Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 6

MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 22 mei 1991

  • INLEIDING

1.1. Algemene opmerking

Het heeft de regering niet verwonderd dat het wetsvoorstel koppeling met afwijkingsmogelijkheid de Tweede Kamer aanleiding heeft gegeven tot het stellen van een groot aantal uiteenlopende vragen. Een wetsvoorstel met een dermate grote beleidsimportantie vraagt immers om een intensieve en zorgvuldige gedachtenwisseling, waartoe de gestelde vragen een bijdrage vormen. Met genoegen heeft de regering daarom ook de positieve bewoordingen tot zich genomen die een aantal leden van uw Kamer in de inleiding bij het voorlopig verslag over het voorliggende wetsvoorstel heeft uitgesproken. Het vellen van een eindoordeel door de Tweede Kamer over het voorliggende wetsvoorstel is thans nog niet aan de orde. Niettemin stelt de regering met voldoening vast dat de leden van de fracties van PvdA, D66, SGP en GPV in beginsel welwillend stonden tegenover de uitgangspunten van het wetsvoorstel. De leden van de fracties van CDA, Groen Links en RPF wensten in dit stadium nog geen waardeoordelen aan het wetsvoorstel te verbinden. De leden van de VVD-fractie evenwel lieten zich op voorhand kritisch uit over de basisgedachten achter het wetsvoorstel.

In deze memorie van antwoord zullen de vragen uit het voorlopig verslag naar vermogen worden beantwoord. Gezien de nauwe relatie tussen het wetsvoorstel en de actuele sociaal-economische ontwikkeling die immers mede bepalend is voor de ontwikkeling van het criterium inactieven/actieven zal, voorafgaand aan de beantwoording, hieronder eerst nader op deze relatie worden ingegaan.

Bij deze memorie van antwoord gaat tevens een nota van wijziging. Het eerste deel van die nota betreft met name de problematiek van doorwerking van verhogingen van de minimumvakantiebijslag in de aanpassingssystematiek van de WKA. Het tweede deel voorziet in synchronisatie van het adviestraject inzake een eventuele bijzondere 11327 4FISSN0921737 ISDU uitgeverij '

s Gravenhage 1991

aanpassing van minimumloon/uitkeringen enerzijds en een eventuele verhoging van de minimumvakantiebijslag anderzijds. Kortheidshalve zij voor een toelichting op dit wijzigingsvoorstel verwezen naar de toelichting bij de desbetreffende nota.

Voorts nog een opmerking over de WRR-studie «Een werkend perspectief». De leden van de fractie van de VVD en van D66 gaven in de inleiding van het voorlopig verslag te kennen het te betreuren dat nog niet kon worden beschikt over een regeringsstandpunt over deze studie. Zij vroegen of dit standpunt gelijk met de memorie van antwoord aan de Kamer beschikbaar kon worden gesteld. Ook in het vervolg van het voorlopig verslag werden door verschillende leden relaties gelegd tussen het voorliggende wetsvoorstel en het WRR-rapport.

Zoals bekend hebben binnen de regering uitvoenge discussies plaatsgevonden over het WRR-rapport. De voorbereiding van het regeringsstandpunt heeft daardoor meer tijd gevergd dan door de regering was voorzien. Niettemin kan de Kamer dit standpunt op korte termijn tegemoet zien. Voorzover de standpunten van de WRR verband houden met onderdelen van de hier aan de orde zijnde problematiek zal daarop zo mogelijk worden ingegaan in de vorm van een inhoudelijke reactie op de betreffende vragen van de leden.

1.2. De relatie tussen het wetsvoorstel en het sociaal-economische beleid nogmaals bezien Het mechanisme voor de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen vormt een belangrijk sociaal-economisch beleidsonderwerp. De inkomensontwikkeling van een groot aantal inkomenstrekkers, hoofdzakelijk uitkeringsgerechtigden, wordt in belangrijke mate door het aanpassingsmechanisme bepaald. Daarmee hebben het systeem en de hoogte van de aanpassing grote macro-economische, inkomenspolitieke en budgettaire implicaties. Het is om deze reden dat het denken over het stelsel van aanpassing steeds nauw verbonden is geweest met het denken over de hoofdlijnen van het sociaal-economisch beleid en daarmee over de hoogte van de aanpassing zelf. Dit gold in het begin van de jaren tachtig toen het WAM-stelsel ter discussie werd gesteld, op adhocbasis van het daarin neergelegde wettelijk mechanisme werd afgeweken en later toen het voorstel voor een systeem van beleidsmatige aanpassing werd gedaan. Het gold evenzeer bij de opstelling van het regeeraccoord van het huidige kabinet waarin de hoofdlijnen voor het voorliggende wetsvoorstel voor een systeem van koppeling met afwijkingsgronden werd neergelegd. En het geldt tenslotte ook nu, nu de sociaal-economische omstandigheden moeilijke afwegingen vergen, en tot sociaal-economische ontwikkelingen leiden die van invloed kunnen zijn voor de toepassing van het in het wetsvoorstel neergelegde aanpassingsmechanisme. Het wettelijk systeem van aanpassing dient niettemin, en anders dan het huidige WAM-stelsel, bestand te zijn tegen wisselende sociaal-economische omstandigheden. Het dient algemene geldigheid te bezitten. Het wetsvoorstel koppeling met afwijkingsmogelijkheid kan naar het oordeel van de regering daarin voorzien. Basisprincipe achter het wetsvoorstel vormt de gedachte dat in beginsel alle burgers dienen te delen in de algehele welvaartsontwikkeling. Vandaar de in het wetsvoorstel neergelegde welvaartsvaste koppeling van minimumloon en sociale uitkeringen aan de ontwikkeling van de contractlonen. Anders evenwel dan in het WAM-stelsel dient de regering over de wettelijke bevoegdheid te beschikken om van de koppeling af te wijken in die omstandigheden, waarin door het toepassen van de koppeling de welvaartsontwikkeling zelf in gevaar zou worden gebracht en daarmee ook het draagvlak voor de welvaartsverdeling zou worden aangetast. Dit vormt dan ook, in antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de VVD-fractie, het essentiële verschil tussen het wetsvoorstel WKA en het WAM-systeem, waarin de regering niet over een dergelijke bevoegdheid beschikt.

De loonontwikkeling en de ontwikkeling van het volume in de sociale zekerheid vormen de wettelijke gronden op basis waarvan in het wetsvoorstel tot afwijking kan worden besloten. Ongewenste ontwikkelingen in deze sfeer zullen tot uitdrukking komen in een verslechtering van de aantalsverhouding inactievenactieven. Dit verhoudingsgetal is om die reden in de memorie van toelichting als meetpunt aangemerkt voor een dergelijke beslissing tot afwijking. In de memorie van toelichting is aangegeven dat een verbetering van dit verhoudingsgetal, dat ten tijde van het Regeeraccoord 0,86 bedroeg, in de huidige kabinetsperiode gewenst is en dat voor toepassing van de koppeling het voorkomen van een verslechtering een vereiste is. De regering hecht eraan nog eens in alle duidelijkheid erop te wijzen dat bij de praktische toepassing van de wet uiteindelijk de concrete maatstaf van de getalsverhouding tussen inactieve en actieve inkomenstrekkers bepalend is. De beide afwijkingsgronden de loon-en volumeontwikkeling worden in de maatstaf van deze getalsverhouding samengebracht. Gezien de vele vragen over dit onderwerp gesteld, brengt de regering dit nog graag onder uw aandacht.

1.3. Inkomenspolitieke aspecten In het geval van koppeling is voldaan aan de voorwaarde om de algemene welvaartsstijging in inkomenstermen ten goede te laten komen aan actieve en inactieve inkomenstrekkers. Het wetsvoorstel kent evenwel ook de mogelijkheid om te ontkoppelen. Alsdan zal een ongelijke bruto-ontwikkeling plaatsvinden die in beginsel zal leiden tot een doorbreking van de regel van het gelijk delen in de welvaartsontwikkeling. De regering meent dat onder zulke omstandigheden het zorgdragen voor een evenwichtig inkomensbeleid extra accent krijgt binnen de kaders van een doelmatig arbeidsmarkt-en werkgelegenheidsbeleid. Langs de weg van dit beleid immers worden de voorwaarden voor het wel toepassen van de koppeling weer vervuld. Intussen zal de regering echter zorg besteden aan de mogelijkheden om de door ontkoppeling ontstane onevenwichtigheid te doen verminderen. Welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet zal moeten worden bezien in de contekst van de dan bestaande sociaal-economische situatie. Wat een en ander inhoudt voor 1992 staat in de paragraaf hierna beschreven.

1.4. De vooruitzichten voor het komende jaar De huidige vooruitzichten conform het Economisch Beeld 1992 van het CPB laten voor 1992 een verslechtering zien van de verhouding inactieven/actieven. Oorzaken daarvan zijn de verslechtering van de economische en budgettaire vooruitzichten ten opzichte van het regeerakkoord, de wat hogere loonontwikkeling, alsmede de verontrustende ontwikkeling met betrekking tot het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid.

Over de ontwikkeling van de verhouding inactieven/actieven in de jaren na 1992 kan het volgende worden opgemerkt. Het CPB voorziet een verdere verslechtering, waarbij zij aangetekend dat bij deze vooruitberekening «geen rekening is gehouden met het overgrote deel van de voorgenomen bezuinigingen in het kader van het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid». Wordt hiermee wel rekening gehouden dan blijkt, zoals door het CPB in de betreffende variant in het Economisch Beeld is berekend, op termijn een verbetering te zullen optreden in plaats van een verslechtering. Zowel de realisatie als de effecten van deze maatregelen zijn echter thans nog met onzekerheden omringd. Deze onzekerheden cumuleren met die in de sfeer van de werkgelegenheid. Tegen die achtergrond meent de regering dat er bij de beoordeling van het verloop van de afwijkingsgronden alle reden is om aan de veilige kant te blijven.

De komende maanden zal het kabinet bevorderen dat de werkgelegenheid en de arbeidsparticipatie toenemen en, deels in samenhang daarmee, het beroep op de sociale zekerheidsregelingen kan afnemen.

Participatievergroting vereist in de eerste plaats een hernieuwde inspanning gericht op het zo snel mogelijk weer ombuigen van de neerwaartse trend in de groei van de werkgelegenheid met een accent op de onderkant van de arbeidsmarkt. In elk geval wil de regering opnieuw een klemmend beroep doen op de sociale partners om te komen tot inkomensmatiging. Inzet van de regenng zal daarbij zijn een algemene inkomensontwikkeling, die niet uitgaat boven de prijsstijging en een zo zwaar mogelijk accent op de bevordering van werkgelegenheid en scholing.

Verbetering van de verhouding inactieven/actieven zal daarnaast nadere afspraken over de ZW/WAO-problematiek vereisen. In de komende maanden zal de regering, in aanvulling op reeds in gang gezet beleid, beslissen over een pakket maatregelen op het terrein van ZW/WAO, waardoor op zo kort mogelijke termijn een substantiële bijdrage wordt geleverd aan terugdringing van het beroep op deze regelingen. Juist met het oog op de verbetering van de verhouding inactieven/actieven zullen de te nemen maatregelen vooral beoordeeld moeten worden op hun volume-effecten. Over maatregelen ter bestrijding van het ziekteverzuim, die liggen op het terrein van de arbeidsvoorwaarden, zal daarnaast nader overleg worden gevoerd met de organisaties van werkgevers en werknemers in de marktsector.

Een inkomensmatiging als hierboven bepleit zal een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van de verhouding inactieven/actieven en daarmee op de mogelijkheden voor toepassing van de koppeling.

Het werkgelegenheidseffect van inkomensmatiging is echter op korte termijn beperkt, zodat op voorhand niet zeker is dat daardoor overschrijding van de norm uit de WKA kan worden voorkomen. Daarbij dient voorts bedacht dat de hoofdlijnen van het arbeidsvoorzieningsbeleid 1991 en 1992 -te realiseren met minder middelen -reeds zijn vastgesteld en reeds volop in uitvoering zijn. Het belangrijkste element blijft evenwel het streven naar een beheerste inkomensontwikkeling. In dit kader acht de regering het gewenst en is zij bereid met sociale partners afspraken te maken over maatregelen ter ondersteuning van de koopkracht. Bij de invulling van deze maatregelen zou kunnen worden gedacht aan lastenverlichting in het traject van de eerste schijf en verruiming van het arbeidskostenforfait. Voorzover de financiering daarvan niet mogelijk zou zijn uit ruimte voor lastenverlichting (ondermeer als gevolg van de in het kader van de tussenbalans afgesproken maatregelen in de sociale zekerheid), zal deze worden gezocht in vormen van fiscale herschikking, dit ook om te komen tot een evenwichtig koopkrachtbeleid.

In de komende zomer zal meer inzicht bestaan over de effectiviteit van deze beleidsinzet. Dan kan het kabinet ook beschikken over meer actuele inzichten van het CPB over de macro-economische ontwikkelingen in 1992. Als in de zomer redelijkerwijs moet worden aangenomen dat met inachtneming van eventuele maatregelen de verhouding inactieven/actieven dreigt uit te stijgen boven de 0,86 moet in lijn met het wetsvoorstel een zodanige afwijking van de koppeling worden overwogen dat minimumlonen en sociale uitkeringen worden verhoogd conform de prijsontwikkeling.

Op dat moment zal aan de SER advies gevraagd worden over een dergelijke afwijkende aanpassing per 1 januari 1992. Dit ook overeenkomstig het wetsvoorstel.

De regering acht het dan van belang deze beleidslijn te combineren met een inkomensbeleid dat zoveel mogelijk gericht wordt op behoud van koopkracht en een beleid, waarin ook van andere groepen inkomensoffers worden gevraagd in het belang van de werkgelegenheid. Op het moment dat een mogelijke toepassing van de afwijkingsgronden actueel is, moet immers naar het oordeel van de regering worden nagestreefd dat niet alleen degenen, die voor hun inkomen van het aanpassingsmechanisme afhankelijk zijn, maar ook anderen een bijdrage leveren aan het herstel van evenwichtige sociaal-economische verhoudingen. Hiermee wordt dan invulling gegeven aan de in paragraaf 1.3 beschreven inkomenspolitieke uitgangspunten.

Het voorziene overleg met sociale partners over de mogelijkheden voor inkomensmatiging en de bijdrage die de overheid in dat kader door middel van koopkrachtondersteuning kan leveren, krijgt op dat moment extra gewicht.

Na ommekomst van het SER-advies, zal de regering op basis hiervan en op basis van eventuele nieuwe gegevens van het CPB over de verhouding inactievenactieven, definitief beoordelen of voor de aanpassing van minimumloon en uitkeringen de loonraming van het CPB als uitgangspunt kan worden genomen, danwel dat, op basis van het voorliggende wetsvoorstel tot een van de loonraming afwijkende aanpassing moet worden besloten. Zoals hierboven aangegeven zal de aanpassing alsdan, in beginsel voor het gehele jaar 1992, worden vastgesteld. Een volgende beslissingsmoment doet zich voor in het voorjaar. Het Centraal Economisch Plan registreert dan de ontwikkelingen welke sedert de MEV zijn opgetreden. Daarbij is dan meer zicht op de mate waarin de caopartners gevolg hebben gegeven aan de oproep tot inkomensmatiging en de eventuele afspraken daarover gemaakt. Dit gegeven immers is van veel belang voor de groei van de werkgelegenheid. Maar ook andere ontwikkelingen dan die op het loongebied kunnen zich voordoen, die mogelijk van gunstige invloed zijn op de verhouding inactievenactieven. Mocht het zo zijn dat de door het kabinet in gang gezette beleidsmaatregelen leiden tot een verbetering van deze verhouding zodanig dat de normoverschrijding wordt geëlimineerd dan zal alsnog besloten kunnen worden om de koppeling per 1 juli 1992 toe te passen. Het huidige wetsvoorstel kent thans deze mogelijkheid niet, reden waarom de regering zo spoedig mogelijk de kamer een Nota van wijziging zal doen toekomen.

