Memorie van toelichting - Wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 3 Herdruk

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt, dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State)

MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

  • Inleiding

Dit wetsvoorstel vloeit voort uit het regeerakkoord voor de kabinetsperiode 1990-1994 (Kamerstukken II, 1989/90, 21132, nr. 8), waarin het beleidsvoornemen is opgenomen om te komen tot een geïntegreerd scholings-, inkomens en arbeidsmarktbeleid om de werkloosheid onder jongvolwassenen bij de bron te bestrijden. Het accent ligt daarbij op een sluitende aanpak van de werkloosheid onder schoolverlaters via een aanbod van werkervaring of scholing, dan wel een combinatie van beide, na zes danwel uiterlijk twaalf maanden werkloosheid. In het kader van een geïntegreerde benadering is in het regeerakkoord voorts voorzien in een tweetal wijzigingen in de systematiek van jongerenuitkeringen. Het betreft allereerst de beperking van het recht op de uitwonendennorm voor 18-tot 21-jarigen in de bijstand. In de tweede plaats bevatten de afspraken in het regeerakkoord een apart uitkeringsregime voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar dat is afgestemd op het niveau van de budgetten voor levensonderhoud op grond van de Wet op de studiefinanciering (WSF) gedurende het eerste half jaar van de werkloosheid, met een enigszins verruimde vrijlating van arbeidsinkomsten ten opzichte van de bijstand. Deze maatregelen zijn naar het oordeel van het kabinet een wezenlijk element in het geheel van maatregelen en voorzieningen dat ingevolge het regeerakkoord tot stand zal worden gebracht. De daartoe strekkende wijzigingen van de uitkeringssystematiek van de Algemene Bijstandswet (ABW) worden geëffectueerd door middel van een wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln.). Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe deze aanpassingen mogelijk te maken door wijziging van wijziging van artikel 1, derde lid, van de Algemene Bijstandswet. Daarnaast draagt dit wetsvoorstel ervoor zorg dat de betreffende wijzigingen in de uitkeringssystematiek van de ABW op de juiste wijze doorwerken in die van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

1 Herdruk omslagvel wegens verbetering «vetxnummer 11392 IFISSN0921737 ISdu Uitgevenj Plantijnstraat 's Gravenhage 1991

  • Regeerakkoord

Bij de totstandkoming van het regeerakkoord van het huidige kabinet zijn afspraken gemaakt over de bestrijding van de werkloosheid onder jongvolwassenen. In hoofdstuk V van het regeerakkoord voor de kabinetsperiode 1990-1994 zijn de beleidsvoornemens vastgelegd. Deze voornemens laten zich als volgt samenvatten. Prioriteit heeft een aanpak die het ontstaan van werkloosheid onder jongeren bij de bron bestrijdt. Deze aanpak wordt gekenmerkt door een evenwicht van rechten en plichten, zowel voor de jongeren als voor de overheid. Uitgangspunt is zo snel mogelijk tot een sluitende aanpak te komen voor werkloze schoolverlaters en werkloze niet-schoolverlaters in de leeftijdscategorie onder 21 jaar en wel via een geïntegreerd scholings-, inkomens-en arbeidsmarktbeleid, met als uiteindelijk doel doorstroming naar de reguliere arbeidsmarkt. Met de Jeugdwerkgarantiewet (Stb. 1991, 250) beoogt het kabinet jongvolwassenen uitzicht te geven op een reguliere baan, zonodig via de tussenstap van een aanbod van werkervaring en/of scholing. Prioriteit wordt gegeven aan een gerichte, op de individuele persoon toegesneden aanpak. Deze aanpak is erop gericht werkloosheid onder schoolverlaters in elk geval na een jaar uit te sluiten. De maatregelen in de inkomenssfeer dienen mede in samenhang daarmee te worden gezien. Voorts wordt concreet uitzicht op werk geboden. De aanpak vergt veel inspanningen, zowel van de sociale partners als van gemeenten. In het gemeenschappelijk beleidskader van kabinet en Stichting van de Arbeid van 5 december 1989 zijn afspraken gemaakt over het activerend arbeidsmarktbeleid voor jongeren. In het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop een deel van de doelgroep via voortrajecten geschikt kan worden gemaakt voor het leerlingwezen, en welke bijdrage de arbeidsvoorzieningsorganisatie kan leveren aan de periode voorafgaand aan de JWG. Voor de doorstroming aan jongeren uit de JWG naar funkties op de reguliere arbeidsmarkt dan wel naar leer/arbeidsplaatsen zullen de Regionale besturen voor de arbeidsvoorziening in hun beleidsplannen de inspanningen bepalen.

Jeugdwerkgarantiewet Meer concreet verloopt de aanpak van de Jeugdwerkgarantiewet langs de volgende lijnen: 1. De doelgroep wordt gevormd door werkloze jongeren tot 21 jaar en door schoolverlaters tot 27 jaar, die aansluitend aan de beëindiging van de opleiding nog geen baan hebben gevonden. Aanvankelijk geldt de sluitende aanpak van een aanbod van werkervarings-en scholingsplaatsen voor alle werkloze jongeren tot 18 jaar en voor alle werkloze schoolverlaters tot 21 jaar. Jaarlijks wordt deze aanpak doorgevoerd voor hogere leeftijdsgroepen werkloze schoolverlaters. 2. In eerste instantie geldt voor de jongere een zoektijd van een half jaar; gedurende deze periode wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld op eigen kracht naar werk te zoeken. Wat betreft schoolverlaters van 18 tot 21 jaar bestaat thans al een wachttijd ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) en hebben de ouders in deze periode aanspraak op kinderbijslag. Voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar wordt gedurende eenzelfde periode van een halfjaar voorzien in een aangepast uitkeringsniveau. 3. Daarna volgt, voor zover de jongere nog werkloos is, een indicatiestelling op individuele basis. Indien de verwachting bestaat dat betrokkene binnen een half jaar op eigen kracht werk zal vinden, ontvangt hij een bijstandsuitkering op het huidige niveau op grond van de Rww.

Indien deze verwachting niet bestaat volgt een op het individu toegesneden aanbod van werkervaring, scholing of een combinatie van beide. In principe geldt daarbij een aanbod van een 32-uursplaats tegen 80 procent van het minimumjeugdloon. Indien men na werkaanvaarding opnieuw werkloos wordt, wordt men wederom in een werkervarings-of scholingsplaats opgenomen. 4. Wanneer de jongere met gunstig beoordeelde arbeidsmarktperspectieven na een jaar nog werkloos is volgt ook voor hem een aanbod tot werkervaring en/of scholing. Na een jaar valt in beginsel iedere jongere die in staat is te werken onder de sluitende aanpak via een aanbod van werkervaring en/of scholing. Na dat jaar is in principe geen bijstand op grond van werkloosheid meer nodig voor de doelgroep van de sluitende aanpak. 5. Voor langdurig jeugdwerklozen uit de jaren tachtig met een werkloosheidsduur van 2 tot 6 jaar wordt vastgesteld trajectbemiddeling toe te passen. Bovendien kunnen de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening aan deze groep prioriteit toekennen in het kader van de heroriënteringsgesprekken en toepassing van de Kaderregeling Bevordering Arbeidsinpassing.

