Voorlopig verslag - Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 5

1 Samenstelling: Leden: Spieker (PvdA), Moor (PvdA), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Van Houwelingen (CDA), Schutte (GPV), Groenman (D66), Wolters (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Linschoten (VVD), Kamp (VVD), Leijnse (PvdA), Brouwer (Groen Links), Janmaat (Centrumdemocraten), Doelman-Pel (CDA), voorzitter, G. H. Terpstra (CDA), De Leeuw (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), Schoots (PvdA), Beijlen-Geerts (PvdA), Schimmel (D66), Huibers (CDA), Middel (PvdA). Plv. leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Quint-Maagdenberg (PvdA), Reitsma (CDA), Van der Vlies (SGP), Versnel-Schmitz (D66), Paulis (CDA), Franssen (VVD), Dijkstal (VVD), De Korte (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Rosenmöller (Groen Links), Willems (Groen Links), G. de Jong (CDA), Tuinstra (CDA), Bijleveld-Schouten (CDA), De Kok (CDA), Van Zijl (PvdA), Melkert (PvdA), Leerling (RPF), Kohnstamm (D66), Vreugdenhil (CDA), Van Gelder (PvdA).

VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 16 september 1991

De vaste Commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek, brengt van haar voorlopige bevindingen als volgt verslag uit.

  • Algemeen

Reeds bij de behandeling van het regeerakkoord en het debat over de regeringsverklaring en tijdens over het onderhavige voorstel inmiddels gehouden mondeling overleg met de regering (zie m.n. Kamerstuk 21352 nr. 39) is gebleken dat de leden van de CDA-fractie instemden met de inhoud van het voorliggende wetsvoorstel. Tegen de achtergrond van het gevoerde overleg hadden zij behoefte een enkele opmerking te maken en een enkele vraag te stellen.

De leden van de PvdA-fractie stelden vast dat het voorliggende wetsvoorstel voortvloeide uit afspraken zoals neergelegd in het regeerakkoord. Het regeerakkoord noemt expliciet twee maatregelen: beperking van de uitwonendennorm voor jongeren beneden de 21 jaar en invoering van een wachttijd in de Rww voor schoolverlaters van 21 jaar en ouder, waarin een uitkering ter hoogte van de WSF-norm zal worden verstrekt. «Naast deze twee maatregelen en de sluitende aanpak zullen geen verdere wijzigingen in de uitkeringsniveaus en uitkeringsrechten van jongeren beneden de 27 jaar worden aangebracht», zo haalden de PvdA-fractieleden het regeerakkoord aan. Deze maatregelen maakten deel uit van een geïntegreerde benadering van de jeugdwerkloosheid, zo wilden deze leden nog eens onder de aandacht brengen. Zij konden in dat kader verheugd constateren dat de Jeugdwerkgarantiewet (JWG) inmiddels per (per 1 september 1991) was ingevoerd. Voor de leden van de PvdA-fractie was aanpassing van de jongerenuitkeringen aanvaardbaar indien de JWG zijn beslag zou krijgen en in het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) afspraken gemaakt zouden worden over de instroom in het leerlingwezen en over het voor-en natraject van het jeugdwerkgarantieplan. Zij konden niet vaak genoeg benadrukken dat de bestrijding van de jeugdwerkloosheid aan de bron de eerste inzet van alle betrokkenen diende te zijn.