1.5. De inwerkingtreding van de nieuwe aanpassingssystematiek Zoals uit paragraaf 1.4 hiervoor moge blijken zou de regering het zeer op prijs stellen indien de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen in geheel 1992 zou kunnen plaatsvinden op basis van het voorgestelde nieuwe stelsel van aanpassing. Bij een eerste aanpassingsdatum van 1 januari 1992 is een overgangsbepaling noodzakelijk, die er toe strekt dat de ontwikkeling van minimumloon en uitkeringen in 1992 op jaarbasis niet uitstijgt boven de ontwikkeling van de contractlonen. In de toelichting bij artikel II van het wetsvoorstel is een en ander reeds verwoord. Een nota van wijziging die hierin voorziet is in voorbereiding en wordt u zo spoedig mogelijk toegezonden.

  • HERSTEL VAN DE KOPPELING; UITGANGSPUNTEN VAN HET AANPASSIIMGSSYSTEEM In het wetsvoorstel wordt, zoals hiervoor opgemerkt, het beginsel van de welvaartskoppeling vooropgesteld, evenwel mits sprake is van evenwichtige financieel-en sociaal-economische verhoudingen. Daarnaast wordt in paragraaf 5 van de memorie van toelichting aangegeven waarom in het huidige tijdsbestek de wenselijkheid en de mogelijkheden voor een meer gelijkwaardige ontwikkeling zijn toegenomen ten opzichte van de jaren tachtig, in welke periode van sterk onevenwichtige sociaal-economische omstandigheden sprake was.

2.1. Haalbaarheid en wenselijkheid van de koppeling De leden van de fractie van het CDA onderschreven de opvatting van de regering dat de beslissing over het al of niet koppelen afhankelijk dient te zijn van de ontwikkeling van de lonen en van het aantal uitkeringsgerechtigden. Zij lazen in de memorie van toelichting de verwachting van de regering dat in de komende periode sprake kan zijn van een voldoende gematigde loonontwikkeling en vroegen in dat verband waarop die verwachting is gestoeld. Ook de leden van de fracties van D66 en SGP vonden de toon van de memorie van toelichting erg optimistisch en vroegen om een actuele inschatting van de koppelingsvooruitzichten. In antwoord hierop kan worden opgemerkt dat de regering zich inderdaad thans meer zorgen maakt over de ontwikkeling van de lonen en van het volume in de sociale zekerheid omdat, zoals blijkt uit het Economisch Beeld 1992, de ontwikkeling van de aantalsverhouding inactievenactieven verslechtert. De regering maakt zich derhalve ook, meer zorgen over de mogelijkheden voor toepassing van de koppeling, dan ten tijde van de opstelling van de memorie van toelichting. Dat de marktsector, ondanks optredende knelpunten op de arbeidsmarkt, toch een voldoende gematigde loonontwikkeling te zien zal geven is dan ook niet langer een kwestie van verwachting van de regering, alswel van de hoop dat sociale partners positief zullen willen meewerken aan het beleid waarvan de hoofdlijnen in hoofdstuk 1 zijn geschetst. Er is daarbij terzake van de koppeling geen sprake van «het laten van het initiatief aan de sociale partners» zoals het lid van de RPF-fractie suggereerde. Het gaat daarentegen om een samenspel van overheid en sociale partners, waarbij de overheid zich terdege bewust is van zijn eigen verantwoordelijkheden. De regering is het eens met de opvatting van de leden van de fractie van de PvdA dat een afwijking van de koppeling, gezien het karakter van het wetsvoorstel en gezien het huidige streven naar een meer gelijkwaardige inkomensontwikkeling, naar het voornemen van de regering, eerder een uitzondering dan een regel zou moeten betreffen. De regering wijst er daarbij echter wel op dat de sociaal-economische omstandigheden, in casu de loonontwikkeling en de volumeontwikkeling in de sociale zekerheid, samen uitmondend in het criterium van de verhouding inactievenactieven, uiteindelijk bepalen of dit voornemen ook daadwerkelijk ten uitvoer kan worden gebracht. De vraag van de leden van de SGP-fractie of de afwijkingsgronden uit het wetsvoorstel ook voldoende ruimte bieden om een dergelijk besluit te nemen, indien de omstandigheden daarom vragen, kan bevestigend worden beantwoord.

De leden van de fractie van de SGP opperden dat het verschil in karakter en funktie van lonen en uitkeringen wellicht een verschil in ontwikkeling rechtvaardigt. Voor de laatste categorie ligt volgens deze leden een koppeling aan de prijzen vanuit het behoefte-criterium dan eerder in de rede. Het lid van de RPF-fractie vroeg zich ook af of de regering het noodzakelijk acht dat inactieven in gelijke mate profiteren van een welvaartsstijging als actieven. In reactie hierop zij opgemerkt dat de regering een structureel uiteenlopende ontwikkeling van lonen en uitkeringen als principe niet voorstaat. Dit zou betekenen dat over een lange periode gezien uitkeringsgerechtigden niet zouden delen in de welvaartsontwikkeling. Zeker waar het bij deze groep deels gaat om postactieven die in het verleden naar vermogen een bijdrage aan de welvaartsontwikkeling hebben geleverd, andersdeels om personen voor wie het niet bijdragen aan de welvaartsontwikkeling veelal buiten eigen wil geschiedt, bestaat naar het oordeel van de regering voor zo'n structurele divergentie onvoldoende rechtsgrond. Zeker wanneer het economisch draagvlak (in het wetsvoorstel vertaald in de verhouding inactieven/actieven) toereikend is, lijkt het alleszins redelijk alle maatschappelijke groeperingen afgezien van veelal persoonsgebonden incidentele looncomponenten in de algemene welvaartsontwikkeling te laten delen.

2.2. Het streven naar koopkrachtbehoud en het beleid in geval van ontkoppeling De leden van de fractie van het CDA waren van mening dat de formulering van het streven naar koopkrachtbehoud in de brief over de Tussenbalans het verschil tussen het voorliggende wetsvoorstel en het wetsvoorstel Beleidsmatige aanpassing heeft verkleind. Dat wetsvoorstel bevatte immers een koopkrachtgarantie. Deze leden vroegen of de regering hun opvatting deelt. Hierop zij geantwoord dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de voor een bepaalde periode geldende beleidsvoornemens van een kabinet en datgene wat via wetteiijke regelingen in structurele zin wordt vastgelegd. Wat het laatste betreft is er geen wijziging opgetreden in de verschillen tussen het wetsvoorstel beleidsmatige aanpassing en het voorliggende wetsvoorstel. Wel acht de regering het gewenst dat, op het moment dat de vraag over een mogelijke ontkoppeling onverhoopt actueel mocht worden, toch voor de uitkeringsgerechtigden bepaalde waarborgen in het vooruitzicht kunnen worden gesteld. In die zin is er met andere woorden sprake van een raakvlak tussen de beleidsvoornemens van de regering en de opvatting die door het vorige kabinet terzake is neergelegd in het wetsvoorstel beleidsmatige aanpassing. Het streven naar koopkrachtbehoud houdt ook in dat negatieve inkomenseffecten van eventuele voorgenomen bezuinigingen waarover de leden van de D66-fractie zich zorgen maakten, zullen worden betrokken bij de beoordeling van het totale koopkrachtbeeld wanneer deze generiek van aard zijn. Streven naar koopkrachtbehoud alleen acht de regering echter in gunstige sociaal-economische omstandigheden onvoldoende; dit in antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de GPV-fractie. Het uitgangspunt is voor haar een parallelle inkomensontwikkeling.

In hoofdstuk 1 van deze memorie van antwoord is reeds aangegeven dat naar het oordeel van de regering ontkoppeling niet alleen vraagt om alternatieve maatregelen gericht op inkomensbescherming voor de betrokkenen, in casu het streven naar koopkrachtbehoud, maar meer in zijn algemeenheid om een breder pakket van maatregelen, waaraan ook anderen dan uitkeringsgerechtigden bijdragen leveren. Op een andere wijze dan via de koppeling zelf worden dan immers toch waarborgen en zekerheden geboden aan uitkeringsgerechtigden, een aspect waarvoor het lid van de RPF-fractie terecht de aandacht vroeg. Op andere wijze dan via de koppeling wordt dan ook invulling gegeven aan het streven naar evenwichtige inkomensverhoudingen, weliswaar op een lager niveau, maar zonder dat dit tot een structurele toename van de werkloosheid hoeft te leiden. Een dergelijke werkloosheidsstijging is wel waarschijnlijk, dit in antwoord op een vraag van de leden van de PvdA-fractie, indien in onevenwichtige omstandigheden de koppeling toch zou worden toegepast. Dit vanwege de macrolastendrukstijging die daaruit voortvloeit die al dan niet versterkt door afwenteling leidt tot hogere loonkosten. Anders dan de leden van de fractie van Groen Links is de regering van mening dat deze laatste processen niet geheel via politieke besluitvorming kunnen worden beheerst.

Op de suggestie van de leden van de fractie van D66 om, in het geval de afwijkingsgronden actueel zouden worden, over te gaan tot een systeem van gedifferentieerde koppeling wordt hierna in paragraaf 5.2. afzonderlijk ingegaan.

2.3. Overige aspecten

De leden van de fractie van CDA en van GPV vroegen een onderbouwing van de stelling in de memorie van toelichting dat de werkgelegenheidseffecten van een -verdere -relatieve verlaging van het minimumloon thans geringer zouden zijn dan in de jaren tachtig. In antwoord hierop zij er op gewezen dat het natuurlijk aannemelijk is dat een wettelijke drempel meer invloed heeft naar mate het aantal mensen dat met de drempel te maken heeft, groter is. Een nadere onderbouwing van deze stelling kan worden gevonden in de recente publicatie van A. van Soest en A. Kapteijn, Minimumlonen, loonkosten en werkgelegenheid, 1990. Overigens zal dit aspect uigebreider aan de orde komen in de kabinetsreactie op het WRR-rapport.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar het verschil tussen de regelingsloonindex en de gemiddelde contractloonontwikkeling, zowel theoretisch als cijfermatig. Het CBS hanteert in haar publicaties het begrip regelingsloonindex, terwijl het CPB het begrip gemiddelde ontwikkeling van de contractlonen gebruikt. Het CBS gaat uit van het basistijdloon om de index van de regelingslonen vast te stellen. Het CPB bepaalt de veranderingen in de bruto-1 Het handelt hier om de volgende componenten: -effect van een verhoging van het minimumloon; -effect van de uitstraling van het minimumloon; -gevolgen van salarisherstructureringen; -VUT-regelingen; -compensatie voor de pensioenpremie; -bijzondere uitkeringen, -vakantietoeslag loonsom als gevolg van caoaf spraken. Het door het CBS gehanteerde loonbegrip (de regelingsloonindex) wijkt overigens nauwelijks af van het contractloonbegrip van het CPB. Een klein verschil is het feit dat het CBS de niet verplichte (facultatieve) toeslagen niet in de regelingsloonindex tot uiting laat komen. Het CPB neemt deze toeslag mee, indien de kosten daarvan bekend zijn.

In de geschoonde regelingsloonindex van het CBS wordt daarenboven een aantal componenten van de regelingslonen buiten beschouwing gelaten'. Het effect van deze schoningen is de laatste jaren beperkt gebleven tot minder dan 0,1 % per jaar. Een vergelijking tussen de regelingsloonindex en de ontwikkeling van de contractlonen conform de aanpak van het CPB is voor de marktsector in onderstaande tabel weergegeven. Hieruit blijkt dat de verschillen in uitkomsten gering zijn.

Tabel 2.1: De mutaties in de uiteindelijk gepubliceerde regelingslonen en de ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector.

Contractloon

Regelingsloonmdex'

1985 1986 1987 1988 1989 1990 1985-1990

1,1 1,2 0,8 0.8 1,3 2,9 8,4

1,3 1,4 0,4 0,8 1,4 3,02 8,6

1 CBS indexcijfer regelingslonen. jaargemiddelde van definitieve cijfers «aanpassingsreeks»: -volwassenen -particulier bedrijf -week/maandloon -incl. spaarloon, vakantietoeslag en andere uitkeringen. 2 Voorlopige cijfers.

De leden van de PvdA vroegen naar een overzicht van het aantal personen dat blijvend is aangewezen op de bescherming van minimumloon en minimumuitkering, naar een overzicht van de uitkeringen die gekoppeld zijn en naar een uitsplitsing van de uitgaven voor de sociale zekerheid naar AOW en niet-AOW en naar ZW en niet-ZW. De leden van de fractie van SGP vroegen hoeveel minimumloners er zijn en hoeveel uitkeringsgerechtigden. In 1989 bedroeg het aantal minimumloners 163 000. Het aantal mensen dat blijvend is aangewezen op een minimumloon is onbekend.

Wel zijn doorstroomcijfers voor minimumloners beschikbaar. Uit tabel 5.8 van de Notitie Inkomensbeleid 1991 blijkt dat in 1988 van alle minimumloners minder dan een derde deel zich reeds drie jaar of langer op dat niveau bevindt in dienst bij één en dezelfde werkgever. Daarbij is het uiteraard mogelijk dat een werknemer bij een vorige werkgever ook al het wettelijk minimumloon ontving. Voor minimumloners van 23 jaar of ouder is de kans op doorstroming veel minder groot dan voor minimumloners jonger dan 23 jaar. Informatie over het aantal personen dat blijvend een minimumuitkering ontvangt is evenmin beschikbaar. Personen die recht hebben op een AOW-of een AWW-uitkering, alsmede het merendeel van de personen met een uitkering uit hoofde van de IOAW en IOAZ behoren in beginsel tot deze categorie. Daarbij zij overigens aangetekend dat slechts 10 a 20% van de AOW-gerechtigde huishoudens niet over een aanvullende pensioenvoorziening beschikt.

In de onderstaande tabel is een overzicht gepresenteerd van de aantallen uitkeringsgerechtigden in de verschillende regelingen waarop het aanpassingsmechanisme uit het wetsvoorstel betrekking heeft.

Tabel 2.2: Volume uitkeringen 1990 (x 1000 uitkeringsjaren)

1990

AOW AWW Totaal demografisch Arbeidsongeschiktheid (WAO/AAW) ww/vv Rww IOAW/IOAZ Totaal werkloosheid Bijstand TOTAAL 1 955 185 2140 779 164 354 21539 I76 3634

In onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van de uitgaven van de AOW, de ZW en de overige regelingen geschetst.

Tabel 2.3: Overzicht uitgaven sociale zekerheid (sociale verzekeringen, exclusief ziektekostenregelingen, en sociale voorzieningen) 1983-1989 (mln guldens)

Totaal

1983

1984

1985

1986

1987

1988

1989

AOW ZW Overig

21832 6782 53202

21906 6774 53746

23095 6907 52366

23929 7434 53632

24391 7709 52118

24861 82I9 51 755

25645 8833 50195

81816

82426

82368

84995

84218

84835

84673

Op verzoek van de leden van de PvdA-fractie wordt hieronder aangegeven hoe de verhouding tussen nettominimum en nettomodaal zich heeft ontwikkeld in de periode 1980-1985.

Tabel 2.4: Netto minimum-en modaalloon (in guldens per jaar)

1980

1985

netto minimumloon netto modaal loon minimum/modaal

21501-22 110 78,6%

18873 25375 74,4%

Bron: Notitie Inkomensbeleid 1991

Tevens verzochten de leden van de PvdA-fractie om een vergelijking van de aanpassing van de uitkeringen enerzijds en de inflatie anderzijds, vanaf 1983. Onderstaande tabel geeft de gevraagde informatie, waarbij de aanpassing van de uitkeringen zowel in brutoals nettotermen is weergegeven.

Tabel 2.5: Ontwikkeling uitkaringen en inflatie (in procentuele mutaties ten opzichte van voorgaand jaar)

uitkeringen bruto

netto

1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990

2,2 -3,0 0 0 0 0 0 1,8

0.2 0,0 1.7 1,5 0,0 0,0 2,8 4,3

prijs particuliere consumptie 2,7 2,0 2,1 0,7 -0,4 0,6 2,1 2,6

Bron: SZW, Economisch Beeld 1992 1 ABW voor een (echt)paar, exclusief kinderbijslag Op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA over de onderhandelingsvrijheid in het CAO-overleg in de collectieve sector wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan.

