Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers

Staatssecretaris Ter Veld Voorzitter! Bij dit wetsvoorstel heb ik altijd maar zeer weinig aan te vullen. Zoals de minister al aangaf, gaat het bij het verhoudingsgetal om een kwalitatieve en een kwantitatieve benadering per kabinetsperiode. Wat dat betreft, is het al dan niet opnemen van ouderen in het verhoudingsgetal boven een bepaalde leeftijd ook niet echt relevant. De vraag van mevrouw Gelderblom wat het verhoudingsgetal zou zijn bij bijvoorbeeld het niet meetellen van mensen boven een bepaalde leeftijd, kan ik niet concreet beantwoorden. Het zal echter duidelijk zijn dat het in ieder geval nooit aan de ouderen gelegen kan hebben dat wij de ramingen nu anders tot uitdrukking moeten brengen in het verhoudingsgetal, als wij bij de prognoses van het regeerakkoord ervan mochten uitgaan dat wij bij de op dat moment voorziene ramingen zouden uitkomen op ver onder de verhouding 100

Aan de orde is de behandeling van: -het wetsvoorstel Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en van een aantal sociale zekerheidswetten, houdende vaststelling van een stelsel van koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de loonontwikkeling met de mogelijkheid tot afwijking (22012)

De beraadslaging wordt geopend.

Voorzitter: Heijne Makkreel

©

H.M. (Hanneke)  Gelderblom-LankhoutMevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Mijnheer de voorzitter! Mijn fractie heeft het gevoel, dat deze koppelingswet een vorm van wetgeving is die is samen te vatten met twee woorden: doen alsof. De regering legt ons vandaag namelijk een wet ter beoordeling voor, die heet de minimumuitkeringen aan het minimumloon te koppelen, maar tegelijkertijd voorziet de regering dit basisprincipe waarop het Nederlandse sociale stelsel terecht is gebouwd van een "tenzij" met twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is een verhoudingsgetal. Het staat voor de verhouding tussen het aantal mensen met een baan en het aantal uitkeringsgerechtigden. De verhouding is 100:86. Het getal 86 mag niet worden overschreden. De tweede voorwaarde is, dat de lonen niet bovenmatig mogen stijgen. Het trieste is, dat deze wet die dus heet de koppeling in stand te houden de facto nu inmiddels al tot een ontkoppelingswet is verworden, althans voor dit jaar. Alleen symbolisch is er nog een verschil met het jaarlijkse, rituele wetje waarbij eind november of begin december werd besloten, dat de WAM ook helaas dit jaar weer niet kon worden toegepast. Een jarenlangongeveer tien jaardurend ritueel, waarvan juist dit kabinet verleden jaar voor het eerst is afgeweken door de WAM en dus de koppeling wel toe te passen. En daar waren wij nu juist 20 blij mee. Volgens de voorschriften is een SER-advies gevraagd. Dat komt officieel uit op 15 november, maar inmiddels is uitgelekt dat de SER uiterst verdeeld is over het kabinetsvoorstel tot ontkoppeling. Terug naar de eerste voorwaarde, het verhoudingsgetal 86. Dat hangt weer samen met de WAO-discussie, die inmiddels grotendeels in de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden. Met spijt stelt de D66-fractie in de Eerste Kamer vast, dat de regeringspartijen CDA en PvdA tot nu toe niet van de gedachte af te brengen zijn, dat er nu een korting op de uitkering noodzakelijk is. Het pleidooi van werkgevers en werknemers om alle energie allereerst te richten op volumemaatregelen en minder instroom in de WAO, heeft niet mogen baten. D66 stelt onthutst vast dat dit regeringsbeleid ertoe leidt dat een bonafide "genieter" van een uitkering het gelag moet betalen voor een WAO-crisis, waarvoor hij of zij geen verantwoordelijkheid draagt. Een voorbeeldje moge dit verduidelijken: een metselaar die van de steiger gevallen is en nu in een rolstoel zit, wordt evenzeer op zijn uitkering gekort als de metselaar met hoogtevrees, die weliswaar gezond is, maar zegt de steiger niet meer op te durven. Of dit regeringsbeleid zal leiden tot verlaging van het verhoudingsgetal, moet ten zeerste worden betwijfeld. Wij zijn er in ieder geval niet erg optimistisch over. Toen dit regeringsvoorstel in juni in de Tweede Kamer behandeld werd, meende de regering er nog van uit te kunnen gaan dat het verhoudingsgetal in de komende jaren onder de 86 uit zou komen. In de nota Sociale zekerheid die het parlement inmiddels heeft bereikt, stijgt het verhoudingsgetal in 1992 tot 86,5, dus reden tot ontkoppelen volgens de formule, maar daalt het in 1994 tot 85,5, waardoor koppeling weer mogelijk zou worden gemaakt. Er is echter nog een andere ontwikkeling die zorgen baart. Ook door vergrijzing van de bevolkingook AOW'ers worden meegerekend in het verhoudingsgetalloopt het verhoudingsgetal op. Volgens prognoses uit de nota Sociale zekerheid 1992 loopt de verhouding in het jaar 2030 op tot 140:100. De staatssecretaris heeft daarover terecht haar bezorgdheid geuit. Betekent dit nu dat, met het verhoudingsgetal 86 als ijkpunt en de toenemende vergrijzing, de koppeling in de komende jaren steeds niet zal kunnen worden toegepast? In de Tweede Kamer is door de fractie van D66 bepleit gepensioneerden niet, of op een andere wijze in het verhoudingsgetal mee te wegen. Het antwoord daarop was dat dat geregeld zou worden via flexibele pensionering. Wij zijn het voor een deel met de regering eens. Voor 65-plussers kan dat wellicht uitkomst bieden. Maar waar ligt dan de nieuwe grens? Ik heb die nota Sociale zekerheid 1992 gelezen; er staan vele tabellen in. Maar wat ik niet heb kunnen vinden, is hoe het verhoudingsgetal er in 1992 zou uitzien wanneer de cohort van de 80-jarigen, respectievelijk de 75-jarigen, respectievelijk de 70-jarigen, uit die statistieken zouden worden gelicht. Hoe zou het verhoudingsgetal dan in 1992 zijn? Ik verzoek de staatssecretaris of de minister daar wat duidelijkheid over te verschaffen.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): De helft ongeveer.

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Dat vermoedde ik ook al, maar ik heb daar geen harde cijfers over en die zou ik wel eens willen zien, naast al die andere mooie tabellen. Het tweede ijkpunt betreft de stijging van de lonen. De verwachte stijging voor 1992 is 3,75%, waarbij dan niet rekening gehouden is met wat Simonsll wellicht nog aan kostenstijgingen zal meebrengen. Wij hebben daar gisteravond weer wat cijfertjes over gekregen. Maar goed, daar praten wij dus volgende week over, dat laat ik nu maar even liggen. Nu het kabinet besloten heeft in 1992 niet te koppelen, zijn er door het kabinet per 1 januari een aantal reparatiemaatregelen voorzien: -de uitkeringen en de ambtenarensalarissen stijgen met 3%. Het tekort is 0,75%. Daar doen wij wat aan: -het arbeidskostenforfait wordt verhoogd; -de kinderbijslag voor het eerste kind wordt verhoogd; -de voetoverheveling wordt verhoogd. Overigens deelt D66 de kritiek van de SER op deze maatregel, want dit is nu specifiek zo'n maatregel die vrouwen ontmoedigt aan het arbeidsproces deel te nemen. Maar goed, deze maatregelen te zamen maken, althans dat beweert het kabinet, dat de uitkeringsgerechtigden per maand É 6 beter af zijn dan wanneer de koppeling zou zijn doorgevoerd. Helaas, helaas, dit fraaie kostenplaatje is inmiddels aan flarden geschoten. Het prijsindexcijfer van het CBS geeft namelijk geen goede weerspiegeling van de kosten van levensonderhoud. Dit wordt niet alleen door ons gezegd, neen, deze fundamentele kritiek kwam allereerst van de Vereniging van Nederlandse gemeenten en inmiddels hebben ook Konsumentenkontakt en de FNV vergelijkbare kritiek laten horen op de wijze waarop het CBS de kosten van levensonderhoud en dus dat prijsindexcijfer berekent. Bepaalde vaste lasten en gemeentelijke heffingen worden namelijk niet tot de zogenaamde collectieve lasten gerekend en dus niet meegerekend bij de bepaling van het prijsindexcijfer. De Inkomensnota 1992 is daar ook heel helder over. Daarin staat: "Verplichte heffingen als OGB, rioolrechten, verontreinigingsheffingen e.d. worden niet meegenomen bij de berekening van het prijsindexcijfer, omdat deze heffingen mede op grond van internationale afspraken door het CBS als niet consumptief worden beschouwd". Let wel, voorzitter, we hebben het hier over verplichte heffingen die door de burgers-en terecht, meent D66-tot de vaste lasten worden gerekend. Dus zouden zij betrokken moeten worden bij het bepalen van het prijsindexcijfer. Dit punt klemt te meer, nu uit de cijfers van de VNG en Konsumentenkontakt blijkt, dat juist deze lasten de laatste jaren zeer sterk aan het stijgen zijn. Zij zijn dit jaar al gemiddeld met 15% gestegen. Ook in de komende jaren zullen zij blijven stijgen en wel om twee redenen. Die zijn gelegen in de financiŽle problematiek van tal van gemeenten en de taken op het gebied van milieu-ik denk in dit verband aan de afvalstoffenheffingenwaarvoor de gemeenten worden gesteld. Ik geef een voorbeeld. De afvalstoffenheffing steeg dit jaar gemiddeld met 30% en het rioolrecht met gemiddeld 14%. Dit betekent concreet een gemiddelde lastenstijging van meer dan É10 per huishouden per maand. Weg dus É 6 voordeel! Zo is het althans volgens de cijfers van de VNG. Dan heb ik het nog niet eens over de OGB. Die steeg voor de huurders en bleef voor eigenaren, althans wat het percentage betreft, gelijk. Maar ook daar hebben de gemeenten iets op gevonden. Door de huizen in waarde ambtshalve te verhogen, gaat de OGB voor eigenaren fors omhoog. Hierover hebben wij al gesproken in het debat over het huurwaardeforfait. Voorzitter! Ik heb in dit verband een staatje. Ik vraag u toestemming dat in de Handelingen te laten opnemen. In dat staatje staan cijfers overdejaren 1987, 1988, 1989, 1990. Daaruit blijkt dat bijvoorbeeld de onroerendgoedbelasting van gebruikers -dat zijn dus huurders -stijgt van 1016 in 1987 tot 1177 in 1990; de riool-en de reinigingsrechten stijgen in diezelfde periode van respectievelijk 369 tot 524 en van 657 tot 810. Dat zijn dus forse stijgingen per huishouden. Uit de optelling blijkt dat het hier gaat om een totale stijging van 4273 in 1987 tot 5063 in 1990. Deze getallen corresponderen met de cijfers die ik hiervoor al noemde.

De voorzitter: Mevrouw Gelderblom, heeft u dit staatje al aan de bewindslieden gegeven?

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Jawel. De bewindslieden hebben de tekst van mijn betoog gekregen. Het staatje komt in die tekst voor.

De voorzitter: Ik neem aan, dat tegen het opnemen van een noot in de Handelingen geen bezwaren bestaan.

(De noot is opgenomen aan het eind van deze editie.)1

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Voorzitter! De stelling van de regering is, dat mensen met een minimumuitkering door de reparatiewetgeving er met É 6 per maand op vooruitgaan. Op grond van een of andere afspraak worden heffingen zoals genoemd, weggedefinieerd. Wij vinden dat doen alsof. Dit maakt dat de mensen de uitsprakeh van de regering ongeloofwaardig vinden en dat is slecht Voorzitter! U weet dat D66 voorstander is van decentralisatie. Zij vindt dus het geven van grotere bevoegdheden aan de gemeenten, ook op het gebied van heffingen en gemeentelijke belastingen, goed. Natuurlijk vinden wij het belangrijk om internationale vergelijkingen over loonplaatjes mogelijk te maken en te houden. Maar dat hoeft toch niet te betekenen dat wij nationaal gemeentelijke heffingen wegdefiniŽren! Het moet toch mogelijk zijn, de heffingen van publiekrechtelijke lichamen en gemeenten in een apart prijsindexcijfer op te nemen en wel op een zodanige wijze, dat dat cijfer wordt berekend aan de hand van twee componenten. Alle lastencomponenten die daar tot nu toe, conform de internationale afspraken, in voorkomen noemen we a. en de heffingen van publiekrechtelijke lichamen en gemeenten noemen we b. Samen geven die de collectieve lastendruk in Nederland weer. Graag krijgen wij op dit punt een reactie van de regering.

©

H.F. (Han)  HeijmansDe heer Heijmans (VVD): Voorzitter! Laat ik beginnen met een reactie op de allerlaatste opmerking van de minister in zijn memorie van antwoord aan ons huis: "Overigens kan de regering zich niet voorstellen dat bij de leden van de VVD-fractie de indruk is gewekt dat in het wetsvoorstel de regels van een politiek kinderspel zouden zijn neergelegd". Het is niet mijn fractie geweest maar de minister zelf of de vice-premier of beidenik weet dat niet zeker meer, maar dat maakt tegen de achtergrond van eenheid van kabinetsbeleid en eenheid van presentatie van dit beleid eigenlijk helemaal niks uitdie de associatie tussen koppelen en knikkeren heeft of hebben gemaakt. Op 26 augustus na het kabinetsberaad over al dan niet koppelen in 1992 zei ťťn van beiden of beiden dat het de mensen in feite om de knikkers gaat en dat het woord "koppelen" een hoge symboolwaarde heeft. Deze opmerking is juist de reden waarom mijn fractie niet heeft gedacht aan een politiek kinderspel, wat dit ook zijn moge. Dan zou het immersnaardegelijk Hollands, zij het in dit geval wellicht niet calvinistisch gebruikjuist niet om de knikkers, maar om het spel zijn gegaan. En daarmee kom ik, als de minister mijn associatie in dezen wil toestaan, op het wetsvoorstel zelf. De minister zegt in zijn memorie van antwoord voor de zoveelste keer dat de regering van oordeel is dat een stelsel van koppeling met afwijkingsmogelijkheden vanuit een oogpunt van helderheid omtrent doelstellingen en vanuit een oogpunt van rechtszekerheid de voorkeur verdient boven een stelsel van beleidsmatige aanpassingen. Zelfs voor wie de memorie van antwoord meer keren heeft gelezen-en dat is wel nodig om de kwaliteit van het gebodene enigszins te kunnen proevenblijven de vraagtekens over helderheid en rechtszekerheid recht overeind staan. Het is natuurhjk allemaal heel makkelijk als het verhoudingsgetal tussen actieven en inactieven zodanig gunstig is, dat kan worden gekoppeld. Maar als dit nu, en misschien wel voor lange jaren, niet zo is? Dan zitten wij, aldus nog steeds de memorie van antwoord, met de buitengewone moeilijkheid om de criteria voor de wettelijke afwijkingsgronden tot simpele en eenduidige criteria terug te brengen. Hiermee is "niet onverenigbaar"-ik vraag de minister waarom hij voor die negatieve formulering heeft gekozendat over zo'n moeilijk onderwerp een intensieve discussie in het kabinet heeft plaatsgevonden. Is het misschien zo, dat de opmerking van de vice-minister-president "ik maak ontkoppelen niet mee" tot een afwijkingsgrond moest worden omgesmeed en dat het proces van omschakeling van koppelen naar knikkeren eveneens enige tijd en moeite heeft gevergd? De nieuwe wet zal straks een florissante start maken: wij koppelen niet, maar de minimumloners en de uitkeringsgerechtigden gaan er dan toch maar liefst É 6 per maand meer op vooruit. Mevrouw Gelderblom is zojuist intensief en met cijfers onderbouwd op dit probleem ingegaan. Mijn collega's van de PvdA hebben in het voorlopig verslag vragen gesteld over het onderzoek van Konsumentenkontakt en de FNV. De minister gaat in zijn antwoord in op de merÔtes van koopkrachtoverzichten, maar het antwoord op de simpele vraag over die É 6 extra wordt niet gegeven. Vandaar dat ik de minister nu, mede naar aanleiding van berekeningen van het Centraal planbureau, vraag: krijgt het merendeel van de minimumloners en uitkeringsgerechtigden dit bedrag of hebben hij en de minister-president op 27 augustus in de Kamer de zaak mooier voorgesteld dan zij in feite is? Is dat een voorbeeld van juiste voorlichting over kabinetsbeleid? De Wet aanpassingsmechanismen heeft aan het begin en aan het einde van haar overigens kortstondige leven het genoegen gekend te worden toegepast: in het totaal dus twee keer. De WKA daarentegen wordt reeds bij haar geboorte elke kans tot ontplooiing ontnomen. In de Kinderbijslagwet kenden wij destijds de metafoor, de staatssecretaris zal zich dat ongetwijfeld herinneren: het bevroren kind met de ontdooide kop. De koppeling kent zelfs zo'n kop niet. Deze gaat meteen de diepvries is. Is dit een kwestie van afbrokkelende beschaving, zo vraag ik aan de minister, dit naar aanleiding van opmerkingen die een oud-Tweede-Kamerlid van het CDA destijds heeft gemaakt. Voor hoelang? Wij hebben de minister vragen gesteld over zijn mededeling in de Volkskrant van 4 september, dat hij de koppeling de komende jaren wil loslaten en dat de staatssecretans dit niet accepteert. Hij antwoordt hierop dat over de koppelingvoor1993 en 1994 pas bij de voorbereiding van de respectievelijke begrotingen wordt besloten. Hij verwijst naar zijn schriftelijke antwoorden op vragen van het lid van de Tweede Kamer de heer RosenmŲller. In dit antwoord staat overigens precies hetzelfde, zij het wat uitgebreider, en ook in het artikel in de Volkskrant stelt de bewindsman dat "in het kabinet de kwestie nog is opengelaten". Uiteraard, zou ik eraan willen toevoegen en dat is dus niets nieuws. Maar wat wel boeiend is en waarover de bewindslieden in hun memorie van antwoord zwijgen, is de vraag hoe ze er persoonlijk over denken. Bevestigen zij de juistheid van het bericht? Zo neen, heeft de Volkskrant dan een eend laten vliegen? Hun antwoord op die vraag is niet zonder betekenis. In de eerste plaats, omdatwederomzou blijken dat minister en staatssecretaris niet altijd op dezelfde Łjn zitten, maar vooral omdat de opvatting van de eerstverantwoordelijke minister voor de WKA van grote betekenis kan zijn voor de toekomst van deze wet. Dreigt het gevaarop deze vraag kwam ook geen antwoorddat de wet slechts een legitimering wordt voor niet-koppelen? Dat is een eenvoudiger proces dan de in de jaren tachtig gehanteerde bevriezingswetjes voor de WAM, die altijd aanleiding gaven tot uitvoerige parlementaire debatten van de toenmalige en toen nog tegenstrubbelende oppositie. Er is nog meer onduidelijkheid en dat betreft de plaats die het beleid van een kabinet in dezen inneemt. Een "kan"-bepaling houdtik kan het echt niet anders zieneen subjectieve beleidskeuze in. In de memorie van toelichting, waarnaar de minister verwijst, staat ook duidelijk: "Hetwoord "kan" laat ruimte om bij overschrijding van de normen toch de koppeling toe te passen. Het aanbrengen van deze ruimte is gewenst, teneinde deze te kunnen benutten wanneer besloten wordt tot maatregelen die de gesignaleerde normoverschrijding ongedaan maken". Het al dan niet benutten van die ruimte is toch een beleidsbeslissing? De memorie van antwoord aan dit huis legt, als ik het goed zie, het accent iets anders. Hier worden onder beleidslijn de additionele maatregelen zelf verstaan, die van invloed zijn op de ontwikkeling van het verhoudingsgetal. Niemand zal ontkennen dat de kabinetsvoorstellen voor de WAO, die toch dat verhoudingsgetal moeten beÔnvloeden en die tot gevolg hebben dat, in strijd met de verzekeringsgedachte, de echte arbeidongeschikten van nu en later een deel van het gelag moeten betalen, beleidsbeslissingen zijn. Of het goede en sociale beleidsbeslissingen zijn, is een tweede. Hierover praten wij later wel. Het gegeven dat voor 1992 in elk geval niet voor koppelen is gekozen, maar voor een oplossing die nota bene ook nog een gedeeltelijke opheffing van de inflatiecorrectie inhoudt, is toch ook een pure beleidsbeslissing. Of het een goede isik duid op die nivellerende inflatiecorrectie; ik houd mij maar aan het oordeel van de Raad van State in zijn advies over wetsontwerp op stuk nr. 22325 -is wederom een tweede. Mijn fractie zal te gelegener tijd hierover een oordeel geven, maar de minister weet ongetwijfeld hoe onzevlag erbij hangt. Op onze vraag waarom na 1992, ondanks het door de minister aan de overzijde gegeven scenario niet moet worden gekoppeld, hoewel volgens de Miljoenennota het verhoudingsgetal dan zal verbeteren, zegt de minister dat dit "verhoudingsgetal van het CPB voor 1994 een cijfer is van tentatieve aard, gebaseerd op een partiŽle berekeningswijze, zoals het CPB ook schrijft. Onder deze omstandigheden is de regering geneigd aan de forse wijziging op korte termijn een groter gewicht toe te kennen." Wij begrijpen de tweede volzin van het citaat en wij zijn het ermee eens. Maar het gaat hier toch, wederom, om een duidelijke beleidsbeslissing. Wat de eerste volzin betreft, vragen wij ons af of dit een uitwerking of een onderstreping is van de opvatting van de regering neergelegd in het volgende citaat? Er staat dat "langetermijnontwikkelingen, wanneer deze een doorslaggevende rol moeten spelen, mzichtelijk en overtuigend gepresenteerd moeten worden, zodat een eventueel besluit tot ontkoppelen sociaal overdraagbaar wordt. Dat dit eisen zal stellen aan een heldere presentatie, acht de regering van groot belang". Denkt de minister niet dat wanneer een WAO'er of een minimumloner hoort van "tentatieve aard" of van "partiŽle berekeningswijze", hij zal reageren met: gooi het maar in mijn pet, om het populair te zeggen? Mijn vraag aan de minister is dan ook of hij ons enige helderheid kan geven over zo'n inzichtelijke en overtuigen-de presentatie. Voorzitter! Ik vat samen. Het wetsvoorstel geeft een duidelijke, geobjectiveerde rechtszekerheid wanneer het verhoudingsgetal tot koppelen leidt. Maar wanneer dit getal zodanig ongunstig is, dat "kan" worden ge-of ontkoppeld, treedt eenuiteraard -gesubjectiveerd beleidsmechanisme in werking, dat per definitie geen geobjectiveerde rechstzekerheid kan bieden. Het wetsvoorstel introduceert in het tweede en misschien wel in het meest voorkomende geval een schijnzekerheid en een helderheid als die van troebel water. Ik denk bovendien dat het te prefereren is, met de zekerheid van onzekerheid te leven -zoals in het beleidsmatige wetsvoorstel van het kabinet-Lubbers II, waarin overigens wŤl de garantie van koopkrachtbehoud werd gegeven -boven de onzekerheid van een schijnzekerheid. De minlster zal wel met heel andere argumenten moeten komen om mijn fractie ervan te overtuigen dat dit wetsvoorstel rechtmatig en doelmatig is. Wij wachten af.

