Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 8

1 Samenstelling Leden: Spieker (PvdA), Moor (PvdA), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Van Houwelingen (CDA), Schutte (GPV), Groenman (D66), Wolters (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Linschoten (VVD), Kamp (VVD), Leijnse (PvdA), Brouwer (Groen Links), Janmaat (Centrumdemocraten), Doelman-Pel (CDA), voorzitter, G.H. Terpstra (CDA), De Leeuw (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), Schoots (PvdA), Beijlen-Geerts (PvdA), Schimmel (D66), Huibers (CDA), Middel (PvdA). Plv leden: Van Gelder (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Quint-Maagdenberg (PvdA), Reitsma (CDA), Van der Vlies (SGP), Versnel-Schmitz (D66), Paulis (CDA), Melkert (PvdA), Dijkstal VVD, De Korte (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Rosenmöller (Groen Links), Willems (Groen Links), G. de Jong (CDA), Tuinstra (CDA), Bijleveld-Schouten (CDA), De Kok (CDA), Van Zijl (PvdA), Melkert (PvdA), Leerling (RPF), Kohnstamm (D66), Vreugdenhil (CDA), Witteveen Hevinga (PvdA).

EINDVERSLAG Vastgesteld 10 juni 1991

Na kennisneming van de memorie van antwoord en de nota van wijziging zijn in de vaste Commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid' nog vele vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Indien de regering deze tijdig zal hebben beantwoord, acht de vaste Commissie de openbare beraadslaging genoegzaam voorbereid.

  • Algemeen

z 7 Inleiding

De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennisgenomen van de memorie van antwoord. De steeds terugkerende discussie over het al dan niet toepassen van de wet vóórdat de parlementaire behandeling is afgerond, achtten deze leden onjuist. Indien de regering voor 1992 gebruik zou willen maken van bepalingen in dit wetsvoorstel, is voorzien in een procedure via de SER. Het leek deze leden gewenst die procedure normaal te doorlopen. De leden van de CDA-fractie konden overigens instemmen met de nota van wijziging.

Ook de leden van de PvdA-fractie hadden met belangstelling kennisgenomen van de memorie van antwoord. Zij zagen daarin de bevestiging dat ook naar het oordeel van de regering alle burgers dienen te delen in de algehele welvaartsontwikkeling en dat ook het meest rechtszekerheid biedende instrument daartoe het voorliggende wetsvoorstel is. Tevens, als logisch uitvloeisel daarvan, dat koppelen hoofdregel zal zijn en afwijken uitzondering. Deze leden waren het met deze uitgangspunten eens. Evenzeer deelden deze leden met de regering de opvatting dat, indien op grond van de afwijkingsbepalingen afgeweken moet worden van de hoofdregel, het beginsei van gelijk delen in de welvaartsontwikkeling onverkort van kracht blijft.

De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling en overigens zonder veel verbazing kennisgenomen van de memorie van antwoord. Zij spraken er wel hun teleurstelling over uit dat de regering er niet in is geslaagd vóórdat de vaste Commissie eindverslag uitbrengt en reactie te 11355 7FISSN0921737 ISDU uitgeverij '

s Gravenhage 1991

geven op het rapport van de WRR, «Een werkend perspectief». Verheugd waren zij er overigens wel over dat die reactie beschikbaar is tijdens de openbare beraadslaging over het wetsvoorstel.

De leden van de fractie van D66 hadden met tevredenheid vastgesteld dat hun inbreng in het voorlopig verslag was uitgelegd als een welwillende opstelling tegenover de uitgangspunten van het wetsvoorstel. De door hen geconstateerde optimistische toonzetting van de memorie van toelichting was, zo wilden zij opmerken, tot wat realistischer proporties teruggebracht. De leden van de fractie van D66 betreurden het evenals de leden van de VVD-fractie in hoge mate dat nog geen regeringsstandpunt bekend is over het WRR-rapport «Een werkend perspectief». Juist waar de verhouding actieven/nietactieven zo'n cruciale rol vervult in de koppelingsdiscussie en een doelmatig arbeidsmarkt-en werkgelegenheids-beleid essentieel is voor het vervullen van de voorwaarden voor het wel toepassen van de koppeling, is het een gemis dat het WRR-rapport thans nog niet van een officiële reactie van de regering is voorzien. Daar waar het gaat om een doelmatig arbeidsmarktbeleid laat zich overigens de vraag stellen hoe de voorgenomen (of al gerealiseerde?) korting op het budget van het CBA zich daarmee verhoudt.

De leden van de fractie van Groen Links hadden wederom met buitengewone belangstelling kennis genomen van de visie van de regering. Het grote belang dat deze leden aan de koppeiing hechten hadden zij reeds uitvoerig gememoreerd in de bijdrage aan het voorlopig verslag. Zij hadden zich daarin zeer kritisch uitgelaten over de voornemens van de regering ter zake. De waarneming van de regering dat de leden van de fractie van Groen Links in dit stadium nog een waardeoordeel aan het wetsvoorstel wensten te verbinden, verbaasde hen zeer. Zij merkten op, dat de woorden, in de memorie van antwoord gewijd aan de opstelling van de VVD-fractie, evenzeer van toepassing waren op de Groen Linksfractie. Om het onverwacht opgetreden misverstand bij de regering ten aanzien van de opstelling van deze leden weg te nemen, merkten zij dat elke aandrang tot ontkoppeling in hun ogen als lichtelijk weerzinwekkend overkomt. Daarmee achtten deze leden hun zeer kritische houding voldoende geduid De leden van de fractie van de SGP dankten de regering voor haar reactie op de vragen en opmerkingen van deze leden in het voorlopig verslag. Zij wilden evenwel op een aantal punten nog nadere vragen stellen c.q. opmerkingen maken.

De leden van de GPV-fractie hadden er behoefte aan nog op een enkel punt te reageren op de memorie van antwoord. Zij waren van oordeel dat de rigide koppelingssystematiek voor een deel de oorzaak is van arbeidsmarktverstarring en van de hoge collectieve lastendruk en structurele werkloosheidsverschijnselen. Een koppelingssystematiek is uit een oogpunt van rechtvaardigheid en rechtszekerheid goed te verdedigen. Maar de koppeling dient wel met wijsheid en niet blindelings te worden toegepast. Het lid van de RPF-fractie dankte te regering voor haar reactie op zijn inbreng in het voorlopig verslag. Mede gelet op de actuele problematiek rond de afwijkingsgronden en recente uitspraken over de koppeling als zodanig door verschillende vooraanstaande politici, was ook hij van oordeel dat het wenselijk is dat de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel op korte termijn wordt afgerond. Dit lid wilde daaraan graag bijdragen, maar hij sprak de hoop uit dat een voortvarende besluitvorming niet zal leiden tot een discrepantie tussen wetgeving en realiteit. In dit verband verwees hij naar een uitspraak van de fractievoorzitter van het CDA, die stelde dat reeds deze zomer op grond van meting van de randvoorwaarden (loon-en volumeontwikkeling) de beslissing moet worden genomen om de koppeling al dan niet te handhaven. Het lid van de RPF-fractie herinnerde eraan dat hij in het voorlopig verslag nog een waardeoordeel aan het wetsvoorstel had verbonden. Naar aanleiding van de memorie van antwoord deelde hij echter mee het voorstel in principe te kunnen steunen. Hij zou nog wel graag antwoord krijgen op enkele vragen, alvorens een definitief standpunt in te nemen.

1.2 De relatie tussen het wetsvoorstel en het sociaal-economische beleid De leden van de VVD-fractie stelden vast dat de regering nogmaals een poging heeft ondernomen aan te geven wat de essentiële verschillen zijn tussen het WAM-regime en het huidige wetsvoorstel. De regering stelt dat een wettelijke bevoegdheid nodig is om af te kunnen wijken van de koppeling indien deze koppeling de welvaartsontwikkeling zelve in gevaar zou brengen. De leden van de VVD-fractie waren dat niet met de regering oneens, maar stelden dat het nu voorgestelde instrumentarium onvoldoende beleidsruimte laat om werkelijk te komen tot een sociaal-economisch beleid dat onder alle omstandigheden een positieve bijdrage levert aan de welvaartsontwikkeling. Deze leden herhaalden hun al eerder ingenomen standpunt dat een beleidsmatige koppeling verstandiger was geweest. De regering zelf stelt voor om slechts rekening te houden met twee afwijkingsgronden namelijk de loonontwikkeling in de marktsector en de volumeontwikkeling in de sociale zekerheid. Deze leden waren van mening dat meer factoren van belang zijn om te komen tot een oordeel over de gewenste ontwikkeling van minimumloon en sociale uitkeringen. Overigens waren de leden van de VVD-fractie nu al van mening dat de hoogte van het wettelijk minimumloon een belemmering is voor te veel economisch inactieven om weer aan de slag te komen. Deze leden stonden niet alleen met dat standpunt, zij wezen de regering op in dit verband relevante studies van het CPB en op het al eerder genoemde recente WRR-rapport «Een werkend perspectief». Met het voorgestelde regeringsbeleid en de huidige loonontwikkeling in de marktsector wordt deze problematiek met het jaar nijpender. Bovendien waren de leden van de VVD-fractie van mening dat het te voeren sociaal-economisch beleid niet alleen bepaald zou mogen worden door de wens de verhouding tussen het aantal werkenden en uitkeringsgerechtigden niet te verslechteren. De exeptioneel slechte verhouding van dit moment, 100 werkenden en 86 niet-werkenden, zou juist aanleiding moeten zijn voor een beleid om die verhouding sterk te verbeteren. Werk boven inkomen, zo stelden deze leden. Zij moesten helaas vaststellen dat het huidige kabinet een andere keus maakt. Dit koppelingswetsvoorstel met te beperkte afwijkingsmogelijkheden zal in de toekomst veel werkgelegenheid kosten, zo stelden de leden van de VVD-fractie. Juist werklozen die afhankelijk zijn van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt, zullen hiervan de dupe worden. De leden van de VVD-fractie vonden dat een weinig sociale consequentie.

