Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 4

VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 15 april 1991

De vaste Commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid', belast met het voorbereidend onderzoek, brengt van haar voorlopige bevindingen als volgt verslag uit.

1 Samenstelling: Leden: Spieker (PvdA), Moor (PvdA), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Van Houwelingen (CDA), Schutte (GPV), Groenman (D66), Wolters (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Van IMieuwenhoven (PvdA), Linschoten (VVD), Kamp (VVD), Leijnse (PvdA), Brouwer (Groen Links), Janmaat (Centrumdemocraten), Doelman Pel (CDA), voorzitter, G. H. Terpstra (CDA), De Leeuw (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), Schoots (PvdA), Beijlen Geerts (PvdA), Schimmel (D66). Huibers (CDA), Middel (PvdA) Plv. leden: Van Gelder (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Soutendijk van Appeldoorn (CDA), Quint Maagdenberg (PvdA), Reitsma (CDA), Van der Vlies (SGP), Versnel-Schmitz (D66), Paulis (CDA), Melkert (PvdA), Dijkstal (VVD), De Korte (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Rosen mŲller (Groen Links), Willems (Groen Links), G. de Jong (CDA), Tuinstra (CDA), Bijleveld Schouten (CDA), De Kok (CDA), Van Ziji (PvdA), Melkert (PvdA), Leerling (RPF), Kohnstamm (D66), Vreugdenhil (CDA), Witteveen Hevinga (PvdA) 11292 6 f ISSN0921737 ISDU uitgeverij 's Gravenhage 1991

INHOUDSOPGAVE

1.

Inleiding

2.

Herstel van de koppeling; uitgangspunten van het

5 aanpassingssysteem

3.

Afwijkingsgronden

12 3.1

Algemene opmerkingen

1232

Loonontwikkeling

1233

Volumeontwikkeling

1834

Verhouding actieveninactieven

1935

Budgetdiscipline

24 3.6

Aanpassing in geval van afwijking

2537

Afwijkingsgronden m het SER-advies

4.

Relatie met arbeidsvoorwaardenbeleid

5.

Overige aspecten

30 5.1

Indexeringssystematiek

3052

Nettonettokoppeling

31 5.3

Internationale aspecten

6.

Advies-en besluitvormingsprocedure

Artikelsgewijze opmerkingen

  • Inleiding

De leden van de C.D.A.-fractie hadden met grote belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zoals uit het regeeraccoord mag blijken zijn deze leden bereid mee te zoeken naar een systeem waarbij de sociale uitkeringen meegroeien met de welvaartsontwikkeling in de samenleving, tenzij de sociaal-economische situatie grond oplevert om hiervan af te wijken. Deze leden hadden geen behoefte aan een wet die niet houdbaar is, zoals het geval is geweest met de Wet Aanpassingsmechanismen (WAM). Het grote argument vůůr het wetsvoorstel is de rechtszekerheid van de uitkeringsgerechtigden. Op grond van deze zelfde rechtszekerheid waren de leden van de C.D.A.-fractie beducht een wet in te voeren, indien er niet een grote waarschijnlijkheid bestaat dat deze wet houdbaar is op langere termijn. Teneinde te komen tot een weloverwogen oordeel wilden deze leden graag een reactie van de regering op een aantal belangrijke punten.

Met meer dan gebruikelijke belangstelling hadden de leden van de P.v.d.A.-fractie kennisgenomen van het wetsvoorstel. Met meer dan gebruikelijke belangstelling, omdat het wetsvoorstel beoogt uitvoering te geven aan Ťťn van de grondbeginselen van het kabinetsbeleid, namelijk dat bij de verdeling van de nationale welvaart rekening gehouden moet worden met de behoeften van burgers die niet kunnen werken, danwel op de bescherming van het minimumloon zijn aangewezen. De leden van de P.v.d.A.-fractie onderstreepten het belang van dit principiŽle uitgangspunt. Omdat het wetsvoorstel is gebaseerd op het geciteerde uitgangspunt van het kabinetsbeleid, konden deze leden zich in hoofdlijnen ook goed vinden in de inhoud van het voorstel, zowel in de wetstekst als in de memorie van toelichting. Dat nam niet weg, dat deze leden over een aantal aspecten nog vragen wilden stellen.

De leden van de V.V.D.-fractie hadden kennisgenomen van het voorstel van wet strekkende tot het tweemaal per jaar aanpassen van de uitkeringen en het wettelijk minimumloon aan de loonontwikkeling in het bedrijfsleven, met een mogelijke exceptie in het geval van een bovenmatige loonontwikkeling respectievelijk volumeontwikkeling van het aantal uitkeringsgerechtigden. Ten algemene konden deze leden niet begrijpen waarom niet is gekozen voor een systeem van een jaarlijkse beleidsmatige aanpassing, zoals ook door het vorige kabinet is voorgesteld, doch nimmer door het parlement in behandeling is genomen. Deze leden zouden zich een keuze voor een systeem van beleidsmatige aanpassing beter hebben kunnen voorstellen, temeer daar de Wet Aanpassingsmechanismen (WAM) nimmer goed heeft gefunctioneerd en het huidige wetsvoorstel eveneens ten principale van een automatische periodieke aanpassing van het wettelijk minimumloon en van de uitkeringen uitgaat, zij het met een tweetal afwijkingsgronden. Deze leden stelden derhalve met enige verbazing vast dat de regering met het onderhavige wetsvoorstel de geest van de WAM nog in de fles laat dwalen. De leden van de V.V.D.-fractie vroegen zich in dat kader namelijk af wat het essentiŽle verschil is tussen enerzijds een WAM die beoogt volledig automatisch te koppelen doch in de praktijk telkenmale afwijkingsgronden creŽerde en anderzijds het onderhavige wetsvoorstel dat ten principale eveneens automatisch beoogt te koppelen doch formeel een tweetal afwijkingsgronden bevat. Deze leden vroegen de regering hier uitgebreid nader op in te gaan. Voorts zouden deze leden, gelet op de diverse raakvlakken met het voorliggende wetsvoorstel, met name voor wat betreft het wettelijk minimumloon, in een vroege fase van de schriftelijke voorbereiding van het onderhavige wetsvoorstel het kabinetsstandpunt bij het WRR-rapport ęEen werkend perspectiefĽ willen vernemen teneinde dat erbij te kunnen betrekken. Deze leden dringen er dan ook op aan dat de regering de Kamer op de kortst mogelijke termijn met haar standpunt te dien aanzien confronteert.

De leden van de fractie van D66 stonden sympathiek tegenover de bedoeling van het wetsvoorstel. Zij hadden zich keer op keer verzet tegen het buiten werking stellen van de Wet aanpassingsmechanismen waardoor postactieven en overige inactieven achterbleven bij de algemene welvaartsontwikkeling. Uit het oogpunt van maatschappelijke solidariteit en evenwichtige inkomensverhoudingen hadden zij dat altijd een ongelukkige gang van zaken gevonden. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt de koppeling, onder voorwaarden, te herstellen, en de aan het woord zijnde leden konden, zoals gezegd, met dat streven instemmen. Evenals de leden van de V.V.D.-fractie betreurden deze leden dat nog geen regeringsstandpunt bekend is bij het WRR-rapport ęEen werkend perspectiefĽ en zij gingen er vanuit dat dit standpunt beschikbaar is tegelijk met de memorie van antwoord, of althans op hoofdlijnen daarin verwerkt zal worden.

De leden van de fractie van Groen Links hadden met buitengewone belangstelling kennisgenomen van het voorstel van wet. De omvangrijke memorie van toelichting en de buitengewone betekenis van de koppeling hadden deze leden geprikkeld tot het leveren van een omvangrijke bijdrage. De koppeling betreft een zeer belangrijk onderdeel van het Nederlandse sociale beleid en is het boegbeeld van de Nederlandse verzorgingsstaat. De koppeling is niet alleen een beleidsonderdeel, dat financiŽle consequenties heeft, de koppeling heeft ook een zeer grote politiekmaatschappelijke betekenis. In het licht van de ontkoppeling waarvoor C.D.A. en V.V.D. in de jaren tachtig verantwoordelijk waren, vonden de leden van de Groen Linksfractie het verheugend, dat sinds 1 januari 1990 de koppeling weer in ere hersteld is en sindsdien nog tweemaal tot een eerlijker verdeling van de welvaartsgroei heeft geleid. Ook spraken deze leden van een andere verbetering ten opzichte van het voorstel van het vorige kabinet. Dat de regering het wenselijk heeft geacht, in navolging van een meerderheid van de SER, opnieuw in een wettelijke regeling te voorzien, vonden zij terecht. Daarmee is de factor onzekerheid voor de uitkeringsgerechtigden ten opzichte van het vorige voorstel enigszins verminderd.

De leden van de fractie van de S.G.P. hadden kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden waren het met de regering eens dat het vraagstuk van de koppeling in het spanningsveld staat van wat sociaal verantwoord en economisch mogelijk is. Enerzijds heeft de overheid de taak ervoor te zorgen dat aan de burgers die niet kunnen werken een bestaansminimum geboden wordt. Dat bestaansminimum is een relatief begrip en zal hoger liggen naarmate de algemene welvaart toeneemt. Voorkomen moet worden dat een grote groep burgers buiten hun schuld in armoede terecht komt. Een te grote kloof tussen de laagste inkomensgroepen en het modale inkomen kan op langere termijn tot sociale spanningen leiden. Nu waren de leden van de fractie van de S.G.P. van mening dat op zich de loonstructuur in Nederland al wel vrij sterk genivelleerd is, zeker in vergelijking met de andere EG-lidstaten. Aan de andere kant zal de verdeling van de welvaart de groei van de welvaart niet op een onverantwoorde wijze mogen belemmeren. Immers, eerst zal er geld verdiend moeten worden voordat het verdeeld kan worden. De jaren '70 en begin jaren '80 hebben aangetoond dat bij een te grote verdeling de lastendruk dermate kan toenemen dat de groei van de economie zelf wordt bedreigd, als gevolg waarvan er niet veel te verdelen meer viel. Tussen het sociale en het economische aspect zal een tussenweg gevonden moeten worden. De regering heeft daarbij gekozen voor het in principe handhaven van de koppeling, maar met de mogelijkheid tot afwijken. Daarmee is dit wetsvoorstel een compromis tussen de bestaande Wet Aanpassingsmechanismen (WAM) uit 1979 en het wetsvoorstel inzake een beleidsmatige koppeling waartoe het vorige kabinet had besloten.

De leden van de G.P.V.-fractie hadden met welwillendheid kennisgenomen van het wetsvoorstel. Ook zij hadden behoefte aan een reactie van de regering op een aantal vragen en opmerkingen.

Het lid van de R.P.F.-fractie had met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Hij was met de regering van mening dat het voorstel van verstrekkende aard is, maar dat de huidige praktijk gebaseerd op de niet goed functionerende Wet Aanpassingsmechanismen niet voldoet. Dit lid had geconstateerd dat dit wetsvoorstel het resultaat is van een zeer gedegen en intensieve voorbereiding. Hiervoor had hij waardering. Dat betekende echter niet dat hij zonder meer akkoord ging met het voorstel. In dit stadium beperkte hij zich tot het maken van enkele opmerkingen van algemene aard en tot het stellen van enkele vragen.

  • Herstel van de koppeling; uitganspunten van het aanpassingssysteem De leden van de C.D.A.-fractie hadden kennisgenomen van de opvatting van de regering dat meer evenwichtige financieel-en sociaal-economische verhoudingen binnen bereik zijn gekomen en dat daarmee de mogelijkheden voor een meer gelijkwaardige ontwikkeling van inkomens in de markt-en de collectieve sector zijn toegenomen. Deze leden waren het met de regering eens wanneer zij stelt dat dergelijke meer evenwichtige verhoudingen een voorwaarde vormen voor het wettelijk vastleggen van een indexering. Ook zij achtten het voordeel van een wettelijk verankerde koppeling twijfelachtig wanneer in de praktijk bij herhaling van de indexering moet worden afgeweken. In dit verband wensten de leden van de C.D.A.-fractie op te merken dat gewaakt moet worden tegen ongezond optimisme. Immers, wanneer gesproken wordt van meer evenwichtige financieel-en sociaal-economische verhoudingen dan blijken deze naar de mening van deze leden nog niet uit de veel te hoge mate waarin de factor arbeid onbenut blijft. Bovendien verschaft noch het financieringstekort, noch de collectieve lastendruk de overheid enige ruimte om de indexering te ondersteunen. Integendeel, binnen de ruimte voor overheidsuitgaven moet prioriteit worden gegeven aan investeringen. Dit betekent dat de volledige koppeling geheel afhankelijk is van de ontwikkeling van de lonen en van het aantal uitkeringsgerechtigden. Deze leden wensten gaarne van de regering te vernemen waarop zij de verwachting stoelt dat een financieel krachtige marktsector, die in toenemende mate knelpunten op de arbeidsmarkt ondervindt, zodanig gematigde initiŽle loonstijgingen te zien zal geven dat deze kunnen worden doorgekoppeld naar de sociale uitkeringen. Het vorige kabinet had een wetsvoorstel ingediend voor een systeem van beleidsmatige koppelingen, waarbij koopkrachtbehoud als uitganspunt werd genomen. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel koppeling met afwijkingsmogelijkheid (WKA) wordt dit idee afgewezen, mede met een verwijzing naar de rechtszekerheid. De WKA koppelt de uitkeringen aan de lonen. Uit de Tussenbalans blijkt nu dat de regering streeft naar een zodanige loonontwikkeling dat hieruit koopkrachtbehoud voor de uitkeringen resulteert. Op deze wijze worden ook beleidsmatige elementen in

de koppeling ingebracht. Naar de mening van deze leden wordt hierdoor het verschil tussen het huidige en het vorige wetsvoorstel verkleind. In ieder geval kleiner dan uit de memorie van toelichting uit de WKA blijkt. Deelt de regering deze mening? In de memorie van toelichting wordt gesteld dat een verdere relatieve verlaging van het minimumloon gepaard zal gaan met geringere marginale werkgelegenheidseffecten dan in de jaren tachtig, waardoor de voordelen in termen van werkgelegenheid niet langer opwegen tegen de hoge maatschappelijke kosten. De leden van de C.D.A.-fractie zagen gaarne deze bewering nader onderbouwd onder overlegging van de eraan ten grondslag liggende kostenbaten analyse.