De leden van de fractie van Groen Links waren van mening dat de antwoorden die in het mondeling overleg op 19 maart jl. zijn gegeven naar aanleiding van het rapport «De arme kant van Nederland» onvoldoende zijn. De regering wijst er daarom nogmaals op dat op 19 maart aan de Kamer te kennen is gegeven dat de regering in de Inkomensnota 1992 uitgebreid zal ingaan op de inkomenspolitieke aspecten van het rapport. Dit betekent dan ook dat de regering de veelheid van aspecten en financiële problemen zal behandelen die samenhangen met een inkomen op het niveau van de bijstand. In de nota zal worden ingegaan op de door de fractie van Groen Links genoemde specifieke problemen van personen die niet (meer) op de arbeidsmarkt zijn aangewezen en de gevolgen van de prijsontwikkeling van collectieve voorzieningen voor personen met een inkomen op het bijstandsniveau.

De door de leden van de fractie van Groen Links geponeerde stellingen over de internationale dimensie van vraagstukken rond loonmatiging en afwenteling en met name de stelling over de onwenselijkheid van loonkostenmatiging kan de regering niet onderschrijven. Het belangrijkste effect van loonmatiging is dat de binnenlandse economie op een hoger groeipad kan worden gebracht. Daarvan kunnen met enige vertraging ook de binnenlandse bestedingen profiteren en derhalve niet alleen de export, maar ook de binnenlandse koopkracht en de import. De regering deelt wel de opvatting van deze leden over de wenselijkheid voor de werkgelegenheid van substitutie van een kapitaalintensieve naar een meer arbeidsintensievere produktie. De regering is evenwel van mening dat dit juist door een proces van loonmatiging kan worden bevorderd. De leden van de fractie van Groen Links vroegen in dit verband naar de mening van de regering over premieheffing over de toegevoegde waarde. In de notitie aan de Tweede Kamer «Alternatieve financieringsstelsels sociale verzekeringen» (Tweede Kamer, 1988-1989, 21260, nr. 2) is deze mogelijkheid besproken. De nadelen van premieheffing over de toegevoegde waarde die in die notitie zijn geschetst, zijn ook naar de mening van de huidige regering van zodanige omvang dat ze de voordelen overtreffen.

De leden van de fractie van Groen Links vroegen naar het oordeel van de regering over de koopkrachtraming van het CPB voor 1992. In het Economisch Beeld 1992 gaat het CPB uit van een koopkrachtdaling van

0,25 % voor alle minima in 1992. De regering streeft naar koopkrachtbehoud en zal in Miljoenennota en Inkomensnota haar beleid terzake formuleren.

  • AFWIJKINGSGRONDEN

3.1. Algemene opmerkingen

De leden van de PvdA-fractie leidden uit de toelichting af dat de regering van oordeel is dat de afwijkingsgronden veeleer een beleidsmatig beoordelingsmoment aangeven dan neerkomen op een automatisme. De in dit verband door deze leden geciteerde tekstpassage is afkomstig uit paragraaf 6.2 uit de memorie van toelichting. Deze paragraaf gaat in op de afwijkingsgrond van een bovenmatige loonontwikkeling. Betoogd wordt aldaar dat er argumenten zijn om de beoordeling van de loonontwikkeling in het licht van de toekomstige werkgele genheid niet uitsluitend te laten afhangen van een simpele rekentechnische formule waarbij het verschil tussen de loonsomstijging enerzijds en de som van de stijging van de arbeidsproduktiviteit en de prijzen anderzijds centraal staat. Een positief verschil kan wel een indicatie zijn dat bij de voorziene loonontwikkeling schade op kan treden voor de toekomstige werkgelegenheid, maar hiertoe kan niet zonder meer geconcludeerd worden. Daarvoor is de samenhang tussen loonontwikkeling en werkgelegenheidsontwikkeling te complex. Om deze reden kan de formulering van de afwijkingsgrond in de tekst van het wetsvoorstel niet anders dan globaal van aard zijn. Dat betekent niet dat het oordeel over de toepasselijkheid van de afwijkingsgronden gebaseerd wordt op een feitelijk hoofdzakelijk beleidsmatige afweging. Betrokkenen zouden daardoor te zeer in onzekerheid gelaten worden over de ontwikkeling van hun inkomens in relatie tot de algemene inkomensontwikkeling. Dat zou op gespannen voet staan met het oogmerk van het wetsvoorstel. In de toelichting zijn de afwijkingsgronden juist daarom nader geconcretiseerd, en wel in een enkele gekwantificeerde norm voor de verhouding inactieven/actieven. Als CPB doorrekeningen uitwijzen dat de norm niet op kortere of langere termijn wordt overschreden, dan wordt de koppeling toegepast. Wijkt de ontwikkeling van deze verhouding evenwel in ongunstige zin af van het ijkpunt, dan dient, in beginsel, te worden ontkoppeld. Van een zekere beleidsruimte is sprake in zoverre dat overschrijding van de normverhouding niet tot ontkoppeling behoeft te leiden indien besloten wordt tot maatregelen die de gesignaleerde normoverschrijding ongedaan maken. Het wetsontwerp geeft derhalve zelf duidelijk aan in welke concrete situatie een beleidsmatige afweging nodig is. Dit ook in antwoord op de opmerkingen dienaangaande van de leden van de RPF-fractie.

De leden van de Groen Linksfractie wilden graag weten, of de koppeling in 1990 en 1991 zou zijn toegepast (en zo ja, welke percentages zouden zijn toegepast) als onderhavig wetsvoorstel met zijn afwijkingsmogelijkheden van toepassing zou zijn geweest. Bepalend voor toepassing van de koppeling is of de norm van 0,86 voor de verhouding inactieve versus actieve inkomenstrekkers al dan niet overschreden wordt. Recente doorrekeningen van het Centraal Planbureau ten behoeve van het Economisch Beeld 1992 laten zien dat, voor wat de komende jaren betreft, dit met name afhangt van de mate waarin de taakstellingen met betrekking tot terugdringing van arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim gehaald worden en het beleid gericht op matiging van lonen effect sorteert.

2 Overigens zij opgemerkt dat in de discussies over het begrip loonruimte niet alleen een rol speelt de optelsom van arbeidsproduktiviteitsstijging en inflatie maar ook de aanwending aan contractloon, incidenteel loon, werkgevers lasten en «goede doelen».

De vraag of in 1990 en 1991 de koppeling onverkort zou zijn toegepast indien het onderhavige wetsvoorstel van kracht zou zijn geweest is moeilijk te beantwoorden omdat toen geen prognoses van het CPB beschikbaar waren voor de verhouding inactieven/actieven. Achteraf zijn deze cijfers wel beschikbaar. In het Economisch Beeld 1992 staat dat in 1990 de verhouding inactieven/actieven 0,858 bedroeg en dat de raming voor 1991 0,862 bedraagt.

De leden van de SGP-fractie vroegen meer duidelijkheid over de criteria om af te wijken. In paragraaf 1.2 is reeds aangegeven dat de criteria met betrekking tot loonontwikkeling en volume samenkomen in dat van de verhouding inactieven/actieven en dat dat laatste criterium relevant is voor de besluitvorming over al dan niet koppelen.

3.2. Loonontwikkeling

Dat er bij de leden van de verschillende fracties enige onduidelijkheid bestaat over de afwijkingsgronden in het wetsvoorstel en die in de memorie van toelichting, blijkt uit de onderstaande vragen over de loonontwikkeling. De leden van de CDA-fractie vroegen te overwegen het begrip loonruimte niet in de wettekst op te nemen, om onnodige discussies over de merites van dit begrip te voorkomen. De leden van de VVD-fractie stelden een vraag over de som van de arbeidsproduktiviteitsstijging en de prijsontwikkeling. Ook de leden van de fracties van Groen Links en SGP vroegen om verduidelijking en concretisering van wat een bovenmatige loonontwikkeling is. Zij vroegen voorts naar de betekenis van de bovenmatige loonontwikkeling als zelfstandig criterium voor ontkoppeling. De leden van de D66-fractie vroegen wanneer de loonontwikkeling zodanig zal zijn dat moet worden ontkoppeld. Het lid van de RPF-fractie vroeg naar het verschil tussen de wettekst op het punt van de bovenmatige loonontwikkeling en de AmvB waarin het aanpassingspercentage wordt vastgesteld. Tevens vroegen de leden van de CDA-fractie hoe het begrip voor de collectieve sector geďnterpreteerd dient te worden. De leden van de GPV-fractie vroegen of niet in de wet zelf moet worden opgenomen dat de relevante loonontwikkeling ook betrekking heeft op de collectieve sector. Ook vroegen zij hoe de arbeidsproduktiviteitsstijging in deze sector moet worden gemeten. Vanwege de in paragraaf 3.1 gememoreerde complexe samenhang tussen loonstijging en werkgelegenheidsontwikkeling en om te voorkomen dat onnodig lang over het begrip loonruimte wordt gediscussieerd, heeft de regering de formulering in de wet algemeen gehouden. Dat geldt ook voor de tweede afwijkingsgrond. In de memorie van toelichting heeft een nadere uitwerking plaatsgevonden van beide afwijkingsgronden in de norm van de verhouding tussen het aantal inactieve en het aantal actieve inkomenstrekkers. Er zal in beginsel ontkoppeld worden als deze norm wordt overschreden. Om deze reden zijn een cijfermatige adstructie aan de hand van data over de loonkosten per eenheid produkt, waarom de leden van de CDA-fractie vroegen en een beoordeling van die loonkosten per eenheid produkt, waarnaar de leden van de SGP-fractie vroegen, weinig zinvol in dit kader.

De hantering van het begrip loonruimte houdt niet in, zoals de leden van de CDA-fractie vroegen, dat de uitkeringen minimaal met de optelsom van arbeidsproductiviteitsstijging en prijsstijging worden verhoogd. Inderdaad is er, ongeacht het onderscheid tussen contractlonen en loonkosten, geen direct verband tussen de hoogte van de aanpassing en de afwijkingsgronden. De wet voorziet niet in een

minimale aanpassing, maar in een aanpassing aan de contractloonstijging zoals deze door het CPB wordt verstrekt.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de definitie van een bovenmatige loonontwikkeling adequaat is in verband met de concurrentiepositie. Met alle nuances waar in paragraaf 6.2 van de memorie van toelichting op wordt gewezen is dit naar het oordeel van de regering het geval. Op verzoek van de leden van de VVD-fractie wordt hieronder een overzicht gepresenteerd van de op 14 mei 1991 bekende grote cao's en principeakkoorden voor 1991 in de marktsector, met daarbij het aantal werknemers waarvoor de betreffende cao's gelden en de totale contractloonmutatie die is overeengekomen voor 1991 (op jaarbasis). De definitie van het contractloonbegrip van de DCA stemt overeen met de definitie van het CPB.

Tabel 3.1. Overzicht afgesloten cao's in de marktsector en overeengekomen contractloonstijgingen (cao's met meer dan 3000 werknemers)

Stand van zaken 14 mei 1991

Naam cao

aantal werknemers totale contractloonmutatie jaarbasis 1991

Totaal

1 881 400

3,21

LANDBOUW Landbouw

10000 Tuinbouw

26000 Hoveniersbedrijf

7 000 Land-en tuinbouwwerktuigen exploit ond.

12000

INDUSTRIE Vleeswarenindustrie

10000 Zuivelindustrie

20000 Unilever

4500 Banketbakkersbedrijf

5 100 Suikerverwerkende industrie 14000 Suikerwerk-en chocoladeverw.ind.

5 700 Heineken Nederlands Beheer B.V.

4 500 Douwe Egberts B.V.

3 000 Confectie-industrie

13000 Timmerfabrieken

8 300 Meubelind. en rneubileringsbedrijven 13700 Kartonnage-en flex.verpakkingsbedr.

10000 Grafisch bedrijf (techn.personeel) 40 600 Grafisch bedrijf (adm. personeel)

7 300 DSMLimburgBV

12000 Akzo Nederland b.v. (hoger personeel)

4 500 Akzo Zout Chemie

3 200 Enka B.V.

8 000 Betonwarenindustrie

8 500 Metaalindustrie

19850 0IIetaalindustrie (HP)

6 700 Metaalnijverheid

275 000 APT Nederland

4400 Hoogovens

16500 Philips (cao A)

52400 Philips (cao B)

19300

BOUWNIJVERHEID Bouwbedrijf

18000 0Bouwbedrijf UTA personeel 40000 Stukadoors-, afbouw-en terrazzobedrijf

10000

3,38 3,37 3,77 3,38

2,48 4,78 2,67 4,78 4,78 4,78 3,34 4,25 3,58 3,81 3,70 3,00 3,56 3,56 2,75 3,62 3,62 3,62 3,00 2,37 2,37 2,25 3,75 1,94 3,50 3,50

4,66 2,08 3,77

Naam cao

aantal werknemers totale contractloonmutaite jaarbasis 1991

HANDEL EN HORECA Groothandel in technische produkten 24000 Contractcateringbedrijf 11000 Aardappelen, groenten, fruit, Detailhandel

10000 Vleesgroothandel

14000 Textiel, Grootwinkelbedrijven 20000 Levensmiddelen, Grootwinkelbedrijven

88 000 Levensmiddelenbedrijf

72000 Slagersbedrijf

17700 Gemengde branche

10400 Kon. Bijenkorf Beheer (uurloonparttimers) 7 200 (excl uurloonpart timers) 16800 Horeca-en aanverwant bedrijf

89 000 Vroom en Dreesman

16000

TRANSPORT-, OPSLAG-EN COMMUNICATIEBEDR. Vervoer van personen met personenauto's

15000 Besloten busvervoer

7 000 Vereniging goederenvervoer Nederland

9 600 niet-rijdend personeel

2400 Beroepsgoederenvervoer over de weg 60 000 (NOB) KLM (grondpersoneel)

12000 PTT

85 000 PTT zaterdagbestellers

8800

BANK, VERZEK EN ZAKELIJKE DIENSTVERL Bankbedrijf

11500 0

OVERIGE DIENSTVERLENING Schoonmaak-en glazenw.bedr.parttimers

99 000 fulltimers

11000 Natwasserijen, chem.wass.en ververijen

7000

4,00 3,90 0,75 4,68 3,19 3,67 3,67 4,54 2,55 4,04 4,54 3,78 1,79

2,56 3,00 4,34 3,85 3,52

2,75 3,63 5,42

1,71

3,60 3,60 3,50

Bron: DCA

De leden van de fracties van VVD en D66 vroegen naar een beoordeling van de loonstijging in de reeds afgesloten CAO's. De regering acht een beoordeling van deze loonstijging in het kader van het voorliggende wetsvoorstel minder relevant. Zoals eerder aangegeven zal uitemdelijk de getalsverhouding inactieven/actieven bepalend zijn voor de besluitvorming over het al dan niet toepassen van de koppeling. De leden van de fractie van D66 en SGP vroegen naar de verhouding tussen het wetsvoorstel en bijlage 5 van de Tussenbalans, met name de tweede variant daarin. Ook de leden van de fractie van Groen Links en GPV vroegen naar het waarom van de premiestijging in variant twee. In antwoord op de vraag van de leden van de SGP-fractie kan worden gemeld dat er in variant 2 van bijlage 5 geen sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling. Zulks is juist het geval in variant 3. Meer in het algemeen merkt de regering op dat het wetsvoorstel van structurele aard is en de Tussenbalans de beleidsbijstellingen beschrijft voor de lopende kabinetsperiode. Voorts wordt in bijlage 5 de WKA inhoudelijk volledig gevolgd. Dit betreft ook de premie-ontwikkeling. Er is in bijlage 5 geen sprake van het volledig afromen van de loonstijging door premieverhoging. Het gaat slechts om ten hoogste de helft van dat deel van de kosten van de koppelingen, voorzover die de kosten bij koopkrachtbehoud te boven gaan, dat neerslaat op de rijksbegroting. Hiermee heeft

de regering mede tot uitdrukking willen brengen dat in dit kader de bruto-inkomensontwikkeling vanuit werkgelegenheidsbelang haar duidelijke voorkeur heeft als referentiekader. Langs die weg wordt ook de verhouding inactieven/actieven verbeterd zodat ook het koppelingsstreven wordt versterkt. Bij de varianten in bijlage 5 van de Tussenbalans staat koopkrachtbehoud voor sociale minima en minimumloners, zowel met als zonder kinderen centraal. De ombuigingen op de rijksbegroting die nodig zijn als variant 2 van toepassing wordt verklaard, dienen binnen de eigen sector te worden gevonden. De leden van de fractie van GPV vroegen naar de relatie van variant 2 uit bijlage 5 bij de Tussenbalans met de budgetteringsregel die is afgesproken bij het regeerakkoord. Deze budgetteringsregel houdt in dat overschrijding van de uitgaven voor de koppeling als gevolg van een hogere loonstijging leiden tot een generale problematiek. In de Tussenbalans nu is een soort versleuteling afgesproken van deze problematiek: de helft van wat uitgaat boven koopkrachtbehoud en neerslaat op de rijksbegroting dient binnen de eigen sectoren te worden gecompenseerd en de helft dient door werkgevers en werknemers te worden opgebracht.

