Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 7

NOTA VAN WUZIGING Ontvangen 22 mei 1991

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

  • De aanduiding van onderdeel A wordt gewijzigd in: A1.
  • In onderdeel A1 worden aan artikel 14 een vijftiende en een zestiende lid toegevoegd, luidende: 15. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt bij algemene maatregel van bestuur verlaagd in de mate waarin en met ingang van het tijdstip waarop de minimumvakantiebijslag met toepassing van artikel 15, vierde lid, wordt verhoogd. Het tiende, elfde en twaalfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Wanneer een verlaging op grond van dit lid samenvalt met een bijzondere wijziging op grond van het veertiende lid, worden de in artikel 8, eerste lid, genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld en is tevens het negende lid van overeenkomstige toepassing. 16. Wanneer een bijzondere wijziging of een verlaging op grond van het veertiende of vijftiende lid samenvalt met een toepassing van het eerste tot en met het vijfde en het elfde lid, worden de in artikel 8, eerste lid, genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld, met dien verstande dat in dat geval voor de toepassing van het eerste tot en met het vijfde en het elfde lid wordt uitgegaan van de op grond van het veertiende of vijftiende lid herziene bedragen. 3. Na onderdeel A1 wordt een nieuw onderdeel A2 ingevoegd, luidende:

A2 Artikel 15, vierde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt vervangen door: 4. Onze Minister vraagt in de adviesaanvrage, bedoeld in artikel 14, veertiende lid, tevens advies over de vraag of de ontwikkeling van het niveau van de in collectieve arbeidsovereenkomsten overeengekomen vakantiebijslag een verhoging van de minimumvakantiebijslag wenselijk maakt. Nadat een advies als in dit lid bedoeld is uitgebracht, kan bij algemene maatregel van bestuur het percentage, genoemd in het eerste lid, en dienovereenkomstig het percentage, genoemd in artikel 16, tweede en derde lid, worden verhoogd; daarbij kan tevens een minimumbedrag worden vastgesteld voor de aanspraak van de werknemer jegens zijn werkgever ingevolge het eerste lid.

Toelichting Deze nota van wijziging behelst allereerst de toevoeging van een vijftiende en zestiende lid aan het voorgestelde nieuwe artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (A1). Het tweede deel van de nota van wijzigingen betreft de vervanging van het vierde lid van artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (A2).

Met betrekking tot het vijftiende lid van artikel 14 kan het volgende worden opgemerkt. Volgens de vigerende WAM-systematiek wordt de loonindex, grondslag voor de aanpassing van minimumloon en uitkeringen, geschoond voor een aantal beloningscomponenten. De voorgestelde WKA-systematiek voorziet niet in een dergelijke schoning: de CPB-raming voor de ontwikkeling van de contractlonen is «ongeschoond». Vanuit een oogpunt van eenvoud verdient dit de voorkeur. Mede gelet op het feit dat het veelal om niet-structurele elementen gaat en gezien het gebleken geringe kwantitatieve belang in het verleden, menen wij dat ook zonder bezwaren van schoning kan worden afgezien. Ten aanzien van de component vakantiebijslag zou zich echter een specifieke problematiek kunnen voordoen. Verhogingen van de contractuele vakantiebijslagpercentages werken in de WKA-systematiek structureel door in de aanpassing van de maand-, week-en dagbedragen van minimumloon en uitkeringen. Voor die minimumloners die uit hoofde van hun arbeidscontract profiteren van een vakantiebijslagverhoging (omdat zij bv. vallen onder een cao waarin een dergelijke verhoging is opgenomen), betekent dit al een voordeel. Indien echter op betekenende schaal sprake is van verhogingen van de contractuele vakantiebijslagpercentages, kan dit er tevens toe leiden dat -ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag -wordt besloten tot verhoging van het percentage van de wettelijke minimumvakantiebijslag. Zonder nadere voorziening zou dan voor alle minimumloners en uitkeringsgerechtigden overcompensatie optreden: de vakantiebijslagverhoging wordt dan aan allen zowel via de vakantiebijslag zelf als via de maand-, week-en dagbedragen van minimumloon en uitkeringen doorgegeven. Dit achten wij onjuist. Het specifieke karakter van de vakantiebijslag -die anders dan overige bijzondere beloningscomponenten een wettelijke grondslag kent -en het feit dat het -in tegenstelling tot overige componenten -om een structurele component gaat, maken een nadere voorziening naar ons oordeel noodzakelijk. Hiertoe strekt het vijftiende lid. Uit dit lid vloeit voort dat een verhoging van de wettelijke minimumvakantiebijslag steeds gepaard zal gaan met een dienovereenkomstige verlaging van het minimumloon en de uitkeringen: de overcompensatie wordt aldus ongedaan gemaakt.