Met instemming constateerden de leden van de P.v.d.A.-fractie dat de regering thans een uitsluitend beleidsmatige aanpassingssystematiek, waarvan nog sprake is in de SER-adviesaanvraag van 23 januari 1987, evenals de Raad van State en een meerderheid in de SER, afwijst. Deze leden zijn met de SER en de Raad van State van mening dat zo'n beleidsmatige aanpassing niet alleen onvoldoende waarborgen geeft over de wijze van aanpassen van het minimumniveau, maar eveneens leidt, zoals ook terecht door de SER en van de Raad van State is geconstateerd, tot een grote mate van rechtsonzekerheid voor de belanghebbenden. Instemming van deze leden was er ook met de conclusie van een meerderheid in de SER en de Raad van State dat het hier moet gaan om een aanpassingssystematiek gebaseerd op een geobjectiveerde hoofdregel. In de aanpassingssystematiek volgens het voorliggende wetsvoorstel wordt het wettelijk minimumloon op brutobasis aangepast aan de gemiddelde ontwikkeling van de contractlonen in de bedrijven en in de collectieve sector. De WAM ging tot op heden uit van de (geschoonde) regelingsloonindex. De aan het woord zijnde leden wilden weten wat het precieze verschil is in berekeningswijze tussen de (geschoonde) regelingsloonindex en de gemiddelde ontwikkeling van de contractlonen. Voorts wilden zij weten tot welke verschillende uitkomsten de beide indices de afgelopen 5 jaren zouden hebben geleid. Waar in de aanpassingssystematiek van het wetsvoorstel ook de contractloonontwikkeling in de collectieve sector in de beschouwing en de berekening wordt betrokken, wilden deze leden weten of de onderhandelingsvrijheid voor de partners in het CAO-overleg in deze sector wel in voldoende mate aanwezig is, om dit deel van de grondslag van de aanpassingssystematiek te rechtvaardigen. Juist omdat deze leden op zichzelf konden instemmen met de opname van de loonontwikkeling in de collectieve sector in de index wensten zij het belang van vrije onderhandelingen in deze sector te benadrukken. Met instemming constateerden deze leden, dat in eerste instantie wordt aangepast op basis van de geraamde loonontwikkeling voor het betreffende jaar. Het voordeel van deze benadering is, dat de belanghebbenden niet of nauwelijks worden geconfronteerd met omvangrijke na-ijleffecten. De regering constateert dat het wetsvoorstel betrekking heeft op de inkomensontwikkeling van ruim 4 miljoen inkomenstrekkers. De leden van de P.v.d.A.-fractie wilden van de regering weten of zij een algemeen overzicht kan verstrekken van de uiteenlopende typen uitkeringen die hier aan de orde zijn. Meer specifiek zagen deze leden graag een uitsplitsing naar het aantal mensen, dat blijvend is aangewezen op de bescherming van minimumloon en minimumuitkering en het aantal waarvoor dit niet geldt. Voorts zagen zij graag een uitsplitsing (per regeling) in (in principe) kortdurende en langlopende uitkeringen. In de memorie van toelichting schrijft de regering dat de ontwikkeling van de nationale welvaart door een gelijke ontwikkeling van inkomens niet in negatieve zin mag worden beÔnvloed. In algemene zin konden de

aan het woord zijnde leden daarmee instemmen, maar zij vroegen zich af of het wel noodzakelijk is om een dergelijke tamelijk absolute randvoorwaarde te stellen. Zij wilden weten of het niet mogelijk is, dat verdelen van de welvaart ůůk kan neerkomen op evenwichtige inkomensverhoudingen op een iets lager niveau, zonder dat zulks onmiddellijk leidt tot structurele toename van de werkloosheid.

De regering gaat ook in op de werkgelegenheidsontwikkeling in de periode 1985-1989 en op de uitgaven van de sociale zekerheid sedert 1983. Deze leden zagen graag een uitsplitsing van de uitgaven voor de sociale zekerheid sedert 1983 in AOW en niet-AOW en in Ziektewet en niet-Ziektewet, opdat zij een beter inzicht krijgen in de aard van de ontwikkeling van de uitgaven voor de verschillende categorieŽn uitkeringsgerechtigden. De regering stelt vast dat in de periode 1980-1985 het bruto minimumloon in totaal ca. 15% is achtergebleven bij de ontwikkeling van de regelingsloonindex. De leden van de P.v.d.A.-fractie wilden wet hoe de verhouding tussen het nettominimum en netto modaal in deze periode zich heeft ontwikkeld. De regering refereert aan de afspraak uit het regeerakkoord om in de nieuwe kabinetsperiode minimumloon en sociale uitkeringen in beginsel en op basis van de WAM weer aan te passen aan de ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector. Vanaif 1 januari 1990 is de WAM ook daadwerkelijk weer toegepast. Kan de regering aangeven welke aanpassingen vanaf dit moment zich heeft ontwikkeld? Kan de regering dezelfde cijfers verstrekken voor de periode van 1 januari 1990? In de overwegingen met betrekking tot het herstel van de koppeling, laat de regering een en andermaal weten, dat herstel een met de loonontwikkeling overeenkomende aanpassing van minimumloon en uitkeringen thans in het bijzonder gewenst is vanwege de inkomensoffers, die in het afgelopen decennium van met name de minima zijn gevraagd. Ook laat de regering weten, dat de betrokkenen recht hebben op een zo groot mogelijke mate van duidelijkheid over de beoogde ontwikkeling van hun inkomen in relatie tot de algemene welvaartsontwikkeling. De leden van de P.v.d.A.-fractie verstonden deze twee overwegingen zů, dat de regering met het voorliggende wetsvoorstel beoogt voor een reeks van jaren de koppeling toe te passen en dat zulks tevens betekent, dat de in het wetsvoorstel geformuleerde afwijkingsgronden naar het voornemen van de regering eerder bij wijze van uitzondering dan als regel zullen gelden. Het gaat immers om een hoofdregel, waaraan de functie van de afwijkingsgronden op zichzelf niets afdoet. Deze leden refereerden zťlf nog aan een economische overweging met betrekking tot herstel van de koppeling. Immers, delen in de welvaart door de uitkeringsgerechtigden leidt tot positieve effecten op de binnenlandse bestedingen.

De leden van de V.V.D.-fractie hadden in hun inleidende woorden reeds hun visie op het herstel van de koppeling en de systematiek daarin onder woorden gebracht.

De leden van de fractie van D66 wilden opmerken niet geheel gerust te zijn over het realiteitsgehalte van het wetsvoorstel, waar het de sociaal-economische context betreft. Het kwam hen voor dat de memorie van toelichting (met name in paragraaf 5.1) een wat optimistisch beeld geeft van de economische situatie en de ontwikkeling van de werkgelegenheid. De naar hun gevoel te optimistisch ingeschatte economische ontwikkeling, die weersproken wordt door de Tussenbalansproblematiek en de recente CPB-ramingen, maken het waarschijnlijk dat eerder gegrepen zal moeten worden naar de mogelijkheden om af te wijken van de koppelingsgedachte. Deze leden hadden dan ook behoefte aan een meer actuele inschatting van de mogelijkheden om te koppelen, ook op de iets langere termijn. Zij verwezen hiervoor naar het Economisch Beeld 1992 waarin tevens een verkenning tot en met 1994 is opgenomen, en waarin een teruglopende economische groei, een dalende winstgevendheid van het bedrijfsleven, en toenemende arbeidsinkomensquote en een afnemende groei van de werkgelegenheid wordt voorspeld. De teneur van deze wens tot actualisering van de koppelingsvooruitzichten is gelegen in de behoefte van de aan het woord zijnde leden geen valse verwachtingen te wekken bij uitkeringsgerechtigden. Hoewel zij dat vooralsnog niet met zoveel woorden wilden bepleiten, zolang het niet nodig lijkt, vroegen zij zich af of overwogen is om in het geval de afwijkingsgronden gehanteerd mogen worden, een onderscheid kan worden gemaakt tussen diegenen voor wie nog wel een arbeidsmarktperspectief aanwezig is (zeker bij een effectief activerend arbeidsmarktbeleid) en diegenen voor wie dat niet of niet meer aan de orde is. De regering zal zich herinneren dat de leden van de fractie van D66 deze gedachte eerder geopperd hebben Voor het geval de schriftelijke gedachtenwisseling aangeeft dat de afwijkingsgronden dichterbij komen dan verwacht ten tijde van het regeerakkoord, wilden deze leden een dergelijke gedifferentieerde koppeling niet bij voorbaat uitsluiten, waarbij het zelfs de vraag is of de wettekst daar niet de mogelijkheid voor zou moeten bieden. ÷ok hadden deze leden er behoefte aan te vernemen hoe, bij een eventueel loslaten van de koppeling, de laagste inkomenscategorieŽn waarop de koppeling van toepassing is, gecompenseerd zullen worden voor de negatieve inkomenseffecten van nieuwe bezuinigingen.

De leden van de fractie van Groen Links merkten op dat de achterstand van ruwweg 15 procent van inkomens op minimumniveau waartoe de ontkoppeling heeft geleid, nog steeds bestaat. In het recente rapport ęDe Arme Kant van NederlandĽ wordt op treffende wijze duidelijk gemaakt dat er ook nog zoiets als armoede bestaat in het welvarende Nederland en dat de ontkoppeling van de jaren tachtig hier alles mee van doen heeft. De eerste reactie van de kant van de regering op het rapport, bij monde van minister De Vries op 19 maart 1991 in antwoord op mondelinge vragen, bevatte gelukkig een erkenning van het probleem van moderne armoede. Ook hier bespeurden de leden een vooruitgang ten opzichte van het vorige kabinet; de toenmalige bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid weigerden het probleem te erkennen. De minister onderkende tevens dat het beleid van sociale vernieuwing, dat vrijwel uitsluitend gericht is op het bieden van perspectief op betaald werk aan kansarmen, geen oplossing betekent voor degenen die geen betaalde arbeid meer zullen verichtten. De leden van de Groen Linksfractle zouden graag uitgebreid vernemen hoe de regering wil omspringen met de financiŽle problemen van met name arbeidsongeschikten en ouderen, die reeds jarenlang op een bestaansminimum leven en geen enkel uitzicht hebben op verbetering van het inkomen. Zij spraken de hoop uit, dat de regering in de beantwoording zowel aandacht zal besteden aan het (te) lage uitkeringsniveau als de stijgende prijs van collectieve voorzieningen (bijvoorbeeld openbaar vervoer) en de gevolgen van huurverhogingen en milieulasten voor de laagstbetaalden. De antwoorden, die de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 19 maart 1991 heeft gegeven, vonden deze leden op deze punten onvoldoende. Overigens waren de hier sprekende leden benieuwd, wanneer de regering haar reactie op het rapport en de aanbevelingen van ęDe Arme Kant van NederlandĽ aan de Kamer zal toesturen. Zij zouden het zeer op prijs stellen, indien het standpunt van het kabinet nog voor de plenaire behandeling van onderhavig wetsvoorstel gereed is en nodigden het kabinet daar toe uit. Voorts wilden deze leden weten, wat de regering denkt van de voorspelling van het CPB dat de koopkracht voor de minima in 1992 niet zal worden gehandhaafd. De minister sprak op 19 maart j.l. uit, dat het kabinet naar vermogen blijft streven om de koopkracht te handhaven, koppeling of geen koppeling. Wat is de reactie van de minister op de voorspelling van het CPB? Hoe denkt hij zijn uitspraak gestand te doen? In ieder geval koppelen en eventueel een aanvullende koopkrachtreparatie? Centraal in het denken van de regering staat de afwentelingstheorie. Het afwentelen van een stijgende collectieve druk via extra looneisen ziet zij als een gevaar voor de werkgelegenheidsontwikkeling. Een verhoudingsgewijze stijging van het aantal inactieven kan tot die hogere collectieve druk leiden Daarnaast acht de regering (niet door hogere collectieve lasten geÔnitieerde) loonstijgingen eveneens problematisch. Van cruciaal belang is hier, dat de kosten van de sociale zekerheid gedragen worden door de factor arbeid. De regering stelt dat de mate waarin deze factor in het produktieproces wordt aangewend (d.i. de ontwikkeling van de werkgelegenheid) afhankelijk is van de ontwikkeling in loonkosten. De loonkosten bepalen de mate waarin (exportgeleide) groei kan worden gerealiseerd en de mate van substitutie kapitaalarbeid. De handelsbalans van Nederland vertoont al jaren een fors en groeiend overschot. Men zou kunnen zeggen, in de lijn van de argumentatie van de regering, dat de loonkostenmatiging in die zin uitermate succesvol is geweest. Het overschot betekent evenwel, dat Nederland al jaren haar werkloosheid exporteert. Ergens in de ęsector buitenlandĽ is er een tegenpost, een tekort op de handelsbalans, hetgeen voor het buitenland op termijn niet kan worden gecontinueerd. Nederland produceert dus boven haar stand en consumeert te weinig. Hetzelfde geldt voor andere succesvolle exportlanden als Japan en Duitsland (in ieder geval tot voor kort). Vanuit overwegingen van internationale rechtvaardigheid en een evenwichtige ontwikkeing van de wereldeconomie zou het gewenst zijn, dat Nederland gaat streven naar een evenwicht op de handelsbalans. Dat betekent in ieder geval, dat het uitermate discutabel is of de strategie van loonkostenmatiging onverkort moet worden doorgezet. Zij vroegen op dit punt een reactie van de regering. Daarnaast merkten de hier sprekende leden op, dat de substitie van arbeid door kapitaal, die mede leidt tot jaarlijkse stijgingen van de arbeidsproduktiviteit, om verschillende redenen ongewenst is. De substitie leidt tot verlies aan werkgelegenheid en groeiend beslag op milieufuncties en de stijgende arbeidsproduktiviteit leidt tot stijgende arbeidsongeschiktheid. Redenen om te bezien of een andere financiering van de sociale zekerheid niet gewenst is om zo een drastische wijziging van de prijsverhouding kapitaalarbeid te bewerkstelligen. Als de premies niet meer geheven worden over het loon, maar bijvoorbeeld de toegevoegde waarde, zal een veel snellere groei van betaalde arbeid mogelijk worden, naast andere evidente voordelen die dit heeft. Daarmee zou de regering gegeven de randvoorwaarden die ze zelf stelt, de koppeling beschermen en betaalbaar houden. Zij vroegen in hoeverre de regering bereid is om een begin van dergelijke wijziging te overwegen door verandering van premieheffing AAW/AWBZ of andere werkgeverspremies. De regering stelt dat een flinke toename van het aantal uitkeringsgerechtigden ertoe kan leiden dat zij zich zelf in de vingers snijden: de koopkrachtverbetering als gevolg van de koppeling wordt dan wellicht teniet gedaan door de hogere collectieve lasten. De leden van de Groen Linksfractie merkten op, dat de regering hier kort door de bocht gaat. Het hangt er maar van af, hoe de volumeuitbreiding wordt gefinancierd en waar de hogere lasten neerslaan. Dat is in principe een politieke keuze.

Nu de regering lonen en uitkeringen weer wil koppelen, wilden de leden van de fractie van de S.G.P. de visie van de regering op het verschil in karakter en in functie van lonen en uitkeringen vernemen. Loon is primair een vergoeding voor geleverde arbeid en de ontwikkeling daarvan is dan ook grotendeels gekoppeld aan de ontwikkeling van de arbeidsproduktiviteit. Tegenover een uitkering staat daarentegen geen arbeid. Het behoeftecriterium, het kunnen voorzien in de noodzakelijke levensbehoeften, is in de visie van de leden van de S.G.P.-fractie dan ook voor een belangrijk deel bepalend voor de hoogte van de uitkering. De ontwikkeling van de prijzen is dan ook een belangrijker criterium voor de hoogte van de uitkeringen dat de ontwikkeling van de lonen. In hoeverre is de regering het eens met deze visie op de betekenis van loon en van uitkeringen en in hoeverre rechtvaardigt het verschil in loon en uitkering volgens haar een verschil in ontwikkeling? De leden van de fractie van de S.G.P. waren het er in beginsel wel mee eens om de koppeling wettelijk vast te leggen, gezien de rechtszekerheid voor de betrokkenen, maar hadden anderzijds wel enkele vragen en bedenkingen over de uitwerking daarvan. Een wettelijke regeling wordt gekenmerkt door een zekere starheid, omdat de beleidsruimte daardoor wordt ingeperkt. Bij de WAM, die geen uitzonderingen kende, was dat helemaal duidelijk. Elk jaar diende via een aparte wet de WAM buiten werking gesteld te worden om aan de nodige beleidsvrijheid te komen. Voor de burger werd de rechtszekerheid die de wet biedt daarmee in het omgekeerde veranderd. Voor de leden van de S.G.P.-fractie is de WAM een waarschuwend voorbeeld van hoe het niet moet. Weliswaar kent het huidige wetsvoorstel twee afwijkingsmogelijkheden, maar bieden die wel voldoende ruimte om een adequaat beleid te voeren? Voorkomen moet worden dat mogelijk opnieuw via incidentele wetgeving de wet op de koppeling buiten werking wordt gesteld. Daarmee wordt de rechtszekerheid van de grote groep burgers, minimumloners en uitkeringsgerechtigden, pas echt ondergraven. Deze groep bedraagt volgens de memorie van toelichting zo'n 4 miljoen mensen. De leden van de fractie van de S.G.P. wilden graag een nadere uitsplitsing van die groep in minimumloners en zij die op de verschillende uitkeringen recht hebben, waarnaar ook de leden van de P.v.d.A.-fractie hadden gevraagd. Nu de regering met dit wetsvoorstel voorstelt om de koppeling in principe weer toe te passen, wilden de leden van de fractie van de S.G.P. van de regering weten wat haar verwachtingen zijn voor de haalbaarheid van de koppeling in de komende jaren. Deze leden waren van mening dat het moment waarop de regering de koppeling weer herstelt minder gunstig is gezien de vooruitzichten. Volgens de doorrekening door het CPB van het regeerakkoord zal in deze kabinetsperiode het aantal inactieven in relatie tot het aantal actieven iets stijgen. In de begrotingsopstelling van september 1990 hebben zich verdere tegenvallers voorgedaan. De prognoses over de economische groei en de groei van de werkgelegenheid zijn inmiddels alleen maar somberder geworden. De werkloosheid zal toenemen. De kans dat de collectieve lastendruk en het financieringstekort stijgen zijn ook aanwezig. De demografische ontwikkelingen laten een vergrijzing zien en eveneens waarschijnlijk een grotere stroom van immigranten. In hoeverre vindt de regering het met deze vooruitzichten verantwoord om in de komende jaren de koppeling te handhaven? De leden van de G.P.V.-fractie waren van oordeel dat een nog langere voortzetting van ontkoppeling niet aanvaardbaar is. Gezien de grote onevenwichtigheden in de Nederlandse economie was het noodzakelijk gedurende een reeks van jaren de minimumlonen en de overdrachtsinkomsten minder te laten stijgen dan de inkomsten in de marktsector.