De voorzitter: Het woord is aan de heer Rongen. Ik maak de leden erop attent dat dit zijn maidenspeech is.

©

E.J. (Eef)  RongenDe heer Rongen (CDA): Mijnheer de voorzitter! Ik beschouw het als een eer om voor het eerst namens de CDA-fractie het woord in dit huis te mogen mogen voeren, te meer daar dit gebeurt ten overstaan van twee bewindslieden, die beiden hun verantwoordelijkheden ten aanzien van het sociaal beleid in dit land zo uitgeproken beleven en uitdragen. Het onderwerp dat aan de orde iswetsvoorstel 22012, kortweg aangeduid met WKA -heeft nogal in de belangstelling gestaan vanwege de politieke context waarin het geplaatst is. Het is in ieder geval een wetsvoorstel dat deel uitmaakt van de kerndoelstellingen van het beleid van het kabinet. Het beoogt immers een structurele balans aan te brengen tussen twee beleidsdoelstellingen: enerzijds een rechtvaardig inkomensbeleid voor werkenden die op het minimumloon zijn aangewezen, alsook voor inactieven en postactieven, namelijk een inkomens-beleid gericht op het laten delen in de algemene welvaartsontwikkeling en anderzijds een effectief werkgelegenheidsbeleid.

Voorzitter: Tjeenk Willink

De heer Rongen (CDA)undefined: Voorzitter! In het voorlopig verslag heeft de CDA-fractie de rol die het kabinet zich met dit wetsvoorstel oplegt, aangeduid als die van een koorddanser op het koord tussen inkomensbeleid en werkgelegenheidsbeleid. Nu kunnen de bewindslieden snel tegenwerpen dat het dienen van beide beleidsdoelstellingen altijd het gedrag van een koorddanser vraagt, namelijk moed en durf. Voorzitter! Met dit beeld wordt getracht de vraag op te roepen of het kabinet, nu het kiest voor een ex ante vastgeleg-de structurele balans tussen inkomensbeleid en werkgelegenheidsbeleid, niet te veel risico's neemt, althans beoordeeeld op het criterium "werk boven inkomen". Met andere woorden: krijgt met dit wetsvoorstel het inkomensbeleid niet het primaat boven het werkgelegenheidsbeleid? De inbreng van de CDA-fractie was en is erop gericht, van de bewindslieden te vernemen of zij zich bewust zijn van dit risico en of zij bij nader inzien, gelet op de naar voren gebrachte relevante omstandigheden, structureel niet beter voor de beleidsmatige aanpassing hadden kunnen kiezen dan voor een semi-automatische, zoals de WKA die kent. Op de meeste vragen en kanttekeningen van de CDA-fractie hebben de bewindslieden in de memorie van antwoord gereageerd, waarvoor deze fractie hen zeer erkentelijk is. Toch blijven er nog enige vragen die tot een nadere reactie van de zijde van de bewindslieden nopen. Mijnheer de voorzitter! Als wij rechtstreeks de hoofdvraag bij de kop nemen, namelijk beleidsmatig aanpassen of aanpassen op basis van een koppeling met afwijkingsmogelijkheden, dan moeten wij vaststellen dat het kabinet in zekere zin zelf al een antwoord heeft gegeven. Op het allereerste moment dat het wetsvoorstel -eenmaal tot wet verhevenzijn hoofddoel had moeten bereiken, namelijk koppelen, wil het kabinet ontkoppelen op basis van de afwijkingsgronden en doet het voorstellen tot beleidsmatige aanpassingen. Voorzitter! Geen misverstand: de CDA-fractie is het eens met dit kabinetsvoornemen, ofschoon nog kanttekeningen te plaatsen zijn bij de door het kabinet in te zetten vervangende aanpassingsinstrumenten, maar daarover kom ik later in mijn betoog te spreken. Maar, zo vragen wij ons af, als op grond van de actuele, alsook op grond van de in de komende jaren te verwachten omstandigheden, de risico's van koppelingzoals in het wetsvoorstel wordt bedoeld -ten aanzien van de werkgelegenheid te groot worden geacht, wat is dan nog de zin van dit wetsvoorstel? Wekt dit niet verkeerde verwachtingen bij de potentiŽle "koppelingsgerechtigden"? Hiermede worden de door het wetsvoorstel zo uitdrukkelijke beoogde rechtszekerheid en helderheid toch niet gediend? Kunnen de bewindslieden hierop nog nader ingaan en vooral op de vraag, hoe groot naar hun inschatting de kans is op de toepassing van de hoofdregel, namelijk koppelen in de komende jaren? De actualiteit en de verwachtingen voor de komende jaren daargelaten, ligt thans een wetsvoorstel ter beoordeling voor, dat uitgaat van de hoofdregel: koppelen met twee afzonderlijk geformuleerde afwijkingsgronden. Na de pijnlyke gang van de WAM, die een volautomatische aanpassing inhield, maar slechts een enkele maal onverkort is toegepast, en na de onvoltooide gang van de WBA-dit wetsvoorstel beoogde een beleidsmatige aanpas sing, maar het heeft deze Kamer nooit bereikt -wil het onderhavige wetsvoorstel WKA het minimumloon en de sociale uitkeringen semi-automatisch koppelen aan de ontwikkelingen van de contractlonen. Koppelen is hoofdregel, afwijken is uitzondering. Laten wij eerst stilstaan bij de hoofdregel. Deze wordt ingegeven door de wens, de inkomens van 88.000 volwassen minimumloners, zijndedit zijn cijfers uit 1989-2,3% van de volwassen werknemers, alsook de inkomens van ongeveer 3.900.000 uitkeringsgerechtigden te koppelen -wat de laatste categorie betreft, zowel via de brutoals de nettolijnaan de ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector, in de gepremieerde en gesubsidieer-de sector, alsook in de sector van de overheid. Geen onderscheid wordt gemaakt in de inkomensontwikkeling van de minimumloners enerzijds en die van de uitkeringsgerechtigden anderzijds. Gelet op de arbeidsmarktfunctie van het minimumloon en de behoeftefunctie van de sociale uitkerlngen, vooral op het minimumniveau, had zulks toch overwogen kunnen worden. Ook binnen de kring van uitkeringsgerechtigden wordt geen onderscheid aangebracht tussen inactieven en postactieven. Is het uit een oogpunt van verdelende rechtvaardigheid wenselijk, noodzakelijk om, afziende van de afwijkingsgronden, de ontwikkeling van de contractlonen van de actieven -waar toch in de marktsector sprake is van prijsvorming van de arbeid in vaak wisselende, soms hectische en vaak internationale marktomgevingen-ťťn op ťťn bepalend te laten zijn voor de ontwikkeling van de inkomens van alle inactieven, dus een koppeling zonder enige differentiatie? Daarbij komt nog de betekenis van deze ťťn-op-ťťn koppeling voor de beleidsdoelstelling: werk boven inkomen. In de recente notitie "Werkgelegenheid en arbeidsmarktbeleid" en ook in de Inkomensnota 1992 worden de bevindingen van de periodieke OESO-richtlijnen alsook de bevindingen van het WRR-rapport "Een werkend perspectief" in essentie onderschreven, namelijk dat in Nederland, zeker in vergelijking met andere landen, mede als gevolg van een te grote rigiditeit in de onderkant van het inkomensgebouw er ook sprake is van een te grote rigiditeit in de onderkant van de arbeidsmarkt. In verband met het onderhavige onderwerp kan gewezen worden op een relatief hoog minimumioon en relatief hoge minimumloonkosten, een te geringe afstand tussen het minimuminkomen bij werken en het sociaal minimum en op te weinig loondifferentiatie tussen de sectoren. Een citaat uit de genoemde inkomensnota, pagina 82, is hier op zijn plaats. "Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat een relatief gematigde ontwikkeling van het minimumloon de sectorale loondifferentiatie bevordert." Verder op die pagina wordt vermeld: "...volgt hieruit de conclusie dat de uitkeringsniveaus ook van invloed zijn op de sectorale loondifferentiatie...". Zoals bekend, concentreert de werkgelegenheidsproblematiek zich vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt, waar overigens de loongevoeligheid het grootst is en de behoefte aan loondifferentiatie groot. Hierbij kan men denken aan sectoren zoals detailhandel, zakelijke dienstverlening, horeca, enz. Het raakt ook de schemerwereld van de zwarte arbeidsmarkt. In dit verband is het interessant, de conclusie op pagina 28 van de "Notitie werkgelegenheid en arbeidsmarktbeleid" Integraal weer te geven. "De problematiek van het tegelijkertijd voorkomen van werkloosheid en stijgend aantal vacatures tekent zich scherp af aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Uit onderzoek blijkt dat het geringe verschil tussen loon en uitkering op minimumniveau (in het bijzonder voor alleenverdieners) een belangrijke factor is waardoor de werkgelegenheid rond minimumloonniveau geringer is dan het geval zou kunnen zijn bij een groter inkomensverschil. Hiermee is niet gezegd dat de weg naar een sterkere groei van de werkgelegenheid via een verlaging van de minimumloonkosten moet worden afgesloten. Gezien de verwachte groei van het aanbod van laaggeschoolden, mede onder invloed van de toestroom van immigranten, zullen forse inspanningen op vele terreinen geleverd moeten worden om deze mensen aan het werk te helpen. Daarbij komt dat als gevolg van de voortgaande individualisering steeds minder huishoudens op ťťn (minimum)inkomen zullen zijn aangewezen, het behoeftekarakter van het minimumloon aan belang inboet en het prestatiekarakter van het minimumloon een zwaarder gewicht krijgt. Het neerwaarts aanpassen van de minimumloonkosten, naast de huidige kabinetsvoorstellen ter vergroting van de inkomensverschillen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, moet dan ook zeker niet terzijde worden geschoven, waarbij de relatie met het uitkeringsniveau bijzondere aandacht behoeft." Dit zijn toch inzichten, bevindingen en conclusies die, als je werk boven inkomen stelt en als je daarbij de huidige en de te verwachten situatie van de werkgelegenheid zowel naar aard als naar voorkomen in aanmerking neemt, eerder kunnen leiden tot een beleid van beleidsmatige en gedifferentieerde aanpassing van het minimumloon en de sociale uitkeringen dan tot automatische dan wel semi-automatische aanpassingen. Verlaging van het minimumloon verdient, gelet op de aard en de betekenis hiervan voor het loongebouwdit is ook door de WRR bepleitzeker tegen de hiervoor geschetste achtergronden in overweging genomen te worden. Zoals bekend, heeft het kabinet deze gedachte inmiddels verworpen en blijft het, ook blijkens dit wetsvoorstel, vasthouden aan een ex ante vastgelegde structuur met als hoofdregel: koppelen. Beleidsmatige en gedifferentieerde aanpassingen bieden naar het oordeel van deze fractie evenwel meer mogelijkheden tot flexibiliteit en effectiviteit om het doel "werk boven inkomen" te bereiken. Naast toetsing op de reeds genoemde aspecten, is toetsing op andere ijkpunten mogelijk, met differentiatie in weging naar gelang de alsdan blijkende noodzaak. Ik denk hierbij onder andere aan het niveau arbeidsinkomensquote, lastendrukstijging en de budgettaire doelstellingen. Er kan beter positie worden genomen in de complexe relaties zoals die bestaan tussen arbeidsplaatsen, arbeidsparticipatie, individualisering, minimloon en minimumloonkosten, inkomensverdeling en besteedbaar inkomen. Kunnen de bewindslieden hierop hun visie geven? Kunnen zij ook hun visie geven op de keuze om relevante factoren, zoals afwijkingen van de actuele loontrend, belangrijke nivellering dan wel denivellering en de loondifferentiatie tussen de sectoren, pas in aanmerking te nemen bij de vierjaarlijkse besluitvorming over de bijzondere verhogingen en niet bij de jaarlijkse aanpassing? In onze ogen ontneemt het kabinet zichzelf de mogelijkheid tot slagvaardigheid, vooral ten aanzien van de ook door het kabinet zo noodzakelijk geachte loondifferentiatie voor de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. In verband met dit laatste, wil mijn fractie toch nog eens de visie van de bewindslieden vernemen op haar constatering in het voorlopig verslag, dat de techniek van de koppeling, de koppeling aan de gemiddelde contractloonstijging, er de oorzaak van is dat loongevoelige bedrijfstakken en ondernemingen aan de onderkant van de arbeidsmarkt geconfronteerd worden met een extra opstuwende werking van het minimumloon, respectievelijk met een verkleining van de afstand tussen de lonen en de sociale uitkeringen, met alle negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid van dien. Mijnheer de voorzitter! Ik kom nu bij de twee afwijkingsgronden. Beide afwijkingsgronden worden toegespitst in ťťn criterium, namelijk de aantalsverhouding tussen inactieve en actieve inkomenstrekkers, voor de lopende kabinetsperiode vastgesteld op 0,86. In afwijking van wat uit de voorgestelde wetstekst zelve gelezen kan worden, is het niet de bedoeling van de bewindslieden dat de afwijkingsgronden op zichzelf bezien tot ontkoppeling leiden. Beide afwijkingsgsronden worden vertaald in het criterium van de aantalsverhouding tussen actieve en inactieve inkomenstrekkers. Waarom dan nog twee afzonderlijke afwijkingsgronden opgenomen in de voorgestelde wetstekst, kun je je afvragen. Van de rechtszekerheid en de helderheid, welke 20 uitdrukkelijk volgens de bewindslieden nagestreefd worden richting koppelingssgerechtigden blijft maar weinig over. En wat de ratio 0.86 betreft: de verhouding tussen actieven en inactieven is op dit ogenblik in ons land extreem ongunstig, zeker ook vergeleken met de situatie in andere landen. Het is merkwaardig, eigenlijk onjuist, deze scheve verhouding ais uitgangspunt te nemen voor een toekomstig beleid dat ertoe zou moeten dienen, uitkeringsgerechtigden en minimumloners te laten delen in de welvaartsontwikkeling. Mijnheer de voorzitter! Tot zover het voorliggende wetsontwerp zelve. Ik wil nog een enkele opmerking maken met betrekking tot het flankerend beleid van het kabinet bij de voorgenomen ontkoppeling op 1 januari a.s. De ontkoppeling op zichzelf is eigenlijk bescheiden: er vindt een aanpassing plaats van 3% in plaats van 3,6%. Zij is bescheiden in relatie tot het streven om aan de onderkant van het loongebouw extra werkgelegenheid te creŽren. Zie ook de hiervoor gehouden beschouwingen. Van de flankerende maatregelen ontmoeten bij een eerste beoordeling de verhoging van het arbeidskostenforfait en van de belastingvrije voet instemming. Bij de financiering van deze maatregelen kunnen echter kritische kanttekeningen worden geplaatst. Het schrappen van de inflatiecorrectie treft de midden-en hogere inkomens en vermindert de prikkels op de arbeidsmarkt. De iastendruk voor met name de middeninkomens is in Nederland al hoog, internationaal gezien. Bovendien druist het in tegen de operatie-Oort, waarbij de wettelijke verankering van de inflatiecorrectie juist is aangescherpt. Ten aanzien van de voorgenomen aanpassing van het AAW/WAO-premiebeleid kan gezegd worden dat het op gespannen voet staat met een beleid dat het aanpassen van sociale zekerheidspremies alleen maar nodig acht voor doeleinden van financie-rings-en verzekeringstechnische aard. Mijnheer de voorzitter! Ik kom tot een eindbeoordeling. Uit het gehouden betoog moge duidelijk zijn dat mijn fractie niet overloopt van enthouasiasme voor dit wetsvoorstel. Integendeel, er bestaan veel twijfels. Geen twijfel bestaat bij mijn fractie over de moed en de durf van de bewindsliden, als waren zij koorddansers, wanneer het gaat om hun inzet voor de werkgelegenheid en voor een rechtvaardige inkomensverdeling. Gelet op de actualiteit van de voorgenomen ontkoppeling op 1 januari a.s. welke in wezen een beleidsmatige aanpassing tot gevolg heeft en gegeven het feit dat wij, als wij dit wetsvoorstel niet aannemen, geconfronteerd worden met toepassing van de WAM, hetgeen wij ook niet wenselijk achten, zal mijn fractie haar steun aan dit wetsvoorstel niet onthouden. Wellicht kunnen de bewindslieden nog twijfels wegnemen en nadere helderheid verschaffen.D e voorgenomen ontkoppeling zelve alsmede de daarbij behorende flankerende maatregelen staan vandaag niet ter formele beoordeling. Reacties van de bewindslieden daarover worden echter toch op prijs gesteld.