De leden van de Groen Linksfractie wensten nader met de regering van gedachten te wisselen over de grondgedachte van het wetsvoorstel. Een belangrijk motief lijkt het voorkomen van het door de regering gevreesde drieluik van verlies van werkgelegenheid, financiële tegenvallers en afwenteling. Daarover hadden deze leden al uitgebreid hun mening gegeven in het voorlopig verslag. Zij wensten op deze plaats nader in te gaan op een ander, minder uitgesproken motief van het kabinet. De regering tracht met deze maatregel, zo maakten de hier sprekende leden op uit de stukken, in feite solidariteit af te dwingen van werkenden met niet-werkenden. De regering geeft aan sociale partners te kennen, dat de te hoge loonstijgingen niet worden gewaardeerd en dreigt met ontkoppeling als de loonstijgingen te hoog zijn en een voldoende groei van de werkgelegenheid naar het oordeel van de regering niet is gewaarborgd. De basisgedachte van solidariteit en de actieve positie die de regering hierin inneemt, kwamen de leden van de Groen Linksfractie zeer sympathiek voor. In dat kader hadden zij opnieuw het FNV-voorstel om een deel van de loonruimte te besteden aan «goede doelen» in het voorlopig verslag opnieuw zeer warm aanbevolen bij de regering, helaas zonder resultaat. De uitwerking van deze solidariteitsgedachte, die nogmaals op grote steun van de Groen Linksfractie kan rekenen, via dit voorstel van wet vonden zij op diverse onderdelen vreemd en problematisch. Dat solidariteit met de niet-werkenden niet als vanzelf leidt tot conform handelden daarnaar door sociale partners, was de afgelopen tijd (opnieuw) bewezen. De CAO-resultaten geven op het gebied van de goede doelen, en speciaal de werkgelegenheidsparagraaf, beslist een mager aanzien. Sterker nog, soms leek deze solidariteit met de niet-werkenden in zijn geheel niet te bestaan. Van werkgevers kan beslist niet gezegd worden dat zij grote voorstanders van extra werk en gelijke inkomensontwikkeling zijn. De regering vraagt desalniettemin van deze sociale partners CAO-resultaten, die deze solidariteit uitdragen, vooral in de vorm van een gematigde loonontwikkeling en als het kan ook nog extra aandacht voor goede doelen. De sanctie op het niet of onvoldoende vorm geven aan solidariteit in de CAO's, is ontkoppeling. Het probleem is dat de regering in feite de sociale partners slechts een verzoek doet. Dat heeft de afgelopen jaren niet echt gewerkt. Daarop kwamen deze leden nog nader te spreken. Het tweede probleem is dat van werkgevers niet verwacht kan worden, dat zij die solidariteit vorm geven. Sterker nog, zij laten geen gelegenheid ongebruikt om de solidariteitsgedachte te breken. Het derde probleem is, dat de sanctie niet werkelijk degenen treft, die verantwoordelijk zijn voor de CAO-resultaten. De werkgevers zullen hun handelen niet wijzigen, de werknemers voelen zich uiteraard wel aangesproken, maar de vraag is of individuele CAO-onderhandelaars zich zo direct door het dreigement van ontkoppeling laten aanspreken. Het vierde probleem is, samenhangend met het vorige, dat het vooral de vakbeweging is, die aangesproken wordt op het handhaven van de koppeling. Van de vakbeweging wordt geëist niet te veel te leunen op loonsverhogingen, maar in de praktijk wordt een alternatief gebruik van de loonruimte nauwelijks door werkgevers geaccepteerd. De keus is dan loonruimte laten zitten of een hogere loonstijging. Gezien het belangenvertegenwoordigende karakter van het vakbondswerk kan het eerste nauwelijks verwacht worden. De recente CAO-praktijk heeft zelfs soms het beeld te zien gegeven, dat looneisen van de vakbonden worden overtroffen door het werkgeversbod, vooral om de goede doelen van tafel te halen. Het vijfde probleem is, dat de regering enerzijds solidariteit wil afdwingen, geen kwaad woord daarover, maar anderzijds een zeer indirect en nogal ineffectief middel kiest. De leden van de Groen Linksfractie vreesden, dat op deze wijze solidariteit met de inactieven nauwelijks meer gestalte zal krijgen. «De koppeling is van Den Haag», zo hadden deze leden sommige CAO-onderhandelaars vrijelijk geciteerd in het voorlopig verslag. Kortom, de gedachte om solidariteit af te dwingen sprak deze leden zeer aan, maar de regering kiest een wel zeer problematische en ineffeciënte weg. Dit bracht deze leden bijna tot de gedachte, dat het de regering toch in de eerste plaats gaat om het voorkomen van problemen met de collectieve uitgaven. De leden van de Groen Linksfractie vroegen de regering om aan te geven hoe zwaar de solidariteitsgedachte weegt en in te gaan op de vijf problemen, die zojuist werden geschetst.

1.3 Inkomenspolitieke aspecten De leden van de fractie van D66 hadden graag opheldering over de passage waarin gesteld wordt dat onder zekere omstandigheden (als het nodig is de regel van het gelijk delen in de welvaartsontwikkeling te doorbreken) het zorgdragen voor een evenwichtig inkomensbeleid extra accent krijgt binnen de kaders van een doelmatig arbeidsmarkt-en werkgelegenheidsbeleid. 1.4 De vooruitzichten voor het komende jaar De regering gaat in op de vooruitzichten conform het Economisch Beeld 1992 van het CPB, zo merkten de leden van de PvdA-fractie op. Deze vooruitzichten laten, aldus de regering voor 1992 een verslechtering zien van de verhouding inactieven/actieven en zelfs een verdere verslechtering voor de jaren na 1992. Over de werkgelegenheidsontwikkeling schrijft het CPB op pagina 100 van het Economisch Beeld 1992 het volgende: «De geschetste ontwikkeling van vraag en aanbod impliceert, dat de werkloosheid gedurende de periode 1990-1994 nagenoeg niet verandert. Na stabilisatie in 1991 volgt in 1992 een lichte stijging. Daarna zal weer een geringe daling optreden. Hetzelfde geldt voor het aantal werkloosheidsuitkeringen». Uit de tabel met kerngegevens (pagina 22) blijkt dat zowel het aantal werkzoekenden zonder baan als de geregistreerde werkloosheid in de periode 1991-1994 verder afnemen, met als uitzondering een lichte opwaartse «knik» in 1992. De prognoses voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid laten in al deze jaren een verdere groei zien. De leden van de PvdA-fractie concluderen uit deze cijfers én die over de prognoses van het verhoudingsgetal, dat de groei van het laatste nagenoeg geheel wordt bewerkstelligd door de groei van ZW/WAO en demografische ontwikkelingen. Immers, het CPB voorspelt ten aanzien van werkgelegenheid en werkloosheid een licht positieve ontwikkeling van het verhoudingsgetal. In welke mate rekening is gehouden met beleidsintensiveringen op het terrein van werkgelegenheidsbevordering is niet helemaal duidelijk. Kan de regering deze duidelijkheid verschaffen? Wél gaat het CPB in op de effecten van maatregelen terzake van ZW en WAO. Bij de door het CPB gehanteerde varianten kan het verhoudingsgetal met 1,6 procentpunt positiever worden geprognotiseerd in 1994. In dat geval zou het verhoudingsgetal in 1994 uit kunnen komen op 85,3, hetgeen 0,5 procentpunt lager is dan het geraamde getal voor 1991. Kan de regering, met inachtname van de CPB-prognoses, zélf aangeven met welk verhoudingsgetal zij de komende jaren rekening wenst te houden? De leden van de PvdA-fractie zijn overigens van mening, dat in de oordeelsvorming over het verhoudingsgetal het vanzelfsprekend is dat wordt uitgegaan van een substantieel resultaat van de eigen beleidsinspanning ten aanzien van het ZW/WAO-vraagstuk, alsmede met de voorgenomen en reeds in gang gezette intensivering van het arbeidsmarktbeleid. Zou men dat niet doen, dan zou dat ernstig afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het kabinetsbeleid, aldus deze leden. Deelt de regering deze opvatting? Het was de aan het woord zijnde leden opgevallen dat er verschil van mening bestond tussen het CPB en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de hoogte en de ontwikkeling van het verhoudingsgetal in de komende jaren. Zij verwezen naar een publicatie in de Volkskrant van woensdag 15 mei 1991,waarin kennelijk werd gerefereerd aan cijfers uit departementale of kabinetsstukken. Graag zouden deze leden, om hun werk te kunnen doen, een overzicht krijgen van de betreffende cijfers over het verhoudingsgetal van zowel CPB als het ministerie, alsmede een nadere verklaring van de verschillen. De leden van de PvdA-fractie deelden de zorg van de regering over de ontwikkeling van de werkgelegenheid in 1992. Zij meenden dat met een werkgelegenheidsgroei van 16.000 arbeidsplaatsen geen genoegen kan worden genomen. Graag vernamen zij dan ook wat de regering, voortbouwend op de tekst in de memorie van antwoord, zal ondernemen om terzake van loonmatiging, werkgelegenheids-en arbeidsmarktbeleid in 1992 een beter resultaat te bewerkstelligen dan het CPB nu voorspelt. Met betrekking tot de betekenis van de CPB-cijfers over de werkgelegenheidsgroei, wilden zij nog graag het oordeel van de regering vernemen over de constatering dat deze ramingen de sterke neiging vertonen een systematische onderschatting te zijn van de uiteindelijke ontwikkelingen. Ter illustratie hiervan legden zij de volgende cijfers voor en vroegen daarop een reactie van de regering.Voor de jaren 1986 tot en met 1991 zijn 4 CPB-ramingen (uit MEV en CEP van diverse jaren) van de werkgelegenheidsgroei (x 1000 arbeidsjaren) achter elkaar gezet, in chronologische volgorde, met telkens een half jaar ertussen. De resultaten zijn als volgt:

jaar t

sept.t-1

apr.t

sept.t

realisatie

1986 1987 21501-98 9 1990 1991

20 40 10 41 85 51

50 20 20 63 100 38

49 34 41 79 81

64 65 46 83 93

Het was deze leden opgevallen dat met name de raming in de MEV, in september voorafgaand aan het jaar waarop de cijfers betrekking hebben, als regel sterk achterblijft bij de realisatie. Onderschattingen van 50 tot 100% zijn geen uitzondering. De werkgelegenheid laat zich kennelijk zeer moeilijk voorspellen. Deze wetenschap zou een regering die zorgvuldig met de uitkeringen wil omgaan, echter voorzichtig moeten maken al te snelle conclusies te verbinden aan deze cijfers. De leden van de PvdA-fractie merkten, ook met het oog op de zeer bescheiden groeiraming (1%) van het CPB, op dat het hen niet zou verbazen als achteraf ook over 1992 een hogere werkgelegenheidstoename wordt geregistreerd dan voorspeld. Zij vroegen in dit verband aan de regering welk verhoudingsgetal zou resulteren als in 1992 de werkgelegenheid niet met 16.000 maar met 30.000 arbeidsplaatsen groeit (zoals verwacht voor 1993 en 1994), en de werkloosheid in overstemming daarmee afneemt. In paragraaf 1.4 van de memorie van antwoord gaat de regering in op de onverhoopte situatie, dat een afwijking van de koppeling moet worden overwogen. In dat geval blijft echter naar het oordeel van de regering het streven gericht op evenwichtiger en rechtvaardiger inkomensverhoudingen. Voor minimumlonen en uitkeringen zou een en ander kunnen neerkomen op een verhoging conform de prijsontwikkeling. Wat staat de regering precies in instrumentele zin voor ogen met de andere inkomensgroepen? Streeft de regering in dat geval een evenwicht na, dat gelijksoortig is aan het evenwicht, dat zou zijn ontstaan indien minimumloon en uitkeringen als gevolg van de koppeling wél zouden meedelen in de welvaartsontwikkeling? Met andere woorden: een koppeling op lager niveau? Met alle respect kwam het de leden van de PvdA-fractie voor dat de regering in par. 1.4 van de memorie van antwoord een procedure schetst die kan leiden tot een te vroegtijdig besluit betreffende toepassing van een van de afwijkingsgronden in 1992. In de zomer, bij afronding van de begrotingsvoorbereiding kan er niet anders dan een zeer tentatief beeld bestaan van de meest relevante variabelen. Over een doorschrijding van het verhoudingsgetal is alsdan met zekerheid nog zeer weinig te zeggen. Overweegt de regering op grond van dergelijke onzekere cijfers niettemin in beginsel de mogelijkheid van afwijking en vraagt zij hierover de SER advies, dan handelt zij binnen haar staatsrechtelijke eigen verantwoordelijkheid. De leden van de PvdA-fractie konden zich in dit stadium echter nauwelijks voorstellen dat zij op dergelijke wankele gronden overtuigd zouden geraken van de wijsheid van ontkoppeling per 1 januari 1992. Deze leden achten de actuele discussie over ontkoppeling per 1 januari 1992 temeer voorbarig omdat de systematiek van de WKA een duidelijke budgettaire veiligheidsmarge bevat in die zin dat per 1 januari slechts de helft van de verwachte aanpassing op jaarbasis wordt gegeven. Door het toekennen van slechts 50% van de MEV-loonraming aan de uitkeringsgerechtigden per 1 januari blijft er voldoende ruimte om per 1 juli, op basis van veel betrouwbaarder prognoses, tot gedeeltelijke ontkoppeling te komen indien men dat nodig acht. Deze leden namen dan ook aan dat het geen financiële overwegingen zijn waardoor de regering zoveel energie besteedt aan de mogelijkheid van ontkoppeling per 1 januari 1992. Zij voegden hier de vraag aan toe of de regering kan aangeven wat op grond van de huidige inzichten het verschil zal zijn tussen de door de WKA voorgeschreven 50% loonkoppeling per 1 januari en de mogelijk overwogen 50% prijskoppeling van de uitkeringen (feitelijke ontkoppeling). Ook zouden deze leden graag weten welke besparingen dit verschil oplevert voor de rijksbegroting en de sociale fondsen. Overigens stemden de leden van de PvdA-fractie in met een wijziging die in algemene zin een correctie per 1 juli van een ontkoppeling per 1 januari mogelijk maakt. Dit leek hen inderdaad een onvolkomenheid in het wetsvoorstel; en zij zagen de aangekondigde nota van wijziging dan ook met belangstelling tegemoet. Of de daarin geschetste mogelijkheid reeds in 1992 zal worden toegepast, leek deze leden echter nogmaals bijzonder onwaarschijnlijk.