Uitkeringsaspecten Wat betreft de inkomenspositie van de werkloze jongeren zijn de volgende elementen van belang: 1. Werkloze schoolverlaters van 18tot21 jaar vallen, evenals thans het geval is, onder de wachttijdbepaling van de Rww. Voor hen bestaat gedurende een half jaar geen recht op een Rww-uitkering. Voor de ouders bestaat echter aanspraak op kinderbijslag. Na de wachttijd komen werkloze schoolverlaters van 18 tot 21 jaar in aanmerking voor bijstand met toepassing van de Rww. Overeenkomstig het regeerakkoord wordt daarbij het recht op de (hogere) uitwonendennorm beperkt tot strikt omschreven situaties, waarin de jongere op verblijf buiten het ouderlijk huis is aangewezen. Tevens geldt een enigszins verruimde vrijlating van arbeidsinkomsten voor deze categorie om deelname aan betaalde arbeid te bevorderen. 2. Voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar is in het regeerakkoord voorgesteld de uitkering gedurende het eerste half jaar na beëindiging van het onderwijs af te stemmen op het niveau van de huidige budgetten voor levensonderhoud krachtens de WSF met een enigszins verruimde vrijlatingsregeling ten opzichte van de huidige regeling in de bijstand (Rww). Daarmee geldt voor deze categorie een periode van een half jaar aivorens aanspraak op een hoge uitkering kan worden gedaan. De uitkering, waarop na dit half jaar aanspraak kan worden gemaakt, blijft gehandhaafd op het huidige niveau. De voorgenomen wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering voorziet in de beide maatregelen ten aanzien van de uitkeringspositie van jongeren. Ten aanzien van de aansluiting van de uitkeringsniveaus voor schoolverlaters met de budgetten op grond van de WSF hebben zich sedert de totstandkoming van het regeerakkoord ontwikkelingen voorgedaan die noodzaakten tot een enigszins andere invulling. In het onderstaande wordt hierop nader ingegaan. Wat de vormgeving van de inkomensmaatregelen betreft is aanvankelijk gekozen voor een apart wetsvoorstel, met een specifieke uitkeringsregeling voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar en wijzigingen in de bijstand, met name gericht op een beperking van het recht op de uitwonendennorm voor 18-tot 21-jarigen. Daartoe is een voorontwerp van Wet inkomensvoorziening werkloze schoolverlaters (IWS), waarin beide elementen waren opgenomen, voor advies voorgelegd aan de commissie Sociale Voorzieningen van de Sociaal-Economische Raad, de Raad voor de Gemeentefinanciën, de Emancipatieraad, de Raad voor het Jeugd-beleid en de Ziekenfondsraad. Tevens is met betrekking tot mogelijke gedragsreacties als gevolg van de voorstellen advies gevraagd aan het Sociaal en Cultureel Planbureau. Aan de commissie voor de Toetsing van wetgevingsprojecten is verder advies gevraagd, met name voor wat betreft de juridische vormgeving van de voorstellen. Waar nodig zal in deze nota op de uitgebrachte adviezen worden ingegaan. Naar aanleiding van het advies van de commissie voor de Toetsing van wetgevingsprojecten zijn bij nader inzien de inkomensmaatregelen vormgegeven in de bijstand zelf door wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln). Daarbij is derhalve afgezien van een afzonderlijke wettelijke regeling. Met een dergelijke vormgeving zijn, zoals in het laatstgenoemde advies aangegeven, de eenvoud van regelgeving en de uitvoering gediend. Hiermee is ook tegemoet gekomen aan opmerkingen die de commissie Sociale Voorzieningen van de SER en de Raad voor het Jeugdbeleid hebben gemaakt over de toenemende ingewikkeldheid van het sociale zekerheidsstelsel als gevolg van een aparte regeling. Deze wijzigingen van het Bln betroffen alleen de uitkeringspositie van alleenstaanden en hoofden van eenoudergezinnen. In een vervolgadvies naar aanleiding van de vormgeving van de maatregelen door middel van een wijziging van het Bln, sprak de commissie voor de Toetsing van wetgevingsprojecten het oordeel uit dat deze beperking tot alleenstaanden en hoofden van eenoudergezinnen het aanzienlijke juridische risico inhield dat een rechter bij toetsing aan artikel 1 van de Grondwet tot de conclusie zou komen dat de regeling discriminerend is. Het kabinet meende dat een dergelijke uitbreiding van de maatregelen tot echtparen en samenwonenden niet noodzakelijk was, omdat in het Bln ook op andere punten echtparen niet volledig gelijk worden behandeld als alleenstaanden. Een consequent gelijke behandeling van echtparen met alleenstaanden zou in de visie van het kabinet het best gestalte kunnen krijgen in de Herinrichting ABW. In het ontwerp-besluit tot wijziging van het Bln, dat aan de Raad van State is voorgelegd, werden derhalve alleen de uitkeringen voor alleenstaanden en hoofden van eenoudergezinnen aangepast. De Raad van State acht blijkens zijn advies van 27 november 1990, No.W12.90.0467, het aldus gemaakte onderscheid tussen alleenstaanden en hoofden van eenoudergezinnen enerzijds en echtparen en samenwonende ongehuwden anderzijds, strijdig met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten. Nu de Raad van State tot een gelijkluidend oordeel komt als de commissie voor de Toetsing van wetgevingsprojecten acht het kabinet het noodzakelijk ook de uitkeringen voor echtparen en samenwonende ongehuwden aan te passen. Het kabinet zal dan ook in plaats van het genoemde ontwerp-besluit een nieuw besluit bevorderen waarin ook voor echtparen en ongehuwd samenwonenden waarvan een of elk van de echtgenoten of partners een schoolverlater is, een uitkeringsniveau gaat gelden dat is afgestemd op het niveau van de studiefinanciering. Teneinde deze aanpassing mogelijk te maken dient in de Algemene Bijstandswet het daartoe benodigde wettelijke kader te worden gecreëerd en wel door een wijziging van artikel 1, derde lid, van die wet.