De voorzitter: Mijnheer Rongen, ik wil u als eerste feliciteren met deze maidenspeech.

©

W. (Willem) van de ZandschulpDe heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de voorzitter! Ik begin graag met een gelukwens aan het adres van collega Rongen. Nadat ik zijn boeiende betoog gehoord heb, reken ik in de toekomst op enkele pittige discussies met hem. Want onze benadering van een aantal zaken verschilt nogal. De laatste keer dat wij hier debatteerden over koppeling of ontkoppeling was in december 1988. Mijn betoog tegen het kabinetsvoorstel over de zoveelste bevriezing had toen een optimistische ondertoon. Er was sprake van een aanzienlijke economische groei, de werkgelegenheid trok aan en de werkloosheid daalde. Het verhoudingsgetal tussen economisch actieven en uitkeringsontvangers was ruim gestabiliseerd, zodat de koppeling een zichzelf financierend instrument zou zijn. Ik constateerde toen: "Het maatschappelijk en pohtiek draagvlak voor bevriezing van minimumloon en sociale uitkeringen brokkelt in een wel heel snel tempo af." Ter illustratie gaf ik hierbij een citaat van de toenmalige CDA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, B. de Vries: "een gelijke inkomensontwikkeling hoeft niet ten koste te gaan van de soliditeit; het draagt bij tot consensus in de maatchappij en dat vertaalt zich in loonmatiging." Het doet mij genoegen dat ik nu met dezelfde B. de Vries in zijn huidige functie van minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mag discussiŽren over het wetsvoorstel inzake koppeling met afwijkingsgronden. De ironie wil dat ik nu, na twee jaar automatische, geruisloze koppeling, terstond geconfronteerd word met een actualisering van de afwijkingsgrond en een kabinetsvoorstel tot gedeeltelijke ontkoppeling in 1992. Ik stel daar straks enkele vragen over. De ironie wil verder dat ik nu moet spreken in een maatschappelijke context die allerminst door consensus wordt gekenmerkt. Het sociale klimaat is verstoord, niet zozeer door die voorgenomen partiŽle ontkoppeling, als wel door een weinig nauwkeurig op de problematiek toegesneden onderdeel van de Ziektewet/WAO-voornemens van dit kabinet. Ik maak eerst enkele opmerkingen over de inhoud van het wetsvoorstel. Voor zover ik kan nagaan, is het eerste, genuanceerd uitgewerkte pleidooi voor koppeling met de mogelijkheid van strikt genormeerde en geconditioneerde beleidsmatige afwijking afkomstig van Fred Schippers, thans medewerker van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in het tijdschrift Socialisme en Democratie van november 1987. Zijn afwijkingsgronden zijn zeker niet helemaal dezelfde als die van dit wetsvoorstel, maar de lijn van denken vertoont veel overeenkomst. Latere discussies in de SER hebben geleid tot een formulering van afwijkingsgronden, die in hoge mate overeenkomt met die in dit wetsvoorstel, dat thans de WAM moet gaan vervangen. Wij kennen de gechiedenis van de WAM '79: deze is alleen toegepast in de beginjaren en in de eindjaren van haar bestaan. De WAM is geprezen als "beschavingsnorm". Die term is, als ik het mij goed herinner, afkomstig van de toenmalige CDA-politicus Steef Weijers, maar is daarna vooral door PvdA-politici herhaald. De WAM is ook misprezen als een blinde, volautomatische piloot die voortraast, ongeacht niet voorzien noodweer. In dit wetsvoorstel wordt de volautomatische piloot vervangen door een menselijke piloot. Die piloot wordt uitgerust met een zuiver kompas; koppeling als hoofdregel, ofte wel de beschavingsnorm. Die piloot wordt tevens uitgerust met een noodrem, voorzien van een zorgvuldige instructie: alleen te gebruiken in een noodsituatie. Die noodsituatie wordt via twee genormeerde afwijkingsgronden ten slotte geconcretiseerd in de getalsformule: de kwantitatieve verhouding tussen betaald werkenden en uitkeringsontvangers, herleid tot arbeidsjaren respectievelijk uitkeringsjaren. Dit uitkeringsquotiŽnt is voor deze kabinetsperiode vastgesteld op 0,86. Mijn fractie onderschrijft de lijn van dit wetsvoorstel en accepteert voor deze kabinetsperiode het uitkeringsquotiŽnt van 0,86. Tamelijk vŤrgaand vooruitkijkend werp ik wel een vraag op. Wij kiezen nu voor een getalsverhouding tussen economisch actieven en uitkeringsontvangers, ongeacht de soort uitkering. Toch is er een kwalitatief verschil tussen bijvoorbeeld enerzijds werkloosheids-en arbeidsonge schiktheidsuitkeringen en anderzijds de AOW voor de postactieve bevolking. Het aantal 65-plussers groeit, mede als gevolg van een vreugdevolle ontwikkeling zoals die van een verlengde levensverwachting als gevolg van verbetere levensomstandigheden en een verbeterde gezondheidssituatie. Ik kan mij voorstellen dat wij in de toekomst zouden kiezen voor een ander verhoudingsgetal, ontleend aan de arbeidsparticipatiegraad van de beroepsgeschikte bevolking. Over de toekomstige financierbaarheid van de AOW hoeven wij nu niet in paniek te raken, maar er is wel reden tot extra aandacht hiervoor. Nederland kent nog een enorme, deels verborgen arbeidsreserve. Vergroting van de arbeidsparticipatie is om meer redenen gewenst. Ik sluit zelfs niet de mogelijkheid uit dat een verlengde levensverwachting straks kan leiden tot enige verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, zoals al bepleit is door mijn partijgenoot Flip de Kam. De vergrijzing vergt wel een aanzienlijke verandering in ons arbeidsbestel; leeftijdsbewust personeelsbeleid, het opruimen van ieeftijdsdiscriminatie op de scho-lings-en arbeidsmarkt, veranderingen in het pensioenstelsel enzovoort. Het is de vraag of het blikveld van elke afzonderlijke arbeidsorganisatie zo ver reikt en of de optelsom van afzonderlijke ondernemingsbelissingen een optimaal maatschappelijk resultaat oplevert. De ervaringen met de WAO in de jaren zeventig en tachtig nopen mij ertoe, die vraag niet zo snel positief te beantwoorden. Zo'n bredere belangenafweging, gericht op de toekomst en cultuuromslag, zal wellicht zonder politieke bemoeienis niet tijdig tot stand komen. Een recente missie van de staatssecretaris in de richting van de pensioenfondsen heeft naar mijn indruk nog weinig opgeleverd, hoewel zij sterke argumenten had. Een flinke verhoging van de arbeidsparticipatie kan zeer behulpzaam zijn om de meeruitgaven voor de komende vergrijzing op te vangen. Zo'n vergroting van de arbeidsparticipatie is met zeer veel onzekerheden omgeven, terwijl ook de ontwikkeling van de migratie een onzekere factor is bij de toekomst van het arbeids-en uitkeringsvolume. Zelfs bij een forse vergroting van de arbeidsparticipatie zal waarschijnlijk dankzij de vergrijzing het uitkeringsquotiŽnt stijgen. Het is daarom in de toekomst wellicht reŽler om het verhoudingsgetal van dit wetsvoorstel te herformuleren als een uitkeringsquotiŽnt van de beroepsgeschikte bevolking. Het is nodig dat de overheid de bevolking voorhoudt dat de consequentie van een stijgende levensverwachting is dat een groter deel van de bruto opbrengst van arbeid aangewend moet worden voor de postactieve periode. Een realistisch inzicht daarin vergroot wellicht het maatschappelijk draagvlak voor een hogere AOW-premie. En wie terecht zorgelijk wijst op het economisch draagvlak tegen de achtergrond van de internationale concurrentieverhoudingen, moet zich realiseren dat ook onze buurlanden geconfronteerd worden met toenemende vergrijzing. Ik zei hiervoor al dat het wetsvoorstel voor ons zeer aanvaardbaar is. Ik kan echter niet tegenspreken dat ik de hoofdregel van de koppeling meer verinnerlijkt heb dan de afwijkingsgronden. Ik erken evenwel dat een volautomatische koppeling een neerwaartse spiraal kan versterken. Bij een verslechtering van het verhoudingsgetal stijgt dan de collectievelastendruk, wat weer kan leiden tot verdere uitstoot van arbeid. Zo'n vicieuze cirkel moet voorkomen worden. Het is vervelend dat wij dit goede wetsvoorstel behandelen op een moment dat een afwijking van de hoofdregel zich aandient. Volgens prognose stijgt het uitkeringsquotiŽnt volgend jaar met circa 0,7. Het kabinet heeft zichzelf de taak opgelegd om in zo'n geval niet zonder meer en niet klakkeloos te ontkoppelen, maar te komen tot een brede afweging. Bij een eventuele ontkoppeling, geheel of ten dele, zijn aanvullende inkomensmaatregelen aan de orde, evenals extra inspanningen ten behoeve van de werkgelegenheid. Ik heb in mijn bijdrage aan het koppelingsdebat in 1988 al gezegd dat ik een zekere bruto-netto-uitruil acceptabel acht, als ook langs die weg een parallelle inkomensontwikkeling bereikt kan worden. Het kabinet heeft nu gekozen voor een gedeeltelijke koppeling, plus een fiscale herschikking. Tegenover een element van denivellering staat nu een element van nivellering. Indien de inkomensprognose van het kabinet voor 1992 uitkomt, ontstaat er inderdaad een evenwichtige inkomensontwikkeling en globaal koopkrachtbehoud over een heel brede linie. Die prognose is echter omgeven door nogal wat onzekerheden. Als de prognose van het kabinet niet uitkomt, kan begin volgend jaar een nieuwe discussie nodig zijn. Wat dat betreft kunnen wij slechts voorwaardelijk groen licht geven. Tot de onzekerheden reken ik het effect van gemeentelijke heffingen en milieuheffingen op de koopkracht van de minima. Het kabinet stelt in de memorie van antwoord dat de gehanteerde koopkrachtoverzichten slechts minimale over-en onderschattingen bevatten die elkaar ongeveer in evenwicht houden. Ik weet niet of dat binnenkort nog steeds zal gelden. Konsumentenkontakt kwam onlangs met nieuwe cijfers, met een nogal verontrustende ondertoon. Er is een nieuwe onzekerheid bijgekomen, met koopkrachtgevolgen voor uitkeringsgerechtigden. Dat betreft de vraag of er per 1 januari a.s. een nieuwe stap wordt gezet met het plan-Simons. Indien neen, dan heeft dat een negatief koopkrachteffect van 0,4% voor ziekenfondsverzekerden. Werknemers zullen dat via de CAO wel weten te compenseren. Ik laat nu even de vraag rusten of zo'n loonsverhogend effect misschien de werkgelegenheid negatief beÔnvloedt en daarmee op den duur het uitkeringsquotiŽnt. Ik beperk mij hier tot het koopkrachteffect voor uitkeringsontvangers. Waar het nagestreefde koopkrachtbehoud voor de minima in 1992 al onzeker was, komt er nu een onzekere factor van 0,4% bij. Ik vraag aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verantwoordelijk voor het inkomensbeleid, hoe hij hiertegen aankijkt. Is het denkbaar dat het kabinet, als de stemming over het plan-Simons hier volgende week anders uitpakt dan het kabinet wenst, er alsnog gekozen wordt voor onverkorte toepassing van de koppeling in 1992? Indien niet, welke andere middelen ziet de minister dan voor koopkrachtreparatiei" Ik vraag aan mijn collega's van de andere fracties hier natuurlijk niet om vooruit te lopen op hun uiteindelijke afweging over het plan-Simons. Daarin spelen immers vele andere elementen een rol. Ik vraag hen wŤl, dit aspect mee te wegen. Ik vraag vandaag ook van hen, zich langs welke weg dan ook medeverantwoordelijk te weten voor de koopkracht van de minima in 1992. Het tweede aspect dat bij iedere afwijking van de koppeling aan de orde is en moet zijn, betreft de vraag hoe de arbeidsparticipatie zo gestimuleerd kan worden dat het verhoudingsgetal zich zo spoedig mogelijk herstelt. Voordat ik hierop inga, maak ik enkele opmerkingen over de verhouding tussen minimumloon en werkgelegenheid, tegenwoordig een vast onderdeel van het koppelingsdebat. De leuze "werk boven inkomen" wordt soms nogal eenzijdig opgeworpen als het om de laagste inkomens gaat. Ik meen dat zij over de gehele inkomenslinie aari de orde moet zijn. De discussie over de relatie tussen minimumloon en werkgelegenheid werd recentelijk gekoppeld aan een roep om een zogenaamde individualisering van het minimumloon. Ik meen dat individualisering in dit verband een onjuiste term is. Het minimumloon is evenals alle andere lonen een individueel loon. Kostwinnerslonen bestaan niet. In ons inkomensbestel zitten vele kostwinnerselementen: de dubbele belastingvrije som, de gratis of bijna gratis medeverzekering van de huisvrouw en de enkele huisman voor de volksverzekering en het ziekenfonds, toeslagen in de sociale zekerheid enzovoorts. Kostwinnerstegemoetkomingen spelen een rol in de hele inkomenspiramide. Wie de arbeidsparticipatie wil vergroten, doet er goed aan, kostwinnersfaciliteiten geleidelijk te vervangen door ouderschapsfaciliteiten, zowel in de arbeidssfeer als in de inkomenssfeer. Het minimumloon is dus geen kostwinnersloon, maar een individueel loon voor individuele arbeid. Het is primair een minimale tegenprestatie voor arbeid. Natuurlijk heeft het minimumloon een extra aspect van bescherming. Anders zou geen Wet op het minimumloon nodig zijn. De totstandkoming van deze wet vond plaats in een omgeving waarin het kostwinnersdenken nog dominant was. Bij de vaststelling van het wettelijke minimumloon werd echter vooral gekeken naar de laagste loonschalen in CAO's, dus naar arbeidsmarktcriteria. Ligt het huidige minimumloon te hoog vanuit werkgelegenheidscriteria? Ik neem aan dat vele werkgevers om psychologische redenen, de motivatieprikkel, graag iets meer aan hun laagstbetaalde werknemers bieden dan het wettelijke minimumloon. In het begin van de jaren tachtig was de afstand tussen de laagste CAO-schalen en het wettelijke minimumloon krap 2%. Dit duidt erop dat het minimumloon toen naar arbeidsmarktcriteria aan de hoge kant was. Daarna bleef het minimumloon in de jaren tachtig fors, circa 14%, achter bij de algemene loonontwikkeling. Op dit moment is de afstand tussen de laagste CAO-lonen en het wettelijke minimumloon 10%. Voor de jeugd is de afstand tussen de laagste CAO-lonen en het minimumloon nog veel groter: 20% a 25%. Het aantal CAO's waarin de laagste CAO-schaal samenvalt met het wettelijke minimumloon, is drastisch geslonken. Het aantal volwassenen dat op het minimumloon aangewezen is, is gedaald bij een forse groei van de beroepsbevolking. Het beroep op loonkostensubsidieregelingen zoals de KRA en de WLOM blijft duidelijk achter bij de ramingen. Ik meen dat dit allemaal indicaties zijn voor de veronderstelling dat het minimumloon naar arbeidsmarktcriteria thans helemaal niet zo hoog is. Het bekende contra-argument is steeds dat de werkloosheid onevenredig sterk geconcentreerd is bij laag geschoolden. Dit verschijnsel is echter te verklaren uit verdringing. In een tijd van oplopende werkloosheid, zoals in het begin van de jaren tachtig, verlagen iets hoger geschoolde werkzoekenden hun eisen op de arbeidsmarkt en nemen zij genoegen met een baan op een iets lager niveau, totdat de werkloosheid zich concentreert en blijft hangen bij de laagst geschoolden. Intussen doet zich nu wel het probleem voor dat het huidige werklozenbestand slechts zeer ten dele aansluit bij vacatures op de arbeidsmarkt en dat een deel ervan niet geschikt is voor scholing tot het gevraagde niveau van de vacatures. Ik denk, dat de oplossing van het werkloosheidsprobleem niet alleen gezocht moet worden in een massale creatie van al dan niet gesubsidieerde goedkope arbeidsplaatsen, al is dat wel een onderdeel van de oplossing. Er zal veel meer aandacht moeten komen voor scholing en bijscholing van laaggeschoolde en lagergeschoolde werkenden, opdat dezen kunnen doorstromen naar iets hogere functies en hun plaatsen ingenomen kunnen worden door eventueel bij te scholen werklozen. Aldus wordt er meer dynamiek gecreŽerd aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het invoeren van een individueel scholingsrecht verdient serieuze overweging. Bij de voorbereiding van dit debat hebben wij gevraagd naar het aantal toepassingen van de WLOM, de Wet loonkostenreductie op minimumloonniveau, ofte welin een iets charmantere afkorting genoemd door de staatssecretaris -Loremi. Die wet verlaagt de loonkosten voor een werkgever per minimumloner met ca. 10%. Als zodanig is het een proeftuin die enige indicatie kan geven voor het antwoord op de vraag of een verlaging van het minimumloon veel werkgelegenheid zou uitlokken. Ik memoreer kort de voorgeschiedenis. Het is een beetje het verhaal van de tien kleine negertjes In de memorie van toelichting op de WLOM werd op grond van de ramingen van het CPB gerept van een initieel bereik van 160.000 volwassen minimumloners en het uitlokken van een extra aanbod van 31.000, zodat het geraamde totale bereik uitkwam op 191.000. Bij de behandeling van de WLOM in deze Kamer veronderstelde ik al, dat dit getal te hoog was. Het CBS telde in hetzelfde meetjaar als het CPB bijvoorbeeld geen 160.000 maar slechts 104.000 volwassen mini-mumloners. Ik kreeg toen als antwoord, dat het CPB wellicht aan de hoge kant zat. Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstelanderhalf jaar na de invoering van de WLOM-wordt het feitelijke bereik geraamd op ongeveer 25.000 en dat zounaar voorzichtige schattingovereenkomen met ongeveer driekwart van het potentieel bereik. De kloof tussen de reŽle arbeidswereld en de Haagse perceptie is wel groot als een aanvankelijk geraamd bereikvan 191.000 na anderhalf jaar toepassing ineengeschrompeld is tot 25.000. Het zeer bescheiden gebruik van deze loonkostenreductieregeling doet naar mijn mening, in elk geval op het eerste gezicht, afbreuk aan de veronderstelling dat de hoogte van het minimumloon zo'n forse barriŤre zou zijn bij meer tewerkstelling. Een eventuele verlaging van het minimumloon zou niet alleen grote sociale problemen oproepen maar creŽert ook nieuwe knelpunten voor een goede allocatie op de arbeidsmarkt De argumenten van het kabinet in zijn reactie op het WRR-rapport vind ik op dit punt zeer overtuigend. Voor een vergroting van de arbeidsparticipatie lijkt mij vooral een voortzetting van gematigde loonontwikkeling van cruciaal belang en een vertaling van een deel van de loonruimte in werkgelegenheidsbevorderende afspraken. Het zou goed zijn als het kabinet een nieuwe, serieuze poging doet om weer on speaking terms te komen met de vakbeweging. Voor de toekomst is verder de vraag van belang of het aandeel van de collectieve lasten op de factor arbeid deels verschoven kan worden naar zaken als energie-en milieubelasting. Voor zover de onderkant van de arbeidsmarkt toch extra aandacht behoeft, kan de verlaging van het brutonettotraject meer toegespitst worden op laaggeschoolde arbeid en zou de BTW voor sommige vormen van arbeidsintensieve dienstverlening verlaagd kunnen worden. Naast loonkostenontwikkeling is scholing een tweede sleutelbegrip. Meer scholingsmogelijkheden voor lager geschoolde werknemers heb ik al genoemd. Ik voeg eraan toe, dat de voorwaarden voor scholing voor WW-en WAO-uitkeringsgerechtigden soms te rigide vastgesteld zijn en dat hier versoepeling nodig is. Als derde sleutelbegrip noem ik een verbetering van de mogelijkheden om betaalde arbeid te combineren met huishoudelijke en opvoedingstaken en herverdeling van arbeid. En ten slotte is van groot belang dat bij de arbeidsongeschiktheidsproblematiek een beleid van preventie en reÔntegratie van de grond getild wordt en de uitvoeringspraktijk vooral daarop veel sterker wordt afgestemd en daarvoor goed toegerust wordt. Juist nu de werkgelegenheidsgroei afvlakt of dreigt te stagneren, verwacht ik van het kabinet nieuwe initiatieven op deze punten. Via een activerend werkgelegenheidsbeleid moet de koppeling ook op termijn veiliggesteld kunnen worden. Ik ga ervan uit dat de partiŽle ontkoppeling in deze kabinetsperiode beperkt kan blijven tot het jaar 1992. Het vinden van een aanvullend inkomensinstrumentarium, bijvoorbeeld via fiscale herschikking, lukt wel in een incidenteel jaar, maar wordt moeilijker naarmate het frequenter nodig zou zijn. Bij het debat over de koppeling speelt sinds enkele jaren ook de curieuze variant van de zogenaamde gedifferentieerde koppeling een rol. Het idee kwam voor het eerst op in 1988, toen de argumenten voor voortgezette ontkoppeling wel heel sterk aan kracht ingeboet hadden, maar de politiek in meerderheid de sprong naar herstel van de koppeling nog niet aandurfde, of nog niet wilde. Het idee van een gedifferentieerde koppeling betekent dat die uitkeringsontvangers die het verst af staan van de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld AOW'ers, wel meedelen in de welvaartsgroei, maar uitkeringsontvangers met een gerede kans op werkhervatting niet. In het Haagse jargon wordt dan gesproken over wel-of niet-arbeidsmarktrelevante uitkeringen. Maar voor zover mij bekend, heeft tot dusverre geen politicus zich gewaagd aan een scherpe grensafbakening tussen beide categorieŽn. Dit kabinet wijst, evenals het vorige, een gedifferentieerde koppeling of ontkoppeling onomwonden af. Daarvoor zijn vele goede argumenten. Er is moeilijk een rechtsgrond te bedenken waarom de ene uitkeringsontvanger wel zou mogen meedelen in de welvaartsgroei en een andere niet. Het is vrijwel onmogelijk om uitkeringstrekkers te selecteren in arbeidsmarktrelevante en niet-arbeidsmarktrelevante. De discussie daarover zou nog moeilijker zijn dan die over onomkeerbare en niet-onomkeerbare WAO'ers. Het is een verkeerd signaal als de overheid sommige groepen expliciet afschrijft voor de arbeidsmarkt. Het signaal zou naar uitkeringsgerechtigden averechts werken. Zij zouden er, althans op korte termijn, belang bij krijgen om hun afstand tot de arbeidsmarkt zo breed mogelijk uit te meten, ten einde de zegeningen van de koppeling deelachtig te kunnen worden. Een werkloze of arbeidsongeschikte die een ARBVO-scholing volgt, acht zich kennelijk arbeidsmarktrelevant en zou daarmee het risico van ontkoppeling over zich afroepen. Kortom, een systeem van gedifferentieerde koppeling heeft geen rechtsgrond en is bovendien mallotig en contraproduktief. Wij steunen het kabinet op dit punt. Tegelijk roepen wij het kabinet op om consequent te blijven. Tot onze verbazing kwam het kabinet eind augustus/begin september wel met een voorstel tot selectieve ontkoppeling gedurende een nog onbekend aantal jaren voor een willekeurige groep uitkeringsontvangers, namelijk lopende WAO-gevallen beneden de 50 jaar. Dat voorstel staat haaks op geest en letter van dit wetsvoorstel dat wij nu bespreken, en vergt straks een wijziging van dit wetsvoorstel. Ook met veel lenigheid des geestes kan ik voor die selectieve ontkoppeling geen rechtsgrond, geen objectieve rechtvaardiging bedenken. Zelfs een beroep op een onvoorzienbare noodsituatie faalt. Weliswaar ligt het arbeidsongeschiktheidsvolume veel hoger dan maatschappelijk aanvaardbaar is, maar dat is al twee decennia het geval en is steeds door maatschappij en politiek, al dan niet bewust, geaccepteerd, althans gedoogd. Het arbeidsongeschiktheidsvolume stijgt nog steeds, maar afgezet tegen het volume van arbeidsjaren, de enig juiste maatstaf volgens de WKA, is er sprake van een licht dalende tendens. De voorgenomen tijdelijke uitzondering op de WKA van een beperkte groep uitkeringsgerechtigden is naar onze voorlopige indruk strijdig met de beginselen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Wij kiezen voluit voor dit wetsvoorstel, dat de koppeling als kompas heeft en eventuele uitzonderingen strikt conditioneert en zorgvuldig normeert. Wij doen dit graag voor een reeks van jaren. Wat ons betreft komt het kabinet volgend jaar niet langs met een wijzigingsvoorstel dat een inbreuk vormt op deze goed overwogen algemene rechtsbeginselen.