De huidige vooruitzichten conform het economisch beeld 1992 van het CPB laten voor 1992 een verslechtering zien van de verhouding inactieven/actieven. De oorzaken daarvan zijn, zo stelden de leden van de VVD-fractie vast, gelegen in de verslechtering van de economische-en budgettaire vooruitzichten ondermeer als gevolg van het gevoerde, of liever niet gevoerde, regeringsbeleid. In de memorie van antwoord stelt de regering dat het beeld er anders komt uit te zien indien rekening zou worden gehouden met de door de regering «voorgenomen» maatregelen in het kader van de arbeidsongeschiktheid en de ziektewet. Welke maatregelen dan wel, zo vroegen deze leden. Voorlopig zijn door de regering wat dit betreft nog geen keuzen gemaakt en heeft de staatssecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid al aangegeven dat een effectief volumebeleid verder reikt dan «haar horizon». Indien de regering de verhouding tussen het aantal actieven en niet-actieven zo belangrijk vindt zou het meer voor de hand hebben gelegen eerst een pakket maatregelen voor de stellen dat die verhouding verbetert in plaats van een wetsvoorstel dat in dat kader geen verbetering, hooguit het handhaven van de statusquo, kan betekenen. Overigens waren deze leden van mening dat de verslechterende ontwikkeling van de werkgelegenheid in ons land, los van de verhouding tussen actieven en in-actieven, voor de regering aanleiding zou moeten zijn uiterst voorzichtig te zijn met het handhaven van de koppeling. Ten minste een van de huidige coalitiepartijen zou enige jaren geleden moord en brand hebben geschreeuwd bij een dergelijke ontwikkeling op de arbeidsmarkt. Het doen van «een beroep» op wie dan ook is voldoende om het slechte tij te keren. Hoeveel potentiële werkgelegenheid, zo vroegen de leden van de VVD-fractie, moet nog verloren gaan voordat de regering weer in daden, en niet alleen met de mond, werk boven inkomen stelt?

De meer realistische benadering die de leden van de fractie van D66 hadden geconstateerd, brengt direct de vraag in beeld wat er in 1992 dient te gebeuren. Het is goed dat daaraan een hele paragraaf wordt gewijd in de inleiding van de memorie van antwoord, maar deze leden hadden bij die beschouwing nog wel enige vragen en opmerkingen. Niet duidelijk was deze leden wat bedoeld wordt met een kennelijk nieuwe beleidsinzet van de zijde van regering, gericht op inkomensmatiging en het bevorderen van werkgelegenheid en arbeidsparticipatie, waarvan de effectiviteit reeds in de komende zomer inzichtelijk moet zijn. Wordt gemikt op een overleg met de sociale partners nog vóór de zomer en wat dan te doen met de afwerende houding van de werkgevers? Of wordt na ommekomst van het SER-advies over het ZW/WAO-volume en de meer actuele CPB-inzichten, dus na de zomer, centraal overleg bepleit? Met andere woorden, het was deze leden niet duidelijk of overleg met de sociale partners beoogd wordt vanuit de gedachte dat er hoogstwaarschijnlijk ontkoppeld gaat worden per 1 januari 1992, of dat de regering op overleg aandringt om er alles aan te doen per 1 januari 1992 wèl te koppelen? Vanuit het kabinet komen immers tot nu toe verschillende geluiden. Het standpunt van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is daarbij enigszins diffuus. Graag helderheid dus over de inzet van zijn kant. Het moge duidelijk zijn dat de leden van de fractie van D66 van oordeel zijn, dat er alles aan gedaan moet worden om te voorkomen dat er al vanaf de aanvang van de WKA gegrepen moet worden naar de afwijkingsgronden. Onder verwijzing naar de CPB-berekeningen wordt, zo constateerden de leden van de fractie van D66, gesteld dat er bij de beoordeling van het verloop van de afwijkingsgronden, alle reden is om aan de veilige kant te blijven. Als rekening wordt gehouden met de voorgenomen bezuinigingen in het kader van het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, treden als gevolg daarvan immers pas op termijn verbeteringen op. Is het omgekeerde niet ook waar, zo vroegen deze leden zich af, in die zin dat als daar geen rekening mee wordt gehouden, effecten op de werkgelegenheid bij het doorgaan van de koppeling per 1 januari 1992 ook pas op termijn werkgelegenheidseffecten optreden? Anders gezegd, wat is er tegen om de koppeling per 1 januari 1992 door te laten gaan, als de inzet van de regering en sociale partners onverminderd gericht blijft op terugdringing van het ziekte-en arbeidsongeschiktheidsvolume, ongeacht of dit al op zeer korte termijn tot effecten leidt? Verwarrend in deze paragraaf in de memorie van antwoord wordt door deze leden gevonden dat enerzijds een klemmend beroep gedaan wordt op de sociale partners om tot inkomensmatiging te komen en anderzijds verwezen wordt naar de positieve invloed hiervan op de verhouding actieven niet-actieven die thans ook bij de SER speelt bij de volumediscussie. De eerste vraag is waaruit dat klemmend beroep op inkomensmatiging blijkt? Wordt aangestuurd op overleg met de sociale partners nog vóór de zomer? De tweede vraag is wat er gebeurt met de koppeling per 1 januari 1992 als de inkomensmatiging weliswaar niet strookt met de opvattingen van het kabinet, maar de sociale partners wel komen met een unaniem SER-advies met betrekking tot de volumeontwikkeling? De passage onderaan pag. 4 van de memorie van antwoord doet vermoeden dat het kabinet de koppeling per 1 januari 1992 reeds opgegeven heeft en met de sociale partners wil praten over de dan noodzakelijke maatregelen ter ondersteuning van de koopkracht. Het kwam deze leden vreemd voor dat enerzijds een klemmend beroep op inkomensmatiging en volumebeperking gedaan wordt om ontkoppeling te voorkomen, en anderzijds varianten zullen worden doorgesproken die de gevolgen van ontkoppeling moeten verzachten. Natuurlijk waren deze leden benieuwd naar de instrumenten die de regering in dit laatste geval wil inzetten, en met name naar de vraag of zij moesten denken aan het op afstand plaatsen van zowel minimumuitkeringen, maar zij gingen er vanuit dat echt alles geprobeerd zal worden dergelijke instrumenten niet te hoeven inzetten. Wat wordt overigens bedoeld met fiscale herschikking? Moet daarbij gedacht worden aan maatregelen in de sfeer van de vennootschapsbelasting en het reiskostenforfait? Hoe realistisch is zo'n herschikking in het totale veld van politieke afwegingen? Met andere woorden, wat gebeurt er, als ontkoppeling of koppeling op afstand wenselijk geacht wordt door de regering, maar fiscale maatregelen uit andere hoofde niet haalbaar blijken? De regering stelt dat, als tot aanpassingen besloten wordt, dit in beginsel voor het hele jaar 1992 geldt, maar dat niet uitgesloten is, dat als gevolg van in gang gezette beleidsmaatregelen (welke precies, behalve het klemmend beroep op de sociale partners?) de koppeling alsnog per 1 juli 1992 hersteld kan worden. Zou de koppeling per 1 januan 1992, en eventuele ontkoppeling per 1 juli 1992, niet logischer zijn vanuit de redenering van de regering zelf alles te willen proberen de koppeling overeind te houden? De door de regering in gang gezette beleidsmaatregel kunnen dan gedurende een langere tijd op hun effectiviteit beoordeeld worden. Als het kabinet nog steeds in het eigen beleid gelooft, moet daaraan, naar de mening van deze leden, geen afbreuk gedaan worden door een aanpassing van de koppeling per 1 januari 1992. Graag een reactie! Zal de aangekondigde nota van wijziging overigens in het algemeen een halfjaarlijkse aanpassing (in positieve of negatieve zin) mogelijk maken?

Aansluitend bij hun opmerkingen over de relatie tussen het wetsvoorstel en sociaal-economische beleid, wilden de leden van de fractie van Groen Links op deze plaats ingaan op de rol van het centraal overleg, door hen al eerdere malen kritisch beschouwd. Het lijkt nu alsof ook de sociale partners daar zelf niet meer in geloven. De recente uitspraken van VNO-voorzitter Rinnoy Kan zijn een teken aan de wand. De hier aan het woord zijnde leden hadden begrepen dat het VNO geen behoefte heeft aan een centraal overleg. Wat is de reactie van de regering daarop? Hoe zal zij haar voornemen om een klemmend beroep te doen op sociale partners gestalte geven? En gelooft zij zelf, dat de sociale partners het bod van de regering (loonstijging = prijsstijging met lastenverlichting via de eerste schijf) nog serieus nemen? En hoe kan zij positief zijn over de mogelijkheden van het centraal overleg, na de beslist magere resultaten sinds december 1989? Ook de recente uitspraken van het CNV waren de leden van de Groen Linksfractie opgevallen. Deze duidden niet op een verbetering van het sociale klimaat en de kans op overeenstemming over de komende CAO-onderhandelingen. Daarnaast vroegen zij de regering uitdrukkelijk in te gaan op de uitspraken van de voorzitter van het CNV d.d. 4 juni j.l., als zou het kabinet koppeling al hebben laten vallen. Is dat juist? En zoja, wat heeft het kabinet hiertoe gebracht? Dit zou toch in strijd zijn met de procedures, die worden voorgesteld in dit wetsvoorstel? Het gestelde op pagina 4 van de memorie van antwoord gaf aanleiding tot een nieuw kritiekpunt van de zijde van Groen Links. Uit de één-nalaatste alinea maakten de leden op, dat er sprake kan zijn van een gematigde loonontwikkeling én ontkoppeling, omdat de loonmatiging pas effect resorteert op termijn. Dan is de impuls voor vakbonden om zich te commiteren aan loonmatiging dus niet zichtbaar. Dat vonden deze leden vreemd en zij vroegen om nadere toelichting. Daarnaast, zo merkt de regering zelf op, wordt gesneden in het arbvobudget. Dat hoeft niet per definitie onjuist te zijn, maar is gelet op de recente onrust over de werkgelegenheidsontwikkeling wel merkwaardig. Zij vroegen de regering aan te geven of zij zelf in de budgettaire afweging alle overheidsbemoeienis rond werkgelegenheid en daarmee verband houdende uitgaven absolute prioriteit geeft. Met andere woorden, is er van de zijde van de regering alles aan gelegen de voorwaarden voor koppeling te realiseren, zo vroegen deze leden? Hierop wensten deze leden later nog terug te komen. Bij de «deal», die de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de sociale partners heeft aangeboden, aangeroerd onderaan pagina 4 van de memorie van antwoord, zetten de leden van de Groen Linksfractie een aantal vraagtekens. De koppeling wordt gered indien deze afspraak nagekomen wordt. Vanwege het voortbestaan van de koppeling kan men dan spreken van een rechtvaardige verdeling. Deze koppeling zou dan grofweg leiden tot koopkrachtbehoud, ervan uitgaande dat de loonstijgingen beperkt blijven tot de prijsstijgingen. Tegelijkertijd wordt een lastenverlaging via tariefsverlaging eerste schijf of verhoging van het arbeidskostenforfait doorgevoerd. Dat betekent, dat er dus, kijkend naar de uiteindelijke netto-inkomensvooruitgang, geen sprake is van rechtvaardige verdeling. De werkenden krijgen immers een lastenverlichting aangeboden, die niet of maar gedeeltelijk doorwerkt in de uitkeringssfeer. Dat achtten deze leden een beetje bedrog: wel koppelen, maar tegelijkertijd de inkomensverschillen vergroten via lastenverlichting en daarmee de opzet van de koppeling, een rechtvaardige verdeling van de groeiende welvaart, geweld aandoen. Zij vroegen de regering hoe zij haar gedachten dienaangaande rijmt met de opzet van de koppeling. Daarnaast merkten zij op, dat de loonmatiging niet onmiddellijk en soms ook niet op langere termijn tot meer werk leidt. Bovendien zal er, indien de werknemers akkoord gaan met de deal, loonruimte blijven zitten in de bedrijven. Dat zou aangewend moeten worden voor extra werkgelegenheid, zo dachten deze leden. Of vond de regering het juist, dat deze ruimte zonder nadere bestemming in de bedrijven blijft en eventueel doorgegeven wordt aan bijvoorbeeld aandeelhouders? Hoe kijkt de regering hier tegenaan? En hoe denkt zij te voorkomen, dat werkgevers zich niks aantrekken van een dergelijke afspraak en doodgewoon hogere lonen bieden? Daarnaast vroegen deze leden zich af, in welke mate de mogelijke lastenverlichting via de tariefsverlaging eerste schijf doorwerkt in de netto gekoppelde uitkeringen. Zij namen aan, dat ook deze uitkeringen hiervan mee zouden profiteren, zij het op afstand, via een extra verhoging van het netto WML. De leden van de Groen Linksfractie kregen de indruk, dat de regering met dit gecombineerde voorstel (koppeling/lastenverlichting) in de buurt komt van het voorstel van de VVD, dat tijdens de begrotingsbehandeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid zo nadrukkelijk door de regering als «te duur» werd gekwalificeerd. Koopkrachtverbetering wordt voor alle inkomens (ook de niet CAO-lonen via lastenverlichting gerealiseerd en dat is een dure en niet erg rechtvaardige aangelegenheid. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Het bleef de leden van de Groen Linksfractie irriteren, dat de niet CAO-gebonden werknemers en zelfstandigen/freelancers geheel buiten schot blijven. De door hen gerealiseerde (soms aanzienlijke) jaarlijkse