  • Het uitkeringsregime voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar

3.1. Huidige inkomenspositie van studerende en werkloze jongeren De in het Bijstandsbesluit landelijk normering te treffen maatregel beoogt voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar in de bijstand gedurende een half jaar na de beëindiging van het onderwijs een uitkeringsniveau te introduceren dat aansluit op de inkomenspositie tijdens de studie-of onderwijsperiode. Bij beëindiging van de studie vindt er voor de werkloze schoolverlater een overgang plaats van het regime van de studiefinanciering naar dat van de bijstand. De huidige verschillen tussen beide regelingen kunnen voor de betrokkene aanmerkelijke gevolgen hebben voor de inkomenspositie. De bijstandsnormen voor jongeren tot 23 jaar zijn, in aansluiting op het minimumjeugdloon tot 23 jaar. naar leeftijdsjaar gedifferentieerd. Vanaf 23 jaar zijn de bijstandsnormen gekoppeld aan het minimumloon. Daarbij geldt ten aanzien van de onderlinge normverhouding in de bijstand tussen echtparen, eenoudergezinnen en alleenstaanden vanaf 23 jaar de 100:90:70-verhouding. Verder wordt tot 21 jaar onderscheid gemaakt tussen uit-en thuiswonenden en vanaf 21 jaar tussen woningdelers en niet-woningdelers. De WSF-budgetten voor levensonderhoud zijn leeftijdsonafhankelijk. Op grond van de WSF wordt op het normbedrag van een alleenstaande een toeslag verleend ingeval de studerende alleenstaande ouder is met een of meer kinderen onder de 18 jaar, waarvoor recht op kinderbijslag bestaat (eenoudertoeslag). De toeslag is 80 procent van het normbudget voor een uitwonende. Ingeval de betrokkene een partner heeft die een of meer kinderen onder de 12 jaar verzorgt voor wie recht op kinderbijslag bestaat, wordt op het normbedrag een toeslag verleend ter hoogte van de uitwonendennorm. Anders dan in de bijstand wordt ook voor degenen vanaf 21 jaar een onderscheid aangebracht tussen thuis-en uitwonenden. De bijstandsnormen volgen de ontwikkeling van het netto minimum(jeugd)loon. Tot eind 1990 waren de WSF-budgetten voor levensonderhoud, zij het met enige vertraging, gekoppeld aan het normbedrag in de bijstand voor een 18-jarige uitwonende. Zij volgden derhalve eveneens de ontwikkeling van het minimumloon. Voor het jaar 1991 zijn de budgetten voor levensonderhoud gekoppeld aan de prijsontwikkeling (Stb. 1990, 522). Ook voor de jaren na 1991 volgen de niveaus van de studiefinanciering de prijsontwikkeling (Stb. 1991, 284). Vanaf 1 januari 1991 ontvangt de studerende naast de studiefinanciering een reisvoorziening in de vorm van een OV-jaarkaart, waarvan de kosten in mindering zijn gebracht op het maandbudget. Hierbij gaat het om een vervanging van een deel van de studiefinanciering door een vergoeding in natura. Voor een juiste vergelijking tussen beide inkomensregimes dient hiermee rekening te worden gehouden en wel door uit te gaan van het budget voor levensonderhoud zoals dit zou hebben gegolden zonder die reisvoorziening. De studiefinanciering bestaat uit een tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud en een tegemoetkoming in studiekosten. Voor de beoordeling van de onderlinge inkomensposities dient de tegemoetkoming in de directe studiekosten buiten beschouwing te blijven. Hier staan immers uitgaven tegenover die de bijstandontvanger niet heeft. Het budget is opgebouwd uit een basisbeurs, een ouderlijke bijdrage en een lening. Tezamen vormen zij het inkomen waarover een student tijdens de studieperiode kan worden geacht te beschikken. De vorm waarin de studerende de middelen voor het levensonderhoud verkrijgt, is derhalve voor een vergelijking van inkomensposities niet van belang. Uit onderstaande tabel blijkt tot welke verschillende inkomensposities de regimes van de studiefinanciering en de bijstand leiden voor de studerende respectievelijk de schoolverlater. Ter vergelijking is ook een overzicht gegeven van het netto minimumloon dat voor de onderscheiden leeftijdscategorieën geldt. Bij eenoudergezinnen en echtparen is de hoogte van het netto minimumloon afhankelijk van de leeftijd van de betrokkenen. Hieronder is uitgegaan van het netto minimumloon voor een 23-jarige.

Tabel 1 Netto maandinkomens: minimumloon, bijstand en budgetten levensonderhoud studiefinanciering Per 1 januari 1991, inclusief vakantietoeslag. Studiefinanciering zonder verlaging in verband met de reisvoorziening.

huishoudtype leeftijd

alleenstaand 18 jaar

19 jaar

20 jaar

21 jaar

22 jaar

23 jaar en ouder

eenoudergezin

echtpaar

woonsituatie

thuiswonend uitwonend thuiswonend uitwonend thuiswonend uitwonend thuiswonend uitwonend thuiswonend uitwonend thuiswonend uitwonend thuiswonend uitwonend thuiswonend uitwonend minimumloon 815,96 815,96 920,02 920,02 1054,18105 4,18121 9,09 1219,09 1404,39140 4,39160 9,78 1609,78 1718,46 1718,46 1746,21 46,21

bijstandsuitkering 413,88 839,28423,05 845,62 520,99 852,01 860,87 906,76 894,17104 3,20104 0,36121 3,76 1387,15156 0,55 1560,54 1733,94

studiefinanciering 445,47 800,29445,47 800,29445.47 800,29445,47 800,29445,47 800,29445,47 800,29108 5,70 1440,52 1245,76 1 600,58

Zoals uit de tabel blijkt kunnen de uitkeringsniveaus van de bijstand op een aanmerkelijk hoger niveau liggen dan de studiefinancieringsbudgetten. Voor een 23-jarige alleenstaande is de bijstandsuitkering per maand ongeveerf 600 hoger dan de studiefinanciering als de betrokkene bij de ouders woont; als de betrokkene zelfstandig woont ligt het niveau van de bijstand ruim f 400 boven dat van de studiefinanciering. Bij alleenstaande ouders zijn de verschillen ongeveerf 300 respectievelijk f 120 per maand en voor echtparen f 3 1 5 respectievelijk f 130 per maand.