De heer Veling (GPV): Mijnheer de voorzitter! Per saldo ben ik niet ongelukkig met het voor ons liggende wetsvoorstel. In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer schrijven de bewindslieden dat de keuze voor het stelsel, zoals dat in het WKA-voorstel is neergelegd, vooral is ingegeven door het streven "minimumloners en uitkeringsgerechtigden zo veel mogelijk evenredig te laten delen in de algemene welvaartsontwikkeling". Deze beleidsdoelstelling juich ik toe. Een stelsel van koppeling, zij het met mogelijkheden voor afwijking, moet duidelijk maken dat het de overheid ernst is met haar streven. Ik begrijp dit en sta er ook sympathiek tegenover. Ik constateer echter ook dat in de huidige omstandigheden de mogelijkheid van afwijking meer actualiteitswaarde heeft dan de koppeling. Dat had zij trouwens ook in de achter ons liggende tijd. Dit is een zaak van presentatie: het publiek duidelijk maken wat je wilt. De Macro economische verkenning 1992 maakt duidelijk, dat ontkoppeling in de jaren tachtig inderdaad juist was. De gevolgen van koppeling zouden desastreus zijn geweest. In de memorie van antwoord vertellen de bewindslieden, dat zij dit gegeven als een ondersteuning van het wetsvoorstel zien. Ja, zeg ik er dan bij, de noodzaak van mogelijkheden van afwijking wordt er door onderstreept, maar niet het belang van koppeling. Ook in de nabije toekomst zal van afwijking en niet van koppeling sprake zijn. Het overwegen van de systematiek van de koppeling is op dit moment een nogal theoretische exercitie. Het lijkt op een discussie tussen ouders over een nieuwe fiets voor zoon of dochter, terwijl zij weten dat er alleen geld is voor een tweedehandsfiets. "Wat zullen we doen? Geven we niet een nieuwe fiets met versnellingen of geven we niet een nieuwe fiets met een terugtraprem?" Nadat men een conclusie heeft getrokken, wordt troostend aangetoond dat een tweedehandsfiets vaak nog veel beter is dan een nieuwe. Maar daarover heeft de Consumentenbond zo zijn eigen ideeŽn, heb ik begrepen. Mijnheer de voorzitter! De in het voorstel geregelde koppeling heeft een sterk symbolische betekenis. Dat is niet onbelangrijk. Hiermee wordt uiting gegeven aan een beleidsvoornemen en een streven. Het is echter goed te onderstrepen, dat de mogelijkheid van afwijken in het voorstel essentieel is. Dat de overheid in economisch moeilijke tijden haar eigen verantwoordelijkheid neemt voor het beleid ten aanzien van minimumloon en uitkeringendat gebeurt door van afwijkingsmogelijkheden gebruik te maken -acht ik juist. Zoals ik zei, ik vind het belangrijk dat welvaartsgroei niet voorbijgaat aan de mensen met een minimuminkomen. Het beleid moet in concrete situaties daarop afgestemd zijn. Mijn inziens zijn automatische, onvoorwaardelijke koppelingen daarbij minder gewenst. Ik zeg dat laatste niet alleen, omdat strikte koppelingen ook ongewenste effecten kunnen hebben voor degenen die daarvan in eerste aanleg profiteren. Meer principieel gezien, meen ik dat de overheid in dezen zelfstandig beleid moet kunnen voeren. Uiteraard heeft een overheid oog voor wat er in de maatschappij gebeurt. Maar zij behoort zich niet met huid en haar over te leveren aan de ontwikkelingen in het bedrijfsleven, aan wat werkgevers en werknemers met elkaar overeenkomen. Mijnheer de voorzitter! Per saldo ben ik niet ongelukkig met het voorliggende wetsvoorstel.

Mevrouw Bolding (GroenLinks): Voorzitter! Ik wil mijn korte bijdrage graag besteden aan het geven van een toelichting op ons stemgedrag. Bij het nu voorliggende wetsvoorstel spreken wij over een koppeling met afwijkingen. Zoals u weet, is de fractie van GroenLinks voor een automatische koppeling. Daarop wil ik nu niet nader ingaan. Ik wil wel enkele opmerkingen maken over de politieke keuze van de regering voor de mogelijkheid van afwijking. Ik ga dan eerst in op de verhouding tussen inactieven en actieven. Met dit wetsvoorstel worden uitkeringsgerechtigden als het ware gijzelaars van de sociaal-economische omstandigheden. Immers, als er in relatie tot het aantal actieven te veel uitkeringsgerechtigden zijn, wat bij een verhoudingsgetal van 0,86 geldt, dan bestaat de mogelijkheid tot ontkoppeling. En daarmee krijgt deze groep de rekening gepresenteerd van de kosten van de sociale zekerheid. Dat is een politieke keuze van deze regering, maar het is niet de enige keuze. Er bestaat weliswaar niet de plicht tot ontkoppelen maar slechts de mogelijkheid, maar wij moeten ervan uitgaan dat de mogelijkheid in de wet wordt opgenomen met de bedoeling ervan gebruik te maken. Mijn fractie ontkent niet dat de kosten van de sociale zekerheid hoog zijn, maar naar onze mening dient de rekening daarvoor eerder aan anderen dan aan uitkeringsgerechtigden te worden gepresenteerd. Wanneer er in relatie tot het aantal actieven te veel werklozen zijn en daardoor te hoge kosten van sociale zekerheid ontstaan, lijkt ons een actieve inzet ten behoeve van het omlaag brengen van het aantal werklozen het meest effectief. Daarbij kan verdergaande arbeidstijdverkorting een belangrijk instrument zijn. Zoals u weet, heeft onze fractie hier verschillende malen op aangedrongen. Onze politieke keuze ligt bij het in stand houden van een automatische koppeling en het optreden van meer werkgelegenheid. De politieke keuze die in dit wetsvoorstel is gemaakt, wijzen wij af. De fractie van GroenLinks zal het voorstel dan ook niet steunen.

©

B. (Bert) de VriesMinister De Vries: Mijnheer de voorzitter! Ik complimenteer de heer Rongen met zijn maidenspeech in dit huis. Het is een goede aanleiding om bij de beantwoording in belangrijke mate aan te knopen bij onderdelen van het doorwrochte betoog dat hij hier heeft gehouden. De heer Rongen is begonnen met te verwijzen naar het beeld dat in het voorlopig verslag door de fractie van het CDA is gebruikt: het beeld van de koorddanser. Die koorddanser balanceert in dit geval tussen twee pohtieke doelstellingen: aan de ene kant, zoals de heer Rongen het noemde, het rechtvaardig inkomens-beleid en aan de andere kant het effectief werkgelegenheidsbeleid. In het voorlopig verslag werd het nog iets preciezer gezegd. De twee doelstellingen die daarin worden genoemd zijn, aan de ene kant, het ten goede laten komen van de algemene welvaartsontwikkeling aan de werkenden die op het minimumloon zijn aangewezen, maar ook aan degenen die niet werken, dus het ten goede laten komen van de algemene welvaartsontwikkeling ook aan minimumloners en uitkeringsgerechtigden en, aan de andere kant, een beleid dat niet in de weg staat van een vermindering van de inactiviteit. Ik meen dat dat de twee kernen zijn waarom het gaat, ook als wij spreken over begrippen als "werk boven inkomen". Het is een goed uitganspunt om ernaarte streven dat ook mensen die van een uitkering moeten leven deel hebben aan de algemene welvaartsontwikkeling. Ik moet zeggen dat ik enigszins een positieve uitspraak in die richting van de kant van de CDA-fractie heb gemist. Toch meen ik dat het een heel redelijk uitgangspunt is, zeker als het gaat om de iange termijn. Als wij hechten aan een stabiele samenleving, waarin de werkenden en de niet-werkenden op een harmonieuze manier met elkaar kunnen samenleven, meen ik dat het goed is om ervan uit te gaan dat ook uitkeringen zich globaal meeontwikkelen met de algemene welvaartsstij-Dat kan echter op gespannen voet komen te staan met een effectief werkgelegenheidsbeleid, dat ertoe bijdraagt dat de verhouding tussen het aantal mensen dat belasting en premie betaalt en het aantal mensen dat van een uitkering moet leven, niet verder verslechtert. Wij hebben in de jaren zeventig en tachtig gezien dat die risico's niet denkbeeldig zijn, dat de verhouding tussen het aantal inactieven en actieven sterk verslechterd is en dat het in de jaren tachtig een geweldige beleidsinspanning heeft gekost om te voorkomen dat die verhouding verder zou verslechteren ten opzichte van de situatie die men in het midden van de jaren tachtig bereikte, namelijk dat er op elke werkende premiebetaler 0,86 uitkeringsgerechtigden waren. Het is waar dat in het perspectief van de vergrijzing, die verhouding verder dreigt te verslechteren. Ik meen dat dat ons tegelijkertijd met de neus op het probleem drukt dat het nog een geweldige beleidsinzet vergt om er dan in ieder geval naar te streven dat het aantal mensen beneden die leeftijd van voorlopig nog 65 jaar dat een uitkering geniet, zo klein mogelijk is. Middels een streven dat erop is gericht om werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en het aantal bijstandsgerechtigden zo veel mogelijk te beperken, proberen wij te bevorderen dat het economische en financiŽle draagvlak van de premiebetalers sterk genoeg is om straks de kosten van de vergrijzing te kunnen dragen. Een bevordering van participatie is dan een buitengewoon belangrijk doel. In die zin blijft voor mij voluit gelden "werk boven inkomen". Dat wil zeggen dat, zodra er signalen komen dat de verhouding tussen actieven en inactieven weer verder gaat verslechteren, wij ons dan wel drie keer moeten bedenken of wij de koppeling kunnen handhaven en of wij niet allerlei maatregelen moeten nemen om toch te proberen, in de sfeer van een actief werkgelegenheidsbeleid, die participatie te vergroten. In dat verband wil ik nog een opmerking maken over de afwijkingsgronden. Ik kom straks nog terug op de discussie over de WRR-problematiek. Mevrouw Gelderblom heeft er ook opmerkingen over gemaakt. Het is inderdaad zo dat wanneer de afwijkingsgronden actueel zijn, er niet altijd een eenduidige besiissing genomen wordt op basis van een volautomatische redenering die tot een onvermijdelijke conclusie leidt. Dan zijn er ook subjectieve afwegingen in het geding. Overigens zeg ik tegen de heer Heijmans, die voorkeur heeft voor een beleidsmatig wetsvoorstel, dat dan per definitie elk jaar een subjectieve afgeweging gemaakt moet worden. Die subjectieve beleidsafweging kan nooit een grotere rechtszekerheid in het vooruitzicht stellen dan een wetsvoorstel dat als hoofdregel koppelen heeft, maar wel enkele afwijkingsgronden kent. Als die afwijkingsgronden niet actueel zijn, weten wij zeker dat er gekoppeld wordt. Als de afwijkingsgronden wel actueel zijn, geldt een "kanbepaling" en dan is het niet helemaal duidelijk. Dan is er ruimte voor de beleidsafweging die de heer Heijmans elk jaar wil maken. Wij willen dat niet. Als er geen objectieve redenen zijn, af te wijken van de koppeling, moet het algemene uitgangspunt gelden dat ook uitkeringsgerechtigden behoren mee te delen in de algemene welvaartsontwikkeling. Het is overigens ook niet zo dat de ruimte voor de beleidsmatige afweging onbeperkt is. Als het verhoudingsgetal de norm zowel op korte als op lange termijn overschrijdt, is de strekking van het wetsvoorstel dat de regering wel zeer goede argumenten moet hebben om in een dergelijke situatie niet te ontkoppelen. Alleen als de signalen op korte en lange termijn tegenstrijdig zijn, is de ruimte voor subjectieve afwegingen groter. Men kan zeggen dat dit geldt voor de situatie in 1992. Volgend jaar gaat het verhoudingsgetal de norm te boven, maar op lange termijn-1994-kan het weer op zijn pootjes terechtkomen. De overschrijding in 1992 is echter zeer substantieel. De verslechtering van het verhoudingsgetal in 1992 -in 1991 was het nog 85,5 en in 1992 wordt het 86,7 -correspondeert met 55.000 uitketÔngsjaren. Dan gaat het ineens om een heel andere orde van grootte dan een procentje meer of minder. Het is weliswaar niet uitgesloten dat het in 1994 allemaal weer op orde is, maar dit veronderstelt wel dat alle maatregelen die wij op stapel hebben staan in de sfeer van de Ziektewet en arbeidsongeschiktheid, het volle resultaat op zullen leveren. Bij zo'n substantiŽle overschrijding en bij zo veel noodzakelijk beleid om de zaak weer op orde te krijgen, lijkt het mij niet onlogisch en zeker niet onbegrijpelijk dat de regering tot de keuze is gekomen die zij uiteindelijk heeft gemaakt voor 1992. Overigens wachten wij nog op een advies van de SER en dan zullen wij een definitief besluit nemen. Er is gevraagd of deze wetmevrouw Gelderblom heeft gesproken over doen alsofniet hetzelfde lot beschoren zal zijn als de WAM. Ik heb overigens het genoegen gehad om, toen ik pas in de Tweede Kamer zat, samen met mijn collega Weijers die wet als kamerlid te mogen behandelen. Ik herinner mij dus een en ander van hetgeen gezegd is over de tekenen van beschaving. Men zal mij dergelijke opmerkingen niet horen maken. Wij hebben gemerkt dat het buitengewoon moeilijk kan zijn om, als het economisch tegenzit, dergelijke koppelingsmechanismen overeind te houden. Mevrouw Bolding heeft gezegd dat uitkeringsgerechtigden gegijzelden worden van de algemene economische ontwikkeling of van de werkgelegenheidsontwikkeling. Voorzitter! Dat is haast onvermijdelijk, onafhankelijk van hetgeen de wetgever wil. Een systeem van sociale zekerheid is alleen draagbaar en financierbaar als het economische draagvlak sterk genoeg is. Als het dat niet is, zoals in het begin van de jaren tachtig, en je te lang wacht met het trekken van consequenties daaruit, kan het vele jaren duren voordat de economische basis weer voldoende is hersteld om de koppelingen weer te kunnen toepassen. Je kunt ook te lang doorgaan met koppelen, zo heeft de ervaring ons geleerd. Betekent dit dat de koppeling nu meteen in de diepvries terechtkomt en er niets meer van terechtkomt? Ik geloof het niet. Ten aanzien van de ontwikkelingen in 1990 en 1991 kan geconstateerd worden dat, als deze wet twee jaar eerder in het Staatsblad had gestaan, de toepassing ervan ertoe geleid zou hebben dat er zowel in 1990 als in 1991 gekoppeld zou zijn. Wij hebben in 1990en 1991 de WAM gewoon toegepast, dus wij hebben feitelijk ook gekoppeld, zij het via een andere systematiek. Er is dus geen reden tot grote somberheid. Er is dan ook geen reden om te denken dat, zoals mevrouw Gelderblom enigszins suggereerde, het allemaal wel niets zal worden en dat een en ander de diepvries in zal gaan. Nee, als de wet eerder in het Staatsblad had gestaan, zouden wij in 1990 en 1991 ook hebben moeten koppelen en zouden wij niet hebben moeten afwijken. Voorzitter! Overigens blijkt uit de exercitie waaraan door het CPB is gerefereerd, dat voor de jaren zeventig en tachtig de toepassing van een wet als deze ertoe geleid zou hebben, dat wij in de tweede heift van de jaren zeventig en in de eerste helft van de jaren tachtig niet gekoppeld zouden hebben. Wij zouden daardoor veel eerder consequenties hebben getrokken uit de economische ontwikkeling in die jaren. Merkwaardigerwijs hadden wij vanaf de tweede helft van de jaren tachtig wel weer kunnen koppelen. Ik geloof dan ook dat die afwijkingsgronden wel degelijk de heel belangrijke functie hebben om ons als het ware tijdig aan te sporen om maatregelen te nemen wanneer er iets mis gaat. Ik ben het ook met de heer Van de Zandschulp volledig eens dat wij dat dan in een veel breder kader moeten doen. Er moet een flankerend beleid zijn, gericht op intensivering van het werkgelegenheidsbeleid, het arbeidsvoorzieningenbeleid en er moet ook een flankerend inkomensbeleid zijn. Ik kom daar straks nog nader op terug. Overigens wil ik over de verhouding tussen actieven en inactieven nog meedelen dat ook uit de stukken blijkt, dat wij menen dat een dergelijk verhoudingsgetal, voor zover daaraan een norm wordt ontleend, per kabmetspenode vastgesteld moet worden. Het is dus zeker geen automatisme, ervan uit te gaan dat in een volgende kabinetsperiode die norm weer 0,86 zou moeten zijn. Wij weten dat het verhoudingsgetal niet alleen bepalend is voor de omvang van de last van de socialezekerheidsuitgaven op het nationaal inkomen. Wanneer de vergrijzing verder toeslaat, zou het kunnen zijn dat er naar verhouding meer "goedkope" uitkeringen komen en minder "dure" uitkeringen. Dat vertaalt zich dan in een lager beslag op het nationaal inkomen. In zo'n situatie kan ik mij wel degelijk voorstellen dat een wat hoger verhoudingsgetal aanvaardbaar en verenigbaar is met de situatie waarin het beslag van de sociale zekerheid op het nationaal inkomen niet toeneemt. Dat roept dan meteen de vraag op waarom wij niet meteen rechtstreeks voor zo'n criterium hebben gekozen. Aan de overzijde is deze vraag ook aan de crde geweest. De doelstelling van het beleid is om het totale beslag van de collectieve uitgaven op het nationaal inkomen te verlagen. Dat doen wij. Als wij zeggen dat de collectievelastendruk niet omhoog mag gaan en het financieringstekort moet naar beneden met twee punten, dan betekent dit dat het totaal van de collectieve uitgaven met twee punten naar beneden moet In zo'n situatie moet je de vraag stellen, of dat alleen geldt voor de uitgaven op de rijksbegroting dan wel dat een deel van die daling van de collectieve uitgaven moet komen uit een lager beslag van de sociale zekerheid op het nationaal inkomen. Welnu, wij hebben voor het laatste gekozen. Dat is verenigbaar met een stabiel verhoudingsgetal vanwege het soort achtergronden waarop ik zojuist duidde. In een volgende kabinetsperiode zal dat zeker aanleiding geven tot een discussie over het verhoudingsgetal. In het begin van zijn betoog heeft de heer Rongen gezegd dat de hoofdvraag is: beleidsmatig aanpassen of aanpassen op basis van koppeling. Het antwoord op die vraag heeft het kabinet volgens hem in zekere zin al gegeven door op het allereerste moment te ontkoppelen en beleidsmatig aan te passen. Tegen de achtergrond van wat ik zojuist gezegd heb, wordt daarmee toch niet helemaal recht gedaan aan het wetsontwerp. De hoofdregel is koppelen. Die koppeling had toegepast kunnen worden, indien het wetsontwerp eerder in het Staatsblad had gestaan. Het feit dat in het jaar waarin het wetsontwerp in het Staatsblad hoopt te arriveren, de afwijkingsgronden actueel zijn, betekent voor mij slechts dat ik de afwijkingsgronden net zo serieus neem als de hoofdregel. Hiermee wil ik niet aangeven dat ik de hoofdregel niet serieus neem. Misschien is hiermee tegelijk een antwoord gegeven op de vraag van de heer Heijmans naar aanleiding van berichten in de Volkskrant hoe ik tegen de toekomst van de koppeling aankijk. Laat daarover geen misverstand bestaan. Als het verhoudingsgetal op orde blijft, geldt wat mij betreft voor de komende jaren: koppelen. Dat is de hoofdregel van het wetsontwerp en dat verdedig ik hier met overtuiging Indien dat verhoudingsgetal ook na 1992 aanleiding blijft geven tot zorg, zal het kabinet voor de komende jaren voor dezelfde vraag als voor dit jaar komen te staan. Mijn antwoord is dan: in een situatie waarin de verhouding tussen het aantal premiebetalers en het aantal uitkeringsgerechtigden verder scheef dreigt te groeien, moet er hoe dan ook een extra accent gelegd worden op instrumenten die ertoe kunnen bijdragen om die verhouding weer op orde te brengen. Daar kan in de komende jaren een zekere mate van ontkoppeling een functie bij vervullen. Misschien is dat een goed moment om eens op de "WRR-discussie" in te gaan.