11453 0FISSN0921737 ISdu Uitgeverij Plantiinstraat 's Gravenhage 1991

Ook de leden van de fractie van D66 wilden de voorstellen van de regering heel duidelijk in relatie zien met de «sluitende aanpak» zoals neergelegd in de Jeugdwerkgarantiewet. De leden van de fractie van D66 constateerden dat een 21-jarige thuiswonende alleenstaande schoolverlater momenteel nog een bijstandsuitkering krijgt van f860,87 (1 januari 1991) terwijl onder het nieuwe uitkeringsregime een en ander zal worden teruggebracht tot f467,17. Een alleenstaande uitwonende schoolverlater van 23 jaar ontvangt momenteel een bijstandsuitkering van f 1213,76 (1 januari 1991) terwijl de nu voorgestelde wijziging uit zal gaan van f 839,28. De door de regering voorgestane wijzigingen in bijstandsnormen gaven de leden van de fractie van D66 vooralsnog dan ook reden tot enige terughoudendheid. Tot hun spijt hadden de leden van de Groen Linksfractie de beleidsvoornemens van de regering ter zake van de jongerenuitkeringen vernomen. Zij hadden al eerder kennis gemaakt met deze voornemens en hadden toen reeds hun ongenoegen laten blijken. In de eerste plaats vonden de leden van de Groen Linksfractie het bepaald niet fraai, dat opnieuw tot een verlaging van de jongerenuitkeringen wordt besloten, terwijl het afgelopen decennium deze uitkeringen al stevig zijn aangepakt. De ratio van het voornemen van de regering ontging hen enigszins. De afgelopen jaren zijn verschillende voorstellen ontwikkeld om de diverse jongerenuitkeringen, studietoelages en het minimumloon op elkaar af te stemmen. In de wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln), die middels dit wetsvoorstel mogelijk wordt, komt deze afstemming ternauwernood tot stand. De argumentatie die de regering hanteert vonden de hier sprekende leden arbitrair. Zij hadden stellig de indruk dat de voorgestelde wijziging op voorhand geld moest opleveren en een compromiskarakter had, en niet zozeer voortkwam uit een specifieke wens tot afstemming. De leden van de Groen Linksfractie beoordeelden de voorgestelde wijziging als complicerend en vroegen zich hoe de regering met deze wijziging invuiling dacht te geven aan het alom geuite streven te komen tot vereenvoudiging, ook in de sociale zekerheid. Opnieuw worden speciale gevallen en situaties onderscheiden, die naar het oordeel van de hier aan het woord zijnde leden, de uitvoerbaarheid en herkenbaarheid van de bijstand sterk aantasten. Zij vroegen de regering om een reactie. Tot slot vroegen de leden van de Groen Linksfractie hoe de regering dit voorstel rijmt met het streven naar economische zelfstandigheid. Het, behoudens uitzonderingen, uitsluitend toepassen van de thuiswonendenuitkering voor 18-tot 21-jarigen en de verlaging van de uitkering voor schoolverlaters zal het beroep op ouders door jongeren doen toenemen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Zij merkten op, dat zij het argument van het bereiken van economische zelfstandigheid via betaalde arbeid, zoals de regering meermalen heeft gesteld, niet voldoende achten. Indien men kiest voor economische zelfstandigheid via betaalde arbeid, zal men ook moeten accepteren dat (tijdelijk) sprake kan zijn van werkloosheid. Ook in die situatie past volledige toepassing van dit streven. De leden van de fractie van de SGP hadden met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij zagen dit wetsvoorstel ten nauwste samenhangen met het jeugdwerkgarantieplan, waarin in beginsel aan iedere jongere schoolverlater na een half jaar een baan wordt aangeboden. Mede daardoor is het verdedigbaar dat de uitkeringen voor jongere schoolverlaters op een lager niveau gebracht worden. De leden van de GPV-fractie reageerden overwegend welwillend op de wijzigingen in de uitkeringssystematiek voor jongeren die in het onderhavige wetsvoorstel worden voorgesteld. Zij achtten de voorgestelde wijzigingen voor het merendeel evenwichtig en goed onderbouwd. Deze evenwichtige benadering had evenwel tot een weinig inzichtelijke tekst geleid. De memorie van toelichting was uiterst moeilijk leesbaar, mede door de vele onderlinge verwijzingen van de ene uitkeringscategorie naar de andere. Deze leden hadden tenminste een zestal criteria ontdekt op grond waarvan de categorie bijstandsgerechtigden kon worden opgedeeld. Dat leidt tot een aantal categorieën van twee tot de zesde macht, is 64 categorieën die elk weer een eigen rechtvaardiging hebben voor hun eigen bijstandsniveau. Dat verklaart de geringe mate van toegankelijkheid van de tekst van de memorie van toelichting. Deze is eigenlijk alleen leesbaar met de tekst en de tabellen van het Ontwerpbesluit landelijke normering (Bln) ernaast. Deze leden wilden in het kader van dit voorlopig verslag voornamelijk ingaan op de principiële keuzen die aan dit wetsvoorstel ten grondslag liggen. Werkloze schoolverlaters in de meest ruime zin van het woord, dus ook ex-studenten, krijgen het eerste half jaar na de beëindiging van school c.q. studie een uitkering die is afgeleid van het normbudget voor de kosten van levensonderhoud uit de WSF. Hun situatie zou te weinig verschillen met die van studerenden om een fors hogere uitkering te rechtvaardigen. Werkloze schoolverlaters van 18 tot 21 jaar vallen gedurende dit eerste half jaar terug op de kinderbijslagregeling. In zijn algemeenheid konden deze leden wel met deze keuze instemmen, alhoewel zij toch een wat andere motivering daarvoor zouden willen aanvoeren. Het lid van de RPF-fractie had met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Ook hij constateerde dat hiermee gestalte wordt gegeven aan afspraken die op dit terrein in het regeerakkoord zijn gemaakt. Deze afspraken maken deel uit van de integrale aanpak van de scholings-en werkgelegenheidsproblematiek van jongeren. Ze vormen een samenhangend geheel met de in de Jeugdwerkgarantiewet geldende sluitende aanpak. Dit lid kon de voorgestelde maatregelen in grote lijnen billijken, maar had er toch behoefte aan enkele vragen aan de regering te stellen. Hij dankte de regering overigens voor het duidelijke overzicht van de inkomenspositie van jongeren.