Voor wat betreft de vraag hoe een en ander procedureel verloopt, is het goed op deze plaats het tweede onderdeel van de nota van wijziging te bezien. Dit onderdeel -A2 -betreft een wijziging van artikel 15, vierde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. In de huidige situatie is sprake van afzonderlijke, in de tijd niet synchroon lopende, SER-adviesaanvragen omtrent een bijzondere aanpassing van het minimumloon enerzijds en een minimumvakantiebijslagaanpassing anderzijds. Vanuit een oogpunt van stroomlijning van adviesprocedures, verdient het de voorkeur tot een geïntegreerd adviestraject te komen. Het voorgestelde nieuwe vierde lid van artikel 15 bepaalt dat in de adviesaanvrage betreffende een eventuele bijzondere wijziging van het minimumloon, die ingevolge het veertiende lid van artikel 14 ten minste vierjaarlijks dient te worden uitgebracht, ook advies zal worden gevraagd over een eventuele verhoging van de minimumvakantiebijslag. Dit voorstel leidt er derhalve toe dat de SER-adviesaanvrage steeds (ook indien deze «tussentijds» wordt gedaan) betrekking zal hebben op zowel het minimumloon/de uitkeringen als de wettelijke vakantiebijslag. De besluitvorming naar aanleiding van het SER-advies kan dan ook geïntegreerd plaatsvinden Een verhoging van de minimumvakantiebijslag -als resultaat van bedoelde besluitvorming -dient te worden gerealiseerd bij amvb. Terugkerend naar het eerste deel van de nota van wijziging: op grond van het voorgestelde artikel 14, vijftiende lid, dient de dienovereenkomstige verlaging van het minimumloon gelijktijdig en ook bij amvb te worden gerealiseerd. Dit betekent dat in de praktijk één amvb zal worden getroffen, waarin zowel de verhoging van de vakantiebijslag als de verlaging van het minimumloon wordt geregeld; deze amvb is dan gebaseerd op zowel het vierde lid van artikel 15 als het vijftiende lid van artikel 14. Heel goed denkbaar is echter dat zo'n amvb nog een derde grondslag krijgt. Gelijktijdig met de besluitvorming over de minimumvakantiebijslag -met daaraan verbonden de overeenkomstige verlaging van het minimumloon -vindt immers de besluitvorming inzake een mogelijke bijzondere wijziging van het minimumloon op basis van het veertiende lid van artikel 14 plaats. Ook een dergelijke wijziging behoeft een amvb. De situatie kan zich voordoen dat er gelijktijdig aanleiding bestaat voor een verhoging van de vakantiebijslag enerzijds en voor een bijzondere wijziging van het minimumloon anderzijds. Ingevolge de derde volzin van het vijftiende lid van artikel 14 wordt in dat geval de «automatische» verlaging van het minimumloon (verbonden aan de verhoging van de vakantiebijslag) in één amvb «verwerkt» met de bijzondere aanpassing van het minimumloon. Alsdan is sprake van een amvb, gebaseerd op drie bepalingen uit de wet: artikel 15, vierde lid (vakantiebijslag) en artikel 14, veertiende plus vijftiende lid (minimumloon). Van belang in dit verband is op te merken dat de minimumloonverlaging van het vijftiende lid derhalve op zich zelf wel een «automatische» is, maar dat omstandigheden als bedoeld in het veertiende lid -voorzover aanwezig -het uiteindelijke resultaat mede bepalen.

In de situatie dat een samenloop tussen verlaging van het minimumloon ex artikel 14, vijftiende lid, en bijzondere wijziging ex artikel 14, veertiende lid, aan de orde is zal de desbetreffende amvb aan het parlement moeten worden voorgelegd: het negende lid van artikel 14 is in dat geval -evenals bij een wijziging uit hoofde van het veertiende lid «sec» -van toepassing. In de situatie dat een amvb uitsluitend op artikel 15, vierde lid, en artikel 14, vijftiende lid, is gebaseerd, menen wij dat van voorlegging kan worden afgezien; voor de vakantiebijslagverhoging geldt van oudsher geen voorhangprocedure, terwijl de voorziening van het vijftiende lid van artikel 14, zoals gezegd, op zichzelf een automatisme vormt.

Het voorgestelde zestiende lid van artikel 14 betreft het geval dat de toepassing van het veertiende en/of vijftiende lid in de tijd samenvalt met de reguliere aanpassingsmomenten van het minimumloon (1 januari resp. 1 juli). In een dergelijk geval dient duidelijk te zijn waarop de reguliere aanpassing voortbouwt: op het oude minimumloonniveau of op het overeenkomstig het veertiende en/of vijftiende lid herziene niveau.

Het laatste is, gezien de aard van de onderscheiden aanpassingen het meest logisch. In het zestiende lid wordt dit geregeld. Tevens vloeit uit het zestiende lid voort dat de reguliere herziening in zo'n geval niet geschiedt bij ministeriële regeling, maar bij amvb. Indien op grond van het vijfde lid wordt afgezien van een herziening, is eveneens het zestiende lid van toepassing.

Op het tweede deel van deze nota van wijziging -de toevoeging van onderdeel A2 -is eerder in deze toelichting al ingegaan.

De Minister van Sociaie Zaken en Werkgelegenheid, B. de Vries De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.