De heer Heijmans (VVD): Is de staatssecretaris het eens met deze opmerkingen van de minister naar aanleiding van dat artikel in de Volkskrant?

Minister De Vries: De staatssecretaris wil u misschien nog graag even in spanning laten. Voorzitter! Nu iets over de WRR-discussie, zoals ik die maar even noem, die over het minimumloon. Wat is de betekenis van de koppeling uit een oogpunt van participatie? Ik heb het gevoel dat er in die discussie, om het vriendelijk of onvriendelijk te zeggen, nogal eens een aantal misverstanden met elkaar verward worden. Er ontstaat soms een rare kluwen. Om te bepalen wat de betekenis is van het minimumloon op de arbeidsmarkt, kan gezegd worden dat er inderdaad 88.000 volwassen minimumloners zijn, 2,3% van het aantal volwassen werknemers. Welke conclusie moet je hieruit trekken? Moet je hieruit de conciusie trekken dat er zeer veel werkgevers zijn die, als zij de kans krijgen om een lager loon dan het minimumloon te betalen, onmiddellijk advertenties in de kranten zetten en hele volksstammen oproepen om te solhciteren op een baan tegen een beloning lager dan het minimumloon? Als dit zo is, zouden nu al heel veel vacatures in de krant staan waarin mensen wordt gevraagd om tegen een beloning in de orde van grootte van het minimumloon te komen werken. Wij zien dat dit aantal sterk afneemt. Ik vermoed dat het te maken heeft met iets waarover de heer Van de Zandschulp een opmerking gemaakt heeft. Werkgevers hebben in doorsnee de overtuiging dat mensen graag wat meer dan het minimumloon verdienen. Dit geldt vooral voor mensen die van een uitkering leven. Als zij de uitkeringssituatie verwisselen voor een baan, gaan zij er graag iets op vooruit. Een wezenlijk punt in deze discussie lijkt mij de scheidslijn met degenen die menen dat je het minimumloon best kunt verlagen, wat een heleboel extra vraag op de arbeidsmarkt uitlokt, en het niveau van de sociale zekerheid best kunt houden zoals het is. Dan zullen velen, niet alleen kostwinners, maar ook bijstandsmoeders en eenoudergezinnen met een uitkering op het niveau van 90% van het minimumloon, geconfronteerd worden met de situatie dat de baan minder oplevert dan de uitkering. Ik denk dat dit niet werkt. Soms heb ik het gevoel dat je in dit land best het minimumloon kunt afschaffen, maar dat dit, als de uitkeringen blijven op het niveau waarop zij zijn, feitelijk niets verandert op de arbeidsmarkt. De vloer van wat de werkgever moet betalen om iemand ertoe te verleiden aan het werk te gaan, wordt immers altijd bepaald door wat in de uitkeringssituatie wordt verkregen. Waarom ben ik dan toch tegen verlaging van het wettelijke mini-mumloon? Ik ben beducht voor situaties waarin werkgevers in het witte circuit minder dan de uitkering gaan betalen, vervolgens de werknemers voor een aanvulling naar de bijstand laten gaan, maar daarbovenop in het zwarte circuit nog het een en ander doen. Dit soort praktijken wil ik niet bevorderen in dit land. Daarom meen ik dat het onverstandig is, het minimumloon in dit land lager vast te stellen dan het sociale minimum dat een uitkeringsgerechtigde krijgt. Vervolgens is het de vraag of uit een oogpunt van bevordering van arbeidsparticipatie het sociale minimum voor uitkeringsgerechtigden moet worden verlaagd. Dit is kennelijk voor een aantal mensen een moeilijk te beantwoorden vraag, wat leidt tot discussie over de vraag of wij het kunnen differentiŽren naar gelang van de afstand die men tot de arbeidsmarkt heeft. Dit roept weer de vraag op hoe het zich verhoudt tot de uitgangspunten van de Algemene bijstandswet. Hierover zal de staatssecretaris ongetwijfeld het een en ander te zeggen hebben. Ik beperk mij even tot de stelling dat het niet zinvol of functioneel is, maar averechtse effecten heeft, wanneer je in ons land het niveau van de minimumlonen lager vaststelt dan het niveau van de uitkeringen. Wat het algemene beginsel betreft komt dan de vraag op of je het werkloosheidsprobleem, het participatieprobleem, zo ernstig vindt en meent dat verlaging van het minimumloon en daarmee van de uitkeringen zo effectief is om dit probleem op te lossen, dat je het ervoor over hebt dat 3,9 miljoen mensen die van een uitkering moeten leven, jaar in jaar uit niet in de algemene welvaartsontwikkeling delen. Ik vind dit een heel zware afweging. Het betekent dat je als het ware het inkomen van die bijna 4 miljoen mensen in koopkracht achteruit laat gaan, omdat je verwacht dat het een geweldige bijdrage aan de participatie levert. Voorzitter! In de sectoren die de heer Rongen heeft genoemddetailhandel, zakelijke dienstverlening, horecagetroosten werkgevers op bedrijfstakniveau zich momenteel een grote inspanning om het imago van hun sector te verbeteren. Er wordt gesproken over het introduceren van CAO's in de delen van de detailhandel die nog niet onder een CAO vallen. Dat leidt er allemaal toe dat daar heel sterk de neiging bestaat, meer te willen gaan betalen dan het minimumloon in plaats van minder. Waarom? Heel simpel: omdat de concurrentiepositie op de arbeidsmarkt nu al zodanig is, dat er veel moeilijk vervulbare vacatures zijn, die niet of nauwelijks bezet kunnen worden. Is er dan geen probleem? Ja, ik meen dat er wel een probleem is. Ik meen zelfs dat er een heel groot probleem is aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Dat probleem wil ik echter iets anders karakteriseren. Daarmee sluit ik mij voor een belangrijk deel aan bij de opmerkingen die de heer Van de Zandschulp heeft gemaakt. Als ik kijk naar de effecitiviteit van een aantal instrumenten, zoals de Wet loonkostenreductie op minimumniveau, de Kaderregeling arbeidsinpassing en dat soort zaken, zie ik ook dat er betrekkelijk weinig gebruik van wordt gemaakt. Wat zegt mij dat? Ik heb de neiging daaruit te concluderen dat werkgevers, ook in het midden-en klembednjf, op zichzelf in feite niet zoveel behoefte hebben aan lagere loonkosten op dat niveau, maar wel aan een voldoende aanbod van gemotiveerde mensen die het werk willen doen Daar kan wel eens een probleem zitten. Zelfs op minimumniveau zien wij in ons land 50.000 moeilijk vervulbare vacatures Die vacatures zijn niet alleen moeilijk vervulbaar, omdat het scholingsniveau van al die werklozen die wij in onze bestanden hebben te kort schiet, maar ook omdat andere factoren in belangrijke mate een rol spelen, waardoor de motivatie van betrokkenen om die banen te aanvaarden niet sterk genoeg is. Dat hangt voor een deel samen met arbeidsomstandigheden, met de kwaliteit van het werk, enz. Ik vind het echter altijd buitengewoon storend om te moeten erkennen dat in dit land grote aantallen mensen als langdurig werkloos geregistreerd staan, terwijl ik tijdens een werkbezoek aan het Westland wordt geconfronteerd met klachten. Men heeft daar wel banen. Men zit te springen om de mensen die door arbeidsbureaus kunnen worden geieverd en die hier in Den Haag in de kaartenbak staan, maar die zijn niet beschikbaar voor het Westland. Ik neem aan dat dit allemaal heel eerlijk, oorbaar en nobel wordt gebracht. Dan denk ik dat er iets schort aan ons systeem en dat breng ik niet in de eerste plaats in verband met het feit dat het minimumloon in dit land te hoog is. Men zegt mij daar immers best het minimumloon en nog wat meer te willen betalen. Ik meen dat er heel andere problemen zijn, waar wij in dit land geleidelijk aan meer open over kunnen discussiŽren. Die discussie zullen wij ook moeten voeren. Op dit punt heb ik overigens een expliciete uitspraak in het betoog van de heer Rongen gemist. Hij heeft wel gesproken over gedifferentieerde korting, maar mij is niet helemaal duidelijk geworden of de fractie van het CDA in dit huis van mening is dat de werkgelegenheidsproblematiek zo nijpend is, dat de uitkeringsgerechtigden in dit land maar moeten aanvaarden dat wij de algemene beleidslijn, delen in de welvaart, prijsgeven en dus vinden dat het niveau van de AOW en allerlei andere uitkeringen geleidelijk aan qua koopkracht steeds meer achter moet blijven. Dat is een bepleitbare stelling, maar het zou goed zijn als het expliciet werd gezegd. Ik verwacht eigenlijk niet dat men dat beoogt. Dan komen wij echter terug op de discussie over gedifferentieer-de aanpassingen en die laat ik over aan de staatssecretaris. De loondifferentiatie aan de onderkant van de arbeidsmarkt is een belangrijk punt. De heer Van de Zandschulp heeft daarop gewezen. In 1982/1983 lagen de laagste loonschalen ongeveer 2% boven het minimumloon. Op het ogenblik begint in 90% van de CAO's de laagste loonschaal op een niveau van gemiddeld 10% boven het minimumloon. Dat betekent dat men dus bewust die ruimte in dat CAO-gebied niet benut. Ik denk dat dit te maken heeft met de overwegingen die ik zojuist schetste, die dan vooral te maken hebben met het inkomensverschil dat men kan realiseren door te gaan werken in relatie tot de uitkeringssituatie. En als er problemen liggen, moeten wij ronduit zeggen dat die niet liggen bij de hoogte van het minimumloon als tegenprestatie voor arbeid, maar dat er problemen zijn bij de hoogte van de sociale uitkeringen. In dat spanningsveld geldt voor mij dat ik kies voor koppelen, zolang mderdaad die verhouding tussen werkenden en niet-werkenden niet verslechtert. Ik vind dat verhoudingsgetal van 0,86 ook heel ongunstig. Het is voor mij een plafond. Het is een randvoorwaarde, maarzolang ik daarbinnen blijf, denk ik dat het verantwoord is om wel te koppelen. Ik kom vervolgens bij een problematiek die ook door de heer Van de Zandschulp aan de orde is gesteld en die te maken heeft met de koopkrachtproblematiek en de koopkrachtreparatie, in relatie met het plan-Simons. Het is inderdaad juist dat indien de tweede fase van de stelselherziening gezondheidszorg niet zou doorgaan, dit een ongunstig koopkrachteffect kan hebben van 0,4%. Zou dat hersteld kunnen worden door de koppeling alsnog onverminderd toe te passen, dan betekent dat dat je inderdaad in de situatie terechtkomt dat je concessies doet aan het werkgelegenheidspakket om de koopkracht op peil te houden. Ik zou dat dus niet een goede keus vinden. Zijn er andere vormen of andere vormen van koopkrachtreparatie? Wij hebben daarnaar gespeurd Ik zou op dit moment geen mogelijkheden zien om langs een andere weg tot koopkrachtreparatie te komen. Dat betekent dat ik met de heer Van de Zandschulp vind, dat een effect als dit natuurlijk heel duidelijk aandacht behoeftook hier in deze Kamer, naar ik aanneemals het straks gaat om de besluitvorming over die stelselwijziging. Overigens erken ook ik dat het plan-Simons veel meer is dat alleen een stukje inkomenspolitiek. Dat is het natuurlijk niet alleen. Met het pakket dat nu is voorgesteld door het kabinetdat wil zeggen de geneesmiddelen in elk geval wel overhevelen -kan onder andere worden bereikt dat de koopkrachtproblemen opgelost kunnen worden, althans in zeer belangrijke mate. In samenhang hiermee wil ik nog een opmerking maken over de koopkrachtreparatie, het flankerend inkomensbeleid van het kabinet en de inflatiecorrectie, waarover ook een opvatting van ons is gevraagd. De inflactiecorrectie is niet moeders mooiste. Ik zou haar uit mezelf niet gekozen hebben, als het zonder had gekund. De inflatiecorrectie niet toepassen is een stukje nivellering, zo is wel gezegd. Daar stel ik dan tegenover dat de koppeling niet toepassen een stukje denivellering is. Op die manier is ernaar gestreefd om meer evenwicht in het pakket te krijgen en een evenwichtige inkomensontwikkeling in 1992 bereikbaar te maken. Ik meen ook dat dat er met dit pakket heel goed uitgekomen is. Dat roept weer de vraag op naar een stukje voorlichting. De heer Heijmans heeft daarbij een vraag gesteld over de É 6. Hij vroeg of dat allemaal correct is. Ik kan bevestigen dat het correct is. Mij hebben in geen enkel stadium berichten bereikt dat onze rekensommen niet juist waren, ook niet als ze bekritiseerd werden door buitenstaanders. Als ze het gingen narekenen, bleek het een vrij eenvoudige rekensom om na te gaan wat een koppeling op het niveau van 3,6% zou hebben opgeleverd in de nettosfeer, als zij niet vergezeld was van een aantal maatregelen uit ons pakket. Dan is er inderdaad dat verschil. Is de koopkrachtreparatie volledig of doen de cijfers waarmee wij werken, onvoldoende recht aan bijvoorbeeld de problematiek van de gemeentelijke heffingen? Hier is het nodige over gevraagd. Het is inderdaad juist dat de gemeentelijke heffingen niet in het prijsindexcijfer zitten. Dat betekent echter nog niet dat ze buiten beschouwing gelaten zijn. Wij hebben in hoofdstuk 5 van de Inkomensnota 1992 daar een uitvoerige beschouwing over opgenomen. Wij hebben daarin gezegd dat er naast het prijsindexcijfer als het ware met een handmatige correctie jaarlijks ook rekening wordt gehouden met dit soort effecten. Voor 1992 gaat hierbij om een correctie van 0,2%, die bovenop het prijsindexcijfer wordt toegepast om tot een goede taxatie van het koopkrachteffect te kunnen komen. Als wij terugkijken, zien wij dat uit de aangegeven analyse blijkt dat de wijze waarop wij hiermee rekening hebben gehouden, niet toereikend is. Gemiddeld heeft dat geleid tot een overschatting van de koopkracht met 0,1 %. Het is niet een cijfer om echt van te schrikken, zeker niet als daar tegenover gesteld kan worden dat de koopkrachtontwikkeling werd onderschat met eveneens ongeveer 0,1 % in verband met een geleidelijke verandering van het bestedingspakket, waarmee in het prijsindexcijfer alleen maar na verloop van een aantal jaren rekening wordt gehouden. De heer Heijmans heeft nog even herinnerd aan ons woordenspel over het knikkeren met afwijkingsgronden en over de knikkers. Ik begrijp wel dat de uitspraak van de vice-premier dat het zou gaan om de knikkers, de heer Heijmans op dit idee heeft gebracht. Toch zou ik hem willen zeggen dat het knikkeren pleegt te slaan op het spel en dat de knikkers plegen te slaan op het resultaat van het spel. Mijn aantekeningen nalopend meen ik dat hiermee alle vragen en opmerkingen beantwoord heb.