  • Uitkeringsregime voor schoolverlaters 21-27 jaar
  • Algemeen

De leden van de PvdA-fractie konden de redenering van de regering volgen dat een verschil in bijstandsuitkering en WSF-budget geen rechtvaardiging vindt in een verschil in positie van werkloze schoolverlaters en studenten. Een werkloos schoolverlater zal in het algemeen zijn of haar bestedingspatroon niet aanpassen vanaf de dag dat de werkeloosheid intreedt. Maar naarmate de werkloosheid langer duurt neemt de kans op integratie in het arbeidsproces (langs reguliere weg) af. Dan kan inderdaad geconstateerd worden dat de werkloosheid niet langer als een onvermijdelijk uitvloeisel van de studieperiode beschouwd moet worden en is er wel sprake van een verschil in positie. Deze leden waren het eens met de regering dat dan het sociaal minimum in de bijstand uiteraard van toepassing diende te zijn voor deze werkloze schoolverlaters. De aan het woord zijnde leden waren verheugd dat er sprake is van een dalende trend in de jeugdwerkloosheid. Ruim 90% van de schoolverlaters is binnen het jaar niet meer werkloos. Deze leden verzochten de regering aan te geven hoe de prognose is voor de komende jaren. De voorgestelde verlaging van de uitkeringsniveaus voor de groep schoolverlaters tussen de 21 en 27 jaar leek de leden van de D66-fractie soms fors. Op het argument als zou deze groep jongeren door een groter verschil tussen minimumloon en uitkering sterk gestimuleerd worden tot een actiever zoekgedrag op de arbeidsmarkt, wilden deze leden nog kort ingaan. Allereerst constateerden zij dat het verschil tussen het huidige uitkeringsniveau en het minimumloon voor deze groep al fors is te noemen. Een uitwonende 23-jarige alleenstaande schoolverlater ontvangt momenteel een bijstandsuitkering die bijna f400 lager is dan het minimumloon. Dit verschil zal, wanneer de voorstellen werkelijkheid worden, oplopen tot zo'n f 770. Overigens waren de hier aan het woord zijnde leden wel van mening dat een laag uitkeringsniveau van f839,28 jongeren welhaast zou noodzaken tot een zéér actief zoekgedrag. Ten tweede vroegen de hier aan het woord zijnde leden zich af wat nu precies het verschil in uitkeringsniveau tussen een werkloze schoolverlater van 26 jaar en een werkloze niet-schoolverlater van 26 jaar rechtvaardigt. Dient de eerstgenoemde sterker geprikkeld te worden tot actief zoekgedrag dan de laatstgenoemde? Tot slot deelden de leden van de D66-fractie de opvatting van een deel van de SER dat de werkloosheid onder jongvolwassenen veeleer gelegen lijkt te zijn in het ontbreken van relevante opleidingsniveaus en een gebrek aan banen dan aan de hoogte van de uitkeringen van bedoelde groep. Op dit punt leek het de hier aan het woord zijnde leden van belang dat de regering haar «prikkelargument» nader uiteenzet.