Zowel om sociale als economische redenen wordt voorzetting van het onkoppelingsbeleid niet wenselijk geacht. Daarbij moet echter niet uit het oog worden verloren dat de gesignaleerde onevenwichtigheden in de Nederlandse economie voor een belangrijk deel waren toe te schrijven aan het bestaan van die volautomatische koppelingen. Daarom is het goed te verdedigen dat nu wordt gekozen voor een systeem van voorwaardelijke koppeling. Dit is nog meer aanvaardbaar als bedacht wordt dat er nog steeds sprake is van grote onevenwichtigheden in onze economie. Die zijn echter merendeels niet zozeer toe te schrijven aan het niveau van de uitkeringen als wel aan het volume van het aantal uitkeringsgerechtigden. De leden van de G.P.V.-fractie wezen er in dit verband op dat al sinds de 1%-operatie van minister Duisenberg in het kabinet-Den Uyl wordt gesproken over de noodzaak tot het voeren van een volumebeleid, maar dat het aantal uitkeringsgerechtigden sindsdien alleen maar verder is gegroeid. Een echt effectief volumebeleid is nog steeds niet van de grond gekomen.

Het lid van de R.P.F.-fractie wees erop dat hij nooit een voorstander is geweest van de WAM. De bijna jaarlijks terugkerende buitenwerkingstelling van deze wet, gepaard gaande met een discussie hierover, oordeelde hij als bijzonder negatief. Het ondoordachte automatisme van de WAM gaf evenwel telkens aanleiding tot de buitenwerkingstelling, zeker in het begin van de jaren '80. Dit lid wilde voor de volledigheid benadrukken wel voorstander te zijn van de koppeling, maar dan onder bepaalde voorwaarden. Hij wees er op dat er in het R.P.F.-verkiezingsprogramma wordt gepleit voor een koppeling op afstand. Het huidige kabinet heeft zich gedistantieerd van het beleid op dit punt van het kabmet-Lubbers II, dat was gericht op beleidsmatige aanpassingen. De handhaving van de koppeling is zelfs een van de belangrijkste beleidsuitgangspunten van het huidige kabinet. Het voorliggende wetsvoorstel betekent naar het oordeel van het aan het woord zijnde lid een uiterste poging om de koppeling te handhaven. Dit lid had kennisgenomen van de twee algemene uitgangspunten van het wetsvoorstel. Ten aanzien van het eerste uitgangspunt, een gespreide welvaartsontwikkeling, wilde hij vragen in hoeverre de regering het noodzakelijk acht dat inactieven in gelijke mate profiteren van een welvaartsstijging als actieven. Het tweede uitganspunt, een gunstige economische ontwikkeling, deed bij hem de vraag rijzen of hierbij wel voldoende rekening wordt gehouden met externe factoren. Hij doelde in dit kader op de instroom van bepaalde groepen inactieven, zoals bejaarden, arbeidsongeschikten en asielzoekers. Deze groepen zullen ongeacht de economische omstandigheden aanspraak maken op een bepaalde uitkering. Is dit tweede uitgangspunt derhalve niet beperkt van betekenis? De koppeling is in hoge mate afhankelijk van de werkgelegenheidsontwikkeling. Daarvoor moeten dan ook gunstige omstandigheden worden gecreŽerd. Het is een bekend gegeven dat dit kabinet het grote belang van een gematigde loonkostenontwikkeling onderstreept, zeker ook met het oog op de koppelingsmogelijkheden. Het lid van de R.P.F.-fractie vroeg of de regering terzake voorlopig het initiatief aan de sociale partners laat, of dat overheidsingrijpen gedurende deze kabinetsperiode niet uitgesloten moeten worden geacht. Van de afspraken over de loonkostenontwikkeling, gemaakt in het Gemeenschappelijke Beleidskader, is tot nu toe niet veel terecht gekomen en de huidige CAO-onderhandelingen geven evenmin aanleiding optimistische gedachten over de loonkostenontwikkeling in ons land. Ook de inspanningen, die tijdens de CAO-onderhandelingen op het gebied van scholing worden verricht, laten te wensen over, terwijl deze factor nu juist van zoveel belang is om de verhouding actieveninactieven in gunstige zin te beÔnvloeden. Het lid van de R.P.F.-fractie kon begrip opbrengen voor het

streven van de regering om aan minimumloners en uitkeringsgerechtigden een grotere mate van duidelijkheid te bieden over de beoogde ontwikkeling van hun inkomen in relatie tot de algemene welvaartsontwikkeling. Hij vroeg zich echter af in hoeverre de regering daarin met het onderhavige wetsvoorstel is geslaagd. De afwijkingsgronden, die de kern van het wetsvoorstel vormen, betekenen immers nog altijd een onduidelijke en in elk geval een onzekere situatie.

  • Afwijkingsgronden

3.1. Algemene opmerkingen

De regering stelt dat de ramingstechnische onzekerheden, veranderingen in de economische structuur en het beoogde evenwicht op de arbeidsmarkt evenzovele argumenten vormen om toepassing van de afwijkingsgronden niet uitsluitend te laten afhangen van een simpele rechtstechnische formule. De leden van de P.v.d.A.-fractie verstonden dit zo, dat de regering van oordeel is, dat de afwijkingsgronden veeleer een beleidsmatig beoordelingsmoment aangeven dan neerkomen op een automatisme. De leden van de Groen Linksfractie wilden graag van de regering weten, of de koppeling per 1 januari 1991 en 1 juni 1991 zou zijn toegepast (en zo ja, welke percentages zouden zijn gehanteerd), als onderhavig wetsvoorstel met zijn afwijkingsgronden van toepassing zou zijn geweest. Zij vroegen de regering dat uitgebreid te illustreren.

De belangrijkste vraag in dit wetsvoorstel is voor de leden van de fractie van de S.G.P. of de criteria om af te wijken voldoende geregeld zijn. Voor deze leden was de definiŽring van die criteria niet geheel duidelijk. Als afwijkingsmogelijkheden worden genoemd: in de eerste piaats een bovenmatige loonontwikkeling en in de tweede plaats een toename van het aantal inactieven in verhouding tot het aantal actieven. Over beide criteria wilden deze leden meer duidelijkheid.

3.2. Loonontwikkeling

Het was de leden van de C.D.A.-fractie opgevallen dat in de memorie van toelichting een genuanceerd betoog is opgenomen over de loonruimte. Nuanceringen die deze leden ook waren tegengekomen in bijlage II van de Nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 1991 van VNO-NCW, in de inaugurele oratie van Zalm en recentelijk in een artikel van Den Butter in Economisch-Statistische Berichten van 13 maart 1991. Tegen de achtergrond van deze genuanceerde stellingname achtten deze leden het verwonderlijk dat toch een tot zoveel nuancerende opmerkingen aanleiding gevend begrip als de loonruimte in de tekst van het wetsvoorstel was opgenomen (artikel 14 lid 5). Naar de mening van deze leden zou de regering tekenmale wanneer zij zich zou moeten verantwoorden voor het al of niet volledig door laten gaan van de koppeling met alle nuances aan moeten geven hoe de (verwachte) loonontwikkeling zich verhoudt tot de (welke?) loonruimte. Het opnemen van het begrip loonruimte wekt de schijn van een exactheid die niet bestaat. Teneinde de periodieke discussie over het al of niet door laten gaan van de koppeling niet te vertroebelen door een schijngevecht over de merites van het begrip loonruimte, zou het naar de mening van deze leden overweging verdienen het begrip loonruimte niet in de tekst van de wet op te nemen. Op deze wijze zou de discussie over de koppeling over beleid gaan en niet over begrippen. In dit verband vroegen de leden van de C.D.A.-fractie zich nader af hoe

bijvoorbeeld naar de mening van van de regering het begrip loonruimte c.q. de norm van constante reŽle loonkosten per eenheid produkt moet worden geÔnterpreteerd voor de gehele markt-, overheids-en g. en g.-sector die immers tezamen trendzettend zijn voor de uitkeringen De indruk bestaat dat in de memorie van toelichting het begrip loonruimte en de loonkostennorm met name worden gehanteerd in relatie tot de marksector. Naar de mening van deze leden kan aan de loonruimte en de loonkostennorm in de overheidssector nauwelijks een reŽle, concrete inhoud worden gegeven. De regering omschrijft het begrip bovenmatige loonontwikkeling met behulp van het begrip loonruimte, als de optelsom van arbeidsproduktiviteit en prijsstijging. Houdt dit in dat de uitkeringen altijd met deze optelsom als bodem zullen worden verhoogd, zoals bijvoorbeeld door de FNV wordt betoogd? Of is het veeleer zo dat in deze gedachtengang ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen de stijging van de contractlonen, die bepalend is voor de koppeling, en de stijging van de brutoloonkosten inclusief incidenteel en werkgeverslasten, die, gerelateerd aan de loonruimte, een vermoeden kan opleveren over de te verwachten ontwikkeling van de werkgelegenheid? Om zich een concrete voorstelling te kunnen maken van de discussie, zoals die in de komende jaren wellicht gevoerd zal worden over het al of niet koppelen, zagen deze leden gaarne een adstructie van de te hanteren argumenten, inclusief doorwerkingen op langere termijn, aan de hand van de concrete ramingen voor 1991 in het Centraal Economisch Plan 1991, waarin een stijging van de loonkosten per eenheid produkt (industrie) van 2 3/4% is geraamd en een toeneming van de AIQ (bedrijven) van 1 procentpunt. Tenslotte vroegen deze leden zich af in hoeverre de definitie van een bovenmatige loonontwikkeling in artikel 14 sub 5 adequaat is in verband met het handhaven van de concurrentiepositie van ons land in Europa en daarbuiten. Ten aanzien van de eerste in het wetsvoorstel opgenomen afwijkingsgrond, zijnde een bovenmatige loonontwikkeling, zouden de leden van de V.V.D.-fractie van de regering een uitgebreide reactie willen krijgen op de tevens van werkgeverszijde gehoorde kritiek dat de verwijzing naar de som van de arbeidsproduktiviteitsstijging en prijsontwikkeling niet als maatstaf voor een eventuele bovenmatige loonontwikkeling zou mogen worden gebruikt, daar het macro-economische gemiddelden betreft die zeer divers zijn. Tevens zouden deze leden als het gaat om deze afwijkingsgrond van de regering een compleet overzicht willen krijgen van de thans reeds afgesloten CAO's voor 1991 (/1992) en de daaruit voortvloeiende loonstijging zulks per CAO afzonderlijk aangegeven en gemiddeld. Tevens verzoeken deze leden van de regering te mogen vernemen wat haar beoordeling te dien aanzien is.

De leden van de fractie van D66 konden zich vinden in de gronden die aangevoerd worden om de koppeling eventueel geen doorgang te doen vinden. Zoals zij echter al hadden aangegeven, maakten zij zich ernstige zorgen omtrent de nabijheid van de situatie waarin van deze afwijkingsmogelijkheden gebruik zal moeten worden gemaakt. Als conform het vijfde lid van artikel 14 ęontkoppeldĽ mag worden bij een bovenmatige loonontwikkeling waarbij de loonstijging de loonruimte als som van arbeidsproduktiviteitsstijging en prijsstijging zodanig te boven gaat dat de werkgelegenheid daaronder lijdt, laat zich uiteraard de vraag stellen, mede aan de hand van de economische vooruitzichten, wanneer van een dergelijke loonontwikkeling sprake zal zijn. Ook een beoordeling van de huidige loonontwikkeling aan de hand van reeds afgesloten cao's zouden deze leden op prijs stellen. Verder wilden zij graag weten hoe het onderhavige wetsvoorstel zich verhoudt tot bijlage 5 van de tussenbalans,

waarin met name de tweede variant (de zogenaamde ępremievariantĽ) cruciaal is. Reeds bij de bespreking van de tussenbalans hadden deze leden aangegeven niet gelukkig te zijn met deze variant. Premieverhoging, zowel voor werkgevers als voor werknemers, voortvloeiend uit een overigens niet als bovenmatig aan te merken loonontwikkeling zet immers niet alleen de lonen onder druk, maar versterkt ook de loonprijsspiraal wat weer ten koste kan gaan van de werkgelegenheid, waardoor de verhouding actieveninactieven verslechtert en de tweede afwijkingsgrond in beeld komt. Deze leden hadden, zoals bekend, bij de beschouwingen over de Tussenbalans, tegenover de ępremievariantĽ het idee van professor Wolfson gesteld, waarbij loonafspraken, boven een bepaald percentage dienden te worden afgeroomd ten gunste van zogenaamde goede doelen. Het voordeel hiervan, boven de premievariant, is de niet generieke werking. Deze leden zouden graag zien dat de regering nader ingaat, in een beschouwing over de relatie met dit wetsvoorstel en bijlage 5 van de Tussenbalans, op met name deze door hen onderkende problematiek bij de ępremievariantĽ. Overigens wilden zij er op wijzen dat het CPB in het Economisch Beeld 1992 in het ęwoord voorafĽ opmerkt dat geabstraheerd is van de bijzondere financieringsclausule met betrekking tot de koppeling die van toepassing zou worden indien de loonontwikkeling sterker is dan overeenkomt met koopkrachtbehoud. Het CPB abstraheert daarvan omdat niet is vastgelegd wiens koopkracht bepalend is en hoe groot de tolerantiemarge is, in de tweede plaats omdat nog onbekend is welke bezuinigingen op de rijksbegroting dan zullen worden gerealiseerd. Wellicht kan de regering op deze opmerking en de eraan gekoppelde vraag van het CPB reageren, opdat de aan het woord zijnde leden meer duidelijkheid zouden kunnen verkrijgen in relatie tot hun eerdere opmerkingen over bijlage 5 van de Tussenbalans. Op deze plaats zouden de leden van de fractie van D66 ook graag commentaar van de regering vernemen op het hier en daar bepleite (Zalm, Bomhoff) idee om bepalingen in cao's die een beheerste loonontwikkeling te boven gaan, niet langer algemeen verbindend te verklaren. Waar een beheerste loonontwikkeling immers, zeker in verband met de koppeling, een algemeen belang dient, zouden dergelijke bepalingen op grond van datzelfde algemeen belang niet automatisch algemeen verbindend verklaard behoren te worden. Vooralsnog zagen deze leden aan deze redenering ook veel nadelen verbonden, maar zij vernamen graag een reactie van de regering.