3.2. Voorgestelde uitkeringsniveaus: doelstelling en redengeving Naar het oordeel van het kabinet worden de hierboven aangegeven verschillen in de hoogte van de uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet ten opzichte van het budget voor levensonderhoud op grond van de Wet op de studiefinanciering niet gerechtvaardigd door een verschil in positie tussen beide groepen Op grond van beide regelingen wordt de rechthebbenden van overheidswege een zeker inkomensniveau gegarandeerd. Een verschil in niveau van de op grond van deze regelingen ontvangen uitkeringen dient een weerspiegeling te zijn van het verschil in karakter tussen beide regelingen en dient verklaard te kunnen worden uit een verschil in positie tussen beide groepen. De Algemene Bijstandswet beoogt te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De uitkering wordt daarbij op grond van artikel 1, tweede lid, van de wet afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van de betrokkene. Ook de WSF voorziet, naast een tegemoetkoming in de directe studiekosten, in de kosten van levensonderhoud. De WSF onderscheidt zich daarin van de bijstand dat slechts een gedeelte van de budgetten voor levensonderhoud en studie a fonds perdu wordt verstrekt en dat het overige moet worden gefinancierd uit een ouderlijke bijdrage en/of een lening. Dit laatste is terug te voeren op het feit dat studeren, anders dan bij het aangewezen zijn op bijstand, een bewuste keuze is die ook kan worden beschouwd als een investering in de toekomst van de betrokkene. Het verschil in financiering neemt niet weg dat, zoals hiervoor reeds aangegeven, de betrokkene tijdens de studieperiode feitelijk over een inkomen gelijk aan dit budget kan worden geacht te beschikken. Het op grond van de Wet op de studiefinanciering geldende budget voor levensonderhoud is toereikend voor de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud voor een studerende. Dit niveau is ontleend aan de bijstandsnorm voor een 18-jarige. Een afwijkende bijstandsuitkering voor degene die de studie heeft beëindigd zou alleen kunnen worden gemotiveerd vanuit een zodanig verschil in beoordeling van de omstandigheden en mogelijkheden van de schoolverlater ten opzichte van de studerende dat de noodzakelijke kosten voor hen op een ander niveau dienen te worden gesteld dan hetgeen in het kader van de Wet op de studiefinanciering als noodzakelijke bestaanskosten geldt. Naar het oordeel van het kabinet leidt het loutere feit van beëindiging van de studie niet tot een zodanige wijziging in de omstandigheden van de betrokkene dat diens noodzakelijke bestaanskosten daardoor op een ander niveau liggen dan ten tijde van de opleiding of studie. Gedurende deen zekere overgangsperiode is de positie van schoolverlaters in maatschappelijk opzicht vergelijkbaar met die van studerenden. Het bestedingsniveau van studerenden wordt maatschappelijk ook gedurende een zekere periode daarna geaccepteerd. Het is inherent aan het hebben gevolgd van scholing of opleiding dat een zekere periode verstrijkt voordat aan het arbeidsproces kan worden deelgenomen. Gedurende deze periode is de positie van de schoolverlater niet vergelijkbaar met die van een werkloze die een plaats op de arbeidsmarkt heeft verloren. Cijfers wijzen uit dat thans ongeveer 65 procent van alle schoolverlaters binnen 6 maanden een baan vindt. Dit geldt zeker voor de doorgaans hoger gekwalificeerden in de leeftijdscategorie van 21 tot 27 jaar. Ruim 90 procent van de schoolverlaters is binnen het jaar niet meer werkloos (Schoolverlatersbrief 1990). Naarmate de werkloosheid langer duurt, kan deze in mindere mate als een onvermijdelijk uitvloeisel van de studieperiode worden beschouwd. De schoolverlater komt dan meer in dezelfde maatschappelijke positie te verkeren als andere werklozen. Voor het maatschappelijk functioneren van de betrokkene dient het uitkeringsniveau vanaf dat moment ook gelijk te zijn aan het algemeen geldende bijstandsniveau. Gezien de hiervoor genoemde cijfers over de arbeidsmarktpositie van schoolverlaters, acht het kabinet het reëel om het uitkeringsniveau voor schoolverlaters te laten gelden gedurende een periode van een half jaar na de beëindiging van de scholing of opleiding. Vanuit vergelijkbare overwegingen krijgt ook in het kader van de JWG de jongere gedurende een periode van een half jaar de gelegenheid op eigen kracht naar werk te zoeken, en geldt in de Rww voor 18-tot 21-jarige schoolverlaters een wachttijd van een half jaar. De omstandigheden en mogelijkheden van schoolverlaters zijn naar het oordeel van het kabinet derhalve gedurende deze periode van een half jaar zodanig vergelijkbaar met die van studerenden, dat voor hen de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op hetzelfde niveau dienen te worden gesteld als voor hen tijdens de studieperiode op grond van de Wet op de studiefinanciering is gegarandeerd.

De bijstand beoogt nadrukkelijk een welvaartsminimum te garanderen. De bijstandsnormen volgen dan ook de ontwikkeling van het minimumloon. Zoals vermeld volgen voor het jaar 1991 de budgetten voor levensonderhoud op grond van de Wet op de studiefinanciering de prijsontwikkeling en wordt ook voor de jaren na 1991 een prijskoppeling voorgesteld. Naar het oordeel van het kabinet laat dit verschil tussen de beide regelingen het uitgangspunt onverlet dat voor een schoolverlater de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op hetzelfde niveau liggen als voor een studerende. Een volledige gelijkschakeling van beide bedragen zou betekenen dat voor de betreffende bijstandsuitkeringen een indexeringsmechanisme wordt geïntroduceerd dat niet in overeenstemming is met het karakter van de Algemene Bijstandswet. Door de normbedragen voor schoolverlaters af te leiden van de bijstandsnorm voor een 18-jarige alleenstaande wordt zowel een aansluiting bij de studiefinanciering bereikt als een welvaartsafhankelijke ontwikkeling van die normen.

3.3. Uitkeringsniveau voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar Voor de onderscheiden categorieën is het kabinet voornemens deze aansluiting bij het bijstandsniveau voor een 18-jarige alleenstaande als volgt te concretiseren.

Alleenstaanden Voor een binnen de bijstandssystematiek passend normbedrag voor schoolverlaters dient in de opvatting van het kabinet aansluiting te worden gezocht met de huidige bijstandsnorm voor een uitwonende alleenstaande van 18 jaar. Dit is immers ook het normbedrag waaraan de budgetten voor levensonderhoud bij de invoering van de Wet op de studiefinanciering zijn ontleend. Het kabinet stelt dan ook voor om het normbedrag voor de uitwonende alleenstaande schoolverlater gelijk te stellen aan dat voor 18-jarige uitwonende alleenstaanden in de bijstand, dat wil zeggen op f 839,28 per maand (met inbegrip van de aanspraak op vakantietoeslag). Voor de thuiswonende alleenstaande schoolverlater wordt het normbedrag hiervan afgeleid in dezelfde verhouding die in de studiefinanciering hierbij wordt gehanteerd. Dat betekent een bedrag van f 467,17 per maand.

Eenoudergezinnen De normbedragen voor eenoudergezinnen waarvan het hoofd een schoolverlater is, stelt het kabinet voor eveneens volgens de systematiek van de studiefinanciering af te leiden van de normbedragen die voor alleenstaande schoolverlaters gelden. Dat wil zeggen dat de normbedragen voor alleenstaande schoolverlaters worden verhoogd met f 671,42 per maand, zijnde 80 procent van het normbedrag dat voor een alleenstaande schoolverlater geldt. Naar het oordeel van het kabinet past deze benadering ook in de wijze waarop thans voor alleenstaanden van 23 jaar of ouder in verband met de aanwezigheid van kinderen verhoogd wordt. Bij hen is de verhoging 20 procent van het netto minimumloon, is f 346,79 per maand. In de huidige systematiek leidt voor jongere alleenstaanden de aanwezigheid van kinderen tot een sterkere verhoging. Zo ligt voor een alleenstaande van 21 jaar met kinderen de bijstandsuitkering f 653,79 per maand hoger dan voor een alleenstaande van dezelfde leeftijd zonder kinderen. Dit verschil is gerechtvaardigd omdat de lagere alleenstaandennorm minder mogelijkheden biedt om deels zelf te voorzien in de extra kosten die zijn verbonden aan de aanwezigheid van een of meer kinderen. De hier voorgestelde norm voor alleenstaande ouders doet daarom zowel recht aan de uitgangspunten van de bijstand als aan de aansluiting van de bijstandsuitkeringen voor schoolverlaters op de studiefinanciering. Ook voor de thuiswonende alleenstaande ouders die schoolverlater zijn, is de betreffende studiefinancieringsnorm toereikend voor de bestaansvoorziening. De mate waarin voor hen, gelet op deze woonsituatie, de noodzakelijke bestaanskosten lager liggen dan voor een uitwonende, is dezelfde als voor alleenstaanden zonder kinderen. Door ook voor hen de bijstandsnorm te verhogen met f 671,42 per maand als er kinderen aanwezig zijn, wordt derhalve een evenwichtige invulling van de noodzakelijke bestaanskosten bereikt. Voor de genoemde categorieën

alleenstaande ouders komen de normbedragen derhalve uit op f 1510,70 respectievelijkf 1138,59.