De leden van de fractie van Groen Links vroegen of het feit dat de sectoren zelf een bijdrage moeten leveren aan de oplossing van de problematiek ertoe leidt dat ambtenaren en werknemers in de g + g-sector slechts de helft van de koopkrachtverbetering in de markt-sector krijgen. Dit is niet het geval.

De leden van de D66-fractie vroegen om te reageren op voorstellen om cao's met een bovenmatige loonontwikkeling niet langer algemeen verbindend te verklaren Deze leden sloten daarmee aan bij een discussie die enige tijd geleden is aangezwengeld, onder meer door Prof. G. Zalm in zijn inaugurale rede Het a.v.v.-beleid strekt ertoe de aan de cao gebonden werkgevers en werknemers te beschermen tegen concurrentie via de arbeidsvoorwaarden. Achtergrond hiervan is het belang van arbeidsrust. Tevens heeft a.v.v. ten doel overeenstemming op decentraal niveau te bevorderen, zodat de (wetgevende) rol van de overheid op het terrein van de arbeidsvoorwaarden beperkt kan blijven tot essentiële elementen. Gezien het veelzijdige karakter van het instrument en gezien de aandacht die er van verschillende zijden voor is gevraagd zal de regering het a.v.v.-beleid in de huidige context bezien. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de Kamer op afzienbare termijn over de resultaten van die bezinning informeren.

Op verzoek van de leden van de fractie van Groen Links is de regering in reactie op het artikel van Ed Lof in Intermediair van 21 december 1990 van mening, dat het wetsvoorstel, door het uitgangspunt van een parallelle inkomensontwikkeling in de markt-en de collectieve sector, juist voorkomt dat werknemers (en uitkeringsgerechtigden) «moeten betalen voor alles wat er mis gaat». In het artikel wordt overigens geen afbreuk gedaan aan de stelling dat een loonstijging die uitgaat boven de som van prijsstijging en arbeidsproduktiviteitsstijging schadelijk is voor de werkgelegenheid. De leden van de fractie van Groen Links vroegen of, ware het wetsvoorstel reeds van kracht, volgens de cijfers uit het Economisch Beeld 1992 de koppeling op 1 januari 1990 zou zijn toegepast en of de koppeling per 1 januari 1992 zal worden toegepast. De eerste vraag wordt in paragraaf 3.1 beantwoord, de tweede in hoofdstuk 1.

De leden van de fracties van GPV en van Groen Links vroegen naar het «roridlopen» van de koppelingen bij verschillende loonstijgingen. Hierover kan worden opgemerkt dat op korte termijn de koppelingen, ongeacht de hoogte van de loonstijging, gefinancierd kunnen worden uit de hogere belasting-en premieopbrengsten die gepaard gaan met een loonstijging in de markt-en de collectieve sector. Óp langere termijn zal de werkgelegenheid echter geschaad worden door te hoge loonstijgingen en zal de verhouding inactieven/actieven verslechteren en zijn de koppelingen niet langer financierbaar. Uit tabel V. van MEV 1990 blijkt dat op een termijn van 4 jaar het financieringstekort niet stijgt bij hogere lonen die doorwerken naar ambtenaren en uitkeringsgerechtigden. Na 8 jaar is de werkloosheid zodanig gestegen dat het financieringstekort fors toeneemt. De regering is daarom niet gebaat bij een grote loonstijging om zo door ontkoppeling bij te dragen aan de oplossing van de budgettaire problematiek, zoals de leden van de GPV-fractie vroegen. Overigens is het eigenlijk niet juist om te spreken over het rondlopen van de koppelingen. Deze redenering impliceert immers het vastleggen van de aanwending van algemene middelen voor dit doel (belastingopbrengsten) en daarmee tegelijkertijd verdringing van andere loon gerelateerde collectieve uitgaven.

Op de vraag van de SGP-fractie wat moet worden verstaan onder «schade voor de werkgelegenheid», antwoordt de regering dat sprake is van schade voor de werkgelegenheid als de verhouding tussen het aantal inactieve en actieve inkomenstrekkers stijgt. Dit kan het geval zijn op korte of op langere termijn. In de besluitvorming om over te gaan tot ontkoppeling worden de cijfers voor een periode van 8 jaar betrokken. Korte en lange termijn zullen tegen elkaar moeten worden afgewogen als in sommige jaren sprake is van onderschrijding en in andere jaren van overschrijding van de norm. Incidentele fluctuaties zullen hierbij minder zwaar wegen dan structurele tendenties.

De leden van de CDA-fractie vroegen of een loonmaatregel als alternatieve maatregel uitgesloten is.

De leden van de GPV-fractie geven terecht aan dat de Wet op de loonvorming een strikte omschrijving geeft van de gevallen waarin een loonmaatregel mogelijk is, en dat het hierbij gaat om een schoksgewijze verandering in de economie, toe te schrijven aan externe oorzaken. Kortom: het gaat hierbij om uitzonderlijke gevallen die zich in de afgelopen jaren niet voorgedaan hebben. Of dergelijke gevallen zich in de toekomst zullen voordoen, is thans niet te voorzien.

3.3. Volumeontwikkeling

De leden van de fractie van het CDA informeerden naar het deel van de verwachte stijging van de collectieve lastendruk dat voortkomt uit de volumeontwikkeling van uitkeringsgerechtigden. Afgezien van de invloed van het noemereffect als gevolg van de stijging van het nationaal inkomen kan tentatief worden berekend in welke mate de uitgavendruk sociale zekerheid in 1991 wordt beďnvloed door de volumeontwikkeling in de uitkeringsregelingen die relevant zijn voor het verhoudingsgetal niet-actieven/actieven. Uitgedrukt in procenten van het nationaal inkomen 1990 bedraagt de uitgavenstijging in 1991 als gevolg van deze volumeontwikkeling circa 0,2%-punt.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de VVD-fractie ten aanzien van de tweede in het wetsvoorstel opgenomen afwijkingsgrond

merkt de regering op dat een verbetering van het verhoudingscijfer met name zal moeten resulteren uit het effectueren van de door de regering geformuleerde doelstellingen op het terrein van de kort-en langdurende arbeidsongeschiktheid. Daarnaast moet het beleid erop gericht blijven om de groei van de werkgelegenheid te bevorderen, hetgeen eveneens een gunstig (noemer)effect op het verhoudingscijfer heeft. Zoals bekend heeft de regering zich ten doel gesteld om het arbeidsongeschiktheidsvolume eind 1994 te hebben teruggedrongen tot het niveau van ca. 755000 uitkeringsjaren dat eind 1989 werd bereikt. Daarnaast wordt beoogd het ziekteverzuim van omslagleden met in totaal 1,5 procentpunt te beperken. Daartoe zijn in samenspraak met sociale partners een groot aantal maatregelen ontwikkeld gericht op preventie, versterking van financiële prikkels, intensivering van reďnte-gratie-inspanningen en stroomlijning van de uitvoering. Voor zover dit binnen de huidige wettelijke kaders mogelijk is, worden maatregelen momenteel geďmplementeerd. Voor het overige zijn een reeks van maatregelen opgenomen in een wetsvoorstel dat onlangs voor advies aan de Raad van State is aangeboden. Voorts zij verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt in hoofdstuk 1.

De leden van de fracties van D66 en GPV vroegen zich af of het juist is ook demografische ontwikkelingen te betrekken bij de vraag of er gekoppeld kan blijven worden Voor een belangrijk deel is de demografische ontwikkeling een gegeven. Bekend is dat Nederland te maken heeft met een proces van vergrijzing. Dat betekent een toenemend aantal AOW-uitkeringen.

Voor een deel is de demografische ontwikkeling echter ook een onzekere factor. Men denke in dit verband aan de instroom van immigranten en de groep van herintreders. Indien als gevolg van ontwikkelingen in de omvang en samenstelling van de bevolking het volume van uitkeringen sterker zou stijgen dan het aantal werkenden dan kan dat niet anders dan relevant zijn voor de koppeling. Immers, in dat geval zal, niet anders dan bij een toename van het aantal uitkeringen als gevolg van economische oorzaken, handhaving van de koppeling slechts mogelijk kunnen zijn bij een hogere collectieve lastendruk. In de memorie van toelichting is uiteengezet dat dit, via afwenteling, tot hogere loonkosten zou leiden waardoor de werkgelegenheidsontwikkeling geremd zou worden. Het gevaar dreigt dat daarmee een neerwaartse spiraal in gang wordt gezet.

Daarom moeten demografische ontwikkelingen voorzover deze leiden tot verandering in het volume uitkeringsgerechtigden mede in de beschouwing worden betrokken bij het koppelingsvraagstuk, namelijk wanneer daardoor de verhouding inactievenactieven zou verslechteren.

De leden van de GPV-fractie vroegen zich af of het criterium van de volumeontwikkeling niet kan worden gemist. Immers, zo redeneren deze leden, een bovenmatige loonontwikkeling (de eerste ontheffingsgrond) zal ongetwijfeld volume-effecten hebben, zodat al op grond van dit criterium tot ontkoppeling kan worden besloten. Het criterium van de volumeontwikkeling zou dus overbodig zijn. In deze opvatting wordt echter veronachtzaamd dat een bovenmatige loonontwikkeling slechts op termijn tot een stijging van het aantal uitkeringsgerechtigden leidt. Berekeningen van het Centraal Planbureau laten zien dat de volume-effecten in de eerste een a twee jaar zeer gering zijn. Zou de tweede afwijkingsgrond vervallen, dan zou een zich feitelijk op dat moment voordoende verslechtering van de verhouding actieveninac-

tieven (bijvoorbeeld als gevolg van een stijging van het aantal uitkeringen tengevolge van immigratie) geen consequenties kunnen hebben voor de koppeling. Dit is echter ongewenst. Een dergelijke verslechtering betekent wel een stijging van de collectieve lastendruk. Rechtstreeks dan wel via afwenteling leidt dit tot stijgende loonkosten met verdere negatieve gevolgen voor de verhouding inactievenactieven. Het is beter deze negatieve tendens niet nog eens te versterken via handhaving van de koppeling.

3.4. Verhouding inactievenactieven De leden van de CDA-fractie stelden de vraag hoe dwingend de relatie is tussen enerzijds de loonontwikkeling en de volumeontwikkeling en anderzijds de verhouding inactievenactieven. Deze relatie is zeker niet definitorisch van aard noch kan men stellen dat verslechteringen van de afwijkingsgronden onder alle omstandigheden leiden tot een verslechtering van de getalsverhouding. Wel is het zeer aannemelijk dat dit in praktisch alle gevallen zo zal zijn en dat uitzonderingen vermoedelijk gemakkelijk herkenbaar zijn. In dit verband wijst 23 het kabinet ook op de beschouwingen van de SER die zijn weergegeven in paragraaf 6.5 van de memorie van toelichting. Bovendien, het werken met twee kwalitatieve normen zou in de praktijk tot complicaties kunnen leiden. Om beide redenen is gekozen voor toespitsing op het criterďum van de verhouding inactievenactieven. De leden van de CDA-fractie stelden terecht dat het criterium van de getalsverhouding een noodzakelijke als wel een voldoende voorwaarde is om te koppelen dan wel te ontkoppelen. Hiermee is dan tevens antwoord gegeven op de vraag van deze leden of ook de afwijkingsgronden op zich bezien tot ontkoppeling kunnen leiden Dat is niet het geval. De afwijkingsgronden hebben zoals in paragraaf 5.6 van de memorie van toelichting staat beschreven een signaalfunctie. Om deze reden is er dus ook geen gevaar van «schijnexactheid» zoals de leden van de fracties van CDA en PvdA zich afvroegen. Voor deze kabinetsperiode is gekozen voor een normatieve kwantificering van 0.86 met inbegrip van de demografische ontwikkelingen. Dit in antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de CDA-fractie. Deze leden vroegen zich af of het criterium niet zo robuust is dat het een «leeg» criterium dreigt te zullen worden. Het cijfervoorbeeld dat deze leden gaven laat zien dat dit gevaar denkbeeldig is, omdat men evengoed naar de absolute mutaties in de teller en de noemer mag kijken als naar de breuk zelve. Overigens zou er sprake zijn van bijvoorbeeld ontslagwerkloosheid dan zouden de teller en de noemer beide verslechteren en zou bij een mutatie van 20000 personen de verhouding stijgen van 0.86 tot 0.87. Bij iets meer dan 10000 personen zou dezelfde stijging na afronding ook al optreden. In het licht van de enorme stijgingen in de afgelopen decennia is er geen enkele reden om aan te nemen dat het criterium geen enkele functie zou hebben. Zou dat wel zo zijn dan zou dat alleen maar aanleiding zijn voor een zeer grote mate van tevredenheid met het verloop van de sociaal-economische ontwikkelingen in ons land. De leden van de CDA-fractie spraken van «een verminderde ambitie» van de regering om het aantal inactieven terug te dringen. Niets is minder waar. Als het kabinet niet gekozen heeft voor de norm van 0.84 die uit de taakstellingen uit het Regeerakkoord voortvloeit, maar voor het cijfer van 0.86, heeft dat enkel als reden om de koppeling niet afhankelijk te maken van deze ambities.

De leden van de PvdA-fractie vroegen wat de regering bedoelt met «gesignaleerde normoverschrijding». Hiermee is bedoeld zowel een gerealiseerde of actuele als een toekomstige overschrijding van de norm

conform het gestelde in de op één na voorlaatste alinea van paragraaf 6.5 van de memorie van toelichting.

Deze leden signaleerden terecht dat CPB-doorrekeningen naar komende jaren gekenmerkt worden door onzekerheden en vroegen om een oordeel van de regering waarom men zich van deze onzekerheden afhankelijk maakt. In de memorie van toelichting wordt het probleem van de vertragingen in de werking van de economie besproken. Te hoge loonontwikkelingen hebben pas op termijn schadelijke gevolgen voor de economie. Door uitsluitend te kijken naar de ontwikkelingen op de korte termijn winnen de vooruitzichten aan nauwkeurigheid maar zou men tegelijkertijd abstraheren van verstrekkende ontwikkelingen op middellange termijn. Natuurlijk is het zo dat de onzekerheden die elke raming nu eenmaal kenmerken tot voorzichtigheid manen. De regering zal zich terdege rekenschap geven van dit aspect en het parlement hiervan verslag doen in voorkomende gevallen in de procedure beschreven in paragraaf 6.12 van de memorie van toelichting.