©

E. (Elske) ter VeldStaatssecretaris Ter Veld Voorzitter! Bij dit wetsvoorstel heb ik altijd maar zeer weinig aan te vullen. Zoals de minister al aangaf, gaat het bij het verhoudingsgetal om een kwalitatieve en een kwantitatieve benadering per kabinetsperiode. Wat dat betreft, is het al dan niet opnemen van ouderen in het verhoudingsgetal boven een bepaalde leeftijd ook niet echt relevant. De vraag van mevrouw Gelderblom wat het verhoudingsgetal zou zijn bij bijvoorbeeld het niet meetellen van mensen boven een bepaalde leeftijd, kan ik niet concreet beantwoorden. Het zal echter duidelijk zijn dat het in ieder geval nooit aan de ouderen gelegen kan hebben dat wij de ramingen nu anders tot uitdrukking moeten brengen in het verhoudingsgetal, als wij bij de prognoses van het regeerakkoord ervan mochten uitgaan dat wij bij de op dat moment voorziene ramingen zouden uitkomen op ver onder de verhouding 100:86. Het aantal ouderen is lang van tevoren goed te ramen. Het probleem is, dat wij nu 55.000 mensjaren afwijken van de ramingen. Helaas is de oorzaak de tegenvallen-de ontwikkeling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Uit de verhouding actieveninactieven wordt duidelijk, dat het enerzijds uitermate belangrijk is dat het aantal actieven toeneemtmevrouw Bolding en de heer Van de Zandschulp wezen op een goede verdeling van de arbeid en de mogelijkheden voor herintredende vrouwen-en dat anderzijds de mensen in een uitkeringssituatie weer aan het werk worden geholpen. Met langdurig afhankehjk zijn van een uitkering is ook met een goede koppeling van de uitkeringen niet echt een goed sociaal beleid. Wat dat betreft, constateer ik nog steeds ieder kwartaal dat de uitstroom van de langdurig werklozen uit de bijstand nog steeds goed gaat. Ik hoop, dat dit ook zo blijft. In de Werkloosheidswet hebben wij helaas een kleine tegenvaller en zoals iedereen heeft kunnen merken, hebben wij ons wat betreft de arbeidsongeschiktheid regelmatig fors "verraamd". Ik hoop, dat inderdaad met een goed reÔntegratie-en preventiebeleid het aantal mensen dat een beroep moet doen op de Ziektewet en de Arbeidsongeschiktheidswet kan dalen. Daarnaast heeft het kabinet inderdaad keuzes gemaakt, die in wetsvoorstellen zijn neergelegd met betrekking tot de terugdringing van de arbeidsongeschiktheid. Zo is er een wetsvoorstel ingediend gebaseerd op het najaarsoverleg ter zake van het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume, een wetsvoorstel in het kader van de Ziektewet en het Burgerlijk Wetboek en een wetsvoorstel met betrekking tot de begrippen "passende arbeid" en het uitkeringsregime in de WAO. Ik zou de discussie over deze punten op een later tijdstip willen voeren, zij het dat hierover opmerkingen zijn gemaakt waarop ik toch even wil ingaan. Arbeidsongeschiktheid is een economisch begrip. Het gaat bij arbeidsongeschiktheid om de loonschade die iemand lijdt in verhouding tot het loon dat hij placht te verdienen en het loon dat hij, gezien een eventuele handicap, alsnog kan verdienen. In die zin hoeft een rolstoel geen enkele indicatie te zijn voor arbeidsongeschiktheid. Ik houd dus ook niet zo van de voorbeelden die meestal op deze terreinen genoemd worden, omdat wij daarmee ten onrechte een beeld geven dat arbeidsongeschiktheid een begrip zou zijn uit de volksgezondheid. Het is een economisch begrip en geeft loonschade aan. Wat dat betreft is hoogtevrees noch het niet mobiel kunnen zijn per definitie een achtergrond voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het betekent vooral de vraag welke arbeid daarna nog verricht kan worden en of die arbeid wel beschikbaar is. De heer Van de Zandschulp heeft gevraagd of een overgangssituatie, die het kabinet voornemens is aan te leggen voor mensen die reeds nu een WAO-uitkering hebben bij een toekomstig regime, in strijd zou zijn met het wetsvoorstel dat wij nu behandelen. Los van de verdere discussie over een in zljn ogen juiste benadering wil ik erop wijzen, dat de toekomstige arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die volgens het nieuwe wetsvoorstel zouden worden berekend, volstrekt worden behandeld conform deze koppelingswetsvoorstellen. Het voornemen van het kabinet is echter om de mensen die reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben en jonger dan 50 jaar zijn, niet van de ene op de andere dag in het nieuwe regime onder te brengen. Het overgangsregime, waarbij zij dan in guldens gelijk, geleidehjk naar het nieuwe regime toegroeien, is een heel ander systeem. Het is namelijk een overgangswet. Ik zou ook niet graag mensen, om ze de geneugten van de koppeling te kunnen laten proeven, van de ene op de andere dag in een nieuw regime plaatsen. Een discussie die dan altijd aan de orde komt-de minister refereerde er ook al aanis de discussie over de koppeling, met daarbij de vraag of het niet verstandig ware een gedifferentiŽerde koppeling uit te voeren. Er worden dan voorbeelden genoemd: om mensen boven de 65 jaar wel een gekoppelde uitkering te verlenen en mensen onder de 65 jaar niet, of alleenstaande ouders met kinderen onder de 12 jaar een gekoppelde uitkering te verlenen en alleenstaande ouders met kinderen boven de 12 jaar niet. Het zou duidelijk zijn, ook als je het zou uitzetten op een tekening, dat dan het moment van belang is waarop je in een bepaalde uitkering komt. Bijvoorbeeld: je wordt werkloos op je 50ste, je komt in de IOAW op je 56ste en negen jaar lang blijf je dan in een bepaalde bevriezingssituatie verkeren, waarna je dan in de AOW komt, die inmiddels al negen jaar lang gekoppeld verder is gegaan. Dat geeft een heel andere overgangssituatie dan iemand die op hetzelfde moment werkloos geworden, drie jaar jonger was. Die leeft nog drie jaar langer in bevroren situatie en komt dan in een doorgegroeide situatie. lemand die vanuit de bijstand eerst geacht wordt vanwege de aanwezigheid van zeer jonge kinderen en geen kinderopvang niet te kunnen werken, zou een uitkeringsverlaging moeten ondergaan, alleen vanwege het feit dat zij of hij geacht werd zich wel beschikbaar te kunnen stellen voor de arbeidsmarkt. Alleen al de differentiatie en de problemen van keuze wanneer iemand wel en wanneer iemand niet arbeidsmarktrelevant is, zouden tot een zeer moeilijk en zeer merkwaardig systeem kunnen leiden. Ook de heer Van de Zandschulp wees hier al op. Het is absoluut geen verstandige ontwikkeling, hoezeer soms ook de emotionele achtergronden daarvan begrijpelijk zijn. Het zal uit het betoog van de minister en uit de wijze waarop de minister en ik met het wetsvoorstel zijn omgegaan duidelijk zijn, dat koppelen voor ons een belangrijk uitgangspunt is. Maar zoals de minister al zei, zullen ook de afwijkingsgronden uitermate serieus worden genomen. De heerVan de Zandschulp wees ook al op stukken van de heer Fred Schippers. Hij had ook kunnen wijzen op het verkiezingsprogramma van de Partij van de Arbeid, waarin deze invalshoek, deze notie ook als een heel belangrijke werd gezien. Het meest belangrijke van een wetsvoorstel zoals dit is niet zozeer de moed of durf, zeg ik met dank aan de heer Rongen, maar de evenwichtskunst die nodig is om bij een wetsvoorstel als dit en ook bij keuzes tussen werk en inkomen, de juiste keuzes te maken. Inkomen en werk moeten met elkaar in evenwicht zijn, zoals ik ook in de woorden van de mmister terugvond. Maar dan komt de heer Heijmans:

Ik zie licht tussen de staatssecretaris en de minister, tussen de regels, heus het is er. Hij gaf een bericht een verkeerd gewicht. Maar ook dat is des opposities plicht.

De voorzitter: De staatssecretans is rijkelijk vroeg.

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Voorzitter! Ik ben in ieder geval op een punt gerustgesteld. De bewindslieden hebben namelijk gezegd dat het verhoudingsgetal als ijkbedrag per kabinetsperiode wordt vastgesteld en hebben daaraan toegevoegd dat daarbij vooral de verhouding werkenden/nietwerkenden van belang is, omdat het aantal ouderen in te schatten is. Ik neem aan dat daarmee, weliswaar wat verhuld, maar toch impliciet gezegd wordt dat als die verhouding verbetert, het ondanks de toenemen-de vergrijzing ertoe zou kunnen leiden dat het verhoudingsgetal zodanig wordt aangepast dat de koppehng wel doorgaat. Ik zie de staatssecretaris knikken en dat impliceert een toezegging Het is in ieder geval niet zo, dat de vergnjzing maakt dat de koppeling bij voorbaat onder de tenzijformule valt en dus nooit meer door zou gaan.

Staatssecretaris Ter Veld: Precies.

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Voorzitter! Ik heb in de eerste termijn niet gesproken over de inflatiecorrectie. Wij vinden de maatregel ter zake niet fraai. Wij hebben ons er echter bij neergelegd dat de inflatiecorrectie gebruikt wordt om de reparatie te kunnen betalen. Met de bevriende fractie aan de overkant stellen wij wel, dat dit geen automatisme mag worden. Wij hopen nog te mogen horen, dat het uitdrukkelijk de bedoeling van het kabinet is om de maatregel eenmalig toe te passen. Voorzitter! Dan kom ik te spreken over wat ik genoemd heb het wegdefiniŽren van gemeentelijke heffingen en lasten. In zijn reactie op dit punt citeerde de minister een zin. Die kende ik natuurlijk Voor alle zekerheid heb ik de nota er nog even bijgehaald. Daarom, voorzitter, zag u mij zojuist weghollen en weer terugkomen. Zodoende heb ik voorkomen dat u nu zou moeten schorsen. In de nota staat uitdrukkelijk: "verplichte heffingen als OGB, rioolrechten, verontreinigingsheffingen e.d. worden niet meegenomen bij de berekening van het prijsindexcijfer". Dan kan men wel zeggen dat een stukje daarvan inmiddels wel wordt meegenomen, maar het gaat erom, dat niet alle heffingen worden meegeteld. Daarop doelde ik toen ik sprak over het wegdefmieren van verplichte heffingen. Ik heb natuurlijk ook dat tabelletje gezien waaruit blijkt dat een gedeelte wordt meegerekend. Er wordt het percentage van 0,1 genoemd. Dan zeg ik: het zal wel waar zijn, maar in de krant spreekt de minister over een reparatie van É 6 en van die verrekening met 0,1 % kan men geen brood kopen. Konsumentenkontakt gaat er in zijn berekeningen ook zonder meer van uit, dat de bedoelde heffingen een huishouden per maand É 10 kosten. Er wordt voor É 6 gerepareerd. Dat is helder. Met die 0,1 % kan ik niets. Met het opvoeren van dergelijke getallen gaat het om gerommel achter de komma. Daar is men in de Tweede Kamer zo dol op, maar daarvan kunnen de burgers geen brood kopen.

©

H.F. (Han)  HeijmansDe heer Heijmans (VVD): Voorzitter! Ik wil graag beginnen met de minister en de staatssecretaris te danken voor hun antwoorden. Ik dank de staatssecretaris voor haar limerick. Ze weet dat ik met enige vertraging reageer, maar ik geef ze de verzekering dat zij van mij nog wat te goed heeft. Bij voorkomende gelegenheid zal ik reageren. Ik moet eerst haar poŽem er nog even op nalezen. Voorzitter! Ik wil eerst een opmerking maken aan het adres van de heer Van de Zandschulp en daarmee indirect ingaan op de reactie van de minister. De heer Van de Zandschulp heeft dit huis gevraagd om, als het volgende week gaat oordelen over de tweede fase van het plan van staatssecretaris Simons, ook rekening te houden met de positie van de minima in verband met de koopkrachteffecten. Naar mijn mening heeft een kabinet het recht om bepaalde financiŽle consequenties van beleidsvoornemens in een begroting weer te geven. Als het parlement die beleidsvoornemens om moverende redenen verwerpt, is het echter niet aan het parlement om naar alternatieve oplossingen te zoeken. Als het parlement dat niet doet, is dat niet in strijd met zijn verantwoordelijkheid. In zo'n geval zal het kabinet, dat die financiŽle gevolgen had ingecaiculeerd, naar een andere oplossing moeten zoeken. De heer Van de Zandschulp zegt nu als het ware: collega's, denk de volgende week aan uw verantwoordelijkheid tegenover de minima. Daarop zeg ik: nee, hier gaat het niet om een verantwoordelijkheid van dit huis. Dit huis moet de volgende week oordelen over de merites van de stelselherziening tweede fase. Als dat bepaalde consequenties heeft, is het aan het kabinet daarvoor een oplossing te vinden, want het kabinet heeft de financiŽle consequenties van een nog niet aangenomen beleidsvoornemens in zijn begroting verwerkt. Ik kom dan meer op het wetsvoorstel zelf. Als thema voor mijn korte praatje in eerste termijn heb ik gekozen voor de rechtszekerheid en de helderheid van het wetsvoorstel. Ik kom nu eerst op die rechtszekerheid. Ik heb in eerste termijn al gezegd dat er niks aan de hand is als het verhoudingsgetal binnen aanvaardbare normen blijft Maarwat zal de praktijk zijn? De minister zei: in 1994 zou de verhouding wellicht weer op haar pootjes terecht kunnen komen. Dat is een heel speculatieve opmerking die toch ook een zekere scepsis ten opzichte van de mogelijke realisering hiervan mhoudt Er is dus een grote kans, zoals de minister ook naar aanleiding van het artikel in de Volkskrant heeft gezegd, dat er ook in de toekomst een beleidsbe slissing op basis van afwijkingsgronden moet worden genomen. Is het dan niet eerlijkerik zeg niet dat dit wetsvoorstel oneerlijk isom dan toch het beleidsmatige karakter naar voren te brengen, zoals in het wetsvoorstel van Lubbers II gebeurde. Dan weet iedereen beter waar hij aan toe is dan wanneer een bepaalde zekerheid wordt gepresenteerd die in de praktijk tot een schijnzekerheid kan worden herleid. Met dit wetsvoorstel wordt meer gesuggereerd dan wellicht kan worden waargemaakt. Vervolgens kom ik op de helderheid, de heldere presentatie. De minister zei kort en bondig en zonder enige reserve: die É 6 is correct. Ik geloof dat hij daarin gelijk heeft Ik geloof echter ook dat de achtergrond aan deze mededeling een misleidend karakter heeft gegeven of althans tot verwarring aanleiding zal geven. Hoe zal nu worden geredeneerd? Wat krijg ik per 1 januari? Ik krijg 3% plus een belastingvoordeel, als ik werk, plus É 6. En dat is natuurlijk helemaal niet waar. Mevrouw Gelderblom heeft al duidelijk aangetoond dat er vele andere heffingen zijn die het effect van die É 6 en wellicht van die 3% en wellicht van die belastingverlaging teniet doen. Economen begrijpen de waarde van dergelijke mededelingen wel, maar een WAO'er of een minimumloner zal zich inderdaad gegrepen voelen en vragen: waar zijn nou die É 6 die mij door de minister-president en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn beloofd; ik zie er niks van. In het voorlopig verslag heeft mijn fractie ook enkele vragen gesteld over die helderheid. In de memorie van antwoord wees de minister op de noodzaak van een heldere presentatie. In eerste termijn heb ik daarover enkele vragen gesteld, waarop ik geen antwoord heb gekregen. Ik krijg de neiging daaruit te concluderen dat de minister zelf eigenlijk ook niet weet hoe je het moet uitleggen en dat hij toch wel een heel moeilijke taak legt op de schouders van zijn voorlichtingsafdeling. Wij zijn voorstanderdat wist de minister wel-van het wetsvoorstel inzake de beleidsmatige koppeling Dat zouden wij bescheidener, juister en beter in zijn verband vinden dan het onderhavige wetsvoorstel dat een pretentie uitstraalt die wellicht niet kan worden waargemaakt. Tot slot kom ik op de kwestie van de knikkers. Ik had het net over de 3%, het belastingvoordeel en de É 6. De minister zei: het gaat wel om het spel, maar het resultaat is toch dat het aantal knikkers groter moet worden. Ik denk echter dat de kinderen naar hun ouders moeten gaan en om een dubbeltje moeten vragen om nieuwe knikkers te mogen kopen. Wij zullen het wetsvoorstel niet steunen.

