatschappij zich kenmerkt door solidariteit met de werkelijk armen. Het terugdringen van het aantal arbeidsongeschikten dient naar onze mening niet te gebeuren door de uitkeringen onaantrekkelijker te maken, maar door werk te creëren en toegankelijk te maken voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Hiervoor is natuurlijk in de eerste plaats geschikt werk nodig. Dat kunnen wij niet voldoende blijven benadrukken. En dat is er nu simpeiweg te weinig. Kan de staatssecretaris ons bijvoorbeeld aangeven hoe zij én het arbeidsongeschiktheidsvolume wil terugdringen én meer vrouwen aan het werk wil helpen én grote groepen allochtonen wil inschakelen? Is er voor al deze mensen voldoende werk of is het de bedoeling dat alle arbeidsongeschikten uitemdehjk gewoon in de bijstand belanden? Om gedeeltelijk arbeids geschikten gemakkelijker te laten instromen, kunnen de maatregelen die wij vandaag bespreken een belangrijke rol spelen. Daartoe wil ik de rest van mijn bijdrage dan ook beperken. De fractie van GroenLinks is van harte een voorstander van al die maatregelen die effectief meehelpen aan het herintreden van gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers. Bij sommige van de voorstellen zetten wij echter grote vraagtekens. Zo blijft het bonus/malussysteem bij ons de vraag oproepen of hiermee niet het levensgrote gevaar aanwezig is dat werkgevers het ziekterisico van sollicitanten op een oneigenlijke manier gaan inschatten. De staatssecretaris wijst ons weliswaar op de aanstellingskeuring die zich strikt dient te beperken tot een beoordeling van mogelijkheden orn het werk te verrichten dat wordt aangeboden en niet meer dan dat, maar wie garandeert ons dat dit ook daadwerkelijk gebeurt? Wil de staatssecretaris ons aangeven hoe het staat met de plannen om wetgeving op dit terrein te harmoniseren, zoals zij aankondigde in de memorie van antwoord? En dan, voorzitter, de mogelijkheid van het inleveren van vakantiedagen. Hiermee kan mijn fractie niet instemmen. Niet iedereen verkeert in de omstandigheid dat ADV-dagen worden uitgekeerd in de vorm van verlofdagen die naar eigen keuze kunnen worden opgenomen, en waardoor een werknemer over meer dan 40 verlofdagen per jaar kan beschikken. Voor deze werknemer zal het wellicht niet zo'n probleem zijn om enkele vakantiedagen in te leveren, maar dit geldt natuurlijk niet voor iedereen. Bovendien acht mijn fractie het onjuist om op deze wijze te ontmoedigen dat een werknemer thuis even rustig uitziekt als de griep toeslaat. Ook de premiedifferentiatie roept bij ons enige vraagtekens op, omdat die kan leiden tot zeer verschillende premies per bedrijfstak, waardoor de solidariteit met het geheel toch enigszins wordt afgebrokkeld. Wat de verplichte sancties betreft, wil ik nog benadrukken wat we ook al in het voorbereidend onderzoek aan de orde hebben gesteld. Van de tot nu toe bestaande mogelijkheid tot het toepassen van sancties voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten wordt weinig gebruik gemaakt. Kennelijk wordt daar in de praktijk geen reden toe gezien. Waarom nu dan toch de wettelijk vastgelegde plicht daartoe? Of hoort dit misschien bij een algemene nieuwflinkse beleidslijn, waarbij steeds meer nadruk op sancties gelegd gaat worden? Is dit nu niet typisch een punt dat kan worden overgelaten aan de uitvoeringsorganisaties, juist omdat individuele omstandigheden zo'n belangrijke rol spelen bij het beoordelen van de mate van vsrwijtbaar gedrag? Dan is er natuurlijk ook een aantal voorstellen dat wij van harte ondersteunen, zoals de loonkostensubsidie voor bedrijven die gedeeltelijk arbeidsgeschikten in dienst nemen, de aanvulling op de uitkering ingevolge de Ziektewet gedurende drie maanden, de verplichting voor de werkgever om passend werk te bieden aan een gedeeltelijk arbeidsgeschikte en natuurlijk de melding in de zesde week, die mogelijk wordt omgezet in een melding in de dertiende week. Hierbij merk ik op, dat het uiteraard uiteindelijk gaat om een vlotte reïntegratie-inspanning. De grote vraag is natuurlijk of de volumemaatregelen zullen aanslaan. Dat kan alleen de praktijk leren. Maar de vraag wanneer geconcludeerd kan worden of het beleid is geslaagd en verdere kortingen op uitkeringen achterwege kunnen blijven, lijkt ons nog niet zo eenvoudig te beantwoorden, nu niet alle betrokkenen met dezelfde cijfers blijken te werken. Tijdens het voorbereidend onderzoek zijn daar vragen over gesteld en collega Van de Zandschulp is daar ook later nog nader op ingegaan. Het is kennelijk niet zo eenvoudig om tot een voor iedereen glasheldere uniforme berekening van het aantal arbeidsongeschikten te komen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat er op korte termijn een definitie tot stand komt waar alle betrokkenen het over eens zijn? Als wij straks aan de hand van elkaar tegensprekende cijfers moeten discussiëren over het al dan niet slagen van het volumebeleid, is er pas echt een ziekmakende situatie en dat zal niet de bedoeling zijn. Ik vat het samen. Een goed volumebeleid is essentieel. Het hoge ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid in ons land moeten worden teruggedrongen. Een goed volumebeleid maakt discussies over kortingen overbodig. Daarbij horen effectieve maatregelen die een relatie hebben met de redenen voor het hoge ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid. Onze bezwaren tegen de voorstellen hebben vooral betrekking op de premiedifferentiatie, het inleveren van vakantiedagen en de verplichte sancties. Een gedegen onderzoek naar de achtergronden van het hoge arbeidsongeschiktheidspercentage lijkt ons zeer op zijn plaats, net zoals een duidelijke norm voor de berekening van de omvang van de arbeidsongeschiktheid, waar alle betrokkenen zich aan conformeren, en uiteraard een goed georganiseerde uitvoeringsorganisatie die in staat is adequaat op individuele omstandigheden van werkgevers en werknemers te reageren. Uiteindelijkdaar zullen wij het over eens zijnstaat of valt het succes van het volumebeleid met de beschikbaarheid van banen en de mogelijkheden van de uitvoeringsorganisaties om wetsteksten om te zetten in praktisch handelen.