De leden van de PvdA-fractie waren erover verbaasd dat uitkeringsgerechtigden krachtens de Ziektewet in de optiek van het wetsvoorstel tot de inactieven behoren. Dit is naar hun mening onjuist. De redenering die gevolgd is bij de precieze bepaling van de aantal inactieven staat verwoord in de voetnoot bij de tabel met het verhoudingsgetal tussen actieven en inactieven in paragraaf 6.8. van de memorie van toelichting. Dit aantal wordt bepaald aan de hand van het aantal dagen waarop sprake is van inkomensvervangende uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetgeving, zonder dat daarbij aanvullende voorwaarden worden gesteld. Op grond hiervan dienen ook de tot uitkeringsjaren herleide inkomensvervangende uitkeringen in het kader van de Ziektewet deel uit te maken van het aantal inactieven, hoewel de hoogte van deze uitkeringen, zoals de leden van de PvdA-fractie opmerkten, niet door het wetsvoorstel wordt beďnvloed. Tegen een aanvullende voorwaarde dat de aanpassing van de inkomensvervangende uitkeringen door de WKA moet worden geregeld, pleiten de volgende redenen. Allereerst moet worden opgemerkt dat de «koppeling» van de Ziektewetuitkeringen reeds geregeld is, namelijk in de Ziektewet. Indien de lonen tijdens een ziekteperiode worden verhoogd, wordt de Ziektewetuitkering automatisch mee verhoogd. Een tweede reden is gelegen in het feit dat de Ziektewet fungeert als het voorportaal voor de WAO. Indien bijvoorbeeld als gevolg van een ongeval de arbeidsongeschiktheid van een werknemer van meet af aan vaststaat, is er geen reden om deze inactiviteit een jaar lang uit de cijfers te houden. De doorslaggevende reden om het ziekteverzuim in mindering te brengen op het arbeidsvolume en toe te voegen aan het aantal inactieven is evenwel gelegen in het oogmerk om in het verhoudingsgetal alle relevante volumeontwikkelingen in de sociale zekerheidsregelingen tot uitdrukking te brengen die kunnen leiden tot een betekenende premie-of belastingdrukverhoging. Ook de leden van de fractie van de SGP hebben vragen gesteld over de precieze bepaling van de aantallen actieve en inactieve inkomenstrekkers. Met name vroegen zij zich af waarom vervroegd uitgetredenen met een VUT-uitkering niet tot de inactieven worden gerekend.

Vervroegd uitgetredenen, renteniers en gepensioneerden jonger dan

65 jaar worden noch tot de actieven noch tot de inactieven gerekend. Dat vervroegd uitgetredenen met een VUT-uitkering geen deel uitmaken van het aantal inactieven hangt samen met de omstandigheid dat VUT-uitkeringen die evenals aanvullende pensioenvoorzieningen een uitvloeisel zijn van afspraken tussen de sociale partners, niet worden geregeld in sociale zekerheidswetgeving.

De leden van de fractie van D66 en de VVD vroegen of de recente CPB-ramingen aanleiding geven tot zorg. Uit het Economisch Beeld 1992 blijkt dat het CPB voor 1992-1994 een verhoudingsgetal verwacht dat hoger uitkomt dan 0,86. Hierbij zij aangetekend dat in deze ramingen slechts zeer ten dele rekening is gehouden met de door de regering beoogde reductie van het ziekteverzuim en het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Zonder duidelijke reductie van het ziekteverzuim en het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen lijkt het overigens welhaast zeker dat de ontwikkeling van het verhoudingsgetal zal verslechteren en de komende jaren boven de 0,86 zal uitkomen. De CPB-ramingen geven daarom inderdaad reden tot zorg.

In antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de fractie van D66 zij verwezen naar het inleidende hoofdstuk hierboven waaruit blijkt dat de regering het verhoudingsgetal van 0.86 hanteert als norm voor het al dan niet toepassen van de koppeling.

De leden van de VVD-fractie vroegen welke consequenties de regering trekt uit de ontwikkeling van het verhoudingsgetal als het gaat om de aanpassing van het minimumloon en de sociale uitkeringen in 1992. Zoals de memorie van toelichting aangeeft, zal deze vraag op het geëigende moment, aan het begin van de tweede helft van dit jaar, nader worden bezien. Afgezien hiervan is dit onderwerp ook reeds behandeld in het inleidende hoofdstuk bij deze memorie van antwoord.

De leden van de fractie van Groen Links vroegen wat het verhoudingsgetal in de jaren 1992, 1993 en 1994 moet zijn. Het lid van de fractie van RPF vroeg naar de verwachting van de regering met betrekking tot het verhoudingsgetal. De regering streeft naar een verbetering van het verhoudingsgetal waarbij dit de komende jaren onder de 0,86 dient uit te komen. Het zal duidelijk zijn dat indien het verhoudingsgetal in 1992-1994 bij voortduring boven de 0,86 uitkomt, van een onverkort toepassen van de koppelingen geen sprake kan zijn.

Zoals de leden van de SGP-fractie vermoedden, zal eerst getracht worden via compenserende maatregelen het verhoudingsgetal omlaag te brengen, pas daarna zal worden overgegaan tot ontkoppeling.

De leden van de fractie van Groen Links vroegen wat de regering verstaat onder «compenserende maatregelen». Hieronder worden in het hier aan de orde zijnde verband maatregelen verstaan die ertoe leiden dat dreigende overschrijdingen van het verhoudingsgetal worden ongedaan gemaakt. Voorts vroegen deze leden of in het geval van het verloren gaan van de koppeling de regering bereid is deze te redden door de quotering. De regering wil op deze plaats niet vooruitlopen op dan te nemen maatregelen. In beginsel komen daar een of meerdere mogelijkheden voor in aanmerking die zijn genoemd in de SER-adviesaanvrage. Of daarbij ook de mogelijkheid van quotering een rol zal spelen, zal mede afhangen van

het beraad ten principale dat dan in het kabinet over het instrumentarium moet worden gevoerd.

Naar de vraag van deze leden of loonsverhoging uit hoofde van afgewentelde kosten van vergrijzing anders bekeken moet worden dan andere loonsverhoging verwijst de regering naar de antwoorden hierboven gegeven dat uiteindelijk de verhouding inactievenactieven bepalend is voor de vraag of koppeling verantwoord is of niet. De regering hanteert voor de jaren 1992, 1993 en 1994 geen ander verhoudingscijfer als norm dan het getal dat in de memorie van toelichting is genoemd. Voor wat betreft de afwenteling meent de regering dat de mate van afwenteling natuurlijk in de beschouwing moet worden betrokken als het gaat om de vraag hoe de verhouding inactievenactieven wordt beďnvloed door een zich aftekenende loonontwikkeling. Wel wijst de regering erop dat afwenteiing in onze economie een ervaringsfeit is en ook dat afspraken om niet af te wentelen natuurlijk moeilijk uitvoerbaar en controleerbaar zijn. En tenslotte, wanneer dergelijke afspraken (waarvan geen voorbeeld bekend is) nagekomen zouden worden hoe kan dan worden voorkomen dat na enige jaren alsnog een versterkte inhaal zal plaatsvinden?

Vanuit de fracties van de VVD, D66 en Groen Links zijn uiteenlopende vragen gesteld die betrekking hebben op de strekking van de paragraaf over de verhouding actieveninactieven op langere termijn. Daarm wordt een voorkeur uitgesproken om telkenmale aan het begin van een kabinetsperiode een norm voor de getalsverhouding inactievenactieven overeen te komen. De leden van de fracties van de VVD en D66 vroegen daarbij of een herbeoordeling slechts zou kunnen leiden tot een verscherping. In antwoord hierop zij opgemerkt dat dit zeker niet de strekking is van deze paragraaf. Waar het om gaat is dat er voor elke kabinetsperiode een evenwichtig beleidspakket moet worden ontwikkeld alsmede een kwantificering van de norm die hiermee verenigbaar is. De leden van de VVD-fractie noemden het thans hoge niveau van het verhoudingsgetal als een reden om primair aan een verscherping te denken. Deze gedachtengang lijkt plausibel, van de andere kant is het erg moeilijk, en ook nu niet nodig, om nu aan te geven welke norm verenigbaar is met een evenwichtige ontwikkeling van de arbeidsmarkt en de collectieve sector. Overigens kan het zijn dat de norm louter statistische bijstelling behoeft indien bijvoorbeeld het CBS de reeks voor het arbeidsvolume herziet en hoger of lager vaststelt. Een bijstelling kan ook nodig zijn bij stelselwijzigingen in de sociale zekerheid zoals destijds bij de individualisering van de AOW waardoor het uitkeringsvolume statistisch gezien in een keer een forse opwaartse bijstelling ondervond. Met de hier aangeduide specifieke ontwikkelingen wordt uitdrukkelijk niet bedoeld dat in de werkgelegenheidseffecten van de Tussenbalans, de minder gunstige ramingen van het CPB en de onzekerheden omtrent de afspraken rond het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume aanleiding kan worden gevonden de norm tussentijds bij te stellen. Juist het onverkort vasthouden aan de norm dient ertoe bij te dragen dat op veranderende omstandigheden adequaat wordt gereageerd. Indien daarbij maatregelen worden overeengekomen waarvan de effecten eerst op termijn leiden tot een keer ten goede in het verhoudingsgetal, zou dit in de beoordeling moeten worden meegenomen. Aldus kan de norm met overleg worden gehanteerd, zoals ook werd bepleit door de leden van de PvdA-fractie en kan cijferfetisjisme worden voorkomen. De vraag van de leden van de fractie van Groen Links en

SGP naar de interpretatie van de 0.86-norm is hiermee tevens beantwoord. De leden van de fractie van D66 vroegen om opheldering over het in de beschouwing betrekking van de werkgelegenheidseffecten die op termijn voortvloeien uit bijvoorbeeld de loonontwikkeling. In de beantwoording van de vorige vraag ligt reeds een antwoord op deze vraag besloten. In aansluiting daarop kan worden aangestipt bij de omgekeerde mogelijkheid. Indien sprake zou zijn van een zodanige loonontwikkeling dat deze conform de inzichten van het CPB op termijn gaat leiden tot een verslechtering van het verhoudingsgetal, zou op grond van deze informatie de koppeling in beginsel buiten werking moeten worden gesteld.

De leden van de fracties van GPV, SGP en RPF vroegen om een nadere onderbouwing van de norm, waarbij de vraag werd gesteld hoe de norm zich verhoudt tot een goede ontwikkeling van de overheidsuitgaven en de collectieve lastendruk waarvan de uitkeringen een belangrijk deel uitmaken. Het enten van de norm op de feitelijke verhouding tussen inactieven en actieven is meer ingegeven door de gedachte «tot hier en niet verder» dan door de idee dat de huidige verhouding op lange termijn macro-economisch gezien verantwoord zou zijn. In de memorie van toelichting wordt dan ook onderstreept dat de verhouding tenminste niet verder mag verslechteren.

De leden van de SGP-fractie vroegen hoe de verhouding tussen inactieven en actieven in de overige EG-lidstaten ligt. In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt thans onderzoek verricht teneinde te komen tot een internationale vergelijking van aantallen inactieven en actieven. Gegeven de beschikbare statistische informatie is een dergelijke vergelijking erg moeilijk op te stellen en zijn de voorbereidingen naar meer inzicht in internationaal vergelijkbare cijfers al enkele jaren geleden opgestart. Van de resultaten van dit onderzoek zal indien mogelijk in de Inkomensnota 1992 verslag worden gedaan.

De leden van de SGP-fractie vroegen voorts of een referentieperiode van vier jaar niet zinvoller is dan het hanteren van een achtjaarsperiode. Het ligt voor de hand om bij de beoordeling van economische doorrekeningen van het CPB een groter gewicht toe te kennen aan de vierdejaars effecten dan aan de effecten die volgens het CPB na acht jaar mogen worden verwacht. Dit neemt niet weg dat het van belang is de achtjaarsperiode mede in de beschouwing te betrekken, omdat de CPB-cijfers laten zien dat ook in de periode van het vierde tot het achtste jaar nog grote verschillen kunnen optreden. Deze keuze is ook van nut om bedacht te zijn op de mate waarin het verhoudingsgetal wordt beďnvloed door demografische veranderingen die, zoals de leden van de fractie van de SGP opmerkten, binnen deze termijn in redelijke mate voorzien kunnen worden. Aldus kan de toenemende vergrijzing ertoe noodzaken op middellange termijn een verbetering in het verhoudingsgetal uit anderen hoofde na te streven teneinde op lange termijn een verslechtering te kunnen voorkomen. Het lid van de RPF-fractie vroeg naar de mogelijkheid voor WAO-ers met een gedeeltelijke uitkering een overgangsperiode in te stellen waarin men toegroeit naar een arbeidsinkomen, om zo het aantal WAO-ers op korte termijn te beperken. Zoals in de Tussenbalans is beschreven zal de regering het WAO-dossier met voortvarendheid behandelen na

ommekomst van het SER-advies en met gebruikmaking van de dan beschikbare cijfers. Het lid van de RPF-fractie herinnerde eraan dat de regering tijdens de laatste Algemene Beschouwingen heeft laten weten dat er van de ruim 800 000 WAO-gerechtigden slechts 300 000 volledig van een WAO-uitkering afhankelijk zijn voor het voorzien in hun levensonderhoud. Dit lid leidt daar uit af dat de overige 500 000 derhalve partieel WAO-gerechtigd zijn. Dit berust echter op een misverstand. Het genoemde aantal van 300 000 betreft de categorie alleenverdieners onder de ontvangers van een WAO-uitkering. De overige 500 000 personen zijn alleenstaand of tweeverdiener, hetgeen niets zegt over de mate van arbeidsongeschiktheid. Met betrekking tot dit laatste kan uit de statistieken worden afgelezen dat minder dan 20% gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Een meerderheid daarvan is (gedeeltelijk) werkzaam in het arbeidsproces.

3.5. Budgetdiscipline

De leden van de fracties van CDA, VVD en GPV vroegen waarom de overheidsfinancien niet als derde afwijkingsgrond zijn opgenomen. Hiervoor zijn de volgende redenen. Er zijn, zowel voor de rijksbegroting als voor de sociale zekerheid en de zorgsector budgetdisciplineregels die bepalen dat elke sector zijn eigen problematiek moet oplossen voor zover sprake is van een specifieke problematiek. Als er sprake is van een generieke problematiek, zal naast een versleuteling over de verschillende begrotingshoofdstukken, de sociale zekerheid wellicht ook een bijdrage moeten leveren aan de oplossing daarvan. De regering kiest er dan voor om deze bijdrage eerder te zoeken in een beperking van aanspraken of van het volume dan in een generieke beperking van de stijging van de uitkeringen. Een gerichte beperking van aanspraken, van het volume of ombuigingen anderszins verdienen in het geval van een algemene budgettaire problematiek de voorkeur omdat dan voorkomen wordt dat alle uitkeringsgerechtigden getroffen worden. Opnemen van een budgettaire afwijkingsgrond tenslotte, bergt het gevaar in zich dat ontkoppeld zal worden. Ontkoppelen is immers een relatief generieke en gemakkelijk toe te passen ombuigingsmaatregel die aanzienlijke bedragen oplevert. Het principe van de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid, een parallelle inkomensontwikkeling, wordt hiermee in gevaar gebracht. Als in 1992 geen volledige koppeling plaatsvindt zal dat niet zijn om budgettaire problemen op te lossen, maar, zoals in de inleiding is geschetst, uit zorg om de werkgelegenheid, in het licht van de verhouding inactieven/actieven. Hiermee is ook de vraag van de leden van de fracties van SGP en GPV beantwoord naar de voorkeur van de regering voor ontkoppelen of voor het aantasten van selectieve rechten alsook die van de leden van de D66-fractie naar het enerzijds vrijwaren van de koppeling voor budgettaire problemen en anderzijds de beperking van rechten. Zoals onder andere blijkt uit het bovenstaande streeft de regering er inderdaad naar om de budgettaire problematiek op te lossen via uitgavenverminderingen en niet via lastenverzwaringen Dit in antwoord op de vraag van de CDA-fractie. Voor een antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie of de regering koopkrachtbehoud door middel van lastenverlichting uitsluit als alternatief voor de koppeling, kan worden verwezen naar hoofdstuk 1 van deze Memorie van Antwoord. Als de norm niet wordt overschreden zal de koppeling worden toegepast. Indien de wetstoepassing tot ontkoppeling zou leiden wil de regering, afhankelijk van de omstandigheden, streven naar koopkrachtbehoud.