De leden van de fractie van Groen Links constateerden dat voor de regering een excessieve loonstijging reden is voor ontkoppeling. Aantasting van winsten moeten voorkomen worden, want dat leidt tot aantasting van werkgelegenheid. De regering stelt het wel erg eenvoudig voor. De leden van de Groen Linksfractie wezen op het artikel ęDynamische loongolfĽ van Ed Lof in Intermediair (21 december 1990), waar enige kritische kanttekeningen gemaakt worden bij deze gedachtengang. Zij zouden het op prijs stellen, als de regering op dit artikel wilde reageren. Voorts vroegen de leden het kabinet naar de wijze waarop bepaald wordt wat een te hoge loonstijging is. In sommige CAO-onderhandelingen hebben werkgevers de werknemers zelfs ęoverbodenĽ. Er is blijkbaar geld voldoende om in sommige sectoren 4-6% loonstijging te betalen, hetgeen het kabinet meerdere malen excessief heeft genoemd, terwijl de werkgelegenheid daar echter niet op het spel komt te staan. Begrepen de leden het goed, dat wanneer de reŽle loonkosten per eenheid produkt de komende jaren niet stijgen, de koppeling uit dien hoofde niet op voorhand wordt geblokkeerd? Deze leden konden wel begrip hebben voor de opvatting van de regering, dat harde en starre rekenregels weinig zinvol zijn, zij wilden echter ook wel weten waar ze

aan toe zijn bij deze afwijkingsgrond. En betekenen de cijfers uit het Economisch Beeld 1992 dat het er slecht uitziet voor de koppeling en dat de koppeling, ware het wetsvoorstel al van kracht, zelfs niet per 1 januari 1990 zou zijn ingevoerd? Zij betrokken hierbij bijlage 5 van de Tussenbalans. In de daar genoemde situaties 1 en 2 is geen sprake van een verslechterde verhouding actieveninactieven. Het verschil is dat de loonstijging in de eerste situatie tot koopkrachtbehoud leidt; in de tweede situatie tot koopkrachtstijging. Daaraan verbindt het kabinet de conclusie dat in situatie twee de premies zullen stijgen. Dat begrepen de hier aan het woord zijnde leden niet. Onder de voorwaarde dat de verhouding actiefinactief zich niet wijzigt loopt de koppeling grosso modo rond en zij hadden de indruk dat zulks het geval is, los van de vraag welke loonstijging is gerealiseerd. Waarom dan in situatie twee een premiestijging? Of was het zo, dat er sprake is van extra beslag op de overheidsfinanciŽn in situatie twee als gevolg van gestegen ambtenarensalarissen en loonkosten in de g + g-sector? Die ękoppelingĽ (voor zover daar sprake van is) loopt niet rond bij elke loonstijging? De leden hadden behoefte aan een cijfermatige uitwerking van het al dan niet ęrondlopenĽ van de koppelingen, zowel de koppeling, die in het wetsvoorstel wordt behandeld als de ękoppelingĽ van de ambtenaren en trendvolgers. Verdient die zich nou wel of niet terug (onder voorwaarde dat de verhouding actieveninactieven niet wijzigt) en wat zijn de eventuele ęmeerkostenĽ bij welke loonstijging in de komende jaren? En betekent de aangekondigde premiestijging dan niet stijgende collectieve lasten, die de regering echter stabiel zegt te willen houden? Ook vroegen de leden zich af, wat precies bedoeld wordt met de tweede alinea onder situatie 2 in bijlage 5. De hogere uitgaven voor ambtenaren, trendvolgers en de bijstand/rww etc. worden verrekend met de sectoren waar ze ontstaan. Betekent het antwoord van de minister-president tijdens het debat over de Tussenbalans dat de ambtenaren en trendvolgers slechts de helft van de in de marktsector gerealiseerde koopkrachtverbetering krijgen? Het CPB voorspelt in het Economisch Beeld 1992 een contractloonstijging van 3,5% in 1991 en 1992. De koopkrachtverbetering is 1%, respectievelijk 0,5%. Wat is de relatie met de cijfers genoemd in de Tussenbalans (4% loonontwikkeling, 0,35% koopkrachtbehoud)? In antwoord op vraag 533 bij de Tussenbalans (21988, nr. 5) wordt gesteld, dat de 4% te hoog is, omdat de verhouding actiefinactief wordt gewijzigd. Betekent dat per 1 januari 1992 meteen de koppeling ter discussie staat? En hoe moet de bandbreedte (0,5-0,6%) van variant twee in dit licht bekeken worden? De leden van de Groen Linksfractie merkten op dat vele cijfers, in omloop bij het debat over de Tussenbalans, het beeld niet helderder maakten. Zij zouden het zeer op prijs stellen, indien de benodigde duidelijkheid en concretisering zal worden gegeven.

In de memorie van toelichting wordt als uiteindelijk toetsingscriterium de verhouding inactieven/actieven genoemd. In dit verband vroegen de leden van de fractie van de S.G.P. welke betekenis aan de bovenmatige loonontwikkeling als zelfstandig criterium moet worden gehecht, wanneer dat criterium uiteindelijk toch wordt teruggebracht tot de verhouding actieven/niet actieven. In de memorie van toelichting wordt als belangrijke indicator van een verantwoorde loonontwikkeling beschouwd constante reŽle loonkosten per eenheid produkt. Uiteraard is er een relatie tussen de ontwikkeling van de loonkosten per eenheid produkt en de ontwikkeling van de werkgelegenheid; maar in hoeverre bestaat er een direct verband tussen? In de periode tot 1994 zullen, volgens schattingen van het CPB, de loonkosten per eenheid produkt stijgen met zo'n 2% per jaar. Hoe vindt

de regering deze ontwikkeling en in hoeverre ziet zij er een aanleiding in om de koppeling ter discussie te stellen? Wanneer schade voor de werkgelegenheid kan worden verwacht als gevolg van de bovenmatige loonontwikkeling, kan van de koppeling worden afgeweken. Dit criterium is erg soepel geformuleerd en geeft de nodige ruimte om beleid te voeren. De leden van de fractie van de S.G.P. wilden dan ook een nadere uiteenzetting over de wijze waarop de regering die beleidsruimte zou willen invullen. In de eerste plaats willen zij weten wat zij onder schade voor de werkgelegenheid verstaat. Is dat een teruggang van het aantal arbeidsplaatsen in absolute zin, of kan daar ook een mindere groei van de werkgelegenheid dan verwacht onder begrepen worden? En indien het laatste het geval is, welk ijkpunt wordt dan genomen? Welke rol speelt de ontwikkeling van het aantal geregistreerde werklozen en welke die van het aantal arbeidsongeschikten, waarvan de volumeontwikkeling ook niet los staat van de ontwikkeling van de werkgelegenheid? Bepalend voor de aanpassing van het minimumloon en de uitkeringen wordt de contractstijging, niet alleen in de marktsector maar ook in de g + g-sector en bij de overheid. De leden van de fractie van de S.G.P. konden daarmee instemmen omdat het gaat om de algemene welvaartsstijging in Nederland. Daarentegen legt het meerekenen van de loonstijging in de overheidssector mogelijk wel een claim op het arbeidsvoorwaardenoverleg bij de rijksoverheid. De uitkomst van dit overleg heeft effect voor een groot aantal werknemers en heeft dus een belangrijke invloed op de algehele loonstijging. Bestaat niet het gevaar dat, wanneer het handhaven van de koppeling door loonontwikkelingen in de marktsector moeilijk dreigt, de minister van Binnenlandse Zaken in het arbeidsvoorwaardenoverleg onder extra zware druk komt te staan om de loonontwikkeling binnen de overheidssector te beperken? En in hoeverre kan die druk schadelijk uitwerken voor open en vrije onderhandelingen tussen de minister van Binnenlandse Zaken en ambtenarencentrales? In het licht van de cijfers van het CPB, gepubliceerd in het CEP 1991 en het Economisch Beeld 1992, vroegen de leden van de fractie van de S.G.P. de werking van het criterium ębovenmatige loonontwikkelingĽ te concretiseren. In het wat sombere beeld wordt voor 1991 de loonsom per werknemer in bedrijven op 5,25% gesteld. De stijging van de arbeidsproduktiviteit en van de prijsindex gezinsconsumptie is tezamen 4%. De loonkosten per eenheid produkt stijgt met 2%. De groei van de werkgelegenheid zal teruglopen tot 70000 en in 1992 tot slechts 40 000. Na 1992 zal de werkgelegenheid waarschijnlijk weer wat aantrekken. In ieder geval op korte termijn is er, als gevolg van de ontwikkeling van de arbeidskosten, een negatief effect op de werkgelegenheid. Is hier volgens de regering sprake van een bovenmatige loonontwikkeling die consequenties kan hebben voor de handhaving van de koppeling? Op welke termijn wordt het effect op de werkgelegenheid berekend? Is, wanneer er op korte termijn, bijvoorbeeld een periode van twee jaar, een daling van de werkgelegenheid wordt verwacht en op langere termijn weer een stijging, die daling op korte termijn een reden om te ontkopppelen in die jaren? En omgekeerd wanneer de werkloosheid op korte termijn toeneemt, maar op langere termijn zal dalen, zal er dan ook al in de jaren dat de werkgelegenheid nog stijgt, ontkoppeld worden?

Ook de leden van de G.P.V.-fractie wilden ingaan op de bovenmatige loonontwikkeling als afwijkingsgrond. Uiteraard zal voor die loonontwikkeling naar een gemiddelde worden gekeken. Maar is het niet zo dat toepassing van deze macro-economische grootheid op micro-en mesoschaal tot grote problemen aanleiding kan geven? Immers, in een zwak bedrijf of een minder goed draaiende sector zal de verhoging van het minimumloon met het gemiddelde van de loonontwikkeling toch tot

werkgelegenheidsproblemen aanleiding kunnen geven? Van het minimumloonniveau zal toch een opwaartse druk uitgaan op het loonniveau in die gehele sector? Deze leden wisten dat differentiatie in de ontwikkeling van bedrijfstakken ook is genoemd als afwijkingsgrond. Zij konden zich voorstellen dat dit criterium te weinig onderscheidend is. Differentiatie zal zich immers bijna per definitie voordoen en dat is trouwens wat iedereen ook wil. Erkent de regering de hiervoor geschetste ontwikkeling als een reŽel probleem, en zo ja, heeft zij daar dan een antwoord op? Deze leden vroegen in dit verband of de voorgestelde koppelingssystematiek toch niet te rigide is. Zij onderschreven de wenselijkheid van een duidelijk genormeerde koppeling met het oog op de rechtszekerheid van uitkeringsgerechtigden, maar zij vroegen zich af of alles wat hier gekoppeld is ook daadwerkelijk wel gekoppeld moet worden. Er is immers sprake van een koppeling van minimumloon, bovenminimale uitkeringen en minimumuitkeringen. Bij deze laatste valt dan nog weer een onderscheid te maken tussen uitkeringen aan mensen die geen relatie meer hebben met de arbeidsmarkt (AOW-ers) en anderen. Is het niet zo dat koppeling van elk van deze grootheden aan een loonindex een aparte rechtvaardiging behoeft? Wordt niet te veel uitgegaan van de vanzelfsprekendheid van alle koppelingen? De regelmatige aanpassing van de bovenminimale uitkeringen leek deze leden het minst problematisch, zowel om financiŽle redenen als om arbeidsmarktpolitieke redenen. Ook de aanpassing van de AOW-uitkeringen aan de welvaartsontwikkeling achtten deze leden goed verdedigbaar. De ontwikkeling van minimumloon en minimumuitkeringen lag naar het oordeel van deze leden minder eenvoudig. Met het oog op een soepeler werking van de arbeidsmarkt kan het achterblijven van minimumloon en/of minimumuitkering wenselijk worden geacht. Kan een beleid dat is gericht op handhaving van de koopkracht van minimumloon en minimumuitkering niet voldoende worden geacht? Omdat in veel cao's toch vaak minimumloonniveaus worden gehanteerd die boven het wettelijk minimumloon liggen kan koopkrachthandhaving van het minimumniveau de prikkel tot aanvaarding van werk op termijn verder doen toenemen. Deze leden vroegen in dit verband evenals de leden van de C.D.A.-fractie om een nadere onderbouwing van de stelling in de memorie van toelichting dat een verdere relatieve verlaging van het minimumloon met geringere marginale werkgelegeheidseffecten gepaard zal gaan. Naar aanleiding van het criterium bovenmatige loonontwikkeling wilden de leden van de G.P.V.-fractie nog de volgende vraag stellen. Welke effecten heeft een bovenmatige loonstijging op de korte termijn op overheidsfinanciŽn? Is het niet zo dat deze effecten zich vooral op de middellange termijn zullen voordoen? Worden de extra uitgaven als gevolg van de koppeling op korte termijn niet voor een belangrijk deel gecompenseerd door hogere belasting-en premieontvangsten? Ontstaat zo niet de paradoxale situatie dat een kabinet, dat grote budgettaire problemen heeft, belang heeft bij een grote loonsomstijging zodat door ontkoppeling een deel van de budgettaire problematiek kan worden opgelost? De leden van de G.P.V.-fractie vroegen hoe het voornemen van het kabinet om een te grote loonstijging (zonder dat noodzaak tot ontkoppeling er als \s) af te romen door een premiestijging zich verhoudt tot de budgetteringsregel die is afgesproken bij het regeerakkoord. Is toen niet gezegd dat bij overschrijding van een wenselijk geacht budget aantasting van rechten dient plaats te vinden? Wordt nu weer op die afspraak teruggekomen? Is een premieverhoging geen uiterst onwenselijk alternatief gezien de mogelijkheid van afwenteling die daardoor kan ontstaan? Wordt daarmee de zo gevreesde loonprijsspiraal niet weer in werking gesteld? Is een ontkoppeling in de meeste gevallen niet te prefereren boven een selectieve aantasting van rechten?

De leden van de G.P.V.-fractie vroegen vervolgens naar de verhouding met de gewijzigde Loonwet. In strikt omschreven gevallen (een schoksgewijze verandering in de economie toe te schrijven aan externe oorzaken) is een loonmaatregel mogelijk. Wanneer aan die voorwaarde wordt voldaan zal ongetwijfeld ook ťťn van de criteria van toepassing zijn op grond waarvan ontkoppeling mogelijk wordt geacht. Wat wordt in zo'n geval wenselijk geacht? Kijkt de regering dan primair naar de mogelijkheid van een loonmaatregel, of zal de ontkoppeling hoog op het wensenlijstje staan? Moet trouwens niet in de wet zelf worden vastgelegd dat de relevante loonontwikkeling betrekking heeft op marktsector en collectieve sector? Hoe wordt de arbeidsproduktiviteitsstijging in beide sectoren gemeten?

Het lid van de R.P.F.-fractie merkte op dat bovenmatige loonontwikkeling een wel zeer rekbaar begrip is. Ondanks de uitgebreide beschouwingen die hierover in de memorie van toelichting worden gegeven, bestaat hier altijd de mogelijkheid van interpretatieverschil. Dit lid erkende het probleem, dat verbonden is aan het concretiseren van deze afwijkingsgrond, maar dat nam zijn scepsis op dit punt niet weg. Hij vroeg de regering welk principieel en inhoudelijk verschil er nu precies bestaat tussen de gekozen formulering in de wettekst (art. 14, lid 5) en een jaarlijks op te stellen AmvB, waarin het aanpassingspercentage wordt vastgesteld.

3.3. Volumeontwikkeling

Ten aanzien van de afwijkingsgrond gelegen in de volumeontwikkeling van het aantal uitkeringsgerechtigden konden de leden van de C.D.A.-fractie zich vinden in de steŁing dat men zich bij de oordeelsvorming primair moet richten op het partiŽle effect dat uitgaat van de volumeontwikkeling op de collectieve lastendruk voor de beslissing om al dan niet te koppelen. Tevens konden deze leden instemmen met de constatering dat stijging van de collectieve lastendruk de werkgelegenheidsontwikkeling schaadt, omdat wordt afgewenteld. Voorwaarde voor een dergelijke oordeelsvorming is echter wel dat duidelijk is tot welke mutaties in de collectieve lastendruk de volumeontwikkeling van het aantal uitkeringsgerechtigden leidt. Deze leden zouden het zeer op prijs stellen wanneer aan de hand van de recente ramingen van het CPB voor 1991 duidelijk kan worden geadstrueerd welk deel voortkomt uit de volumeontwikkeling van het aantal uitkeringsgerechtigden.