De leden van de SGP-fractie constateerden dat jongeren tussen de 21 en 27 jaar pas na enkele jaren onder de werking van de JWG vallen. De argumentatie van de regering om ook voor deze jongeren, zolang zij nog niet onder het JWG-bereik vallen, het uitkeringsniveau aan te passen, vonden deze leden minder overtuigend. Bovendien, afgestudeerden hebben een andere maatschappelijke status dan studenten: deze leden wilden dan ook een nadere argumentatie van de regering op dit punt, waarbij ook de werking van de JWG betrokken dient te worden.

Naar het oordeel van de leden van de GPV-fractie is het te rechtvaardigen een verschil in uitkeringsniveau te hanteren tussen degenen die reeds gewerkt hebben en degenen die nog nooit hebben gewerkt, de schoolverlaters. Het verschaffen van niet meer dan een budget voor levensonderhoud aan de ex-student is goed te verdedigen. Zijn bijdrage aan de samenleving moet nog geleverd worden. lemand die al enige jaren heeft gewerkt, heeft een bijdrage geleverd aan de samenleving en mag terecht een hogere uitkering tegemoet zien. Een relatief lage uitkering voor een schoolverlater vormt een extra prikkel op het vinden van werk. Wel rees de vraag welke rechtvaardiging er is voor het feit dat de werkloze schoolverlater van 21 jaar en ouder na een half jaar plotseling in het veel hogere «normale» uitkeringsniveau terechtkomt. Dat scheelt ± f 600 per maand. Kan dat vooruitzicht er niet toe leiden dat men gedurende dat eerste half jaar onvoldoende ernst maakt met het actief zoeken naar werkgelegenheid? Wat is de rechtvaardiging voor die grote sprong? En waarom na zes maanden? Is dit niet erg willekeurig? De tweede vraag die in dit verband rees is hoe zowel het normbudget voor levensonderhoud uit de WSF als het daarvan verschillende nettominimumniveau toereikend kunnen worden geacht voor de normale kosten van het bestaan. Ver daaronder is nog een ander niveau, dat van het normbudget dat ook is afgestemd op de kosten van levensonderhoud. Betekent dit in feite niet dat óf het normbudget WSF te laag is öf het nettomimimumniveau te hoog? Verder vroegen deze leden naar een goede rechtvaardiging voor het verschil in de vrijlatingsregeling eigen inkomsten tussen de WSF en de bijstand. De regeling in het kader van de WSF is ruimer dan in het kader van de bijstand. Dat betekent dat er in de bijstand een kleinere prikkel is tot het verwerven van eigen inkomsten dan in de WSF. Is dit niet onlogisch, zo vroegen deze leden.

Het lid van de RPF-fractie vroeg nog om een nadere onderouwing van de passage in de memorie van toelichting, waar staat dat het uitkeringsniveau van een schoolverlater voor zijn maatschappelijke functioneren na een bepaalde periode van werkloosheid gelijk moet zijn aan het algemeen geldende bijstandsniveau (blz. 7). Waarom wordt «een zekere overgangsperiode» vastgesteld op een half jaar?

  • Alleenstaanden

De voorgestelde uitkeringsniveaus voor 21-tot 27-jarige schoolverlaters gaven de leden van de D66-fractie nog aanleiding tot een aantal opmerkingen. Het volwassenminimumloon gaat op dit moment in bij 23-jarige leeftijd. De bijstandsnormen hanteren op dit moment ook een leeftijdsgrens van 23 jaar. Zo ontvangt een 23-jarige alleenstaande bijstandsgerechtigde momenteel f 1213,76 (1 januari 1991) hetgeen 70% van de gezinsnorm is. De regering laat de 70%-norm in de huidige voorstellen volledig los. Een alleenstaande schoolverlater tussen de 23 en 27 jaar ontvangt gedurende een half jaar nog slechts 50% van de gezinsnorm (namelijk f 839,28 tegen f 1678,56). In de memorie van toelichting (blz. 9) wordt toegegeven dat bij alleenstaande schoolverlaters de schaalvoordelen ontbreken die verbonden zijn aan het voeren van een gezamenlijke huishouding. Toch worden de noodzakelijke bestaanskosten voor alleenstaande schoolverlaters lager gesteld (namelijk op 50%). Kan de regering hier nader op ingaan?