De leden van de fracties van de VVD, SGP en GPV vroegen naar (een concretisering van) een eventuele beperking van rechten en van volume. Een concretisering is pas mogelijk op het moment dat de budgettaire problematiek zich voordoet. Recentelijk is bij de problematiek van de Tussenbalans gekozen voor een beperking van het volume van de ZW en de WAO.

3.6. Aanpassing in geval van afwijking De leden van de fractie van Groen Links vroegen welke aanpassing plaats zal vinden als wordt besloten tot aanpassing bij afwijking van de contractlonen. Bij afwijking van de contractlonen, zal conform paragraaf 6.10 van de memorie van toelichting, de regering een percentage voorstellen waarmee de uitkeringen worden aangepast. Over dit percentage wordt advies gevraagd aan de SER, de Raad van State zal worden gehoord en de Kamers van de Staten-Generaal krijgen de gelegenheid om te reageren op het voorgenomen percentage. In hoofdstuk 1 is reeds ingegaan op een eventuele aanpassing bij afwijking van de contractlonen.

3.7. Afwijkingsgronden in het SER-advies De leden van de CDA-fractie, de leden van de GPV-fractie en het lid van de RPF-fractie vroegen aandacht voor de afwijkingsgronden uit het SER-advies uit 1990 resp. 1988. De leden van de CDA-fractie en de GPV-fractie vroegen hoe de regering de relatie tussen het onderhavige wetsvoorstel en de noodzaak van loondifferentiatie ziet, mede in het licht van de (werkgelegenheidsjgevolgen van koppeling aan een gemiddelde voor sectoren met een relatief geringe contractloonstijging. De leden van de CDA-fractie pleitten tevens voor opneming van de drie additionele afwijkingsgronden uit het SER-advies van 1990 binnen de voorgenomen wettelijke vormgeving. Het lid van de RPF vroeg of de regering kon uiteenzetten waarom zij de afwijkingsgrond van de verschillen in loonontwikkeling tussen en binnen sectoren buiten beschouwing heeft gelaten. De regering onderschrijft met de leden van de GPV-fractie de wenselijkheid van differentiatie in de loonontwikkeling tussen sectoren en bedrijven. Hiermee kunnen immers verschillen tussen sectoren en tussen ondernemingen in economische perspectieven en arbeidsmarktsituatie tot uitdrukking komen in de loonvorming. De regering acht de kans dat als gevolg van loondifferentiatie op korte termijn spanningen zullen optreden in de loonstructuur en de werkgelegenheidsgroei gering, aangezien eventuele spanningen in deze sfeer zich slechts na een langere periode zullen voordoen, ook indien een mate van loondifferentiatie zou optreden welke groter is dan welke in de afgelopen jaren is opgetreden. Daarnaast speelt in dezen het ramingskarakter van de aanpassing een rol. Omdat de aanpassing van minimumloon en uitkeringen deels is gebaseerd op ramingen voor het komende c.q. lopende jaar is het niet mogelijk de mate van loondifferentiatie voldoende nauwkeurig te ramen. Tenslotte kan worden verwezen naar het SER-advies van 1988 (pagina 25/26). Hierin werd gesteld dat bij het onderzoek naar de mate waarin alternatieve indexeringsmechanismen, waarin mede rekening kon worden gehouden met de drie genoemde afwijkingsgronden «het vooralsnog niet mogelijk is gebleken voor het minimumloon een automatische aanpassingssystematiek te ontwikkelen die aan alle door de Raad gestelde criteria voldoet» (SER, 1988, pagina 26). Geen van de onderzochte

varianten voldeed aan de door de Raad gestelde criteria van eenvoud en doorzichtigheid. Tevens zou voor een statistisch zuivere uitwerking van de varianten aanzienlijk gedetailleerder datamateriaal beschikbaar moeten zijn dan waar het CBS over beschikt.

Aanpassing van het minimumloon aan de hand van de varianten leidde of tot een wegzakken van het minimumloon ten opzichte van de gemiddelde caoloonontwikkeling of tot een opwaartse druk op de overige contractlonen. De regering heeft er derhalve voor gekozen de overwegingen op deze punten, gezien het langere termijn aspect en de complexe materie van de zaak, buiten beschouwing te laten bij de halfjaarlijkse aanpassing en te betrekken bij de vierjaarlijkse besluitvorming over een bijzondere aanpassing. Wel is de regering van mening dat, zoals in de memorie van toelichting is verwoord (pag. 24), mocht blijken dat de door de SER genoemde aspecten steeds en in belangrijke mate aanleiding zouden geven tot nadere overwegingen rond de aanpassing, dit tot een herbezinning zou moeten kunnen leiden van de voorgestelde aanpassingssystematiek.

  • DE RELATIE MET HET ARBEIDSVOORWAARDENBELEID

De leden van de CDA-fractie steunden het voorstel om overeenkomstig het advies van de SER de salarisontwikkeling in de collectieve sector mede bepalend te doen zijn voor de aanpassing van de uitkeringen. Ook de leden van de fracties van de PvdA, SGP en GPV betuigden hun instemming met dit voorstel. De leden van de PvdA-fractie vroegen daarbij of de onderhandelingsvrijheid voor de partners in het cao-overleg in de collectieve sector wel in voldoende mate aanwezig was om dit deel van de grondslag van de aanpassingssystematiek te rechtvaardigen. Ook de leden van de fracties van het CDA, SGP en GPV stelden hieromtrent vragen. De leden van de fractie van Groen Links vroegen waarom met opname van de collectieve sector niet gewacht wordt tot sprake is van een volledig marktconform overlegmodel. De leden van de CDA-fractie wilden weten of het juist is dat alleen de uitkeringen gekoppeld zijn aan een bepaalde ontwikkeling van de lonen, maar dat de lonen in de collectieve sector niet gekoppeld zijn aan de lonen in de marktsector en dat de lonen in de marktsector niet gekoppeld zijn aan de uitkeringen. Dit laatste is inderdaad juist De loonontwikkeling is de uitkomst van het overleg tussen werkgevers-en werknemersorganisaties in de verschillende bedrijfstakken. Het is de verantwoordelijkheid van partijen in het cao-overleg rekening houdend met de diverse relevante factoren een verantwoorde afweging te maken. De afgelopen jaren is ook in de g + g-sectoren steeds sterker gewerkt volgens dit patroon, dat voor de marktsector van oudsher bestaat. De situatie in de overheidssector komt hiermee sinds de totstandkoming van het zogenaamde protocol materieel sterk overeen. Kern van het protocol immers is het overeenstemmingsvereiste dat wil zeggen het uitgangspunt dat de arbeidsvoorwaarden slechts kunnen worden gewijzigd wanneer daarover overeenstemming is bereikt met de bonden van overheidspersoneel. In het kader van cao-onderhandelingen in elke bedrijfstak is het, niet in de laatste plaats in verband met de positie op de arbeidsmarkt, van belang hoe de arbeidsvoorwaarden zich ontwikkelen in andere sectoren. Maar de ontwikkeling in een of enkele andere sectoren kan niet de maatstaf zijn voor de loonontwikkeling in enige bedrijfstak. Een dergelijke benadering verdraagt zich niet met vrij

overleg, waarin de betrokken partijen (werkgevers en werknemers) voor hun sector tot een verantwoorde afweging moeten komen met in aanmerking nemen van alle relevante factoren Het gegeven dat de loonontwikkeling doorwerkt in de uitkeringen betekent onmiskenbaar een verzwaring van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Die verantwoordelijkheid rust op alle werkgevers en werknemers. Bepalend is immers het gemiddelde van de loonontwikkeling in alle sectoren. Het is dus niet zo dat een sector, ook niet een grote zoals de overheidssector, de uitkomst bepaalt en daarmee de verantwoordelijkheid draagt. Daarbij wil de regering erop wijzen dat het uitdrukkelijk de bedoeling is ook in de overheidssector het arbeidsvoorwaardenoverleg deelsectorgewijs te gaan voeren. Voor wat betreft de consequenties voor de uitkeringen draagt elke (deel-)sector een steen of steentje bij aan het eindresultaat.

Voor het percentage waarmee de uitkeringen worden aangepast is bepalend het gemiddelde van de uitkomst van het arbeidsvoorwaardenoverleg in een groot aantal (deel-)sectoren.

Het is niet meer dan toeval wanneer dit gemiddelde precies overeenkomt met de uitkomst van het cao-overleg voor een sector. Dit geldt temeer wanneer men zich realiseert dat cao's verschillende ingangsdata kennen en verschillende looptijden. Soms wordt een cao afgesloten voor een jaar soms voor twee jaar of nog weer een andere periode. Bovendien worden in cao's verschillende afspraken gemaakt over de ingangsdatum en de aard van verbeteringen. Vergelijking van bijvoorbeeld een bepaalde algemene loonsverhoging op een bepaald moment in een bepaalde cao met het germddelde percentage waarmee de uitkeringen worden aangepast op het daarvoor bepaalde aanpassingsmoment is dus niet zinvol en niet relevant. Zoals hiervoor gememoreerd zal ook in de overheidssector het arbeidsvoorwaardenoverleg deelsectorgewijs plaatsvinden. Daarmee is er geen algemene grond voor (veronder)stelling van de leden van de CDA-fractie «indien de ambtenaren minder zouden krijgen dan de marktsector, dan krijgen zij per definitie ook minder dan de uitkeringen» en de hierop gebaseerde vraag al is deze stelling voor de gemiddelde ontwikkeling een mathematisch juiste. Bij de prognose van het CPB met betrekking tot de loonontwikkeling gaat het om een raming van de (gemiddelde) ontwikkeling. Deze raming geeft een zekere indicatie. Het is een van de gegevens die nuttig kan zijn voor werkgevers en werknemers bij het aangaan van het cao-overleg voor hun sector. Voor de inzet van het cao-overleg en de afweging van wat een verantwoorde loonontwikkeling is voor de betreffende sector zijn meerdere gegevens van belang zoals bijv. de productiviteitsontwikkeling in de betreffende sector, de situatie op het relevante deel van de arbeidsmarkt. Werkgevers en werknemers bepalen hun inzet en maken hun afweging op grond van alle relevante gegevens en zetten niet eenvoudigweg hun koers uit op een ramingsgegeven van het CPB. De leden van de CDA-fractie stelden terecht dat de WKA als mogelijkheid beperking van de koppeling kent en niet beperking van de contractsvrijheid. De contractsvrijheid zoals die ook tot uiting komt in de Wet op de loonvorming staat daarbij niet ter discussie.

Daarbij vroegen de leden van de CDA-fractie naar de mening van het IMF over de koppeling. Het IMF heeft Nederland in december 1990 voor het laatst geconsulteerd. Het rapport dat naar aanleiding van deze consultatie wordt opgesteld en de conclusies door de Executive Board van het IMF op basis van dat rapport zijn niet openbaar. Een samenvatting van het rapport en de conclusies worden vertrouwelijk aan de

vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer gestuurd. De kanttekeningen van het IMF hebben de aandacht van de regering.

De leden van de fractie van CDA vroegen of al bekend is welk deel van de ambtenaren-«cao» wordt meegenomen in de loontrend. Het antwoord op deze vraag is dat dezelfde elementen die voor de bedrijvensector relevant zijn voor de bepaling van de contractloonontwikkeling aldaar, ook voor de overheid zullen worden meegenomen ten behoeve van het voor de koppeling relevante contractlooncijfer.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de DCA de arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren gaat registreren. Vastgesteld moet worden dat dit thans niet het geval is.

Registratie door DCA voor toepassing van de WKA is overigens ook niet strikt noodzakelijk omdat het CPB zelf ramingen en realisaties voor de contractloonontwikkeling bij de overheid samenstelt. Uit oogpunt van vergelijking van ontwikkelingen in de verschillende sectoren ligt het echter in de bedoeling aan dit aspect in de toekomst door de DCA aandacht te laten besteden In de door de leden van de CDA-fractie genoemde wetsvoorstellen met betrekking tot het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume zijn ook die wijzigingen van de Ziektewet meegenomen die samenhangen met een herschikking van bevoegdheden tussen overheid en sociale partners. Er is vooralsnog voor gekozen om deze herverdeling van bevoegdheden te beperken tot de Ziektewet. Deze wet ligt immers dicht aan tegen de overige arbeidsvoorwaarden waarvoor werkgevers en werknemers verantwoordelijkheid dragen. Met deze beperking is echter niet gezegd dat de toekomst van de WAO als wettelijke loondervingsverzekering voor eens en voor altijd vastligt. De mogelijkheden zoals geopperd door de leden van de CDA-fractie zijn niet uit te sluiten. In relatie tot de WKA stelt de regering vast dat zolang de verzekering tegen loonderving op grond van langdunge arbeidsongeschiktheid wettelijk is geregeld, de welvaartsvaste ontwikkeling althans in omstandigheden waarin dit verantwoord wordt geacht, eveneens in die wet zal zijn verankerd.

De leden van de Groen Linksfractie stelden dat het aan de politiek is om te beslissen hoe de inkomens -en koopkrachtverhouding eruit dient te zien. Het kabinet zou vergaande decentralisatie van het arbeidsvoorwaardenoverleg toelaten -waarbij slechts aan het bedrijfs-of sectorbelang wordt gedacht; cao's zouden noch direct, noch indirect uitzicht op werk bieden. Het voorliggende wetsvoorstel zou nauwelijks bijdragen aan de groei van de werkgelegenheid en een daarmee samenhangende gematigde loonkostenontwikkeling en aan een betere verhouding inactievenactieven, aldus de voornoemde leden. Door hen werd heroverweging gevraagd van de positie van de overheid hetzij door «pal achter het voorstel van de FNV (1% van de loonruimte centraal reserveren voor niet-loon) te gaan staan» hetzij door na te gaan hoe de overheid herverdeling van arbeid kan stimuleren. De leden van de SGP-fractie stelden de vraag in hoeverre de regering de bereidheid van de sociale partners inschat om zich te matigen om zodoende de koppeling in stand te houden. Zoals eerder vermeld is, is het uitgangspunt van de Wet op de loonvorming de eigen verantwoordelijkheid van de sociale partners voor de loonvorming -en heeft de regering slechts in zéér uitzonderlijke gevallen, (actuele noodsituaties van de nationale economie, veroorzaakt

door een of meerdere schoksgewijs optredende externe factoren) de bevoegdheid regelen omtrent de arbeidsvoorwaarden te stellen.

In de afgelopen jaren is -samengaande met de vrije loonvorming conform deze wetgeving -de nodige werkgelegenheidsgroei geboekt. Ook in het op 1 december 1989 (voor de komende jaren) door de Stichting van de Arbeid en het kabinet onderschreven Gemeenschappelijk Beleidskader wordt de relatie tussen een beheerste loonkostenontwikkeling en de nodige werkgelegenheidsgroei gelegd. In het GBK is in dit verband tevens vermeld dat «aangezien de mogelijkheden per bedrijf of bedrijfstak verschillend zijn uiteindelijk alleen op decentraal niveau -als uitkomst van beleid en overleg -kan worden bepaald wat verantwoord is». De (tussentijdse) overzichten inzake de arbeidsvoorwaardenontwikkeling van de Dienst Collectieve Arbeidsvoorwaarden geven aan dat in de afgelopen tijd ook op ruimere schaal afspraken in cao's opgenomen zijn in verband met de werkgelegenheid. Inzake het voornoemde FNV-voorstel is de Kamer per brief van 14 september 1990 op de hoogte gesteld van het standpunt van de regering.

  • OVERIGE ASPECTEN

5.1. Indexeringssystematiek

Leden van verschillende fracties zijn ingegaan op de rol van het CPB bij de voorziene aanpassingssystematiek.