inkomensvooruitgang telt niet meer in de koppeling en deze groep wordt niet aangesproken op de werkgelegenheidseffecten van hun handelen, indien zij een forse inkomensvooruitgang weten te boeken. Vaak gaat het hierbij om hogere inkomensgroepen, waarvan juist verwacht mag worden dat zij slechts koopkrachtbehoud of sterke matiging het makkelijkst kunnen dragen. Toch worden zij geenszins door de regering verantwoordelijk gemaakt voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de koppeling. Hoe kijkt de regering aan tegen deze «ongelijke behandeling» van CAO-werknemers en anderszins actieven? De leden van de Groen Linksfractie zouden graag weten hoeveel actieven (de noemer van de getalsverhouding) vallen onder een CAO dan wel op een andere wijze werkzaam zijn. Tot slot hadden de leden van de Groen Linksfractie nog één vraag: wanneer wordt besloten over de koppeling voor 1992, of is er nou al besloten? Wordt besloten na het advies van de SER over de arbeidsongeschiktheid, dat op 12 juli 1991 uiterlijk gereed zal zijn? Of houdt het kabinet de mogelijkheid open om pas in het najaar, al dan niet nadat een centraal overleg met sociale partners is gevoerd, over de koppeling te beslissen? Het lid van de RPF-fractie had kennisgenomen van de opmerkingen, die de regering met betrekking tot 1992 had gemaakt. De door het CPB verwachte verslechtering van de verhouding inactieven/actieven maakte hem niet optimistischer over de mogelijkheid de koppeling te handhaven. Maatregelen, die zijn gericht op een gunstiger verhouding inactieven/actieven, zijn wel aangekondigd. Het betreft hier met name het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en het streven naar een beheerste loonkostenontwikkeling. De concrete uitwerking van deze aangekondigde maatregelen laat echter nog steeds grotendeels op zich wachten. Ten aanzien van de terugdringing van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid is dit te billijken; de regering wacht het SER-advies ter zake af. Dit lid verzocht de regering om daarna direct tot het voorstellen van concrete maatregelen over te gaan. Hij ging er overigens wel van uit dat de regering direct na het zomerreces met voorstellen zal komen. Is deze verwachting terecht? Op de loonmatiging kwam dit lid hierna terug.

  • Herstel van de koppeling; uitgangspunten van het aanpassingssysteem

2.1 Haalbaarheid en wenselijkheid van de koppeling De leden van de PvdA-fractie konden zich in hoge mate vinden in datgene wat de regering schrijft in hoofdstuk 2 van de memorie van antwoord over haalbaarheid en wenselijkheid van de koppeling. Zij zagen daarin een bevestiging, dat de koppeling, zoalsd benaderd in dit wetsvoorstel, het meest doelmatige instrument is om te komen tot meer rechtvaardige inkomensverhoudingen. Ook dat ontkoppelen eerder uitzondering dan regel dient te zijn.

Het lid van de RPF-fractie vroeg de regering wat zij precies bedoelt met haar uitspraak dat in de marktsector sprake is van een samenspel van overheid en sociale partners (memorie van antwoord, pagina 6/7). Kan zij aangeven waarin dit samenspel tot uitdrukking komt? Indien dit samenspel een beperkt karakter draagt, zou dit lid zijn vraag uit het voorlopig verslag willen herhalen, of de regering voorlopig het initiatief aan de sociale partners laat, of dat overheidsingrijpen gedurende deze kabinetsperiode niet uitgesloten moet worden geacht. Aansluitend wilde dit lid een duidelijk antwoord op de vraag of de regering het «noodza-

kelijk» acht dat inactieven in gelijke mate profiteren van een welvaartstijging als actieven. In de memorie van antwoord deelt de regering in antwoord op deze vraag slechts mee het in gelijke mate profiteren «redelijk» te achten.

2.2. Relatie met de hoogte van het minimumloon In antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie naar de onderbouwing van de stelling dat de effectiviteit van een relatieve verlaging van het minimumloon in termen van werkgelegenheidscreatie in de loop der tijd afneemt, merkt de regering op dat dit ook komt doordat minder mensen met het minimumloon te maken hebben. Betekent dit, zo vroegen de leden van de CDA-fractie, dat de samenstelling c.q. de omvang van het werklozenbestand zodanig verschilt ten opzichte van enkele jaren geleden dat hierdoor de betekenis van het minimumloon voor de arbeidsmarkt afneemt? Graag zagen zij deze bewering met cijfers onderbouwd. Voor het overige verwijst de regering naar de studie van Van Soest en Kapteyn, «Minimumlonen, loonkosten en werkgelegenheid». De leden van de CDA-fractie waren door deze verwijzing niet overtuigd. Immers, Van Soest en Kapteyn hanteren in hun studie een drietal modellen met een afnemende graad van abstractie. Verondersteld mag worden dat het model dat het minst van de werkelijkheid abstraheert de meest waardevolle conclusies oplevert. Bij de beide eerste modellen, die volstrekt statisch van karakter zijn, is de conclusie dat de invloed van een verdere relatieve verlaging van het minimumloon is afgenomen, dat wil zeggen voor mannen en geenszins voor vrouwen. In het derde model, dat dynamisch is en bijvoorbeeld met het arbeidsverleden rekening houdt, blijkt echter dat van een afnemende invloed van een relatief achterblijven van het minimumloon in het geheel geen sprake is. Graag gingen deze leden er mee akkoord de verdere discussie over de functie van het minimumloon op de arbeidsmarkt te voeren naar aanleiding van de reactie van de regering op het WRR-rapport «Een werkend perspectief». Op dit moment wilden zij ermee volstaan te constateren dat de onderbouwing van de stelling dat een relatieve verlaging van het minimumloon gepaard zou gaan met geringere marginale werkgelegenheidseffecten, hun onvoldoende voorkwam. In de memorie van toelichting voegt de regering daar nog aan toe, dat de voordelen in termen van werkgelegenheid naar haar oordeel niet langer opwegen tegen de hoge maatschappelijke kosten. In het voorlopig verslag hadden de leden van de CDA-fractie naar de onderliggende maatschappelijke kostenbatenanalyse gevraagd. Deze vraag was in de memorie van antwoord helaas niet beantwoord.

  • Afwijkingsgronden

3.1 Algemene opmerkingen

Naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie stelt de regering terecht dat het verhoudingsgetal achtieven/inactieven weliswaar een belangrijk ijkpunt vormt, maar dat van een zekere beleidsruimte sprake is, in die zin, dat overschrijding van de normverhouding niet tot ontkoppeling zal leiden, indien besloten wordt tot maatregelen, die de gesignaleerde normoverschrijding ongedaan maken. Deze leden waren het hiermee eens.

De leden van de fractie van Groen Links vonden het nogal typisch te moeten constateren, dat de PvdA-fractie en de regering elkaar kunnen vinden in het standpunt dat ontkoppeling een uitzondering moet zijn, terwijl de huidige discussie anders doet vermoeden. De koppeling sinds

1 januari 1990 is bepaald geen regel en wordt door het kabinet herhaaldelijk ter discussie gesteld. Blijkbaar is eerder sprake van een nogal uitzonderlijke regel of regelmatige uitzondering. De overeenstemming tussen PvdA-fractie en regering op dit punt beschouwden de leden van de fractie van Groen Links als een tamelijk academische aangelegenheid, die niets zal wijzigen aan het voortdurende gekrakeel rond de koppeling.

3.2 Loonontwikkeling

De kritiek van de leden van de CDA-fractie op de slordige hantering van het begrip loonruimte beantwoordt de regering met hetzelfde argument als in de memorie van toelichting, te weten dat, om onnodige discussies over het begrip loonruimte te voorkomen, voor een algemene formulering is gekozen. In het voorlopig verslag hadden de leden van de CDA-fractie proberen duidelijk te maken dat juist een algemene formulering door haar niet precieze karakter deze discussie oproept. Concreet: als de regering de loonruimte definieert als de som van arbeidsproduktiviteitsstijging en prijsstijging en zij nalaat aan te geven welke prijsstijging het hier betreft, dan begaat de regering een zeer grote onnauwkeurigheid. Het verschil tussen de prijsstijging van de produktie, dat is de voor de loonruimte juiste prijsstijging, en de prijsstijging van de consumptie is immers de ruilvoetmutatie en de veranderingen in indirecte belasting. In de memorie van toelichting wordt er op gewezen dat juist het niet meenemen van ruilvoetmutaties in de jaren 1970-1982 heeft geleid tot de stijging van de arbeidsinkomensquote. Door in het wetsvoorstel te spreken over prijsstijging en verder in het midden te laten welke prijsstijging wordt bedoeld, wekt de regering de indruk dat zij onvoldoende oog heeft voor een nauwkeurige en juiste loonvorming. Verder wensten deze leden dat er duidelijkheid komt over de functie van het begrip loonruimte. Uit de memorie van antwoord kregen zij de indruk dat de loonruimte en de daarmee in verband gehanteerde begrippen als arbeidsproduktiviteitsstijging, reële loonkosten per eenheid produkt en prijsstijging slechts als macro-economische begrippen worden gehanteerd en niet voor sectoren relevant worden geacht. In dit verband wilden deze leden wederom verwijzen naar wat professor Zalm in zijn inaugurele oratie over de hantering van de loonruimte heeft gesteld en de opvatting van de regering hierover vernemen. Naar aanleiding van een opmerking in de memorie van antwoord dat de budgetteringsregel inhoudt dat overschrijding van de uitgaven voor de koppeling als gevolg van een hogere loonstijging leidt tot een generale problematiek, merkten de leden van de CDA-fractie op dat naar hun mening een hogere loonstijging volgens de systematiek van het wetsvoorstel niet moet leiden tot een generale problematiek maar tot een niet volledige koppeling.

Waar de regering, gevraagd naar een beoordeling van de loonstijging in de reeds afgesloten cao's, stelt dat deze voor het voorliggende wetsvoorstel minder relevant is, wilden de leden van de fractie van D66 graag weten hoe deze opmerking zich verhoudt tot het klemmende beroep op de sociale partners om tot inkomensmatiging te komen. Ook betreurden zij dat de regering nog geen beschouwing over de algemeen verbindend verklaring van cao's met een bovenmatige loonontwikkeling heeft kunnen geven. Zal dit nog voor de openbare beraadslaging over het wetsvoorstel gebeuren? De opmerking over de effecten van een te hoge loonstijging op de werkgelegenheid en het financieringstekort op de langere termijn (op pagina 17 van de memorie van antwoord) wilden deze leden zien in het kader van hun pleidooi om niet per 1 januari 1992 tot ontkoppeling over te gaan.