©

E.J. (Eef)  RongenDe heer Rongen (CDA): Mijnheer de voorzitter! Ik wil mijnheer de minister en mevrouw de staatssecretaris hartelijk danken voor de uitvoerige antwoorden en de aandacht die zij hebben besteed aan mijn eerste inbreng in dit huis. Ik wil het kort houden en slechts reageren op de hoofdpunten. De staatssecretaris zei terecht dat ťťn van de typische kenmerken van de koorddanser het zien te behouden van evenwicht is. Dat is waar. Het totale beeld houdt de volgende elementen in. Het gaat om het evenwicht, om het risico dat de koorddanser neemt, op zijn minst in de perceptie van de toeschouwers en om de moed en de durf die de toeschouwers aan de koorddanser toedenken. Vaak is het zo dat de koorddanser in kwestie, mits geoefend, minder zenuwachtig is dan de toeschouwers. Daarmee wordt de moeilijkheidgraad van dit onderwerp aangegeven. Ik meen het oprecht dat ik het moedig vind en van durf vind getuigen dat beide bewindslieden, gegeven dit wetsvoorstel, al op het allereerste moment dat besluit in beginsel hebben durven nemen. Zij wisten namelijk wat dat allemaal zou veroorzaken, ook in dit huis. Dat neemt niet weg dat wij dit wetsvoorstel toch op zijn eigen merites moeten bekijken. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, als ik de uitvoerige communicatie tussen de bewindslieden en het huis aan de overkant en dit huis bestudeer, dat er een voorkeur bestaat voor beleidsmatige aanpassing. Als ik zie welke geweldig uitgebreide aandacht de twee afwijkingsgronden, terecht, krijgen in de gekozen systematiek, dan houdt dat de facto een pleidooi in voor beleidsmatige aanpassing. Mijn fractie heeft dan ook een voorkeur uitgesproken voor beleidsmatige aanpassingen. Dat heeft zij om twee redenen gedaan. De beleidsmatige aanpassing, gelet op de aard van de werkgelegenheidsproblematiek aan de onderkant van de arbeidsmarkt, zou juist meer mogelijkheden bieden. Het zou de bewindslieden meer flexibiliteit en slagvaardigheid verschaffen. De minister veronderstelde dat deze fractie tegen enige aanpassing zou zijn, maar dat is niet waar. Het gaat echter niet om aanpassen of niet, het gaat erom hoe en wanneer er moet worden aangepast. Dan komt het ons voor dat een beleidsmatige aanpassing, met meer mogelijkheden voor slagvaardigheid en flexibiliteit, ingekaderd in de andere beleidsdoelstellingendat is de aard van deze problematiekmeer mogelijkheden zou bieden. Er moeten dus aanpassingen komen en de uitkeringstrekkers en minimumloners moeten dus op enig moment ook delen in welvaartsontwikkeling. Dat moet bij voorkeur gedifferentieerd gebeuren, wellicht naar categorieŽn, hoe moeilijk dat ook is. Ook de momenten waarop dat gebeurt zijn belangrijk. Ik ben het met de minister eens dat het verlagen van het minimumloon en het handhaven van het uitkeringsniveau van sociale minima weinig zin heeft. Ofwel er zou een bijzonder aangescherpt sanctiebeleid moeten worden gevoerddat zou kunnen; je zou uitkeringsgerechtigden kunnen dwingen om toch arbeid te aanvaarden tegen een lager minimumloon, maar ik zie daar de effectiviteit niet vanofwel er moet gedacht worden asn een relatieve aanpassing van de sociale minima, hoe moeilijk dat ook is. De bewindslieden geven zelf een analyse in hun inkomensnota en in hun notitie Werkgelegenheid en arbeidsmarktbeleid. Als je er zo van overtuigd bent dat de kern van de werkgelegenheidsproblematiek aan de onderkant van het loongebouw en aan de onderkant van de arbeidsmarkt ligt, dan zul je wellicht tijdelijk tot deze keuzen moeten komen. Dat moet dan wel mgebed zijn in andere beleidsmaatregelen. Het gaat namelijk niet alleen om het brutominimumloon, maar ook om de kosten, de nettolijn en de WIG. Wij weten dat er nog meer aan de orde is in het kader van deze beleidsdoestellingen. Wij zullen toch het causale verband tussen inkomen aan de onderkant van het loongebouw en de problematiek van de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt niet moeten ontkennen. Die is aanwezig en wordt door de WRR nadrukkelijk onderschreven. Voorzitter! Ik heb van de bewindslieden noch in het voorlopig verslag, noch vandaag antwoord gekregen op mijn vraag over de techniek van de koppeling. Ik stel deze vraag omdat zij te maken heeft met de problematiek van werkgevers die boven het minimumloon betalen. Deze problematiek heeft consequenties voor de wijze van koppelen. In de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer wordt de stand van zaken gegeven in de CAO's per 1 mei van dit jaar. Daaruit blijkt dat de gemiddelde contractloonstijging 3,21 % is. De bovenkant van de geregistreerde CAO's toonde echter een stijging van 4,78% en de onderkant een stijging van 0,75%. Als gekoppeld wordt aan het gemiddelde betekent dit dat die stijging hoger uitvalt dan de loonstijging aan de onderkant van de CAO's. Als men in een CAO een lagere contractloonstijging wil nastreven, wordt men ermee geconfronteerd dat de onderkant van het loongebouw met 3,21 % aangepast wordt. De minister heeft hier ook over gesproken. Het minimumloon heeft de functie van een betonnen vloer aan de onderkant van het loongebouw. In goed overleg met de sociale partners wil men, overigens ook om andere redenen, de CAO-lonen op enige afstand van het minimumloon zetten. Het verschil tussen het minimum in de sociale uitkeringen en het minimumloon is ook te gering, omdat het kennelijk niet voldoende motiverend is om werk te aanvaarden.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de voorzitter! Ik dank beide bewindslieden voor hun reactie op mijn betoog. Ik was het volledig eens met het betoog van de minister en met het betoog van de staatssecretaris op ťťn onderdeel na. Ik maak echter nog een opmerking in reactie op het betoog van de heer Heijmans, die ik erkentelijk ben dat hij gereageerd heeft op mijn betoog. Ik ben het met hem eens dat, wanneer deze Kamer om haar moverende redenen het voorstel tot invoering van de tweede fase van het plan-Simons per 1 januari aanstaande volgende week verwerpt, het primair een zaak van het kabinet is, een oplossing te vinden. Niettemin moet een volksvertegenwoordiger alle aspecten meewegen. Als men echter vindt dat andere aspecten in het plan-Simons zwaarder wegen, moet men die de doorslag laten geven. Maar zowel voorals tegenstanders van het p!an-Simons kunnen zich niet onttrekken aan de gevolgen die het heeft voor de koopkracht voor de sociale minima. Ik neem aan dat mijn fractie-en dus mijn partijdan zeker de voorgenomen partiŽle ontkoppeling per 1 januari, waarvan ik heb gezegd dat ik voorwaardelijk groen licht geef, opnieuw ter discussie wil stellen, dan wel op een andere wijze koopkrachtreparatie voor de sociale minima zal eisen. Ik veronderstel dat de heer Heijmans en ook mijn coalitiegenoten van de fractie van het CDA zich iets gelegen zullen laten liggen aan de koopkrachtontwikkeling van de minima in 1992. Het is in ieder geval duidelijkhet wordt nu ook weer door de minister bevestigddat er een fors probleem ontstaat bij de inkomensontwlkkeling in 1992, als de tweede fase van het plan-Simons niet doorgaat

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Ik ben het met de heer Van de Zandschulp eens dat alle aspecteri van het plan-Simons, dus ook de gevolgen die een eventueel niet doorgaan daarvan heeft, mee mogen spelen in de afwegingen Ik vind wel dat het verhaal dat de heer Van de Zandschulp nu houdt, aangeeft hoezeer, althans in zijn fractie, de inkomenseffecten van het plan-Simons een geweldig grote rol spelen.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter! Dat de, inkomenseffecten van het plan-Simons in onze fractie een grote rol spelen, is op zichzelf volstrekt terecht. Het is ook waar dat er nog tien andere overwegingen een heel grote rol spelen. Het is ook waar dat die tien andere overwegingen vandaag niet aan de orde zijn en deze ene wel. Dat is de reden waarom ik deze ene er uitgepikt heb. Dat geeft dus niet aan dat dit voor ons het doorslaggevende aspect is. Ik hoop dat dit duidelijk is. De staatssecretans heeft in haar inleiding ten aanzien van de WAO gezegd: economisch probleem, arbeidsmarktprobleem, loonschadeverzekering. Ik ben het daar geheel mee eens. Ik kom op de voorgenomen bevriezing van lopende gevallen van WAO-uitkeringen van personen beneden de 50 jaar. De staatssecretaris zegt dat het een overgangsregime is en dat zij lopende gevallen niet van de ene op de andere dag wil laten overgaan naar een nieuw regime. Voorzitter! Ik maak nu toch onderscheid tussen twee fasen in de besluitvorming van het kabinet. Ik sla daarbij de fase van 13 en 14 juli jongstleden over. In het bijgestelde kabinetsvoorstel van 27 augustus jongstleden werden lopende WAO-uitkeringen voor personen beneden de 50 jaar net zo lang bevroren tot hun uitkering beland was, de facto dus gedaald, tot het niveau van de nieuwe gevallen. Toen was het inderdaad te verdedigen dat het zou gaan om een overgangsrecht om geleidelijk te komen tot een gelijke behandeling van oude en nieuwe gevallen. Op zichzelf was dat een redenering waarvoor argumenten aan te voeren zijn. Misschien is dat wel een te bepleiten redenering. Ik zeg niet dat ik het er dan mee eens zou zijn, want een zwaarwegend contra-argument is dat het hier gaat om een door premies gefinancierde risicoverzekering, waar aanspraken tegenoverstaan, als de calamiteit zich voordoet. Een ingreep in polisvoorwaarden van lopende gevallen is zeer ingrijpend en botst met het rechtsbewustzijn van de contribuabelen. Ik moet natuurlijkik kijk even naar de heer Heijmanszeggen: premiebetalers, maar ik heb het net ook een verzekering genoemd.

De heer Heijmans (VVD): Voorzitter! Ik ben ontzettend verheugd dat ik deze opmerking uit de mond van de heer Van de Zandschulp hoor. Ik hoop dat hij op deze goede weg door blijft gaan. Het wordt dan toch nog boeiend en interessant.

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Ik zit te wachten op het vervolg van het verhaal van de heer Van de Zandschulp.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Dat komt nu, want nu kom ik op de maand september. De redenering in september jongstleden is gewijzigd. Het ging in september niet meer om een bevriezing van lopende gevallen net zo lang tot zij beland zouden zijn op het niveau van de nieuwe gevallen, dus als overgangsrecht. In de redenering van september zou de bevriezing net zo lang moeten duren totdat een door het kabinet ooit geprikt streefgetal, namelijk het arbeidsongeschiktheidsvolume op het niveau van 1989, gehaald is. Dat zou dan, als ik het goed heb begrepen, volgens die prognose niet in 1994 lukken, maar wellicht enkele jaren daarna. In die formulering is het element van het overgangsrecht toch verdwenen en rest slechts het behalen van een streefgetal, linksom of rechtsom. Dat vind ik geen rechtsgrond om een beperkte groep uitkeringsgerechtigden in hun inkomen te treffen en om gewekte, redelijke verwachtingen te frustreren. Het argument van het overgangsrecht heeft het kabinet naar mijn mening in september zelf van tafel gehaald Minister De Vries: Voorzitter! Ik dank de geachte afgevaardigden voor de gemaakte opmerkingen in tweede termijn. Mevrouw Gelderblom heeft nog drie punten aan de orde gesteld. Allereerst noemde zij de relatie tussen het verhoudingsgetal en de vergnjzing Ik hoop dat ik het zo even mag aanduiden. Zij heeft de verwachting uitgesproken dat in de toekomst bij de keuze van het verhoudingsgetal dat voor een beplaalde kabinetsperiode als norm dient, met de vergrijzing rekening zal worden gehouden. Ik kan natuurlijk niet helernaal vooruitlopen op beslissingen van toekomstige kabmetten. Het lijkt mij echter redelijk, te veronderstellen dat men bij het kiezen van zo'n richtgetal rekening zal houden met -zo noemde ik het in mijn eerste termijnhet gewicht van de verschillende uitkeringen. Als de uitkeringen aan 65 plussers een geringer gewicht hebben dan de gemiddelde uitkeringen aan de mensen beneden de 65 jaar, zal dat naar mijn verwachting zeker doorwerken in het niveau dat men gedurende een bepaalde kabmetspenode als aanvaardbaar zal beschouwen. In die zin zijn wij het eens, zij het dat ik daarin niet zover wil gaan dat ik de verwachting uitspreek dat het volle effect van de vergrijzing als niet relevant zal worden beschouwd. Dat is natuurlijk een ander punt.

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Dat zeg ik niet.

Minister De Vries: Goed, dan zijn wij het met elkaar eens. Ik ga in op het wegdefiniŽren van de gemeentelijke lasten. Naar ik meen, waren wij het daarover nog niet eens. Mevrouw Gelderblom heeft iets geciteerd uit de Inkomensnota 1992, die zij wel bij de hand heeft en ik niet. Dat neemt echter niet weg, dat ik meen een adequate reactie te kunnen geven. Het citaat dat zij geeft, is juist. Ik heb daar echter aan toegevoegd dat, hoewel met het effect van die gemeentelijke lasten geen rekening is gehouden in het prijsindexcijfer, er bij de berekening van de koopkrachtontwikkeling als het ware een extra correctiefactor is toegepast, bovenop de prijsindex, om rekening te houden met het effect van de gemeentelijke heffingen.

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Maar niet met alle. Het geldt maar voor een deel.

Minister De Vries: Er is rekening gehouden met het effect van de gemeentelijke heffingen, zoals wij die als gemiddelde voor het totaal in de beschouwingen meenden te moeten betrekken. Hier en daar zal er misschien eens een buiten beschouwing zijn gelaten. Het betekent echter zeker niet-mevrouw Gelderblom heeft een en ander in het staatje aangeduiddat wij al die heffingen buiten beschouwing hebben gelaten. Dat is niet het geval. Die zijn hierbij betrokken en straks heb ik het gemiddeld gewicht daarvan in de jaren tachtig aangeduid. Naast het prijsindexcijfer, waar de normale dingen in zitten, is wel degelijk een extra correctie toegepast voor het effect van die gemeentelijke heffingen. Ik meen dat er een onjuiste indruk is ontstaan ten aanzien van de koopkrachtreparatie. Naar ik meen, suggereerde mevrouw Gelderblom even dat de uitkeringsgerechtigden een totale koopkrachtreparatie van É 6 in de maand zouden krijgen, maar dat is niet het geval.

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): É 6 extra!

Minister De Vries: Extra ten opzichte van wat? Extra ten opzichte van de koppeling. Als men er bruto 3,6% bij had gekregen, dat percentage spoort met de koppeling, zou men er netto pakweg misschien iets van 3% hebben bijgekregen. Op een uitkering van É 1500 of É 1600 spreken wij dus over ongeveer É 50. 3% van É 1500 is toch É 45. Daar komt dus É 6 bij. Men krijgt dus niet É 45 per maand erbij, maar É 51. Dat is dus niet É 6 meer per maand dan in de maand december. Dat is in dit rekenvoorbeeldik meen dat het in die orde van grootte ligt-É 6 meer dan de É 45 die men gekregen had als er gekoppeld was. Wij moeten dus niet doen alsof hetgeen de uitkeringsgerechtigden erbij krijgen om de prijsstijgingen en dergelijke op te vangen, É 6 in de maand is. Nee, wij spreken dan over een aanzienlijk ander bedrag. Mevrouw Gelderblom heeft in haar presentatie een niet helemaal correcte, of laat ik het vriendelijker zeggen: evenwichtige voorstelling van zaken gegeven.

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Het gaat erom dat het kabinet suggereert dat de uitkeringsgerechtigden per maand É 6 beter af zijn dan bij een volledige koppeling. Daar gaat het om. Ik heb gezegd dat het dan waar mag zijn dat het volgens de cijfers É 6 meer is dan bij de gewone koppeling, maar niet alle gemeentelijke lasten zijn verdisconteerd in het plaatje. Dus blijft er van É 6 -É 4 over.

Minister De Vries: Dan komen wij dus terug bij de beschouwing die ik zojuist heb gehouden, op welke wijze bovenop het prijsindexcijfer rekening is gehouden met het gemiddelde koopkrachteffect van die gemeentelijke heffingen. Ik moet erkennen-en mevrouw Gelderblom zal dat met mij eens zijndat het in Den Haag wat anders is dan in Bergschenhoek. Dat is een kwestie van gerneentelijk beleid Je kunt alleen rekening houden met een soort gemiddelde. Wij hebben het naar beste vermogen gedaan en daarmee rekening gehouden bij de berekening van de koopkrachtontwikkeling.

De heer Heijmans (VVD): Ik kan de minister een heel eind volgen en ik denk dat hij gelijk heeft. Mijn vraag was echter of het niet verstandiger geweest zou zijn van het kabinet om een wat bescheidener presentatie van die É 6 naar voren te brengen. Ik denk ook aan de mededeling van de minister-president op 28 of 29 augustus. U ziet dat er zelfs in dit huis misverstanden zijn ontstaan. De helderheid van de presentatie op dit heel moeilijke gebied, waarover ik zojuist sprak, is toch een noodzaak. De manier waarop het hier naar voren is gebracht, is niet de manier waarop je de eenvoudige WAO'er en minimumloner overtuigt van het feit dat het achterwege laten van die koppeling niet nadelig voor hem is.

Minister De Vries: Ik meen toch dat het een heel heldere presentatie is, wanneer het kabinet beide situaties heel objectief en heel zakelijk vertaalt naar de ervaring van de mdividuele uitkeringsgerechtigde. Het gaat toch om de belevingswereld van die uitkeringsgerechtigde. Wat zou die hebben gehad aan het eind van de maand januan, indien wij gekoppeld hadden op grond van de WKA en verder geen flankerend beleid hadden gevoerd? Dan zou dat x-gulden zijn geweest. Vervolgens gaan wij gedeeltelijk ontkoppelen -er komt geen 3,6% maar 3% bij -en dat combineren wij met een pakket belastingmaatregelen. Dat pakket belastingmaatregelen kunnen wij dus aanduiden. Mensen vragen zich echter af wat het voor hen betekent. Het kabinet heeft vervolgens gezegd dat het voor de individuele uitkeringsgerechtigde gaat bekijken waartoe de koppeling zou hebben geleid en waartoe de 3% in combinatie met dit pakket toe heeft geleid Wij proberen dat zo zichtbaar en zo helder mogelijk te presenteren. Wij komen dan tot de conclusie dat het verschil tussen de ene situatie en de andere situatie É 6 in de maand is en dat het pakket van 3% plus het belastingpakket dus É 6 in de maand gunstiger uit komt dan het pakket met alleen koppelen. Ik dacht dat dit een heel heldere, doorzichtige en begrijpelijke presentatie was. Als het mensen niet bevalt, kan daar vervolgens op allerlei manieren tegenaan geschoten worden, zodat het weer onhelder wordt, maar ik dacht dat uit een oogpunt van presentatie dit eenvoudig en doorzichtig zou zijn voor mensen. Als het echter anders moet en anders gekund had, moet men mij dat maar uitleggen.

De heer Rongen (CDA): Mag ik ter ondersteuning van de minister er in alle eerlijkheid aan toevoegen, dat men de vergelijking moet maken tussen de inkomensontwikkeling van actieven en niet-actieven? Als u uitgaat van een koppeling van 3,6% is dat ontleend aan de contractloonontwikkeling voor de actieven, zoals ook gedefinieerd in het wetsvoorstel. Welnu, door flankerend beleid, met name in de netto lijn, is er sprake van het voordeel waar de minister over spreekt. Dus ook gemeentelijke heffingen en andersoortige belastingen vallenin negatieve zintoe aan actieven en inactieven. Men mag die vergelijking niet op die wijze maken. Dan kun je verder nog praten over de vraag wat het CAO-overleg in 1992 voor de actieven zal opleveren. Dan kom je wat in de speculerende sfeer. De minister heeft daarvan terecht gezegd: partijen, matigt u zich.