  • Uitkeringsregime voor personen jonger dan 21 jaar
  • Algemeen

De leden van de PvdA-fractie constateerden dat naast beperking van de uitwonendennorm voor jongeren onder 21 jaar eigenlijk nog een maatregel werd voorgesteld, namelijk het laten vervallen van het leeftijdsonderscheid in de bijstand. Deze tweede maatregel is een marginale wijziging ten opzichte van het bestaande bijstandsregime. Een differentiatie die geen wezenlijke betekenis meer heeft wordt geschrapt, zo stelt de regering. En inderdaad gaat het om kleine bedragen, zo stelden deze leden vast. Zij vroegen evenwel of het loslaten van het leeftijdsonderscheid gevolgen zou kunnen hebben voor andere of aanverwante regelingen, zoals bijvoorbeeld de staffeling in de minimumjeugdlonen. De leden van de PvdA-fractie hadden kennisgenomen van de voorgenomen beperking van de uitwonendennorm. Ook deze leden achtten het in de eerste plaats van belang dat werk wordt verkregen, waarmee een volwaardig inkomen en economische zelfstandigheid kan worden verworven. Zij verbaasden zich echter wel enigszins over het rechtstreekse verband dat de regering legt tussen de overheidsplicht om werkloze jongeren arbeid aan te bieden en de onderhoudsplicht van hun ouders. Zij vroegen de regering om een nadere uitleg van dit verband.

De leden van de fractie van D66 constateerden dat de regering de uitwonendennorm in de bijstand voor 18-tot en met 20-jarigen wil beperken in duidelijk aangegeven objectieve gevallen. De aanwezigheid van kinderen rechtvaardigt volgens de regering overigens wèl de wens om een zelfstandige huishouding te voeren. De hier aan het woord zijnde leden konden de redenering van de Emancipatieraad en een deel van de SER op dit punt eerder volgen dan die van de regering. De voorstellen van de regering lijken de keuzevrijheid van de 18-tot 21-jarigen om zelfstandig te wonen inderdaad in te perken. Het streven naar economische zelfstandigheid van meisjes en de zorgzelfstandigheid van jongens lijkt niet bevorderd te worden met de voorgestelde beperking van de uitwonendennorm. Acht de regering het werkelijk mogelijk dat een uitwonende jongere van 20 jaar (student) na beëindiging van zijn/haar studie met een uitkering van f467,17 uitwonend kan blijven wonen? Is de terugkeer naar het ouderlijk huis in die gevallen welhaast niet onvermijdelijk?