De regering stelt dat een beperkte volumestijging, in geval de verdiende lonen aanmerkelijk sterker toenemen dan de regelingslonen, wellicht opgevangen kan worden zonder dat de belasting-en premiedruk verhoogd behoeft te worden. De leden van de P.v.d.A.-fractie maakten uit deze redenering op, dat de regering uitgaat van een zekere marge bij het hanteren van deze afwijkingsgrond. Deze leden zijn met de regering van mening, dat een veelheid van overwegingen in beschouwing moet worden genomen, alvorens tot afwijking van de hoofdregel besloten kan worden. Ten aanzien van de tweede in het wetsvoorstel opgenomen afwijkingsgrond, zijnde een tegenvallende volumeontwikkeling van de uitkeringsgenietenden, vroegen de leden van de V.V.D.-fractie zich af op welke gronden, als gevolg van welke concrete maatregelen, de regering meent dat voornoemd volume zal worden verbeterd, ervan uitgaande dat de regering meent dat deze afwijkingsgrond niet terstond zijn geldigheid zal opeisen.

Met betrekking tot de volumeontwikkeling konden de leden van de fractie van D66 de algemene lijn onderschrijven, al vroegen zij zich af of het juist is ook demografische ontwikkelingen te betrekken bij de vraag of er gekoppeld kan blijven worden. Zij wilden daarop verder ingaan bij de bespreking van de verhouding actieveninactieven.

Terecht wordt naar het oordeel van de leden van de G.P.V.-fractie, bij de vraag naar het handhaven van de koppeling aan de volumeontwikkeling belangrijke betekenis toegekend. De vraag die in dit verband kan worden gesteld is of het huidige volume en de daarbij behorende belasting-en premiedruk al niet per definitie tot de conclusie zou moeten leiden dat toepassen van de koppeling onverantwoord is. Het antwoord op deze vraag luidt waarschijnlijk nee, omdat de huidige verhouding tussen actieven en niet-actieven als uitgangspunt wordt genomen. Pas als die verhouding zich wijzigt ten nadele van het aantal actieven kan worden ontkoppeld. Is dit niet een te statischconservatieve benadering? Immers, wordt hierbij niet impliciet uitgegaan van de vooronderstelling dat de huidige verhouding actieven/inactieven op de langere termijn macro-economisch gezien verantwoord is? Deze leden zouden een dergelijke stelling niet voor hun rekening willen nemen. Betekent het serieus nemen van dit criterium eigenlijk niet dat koppeling voor nu en de nabije toekomst uitgesloten moet worden geacht? De leden van de G.P.V.-fractie zouden die conclusie, gelet op het voorafgaande van hun inbreng, niet willen trekken, maar is het dan wel wijs een criterium in de wet op te nemen dat bij serieuze toepassing tot niet gewenste uitkomsten zou leiden? Kan het criterium van de volumeontwikkeling niet worden gemist? Immers, een bovenmatige loonontwikkeling (het eerste ontkoppelingscriterium) zal ongetwijfeld volume-effecten tot gevolg hebben. Dan kan op grond van dat criterium toch worden besloten tot ontkoppeling? Volumeontwikkelingen als gevolg van demografische oorzaken kunnen bij deze constructie geen grond vormen om van de hoofdregel van deze wet af te wijken, deze leden erkenden dat. Maar de vraag is of dat verkeerd is. Waarom zou het niveau van de uitkeringen moeten dalen als het aantal AOW-ers toeneemt? Zou dat niet eerder een extra stimulans moeten zijn om het aantal mensen dat van een andere uitkering afhankelijk is terug te dringen? Andersom, stel dat het aantal uitkeringsgerechtigden vanwege demografische redenen daalt. Het totale volume blijft echter gelijk omdat vanwege allerlei economische factoren het aantal uitkeringsgerechtigden (WW/WAO) stijgt. Dan kan op grond van het nu voorgestelde criterium niet worden ontkoppeld, terwijl er wel alle reden voor is omdat zich een onevenwichtige sociaal-economische ontwikkeling voordoet. Moet daarom de conclusie niet zijn dat de volumeontwikkeling een gebrekkig criterium is?

3.4. Verhouding actieveninactieven Het was de leden van de C.D.A.-fractie opgevallen dat wordt gesteld dat beide eerder besproken afwijzingsgronden zich vertalen in het criterium van de aantalsverhoudingen tussen inactieve en actieve inkomentrekkers, terwijl in de tekst van het wetsvoorstel deze toespitsing op ťťn criterium ontbreekt. Kan in dit verband nader worden ingegaan op de mate waarin de relatie tussen bovenmatige loonontwikkeling en volume-effect in de verhouding inactieven : actieven dwingend is? Is het criterium van de getalsverhouding tussen actieve en inactieve inkomenseffecten met andere woorden niet alleen een noodzakelijke maar ook een voldoende voorwaarde om vast te kunnen stellen of de beide afwijkingsgronden actueel zijn?

De leden van de C.D.A.-fractie wilden graag duidelijk weten of het actueel zijn van Ťťn van beide afwijkingsgronden voldoende is om niet volledig te koppelen, of dat aan beide afwijkingsgronden simultaan moet zijn voldaan. In het laatste geval zou naar hun mening de facto van nog slechts ťťn afwijkingsgrond kunnen worden gesproken, hetgeen deze leden ongewenst voorkwam. Teneinde een concrete maatstaf te hebben neemt de regering het verhoudingsgetal 0,86 tussen inactieven en actieven als kritisch getal dat niet mag worden overschreden. Het hanteren van deze maatstaf gaf de leden van de C.D.A.-fractie aanleiding tot enkele vragen. Houdt dit in dat demografische ontwikkelingen, die leiden tot meer uitkeringsgerechtigden, moet leiden tot ontkoppeling, tenzij de niet demografisch bepaalde uitkeringen in aantal dalen? Verder vroegen deze leden zich af of ook dit getal van 0,86 evenals het begrip loonruimte, niet de indruk van schijnexactheid wekt. Immers, in de memorie van toelichting worden allerlei nuancerende opmerkingen gemaakt ten aanzien van de financierbaarheid van de koppelingen, ook bij wijziging van de getalsverhouding tussen inactieven en actieven. Daarbij komt de robuustheid van het getal 0,86. Een verslechtering met een vol punt, bedoeld zal zijn een honderdste punt, tot 0,87 correspondeert met een aantal inactieven van 40 000. Een aantal dat het juiste perspectief krijgt, wanneer wordt bedacht dat in de middellange termijnraming van het CPB, zoals gepubliceerd in de MEV 1990, een daling van het aantal werklozen wordt voorzien in de gehele periode 1990-1994 van 40000 personen. In dat perspectief geplaatst vroegen deze leden zich af of de robuustheid van het getal 0,86 niet zo groot is dat het bijkans nooit tot afwijking van de koppeling zal kunnen leiden en daarmee een leeg criterium wordt. Als vervolgens de regering stelt dat ook minder substantiŽle verlichtingen, bedoeld zal zijn: verslechteringen, van het verhoudingsgetal dan eenhonderdste punt relevant zijn voor de koppelingsbeslissing, rijst de vraag tot hoeveel cijfers achter de komma de regering wil gaan. Verder hadden deze leden met verwondering kennis genomen van het voornemen van de regering de taakstelling uit het regeeraccoord ten aanzien van de terugdringing van het aantal inactieven te willen opgeven. Te meer daar de regering terecht stelt het verhoudingsgetal van 0,86 historisch gezien hoog is en de doelstelling gericht blijft op een substantiŽle verbetering van deze verhouding. Deze leden vroegen zich af hoe deze verminderde ambitie van de regering ten aanzien van de reductie van het relatieve aandeel van de inactieve inkomenstrekkers zich verhoudt ten opzichte van de inzet van de regering om de koppeling blijvend te handhaven.

Omdat veel van de oordeelsvormende elementen tot uitdrukking komen in het verhoudingsgetal tussen actieve en in-actieve inkomenstrekkers spitst de regering de afwijkingsgrond toe op dit criterium. Hoewel de leden van de P.v.d.A.-fractie begrip toonden voor die toespitsing, wilden zij waarschuwen tegen pseudo-exactheid, daar waar toch, getuige de redenering van de regering zelf, vooral sprake moet zijn van een beleidsmatige afweging met betrekking tot de betekenis van de afwijkingsgronden In gegeven omstandigheden. De regering geeft aan dat haar oordeel over eventueel dreigende verslechtering in de toekomst zal worden bepaald op basis van de economische doorrekening van het CPB. Is van verslechtering sprake, dan kan het noodzakelijk zijn om van de regel van koppeling af te wijken. In dit verband spreekt de regering ook over gesignaleerde normoverschrijding. Wat bedoelt de regering met gesignaleerde normoverschrijding? Wordt hier het verhoudingsgetal tussen actieven en inactieven bedoeld, of gaat het hier om vermoedelijke toekomstige ontwikkelingen op basis van de economische doorrekening van het CPB? Ten aanzien van deze doorrekeningen door het CBP

worstelden deze leden wel met het volgende probleem. Deze doorrekeningen zijn nogal omgeven met onzekerheden en gebaseerd op veronderstellingen. Niet zelden blijkt achteraf dat daadwerkelijke ontwikkelingen significant verschilden van de ramingen. Ter illustratie hiervan wezen deze leden op het vierde kwartaalbericht arbeidsmarkt 1990, waarin op pagina 6 gewezen wordt op de zeer forse mate van onderschatting in de CPB-raming van de groei van het aantal werkzame personen in 1990 ten opzichte van de uiteindelijke geregistreerde groei. Ook de geregistreerde werkloosheid daalde in 1990 nog iets sterker dan door het CBP werd geraamd. Hoe oordeelt de regering over dit probleem, waar zij toch een zwaar gewicht toekent aan de doorrekeningen van het CPB.

De leden van de P.v.d.A.-fractie waren erover verbaasd dat uitkeringsgerechtigden krachtens de Ziektewet in de optiek van het wetsvoorstel tot de inactieven behoren. Dit is naar hun mening onjuist. De ZW dient niet in de beschouwingen te worden betrokken, zij maakt ook geen onderdeel uit van de koppeling. In verschillende paragrafen van de memorie van toelichting nuanceert de regering de eenduidig te beoordelen hardheid van het verhoudingsgetal tussen actieven en inactieven. Niettemin spreekt de regering aan het slot van deze paragraaf toch van het verhoudingsgetal als norm. Deze leden hechtten eraan nogmaals te laten weten, dat het hanteren van het verhoudingsgetal als norm voor nadere afweging met betrekking tot het al dan niet loslaten van de koppeling hen verstandiger voorkomt dan het getal hanteren als zelfstandige en inflexibele norm op zichzelf. Als maatstaf van de beide afwijkingsgronden stelt de regering voor het hanteren van de getalsverhouding tussen inactieve en actieve inkomenstrekkers. De leden van de V.V.D.-fractie merkten op dat de regering voor de huidige kabinetsperiode stelt dat er een afwijkingsgrond bestaat indien voornoemde verhouding de norm van 0,86 overschrijdt. Vervolgens constateerden deze leden dat de regering zich voor de volgende perioden reeds in zekere zin indekt door te stellen dat ęeen nadere beoordeling van het verhoudingsgetal van nut zou kunnen zijnĽ. De leden van de V.V.D.-fractie vroegen zich af of deze stelling zo dient te worden geÔnterpreteerd dat een herbeoordeling van meergenoemde verhouding slechts kan leiden tot een verscherping van de verhouding tussen actieven en inactieven die als gevolg heeft dat de afwijkingsgrond in werking kan treden; zulks overigens gelet op de thans reeds bestaande slechte verhouding actieven/inactieven. Deze leden zouden hierop graag een uitvoerige reaktie van de regering willen krijgen. Ten aanzien van de bepaling of ontwikkelingen in de loondanwel volumesfeer meergenoemde verhouding nadelig beÔnvloedt stelt de regering voor de economische doorrekeningen van het CPB als leidraad te hanteren. Ook de leden van de V.V.D.-fractie vroegen zich in dat kader af of de onlangs verschenen doorrekeningen van het CPB inzake het Economisch Beeld 1992-1994 niet reeds tot een grote mate van ongerustheid bij de regering heeft geleid en welke consequenties zij hieruit meent te moeten trekken als het gaat om de in 1992 eventueel al te hanteren afwijkingsgrond voor het aanpassen van de uitkeringen en het wettelijk minimumloon aan de loonontwikkeling in het bedrijfsleven.

De leden van de fractie van D66 wezen er op dat reeds nu al een toenemende vergrijzing van de bevolking zichtbaar en voorspelbaar is en de last daarvan afwentelen op uitkeringsgerechtigden kwam hen voor als niet strokend met de maatschappelijke solidariteit die toch gekozen is als beleidsuitgangspunt bij het wetsvoorstel als zodanig. Aangezien de verhouding actieveninactieven en een eventuele verslechtering daarvan in de toekomst volgens de regering dient te worden vastgesteld op basis

van economische doorrekeningen van het CPB, laat zich hier de vraag stellen of recente CBP-ramingen al aanleiding geven tot zorg. Overigens valt op dit moment nog niet veel te zeggen over de effecten van het activerend arbeidsmarktbeleid dat dit kabinet terecht als belangrijke doelstelling hanteert. ' t Is dan ook de vraag welke meetmomenten precies gehanteerd worden om de verhouding actievennietactieven van conclusies te voorzien waar het de koppeling betreft. In die zin beoordeelden de aan het woord zijnde leden de paragraaf ęconcretisering van de afwijkingsgrondenĽ zeker waar het de volumeontwikkeling betreft als niet erg concreet qua invulling. Dat de ontwikkeling van de lastendruk een cruciale factor is voor de koppelingsproblematiek wilden deze leden niet ontkennen, maar als gesteld wordt dat ook ontwikkelingen op enig moment die pas op termijn aanleiding geven tot een verslechtering van de werkgelegenheid tot de vraag moeten leiden of er gekoppeld wordt of niet, dan hadden deze leden daar graag iets meer opheldering over. Ook zouden zij graag willen weten of de norm van 0,86 als verhoudingsgetal voor het aantal actieven en niet-actieven nog steeds reŽel is, gezien de werkgelegenheidseffecten van de Tussenbalans, de ramingen van het CPB en de onzekerheid omtrent de afspraken rond het terugdringeri van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Belangrijk vonden deze leden de opmerking dat het de voorkeur verdient per kabinetsperiode te bezien welke precisering men in de kwantitatieve normstelling van de cruciale aantalsverhouding inactieven versus actieven wil overeenkomen. Betekent dit dat bij een volgend kabinet de mogelijkheid bestaat dat eerder wordt gegrepen naar de afwijkingsgronden?