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Dat verhaal is juist. Ik heb de twee dingen ook niet gekoppeld zoals nu gebeurt. Ik heb twee verhalen gehouden. Het ene is exact wat de minister nu zegt, terwijl hij mij verwijt dat ik de É 6 op een of andere manier anders gedefinieerd heb. Dat is echter niet het geval. Lees mijn verhaal uit de eerste termijn er maar op na. Aan de ene kant krijgen door het niet koppelen, maar door het toepassen van reparatiewetgevingik heb dit woord ook gebruikt-de uitkeringsgerechtigden er É 6 bij. Dat is het ene verhaal. Het andere verhaal is dat ook actievendaar heeft mijn collega Rongen volstrekt gelijk in-te maken krijgen met gemeentelijke heffingen die omhoog gaan. Mijn tweede verhaal is dat in de koopkrachtplaatjes de lasten voor een cleel zijn weggedefinieerd. Dat geldt voor iedereen. Ik denk dat wij bij de algemene beschouwingen maar eens terug moeten komen op dit punt. Zeker gezien het feit dat de gemeentelijke heffingen en belastingen in de toekomst nog zullen stijgen en dat het de gemeenten minder gemakkelijk gemaakt zal worden om een eigen inkomensbeleid te voeren door het verlenen van ontheffingen, moet dit punt nog een keer aan de orde komen. Men mag van mij aannemen dat ik hierop terugkom bij de bespreking van de begroting van Sociale Zaken. Dat betreft dus een ander verhaal dan de koppeling. Ik heb het wel gekoppeld, door te zeggen dat het kabinet heeft gedaan alsof die É 6 "plus" is. Het andere verhaal haalt het echter weg. Ik ben het evenwel volledig met de heer Rongen eens dat dit ook geldt voor de actieven.

De heer Heijmans (VVD): Ik ga mee met de uiteenzetting die de minister zojuist heeft gegeven. Ik denk echter dat de zaak daarmee niet compleet is. Was het niet beter geweest om te zeggen: maar mensen, houd er rekening mee dat dit een bruto benadering is en dat het niet betekent dat u die É 6 extra in uw zak krijgt. Die suggestie is immers gewekt. Ik kan mij voorstellen dat het kabinet dat niet heeft gedaan, want anders was de enige aardbei die op de pudding van het niet koppelen lag, ook nog weggenomen.

De voorzitter Dan is nu het woord weer aan de minister.

Minister De Vries: Voorzitter! In reactie op de opmerkingen van de heer Heijmans zeg ik dat ik nu juist meen dat de mensen die É 6 er wŤl bij krijgen in de portemonnee. Het is dus niet juist dat het kabinet ten onrechte de suggestie zou hebben gewekt dat de mensen er É 6 extra bij krijgen. Daarin schuilt ook het misverstand met mevrouw Gelderblom. ik heb haar kennelijk verkeerd begrepen. Zij sprak over "er É 6 bij krijgen". Als zij gezegd had "er É 6 extra bij krijgen", dan had ik haar waarschijnlijk beter begrepen. Het gaat dus om É 6 extra die de mensen erbij krijgen. Daar staat natuurlijk tegenover dat de inkomensvooruitgang qua koopkracht voor een belangrijk deel of geheel ongedaan wordt gemaakt, doordat tegelijkertijd de pryzen stijgen en doordat de gemeentelijke heffingen en dergelijke betaald moeten worden. Als wij die totaalsom maken, zeggen wij naar beste weten dat wij tot de conclusie komen dat de É 6 extra erbij toereikend is om de koopkracht van die mensen te handhaven, ook als wij rekening houden met het gemiddelde van al deze effecten. Ik wil daar graag op terugkomen bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken. Ik zeg dus niet dat deze mensen er in koopkracht op vooruitgaan. Wij hebben dat op geen enkel moment gezegd. Wij hebben wel gezegd dat de É 6 extra erbij voldoen-de is om de koopkracht te handhaven. Hiermee kom ik bij de opmerkingen die de heer Heijmans in tweede termijn heeft gemaakt. Hij heeft inderdaad gezegd dat de koopkrachteffecten van het plan-Simons niet de verantwoordelijkheid van deze Kamer zijn. Hij heeft op dat punt ook meer de collega's toegesproken dan het kabinet. Ik kan het niet nalaten om te herhalen, dat het wel een aspect is van de problematiek. En ik neem aan, dat politici alle relevante aspecten meewegen. Dat is ook wat de heer Van de Zandschulp heeft bepleit. Voorzitter! De heren Heijmans en Rongen hebben gesproken over de vergelijking tussen de wet met de koppeling als hoofdlijn en de afwijkingsgronden enerzijds en de beleidsmatige koppeling anderzijds. Biedt de WKA alleen schijnzekerheid en laat eigenlijk alleen een beleidsmatige benadering een eerlijker en reŽler opstelling zien ten opzichte van betrokkenen? Ik ben het daarmee toch niet eens. Ik herinner ook aan de Wet beleidsmatige aanpassingen die eerder aan de orde is geweest Dit voorstel heeft weliswaar deze Kamer niet bereikt, maar een van de kritiekpunten van de Raad van State was nu juist dat tekort aan rechtszekerheid.

De heer Heijmans (VVD): Maar dat is gecorrigeerd!

Minister De Vries: Ja, door daar een koopkrachtvloer in te leggen! Je kunt zeggen, dat er een zekere tegemoetkoming is door er een koopkrachtvloer in te leggenoverigens niet in dit wetsvoorstelmaar daar staat wel tegenover de hoofdregel van het koppelen. In die zin biedt dit wetsvoorstel in ieder geval meer rechtszekerheid dan een beleidsmati ge koppeling. De heer Rongen heeft eigenlijk gezegd, dat een beleidsmatige koppeling eigenlijk betekent, dat je rekening kunt houden met meer afwegingscriteria. Naarmate je meer criteria in de beschouwingen betrekt, neemt de zekerheid af. Ik denk, dat dat helder is.

De heer Heijmans (VVD): Effectiever misschien!

©

B. (Bert) de VriesMinister De Vries: U kunt het misschien effectiever noemen, maar dit wetsvoorstel biedt naar mijn mening meer rechtszekerheid dan een beleidsmatige koppeling. Soms denk ik ook wel, dat het goed is dat het op deze manier in de wet is vastgelegd. Zoveel moeite het heeft gekost in het begin van de jaren tachtig om een deel van de samenleving en de politiek ervan te overtuigen, dat de koppelingen niet meer te handhaven waren, zoveel moeite lijkt het nu te kosten om een deel van de samenleving en de politiek ervan te overtuigen, dat er toch nog wel iets redelijks zit in de gedachte van koppeling. Voorzitter! Ik wil nog even ingaan op een paar hoofdpunten uit het betoog van de heer Rongen. Het gaat inderdaad om het evenwicht tussen participatiebevordering en het delen in de algemene welvaart. De heer Rongen heeft opgemerkt, dat het toch voordelen zou hebben als je meer afwegingsmogelijkheden zou hebben. In alle objectiviteit gezien, moet ik dat natuurlijk met hem eens zijn. De vraag is alleen of ik dat grotere aantal afwegingsmogelijkheden wel wil. Er zijn natuurlijk meer zaken waarvan dat kan worden gezegd. Wij hebben bijvoorbeeld in de Wet op de inkomstenbelasting een volautomatische inflatiecorrectie neergelegd. Die passen wij nu eens een keer niet toe. De vraag kan worden gesteld of het geen voordelen kan hebben om dat, zoals men dat in Duitsland heeft, eens niet te doen om elk jaar die afweging te kunnen maken of er al dan niet een inflatiecorrectie moest worden toegepast. Daarbij moeten de andere mogelijkheden in ogenschouw worden genomen. Ik heb het gevoel, dat de fractie van de heer Rongen in dit huis daar geen voorstander van zou zijn. Het is ook een heel bewuste keuze geweest om in dit geval een beperkt aantal afwijkingscriteria te hebben, juist met het oog op de rechtszekerheid. Dat zijn echter wel afwijkingscriteria, die gerelateerd zijn aan het belang van een gunstige ontwikkeling van de werkgelegenheid. Ik denk dat dat de essentie is van de afwijkingscriteria die nu in het wetsontwerp staan. Ik ben blij met de instemming met mijn betoog over het minimumloon. Ik onderschrijf volstrekt de opvatting van de heer Rongen dat het eenzijdig toepassen van een aangescherpt sanctiebeleid in onze samenleving niet werkt. Dat past misschien in een ander type samenleving, maar niet in het onze. Dat wil niet zeggen dat wij in combinatie met andere instrumenten ook het handhavingsbeleid niet zou moeten verbeteren. Daar zijn wij ook volop mee bezig. Maar eenzijdig alleen maar op het sanctiebeleid steunen, is geen begaanbare weg in onze samenleving. Dan de kwestie van het toch laten achterblijven van de uitkeringen bij de gemiddelde loonontwikkeling. Ik kan het niet nalaten in dit verband toch ook nog even een opmerking te maken over de gedachte die achter de gedifferentiŽerde koppeling zit. De staatssecretaris heeft hier al een aantal opmerkingen over gemaakt. Het effect ervan is onvermijdelijk dat er een geheel nieuwe discussie over de uitgangspunten van de Bijstandswet gevoerd zal moeten worden. In de Bijstandswet beschrijven wij een sociaal minimum, om op minimumbehoeftenniveau te kunnen leven. Als wij dus tegen mensen zouden zeggen dat zij het minimumniveau van het jaar 1991 krijgen, terwijl wij ze verder laten achterblijven bij de gemiddelde ontwikkeling, waardoor ze in de toekomst een lagere uitkering krijgen dan in de Bijstandswet aangegeven is voor nieuwe gevallen, krijgen wij een rare discussie in het land over wat het sociale minimum is.

De heer Rongen (CDA): Voorzitter! Ik erken dat dat een heel moeilijke discussie is. De vraag is wel of er geen andere normstelling zou kunnen komen die betrokken zou kunnen worden bij de individualisering. Dan zou namelijk afhankelijk van de situatie waarin individuen verkeren, de normen daarop kunnen worden afgestemd. Je zou ook met momenten kunnen werken waarop je de aanpassing verricht. Ik wil dus niet suggereren dat het inkomen van deze mensen nooit zou moeten worden aangepast.

Minister De Vries: Doelt u nu op het afstemmen op een situatie, bijvoorbeeld of men alleenstaande is of dat sprake is van een eenoudersituatie?

De heer Rongen (CDA): Precies.

Minister De Vries: Maar dat doen wij nu al in de bijstand. Dat is 70, 90 en 100.

De heer Rongen (CDA): Ja, dat weet ik wel.

Minister De Vries: Dus als u iets anders bedoelt, drukt u zich niet helder uit.

De heer Rongen (CDA): Maar u zou toch die normatiek ook nog eens via de nettolijn kunnen bekijken door op dit punt een ander belastingbeleid toe te passen. In wezen doet u dat nu al met uw beleidsmatige aanpassingen. U hebt al instrumenten ingezet die zowel over de brutoals over de nettolijn lopen. En dan is er nog een onderscheid tussen welvaartsontwikkeling en koopkrachtbehoud. Dat zijn niet dezelfde begrippen. U behoeft niet per se de welvaartsontwikkeling te volgen.

Minister De Vries: Ik weet dat koopkrachthandhaving en welvaartsontwikkeling volgen iets anders is. Je zou inderdaad kunnen kiezen voor een systeem van waardevaste ontwikkeling Maar dat zou betekenen dat je het niveau van het sociale minimum zowel voor oude als voor nieuwe gevallen bevriest. lets heel anders is wanneer je voor nieuwe gevallen een hoger sociaal minimum hebt dan voor oude gevallen. Dat zou betekenen dat je zegt: naarmate iemand langer een uitkering ontvangt, wordt zijn behoefteniveau lager en zakt hij onder wat wij in de bijstand zien als het sociale minimum. Ik zie daar geen aanvaardbare redenering voor. Tenzij de heer Rongen zegt dat het sociale minimum in dit land te hoog is. Maar dan krijgen wij een gehee! andere discussie, namelijk een discussie over de uitgangspunten van de Bijstandswet.

De heer Rongen (CDA): Voorzitter! Ik denk dat de minister dit nu wat eenzijdig naar alleen deze wijze van aanpak stuurt. Ik zeg dat bestudering van factoren zoals de kmderbijslag en belastingvnje voeten wellicht aanleiding zou kunnen zijn tot een herijking van het sociale minimum.

Minister De Vries: Dan bent u dus al bezig met kijken of er reparatiemogelijkheden in combinatie daarmee zijn. Ik breng dit bewust een beetje scherp, omdat ik duidelijk wil maken wat de consequenties zijn van bepaalde benaderingen.

De heer Rongen (CDA): Maar dat hangt ook samen met de indringendheid van de analyse van de problematiek van de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Ofwel u vindt het overeind houden van dit sociaal minimum zonder differentiatie belangrijk, of u vindt de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt belangrijk, als ik het eens scherp mag stellen.

Minister De Vries: Daarmee zijn wij terug bij de discussie in eerste termijn. Is de problematiek aan de onderkant van de arbeidsmarkt dat de loonkosten op het minimumniveau voor de werkgever te hoog zijn, zodat hij ze niet kan opbrengen, en zou daarom het minimumloon verlaagd moeten worden? Of ligt het anders. Is het verschil tussen het inkomen dat men kan verdienen met een baan op minimumniveau en de uitkering te gering om voldoende mobiliserend te kunnen werken op de mensen die zich op de arbeidsmarkt zouden moeten melden? Over die vragen moeten wij in dit land maar eens in volle openheid discussiŽren. Voorzitter! Dan wil ik nog iets zeggen over de techniek van het koppelen. Daarbij wordt uitgegaan van de gemiddelde contractloonstijging. Wanneer het probleem van de heer Rongen zich zou voordoen, is betrekkelijk moeilijk te verklaren, dat het gemiddelde van de laagste loonschalen in de jaren tachtig zo ver is weggegroeid van het minimumloon. In zijn eerste termijn zegt hij: De koppeling aan de gemiddelde contractloonstijging is er de oorzaak van dat loongevoelige bedrijfstakken en ondernemingen aan de onderkant van de arbeidsmarkt geconfronteerd worden met een extra opstuwende werking van het minimumloon respectievelijk met een verkleining van de afstand tussen de lonen en de sociale uitkeringen, met alle negatieve gevolgen van dien. Daar doet de heer Rongen het dus nog voorkomen alsof de afstand tussen de lonen en de sociale uitkeringen door het genoemde verschijnsel kleiner zal worden. De verkleining van de afstand tussen de lonen en de sociale uitkeringen zou dus het gevolg zijn van het feit dat sommige lonen ten opzichte van andere langzamer stijgen. Wat zien wij echter als wij kijken naar het gemiddelde effect? Dan blijkt dat het gemiddelde van die lonen als het ware heel sterk weggroeit. Dat gebeurt in de ene bedrijfstak sneller dan in de andere, maar over de gehele linie zien wij dat de laagste loonschaal naar boven groeit en dus op grotere afstand van het minimumloon komt. In die zin is het effect in de jaren tachtig tot en met nu, dus ook in de jaren van de koppeling, niet opgetreden. Niettemin erken ik, dat een risico aanwezig is. In de jaren tachtig heb wij een groot aantal jaren niet gekoppeld. Als wij dit weer gaan doen, erken ik dat het bedoelde risico zich zou kunnen voordoen. Daarom hebben wij in de stukken gezegd: ťťn keer in de vier jaar moeten wij, wat die bijzondere aanpassing betreft, de situatie bekijken. Dan kun je daarmee rekening houden. Perjaarzijn de effecten echter zeer gering en per bedrijfstak ook zeer wisselend. Het is namelijk niet altijd zo, dat bijvoorbeeld de detailhandel, de bouw of de metaal er als het ware onderaan bungelen. Die bedrijven moeten ook hun positie op de arbeidsmarkt handhaven. Het gaat dus niet altijd om dezelfde bedrijven die met het onderste segment te maken hebben. Als je bij de uitkeringen van dergelijke veronderstellingen uitgaat, zou je daarvoor altijd zodanig koppelen dat wordt gekeken naar de degenen die in een bepaalde periode toevallig beneden het gemiddelde zitten. De mensen met een uitkering zouden als het ware permanent de klos zijn en de anderen misschien beurtelings in het vizier komen.

De voorzitter: Ik zie de heer Rongen opnieuw naar de interruptiemicrofoon lopen. Ik wil nu echter de interrupties gaan beperken. In wezen wil de geachte afgevaardigde nu van een derde termijn gebruik maken. Ik ben coulant geweest en het lijkt mij nu verstandig de regel te handhaven, dat de tweede termijn de helft van de tijd van de eerste termijn kost. Een dergelijke tijd wordt nu verre overschreden.

Minister De Vries: Ik ben uitgesproken, voorzitter.

De heer Rongen (CDA): Voorzitter! Mag ik nog een laatste opmerking maken?

De voorzitter: Een korte vraag dan!

De heer Rongen (CDA): Wat de minister zegt is waar. Het ging mij echter om de combinatie van het op deze wijze koppelen en het eventueel pas na vier jaar repareren, daarbij mede lettend op de eerdere discussie over de afstand tussen het sociaal minimum en het minimumloon als men werkt. Die combinatie zorgt voor de problematiek.

Minister De Vries: Voorzitter! Wij kunnen in ieder geval vaststellen, dat die problematiek voor 1992 niet actueel is. Dan doen wij langs de weg van het ontkoppelen al voor een deel wat de heer Rongen beoogt.

Staatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Ik wil graag een enkele opmerking maken tegen de heer Van de Zandschulp. Ikwil niet nu al de discussie voeren over de WAO. Ik wijs er echter wel op dat in de kabinetsvoorstellen met betrekking tot de uitkeringsstructuur van de WAO het gelijk blijven in guldens van de uitkering voor mensen onder de 50 jaar die reeds een uitkering hebben, is bedoeld als overgangsrecht. Laat niet het idee bestaan dat mensen pas worden "ontdooid" als het kengetal van 759.000 WAO'ers in mensjaren is bereikt. Het zal afhankelijk zijn van hun eigen uitkeringsduur. Voor sommigen kan die periode van een gelijk blijvende uitkering van zeer korte duur zijn, althans volgens het wetsvoorstel dat wij aan het uitwerken zijn. Waarom heeft het kabinet in september gezegd dat het bereid is om die bevriezing niet laten doorgaan als die 760.000 mensjaren eerder worden bereikt? Het heeft dat gedaan, omdat het volgens sommige partijen in de Tweede Kamer en in het veld mogelijk is dat dit absolute getal eerder wordt bereikt. Ik wil er van alle kanten aan meewerken dat die situatie zich ook voordoet, maar die garantie kan ik niet geven Met een goed preventiebeleid en een goed reÔntegratiebeleid moeten wij een heel eind in die richting kunnen komen. Aangezien het materiŽle effect van het wetsvoorstel inzake de WAO op zijn vroegst per 1 juli 1993 aan de orde is, zit die brief van september ertussen. Een actief wetgevingsbeleid en een actief beleid van werkgevers en werknemers voor reÔntegratie en voor preventie dienen vanuit alle invalshoeken onze hoofdprioriteit te zijn. Dat is zowel van belang voor de WAO als voor het wetsvoorstel inzake de koppehng, waarbij de verhouding tussen actieven en niet-actieven zo'n belangrijke rol speelt. De sociale zekerheid moet die trampolinefunctie ook actief kunnen vervullen: meer mensen aan het werk, minder met een uitkering. Dan kunnen wij blijven koppelen, hoeveel ouderen onze samenleving in de toekomst ook zal tellen.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.

De voorzitter: De aanwezige leden van de fracties van de VVD en GroenLinks wordt conform artikel 121 van het Reglement van orde aantekening verleend, dat zij geacht willen worden zich niet met het wetsvoorstel te hebben kunnen verenigen.

Sluiting 19.38 uur.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.