De leden van de fractie van de SGP waren het met de regering eens dat het feit dat jongeren vanaf 18 jaar handelingsbekwaam zijn er niet automatisch toe leidt dat de overheid ook een rechtsplicht heeft om die jongeren financieel te onderhouden. Tot 21 jaar zijn de ouders de eerst verantwoordelijken daarvoor. In dit wetsvoorstel komt die verantwoordelijkheid beter tot zijn recht dan in de huidige praktijk. Wel vroegen deze leden wat deze wijziging voor gevolgen heeft bij een slechte relatie ouderskinderen. Om voor een uitwonendenuitkering in aanmerking te komen, zal de jongere in het kader van de jeugdhulpverlening buiten het gezinsverband van de ouder(s) geplaatst moeten zijn. In hoeverre denkt de regering dat dit wetsvoorstel tot een groter beroep op de jeugdhulpverlening zal leiden? De jongste categorieën werkloze schoolverlaters, aldus de leden van de GPV-fractie, zijn de eerste zes maanden van hun werkloosheid nog aangewezen op de kinderbijslag. In het kader van de financiële verantwoordelijkheid van de ouders voor hun kinderen is dit goed te verdedigen. Maar werkloze schoolverlaters van 18-21 jaar krijgen ook te maken met deze wachttijdbepaling in de RWW. Ook zij worden gedurende de eerste zes maanden van hun werkloosheid weer terugverwezen naar de kinderbijslag, terwijl deze categorie in overgrote meerderheid uit de WSF komt. Dat is dan toch een geheel andere situatie dan schoolverlaters van 16 en 17 jaar? Is het niet vreemd dat zij, na eerst het normbudget van de WSF te hebben ontvangen weer in de kinderbijslag moeten? Is dit ook naar de ouders toe niet onlogisch? Aanvankelijk wordt de financiële verantwoordelijkheid voor hun kinderen «overgenomen» door de WSF, maar later dienen ze hun financiële verantwoordelijkheid weer te hernemen. Is daarom de situatie van werkloze schoolverlaters tussen 18 en 21 jaar niet meerte vergelijken met die van de categorie 21-27 jaar, zodat ook zij eigenlijk in aanmerking zouden dienen te komen voor het normbudget uit de WSF? De leden van de GPV-fractie stemden in met het voornemen om voor bijstandsgerechtigde schoolverlaters tussen 18 en 21 jaar alleen in objectief omschreven gevallen de uitwonendennorm toe te passen. De thuiswonendesituatie wordt als de normale situatie gezien. Zeker gezien de feitelijke ontwikkelingen waarbij jongeren op steeds latere leeftijd de ouderlijk woning verlaten is deze keuze goed verdedigbaar. Wel rees de vraag naar de relatie met andere regelingen. Zo heeft men in het kader van de WSF nog wel de vrije keus tussen thuiswonen of uitwonend zijn. Zou een logisch gevolg van de thans voorgestelde wetswijziging niet zijn dat ook de vrijblijvendheid in de WSF op dit punt wordt ingeperkt? Wanneer de bijstandsgerechtigde op de ingangsdatum van de uitkering al een jaar uitwonend is, dan sluit de bijstandsuitkering aan op de reeds bestaande situatie. Deze leden achtten dit een terechte uitzondering op de hoofdregel. Maar zal het effect hiervan niet zijn dat er binnen het kader van de WSF nog meer een beroep gedaan zal gaan worden op de uitwonendenbeurs, omdat dit bepalend zal zijn voor de hoogte van een eventuele bijstandsuitkering?

  • Eén-oudergezinnen

De leden van de fracties van de CDA en PvdA herinnerden de regering aan de tijdens het mondeling overleg van 21 februari 1991 (Kamerstuk, 21352, nr. 39) gemaakte afspraak om de vraag, of met de wijziging van artikel 1, lid 3 van de Algemene Bijstandswet het principe van gelijke behandeling geweld wordt aangedaan, expliciet in de stukken aan de Raad van State voor te leggen. Voor zover deze leden dit in de schriftelijke weergave van een en ander konden nagaan, konden zij niet anders dan tot de conclusie komen dat dit niet was gebeurd. Zij betreurden dat en vroegen de regering een nadere verklaring te geven voor het niet nakomen van de afspraak. De leden van de PvdA-fractie adstrueerden het belang van deze vraag als volgt. Zij vreesden dat de harmonisatie een nieuwe vorm van ongelijke behandeling in het leven zou roepen. Bij de discussie over het regeerakkoord waren immers nadrukkelijk de alleenstaanden in beeld. Eén-oudergezinnen jonger dan 21 jaar zouden ten gevolge van de voorgestelde maatregel een ander uitkeringsregime kennen dan oudere één-oudergezinnen. Deze leden wilden dit verduidelijken aan de hand van de volgende tabel:

oud regime

voorgesteld regime

één-ouder gezin: huidige bijstand eerste halfjaar

daarna

18-20 thuis uit 21-27 thuis uit 1378,15156 0.55 1387,15 1 560,55

1138,59 1510,70 1138,59 1510,70

(467.17 + 671,42) 1138,59 (839,28 + 671,42) 1510,70 («oude» bijstand) 1387,15 («oude» bijstand) 1560,55