De beraadslaging wordt geschorst.

©

De voorzitter: Thans zal de eerste termijn van de wetsvoorstellen 20616 en 22157 aan de orde komen. Het was mijn gedachte dat de staatssecretaris daarna zou antwoorden. Uit de Kamer bereikt mij echter het verzoek, eventueel zelfs voor de dinerpauze de behandeling van de wetsvoorstellen 20616 en 22157 af te ronden. Dat zou betekenen, dat de staatssecretaris na de dinerpauze antwoordt. Het lijkt mij goed, even te schorsen voor overleg hierover met de direct betrokkenen. Dan weet dadelijk iedereen waar hij aan toe is.

De vergadering wordt van 16.13 uur tot 16.20 uur geschorst.

De voorzitter: De Nederlandse consensuspolitiek heeft opgeleverd dat wij nu beginnen met de wetsontwerpen 20616 en 22157 en deze afhandelen. Er is mij gezegd dat het ernaar uitziet dat er na de eerste termijn van de Kamer en het antwoord van de regering slechts een heel korte tweede termijn van de Kamer nodig is. Ik neem aan dat het antwoord van de regering dan ook kort zal zijn. De schorsing voor de dinerpauze zal dan rond half zeven zijn, zodat wij rond acht uur kunnen beginnen met het antwoord van de regering over wetsvoorstel 22228, dat wij vervolgens geheel afhandelen.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.