De tweede grond voor afwijking betreft een verslechtering van de verhouding actieveninactieven. De regering noemt hier het verhoudingsgetal 0,86. De leden van de fractie van Groen Links vroegen zich af, hoe hard dit cijfer geÔnterpreteerd zal gaan worden. De regering geeft zelf al aan, dat de vergrijzing, de samenstelling van de kosten van uitkeringen e.d. van invloed zijn op de interpretatie van dit cijfer. Zij stelt dat nader aangegeven moet worden welke precisering men wil overeenkomen. De leden van de Groen Linksfractie zouden graag van de regering vernemen wat haar precisering is. Wat verstaat de regering onder compenserende maatregelen? Zij verwezen naar de quoteringsdiscussie. De regering wil daar niet aan, terwijl het wel een maatregel is, die het aantal arbeidsongeschikten omlaag kan brengen. Maar bij uitblijven van deze maatregel neemt de kans op stijging van de indicator wel toe. En dan wordt er wellicht ontkoppeld. Is de regering in die situatie bereid om in de toekomst de quotering toch door te voeren om de koppeling te redden? Hoe kijkt de regering aan tegen een verhoging van collectieve lasten uit hoofde van vergrijzing, die (ten dele) in de CAO-resultaten worden afgewenteld? Wordt een loonsverhoging uit dien hoofde anders bekeken dan een ęechteĽ te hoge loonstijging? Evenals bij de loonkostenindicator vonden zij het standpunt van de regering niet bijzonder concreet. Kan de regering aangeven wat het verhoudingscijfer in de jaren 1992, 1993 en 1994 moet zijn, waarbij oneigenlijke invloeden zijn uitgezuiverd en het aldus opgeschoonde verhoudingscijfer een juiste weergave is van de verslechterde werkgelegenheidssituatie? Dit is immers van belang voor de gebeurtenis van de indicator. Wat gebeurt als er in een akkoord met sociale partners wordt afgesproken, dat er geen afwenteling plaats vindt in de CAO-onderhandelingen in een situatie van meer inactieven? Als er sowieso geen afwenteling plaats vindt in een situatie van meer inactieven, wordt dan toch ontkoppeld? Hoe kijkt de regering aan tegen de kritiek van de FNV in deze?

Wat het criterium van de verhouding niet-actieven/actieven betreft, gaat de regering uit van de norm van 0,86. De leden van de fractie van

de S.G.P. vragen of deze norm louter gekozen is vanuit het feitelijke gegeven dat de norm op dit moment zoveel bedraagt? Of is de regering van mening dat deze norm in beginsel voldoende is voor een goede ontwikkeling van de overheidsuitgaven en de collectieve lastendruk, waarvan de uitkeringen een belangrijk deel uitmaken. Kan de regering ook aangeven hoe deze norm in de overige EG-lidstaten ligt? Volgens de memorie van toelichting worden vervroegd uitgetredenen, renteniers en gepensioneerden jonger dan 65 jaar niet gerekend tot de niet-actieven. Het was de leden van de fractie van de S.G.P. niet geheel duidelijk of zij mogelijk wel tot de actieven gerekend worden, bij studerenden staat namelijk expliciet vermeld dat dat niet het geval is. Wat betreft renteniers en gepensioneerden die geen uitkering ontvangen, waren deze leden het met de regering eens; wat betreft de vervroegduitgetredenen die wel over een (vut)uitkering beschikken, vroegen zij zich af waarom deze niet tot de niet-actieven gerekend worden. Zij leveren immers geen aandeel meer in het arbeidsproces, terwijl hun uitkering wel onderdeel vormt van de collectieve lastendruk. De leden van de S.G.P.-fractie wilden van de regering weten in hoeverre de 0,86 norm een harde norm is. In de memorie van toelichting wordt de indruk gewekt dat het om een harde norm gaat; wanneer die wordt overschreden zal de koppeling in deze kabinetsperiode, in beginsel, worden losgelaten. Deze leden vroegen zich af hoe rekbaar het begrip ęin beginselĽ is. Welke factoren kunnen een rol spelen om de koppeling, ook al wordt de 0,86-norm overschreden, toch in stand te houden? In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de koppeling wordt losgelaten indien ondanks compenserende maatregelen er geen uitzicht is op realisering van het normcijfer. Betekent dit dat bij overschrijding van de norm de regering eerst via compenserende maatregelen alsnog probeert om de norm weer te bereiken en pas als dat niet lukt de koppeling loslaat? Zo ja, wordt er dan toch niet te veel ruimte gecreŽerd om de koppeling, ook al is het niet meer verantwoord, in stand te houden? Niet alleen wanneer op korte termijn, maar ook wanneer op langere termijn een stijging van de 0,86-norm wordt voorzien, kan dat een reden zijn om te ontkoppelen. De regering spreekt van een termijn tot acht jaar. De leden van de fractie van de S.G.P. vroegen zich af of deze termijn niet te lang is. Weliswaar kunnen demografische veranderingen binnen die termijn in redelijke mate voorzien worden, maar voor de economische ontwikkeling is dat nauwelijks mogelijk. Deze leden vroegen dan ook of het hanteren van een referentieperiode van vier jaar niet zinvoller is. De CPB-prognoses bestrijken ook meestal een periode van vier jaar.

Het lid van de R.P.F.-fractie wilde over de gekozen norm van 0,86 opmerken dat hij deze arbitrair van aard vond. Hoewel hij kennis had genomen van het feit dat de verhouding bij volledige realisatie van de kabinetsplannen veel gunstiger zou uitvallen, vroeg hij toch om een nadere onderbouwing van deze norm. Hij vond het niet bepaald sterk overkomen dat is gekozen voor een norm die geheel aansluit bij de huidige situatie. Overigens was hij benieuwd naar de exacte verwachtingen, die de regering heeft met betrekking tot de ontwikkelingen in de verhouding tussen de actieveninactieven. In deze is uiteraard de WAO-problematiek van grote betekenis. Het hier aan het woord zijnde lid waardeerde de inspanningen van de regering om de instroom te beperken en vroeg of reeds indicaties te bespeuren zijn van de effecten die de sinds 1 januari 1991 van kracht zijnde maatregel teweeg heeft gebracht met betrekking tot de instroom. Daarnaast vroeg dit lid nadrukkelijk om nadere maatregelen inzake de uitstroom. Naast meer herintreding in het arbeidsproces kan het aantal WAO-ers ook worden gereduceerd als het WAO-regiem wordt bijgesteld. Dit lid herinnerde er aan, dat de regering tijdens de laatste Algemene

Beschouwingen heeft laten weten dat er van de ruim 800 000 WAO-gerechtigden slechts 30000 0 volledig van een WAO-uitkering afhankelijk zijn voor het voorzien in hun levensonderhoud. De overige 500 000 zijn derhalve partieel WAO-gerechtigd. In hoeverre is het te realiseren, dat voor deze categorie het WAO-regiem als een overgangsperiode wordt beschouwd, waarin men binnen een tijdsbestek van enkele jaren toegroeit naar het nieuwe mogelijk lagere inkomen uit arbeid verkregen? Ziet de regering perspectieven om langs deze weg het aantal WAO-gerechtigden binnen korte tijd aanzienlijk te beperken, zo vroeg het lid van de R.P.F.-fractie. Lopen de verwachtingen met betrekking tot de ontwikkelingen in de verhoudingen tussen de actieveninactieven van de regering overigens parallel aan de verwachtingen volgens de cijfers van het CBP?

3.5. Budgetdiscipline

De leden van de C.D.A.-fractie merkten op dat zowel de SER als de Raad van State diep ingaat op de vraag of de rijksfinanciŽn als zodanig een rol mogen spelen bij de vraag of van de koppeling afgeweken kan worden. De regering beantwoordt deze vraag ontkennend. Op bepaalde momenten wekt de regering de indruk dat vooral de gedachte van de verantwoordelijke maatschappij hier bepalend zou zijn. Werkgevers en werknemers zijn dan verantwoordelijk voor de sociale zekerheid en politici moeten door bezuinigen, de budgetdiscipline, de rijksfinanciŽn in orde brengen. Is deze indruk juist of heeft de regering nog andere argumenten? Bij de discussie over alternatieven bij onverhoopte moeilijkheden wekt de regering de indruk dat alles is toegestaan behalve ontkoppelen. Ook de Raad van State wijst hierop. Sluit de regering koopkrachtbehoud voor uitkeringsgerechtigden door middel van lastenverlichting inderdaad als alternatief uit? Zijn er naast de koppeling nog alternatieven zelf die worden uitgesloten, bijvoorbeeld een loonmaatregel? Daar lastenverzwaring leidt tot een zekere druk op de loonontwikkeling en het wetsvoorstel zeer veel waarde toekent aan de koppeling lijkt de regering bezuinigen als de enige uitweg te zien voor het saneren van de rijksfinanciŽn. Mogen de leden van de C.D.A.-fractie deze conclusie trekken uit het voorliggende wetsvoorstel?

Met instemming constateerden de leden van de P.v.d.A.-fractie dat de regering van mening is dat binnen het kader van dit wetsvoorstel de koppeling niet aangewend kan worden voor de oplossing van budgettaire problemen van algemene aard. Deze leden stemden in met het uitgangspunt dat verhogingen van de collectieve lastendruk uit andere hoofde dan de ontwikkeling van de lonen en het beroep op de sociale zekerheid, via andere mechanismen dan de hier besprokene moeten worden voorkomen of gecompenseerd.

De leden van de V.V.D.-fractie zouden ten aanzien van de door de SER in 1988 en in 1990 (in ruime meerderheid) geadviseerde derde afwijkingsgrond, zijnde een verstoring van de collectieve financiŽn, van de regering meer gedetailleerd willen vernemen op welke gronden zij de zogenaamde ębudgetdisciplineĽ toereikend acht. De regering stelt dat de koppelingen gevrijwaard dienen te blijven van budgettaire problemen elders en dat eventuele bijdragen vanuit de sociale zekerheid aan de oplossing van elders ontstane budgettaire problemen, waarvoor geen compensatiemaatregelen bestaan, met name gevonden dienen te worden in ębeperking van rechten of van het volumeĽ. Deze leden zouden van de regering een uitvoerige omschrijving willen krijgen omtrent de concrete aard van voornoemde beperking van rechten en tevens zouden deze leden van de regering willen vernemen waar zij aan denkt als zij het heeft

over de beperking van het volume en hoe zij zulks in het voorkomende geval meent te gaan bewerkstelligen.

De leden van de fractie van D66 vroegen naar de strekking van de opmerking van de regering dat de koppeling gevrijwaard dient te blijven van budgettaire problemen elders, maar dat anderzijds beperking van rechten niet is uitgesloten.

De leden van de S.G.P.-fractie merkten op dat behalve de twee in het wetsvoorstel genoemde criteria een grote meerderheid van de SER een derde criterium heeft voorgesteld, namelijk een verstoring van de collectieve financiŽn. Ook de Raad van State wijst in zijn advies op dit punt. De regering heeft gelijk wanneer zij stelt dat verstoring van de collectieve financiŽn die veroorzaakt wordt door andere departementen volgens de regels van de begrotingsdiscipline door de betreffende ministeries zelf moeten worden opgelost. Anders ligt het evenwel wanneer door bijvoorbeeld een tegenvallende economische groei of door een lagere dollarkoers de inkomsten van de overheid verminderen of wanneer door externe factoren de uitgaven van de overheid stijgen. In dat geval zullen alle ministeries een steentje moeten bijdragen aan bezuinigingen, ervan uitgaande dat de regering niet kiest voor verdere lastenverzwaring. De regering stelt dat bijdragen vanuit de sociale zekerheid dan gevonden moeten worden beperking van rechten en van volume en niet in een afwijking van de koppeling. De leden van de fractie van de S.G.P. vroegen zich af in hoeverre deze alternatieven reŽel zijn. Kan de regering concrete voorbeelden noemen op welke wijze zij rechten of volume in de sociale zekerheid zou beperken? Op de ontwikkeling van het volume van uitkeringsgerechtigden heeft de regering nauwelijks vat; dat zien wij ook wanneer het gaat om het terugdringen van het aantal arbeidsongeschikten. Een beperking van de rechten van uitkeringsgerechtigden is evenmin eenvoudig te realiseren, gezien de zorgvuldigheid in verband met de rechtszekerheid, waarbij in ieder geval overgangsbepalingen vereist zijn. Ook hiervan zijn voorbeelden te noemen, zoals de gang van zaken rond de AAW. Deze leden zouden dan ook graag een nadere gefundeerde onderbouwing van de regering horen waarom per definitie de koppeling buiten schot blijft in bovengenoemde situatie. Daarbij komt de vraag of het niet eerlijker is de ępijnĽ te verdelen over de gehele groep uitkeringsgerechtigden dan om van bepaalde categorieŽn de rechten in te perken.

De leden van de G.P.V.-fractie hadden over de budgetdiscipline reeds gesproken toen zij het criterium van de bovenmatige loonontwikkeling behandelden. Zij vroegen zich af waarom niet een ander criterium wordt gebruikt, namelijk de zeer onevenwichtige financiŽle verhoudingen in de publieke sector. Daar was immers ook een ruime meerderheid in de SER voor te vinden. Is de relevantie van dit criterium wel voldoende onderkend?

3.6. Aanpassing in geval van afwijking Indien besloten wordt tot aanpassing, welke aanpassing vindt dan plaats, zo vroegen de leden van de Groen Linksfractie zich af. Geldt hier koopkrachtbehoud? Sluit men uit, dat er koopkrachtverlies resulteert, of niet? Of geldt in principe een verhoging van uitkeringen met het inflatiepercentage en de stijging van de arbeidsproduktiviteit, zoals de FNV wenst? Graag een reactie van de regering, zo vroegen deze leden.

3.7. Afwijkingsgronden in het SER-advies De leden van de C.D.A.-fractie vroegen de aandacht van de regering voor het volgende. In het SER-advies van 29 juni 1990 wordt unaniem aandacht gevraagd voor een drietal afwijkingsgronden met een meer technische karakter, te weten -(de-)nivellering; -de loontrend in het relevante loongebied; -verschillen in ontwikkeling van de lonen tussen en binnen sectoren. De regering constateert dat in de afgelopen jaren een toename van sectorale verschillen in loonontwikkeling kan worden gesignaleerd Desondanks acht de regering het voldoende wanneer eens in de vier jaar naar deze afwijkingsgronden wordt gekeken. De leden van de C.D.A.-fractie vroegen zich af of de regering nog problemen voorziet voor de loonontwikkeling in de sectoren met relatief geringe contractloonstijgingen als gevolg van de koppeling van het minimumloon aan een gemiddelde? Hoe ziet de regering de WKA in relatie tot de noodzaak van loondifferentiatie? Nu stelt de regering zich te willen herbezinnen op de wettelijke vormgeving wanneer deze afwijkingsgronden steeds en in belangrijke mate aanleiding geven tot nadere overwegingen met betrekking tot de aanpassing. Naar de mening van de leden van de C.D.A.-fractie zou het wetsvoorstel aan kracht winnen indien de drie genoemde afwijkingsgronden, conform het advies van de gehele SER, in de wet worden opgenomen. Deze leden stelden vast dat de SER reeds in zijn advies van 31 mei 1985 inzake een aantal aspecten van de wettelijke minimumloonregeling een aantal globale varianten van indexeringsmechanismen had besproken die aan genoemde afwijkingsgronden tegemoet zouden kunnen komen. Ook tegen de achtergrond van de opvatting van deze leden dat loondifferentiatie de werking van de arbeidsmarkt ten goede komt zouden zij gaarne zien dat de regering zich nu reeds in het kader van dit wetsvoorstel zou bezinnen op een wettelijke vormgeving die recht doet aan deze drie afwijkingsgronden.

Ook het lid van de R.P.F.-fractie wilde nog een opmerking maken over eventuele extra afwijkingsgronden. In het SER-advies (1988) worden enkele mogelijke alternatieven genoemd. Eťn daarvan betreft de verschillen, die kunnen optreden in de loonontwikkeling tussen en binnen sectoren. Kan de regering uiteenzetten waarom zij deze mogelijkheid verder buiten beschouwing laat?