Vandaar dat de leden van de PvdA-fractie de discussie in herinnering riepen tijdens het mondeling overleg of de maatschappelijke vergelijkbaarheid van één-oudergezinnen onder en boven de 21 jaar en meer in het algemeen de norm voor datgene wat als algemeen noodzakelijke kosten van bestaan worden aangemerkt niet ertoe zou kunnen leiden dat het aangebrachte onderscheid als een vorm van ongelijke behandeling zou kunnen worden aangemerkt, en dat derhalve was afgesproken dat op dit punt expliciet advies gevraagd zou worden aan de Raad van State. Kan de regering overigens aangeven hoe groot de onderscheiden categorieën zijn?

Het was de leden van de GPV-fractie opgevallen dat het adagium gelijke behandeling op verschillende momenten in de memorie van toelichting wordt gehanteerd ter rechtvaardiging van een keuze. Niet altijd was duidelijk waarom. Zo zouden deze leden een gelijke behandeling van gehuwd en ongehuwd samenwonenden billijken als dit ertoe zou leiden dat een premie op het ongehuwd samenwonen zou worden weggenomen. Maar waarom er op bepaalde punten sprake moest zijn van gelijke behandeling van alleenstaanden en alleenstaande ouders ontging deze leden. Zou dit nader toegelicht kunnen worden?

  • Echtparen/ongehuwd samenwonenden

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar een nadere uiteenzetting bij het voornemen om ook bij (echt)paren de beperking van de uitwonendennorm toe te passen. Zij konden de regering amper volgen in haar veronderstelling dat de partners in een (echt)paar in de uitkeringssystematiek feitelijk als alleenstaanden zijn te beschouwen. Als dit zo zou zijn dan zou een consequente toepassing van dit beginsel er toe leiden dat de gezinsnorm 2 x 70% wordt. Ook hier blijft de vraag waarom een «gezin» binnen de voorgestelde systematiek anders behandeld wordt dan in de geldende systematiek.

De leden van de GPV-fractie konden zich voorstellen dat uit een oogpunt van gelijke behandeling risico wordt gelopen bij een regeling die voor alleenstaanden en één-oudergezinnen wel uitgaat van de WSF-norm maar voor gehuwden en ongehuwd samenwonenden niet. De vraag is echter of een analoge redenering ook moet gelden voor de toepassing van het recht op de uitwonendennorm. Zou juist hier niet moeten gelden dat gehuwden een nieuw huishouden vormen en daarom in principe recht hebben op de uitwonendennorm? Het ontging deze leden waarom ook hier met een beroep op de gelijke behandeling het recht op de uitwonendennorm wordt beperkt voor gehuwden, samenwonenden en één-oudergezinnen. Wordt de regeling daardoor ook niet nodeloos gecompliceerd, zo vroegen deze leden.

  • Het ontwerp-Besluit tot wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln)

Bij brief van 11 juli 1991 (Kamerstuk 22163, nr. 4) heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het ontwerp-Besluit tot wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering ter kennis gebracht van de Tweede Kamer. In de vaste Commissie is over dit ontwerp-Besluit een tweetal vragen gerezen. In het ontwerpbesluit misten de leden van de CDA-fractie in onderdeel E, artikel 5, lid 3, betreffende toepassing van de uitwonendennorm voor 18-tot en met 20-jarigen, de formulering met betrekking tot de individualiseringsbevoegdheid van burgemeester en wethouders om na indicatiestelling van de algemene regel af te wijken in bijzondere gevallen. In de memorie van toelichting bij het ontwerpbesluit is een en ander overigens wel goed verwoord. Zij vroegen de regering of een opname van het voorgaande in het betreffende artikel niet alsnog zou moeten gebeuren. In relatie hiermee kwam het hun voor, dat ook de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel ten aanzien van dit punt niet volledig was (bladzijde 8 en 9).

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar een nadere uiteenzetting en verheldering van de verruimde vrijlating. Met name vroegen zij dit in verband met de verdiensten uit JWG-arbeid. Zij vroegen of de vrijlatingsbepalingen wel of niet zouden worden toegepast op de JWG-lonen, voorzover die onder het sociaal minimum liggen.