De antwoorden op hun vragen naar de relatie met variant 2 uit bijlage 5 van de Tussenbalans konden deze leden niet bekoren. Zij vroegen zich nog steeds af waarom deze variant nodig is, omdat prernieverhoging, zowel voor werkgevers als voor werknemers bij een overigens niet bovenmatige loonontwikkeling, een negatieve invloed op de werkgelegenheid kan hebben. Zij vroegen zich nog steeds af (mèt het CBP) wiens koopkracht bepalend is en hoe groot de tolerantiemarge is, om deze variant, die van toepassing wordt als de loonontwikkeling sterker is dan overeenkomt met koopkrachtbehoud, te concretiseren. Wanneer gebeurt er eigenlijk precies wat, met betrekking tot variant 2? Waar moeten werkgevers (en werknemers) nu precies op rekenen, en wanneer? Kan overigens bij een eventueel overleg met de sociale partners nog aan de orde komen het idee van prof. Wolfson, om loonafspraken, boven een bepaald vooraf af te spreken percentage, af te romen ten behoeve van de zogenaamde goede doelen?

De leden van de Groen Linksfractie vroegen zich af waarom eigenlijk de loonontwikkeling en de volumeontwikkeling in artikel 14, lid 5 van de wet worden genoemd. De getalsverhouding actieven/inactieven is namelijk bedoeld als een concretisering van beide criteria. Waarom deze getalsverhouding niet in de wet opgenomen? Zij hadden de indruk dat de discussie die de regering uitlokt over wat nu precies verstaan moet worden onder het begrip loonruimte weliswaar van intellectuele en politieke betekenis is, maar de helderheid over de intenties van de regering niet vergroot. Hetzelfde geldt voor de formulering «een betekende premie-of belastingdrukverhoging», zo vonden deze leden. Niet kwantificeerbaar, want er wordt gevraagd naar een kwalificatie cq. oordeel van die verhoging. De regering verschaft veel meer helderheid, zo dachten deze leden, door zich uitsluitend te concentreren op de getalsverhouding. Zij vroegen om een reactie van de regering. Bovendien hadden zij de indruk, dat het «voorstel» dat in de memorie van antwoord is uitgesproken, loonstijging = koopkrachtbehoud in combinatie met lastenverlaging, dit met het oog op handhaving van de koppeling in 1992, iets anders is dan de formulering in het vijfde lid. Ook in 1992 is er sprake van een arbeidsproduktiviteitsstijging en is, gegeven de formulering van het vijfde lid, een loonstijging, die boven koopkrachtbehoud uitgaat, niet zonder meer aanleiding tot ontkoppeling. De regering doet dus een voorstel dat niet strookt met de formulering in dit lid. Als haar voorstel niet wordt aanvaard en uitgevoerd door sociale partners is er dus geen directe en onmiddellijke aanleiding tot ontkoppeling, zo dachten deze leden. Of zagen zij dit verkeerd, zo vroegen zij de regering. De leden van de Groen Linksfractie vonden de nadere toelichting op de kwestie van bijlage 5 van de Tussenbalans niet geheel helder. Wat bedoelt de regering met de zinsnede: «Hiermee wil de regering tot uitdrukking ... referentiekader»? Daarnaast hadden deze leden vragen omtrent het «rondlopen» van de koppeling. Zij begrepen, dat bij een getalsverhouding van 0,86 en de gegeven huidige hoogte en aandeel van de verschillende uitkeringen, de koppeling rondloopt, in ieder geval op korte termijn.

Er zijn dus geen additionele belasting en premieverhoging nodig teneinde de koppeling te financieren, dit onder de voorwaarde dat de getalsverhouding niet boven de 0,86 komt. Hoe moet nu variant 2 van bijlage 5 in dit licht gelezen worden? De meerkosten (boven koopkrachtbehoud) ten behoeve van de koppeling en de arbeidsvoorwaarden in de collectieve sector worden opgebracht door de sectoren waar ze ontstaan, dat is toch de collectieve sector, dachten deze leden, en via premieverhoging, terwijl voor de koppeling de zaak echter zou

«rondlopen», ongeacht de loonstijging, tenzij de getalsverhouding zich wijzigt. Deze leden vroegen nadere duidelijkheid. De leden van Groen Linksfractie zouden graag van de regering een nader financieel overzicht tegemoet zien waarin duidelijk wordt om welke bedragen het exact gaat bij de koppeling. Kan de regering aangeven, wat de extra belasting en premie-inkomsten en SZ-uitgaven, graag uitgesplitst, zijn bij een loonstijging en dito koppeling van 2, 3 en 4%. De leden van de Groen Linksfractie vroegen de regering, hoe zij aankijkt tegen het langeretermijneffect van een ontkoppeling. Daarmee veronderstelt de regering in de jaren nadien via een beheerste lastendrukontwikkeling een gematigde loonontwikkeling «uit te lokken», die op termijn tot meer actieven en dus een lagere getalsverhouding moet leiden, hetgeen de koppeling dan weer bespreekbaar cq. mogelijk maakt. De vraag is of het middel (ontkoppeling) niet te laat komt (de dreiging van ontkoppeling heeft blijkbaar niet preventief gewerkt, de loonstijgingen zijn te hoog) en pas op langere termijn, (na jaren?) tot het beoogde resultaat (kan) leid(t)(en). Er dreigt dus een situatie, dat wanneer eenmaal ontkoppeld is, er niet snel weer gekoppeld gaat worden. En de ontkoppeling werkt niet erg effectief als werkgelegenheidsinstrument en hooguit op de middellange termijn.

Het was de leden van de fractie van de SGP nog niet geheel duidelijk hoe de verschillende factoren die een rol spelen bij de vraag of er wel of niet ontkoppeld wordt, zich tot elkaar verhouden. In de wet worden daarentegen de loonontwikkeling en de ontwikkeling van het volume in de sociale zekerheid als ontkoppelingsgronden genoemd. Zij hebben volgens de memorie van antwoord echter slechts een signaalfunctie, terwijl de echte ontkoppelingsgrond een verslechtering van de getalsverhouding tussen inactieve en actieve inkomenstrekkers is. Die getalsverhouding is voor de periode 1992-1994 op 0,86 gesteld. De leden van de SGP-fractie wilden van de regering weten waarom zij dan niet dit èchte criterium in de wet heeft vastgelegd, in plaats van de twee in artikel 14 lid 5 genoemde criteria. Is dat geen zuiverder vorm van wetgeving? De relatie tussen de ontwikkeling van het volume in de sociale zekerheid en de verhouding tussen inactieve en actieve inkomenstrekkers is vrij direkt. Daarentegen is de relatie tussen de loonontwikkeling en de verhouding inactieve en actieve inkomenstrekkers minder direkt. Zoals de memorie van antwoord al stelt, heeft een bovenmatige loonontwikkeling pas negatieve gevolgen voor het verhoudingscriterium na een periode van vier jaar. In hoeverre kan een bovenmatige loonontwikkeling in bijvoorbeeld 1992 en 1993 een reden zijn voor ontkoppeling in die jaren, terwijl het verhoudingscriterium daardoor pas jaren later wordt beïnvloed? Het lid van de RPF-fractie had begrip voor de argumentatie van de regering ten aanzien van de algemene formulering met betrekking tot de loonruimte. In dit verband wilde hij echter evenals de leden van de D66-fractie opmerken niet overtuigd te zijn dat een beoordeling van de loonstijging in reeds afgesloten CAO's minder relevant zou zijn. Deze gegevens zijn toch een belangrijke indicatie met betrekking tot de te verwachten getalsverhouding inactieven/actieven? Als er namelijk een trend is waar te nemen, waarin de looncomponent sterk wordt benadrukt, zal dat gevolgen hebben voor die verhouding.

3.3 Volumeontwikkeling

Voor wat de komende jaren betreft, wijst de regering op het belang van het realiseren van de taakstellingen met betrekking tot terugdringing van WAO en ziekteverzuim. De leden van de PvdA-fractie vernamen

graag van de regering, waarom hier niet is ingegaan op intensivering van het arbeidsmarktbeleid; zijnde een evenzeer belangrijk beleidsspoor om het verhoudingsgetal tussen actieven en inactieven in gunstige zin bij te sturen. De leden van de fractie van D66 betreurden het dat de regering demografische ontwikkelingen bij de koppelingsdiscussie wil blijven betrekken. Ten aanzien van immigratie en herintreding konden deze leden dat billijken. Als echter de groeiende groep AOW-gerechtigden zich straks schuldig moet voelen over hun rol in de ontwikkeling van de verhouding actievenniet actieven, die bepalend is voor het handhaven van de koppeling, zou dat een slechte zaak zijn. Deze groep nu laten delen in de effecten van ontkoppeling zou naar het gevoel van de leden van de fractie van D66 niet rechtvaardig zijn. Temeer niet daar de regering in de memorie van antwoord zelf stelt dat er voor een structurele divergentie tussen lonen en uitkeringen onvoldoende rechtsgrond bestaat, zeker als het gaat om postactieven die in het verleden naar vermogen een bijdrage aan de welvaartsontwikkeling hebben geleverd. Deze leden wilden opmerken ook een incidentele divergentie tussen lonen en uitkeringen voor in ieder geval AOW-gerechtigden ongelukkig te vinden. Dat siechts 10 a 20% van de AOW-gerechtigde huishoudens niet over een aanvullende pensioenvoorziening beschikt vonden zij in dat kader minder relevant. Het betreft immers altijd nog 100 a 200.000 huishoudens en ook aanvullende pensioenen zijn lang niet altijd riant, in verband met bijvoorbeeld pensioenbreuken. In paragraaf 5.2 wilden deze leden terugkomen op de eventueel gedifferentieerde koppeling.

De regering gaf te kennen dat geen onderscheid gemaakt wordt naar de oorzaken van een stijgende volumeontwikkeling. Dat vonden de leden van de Groen Linksfractie vreemd, zij hadden daarover al in een eerder stadium opgemerkt dat oorzaken als de vergrijzingen toename van asielgerechtigden wel leiden tot een hoger volume, maar niet toegeschreven konden worden aan een te hoge loonontwikkeling. Het idee om via ontkoppeling loonmatiging te bewerkstellingen slaat in dat geval nergens op, want er is in dat geval al sprake van loonmatiging. De hier aan het woord zijnde leden vonden dat deze opstelling verdacht veel lijkt op het verkapt invoeren van de derde afwijkingsgrond, namelijk die van de overheidsfinanciën. Bovendien hebben sociale partners part noch deel aan een dergelijke volumetoename. Zij vroegen hier een reactie van de regering.

3.4 Verhouding actieveninactieven De leden van de CDA-fractie hadden begrepen dat het aantal criteria om van een volledige koppeling te kunnen afwijken twee is, te weten een bovenmatige loonontwikkeling en een toeneming van het volume in de sociale zekerheid die een betekenende lastendrukstijging noodzakelijk maakt en dat er slechts één indicator is voor deze twee afwijkingsgronden, te weten de verhouding inactieven/actieven = 0,86. Hieraan verbindt de regering de conclusie dat het actueel zijn van één van beide afwijkingsgronden onvoldoende is om tot onvolledige koppeling over te gaan. De leden van de CDA-fractie vroegen zich af in hoeverre de regering hierin consistent handelt. Immers, wanneer door louter demografische factoren de verhouding inactieven/actieven verslechtert en de lastendruk moet stijgen, is volgens de regering ontkoppeling gewenst. In dit geval is slechts één afwijkingsgrond actueel en wordt toch ontkoppeld. De leden van de CDA-fractie wilden daarom nogmaals vragen om beide afwijkingsgronden in hun waarde te laten en niet gekunsteld te verlengen tot één criterium.