  • Relatie met arbeidsvoorwaardenbeleid

In de WKA zijn de ambtenaren mede bepalend voor de vaststelling van de loonontwikkeling. De leden van de C.D.A.-fractie steunden de keuze van de regering hier de SER te volgen. Wel vroegen zij zich af waarom de regering soms de indruk wekt, bijvoorbeeld in de Tussenbalans bijlage 5, punt twee, dat ook de ambtenaren en de WAGG-sector zelf gekoppeld zouden zijn. Voor de helderheid wilden deze leden weten van de regering of het juist is dat alleen de uitkeringen zijn gekoppeld aan een bepaalde ontwikkeling van de lonen in de diverse sectoren, maar dat noch de lonen in de collectieve sector zijn gekoppeld aan de marktlonen, noch dat de lonen in de marktsector op hun beurt gekoppeld zouden zijn aan de uitkeringen. Op het gebied van de collectieve sector hadden deze leden de volgende vragen: -is al bekend welk deel van de ambtenaren-ęCAOĽ wordt meegenomen in de loontrend? -gaat de DCA dit ook registreren? -indien de ambtenaren minder zouden krijgen dan de marktsector,

dan krijgen zij per definitie ook minder dan de uitkeringen. Leidt dit niet tot extra druk op het ambtenarenoverleg? Hoe denkt de regering dit op te lossen? -hoe kan worden voorkomen dat de prognose van het CPB in het WKA-systeem gaat werken als een bodem in de markt zoals de 3% van de ministers van FinanciŽn en Sociale Zaken en Werkgelegenheid dit jaar heeft gewerkt als het openingsbod van de minister van Binnenlandse Zaken? De gedecentraliseerde onderhandelingen in de marktsector hebben positief gewerkt op de mogelijkheden te onderhandelen over ondermeer de werkgelegenheidsontwikkelingen. De leden van de C.D.A.-fractie wilden dit systeem niet onder druk zetten, ook niet in het licht van een discussie over de financierbaarheid van de koppelingen. Door de Tussenbalans is met name bij veel onderhandelaars de vraag gerezen hoe de regering deze relatie ziet. Naar de mening van deze leden gaat de WKA uit van de vrijheid van de marktpartijen in de markt-en collectieve sector te onderhandelen, waarbij de marktpartijen weten dat de regering koppelt indien de lonen zich verantwoord ontwikkelen en er geen volumeproblemen zijn. De WKA kent dan als mogelijkheid beperking van de koppeling en niet beperking van de contractsvrijheid. Deelt de regering deze mening? Heeft een commissie van het IMF ook in deze geest geadviseerd? De WKA koppelt de uitkeringen aan de loonontwikkeling in de markt, de WAGGS en de ambtenaren. Dit geldt ook voor de werknemersverzekeringen. Uit het protocol met betrekking tot de Ziektewet, de aanpak van het WAO-dossier en de discussie rondom de uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekeringen hadden deze leden de indruk gekregen dat de sociale partners unaniem streven naar een vergroting van hun rol op het gebied van de sociale verzekeringen. Het C.D.A. heeft deze visie steeds gesteund. Een mogelijke integratie van de ZW en de WAO in het arbeidsvoorwaardenbeleid sluiten de leden van de C.D.A.-fractie niet uit. Ook in de collectieve sector bestaat deze integratie bij de ambtenaren. Een automatische koppeling van de werknemersverzekeringen staat naar de mening van deze leden enigszins haaks op deze maatschappelijke ontwikkeling. Graag zouden zij van de regering een fundamentele beschouwing ontvangen over de verhouding van de WKA met de discussie over de overdracht van de werknemersverzekeringen.

De leden van de Groen Linksfractie hadden forse kritiek op het feit, dat de automatische koppeling wordt vervangen door een koppeling onder voorwaarden Zij merkten op dat in feite sprake is van een ętripartiseringĽof zelfs ębipartiseringĽ van de koppeling: de sociale partners zijn uiteindelijk degenen, die gaan beslissen over een solidaire inkomenspolitiek of niet, hetgeen ook de regering lijkt te suggereren. Dat vonden deze leden niet aanvaardbaar. Het is aan de politiek om te beslissen hoe de inkomens-en koopkrachtverhoudingen in Nederland eruit dienen te zien. Zij waren dan ook benieuwd hoe met name de oproep van de heer WŲltgens (het primaat van de politiek) is te rijmen met deze ontwikkeling. Het vooruitzicht dat de werkgevers, die bekend staan als notoire criticasters van de koppeling, in feite mede gaan bepalen of de koppeling wel of niet in stand blijft, vonden deze leden onjuist. De recente opstelling van de werkgevers gaf hen geen hoop op verbetering: zij blokkeren in het CAO-overleg het besteden van loonruimte aan werkgelegenheid arbeidsduurverkorting, VUT, vierdaagse werkweek, kinderopvang, milieufondsen, preventiefondsen e.d. Als er geld is moet dat gewoon naar loonstijgingen gaan. Zij verwezen hierbij naar uitspraken van de minister-president in het najaar 1990, die de houding van de werkgevers in deze bekritiseert.

Werknemers zijn over het algemeen wel bereid lonen te matigen en gelden ter beschikking te stellen voor goede doelen. De hier aan het woord zijnde leden refereerden aan het FNV-voorstel uit 1990, dat de regering verrassenderwijs niet steunde. Haar opstelling is in lijn met dit wetsvoorstel: streven naar een gematigde loonontwikkeling en uitbreiding van werkgelegenheid. Maar als werkgevers dit niet willen, dan is het volkomen logisch dat werknemers meestal de loonruimte niet laten zitten. In de dynamiek van het CAO-overleg wordt, ondanks goede intenties van werknemerszijde, vaak gekozen voor loonsverhoging boven andere zaken. Resultaat: een machtige belangengroep als de werkgevers bepaalt in hoge mate de inkomensontwikkeling van bijna 4 miljoen mensen, waarvan de meeste al jaren op een minimumniveau leven. Dit verontrustte de hier sprekende leden zeer. Zij merkten op dat de handhaving van de koppeling in het decentraal CAO-overleg nauwelijks enige belangstelling ontmoet. ęDe koppeling is van Den Haag, dat is hun probleemĽ, is een veel gehoorde kreet. Het kabinet laat vťrgaande decentralisatie van het arbeidsvoorwaardenoverleg toe en weigert hardere afspraken op centraal niveau te maken. Nu blijkt, dat op decentraal niveau slechts aan het bedrijfs-of sectorbelang wordt gedacht, kan Den Haag niet heen om het zelf vaststellen van de inkomensontwikkeling voor uitkeringsgerechtigden. De uitkeringsgerechtigden, in het geval dat de koppeling niet of maar gedeeltelijk zal worden toegepast, krijgen dan op twee manieren de rekening gepresenteerd: in de eerste plaats biedt het resultaat van de CAO's geen uitzicht op werk; noch in directe zin via herverdeling van arbeid, noch indirect via werkgelegenheidsgroei als gevolg van loonkostenmatiging. In de tweede plaats wordt hun inkomen bevroren en delen zij niet mee in de welvaartsgroei. Hier trokken de leden van de Groen Linksfractie een parallel met het milieubeleid: daar wordt het principe gehanteerd ęde vervuiler betaaltĽ. In dit wetsvoorstel gebeurt exact het tegenovergestelde: de rekening van het CAO-overleg wordt doorgeschoven naar die groepen, die niet vertegenwoordigd zijn in het overleg en daarop ook geen invloed kunnen uitoefenen. Hun inkomensontwikkeling is dan afhankelijk van omstandigheden, die niet door hen te beÔnvloeden zijn. Een bijzonder merkwaardige constructie, zo vonden de hier sprekende leden. Zij vonden de voorgestelde constructie des te kwalijker, omdat het hier gaat om mensen, die veelal zijn aangewezen op het absolute minimum en voor wie het niet doorgaan van inkomensverbetering, hoe beperkt ook, flink aantikt. Het milieubeleid, dat heeft geleid tot sterke stijging van de gemeentelijke heffingen, vraagt om extra bescherming van het minimum. Wat is de mening van de regering in deze? Het zou juist van werkelijke rechtvaardigheid getuigen als niet de minima, maar de bovenmodale inkomenstrekkers in de eerste plaats de rekening gaan betalen van een tegenvallende economische ontwikkeling. Helaas wordt juist het omgekeerde mogelijk met dit wetsvoorstel. De regering zegt zeer gespitst te zijn op de groei van de werkgelegenheid en, daarmee samenhangend, een gematigde loonkostenontwikkeling en een betere verhouding actieveninactieven. Dit wetsvoorstel draagt daar nauwelijks aan bij. Want ęde vervuilersĽ betalen niet. Wellicht zullen de werknemers, en zeker de centrales, nog meer dan voorheen de loonkostenontwikkeling in toom willen houden. Maar dit wetsvoorstel leidt zeker niet tot gedragswijziging bij werkgevers. Het centrale probleem, een te lage werkgelegenheidsgroei, blijft dus onopgelost en periodiek dreigen de minima de rekening te krijgen. De leden van de Groen Linksfractie merkten op dat de regering aangeeft dat het tripartiete overleg in deze belangrijk is. Ongetwijfeld is dat het geval, maar de resultaten tot nu toe zijn bedroevend. Deze aanpak loopt dus spaak en vraagt om heroverweging van de positie van de overheid. In concreto kan dit bijvoorbeeld betekenen, dat de regering

pal achter het voorstel van de FNV (1% van de loonruimte centraal reserveren voor niet-loon) gaat staan. Een andere optie is om na te gaan hoe de overheid herverdeling van arbeid kan stimuleren. Dat gebeurt nu niet. Sterker nog, de overheid als werkgever stuurt aan op beperking van de ambtenaren-VUT, een onbegrijpelijke stellingname. Ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid, waarvan de groei via dit wetsvoorstel van groot belang kan zijn voor de verhoudingsindicator, geldt hetzelfde. De regering maakt zich afhankelijk van de patstelling, waarin sociale partners verkeren. Dat belooft niet veel goeds, zo dachten deze leden. Het is dus de politieke keuze van de regering om het probleem van (onvoldoende) werkgelegenheidsgroei en werkgelegenheid niet rechtstreeks aan te pakken, maar slechts langs de zijlijn sociale partners toe te roepen, dat er problemen zijn. Dat kan een tijdje invloed hebben, maar op den duur worden de beste stuurlui aan wal ook niet meer serieus genomen. Het WAO-voorstel van de werkgevers in het voorjaarsoverleg van 1990 zagen deze leden dan ook als uiting van minachting van werkgeverskant richting kabinet. In zekere zin heeft het daar ook om gevraagd. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat binnen de door de regering gestelde financiŽle kaders de uitkeringsgerechtigden de rekening van dit beleid krijgen. De hier aan het woord zijnde leden waren benieuwd naar een reactie van de regering op deze kritische gedachten.

Zowel wat betreft de loonontwikkeling als wat betreft de ontwikkeling van het volume in de sociale zekerheid is de overheid sterk afhankelijk van de sociale partners, zo merkten de leden van de S.G.P.-fractie op. Toch hebben de overheid en de sociale partners ieder hun eigen verantwoordelijkheden die ook goed onderscheiden moeten blijven. De keus voor de koppeling is een primair politieke keus waarvoor de overheid verantwoordelijk is en niet de sociale partners. En het is de vraag of de overheid zich met die keus niet te afhankelijk maakt van de sociale partners zodat zij de eigen verantwoordelijkheid niet waar kan maken. In dit verband wilden de leden van de fractie van de S.G.P. de regering vragen in hoeverre zij de bereidheid van de sociale partners inschat om zich te matigen om zodoende de koppeling in stand te houden. Dat werkgevers niet zoveel voor de koppeling voelen is bekend, maar in hoeverre zijn de werknemers dat wel? Op decentraal niveau in de bedrijfstakken \s er de tendens dat werknemers de loonruimte die er is ook willen benutten. In hoeverre kan van werknemers verlangd worden dat zij een deel van de loonruimte laten zitten, zodat in feite de werkgever er beter van wordt, omdat anders de koppeling in gevaar kan komen? Een voor de koppeling bovenmatige loonstijging hoeft in bepaalde bedrijfstakken toch zeker geen bovenmatige loonstijging te zijn, wanneer ook de arbeidsproduktiviteit is gestegen? In dit verband wilden de leden van de S.G.P.-fractie van de regering weten hoe de voorstellen in de Tussenbalans om de koppeling eventueel te betalen via extra premieheffing zich verhouden tot dit voorstel waarin sprake is van in principe een ontkoppeling indien de loonstijging bovenmatig is. Dat de overheid in principe ontkoppelt wanneer de koppeling voor haar te duur wordt, is volgens deze leden een juist uitgangspunt. Ook in de markt-sector zullen slecht draaiende bedrijfstakken onder de gemiddelde loonstijging blijven. Zo is ook de overheid verantwoordelijk voor haar financiŽle huishouding en dient zij de grenzen daarvan te kennen; en dat kan inhouden dat er op een gegeven moment, hoe spijtig dat dan ook is, ontkoppeld wordt. In de voorstellen van de Tussenbalans wordt daarentegen gesuggereerd dat ook bij een bovenmatige loonontwikkeling er niet ontkoppeld wordt, maar dat de extra kosten doorgeschoven worden naar het bedrijfsleven door rniddel van premieverhoging. In hoeverre is dit te rijmen met het principe in de wet dat er in beginsel ontkoppeld wordt bij een te hoge loonstijging? Ook vroegen de leden van de

S.G.P.-fractie of de stijging van de collectieve lastendruk als gevolg van de verhoging van de premies op termijn geen nadelige consequenties heeft voor de werkgelegenheid en daarmee voor de verhouding inactieven/actieven, zodat alsdan nog ontkoppeld moet worden? Worden op deze wijze de verantwoordelijkheden van overheid (voor ambtenaren en uitkeringsgerechtigden) en met name vakbonden (voor werknemers) niet door elkaar gehaald en wordt de verantwoordelijkheid van de overheid niet doorgeschoven naar sociale partners die daar niet primair verantwoordelijk voor zijn? Wordt ook op deze wijze de vrijheid van cao onderhandelingen niet sterk onder druk gezet en hoe kijkt de regering daar principieel tegenaan? De vraag kan in het algemeen gesteld worden of de koppeling wel handhaafbaar is zonder enige vorm van een centrale loonpolitiek. De leden van de fractie van de S.G.P. wilden daar graag een antwoord op van de regering.

De leden van de G.P.V.-fractie stemden ermee in dat voor de meting van de loonontwikkeling wordt gebruik gemaakt van een gemengde index, waardoor ook de inkomensontwikkeling in de collectieve sector relevant wordt. Maar past het niet in de lijn van de regering dat dan in ieder geval wordt voldaan aan de voorwaarde van een gelijkwaardig overleg tussen overheid en ambtenarenbonden? Zal zo'n overlegstelsel zijn gerealiseerd vůůr de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel?

  • Overige aspecten

5.1. Indexeringssystematiek

De leden van de C.D.A.-fractie wilden op deze plaats graag ingaan op de rol van het Centraal Planbureau. Op advies van de SER krijgt het CPB een belangrijke rol. Zit hierin niet een gevaar voor de politieke onafhankelijkheid van de CPB? Hoe moet het CPB de verwachting voor de loonontwikkeling in de collectieve sector inschatten? Gebeurt dit modelmatig of beleidsmatig? Komt er een loonraming voor alle sectoren of ook een afzonderlijke per sector? Dit laatste gaat volgens deze leden werken als een bodem in de collectieve loonmarkt. Hoe schat de regering deze risico's in? Graag zouden deze leden zien dat de regering expliciet ingaat op de mogelijke consequenties van het gebruik van ramingen door het CPB zoals aangegeven in het SER-advies van 29 juni 1990 op de bladzijden 28 en 30/31. Met name de genoemde mogelijkheid, dat de regering zelf de loonraming in het CEP kan invullen achtten deze leden curieus. De leden van de fractie van D66 konden zich vinden in de door de regering gekozen systematiek. Ook het feit dat gekozen is voor een gemengde index waarbij de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden in de collectieve sector worden meegewogen sprak hen aan, waarbij zij er wel van uitgingen dat inderdaad krachtig gewerkt wordt aan echte loononderhandelingen in de collectieve sector.