De leden van de CDA-fractie vroegen hoe het CPB de loonraming zal inschatten. Tevens stelden deze leden de vraag of het een raming betreft voor alle sectoren of ook een per afzonderlijke sector. Tenslotte stelden deze leden de vraag hoe de regering de risico's inschat dat de loonraming als een bodem in de collectieve loonmarkt zal werken. Het CPB zal de loonraming voor de collectieve sector op de voor haar gebruikelijke berekenings-en ramingmethodieken baseren. Het voor de koppeling relevante cijfer betreft een loonraming voor alle sectoren tezamen, dus voor markt-en collectieve sector. Het gevaar dat deze loonraming als een bodem in de (collectieve) loonmarkt gaat fungeren acht de regering niet groter dan op dit moment mogelijk het geval zou zijn; in MEV en CEP publiceert het CPB immers ook thans steeds ramingen voor de contractloonstijging voor bedrijvensector en overheidssector. Om een mogelijk opstuwende werking van de raming voor de aanpassing zoveel mogelijk te voorkomen heeft de regering, besloten de aanpassing per 1 januari van enig jaar te stellen op 50% van de loonraming voor markt-en collectieve sector tezamen.

Met het gebruik van ramingen in combinatie met realisaties, dit naar aanleiding van vragen van leden van de CDA-fractie hierover, beoogt de regering een betere aansluiting te bewerkstelligen tussen de actuele loonontwikkeling en de ontwikkeling van minimumloon en uitkeringen. Aan ramingen is wel inherent dat de uiteindelijke realisatie van de eerdere raming kan afwijken. In de halfjaarlijkse aanpassing is voorzien dat met afwijkingen tussen ramingen en realisaties rekening gehouden kan worden bij de aanpassing op 1 januari. Bij deze aanpassing wordt immers gecorrigeerd voor verschillen in de raming voor de contractloonstijging tussen de in het najaar verschenen MEV en de in het voorjaar verschenen CEP. De vierjaarlijkse evaluatie opent de mogelijkheid om te corrigeren voor de gevolgen van afwijkingen op langere termijn. Op deze wijze worden de voordelen van ramingen en realisaties behouden, maar de nadelen ervan vermeden.

De leden van de CDA-fractie vroegen of het werken met ramingen geen gevaar voor de politieke onafhankelijkheid van het CPB inhield Tevens achtten deze leden de mogelijkheid dat de regering zelf de loonraming in het CEP kan invullen, zoals in het recente SER-advies op pagina 31 is gesuggereerd, curieus. De leden van de SGP-fractie vroegen of er voldoende waarborgen zijn dat het CPB gevrijwaard blijft van politieke druk bij het maken van ramingen. De voorgestelde systematiek houdt naar het oordeel van de regering geen aantasting van onafhankelijkheid van het CPB in. Het CPB is en blijft verantwoordelijk voor haar eigen ramingen. De stelling dat de regering zelf de loonraming in het CEP zou kunnen invullen, kan niet aan de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel worden ontleend.

Overigens kan worden opgemerkt dat, zoals hierboven is aangegeven, bij de januariaanpassing steeds ook een correctie zal plaatsvinden op basis van realisatiecijfers. Aangezien het cijfer voor de contractloonontwikkeling dan geen ramingskarakter meer heeft maar een realisatiekarakter ontbreekt ook in feitelijke zin de relevantie van de gesignaleerde problematiek. De leden van de SGP-fractie vroegen welk cijfer doorslaggevend is voor de bepaling van de aanpassing bij verschil van mening tussen CPB en regering. Zoals in de wettekst alsook hierboven is geformuleerd zal het cijfer zoals dat in het CEP (en MEV) is gepubliceerd bepalend zijn voor de aanpassing van mimmumloon en uitkeringen.

De leden van de SGP-fractie vroegen de regering hoe nauwkeurig de ramingen van het CPB in de afgelopen jaren zijn geweest. Hiertoe wordt in onderstaande tabel een overzicht gegeven van de ramingen van de contractloonstijging voor de marktsector zoals het CPB die sinds 1985 in MEV en CEP heeft gepubliceerd.

Tabel 5.1. Ramingen en realisaties contractloonmutatie marktsector 1985-1991

jaart

MEV uit jaar t-1 CEPuitjaart

MEV uit jaar t

realisatie

1985 86 87 88 89 1990 91

0,6 2,1 1,0 0,5 1,0 2,5 3,3

1,1 1,3 1,3 0,7 1,5 3,0 3,5

1,4 1,3 1,0 0,8 1.5 3,0

1,1 1.2 0,8 0.8 1,4 2,9

Bron: CPB; zie ook SER, Advies aanpassing minimumloon en sociale uitkeringen, nr. 90/13

Voor de vraag van de leden van de fractie van Groen Links over de concrete aanpassing bij de invoering van dit wetsvoorstel kan worden verwezen naar de inleiding van deze memorie van antwoord, waar hier nader op in is gegaan. Tevens vroegen deze leden naar de werking van de nacalculatie. De nacalculatie per 1 januari van jaar t+ 1 over jaar t wordt berekend als het verschil tussen de raming voor jaar t uit de MEV van jaar t enerzijds en de raming voor jaar t uit het CEP van jaar t anderzijds. Het betreft hier de ramingen van de contractloonstijging (die ten dele een realisatie zijn). De nacalculatie betreft dus niet aanvulling van de aanpassing van minimumloon en uitkeringen tot de contractloonstijging op jaarbasis; de stijging van minimumloon en uitkeringen enerzijds en contractlonen anderzijds kunnen op jaarbasis dus uiteenlopen.

Op de vraag van de leden van deze fractie naar een voorbeeld van de werking van de aanpassingssystematiek voor de stijging van contractlonen en minimumloon op jaarbasis kan voor een uitgebreide adstructie met cijfers worden verwezen naar het SER-advies uit 1990 (Bijlage 10, pagina 85-92).

5.2. De nettonettokoppeling en gedifferentieerde koppeling Verschillende fracties hebben er voor gepleit de nettonettokoppeling die in het wetsvoorstel gehandhaafd blijft, op een of andere wijze te doorbreken. Tevens wordt op deze plaats ingegaan op de vragen van verschillende fracties over een gedifferentieerde koppeling.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de regering kon instemmen met het voorstel om de nettonettokoppeling ten principale tegelijkertijd te behandelen met de regeringsreactie op het SER-advies over de kinderbijslag, de regeringsreactie op het WRR-rapport over de arbeidsparticipatie en het rapport van de commissie Stevens. De regering neemt kennis van dit voorstel en stelt vast dat de CDA-fractie evenals de regering vooralsnog uitgaat van handhaving van de nettonettokoppeling zoals ook in het onderhavige wetsvoorstel is neergelegd. Hiermede is tevens de vraag van het lid van de RPF-fractie, wanneer de regering het loslaten van de nettonettokoppeling als serieuze optie in overweging zou nemen, beantwoord.

De leden van de fractie van D66 vroegen wanneer de regering verwacht dat de deelname van met name de jongere generatie vrouwen voldoende ver is voortgeschreden dat gesproken kan worden van een situatie waarin het minimumloon niet meer per definitie de behoefte van een tweepersoonshuishouden hoeft te dekken. Zoals in de memorie van toelichting op pagina 33 is opgemerkt verwacht de regering dat dit pas op langere termijn het geval zal zijn. Er waren in 1985 (meest recente cijfers) circa 900000 huishoudens met een minimuminkomen (loon danwel uitkering). In ongeveer 380 000 van deze huishoudens is sprake van meerpersoonshuishoudens met één inkomen (eenoudergezinnen en alleenverdieners). Op dit moment acht de regering de problematiek die hieruit zou voorvloeien bij het loslaten van de nettonettokoppeling vooralsnog bezwaarlijk. De leden van de fractie van D66 en SGP vroegen of overwogen is om, ingeval van een afwijking van de reguliere aanpassingssystematiek, een onderscheid te maken tussen degenen met een arbeidsmarktperspectief (minimumloon en een aantal «arbeidsmarktrelevante» uitkeringen) en degenen voor wie dit niet meer aan de orde is. De leden van de SGP-fractie stelden daarenboven de vraag of een hoger minimumloon (dat wil zeggen ten opzichte van de uitkeringen) voor uitkeringsgerechtigden niet een extra prikkel zou vormen om betaalde arbeid te verrichten. De leden van de GPV-fractie konden zich daarentegen voorstellen dat de AOW-uitkeringen en de bovenminimale uitkeringen aan de welvaartsontwikkeling werden gekoppeld, maar dat minimumloon en minimumuitkeringen een achterblijvende ontwikkeling zouden kennen.

De regering is zich bewust van de problematiek aan de onderkant van de arbeidsmarkt waarop de leden van de verschillende fracties doelen. Hier kan verwezen worden naar Hoofdstuk 5 van de notitie Inkomens-beleid 1991 (Kamerstukken II, 1990/1991, 21806, nrs. 1-2). In dit kader is de regering het dan ook eens met de wens van de Kamer het arbeids-

kostenforfait voor werkenden te verhogen. Op deze wijze wordt het voor iemand met een minimumuitkering financieel aantrekkelijker de overstap te maken naar een baan op of juist boven het minimumloonniveau doordat de hiermee verbonden (on)kosten deels worden gecompenseerd. De suggestie van de leden van de verschillende fracties voor een verschil in ontwikkeling van verschillende uitkeringen en minimumloon acht de regering, mede vanuit arbeidsmarktoverwegingen, evenwel bezwaarlijk (zie ook Kamerstukken II, 1988/1989, 20800, nr. 14, waarin op het voorstel van de fractie van D66 nader is ingegaan door de regering). Een dergelijke differentiatie zou leiden tot twee verschillende niveaus van minimumuitkeringen, welke vanuit het oogpunt van kosten van levensonderhoud niet te rechtvaardigen zijn. De minimumbehoefte is immers niet afhankelijk van de aard van de inactiviteit. Tevens werpt zich dan de vraag op welke uitkeringen wel en welke uitkeringen niet arbeidsmarktrelevant zijn. Dit zou naar het oordeel van de regering steeds arbitraire keuzes vergen Het achterblijven van het minimumloon bij de minimumuitkeringen, zoals de fractie van D66 enige tijd geleden heeft gesuggereerd, zou er toe leiden dat het niveau van het minimumloon structureel onder het niveau van de minimumuitkeringen terecht zou komen. Hiervan zou te zeer een verstorende werking op het functioneren van de arbeidsmarkt uitgaan. Werken levert in die situatie dan een lager mkomen op dan niet-werken, waardoor toetreding tot de arbeidsmarkt juist financieel ontmoedigd wordt. Zoals hierboven is opgemerkt staat de regering juist een tegenovergestelde ontwikkeling voor. Tenslotte doet zich het gevaar voor dat na verloop van tijd de roep ontstaat om met betrekking tot uitkeringen welke zijn achtergebleven alsnog een zekere inhaal te laten plegen en eventueel alsnog gelijk te trekken met de overige uitkeringen.

Meer in algemene zin kan met betrekking tot de nettonettokoppeling en de gedifferentieerde koppeling mede worden verwezen naar de regeringsreactie op het WRR-rapport welke in voorbereiding is, dit mede in reactie op een vraag van de leden van de fractie van D66 over de regeringsreactie op dit rapport, De leden van de fractie van Groen Links vroegen naar de stand van zaken rond de toezegging van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten tijde van de kamerbehandeling van de eenmalige toelage van f 50, inzake informatie over de verschillende brutonettotrajecten van een groot aantal verschillende uitkeringen. In de schriftelijke stukken bij de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (Kamerstukken II, 1988-1989, 20855) zijn de bedoelde brutonettotrajecten reeds uitgebreid aan de orde geweest. Zo is daar bijvoorbeeld ingegaan op de gevolgen van de Oort wetgeving voor de AOW-en AWW-uitkeringen en het aanvullend pensioen en de samenloop bij arbeidsinkomen en WAO-uitkering. Ook in hoofdstuk 3.2 van de Financiële nota sociale zekerheid 1990 (Kamerstukken II, 1989-1990, 21312) zijn de gevolgen van de Oortoperatie voor de bruto-en netto-uitkeringen uiteengezet. In de Nota sociale zekerheid 1991 (Kamerstukken II, 1990-1991,21807, nrs. 1-2) is inzicht gegeven in de koppelingssystematiek in de na-Oortse situatie, waarbij specifieke aandacht is gegeven aan de zogenaamde kopjesproblematiek. In verschillende schriftelijke stukken is dus reeds aandacht aan deze materie gegeven. Deze materie zal overigens opnieuw aan de orde komen bij de evaluatie van de overhevelingstoeslag, die voor 1993 is voorzien. Het is ook mogelijk dat één en ander eerder aan de orde zal komen naar

aanleiding van de binnenkort te verwachten rapportage van de commissie Stevens.

5.3. Internationale aspecten

Op de vraag van de fractie van de SGP of buitenlandse economische ontwikkelingen die bedreigend zijn voor de Nederlandse economie, niet een rol zouden moeten spelen bij de vraag of de koppeling gehandhaafd moet worden kan worden geantwoord dat internationale economische ontwikkelingen voor zover relevant vanzelf tot uitdrukking komen in het criterium van de aantalsverhouding actieveninactieven. Niet alleen overwegingen over de gevolgen van economische ontwikkelingen op korte termijn, maar ook de gevolgen daarvan voor de Nederlands economie op langere termijn zoals die tot uitdrukking zullen komen in de verhouding inactievenactieven zullen in de beschouwing rond de vraag of al dan niet gekoppeld dient te worden, worden betrokken.

De leden van de SGP-fractie vroegen of een overzicht gegeven kon worden van de hoogte van de minimumlonen en de uitkeringen in de lidstaten van de EG en van de wijze waarop daar het minimumloon en de uitkeringen worden aangepast. In de onderstaande tabel is voor het jaar 1985 de hoogte van het laagste beloningsniveau in een aantal Europese landen weergegeven als percentage van het Nederlandse wettelijke minimumloon. Voor een recenter jaar dan 1985 zijn geen cijfers beschikbaar. Evenmin zijn voor alle EG-landen gegevens bekend. Opgemerkt kan worden dat in Nederland sinds 1985 het minimumloon is achtergebleven bij de ontwikkeling van de gemiddelde lonen. In welke mate dat in de overige landen het geval is, is niet bekend. Benadrukt zij dat aan de onderlinge vergelijking van deze cijfers de nodige beperkingen verbonden zijn. Zo is in slechts drie van de in Tabel 5.2 beschouwde landen sprake van een wettelijk minimumloon, met bovendien verschillen in werkingssfeer. Voor de overige beschouwde landen is uitgegaan van de beloning volgens een bepaalde cao of volgens een aantal cao's, waarbij ook weer verschillen in werkingssfeer bestaan.

Tabel 5.2. Indices bruto minimum beloningsniveau per maand, 1985 (omgerekend via koopkrachtpariteiten, Nederland = 100)

land

index

aanvangsleeftijd

wettelijk/CAO's

Nederland België Duitsland Denemarken Frankrijk Spanje GBr (ongeschoold)

(geschoold)

100 96 82 110 77 50 68

vanaf 23 jaar 21 21 18 18 18 20

wettelijk CAO's part.sector CAO metaal trend uit CAO's wettelijk wettelijk CAO mechanical engineering industry CAO mechanical engmeering industry Bron: Research voor Beleid/SZW, Een internationale vergelijking van de minimumlonen, de inkomensverdeling en de minimumuitkeringen, november 1989.

Voor uitgebreide verhandeling over de minimumuitkeringsniveaus in een aantal landen van de EG kan verwezen worden naar de Nota Sociale Zekerheid 1991, waar hierop nader is ingegaan (Kamerstukken II, 1990/1991, 21807, nrs. 1-2, pag. 96-102). Volledigheidshalve is onderstaand een tabel opgenomen die voor dezelfde landen als in de vorige tabel de hoogte van de minimumuitkeringen voor verschillende huishoudtypen weergeeft. De gegevens uit de tabel zijn niet geheel

onderling vergelijkbaar, onder andere door verschillen tussen landen voor wat betreft de woonkostenvergoedingen en de individuele huursubsidie.

Tabel 5.3. Netto minimumuitkeringen per maand (inclusief kinderbijslag) 1988 (omgerekend via koopkrachtpariteiten, Nederland = 100)

land

Nederland Belgię (bijstand) België (werkloos) Duitsland Denemarken Denemarken (maximaal) Frankrijk Spanje Groot-Brittannië

echtpaar geen kind

100 73 82 76 74 179 64 54 62

echtpaar 2 kind. 6-1 1 jr.