Echtparen en ongehuwd samenwonenden Om te bereiken dat voor echtparen en ongehuwd samenwonenden op gelijke wijze als voor alleenstaanden rekening wordt gehouden met het al dan niet worden aangemerkt als een schoolverlater, stelt het kabinet voor om de bijstandsnorm voor hen mede af te stemmen op de norm die voor de betrokkenen zou hebben gegolden als deze alleenstaand waren. Voor een gehuwde zijn de noodzakelijke bestaanskosten algemeen gesteld op de helft van het netto minimumloon., is f 866,97 per maand. Voor alleenstaande schoolverlaters worden, alhoewel bij hen de schaalvoordelen ontbreken die verbonden zijn aan het voeren van een gezamenlijke huishouding, de noodzakelijke bestaanskosten lager gesteld. Gegeven deze normering voor alleenstaanden, wordt voor gehuwden en samenwonenden in ieder geval in de noodzakelijke bestaanskosten voorzien door in zo'n geval voor de betreffende echtgenoot of partner van dat lagere normbedrag voor een alleenstaande uit te gaan. Dat geldt ook als zij bij de ouders van een van hen inwonen. De voordelen die daaraan voor alleenstaanden, al dan niet met kinderen, zijn verbonden, gelden onverkort voor gehuwden of samenwonenden in dergelijke omstandigheden. Indien beiden schoolverlater zijn, wordt de norm derhalve gesteld op f 1306,45 per maand als zij bij de ouders van een van hen wonen en op f 1678,56 per maand in overige situaties. Als slechts een van hen een schoolverlater is en zij zelfstandig wonen, bedraagt de uitkering de som van f 839,28 voor degene die schoolverlater is en f 866,97 voor de ander, in totaal f 1706,25. Deze afwijkende norm maakt een wijziging van artikel 1, derde lid, van de Algemene Bijstandswet nodig, waarin de netto gelijkheid tussen de echtparennorm en het minimumloon is vastgelegd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt daartoe. In het ontwerp-besluit zoals het kabinet deze thans, naar aanleiding van het hiervoor genoemde advies van de Raad van State, voorneemt aanhangig te maken en dat, overeenkomstig artikel 11 van de Algemene Bijstandswet, in de Staatscourant zal worden gepubliceerd, wordt een nadere uitwerking van deze maatregel gegeven.

  • Het uitkeringsregime voor personen jonger dan 21 jaar

4.1. Alleenstaanden

Beperking van het recht op de uitwonendennorm Naast een nieuw uitkeringsniveau voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar neemt het kabinet voor voor personen van 18 tot 21 jaar nadere voorwaarden te verbinden aan de verlening van een bijstandsnorm die is afgestemd op de noodzakelijke bestaanskosten verbonden aan het voeren van een eigen huishouding. De handelingsbekwaamheid van de jongvolwassenen vanaf 18 jaar leidt naar het oordeel van het kabinet niet zonder meer tot een rechtsplicht van de overheid tot bijstandsverlening, wanneer de jongvolwassene zelf voor een bepaalde woonsituatie kiest. Een beroep op de ouders gaat dan voor. Tot aan de leeftijd van 21 jaar geldt immers, ook bij meerderjarigen, op grond van het nieuwe artikel 395a, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de financiële verantwoordelijkheid van de ouders. Op grond van de huidige bepalingen in het Bln komt iedere jongvolwassene die zelfstandig woont in aanmerking voor de uitwonendennorm. Daarbij is de eigen keuze van de betrokkene doorslaggevend, ook als de noodzaak tot zelfstandige huisvesting ontbreekt. Het kabinet acht een meer stringente invulling van de voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten voor de 18-tot 21-jarigen gerechtvaardigd, door de hogere uitkering voor uitwonenden slechts te verlenen in specifieke situaties waarin een beroep op de ouders mogelijk of niet billijk is. Bij de leeftijdsgroep van 18 tot en met 20 jaar wordt in het kader van de ABW het toekennen van de uitwonendennorm voor alleenstaanden beperkt tot de situatie waarin jongvolwassenen op verblijf buiten het ouderlijk huis zijn aangewezen. De noodzaak tot zelfstandige huisvesting is aanwezig, als de ouder of de ouders zijn overleden of buiten Nederland wonen. Ook ingeval een jongere in het kader van de jeugdhulpverlening buiten het gezinsverband van de ouder of de ouders is geplaatst, is de noodzaak tot zelfstandige huisvesting gebleken. Bovendien kan de situatie, waarin een alleenstaande op de ingangsdatum van de bijstandsuitkering al tenminste een jaar buiten het gezinsverband van zijn ouder of ouders heeft gewoond, worden gecontinueerd door afstemming van de bijstandsverlening op die bestendige situatie. Deze maatregel heeft voor de 18-tot 21-jarige werkloze schoolverlaters slechts betekenis indien zij na de wachttijd bijstandsafhankelijk zijn. Voor hen geldt thans een wachttijd van een half jaar voordat men voor een bijstandsuitkering in aanmerking komt. Zij komen daarna direct in aanmerking voor een plaats in het kader van de JWG. Voor degenen onder hen die kansrijk worden geacht voor inschakeling in de arbeid, wordt zo'n aanbod na een half jaar gedaan. Voor de laatstgenoemde groep schoolverlaters is deze maatregel derhalve van betekenis gedurende deze beperkte periode van een half jaar voorafgaand aan de JWG. Voor werkloze niet-schoolverlaters onder de 21 jaar bestaat geen wachttijd. Indien zij op een bijstandsuitkering zijn aangewezen, is de beperking van het recht op de uitwonendennorm ook gedurende deze periode van betekenis. Door de geraadpleegde adviesorganen wordt de uitwonendenmaatregel in meerderheid afgewezen. Dit standpunt wordt ingenomen door een meerderheid van de Commissie Sociale Voorzieningen van de SER, de Raad voor het Jeugdbeleid en de Emancipatieraad. Een minderheid van de SER is voorstander van deze wijziging. In het merendeel van de adviezen, waaronder begrepen het meerderheidsstandpunt van de SER, wordt naar voren gebracht dat de maatregel materieel onverenigbaar is met de verlaging van de meerderjarigheidsleeftijd naar 18 jaar en bovendien de keuzevrijheid om zelfstandig te wonen ernstig beknot. Het kabinet deelt deze visie niet. Uiteraard is de jongere vrij in zijn keuze zelfstandig te wonen. Gelet op de bestaande wettelijke ouderlijke onderhoudsplicht voor 18-tot 21-jarigen, wordt hieraan echter niet langer zonder meer het recht op een hogere uitkering verbonden. Ook de vrees voor een toename van de fraudegevoeligheid van de ABW als gevolg van een verfijning van regelgeving acht het kabinet ongegrond. De uitwonendenmaatregel behelst feitelijk een enkele bepaling waarin duidelijk is aangegeven in welke objectieve gevallen recht bestaat op de hogere uitwonendennorm en in welke andere gevallen de lagere norm van toepassing is. Hiermee worden niet bedoelde gedragsreacties om aanspraak te kunnen maken op een uitwonendennorm geminimaliseerd. Met het oog op de economische zelfstandigheid van meisjes en de zorgzelfstandigheid van jongens wordt de uitwonendenmaatregel door de Emancipatieraad afgewezen. Wel merkt de Raad op dat de koppeling aan de sluitende aanpak het probleem vermindert. Naar het oordeel van het kabinet ligt het primaat van het verwerven van economische zelfstandigheid in het verkrijgen van inkomsten via het verrichten van betaald werk door de jongeren zelf. De JWG vormt daarbij een onmisbaar instrument om deze economische zelfstandigheid te realiseren. Juist de leeftijdscategorie tot 21 jaar komt in de JWG-aanpak het eerst aan bod.