De leden van de CDA-fractie hadden geen antwoord gekregen op hun vraag met hoeveel cijfers achter de komma de regering wenst rekening te houden als het gaat om vast te stellen dat de verhouding inactieven/actieven verslechtert. Deze leden hadden geconstateerd dat in de memorie van antwoord de regering soms drie decimalen hanteert en dat ook het Centraal Planbureau dat doet. De cijfers die het Centraal Planbureau in Economisch Beeld 1992 verstrekt over de verhouding inactieven/actieven over de periode 1991-1994, geven echter aan dat bij hantering van twee decimalen volgehouden kan worden dat de verhouding inactieven/actieven niet verandert, terwijl bij rekenen in drie decimalen een verslechtering van bijna een honderdste punt kan worden geconstateerd. Verder vroegen deze leden zich af of de regering telkenmale wanneer zij moet beslissen over al of niet koppelen over de achtjaarseffecten van de loonontwikkeling beschikt. Dit betekent tevens dat de actuele verhouding inactieven/actieven onvoldoende indicatie vormt voor de beoordeling of moet worden ontkoppeld. Als de verhouding op enig moment verslechtert moet in beginsel worden ontkoppeld. Als de verhouding onveranderd blijft of zelfs verbetert, maar de achtjaarseffecten van de loonvorming op een toekomstige aantasting van de werkgelegenheidscreatie wijzen, dan moet in beginsel worden ontkoppeld. Graag vernamen deze leden of deze interpretatie juist is. Over de positie van het Centraal Planbureau wensten deze leden volstrekte duidelijkheid. De regering benadrukt de onafhankelijkheid van het CPB, maar duidelijkheid is gewenst over de wettelijke positie van het Centraal Planbureau en over wie uiteindelijk verantwoordelijkheid draagt voor de ramingen. De Sociaal-Economische Raad wijst in zijn advies van 29 juni 1990 op de formele wettelijk verankerde vaststelling door de regering van het Centraal Economisch Plan. Dit betekent dat het kabinet de loonraming uit de ontwerp-versie van het plan terzijde kan schuiven en door een haar meer welgezinde raming kan veranderen, aldus de SER. Graag vernamen deze leden welke garantie de regering kan bieden dat zij nooit van de wettelijke mogelijkheid gebruik zal maken. Wordt een wijziging van de wet op het centraal economisch plan overwogen? Overigens wilden de leden van de CDA-fractie precies weten wat de regering zal doen in de situatie zoals deze de laatste jaren zich regelmatig voordoet en die de regering voornemens is te continueren: het CPB raamt een ontwikkeling van de lonen en/of het aantal inactieven dat de regering onwelgevallig is. Het kabinet komt met een pakket beleidswijzigingen, dat, indien geïmplementeerd, de ramingen in de gewenst geachte richting verandert. Het CPB vindt deze beleidsbijstellingen boterzacht en weigert deze in het centrale pad op te nemen. Het aanvullende kabinetsbeleid wordt in een variant doorgerekend. Welk cijfer hanteert nu het kabinet: het cijfer uit het centrale pad of het cijfer van het centrale pad gecorrigeerd voor de variant inclusief aanvullend beleid?

Waar het verhoudingsgetal inactieven -actieven zo'n centrale plaats heeft gekregen bij de boordeling van de vraag of in enig jaar van de koppeling zal worden afgeweken, leek het de leden van de PvdA-fractie noodzakelijk dat uiterste duidelijkheid bestaat over de samenstelling van de verschillende grootheden. Relatief kleine veranderingen kunnen immers het verhoudingsgetal sterk beïnvloeden, vooral als zij aan beide zijden van de verhouding gelijktijdig eftect hebben, zo merkten deze leden op. Zij vroegen in dit verband of het juist is dat een toename van de werkgelegenheid met 20.000 arbeidsplaatsen (0,4%), waarvan de helft wordt bezet door werklozen en de andere helft door nieuw aanbod, het verhoudingsgetal met 0,5 doet afnemen. Om een helder inzicht te krijgen vroegen de leden van de PvdA-fractie allereerst welke omschrijving van de werkgelegenheid zal worden gehanteerd, en welke categorieën hierin meegeteld zullen worden. Als

voorbeeld noemden zij personen die gebruik maken van een VUT-regeling, personen die werken met een gedeeltelijke WAO-uitkering en personen die werken met gebruikmaking van arbvosubsidies zoals de KRA. Deze voorbeelden gaven, aldus de aan het woord zijnde leden, al aan dat het begrip «werkgelegenheid» niet geheel ondubbelzmnig is; reden waarom zij een specificatie vroegen. Voorts wilden deze leden weten of en in hoeverre gedeeltelijk arbeidsongeschikten, die geheel of gedeeltelijk werken, worden meegeteld in het volume niet-actieven, respectievelijk in het volume actieven. Ook waren zij geïnteresseerd in de plaatsing van personen die werk hebben gevonden in het Jeugdwerkgarantieplan en de Banenpools, respectievelijk via de KRA-loonkostensubsidie een arbeidsplaats hebben gekregen. Waar deze personen in de nieuwe werkloosheidsdefinitie van het CBS niet meer worden geteld als geregistreerde werklozen, gingen de leden van de PvdA-fractie ervan uit dat zij tot de actieven worden gerekend (een kwalificatie waarmee de betrokkenen overigens na gedane arbeid volmondig zullen instemmen). Ook deze voorbeelden leken deze leden voldoende aanleiding de regering te vragen nog eens precies te specificeren wat tot niet-activiteit wordt gerekend. Meer algemeen wilden deze leden ingaan op het probleem van dubbeltellingen. Kan het in de voorgestelde systematiek voorkomen dat iemand met zowel een bijstandsuitkering en een WAO-uitkering twee maal als inactief wordt aangemerkt? Een soortgelijke vraag, althans wat betreft de onderbrenging in het verhoudingsgetal, stelden deze leden over personen met zowel een uitkering als betaald werk. In dit verband was het deze leden opgevallen dat de regering niet ingaat op hun suggestie het verhoudingsgetal niet te benaderen vanuit het volume, maar vanuit het financieel beslag op de loonsom, respectievelijk het Nationaal Inkomen. Met de ontwikkeling naar verzelfstandiging van uitkeringsrechten (50% in de AOW) en de toename van gedeeltelijke uitkeringen in bijvoorbeeld de WAO, is er immers een tendens dat het gemiddelde uitkeringsjaar relatief goedkoper wordt. De leden van de PvdA-fractie vroegen een overzicht van de kosten van het volume niet-actieven per uitkeringsjaar, als aandeel in de loonsom en als aandeel in het NNI, én per actieve werknemer sinds 1985. Zij vroegen tevens hoe het verhoudingsgetal sinds 1985 er uitziet als niet het volume maar het financieel besiag gemiddeld loon: gemiddelde prijs van een uitkeringsjaar wordt genomen, en hoe zich dit getal de komende jaren zal ontwikkelen. Zij stelden deze vraag met reden. In het wetsvoorstel staat dat afgeweken wordt indien sprake is van een zodanige volumeontwikkeling in de sociale zekerheidsregelingen, dat daardoor een betekenende premie-of belastingsdrukverhoging noodzakelijk is. Dat is het uiteindelijke criterium. Het verhoudingsgetal is derhalve, aldus deze leden, een waardevolle indicator, maar ook niet meer dan dat. Wat betreft de ontwikkeling van het verhoudingsgetal vroegen de leden van de PvdA-fractie welk deel van de toename van het absolute volume niet-actieven de komende jaren puur demografisch bepaald is. Ook wilden zij weten voor welk deel van de groei de vergrijzing verantwoordelijk is, en hoe andere verzekeringen en voorzieningen bijdragen aan de volumeontwikkeling. In antwoord op vragen van de RPF-fractie laat de regering weten dat van onverkort toepassen van de koppelingen geen sprake kan zijn indien het verhoudingsgetal in 1992-1994 bij voortduring boven 0,86 uitkomt. Deze leden verstaan deze passage zo, dat niet afgeweken zal worden indien slechts incidenteel sprake is van een overschrijding van het verhoudingsgetal en dat met name het zicht op de langere termijn bepalend is voor de vraag of al dan niet tot ontkoppeling zal moeten worden besloten.

Belangrijk in dat verband achtten deze leden voorts de passage waarin de regering schrijft, dat eerst via compenserende maatregelen getracht zal worden het verhoudingsgetal omlaag te brengen en pas daarna, indien nodig, zal worden overgegaan tot ontkoppeling. De leden van de PvdA-fractie kunnen uit de twee aangehaalde passages niet anders concluderen dan dat het vaste voornemen van de regering nog altijd is om per 1-1-1992 de koppeling te laten plaatsvinden. Immers, uit de thans beschikbare cijfers blijkt weliswaar, afhankelijk van de aannames, dat voor de komende jaren sprake zal zijn van een structurele overschrijding van het verhoudingsgetal, maar ook dat daarbij geen rekening is gehouden met beleidsintensiveringen op bijvoorbeeld het terrein van ZW/WAO. Nog dit jaar zal de regering komen met initiatieven op zowel het vlak van arbeidsmarktbeleid als ten aanzien van het ZW/WAO-dossier, die alle beogen een dreigende verslechtering van het verhoudingsgetal om te buigen. Deze leden refereerden hier nogmaals en eens te meer aan omdat de regering zélf schrijft, dat maatregelen die eerst op termijn leiden tot een keer ten goede in het verhoudingsgetal in de beschouwing moeten worden betrokken. Aldus kan cijferfetisjisme worden voorkomen. Zich aldus baserend op hetgeen de regering ook overigens in de memories van toelichting en antwoord op dit terrein heeft opgemerkt, betrokken de leden van de PvdA-fractie samenvattend de volgende stelling: Indien de voorspellingen van het CPB in enig jaar erop duiden dat in het volgende jaar de afgesproken norm voor het verhoudingsgetal wordt overschreden, komen allereerst de volgende vragen aan de orde: a. zijn de voorspelingen voldoende exact om met redelijke zekerheid een komende overschrijding van het verhoudingsgetal te kunnen vaststellen; b. is de voorspelde normoverschrijding klein of groot van omvang, en (belangrijker) is zij onderdeel van een opgaande trend in het verhoudingsgetal of incidenteel van aard; c. is de voorspelde normoverschrijding het gevolg van een endogene ontwikkeling, zoals een verslechtering van de economische perspectieven, of is zij een rechtstreekse consequentie van regeringsbeleid, dan wel uitvloeisel van definitiewijzigingen of statistische correcties; d. met behulp van welke beleidsmaatregelen ten aanzien van werkgelegenheid, werkloosheidsbestrijding en het overig volume in de sociale zekerheid kan het draagvlak vergroot worden, respectievelijk de voorgestelde normoverschrijding worden vermeden; e. indien op deze prealabele vragen een zodanig antwoord moet worden gegeven dat de koppeling slechts gedeeltelijk kan worden toegepast, welke maatregelen worden dan voorgesteld om: -in de volgende jaren een daling van het verhoudingsgetal te bereiken, zodat de koppeling kan worden hersteld, en -in het onderhavige jaar ook zonder volledige koppeling een rechtvaardige en gelijkwaardige ontwikkeling van alle inkomens te bereiken. De leden van de PvdA-fractie gaven met deze opsomming tevens aan welke maatstaven zij zullen hanteren om een voorstel van de regering tot gedeeltelijke ontkoppeling op zorgvuldigheid te beoordelen. Voldoet een dergelijk voorstel niet aan deze elementaire maatstaven, dan behoeft op de steun van deze leden niet te worden gerekend.