De leden van de Groen Linksfractie vroegen wat er bij de invoering van dit wetsvoorstel gebeurt. Stel invoering per 1 januari 1992. Men heeft dan nog recht op een koppeling, gebaseerd op de loonstijgingen in de periode 1 april-31 december 1991. Daarnaast zou op grond van het wetsontwerp 50% van de MEV-raming worden doorgegeven. Zal dat straks inderdaad de praktijk zijn? Bovendien vroegen de leden zich af hoe de nacalculatie van het jaar t-1 op 1 januari van het jaar t zal plaatsvinden. Het eerste halfjaar wordt de helft van de te verwachten loonstijging doorgegeven. Op 1 juli volgt aanpassing via het verschil

tussen de CEP-raming en de 50% van de MEV-raming. Zagen deze leden het goed, dat de nacalculatie op 1 januari in het jaar t+ 1, zodanig plaatsvindt, dat de stijging van de uitkering/WML op jaarbasis hetzelfde zal zijn als de contractloonstijging op jaarbasis? Hoe vindt compensatie in het jaar t+ 1 dan plaats? Kon de regering daarvan een voorbeeld geven? Deze leden vroegen hiernaar omdat zij graag nader inzicht hadden in de precieze werking van artikel 14 lid 1.

Ook de leden van de S.G.P.-fractie merkten op dat het Centraal Plan Bureau bij de vraag of de koppeling gehandhaafd kan blijven een belangrijke rol zal vervullen. Immers, de ramingen van het planbureau vormen de grondslag voor de beslissing om al dan niet te koppelen. Hoewel het CPB kwalitatief hoogstaand werk levert is het, gezien de onzekere factoren waarmee rekening gehouden moet worden, nauwelijks te voorkomen dat raming en uiteindelijke realiteit van elkaar afwijken. Omdat de ramingen van het CPB zo'n belangrijke rol spelen, vragen de aan het woord zijnde leden aan de regering hoe nauwkeurig de ramingen van het CPB in de afgelopen jaren geweest zijn. Een belangrijke vraag is vervolgens welke vrijheid de regering heeft om af te wijken van de ramingen van het CPB. Immers, niet ontkend kan worden dat het CPB soms een andere inschatting maakt van de sociaal-economische ontwikkelingen dan de regering. Het gaat dan niet alleen om bijvoorbeeld de hoogte van de dollarkoers die bij berekeningen als uitgangspunt genomen wordt, maar ook om de uitwerking van het beleid van de regering, zoals de te nemen maatregelen om de arbeidsongeschiktheid terug te dringen. Zullen de gegevens van het CPB ook bij verschil van inzicht met de regering uiteindelijk de doorslag geven? Nu de ramingen van het CPB zo'n essentiŽle rol spelen in dit belangrijke vraagstuk, komt de vraag naar voren hoe gegarandeerd kan worden dat de onafhankelijkheid van het CPB gewaarborgd blijft. Zijn er voldoende waarborgen dat het CPB gevrijwaard blijft van politieke druk bij het maken van de ramingen?

5.2. Nettonettokoppe/ing

De WKA bepleit handhaving van de nettonettokoppeling. De discussie over de vraag of er verschil moet zijn op het minimumniveau is tot nu toe verschoven naar de discussie over de kinderbijslag. Met de minister van sociale zaken en werkgelegenheid is afgesproken het probleem van de horizontale draagkracht apart te bespreken. De leden van de C.D.A.-fractie waren bereid de nettonettokoppeling op dit moment als een gegeven te aanvaarden en de principiŽle behandeling uit te stellen tot de regering komt met een reactie op het Kinderbijslagadvies van de SER, op het WRR-rapport ęEen werkend perspectief; arbeidsparticipatie in de jaren 90Ľ en op het nog te verschijnen rapport van de commissie-Stevens. Graag vernamen zij of de regering hiermee kan instemmen.

De leden van de fractie van D66 wezen een doorbreking van de nettonettokoppeling in de zin van het achterblijven van de minimumuitkeringen bij het minimumloon af. De regering stelt dat een omgekeerde doorbreking van de nettonettokoppeling, in die zin dat de minimumlonen achterblijven bij de uitkeringen, vooralsnog bezwaarlijk is aangezien dit een toeslagenstelsel met name voor alleenverdieners met de laagste inkomens in het leven zou roepen. De WRR stelt daar in zijn rapport ęEen werkend perspectiefĽ een andere redenering tegenover, waarbij reeds nu uitgegaan wordt van de situatie dat er zeer weinig alleenverdieners voorkomen in de laagste inkomenscategorie. Een reactie op dat WRR-advies zou, zoals gezegd, door de aan het woord zijnde

leden zeer op prijs gesteld worden. De vraag laat zich namelijk stellen wanneer de regering verwacht dat de arbeidsdeelname van (met name de jongere generatie) vrouwen voldoende ver is voortgeschreden dat gesproken kan worden van een situatie waarin het minimumloon niet meer per definitie de behoefte van een tweepersoonshuishouden hoeft te dekken.

Naar aanleiding van de nettonettokoppeling vroegen de leden van de fractie van Groen Links wat de stand van zaken is rond de toezegging van de staatssecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid over de eenmalige toelage van f 50. Op vragen uit de Kamer zegde zij toe te bezien in hoeverre de Kamer geÔnformeerd kan worden over de verschillende brutonettotrajecten, alsmede aanvullende bepalingen en uitzonderingen, die in de Sociale Zekerheid worden gehanteerd. Voorts vroegen de leden van de Groen Linksfractie zich af waarom de regering besloten heeft tot het meenemen van de loonontwikkeling van de ambtenaren en trendvolgers in de koppeling, terwijl daar nog geen sprake is van een volledig marktconform cq. gelijkwaardig overlegmodel. Waarom wacht de regering niet met opname van de collectieve sector?

De minimumuitkeringen zijn op nettonetto basis gekoppeld aan het minimumloon. Dit doet de vraag stellen naar de relatie van het minimumloon en de minimumuitkeringen. Terecht stelt de regering dat het doorbreken van de nettonettokoppeling in die zin dat het minimumloon lager komt te liggen dan de minimumuitkeringen niet aan de orde is. De leden van de fractie van de S.G.P. stelden daarentegen de vraag of een hoger minimumloon voor uitkeringsgerechtigden niet een extra prikkel zou vormen om betaalde arbeid te verrichten. In het onderzoeksrapport van het ministerie ęVoor-en nadelen van betaald werk onderzochtĽ (augustus 1990) blijkt dat een werkloze bij het accepteren van een baan aanzienlijk meer zal moeten verdienen om even tevreden te zijn met zijn inkomen als toen hij nog werkloos was. Is er geen reden om voor het minimumloon en voor uitkeringen voor hen die geen perspectief meer op de arbeidsmarkt hebben zoals de AOW een andere ontwikkeling voor te staan dan voor de uitkeringen voor hen die nog wel een arbeidsperspectief hebben?

Het lid van de R.P.F.-fractie vroeg de regering wanneer zij het loslaten van de nettonettokoppeling eventueel als serieuze optie in overweging zou nemen.

5.3. Internationa/e aspecten

Het was de leden van de fractie van de S.G.P. opgevallen dat de internationale dimensie in het wetsvoorstel nauwelijks aan de orde komt. Alleen op het einde van de memorie van toelichting worden enkele internationaaljuridische aspecten aan de orde gesteld. Terecht stelt de memorie dat de EG geen bevoegdheden op dit punt heeft. Maar economisch gezien is Nederland geen geÔsoleerd gebied, maar staat het volop open voor ontwikkelingen in de ons omringende staten. In dit verband vroegen deze leden of buitenlandse economische ontwikkelingen die bedreigend zijn voor de Nederlandse economie geen rol moeten spelen bij de vraag naar de handhaving van de koppeling naast de louter interne factoren als de loonontwikkeling en de ontwikkeling van het aantal inactieven. Omdat de regering de huidige situatie als uitgangspunt neemt voor de koppeling, wilden de leden van de fractie van de S.G.P. een vergelijking van die situatie met die in overige EG-lidstaten Kan de regering een

overzicht geven van de hoogte van de minimumlonen en de uitkeringen in de lidstaten van de EG en over de wijze waarop daar het minimumloon en de uitkeringen worden aangepast? De Europese integratie zorgt voor een grotere concurrentie, waarbij de hoogte van de collectieve lastendruk een belangrijke rol speelt, omdat die meeberekend worden in de kosten van de arbeid per produkteenheid. De regering heeft terecht gesteld dat de Europese integratie nog geen reden is om de minimumlonen de uitkeringen te verlagen; maar een verder uit de pas lopen met de overige EG-lidstaten zal ongetwijfeld een negatieve invloed hebben op de Nederlandse concurrentiepositie en daarmee ook op de economie als geheel. De leden van de fractie van de S.G.P. wilden dan ook dat de regering meer aandacht schenkt aan dit internationaaleconomische aspect van de koppeling.

  • Advies en besluitvormingsprocedure

De regering heeft veel ideeŽn van de SER overgenomen, maar niet het idee om de SER jaarlijks te horen. Daar de afwijkingsgronden nogal beleidsmatig van aard zijn en de economische factoren zeer snel kunnen wisselen waren de leden van de C.D.A.-fractie nog niet overtuigd van het ongewenst zijn van een jaarlijks SER-advies. De gedachte van de regering dat dit een te beleidsmatige indruk maakt konden deze leden beleidsmatig niet goed volgen. Graag hoorden zij van de regering een nadere uiteenzetting.

De leden van de fractie van D66 hadden geconstateerd dat de regering voorstelt de SER slechts te laten adviseren over een voorgenomen besluit tot afwijking van de hoofdregel. Aangezien ook de regering zich elk jaar zal moeten beraden of de hoofdregel dat er gekoppeld wordt kan worden toegepast, is op zichzelf de wens van de SER daarover mee te denken niet ongerechtvaardigd. De redenering van de regering dat jaarlijkse advisering door de SER tendeert naar een beleidsmatige aanpassing is niet erg overtuigend, aangezien het toch blijft gaan om de bekende twee afwijkingsgronden die zijn neergelegd in het wetsvoorstel en andere factoren, zoals de algemene economische situatie of het financieringstekort, niet bepalend zijn voor de koppeling.

Per 1 januari en per 1 juli zullen de minimumlonen en de uitkeringen worden aangepast. Beide keren kan de vraag of de koppeling gehandhaafd blijft of niet gesteld worden. De leden van de fractie van de S.G.P. vroegen zich af of dit wel zinvol is. Is een beslissing in december om voor het hele komende jaar de koppeling wel of niet te handhaven niet voldoende? Enerzijds betekent dit voor de betrokken burgers meer duidelijkheid en zekerheid dan wanneer die discussie halfjaarlijks gevoerd wordt. Anderzijds betekent het voor de politiek een beperking van het aantal malen dat de toch steeds weer moeilijke discussie of er al dan niet gekoppeld wordt, moet worden gevoerd. Ook de adviesorganen wordt de moeite bespaard om mogelijk per half jaar zich te buigen over de vraag over de handhaving van de koppeling. Daarentegen lijken de financiŽle gevolgen van een jaarlijkse beslissing over de koppeling beperkt. Deze leden wilden graag de mening van de regering op dit punt. De regering heeft het advies van de SER niet overgenomen dat jaarlijks advies aan de SER moet worden gevraagd over de handhaving van de koppeling. De reden daarvoor is volgens de memorie van toelichting dat dit niet past nu in de wet de criteria zijn vastgelegd waaronder er van de koppeling kan worden afgeweken. Alleen als de regering inderdaad besluit om de koppeling niet te handhaven zal advies van de SER worden gevraagd. De leden van de fractie van de S.G.P. vonden deze argumentatie niet overtuigend. De criteria voor afwijking

van de koppeling zijn ruim geformuleerd, zijn ook grotendeels gebaseerd op ramingen. De overheid heeft daarmee een ruime beleidsmarge Bij de vraag of gezien de criteria de handhaving van de koppeling nog verantwoord is, zullen meerdere antwoorden mogelijk zijn. Daarnaast behoudt de regering de mogelijkheid om, ook wanneer de wettelijke criteria zijn overschreden, toch de koppeling te handhaven. Dit betekent dat de vraag of er gekoppeld of ontkoppeld wordt niet louter een kwestie is van de wet toepassen, maar dat er steeds weer een belangrijke beleidsmatige beslissing genomen wordt. En bij zo'n beslissing past een advies van de SER. De leden van de fractie van de S.G.P. vroegen de regering dan ook haar standpunt in deze te heroverwegen.

De leden van de G P.V.-fractie stemden ermee in dat de SER in de gelegenheid wordt gesteld te adviseren over het voornemen bij AMvB af te wijken van de koppelingssystematiek. Zij vroegen zich af of het nodig was in de wet vast te leggen dat zo'n AMvB aan de beide Kamers der Staten-Generaal wordt voorgelegd alvorens deze in werking zal treden. Het is immers ondenkbaar dat de Kamer niet zal willen spreken over zo'n belangrijk politiek voornemen. Is een wettelijke verankering van een en ander dan wel nodig?

Artikelsgewijze opmerkingen

Algemene opmerking

De leden van de P.v.d.A.-fractie stelden vast, dat het beŽindigen van de W.A.M. niet in dit wetsvoorstel geregeld wordt. Naar hun oordeel had dit wel in de rede gelegen omdat deze koppelingswet in de plaats treed van de W.A.M.

ARTIKEL I

Artikel 14

LidS In dit lid staat geformuleerd op welke twee data, namelijk 1 januari en 1 juli, jaarlijks het bedrag genoemd in artikel 8 bij AMvB wordt vastgesteld. De leden van de P.v.d.A.-fractie vonden de keuze voor deze twee data op zichzelf als voor de hand liggend. Wel constateerden zij dat veel CAO's op 1 april ingaan. Datzelfde geldt derhalve voor veel pensioenen, waaronder de ABP-pensioenen. Door dit uiteenlopen van ingangsdata kunnen er ongewenste effecten optreden gedurende drie maanden voor gepensioneerden, als gevolg van de AOW-inbouw. Deze leden wilden graag het oordeel vernemen van de regering over dit probleem, dat zich thans reeds voordoet.

Lid 6 en 7

Dezelfde leden vroegen zich af of deze beide artikelonderdelen niet achterwege konden blijven, omdat in voorafgaande artikelen hetzelfde reeds geheel geregeld wordt.

Lid W

Dezelfde leden betwijfelden of de hier gebruikte gedetailleerde afrondingsformules noodzakelijk zijn.

Lid 13

In dit artikellid wordt geregeld dat, indien een AMvB als bedoeld in het vijfde lid niet tijdig tot stand zal kunnen komen, de minister kan bepalen dat de laatstelijk vastgestelde bedragen nog gedurende ten hoogste drie maanden van kracht blijven. De leden van de P.v.d.A.-fractie vroegen zich af of een dergelijk betrekkelijk lange periode noodzakelijk is. Zij wilden graag van de regering weten of deze niet met hen van oordeel is, dat een dergelijke lange periode de rechtszekerheid niet ten goede komt.

De leden van de fractie van de S.G.P. hadden wat moeite met dit lid dat de minister de mogelijkheid geeft om voor een periode van drie maanden de geldingsduur van de bestaande bedragen te verlengen. Zeker wanneer er een halfjaarlijkse discussie over de koppeling mogelijk is, lijkt deze ontsnappingsmogelijkheid niet direct nodig. Zij wilden dan ook van de regering weten in hoeverre deze mogelijkheid echt noodzakelijk is en in welke situatie zij van deze mogelijkheid gebruik denkt te maken. Wordt er slechts een keer per jaar besloten om per 1 januari de koppeling al dan niet te handhaven, dan kan zo'n mogelijkheid wel nut hebben. Het lid van de R.P.F.-fractie informeerde of het mogelijk is om in een algemene maatregel van bestuur een bepaling op te nemen, waarin te hoog of te laag uitgekeerde bedragen met terugwerkende kracht worden verrekend.

De voorzitter van de Commissie, Doelman-Pel De griffier van de Commissie, Van Dijk

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.