De verplichting van overheidswege om de jongeren werk aan te bieden rechtvaardigt naar de mening van het kabinet om, meer dan tot dusverre, de ouderlijke onderhoudsplicht te benadrukken jegens de jongvolwassene die nog niet door werk in zijn bestaan kan voorzien en daardoor op bijstand is aangewezen.

Uitkeringsniveau Als gevolg van de ontwikkeling van de minimumjeugdlonen in combinatie met de voor de betreffende bijstandsnormen geldende zogenaamde «vloerbedragen» is er in de bijstandsnormen voor alleenstaanden jonger dan 21 jaar een differentiatie gegroeid die grotendeels geen wezenlijke betekenis meer heeft. Uit de hieronder staande tabel blijkt dat voor de uitwonende alleenstaanden er slechts een verschil van f 13 per maand bestaat tussen de norm voor een 18-jarige en een 20-jarige. Voor 18-, 19-en 20-jarige alleenstaande woningdelers zijn de uitkeringsbedragen alle dezelfde. Alleen bij thuiswonenden is er een duidelijk verschil, namelijk van ongeveer f 100 gulden tussen de normen voor enerzijds de 18-en 19-jarigen en anderzijds de 20-jarigen. Mede met het oog op de vereenvoudiging die daarmee kan worden bereikt, stelt het kabinet voor bij deze groepen geen leeftijdsdifferentiatie meer te hanteren. Voor de uitwonenden worden de uitkeringsniveaus dan geharmoniseerd op het niveau voor een 18-jarige uitwonende. Voor de thuiswonenden kan de norm op dezelfde wijze worden afgeleid van de uitwonendennorm als dat bij schoolverlaters vanaf 21 jaar het geval is. Voor de uitwonende schoolverlaters is de norm immers ook gelijk aan die voor een 18-jarige uitwonende. Met een dergelijke normstelling, waarbij voor de alleenstaanden jonger dan 21 jaar dezelfde normen gelden als voor schoolverlaters vanaf 21 jaar, wordt tevens een doorzichtiger uitkeringssystematiek bereikt Een en ander komt neer op een bijstandsnorm van f 839,28 voor alleenstaanden die in aanmerking komen voor de uitwonendennorm en van f 467,17 voor degenen voor wie de lagere thuiswonendennorm geldt.

Tabel 2 Netto maandinkomens: huidige bijstandsnormen voor personen van 18, 19 of 20 jaar. Per 1 januari 1991, inclusief vakantietoeslag.

huishoudtype leeftijd

alleenstaand 18 jaar 19 jaar 20 jaar eenouder gezin echtpaar

thuisinwonend

413.88 423,05 520,99 1387.15156 0.54

woningdeler 839,28845,62 852,01 1387,15 1 560,54

alleenwonend 839.28845,62 852,01 1560,55 1733,94

4.2. Beperking van het recht op de uitwonendennorm voor echtparen en ongehuwd samenwonenden Evenals in de uitkeringsstructuur voor schoolverlaters, neemt het kabinet voor ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp-besluit een wijziging aan te brengen, die erin voorziet dat de beperking van het recht op de uitwonendennorm niet alleen betrekking heeft op alleenstaanden, maar ook op echtparen en samenwonende ongehuwden. De beperking van het recht op de uitwonendennorm zou, zonder nadere aanpassingen, met zich meebrengen dat de som van de uitkeringen die voor twee alleenstaanden zou gelden lager kan zijn dan het uitkeringsbedrag voor een echtpaar. In het advies van de Raad van State van 16 mei 1988 (No. W12.88.0096) over de eerder voorgenomen wijziging van het Bln die in deze beperking van het recht op de uitwonen-

dennorm voorzag, vroeg de Raad aandacht voor de mogelijke consequenties daarvan. Naar het oordeel van de Raad zou dit effect tot een eventuele nieuwe vorm van niet bedoelde toepassing van de regeling kunnen leiden door bij samenwoning behandeling als economische eenheid te vragen, dat wil zeggen een positief beroep te doen op artikel 5a van de ABW. Langs deze weg zouden twee samenwonende jongeren ieder een uitkering van 50 procent van de gezinsnorm kunnen verkrijgen. Het kabinet acht het inderdaad niet juist dat waar voor de betrokkene als een alleenstaande een lagere uitkering toereikend wordt geacht om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien, voor deze als gehuwde of samenwonende de noodzakelijke bestaanskosten op f 867, zijnde de helft van de norm die voor een echtpaar geldt, zouden worden gesteld. Om dit verschil in behandeling tussen alleenstaanden en gehuwden of samenwonenden te voorkomen, wordt als voor een of elk van hen als alleenstaande een lagere norm zou hebben gegolden dan f 867 van die lagere alleenstaandennorm uitgegaan. Deze benadering houdt in beginsel in dat voor een echtgenoot of partner jonger dan 21 jaar tevens dient te worden nagegaan of deze als alleenstaande in aanmerking zou zijn gekomen voor de uitwonendennorm. Een dergelijke handelwijze zou er echter toe kunnen leiden dat voor beide echtgenoten of partners wordt uitgegaan van eon thuiswonendennorm. In de situatie van gehuwden is voor ten minste een van hen het uitwonen noodzakelijk, wil van samenwoning sprake kunnen zijn. Om in de daaraan verbonden noodzakelijke bestaanskosten te voorzien, kan derhalve slechts bij een van de gehuwden een thuiswonendennorm worden toegepast. Gelet op de gelijkstelling tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden in de sociale zekerheid, dient dit ook voor ongehuwd samenwonenden te gelden. Naar de opvatting van het kabinet wordt op deze wijze recht gedaan aan zowel het beginsel van gelijke behandeling van echtparen ten opzichte van alleenstaanden als aan het uitgangspunt van de Algemene Bijstandswet dat de bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden van persoon en gezin. Door ten aanzien van ten minste een van de echtgenoten of partners de uitwonendennorm te hanteren, worden zij immers financieel in staat gesteld een gezamenlijke huishouding te voeren. Door, in het geval dat een van de echtgenoten of partners jonger dan 21 jaar niet voldoet aan de voorwaarden verbonden aan de toekenning van de uitwonendennorm, van de lagere thuiswonendennorm uit te gaan, zijn de gevolgen daarvan voor gehuwden en samenwonenden dezelfde als die voor alleenstaanden. Als de gehuwden of samenwonenden de zorg voor een of meer kinderen hebben, acht het kabinet het echter juist om geen voorwaarden te stellen aan de toekenning van de uitwonenden voor de gehuwden. Ook voor de alleenstaanden met een of meer kinderen worden immers geen voorwaarden verbonden aan de toekenning van de uitwonendennorm. Alleen als zij feitelijk bij de ouders van de echtgenoot of partner jonger dan 21 jaar inwonen, wordt derhalve voor de vaststelling van de bijstandsnorm voor de betrokkene uitgegaan van de thuisinwonendennorm. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet ook in een wettelijk kader om ten aanzien van de echtparen waarvan een of elk van de echtgenoten jonger dan 21 jaar is, af te wijken van de netto gelijkheid van de bijstandsuitkering aan het minimumloon.