  • Invoering en samenhang met Jeugdwerkgarantiewet

De leden van de fracties van CDA, PvdA, D66, Groen Links en RPF nodigden de regering uit om, gegeven de noodzaak om de inwerkingtreding van het Jeugdwerkgarantieplan en de voorgenomen bijstellingen van de jongerenuitkeringen zoveel mogelijk parallel te laten ingaan, nader op dit punt in te gaan en de datum van inwerkingtreding van de aanpassing van de jongerenuitkering te preciseren. De leden van de fracties van de PvdA, D66, Groen Links en RPF merkten daarbij op dat een gefaseerde invoering analoog aan de Jeugdwerkgarantiewet, voor de hand zou liggen. Wellicht ten overvloede herinnerden de leden van de D66-en Groen Linksfractie eraan dat 27-jarigen pas in 1998 onder werkingssfeer van de JWG zullen vallen.

De leden van de PvdA-fractie constateerden instemmend dat de rechten en uitkeringen van hen die op dit moment en tot aan de invoering van de onderhavige voorstellen zijn aangewezen op een bijstandsuitkering niet zouden worden gewijzigd.

Het lid van de RPF-fractie stelde daarnaast een aantal vragen in verband met het tijdstip, waarop dit wetsvoorste! is ingediend. Gelet op de nauwe samenhang die bestaat met de JWG, zou het voor de hand hebben gelegen de parlementaire behandeling meer parallel te laten lopen. Waarom is dit niet gebeurd? Meer in het algemeen wilde hij weten waarom de uitkering van schoolverlaters en werkloze jongeren niet al veel eerder is afgestemd op de studiefinanciering. Is deze afstemming afhankelijk van de invoering van de JWG? Dit lid meende dat de memorie van toelichting niet in dergelijke absolute termen spreekt, Op pagina 7 stelt de regering: «Naar het oordeel van het kabinet leidt het loutere feit van beëindiging van de studie niet tot een zodanige wijziging in de omstandigheden van de betrokkene dat diens noodzakelijke bestaanskosten daardoor op een ander niveau liggen dan ten tijde van de opleiding of studie. Gedurende een zekere overgangsperiode is de positie van schoolverlaters in maatschappelijk opzicht vergelijkbaar met studerenden.» Is de regering met dit lid van oordeel dat deze uitspraak op zich zelf staat en dat derhalve de vraag rijst, waarom deze voor de hand liggende conclusie niet veel eerder is getrokken?

  • Financiële aspecten

De leden van de PvdA-fractie wilden graag een schematisch inzicht in de ramingen van de verschillende aantallen jongeren in de onderscheiden categorieën. Zij vroegen de regering voorts of de voorgestelde uitkeringssystematiek was meegenomen in de financiële onderbouwing van de Jeugdwerkgarantiewet. Zij konden zich voorstellen dat lagere uitkeringen een hogere overheidsbijdrage aan het JWG zouden vergen, waardoor de structurele opbrengst van het plan gevaar zou kunnen lopen. De leden van de fractie van de SGP misten in de memorie van toelichting een financiële toelichting voor wat betreft de gevolgen voor de overheid. Hoeveel bedragen de bezuinigingen als gevolg van de verlaging van de bijstandsuitkering voor respectievelijk jongeren beneden de 21 jaar en voor jongeren van 21 tot 27 jaar?

Het lid van de RPF-fractie vroeg in hoeverre het reëel is uit te gaan van een besparing van f 250 miljoen. Hij verwees hiervoor naar het regeerakkoord. Die opbrengst en de onderbouwing van de aanpassing van de uitkeringen zijn toch gerelateerd aan de werking van de JWG? Deze vraag was des te knellender, omdat hij uit de pers had begrepen, dat het realiseren van een sluitende aanpak in het kader van de JWG in veel, met

name grote, gemeenten tot problemen zou kunnen leiden. Beschikt de regering over aanwijzingen, dat verschillende gemeenten met een tekort aan JWG-banen kampen? Deze laatste vraag was ook gerezen bij de leden van de SGP-fractie.

De voorzitter van de Commissie, Doelman-Pel De griffier van de Commissie, Van Dijk

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.