De leden van de Groen Linksfractie hadden op vele punten duidelijkheid verkregen en waren daarvoor de regering erkentelijk. Uit de memorie van antwoord hadden zij begrepen, dat bij de praktische toepassing van de wet de getalsverhouding inactiefactief centraal staat. De leden van de Groen Linksfractie wensten een poging te ondernemen om volstrekte helderheid te verkrijgen en zij verzochten de regering om een oordeel over de volgende passage. Alleen deze getalsverhouding bepaalt in hoeverre er gedacht wordt

aan ontkoppeling (en een advies aan de SER wordt gevraagd) of er daadwerkelijk wordt ontkoppeld en wanneer weer wordt gekoppeld. Het doet niet terzake hoe hoog de contractloonstijging als zodanig is, zolang de getalsverhouding maar niet wordt gewijzigd. Een generale loonstijging van bijvoorbeeld 7% hoeft geen probleem te zijn voor de koppeling, zolang de verhouding maar niet verslechtert (als gevolg van bijvoorbeeld een gelijktijdige sterke groei van de internationale handel, die de werkgelegenheid sterk bevordert). Het doet ook niet terzake, wat de oorzaak is van een verslechterende getalsverhouding. Of deze verslechtering gedeeltelijk of alleen wordt veroorzaakt door vergrijzing, een groeiend beroep op de AOW, of toename van het aantal asielzoekers, als gevolg van bijvoorbeeld calamiteiten of verslechtering van de mensenrechtensituatie in delen van de wereld, of een te lage groei van de werkgelegenheid, is op geen enkele wijze relevant. Als in de jaren 1992 en daarna op de één of andere wijze het cijfer hoger uitkomt dan 0,86 kan sprake zijn van ontkoppeling cq. wordt niet op voorhand automatisch gekoppend. Indien de getalsverhouding blijft staan op 0,86, dan wordt onder alle omstandigheden gekoppeld. Kwam deze beknopte versie van deze leden volledig overeen met de opvatting van de regering? De regering stelt dat in het getalsverhoudingscijfer zowel het volume-criterium als het loonstijgingscriterium tot uitdrukking komen. De leden van de Groen Linksfractie vroegen zich af, of de regering nog een andere praktische uitwerking van de twee criteria heeft overwogen. En waarom, zo vroegen deze leden zich af, is gekozen voor dit verhoudingscijfer? Enige mathematische creativiteit zal beslist kunnen leiden tot andere indicatoren. Zij refereerden aan het geval van ontslagwerkloosheid, zoals ook behandeld in de memorie van antwoord, waarbij in zekere zin sprake is van een dubbeltelling. Bovendien wilden de leden graag weten of het getal (bijvoorbeeld 0,862 in 1991) afgerond wordt op twee cijfers na de komma, of meer cijfers achter de komma toelaat, en zo ja, hoeveel dan? De hier sprekende leden zouden graag van de regering vernemen op welke wijze de getalsverhouding actiefinactief wordt berekend en hoe de teller en de noemer zijn samengesteld. Zij namen daarbij aan dat in uitkeringsjaren, respectievelijk arbeidsjaren wordt gerekend. Voorts vroegen de leden (opnieuw) naar de wijze waarop de regering met de koppeling in 1991 zou zijn omgegaan, indien dit wetsvoorstel van kracht zou zijn geweest. Het verhoudingsgetal voor 1991 bedraagt immers 0,862. Een, zij het minimale, overschrijding van de norm. Wat is de betekenis daarvan? Reden om te gaan praten over ontkoppeling? Reden om daadwerkelijk te ontkoppelen? Deze leden zeiden te hechten aan een antwoord van de regering terzake, om helder te krijgen wat nu precies de politieke functie van dit, naar het zich laat aanzien, zo centrale cijfer. Daarnaast vroegen deze leden of het in de bedoeling ligt om dit cijfer in de toekomst naar beneden bij te stellen, indien zich de situatie voordoet dat de jaarlijks berekende getalsverhouding structureel onder de 0,86 blijft. Of is het mogelijk, zoals zich feitelijk heeft voorgedaan sinds het Regeeraccoord, dat het cijfer wordt verhoogd? Wat is de regering van plan, als de aanval op het ziekteverzuim of de arbeidsongeschiktheid mislukt? Dan wordt de 0,86 waarschijnlijk voor langere tijd fors overschreden en dus wordt er dan jarenlang niet meer gekoppeld. Overweegt de regering dan bijstelling van het cijfer? Of houdt men juist vast aan de 0,86 omdat in bij dit getal nog sprake is van het rondlopen van de koppeling, en bij een verhoging niet meer? Interessant vonden de leden de passage waarin de regering te kennen geeft de koppeling niet afhankelijk te maken van deze ambities. Deze ambities betreffen ongetwijfeld ook een terugdringing van het beroep op de sociale zekerheid, en daarmee samenhangend, meer werkgelegenheid en economisch actieven. Daar is de koppeling toch wel van afhankelijk? Of betekent dit

dat onder omstandigheden verhoging van de getalsverhouding mogelijk is? En wat zijn die omstandigheden dan? Wat is de betekenis van deze zinsnede, zo vroegen deze leden. Het vraagstuk van de compenserende maatregelen vonden de leden van de Groen Linksfractie van zeer groot belang. Zij wilden weten hoe de afweging van de regering terzake zal functioneren. Niet alleen de sociale partners, maar ook de regering zelf worden door de regering onder druk gezet om, eenvoudig gesteld, een situatie van meer werk en minder uitkeringen tot stand te brengen. Deze wet vormt dus voor de regering een extra reden voor hardere maatregelen te kiezen, ervan uitgaande dat ook dit kabinet aan de koppeling is gehecht. Wat komt nu eerst? De koppeling? En dan de maatregelen die (mede) daarvoor noodzakelijk zijn? Of worden eerst de maatregelen op zichzelf beschouwd en ziet het kabinet wel wat de effecten op de koppeling zijn? Als voorbeeld gaven de leden het vraagstuk van de arbeidsduurverkorting. Heel veel mensen, instellingen, organisaties en politieke partijen zijn daar voorstander van, al jarenlang, maar de praktijk is bedroevend. Ook dit kabinet geeft te kennen dat het in eerste instantie een zaak van sociale partners is. Ous zal de komende jaren nauwelijks enige vooruitgang worden geboekt. Tegelijkertijd is arbeidsduurverkorting bij uitstek een maatregel, die de koppeling nieuwe stijl kan redden. Het heeft de omgekeerde werking van een massaontslag op de getalsverhouding. Waar kiest het kabinet nu voor? Als ze ADV aan de sociale partners overlaat, is de ADV goeddeels van de agenda en wordt de koppeling niet uit de gevarenzone gehaald. Of wordt er ontkoppeld. En dan? Dan wel drastischer maatregelen? Kortom, wanneer is ADV als middel om de koppeling te redden voor de politiek een prioriteit? Zij vroegen de regering om een uitgebreide toelichting. Voorts vroegen de leden van de Groen Linksfractie zich af, hoe de regering zal omgaan met besluitvorming over maatregelen, die een mogelijk negatief effect op de getalsverhouding hebben. Het zou kunnen zijn, dat in de komende jaren vanuit humanitaire overwegingen een ruimhartiger toelatingsbeleid voor asielzoekers ook door de regering noodzakelijk wordt geacht. Wordt een dergelijk besluit dan beoordeeld op het effect daarvan op de getalsverhouding? En acht de regering het dan niet vreemd, dat uitkeringsgerechtigden de «prijs» betalen voor dergelijke maatregelen via mogelijke ontkoppeling? De leden van de Groen Linksfractie waren zeer teleurgesteld in de houding van het kabinet inzake het WRR-rapport. Het enige, wat tot nu toe uit de koker van het kabinet is gekomen is een discussie over het minimumloon. Het zou de hoogste tijd worden, dat het kabinet de oorverdovende stilte rond arbeidsduurverkorting doorbreekt en een serieuze discussie start over ADV. Welke zijn immers andere compenserende maatregelen, die net als ADV werkelijk zoden aan de dijk zetten, gelet op de getalsverhouding, zo vroegen zij de regering. Ook de leden van de Groen Linksfractie vonden overigens de opname van de Ziektewet in de teller merkwaardig en onjuist.

Het verhoudingscriterium tussen inactieven en actieven kan ook nadelig beïnvloed worden door andere factoren dan een bovenmatige loonontwikkeling en een wijziging van het volume in de sociale zekerheid. De leden van de fractie van de SGP dachten daarbij aan bijvoorbeeld een toename van het vervroegde uittreden en het langer studeren van jongeren. In hoeverre kan er ontkoppeld worden indien door dergelijke factoren het aantal actieve inkomenstrekkers vermindert en daarmee het verhoudingscriterium verslechtert? Indien in de zomer redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de verhouding inactievenactieven dreigt uit te stijgen boven de 0,86, zal moeten worden overwogen om de koppeling

los te laten en de uitkeringen en minimumlonen te verhogen conform de prijsontwikkeling, aldus de memorie van antwoord. Dit wekt de suggestie alsof een verhoging conform de prijsontwikkeling het enig alternatief is bij ontkoppeling. Er kan toch evenzeer een percentage gekozen worden dat ligt tussen de prijs-en de loonontwikkeling?

Het RPF-fractielid kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de regering reeds op korte termijn een ontkoppeling voorziet. Het CPB verwacht voor 1992-1994 immers een getalsverhouding, die hoger uitkomt dan 0,86. Bovendien duidt de stelling van de regering, dat de getalsverhouding in elk geval niet verder mag verslechteren, in een tijd van economische stagnatie toch ook bepaald niet op hoge verwachtingen. Het was dit lid nog niet duidelijk wat de verwachtingen van de regering op dit punt zijn. In antwoord op een vraag hiernaar antwoordt de regering slechts zijdelings, door een streefgetal te noemen. Zijn streven en verwachten voor dit kabinet synoniem?

3.5 Budgetdiscipline

De leden van de CDA-fractie hadden met grote instemming gelezen dat de regering de budgettaire problematiek wil oplossen door uitgavenvermindering en niet via lastenverzwaring. Naar de mening van deze leden is dit ook de financieringsmethode voor de lastenverlichting bij een eventuele ontkoppeling. Graag hoorden zij een reactie van de regering op deze redenering.

Ook de leden van de PvdA-fractie hadden met instemming kennisgenomen van de opvatting van de regering over de overheidsfinanciën als afzonderlijke afwijkingsgrond. Met de regering zijn deze leden van oordeel, dat ingeval van generieke begrotingsproblemen oplossingen daarvan in eerste instantie gevonden moeten worden op verschillende begrotingshoofdstukken en niet in een generieke beperking van de stijging van de uitkeringen. Bejaarden, arbeidsongeschikten en werklozen zijn in een rijk land als het onze niet de eersten om bij te dragen aan oplossingen van de problemen van 's Rijks financiën. Wel zal er alles aan gelegen moeten zijn om het volume uitkeringsgerechtigden te beperken, om langs deze weg een bijdrage te leveren aan budgetdiscipline.

De leden van de fractie van de SGP waren van mening dat ook de algemene financiële situatie van het rijk een rol moet kunnen spelen bij de vraag naar handhaving van de koppeling. Wanneer er sprake is van een generieke problematiek, waarbij de sociale uitkeringen niet buiten beschouwing gelaten kunnen worden, kiest de regering voor een gerichte beperking van de aanspraken en niet voor een algemene ontkoppeling. Het argument daarvoor is dat ontkoppeling een makkelijk te nemen maatregel is en daarom sneller gebruikt zal worden. De leden van de fractie van de SGP erkenden dat ontkoppeling een eenvoudiger middel is dan een gerichte ingreep in het stelsel van sociale zekerheid. Dat hoeft echter niet te betekenen dat dit middel ook sneller zal worden toegepast. Wanneer in principe de keuze gedaan wordt om te koppelen, zal men goede argumenten moeten hebben om te ontkoppelen. Daarbij komt dat gerichte ingrepen voor de betrokkenen veel dieper ingrijpen en ook veel moeilijker te nemen zijn. Laat de huidige gang van zaken rond de WAO/AAW dat niet duidelijk zien?

Het lid van de RPF-fractie had kennisgenomen van de gedachtenwisseling over een budgettaire afwijkingsgrond. Hij merkte naar aanleiding hiervan op dat het argument van de regering dat dit het gevaar in zich

bergt dat ontkoppeld zal worden, geen hout snijdt. Elke afwijkingsgrond draagt dat gevaar toch in zich? Dit lid zette vraagtekens bij het regeringstandpunt ten aanzien van een concretisering van een eventuele beperking van rechten en van volume. Waarom is het niet mogelijk nu reeds met voorstellen in die richting te komen? En is er niet momenteel al sprake van een budgettaire problematiek?

3.6 Aanpassing in geval van afwijking De leden van de fractie van D66 vroegen of de regering thans al enig idee heeft van het percentage waarmee de uitkeringen eventueel zullen worden aangepast bij de (gegeven) afwijking van de contractlonen.