4.3. Uitkeringsniveau voor eenoudergezinnen Ook voor de eenoudergezinnen waarvan het hoofd jonger dan 21 jaar is, acht het kabinet het gewenst de uitkeringssystematiek aan te passen.

Reden hiervoor is allereerst dat bij alleenstaanden jonger dan 21 jaar thans reeds een onderscheid wordt gemaakt tussen thuisinwonenden en uitwonenden. Voor gehuwden of samenwonenden waarvan een of beide echtgenoten jonger dan 21 jaar is, neemt het kabinet voor een onderscheid in normstelling te hanteren, alnaargelang voor een of beiden van hen als alleenstaande de thuisinwonendennorm zou gelden. Voor alleenstaande ouders bestaat in de huidige uitkeringssystematiek niet zo'n differentiatie. Ingeval het eenoudergezin bij de ouders inwoont, geldt de 90-procentsnorm verminderd met de woningdelersaftrek. Aangezien de ouderlijke onderhoudsplicht, die de grond vormt voor de thuisinwonendennorm bij alleenstaanden, ook geldt als het betrokken kind zelf de zorg heeft voor een of meer kinderen, is dit een verschil in behandeling tussen alleenstaanden en alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar die geen rechtvaardiging vindt in een verschil in noodzakelijke bestaanskosten. Door de uitkeringssystematiek voor schoolverlaters ook te hanteren voor alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar die geen schoolverlater zijn, wordt ook op dit punt een gelijke behandeling tussen alleenstaanden en alleenstaande ouders bereikt. Evenmin als bij echtparen met een of meer kinderen waarvan een of beide echtgenoten jonger dan 21 jaar is, acht het kabinet het billijk om bij alleenstaande ouders nadere voorwaarden te verbinden aan het recht op de uitwonendennorm. De aanwezigheid van kinderen rechtvaardigt de wens om een zelfstandige huishouding te voeren. Het onderscheid tussen een thuis-of uitwonendennorm dient derhalve afhankelijk te zijn van de feitelijke woonsituatie. De voorgenomen normsystematiek voor schoolverlaters laat een dergelijke benadering ook in de rede liggen. Voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar is de alleenstaande oudernorm f 671 per maand hoger dan de alleenstaandennorm. Het kabinet stelt voor om voor de alleenstaanden jonger dan 21 dezelfde normen te hanteren als voor alleenstaande schoolverlaters van 21 tot 27 jaar. Voor de alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar wordt dan een juiste invulling van de noodzakelijke bestaanskosten bereikt door de bijstandsnorm dezelfde te laten zijn als die voor een alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar die een schoolverlater is. Bovendien wordt met deze systematiek voorkomen dat voor alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar die een schoolverlater zijn, een hoger normbedrag zou gelden dan voor alleenstaande ouders vanaf 21 jaar die een schoolverlater zijn. Voor alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar geldt immers doorgaans dat zij niet de wachttijd van een half jaar op grond van de Rww behoeven te doorlopen, gedurende welke voor personen jonger dan 21 jaar nog geen uitkeringsrecht op grond van de Rww bestaat. Van hen kan vanwege de zorg voor jonge kinderen over het algemeen immers geen inschakeling in de arbeid worden verlangd. Zou voor hen gedurende deze periode het algemeen geldende normbedrag voor eenoudergezinnen van toepassing zijn, dan zouden zij in overigens vergelijkbare omstandigheden in een gunstiger inkomenspositie komen te verkeren dan een alleenstaande ouder vanaf 21 jaar die een schoolverlater is. In het nieuwe ontwerp-besluit dat het kabinet voornemens is te treffen wordt een nadere uitwerking ten aanzien van bovengenoemde aspecten gegeven.

  • Overige aspecten

In de nota van toelichting op het voorgenomen ontwerp-besluit zal aandacht worden besteed aan de financiële effecten van de voorgenomen uitkeringsmaatregelen, op de betekenis van de maatregel voor vrouwen, de informatievoorziening en de noodzaak van regelgeving.

ARTIKELEN

Artikel I In het artikel 1, derde lid, is vanaf 1 januari 1980 vastgelegd dat de bijstandsnorm voor een echtpaar gelijk is aan het netto minimumloon. Van deze netto/nettokoppeling wordt met deze wetswijziging slechts afgeweken voor de categorieën echtparen en ongehuwd samenwonenden op wie de voorgenomen aanpassingen in het Bijstandsbesluit landelijke normering betrekking hebben, nameüjk de echtparen waarvan een of elk van de echtgenoten jonger dan 21 jaar is of waarvan een of elk van de echtgenoten jonger dan 27 jaar is en korter dan een half jaar geleden het onderwijs heeft beëindigd. De afwijkingsmogelijkheid is nadrukkelijk tot deze categorieën beperkt en strekt ertoe om in het kader van de voorgenomen uitkeringssystematiek voor jongeren tot een evenwichtige verhouding te komen in de normstelling voor alleenstaande en gehuwde of samenwonende jongeren. Het algemene uitgangspunt van de netto gelijkheid van het sociaal minimum aan het minimumloon blijft derhalve onverkort van toepassing.