100 90 97 101 104 165 77 50 81

een ouder 2 kind. 6-1 1 K

100 84 84 94 92 109 72 54 73

alleenstaand geen kind.

100 78 84 70 53 128 61 0 57

Bron: Research voor Beleid/SZW, Een internationale vergelijking van de minimumlonen, de inkomensverdeling en de minimumuitkeringen, november 1989; zie ook de Nota Sociale Zekerheid 1991.

Over de wijze waarop de minimumlonen en de minimumuitkeringen worden aangepast in verschillende landen geven de tabellen 5.4 en 5.5 inzicht. De tabellen zijn ontleend aan het SER-advies over de aanpassingssystematiek uit 1988.

Aanpassing van het minimumloon is in de beschouwde landen veelal (mede) afhankelijk van de ontwikkeling van de prijsindex van de comsumptie.

Tabel 5.4. Aanpassingssystematiek van het (wettelijk) minimumloon in een aantal Europese landen

België

  • het minimumloon wordt met 2 procent verhoogd op het moment dat de prijsindex van de consumptie, die hiervoor over een periode van vier maanden wordt berekend, met 2 procent is gestegen (in 1984, 1985, en 1986 is de eerste 2 procentstijging niet uitbetaald). Frankrijk
  • de SMIC wordt met 2 procent verhoogd op het moment dat de prijsindex van de consumptie met 2 procent is gestegen. Daarnaast dient de aanpassing, over de periode van een jaar, ten minsle 50 procent van de koopkrachttoename van het gemiddelde uurloon te zijn. De regering kan bijzondere verhogingen toepassen. Griekenland
  • toenames worden per vier maanden gegeven aan de hand van de verwachte prijsstijging over de komende vier maanden. Luxemburg
  • het minimumloon wordt verhoogd met 2,5 procent op het moment dat de prijsindex van de comsumptie met 2,5 procent is gestegen. Eenmaal in de twee jaar wordt de ontwikkeling van het minimumloon nader bezien. Portugal
  • eenmaal per jaar (in januari) beziet de regering het mmimumloon in het licht van de prijs-en loonstijgingen, geen automatische aanpassing Spanje
  • aanpassing eenmaal per jaar (januari) door de overheid na consultatie van werkgevers-en werknemersorganisaties. Verhogingen worden gegeven ter compensatie van verwachte prijsstijgingen in het komende jaar. Naar aanleiding van de werkelijke prijsontwikkeling wordt halfjaarlijks aangepast.

De aanpassing van sociale uitkeringen op minimumniveau vindt plaats op basis van de prijsindex in Groot-Brittannië en Belgie. In Denemarken worden nominale aanpassingen in de wet vastgelegd (voor steeds een bepaalde periode). In Frankrijk vindt de aanpassing plaats bij regeringsbesluit. In Duitsland vindt de aanpassing plaats aan de hand van ontwikkeling van de prijzen van de «Warenkorb».

De volgende gegevens hebben betrekking op de aanpassing van sociale uitkeringen in het kader van ouderdom en/of invaliditeit.

Tabel S.S. Aanpassingssystematiek sociale uitkeringen van ouderdom en/of invaliditeit in een aantal Europese landen

België

  • automatische aanpassing aan prijsontwikkeling. Oostenrijk
  • bij wet geregelde automatische aanpassing aan de loonontwikkeling. Denemarken
  • automatische aanpassing aan de prijsontwikkeling. Frankrijk
  • automatische aanpassing aan de ontwikkeling van de lonen. Groot-Brittannië
  • wettelijk geregelde aanpassing aan de prijsontwikkeling (jaarlijks op basis prijsontwikkeling afgelopen jaar). Bondsrepubliek
  • automatische aanpassing aan de prijsontwikkeling (sinds 1985). Zwitserland
  • wettelijk geregelde aanpassing aan de ontwikkeling van lonen en prijzen.
  • ADVIES-EN BESLUITVORMINGSPROCEDURE

De leden van de fracties van CDA, D66 en van SGP vonden de redenering van de regering om niet jaarlijks advies te vragen aan de SER niet duidelijk respectievelijk niet erg overtuigend. De regering werd uitgenodigd haar standpunt nader toe te lichten respectievelijk te herzien. Jaarlijkse advisering door de SER over de vraag of al dan niet gekoppeld zou moeten worden, zou niet in overeenstemming zijn met het uitgangspunt van het wetsvoorstel, namelijk koppeling als regel. Het zou immers leiden tot een min of meer beleidsmatig aanpassingsstelsel met een jaarlijks terugkerende discussie over de koppeling, een stelsel waar de regering juist niet voor heeft gekozen. Indien er naar het oordeel van de regering op basis van de afwijkingsgronden wel aanleiding is om de koppeling ter discussie te stellen, dient dit met de nodige procedurele zorgvuldigheid te worden bekleed In zo'n geval zal advies worden gevraagd aan de SER. Voorts zullen de Raad van State en de Eerste en Tweede Kamer in de gelegenheid worden gesteld hun oordeel over het voornemen uit te spreken. In het wetsvoorstel is gesteld dat uitgegaan wordt van koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de loonontwikkeling als regel voor de aanpassing, tenzij er op basis van de afwijkingsgronden reden is om van de koppeling af te zien. In de memorie van toelichting is nauwkeurig omschreven wanneer de koppeling ter discussie staat. Indien de koppeling niet ter discussie staat is er naar het oordeel van de regering ook geen reden om advies te vragen aan de SER. In dat geval kan naar het oordeel van de regering dan ook worden volstaan met een ministerieel besluit. Daar komt bij dat een SER-advies ook geen betekenis zou kunnen hebben voor de feitelijke gang van zaken. Immers, als voldaan is aan de norm dan is de regering op grond van de wet gehouden de koppeling toe te passen. Een SER-advies zou om die reden van elke praktische betekenis zijn ontbloot.

De leden van de fractie van de SGP vroegen of de beslissing over het wel of niet handhaven van de koppeling voor een heel jaar niet voldoende was. Het zesde en het zevende lid van de wet regelen de procedure in geval van de koppeling wordt afgeweken. Indien wordt besloten per 1 januari tot een afwijkende aanpassing te komen, is in de WKA bepaald dat deze

afwijkende vaststelling voor het gehele jaar zal gelden (zie de artikelsge wijze toelichting bij het zevende lid). Dit betekent dat reeds in de Amvb die de afwijking per 1 januari regelt moet worden aangegeven of per 1 juli een aanpassing plaatsvindt en zo ja, hoe hoog de aanpassing zal zijn per 1 juli. In dit geval geldt de beslissing om af te wijken van de koppeling per 1 januari dus voor een geheel jaar. Zoals in paragraaf 1.4 is aangegeven is de regering voornemens wel het principe te handhaven dat een ontkoppeling per 1 januari het hele jaar geldt maar dat ze van plan is de Kamer een nota van wijziging toe te zenden die het mogelijk maakt om alsnog per 1 juli te koppelen als per 1 januari wordt ontkoppeld. Omdat zich in de eerste helft van enig jaar echter ontwikkelingen kunnen voordoen op basis waarvan van de regel van koppeling zou kunnen worden afgeweken, heeft de regering het nodig geacht ook per 1 juli van de reguliere aanpassingssystematiek te kunnen afwijken Indien per 1 januari wel de reguliere aanpassing heeft plaatsgevonden, maar alsnog besloten wordt tot een afwijkende aanpassing per 1 juli, dan geldt deze afwijkende aanpassing slechts voor de tweede helft van het betreffende jaar.

Bij deze opzet is dus per jaar slechts eenmaal een discussie over afwijking van de regel van koppeling mogelijk.

De leden van de fractie van het GPV vroegen of het noodzakelijk was in de wet vast te leggen dat een a.m.v.b., waarbij wordt afgeweken van de koppeling, aan de beide Kamers der Staten-Generaal wordt voorgelegd alvorens deze in werking zal treden. Het is op zichzelf niet absoluut noodzakelijk te komen tot een in de wet geregelde voorhangprocedure. Wij achten het ondenkbaar dat een besluit tot afwijking van de koppeling zou worden genomen zonder voorafgaande voorlegging aan het parlement. Juist vanwege het zwaarwichtige karakter van een besluit tot afwijking is het naar ons oordeel van belang de procedurele gang van zaken zeer zorgvuldig te regelen; om die reden is er voor gekozen de procedure van voorlegging op wetsniveau te verankeren.

  • ARTIKELSGEWIJZE OPMERKINGEN

Naar het oordeei van de leden van de PvdA-fractie had intrekking van de Wet herziening aanpassingsmechanismen (WAM) door de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid (WKA) in de rede gelegen omdat de WKA in de plaats treedt van de WAM. De WAM is geen zelfstandige wet, maar een wijzigingswet m.b.t. de WML en een aantal sociale zekerheidswetten. De WAM-systematiek is aldus geďncorporeerd in artikelen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) en de desbetreffende sociale zekerheidswetten. De huidige tekst van artikel 14 van de WML vormt de neerslag van de WAM; dit artikel wordt nu door de WKA vervangen. Hetzelfde geldt voor de in de WKA vervatte wijzigingen van de sociale zekerheidswetten. Intrekking van de WAM als zodanig, is derhalve niet mogelijk.

De leden van de PvdA-fractie plaatsten een enkele kanttekening bij de keuze om 1 januari en 1 juli als data te bepalen waarop bij AMvB het bedrag genoemd in artikel 8 wordt vastgesteld. Hoewel zij deze data een voor de hand liggende keuze vonden, constateerden zij dat veel CAO's op 1 april ingaan hetwelk ook geldt voor veel verhogingen van aanvullende pensioenen, waaronder de ABP-pensioenen. Allereerst kan worden opgemerkt dat de aanpassingsdata van 1 januari

en 1 juli reeds sinds de inwerkingtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in 1968 vastliggen. De datum van 1 april waar naar verwezen wordt is een verschijnsel van recente datum, dat zich lang niet in alle cao's voordoet. Deze datum kan evenwel ook weer snel wijzigen in cao's, omdat dit geheel afhankelijk is van de afspraken zoals sociale partners die in de cao-onderhandelingen vastleggen. Of in de betrokken cao's 1 april ook als ingangsdatum zal blijven gelden is dus ongewis. Per 1 januari en 1 juli zal het aanvullend pensioen veranderen wegens de te verwachten aanpassing van de AOW uit hoofde van de nettonettokoppeling aan het minimumloon. Ook per 1 april zal het aanvullend pensioen aanpassing behoeven wegens de doorwerking van de salarisaanpassing in de pensioenregelingen. Eén en ander behoeft evenwel niet tot ongewenste effecten te leiden, aangezien voor pensioengerechtigden de totale uitkering van belang is. Het totale pensioen verandert alleen per 1 april, daar de AOW-aanpassingen per 1 januari en 1 juli zullen leiden tot een tegenovergestelde aanpassing in het aanvullend pensioen. Overigens kan worden gesteld dat in vrijwel alle pensioenregelingen in het bedrijfsleven die eveneens een aan het salaris gerelateerd pensioen in het vooruitzicht stellen na ingang van het aanvullende pensioen de directe relatie met de AOW wordt losgelaten. Beide pensioencomponenten volgen dan een eigen ontwikkeling. Het spreekt voorts vanzelf dat bij de niet aan het salaris gerelateerde pensioenregelingen, zoals de zogenaamde vaste bedragen regelingen, zich dit probleem niet voordoet.

Tevens vroegen deze leden zich af of het zesde en het zevende lid van artikel 14 niet achterwege konden blijven, omdat in voorafgaande artikelen hetzelfde reeds geheel geregeld v-Tdt. Het zesde en zevende lid betreffen de situatie dat is afgeweken van de koppeling aan de loonontwikkeling. Het vijfde lid regelt dat afwijking kan plaatsvinden, maar bevat geen regeling voor de doorwerking van die afwijking naar toekomstige aanpassingen. Hierin voorzien het zesde en zevende lid. Uit het zesde lid vloeit allereerst voort dat een afwijking per 1 januari voor het gehele kalenderjaar geldt. Daarnaast regelt dit lid, en hetzelfde geldt voor het zevende lid betreffende een afwijking per 1 juli, dat de eerstvolgende januariaanpassing plaatsvindt zonder toepassing van het eerste lid, onder b. Anders dan deze leden veronderstelden, is dit in de voorafgaande leden van artikel 14 nog niet geregeld. In paragraaf 1.4 is aangegeven dat de regering wil handhaven dat een eventuele ontkoppeling per 1 januari in beginsel het hele jaar geldt, maar dat ze voornemens is de Kamer een nota van wijziging toe te zenden die het mogelijk maakt dat per 1 juli wordt gekoppeld als per 1 januari is ontkoppeld.

Ook betwijfelden de leden van de PvdA-fractie of de in lid 10 van artikel 14 gebruikte gedetailleerde afrondingsformules noodzakelijk zijn. Het voorgestelde tiende lid komt overeen met het «oude» derde lid van artikel 14. De afronding van het maandbedrag is nodig om van dat bedrag de week-en dagbedragen te kunnen afleiden, met toepassing van de breuk, bedoeld in het elfde lid. Deze afronding behoeft een wettelijke grondslag.

De leden van de PvdA-fractie vroegen zich tenslotte af of het noodzakelijk is om in het dertiende lid van artikel 14 de betrekkelijk lange periode van drie maanden op te nemen; gedurende die periode kunnen de laatstelijk vastgestelde bedragen nog van kracht blijven indien een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid niet tijdig tot stand kon komen. Ook wilden zij graag van de regering weten of deze

niet met hen van oordeel is, dat een dergelijk lange periode de rechtszekerheid niet ten goede komt. De leden van de SGP wilden met betrekking tot deze verlengingsmogelijkheid die het dertiende lid biedt, van de regering weten in hoeverre deze echt noodzakelijk is en in welke situaties zij van deze mogelijkheid gebruik denkt te maken. Het voorgestelde dertiende lid draagt duidelijk een vangnetkarakter. Wordt voor afwijking van de koppeling geopteerd, dan zal -zoals ook in de memorie van toelichting is opgemerkt -sprake zijn van een grote tijdsdruk. Gegeven de tijdstippen waarop de ramingscijfers beschikbaar komen en gezien de voor afwijking geldende procedures (advisering SER, voorlegging parlement, advisering Raad van State, publikatie Staatsblad) zou de situatie kunnen ontstaan dat een afwijkingsbesluit niet tijdig gereed komt. Uiteraard zal al het mogelijke worden gedaan om zo'n situatie te vermijden; mocht dit echter onverhoopt niet baten, dan kan de voorziening van het dertiende lid noodzakelijk zijn om een vacuum te voorkomen. Zonder een dergelijke voorziening zou immers onzeker zijn welke gevolgen het niet op de voorgeschreven datum vaststellen van nieuwe bedragen zou hebben. Daarbij zij opgemerkt dat de voorgestelde termijn van drie maanden op het eerste gezicht enigermate ruim lijkt. Anderzijds lijkt het, in verband met het vangnetkarakter van de voorziening, ook niet gewenst de termijn op voorhand erg krap te stellen. Het gaat bovendien om een maximumtermijn: ingeval van toepassing van de voorziening zal de periode vanzelfsprekend zo kort mogelijk worden gehouden.

Het lid van de RPF-fractie informeerde of het niet mogelijk is om in een algemene maatregel van bestuur een bepaling op te nemen, waarin te hoog of te laag uitgekeerde bedragen met terugwerkende kracht worden verrekend. Het met terugwerkende kracht verrekenen van te hoog of te laag uitgekeerde bedragen, geeft in de eerste plaats problemen in verband met de rechtszekerheid. Daarnaast stuit het op aanzienlijke uitvoeringstechnische bezwaren. De veelvuldige mutaties ten aanzien van «het bestand» van minimumloners en uitkeringsgerechtigden vormen hierbij een belangrijke complicatie. In een dergelijke verrekeningsmogelijkheid dient dan ook niet te worden voorzien.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, B. de Vries De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. terVeld

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.