3.7 Afwijkingsgronden in het SER-advies De leden van de CDA-fractie constateerden dat de regering niet wenst te luisteren naar de unanieme opvatting van de SER om drie aanvullende, voornamelijk technische afwijkingsgronden op te nemen. Het feit dat de SER geen bevredigende vorm kan geven aan deze afwijkingen hoeft toch niet te betekenen dat de regering tot inertie vervalt, zo vroegen deze leden. Verder acht de regering de gevolgen van een loondifferentiatie een kwestie van langere termijn. Deze leden hadden vastgesteld dat de Dienst Collectieve Arbeidsvoorwaarden (DCA) heeft berekend dat in de tot april afgesloten contracten voor 1991, bij een gemiddelde contractloonmutatie van 3,32 procent, ruim 30 procent van het aantal werknemers een loonmutatie ondervindt van minder dan 3 procent en ruim 10 procent zelfs van minder of gelijk aan 2 procent. Acht de regering dit soort ontwikkelingen te verwaarlozen in het kader van de koppelingsproblematiek? Het lid van de RPF-fractie had vastgesteld dat de regering zwaarwegende argumenten heeft om de drie additionele afwijkingsgronden uit het SER-advies niet over te nemen. Hij hoopte dat dit niet tot ongewenste situaties betreffende de loonontwikkeling in bepaalde sectoren zou leiden. Verwacht de regering op grond van de ontwikkelingen in de afgelopen jaren dat één van deze afwijkingsgronden niet reeds op korte termijn alsnog in de WKA zal moeten worden opgenomen?

  • Relatie met het arbeidsvoorwaardenbeleid

De leden van de CDA-fractie hadden met instemming gelezen dat de regering de overdracht van de WAO naar de ZW niet uitsluit. Deze leden wilden bij andere dossiers op dit punt terugkomen. Met grote instemming hadden deze leden overigens gelezen dat de regering de bekende bijlage 5 uit de Tussenbalans heeft ingetrokken.

De leden van de Groen Linksfractie vroegen zich af waarom de regering het ambtenarenoverleg als voldoende vrij beschouwde om het resultaat daarvan mee te nemen in de generale contractloonstijging. De brief van de minister-president nadat het akkoord voor april 1991-maart 1992 was ondertekend door partijen, deed namelijk beslist anders vermoeden. Ook ten aanzien van de g + g-sector hadden deze leden hun twijfels over de mate waarin sprake was van een marktconform overlegmodel.

  • Overige aspecten

5.1 Indexeringssystematiek

In antwoord op vragen van de SGP-fractie terzake antwoordt de regering, naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie terecht, dat het CPB verantwoordelijk is en blijft voor haar eigen ramingen. Dit neemt niet weg, aldus deze leden, dat ook de regering verantwoordelijk is voor haar eigen conclusies met betrekking tot deze ramingen. Dit betekent bijvoorbeeld dat, wanneer het CPB bepaalde relevante beleidsintensiveringen niet of slechts beperkt wil meenemen in haar doorrekeningen, het aan de regering zelf is om dat in meer of mindere mate wél te doen, dan wel het CPB te verzoeken met deze beleidsintensiveringen rekening te houden. Naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie zal de regering mede omwille van haar eigen geloofwaardigheid in substantiële mate de volume-en werkgelegenheidseffecten van haar eigen beleidsvoornemens moeten laten meewegen in prognoses van het CPB. Daar komt nog bij, dat de tekst van de wet wél dwingend vaststelt dat het CPB gevolgd moet worden waar het gaat om de voorspelling van de contractloonontwikkeling, maar niet waar het gaat om het verhoudingsgetal. Juist omdat de regering ten aanzien van het verhoudingsgetal een eigen verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot het ombuigen van een eventuele negatieve ontwikkeling van dit getal, is tevens sprake van een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om het beoordelen van de ontwikkeling van het verhoudingsgetal zélf.

De leden van de Groen Linksfractie merkten op dat de voorspelling van het CPB ten aanzien van de loonontwikkeling in sommige gevallen er nogal fors naast zitten. Hoe beoordeelt de regering deze afwijkingen in het licht van de voorgestelde systematiek, waarin de CPB-ramingen in MEV en CEP zo centraal staan? Acht de regering deze afwijkingen geen bezwaar?

5.2 De nettonettokoppeling en gedifferentieerde koppeling Zoals al eerder opgemerkt, betreurden de leden van de fractie van D66 het dat thans nog geen regeringsstandpunt op het WRR-advies «Een werkend perspectief» voorhanden is. De WRR stelt immers vóór, vanaf 1993 voor de 1990-generatie de minimumlonen te individualiseren, dat wil zeggen op 70% te bepalen, onder gelijktijdige bevriezing van de minimumuitkeringen, waarbij de WRR een nieuw ijkpunt voorstelt met betrekking tot het sociaal minimum. De discussie over de nettonettokoppeling en de gedifferentieerde koppeling had dan gevoerd kunnen worden in het kader van het WRR-advies en het regeringsstandpunt daarbij. Deze leden hadden de indertijd gewisselde stukken over de gedifferentieerde koppeling (TK 20800 nrs. 14 en 44) er nog eens op nagelezen. De fractie van D66 heeft toen een onderscheid willen maken tussen uitkeringsgerechtigden met en zonder arbeidsmarktperspectief. Dat lijkt nog steeds een rechtvaardig onderscheid, zeker waar dit kabinet toch een activerend arbeidsmarktbeleid bepleit, waardoor op den duur, als alles goed gaat, mensen met een arbeidsmarktperspectief niet meer werkloos hoeven te zijn. In de D66-notitie (20800 nr. 14) wordt erkend dat er problemen ontstaan als het minimumloon bevroren wordt dan wel anderszins wordt ontkoppeld en tegelijkertijd de aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen wel meegroeien met de welvaartsontwikkeling. Ook toen al is door D66 gesteld dat het in dat geval nodig is een nieuw ijkpunt te formuleren voor de minimumuitkeringen. Bij de vrees die bij de regering bestaat dat bepaalde minimumuitkeringsgerechtigden meer zouden krijgen dan

mensen die tegen het minimumloon werken, kan aangetekend worden dat er maar zeer weinig werknemers boven de 23 jaar zijn die op het minimumniveau werkzaam zijn. Bovendien maakt verhoging van het arbeidskostenforfait het gaan werken vanuit een minimumuitkeringssituatie aantrekkelijker. Voor een gedifferentieerde koppeling, waarbij in ieder geval AOW-gerechtigden meedelen in de welvaart, pleit ook dat het vanuit pensioenoogpunt gewenst is dat zekerheid bestaat omtrent de hoogte van de AOW.

De leden van de GPV-fractie stelden dat de mogelijkheid van afwijking een verbetering is ten opzichte van de huidige systematiek. Maar het is wel de vraag of alles aan alles gekoppeld moet worden. Waar mogelijk moet een gelijke welvaartsontwikkeling worden gerealiseerd tussen werkenden en niet werkenden, maar dit zou niet mogen leiden tot een verstoring van de arbeidsmarktverhoudingen. Gelet op het feit dat er nog steeds sprake is van onevenwichtige verhoudingen in ons sociaal bestel zou de koppelingssystematiek zodanig ingericht dienen te zijn dat deze een bijdrage levert aan de vermindering van deze onevenwichtigheden. Een achterblijven van de ontwikkeling van het minimumloon bij de ontwikkeling van het minimumuitkeringsniveau konden deze leden geen bijdrage leveren aan het verminderen van de bedoelde onevenwichtigheden. Dat zou wel het geval zijn indien beide, minimumloon en minimumuitkering, zouden achterblijven bij de gemiddelde welvaartsontwikkeling. De AOW-uitkering en de bovenminimale uitkering zouden deze ontwikkeling wel kunnen volgen. Het bezwaar van de regering dat dan in feite twee minimumniveaus zouden ontstaan, vonden deze leden niet doorslaggevend. Immers, nu de regering positief staat tegenover een verhoging van het arbeidskostenforfait laat zij in feite de nettonettokoppeling los. Ook daarmee ontstaan twee minimumniveaus. Zij zagen niet in waarom het ene wel en het andere niet als een bezwaar wordt beschouwd. Verder vreesde de regering een discussie over welke uitkeringen nu wel en welke niet als arbeidsmarktrelevant dienen te worden beschouwd. Naar het oordeel van deze leden moest in ieder geval de AOW-uitkering als niet-arbeidsmarktrelevant worden beschouwd. Nu het beleid er steeds meer op gericht raakt de restcapaciteit van arbeidsongeschikten te benutten, neemt de arbeidsmarktrelevantie van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toe. Deze leden vroegen de regering in te gaan op bovenstaande beschouwingen.

5.3 Internationale aspecten

De leden van de SGP-fractie maakten uit het overzicht van de regering op dat Nederland wat betreft het niveau van uitkeringen en minimumloon in de EG vrij hoog zit. Op zichzelf is dat niet negatief te waarderen, maar het moet wel tot voorzichtigheid leiden, gezien de grotere concurrentie binnen de EG na de realisatie van de interne markt. In de meeste EG-lidstaten worden de minimumlonen en de uitkeringen aangepast aan de ontwikkeling van de prijzen. Bestaat niet het gevaar dat het minimumloon en de uitkeringen in Nederland in relatie tot de andere EG-lidstaten nog verder uit elkaar gaan lopen, waardoor de concurrentiepositie van Nederland in gevaar komt? Ook de verhouding in de andere EG-lidstaten van het aantal inactieven en actieven is daarbij van belang. Indien uit onderzoek blijkt dat die norm in andere EG-lidstaten een stuk lager ligt, is dat dan voor de regering aanleiding om de 0,86 norm bij te stellen?

  • Advies-en besluitvormingsprocedure

De leden van de CDA-fractie hadden uit de beschouwingen van de regering begrepen dat zij thans rekening houdt met een jaarlijkse raadpleging van de SER.

In principe is het mogelijk dat er op 1 januari ontkoppeld wordt en op 1 juli gekoppeld, terwijl ook omgekeerd het mogelijk is dat op 1 januari de koppeling gehandhaafd blijft terwijl er op 1 juli ontkoppeld wordt. Dit betekent dat tweemaal per jaar de discussie gevoerd zal worden of er wel of niet ontkoppeld moet worden. De leden van de fractie van de SGP zagen die discussie liever beperkt tot een keer per jaar, zodat in beginsel per 1 januari voor een heel jaar wordt besloten om te koppelen of te ontkoppelen. Enerzijds geeft dit voor de betrokken ontvangers van een minimumloon of een uitkering meer zekerheid dan dat zij ieder half jaar moeten afwachten of er wel of niet gekoppeld wordt. In de tweede plaats betekent het voor de ambtenaren en voor de politiek extra tijd en geld, wanneer die discussie tweemaal per jaar gevoerd wordt. Is hier niet sprake van onnodige overregulering door een overheid die zaken te gedetailleerd wil regelen? Deze leden wilden dan ook een nadere onderbouwing van de noodzaak hiervan. De argumenten van de regering om de SER niet jaarlijks, maar alleen wanneer de regering besluit tot ontkoppeling, om advies te vragen, vonden de leden van de fractie van de SGP niet overtuigend. Het vraagstuk van de koppeling heeft in dit wetsvoorstel door de ruime formulering van de criteria voor ontkoppeling en de lange termijn waarop de houdbaarheid van de koppeling beoordeeld wordt (tot acht jaar) een sterk beleidsmatig karakter gekregen. Een jaarlijks advies van de SER, waarbij de SER ook in principe uit moet gaan van de handhaving van de koppeling totdat het tegendeel blijkt, was volgens de leden van de fractie van de SGP dan ook zinvol. Zij vroegen de regering om haar standpunt in dezen te heroverwegen.

Artikelsgewijze opmerkingen

Artikel 14 lid 3

De leden van de fractie van de SGP bleven moeite houden met de mogelijkheid die artikel 14 lid 13 aan de regering biedt om tot drie maanden de geldigheidsduur van de bestaande bedragen te verlengen. Zij waren van mening dat het in beginsel mogelijk is om vóór 1 januari respectievelijk 1 juli de procedure met betrekking tot de koppeling of ontkoppeling af te ronden. In de jaren ' 80 is dit ook steeds gebeurd wanneer het ging om het buiten werking stellen van de WAM. De termijn van drie maanden vonden deze leden in ieder geval te lang; zij vroegen zich af waarom een termijn van maximaal één maand niet voldoende zou zijn.

De voorzitter van de Commissie, Doelman-Pel De griffier van de Commissie, Van Dijk

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.