Artikel II De uitkeringsniveaus op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW, Stb. 1987, 92) sluiten aan op die van de Algemene Bijstandswet. Gelet op de toegangsvoorwaarden is er geen aanleiding om bij de IOAW aparte uitkeringsniveaus te onderscheiden voor schoolverlaters. Met uitzondering van de in omvang zeer beperkte groep van vroeggehandicapten gaat het in de IOAW immers om personen die altijd een zeker arbeidsverleden hebben. De wijzigingen die in de bijstand worden voorgesteld voor degenen jonger dan 21 jaar dienen -gelet op het genoemde uitgangspunt -wel door te werken in de IOAW. Het gaat hierbij om een voor deze leeftijdsgroep algemeen geldend uitkeringsniveau in de bijstand waarmee voor deze categorie het sociaal minimum opnieuw is gedefinieerd. Dat geldt niet alleen voor de voorgenomen harmonisatie van het uitkeringsniveau voor alleenstaanden onder de 21 jaar, maar ook voor het nadere onderscheid bij echtparen en hoofden van eenoudergezinnen tussen thuis-en uitwonenden. De overwegingen die daarbij ten aanzien van de bijstand een rol spelen, gelden immers in gelijke mate voor de IOAW. De doorwerking van de voorgestelde maatregelen ten aanzien van de bijstandsontvangers jonger dan 21 jaar, betreft alleen de hoogte van de lOAW-uitkering. Het verbinden van voorwaarden aan toekenning van een uitkering voor uitwonenden, zoals in de bijstand wordt voorgenomen, acht het kabinet niet in overeenstemming met het karakter van de !OAW, namelijk een inkomensvoorziening voor werkloze werknemers. Onderdeel A houdt verband met de opname van een aparte grondslag voor een thuisinwonende alleenstaande ouder. Het begrip «thuisinwonende werkloze werknemer» is nu beperkt tot de alleenstaanden jonger dan 21 jaar zonder kinderen. Met deze wijziging wordt het begrip ook van toepassing op een alleenstaande jonger dan 21 jaar met een of meer kinderen die op het adres van de ouder of ouders woont. Met de in onderdeel B opgenomen wijzigingen wordt bewerkstelligd dat de grondslagen in de IOAW voor personen jonger dan 21 jaar in overeenstemming worden gebracht met de uitkeringsniveaus die in de bijstand gaan gelden. De indeling van artikel 4, waarin wordt aangegeven welke grondslagen daarbij voor de onderscheiden categorieën gelden, wordt daartoe aangepast. In het derde lid worden de grondslagen genoemd die gelden voor personen van 21 jaar of ouder. Het vierde en vijfde lid hebben betrekking op personen jonger dan 21 jaar.

Voor de alleenstaanden van 21 jaar of ouder blijven de uitkeringsbedragen ongewijzigd. Voor hen dient, door de wijzigingen die daarin worden aangebracht, de verwijziging naarhet Bln te worden aangepast. De verwijzing naar de uitkeringsbedragen op grond van het Bln voor de alleenstaande en de thuisinwonende werkloze werknemers jonger dan 21 jaar draagt ervoor zorg dat voor hen grondslagen gaan gelden die overeenkomen met de nieuwe uitkeringsbedragen in de bijstand. Voor een werkloze werknemer met een echtgenoot geldt daarbij dezelfde handelwijze als in de bijstand ten aanzien van echtparen. Deze houdt in dat de grondslag wordt vastgesteld door een samentelling van de grondslagen die voor elk van hen als een alleenstaande of thuisinwonende werkloze werknemer zou gelden, voor zover deze minder is dan de helft van de grondslag die algemeen voor een echtpaar geldt. In het nieuwe vierde lid van artikel 4 wordt deze berekeningsregel gegeven. Bij werkloze werknemers met een of meer kinderen jonger dan 21 jaar wordt een nader onderscheid aangebracht tussen grondslagen voor degenen die op het adres van de ouders wonen en voor degenen die zelfstandig wonen. Deze zijn opgenomen in het nieuwe vijfde lid, onderdelen a en b. In de onderdelen c en d van dit artikellid worden de grondslagen opgenomen voor de alleenstaande en de thuisinwonende werkloze werknemers zonder kinderen. De in onderdeel C van dit artikel opgenomen wijziging draagt er zorg voor dat ook de vrijlatingsbedragen over het algemeen de systematiek van de Algemene Bijstandswet blijven volgen. Omdat in de IOAW geen nadere voorwaarden worden verbonden aan toekenning van de uitkering voor uitwonenden, is er echter geen reden om tot een hogere vrijlating over te gaan. De wijzigingen in dit onderdeel dragen ervoor zorg dat ook bij de echtparen, evenals in de bijstand, het vrij te laten bedrag afhankelijk wordt gesteld van de bedragen tot waar voor elk van hen als een alleenstaande het arbeidsinkomen buiten beschouwing zou zijn gelaten en dat het bedrag tot waar voor een alleenstaande van 19 jaar de arbeidsinkomsten ten hoogste buiten beschouwing worden gelaten, ongewijzigd blijft. De aan de IOAW verwante Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stb. 1987, 281; IOAZ) kent geen onderscheid tussen grondslagen voor thuisinwonenden en zelfstandig wonenden, aangezien daarin voor alleenstaanden geen leeftijdsafhankelijke grondslagen gelden. Bovengenoemde wijzigingen zijn derhalve voor de IOAZ niet nodig.

Artikel III Voor bepaalde categorieën lOAW-ontvangers jonger dan 21 jaar kunnen de wijzigingen in de uitkeringssystematiek van die regeling een inkomensachteruitgang met zich brengen. Vooral voor echtparen en alleenstaande ouders die thuisinwonend zijn gaat het hierbij om een aanzienlijk inkomensteruggang. Voor de alleenstaanden en thuisinwonenden van 18 en 19 jaar zijn de wijzigingen van geen of slechts geringe betekenis. Voor de thuisinwonende en alleenstaande werkloze werknemers van 20 jaar is er daarentegen wel weer sprake van een duidelijke inkomensachteruitgang. Met de overgangsbepaling van artikel IV wordt bereikt dat voor de genoemde categorieën de grondslag op het oude niveau wordt gehandhaafd. Voor echtparen en alleenstaande ouders wordt dit bereikt door de algemeen geldende grondslagen te blijven hanteren. Voor de 20-jarige alleenstaanden zonder kinderen en thuisinwonenden blijft de thans geldende grondslag van toepassing. Deze overgangsbepaling geldt niet alleen voor degenen die op de peildatum van de dag voor inwerkingtreding van dit besluit uitkering ontvingen, maar ook voor hen die in de periode van een half jaar voor de peildatum gedurende enige tijd uitkeringsafhankelijk waren. Hen niet in

aanmerking laten komen voor het overgangsrecht zou ontmoedigend uitwerken op het aanvaarden van arbeid. De overgangsbepaling is om dezelfde reden eveneens van toepassing op degenen die voor de peildatum uitwonend waren en na deze dag arbeid hebben aanvaard. Als zij binnen een periode van een half jaar opnieuw uitkering ontvangen, komen zij in beginsel eveneens in aanmerking voor de overgangsbepaling. Omdat het hier om een noodzakelijkerwijs in de tijd begrensde situatie gaat, worden er geen termijnen gesteld voor de toepassing van de overgangsbepalingen. Met het tweede lid wordt bereikt dat de apart genoemde grondslag die voor de 20-jarige alleenstaande en thuisinwonende als overgangsmaatregel wordt gehanteerd, wordt aangepast aan wijzigingen van het netto minimumloon en minimumjeugdloon die optreden na 1 januari 1991.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.