Gewijzigd voorstel van wet - Nadere wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 8

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET 17 april 1991

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93) en de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1987, 94) enkele bepalingen inzake het recht op uitkering te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I

De Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93) wordt gewijzigd als volgt:

In artikel 8, derde lid, wordt de zinsnede «bij de aanvang bij die werkzaamheden» vervangen door: bij de aanvang van die werkzaamheden.

Aa Artikel 16 wordt gewijzigd als volgt:

1°. In het eerste en tweede lid wordt «kalenderweek» en «kalenderweken» vervangen door: week onderscheidenlijk weken.

S-W S-IR

11283 5FISSN0921737 ISDU uitgeverij '

s Gravenhage 1991

2°. Het zesde lid vervalt, waarna onder vernummering van het vierde en het vijfde lid in het vijfde en het zesde lid na het derde lid een nieuw lid wordt ingevoegd, luidende: 4. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd ten aanzien van groepen van werknemers die in de regel meer dan 50 uren per week werken, bij verlies van arbeidsuren uit een dienstbetrekking, waarin over de laatste 26 weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren gemiddeld meer dan 50 uren is gewerkt, voor de toepassing van het tweede lid te bepalen welk aantal uren ten hoogste in aanmerking wordt genomen.

3°. In het nieuwe zesde lid wordt «kalenderweek» vervangen door: week.

B Artikel 17 wordt vervangen door:

Artikel 17

  • Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. 2. Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde aantal van 52 weken worden niet in aanmerking genomen perioden waarin de werknemer a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten; of b. werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 en hij de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen. 3. Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde aantal van 26 weken wordt de in een week verrichte arbeid slechts in aanmerking genomen, voor zover hij betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover hij niet reeds eerder in aanmerking is genomen voor een recht op uitkering. 4. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor bepaalde groepen werknemers het in het eerste lid bedoelde aantal van 26 weken lager worden gesteld. 5. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde aantal van 26 weken: a. weken, waarin geen arbeid is verricht in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden, gelijk te stellen met weken als bedoeld in het eerste lid; en b. regels te stellen omtrent het meer keren in aanmerking nemen van weken waarin arbeid is verricht.

Na artikel 17 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17a

  • Indien binnen een termijn van twee weken na het ontstaan van een recht op uitkering ter zake van gedeeltelijke werkloosheid uit een dienstbetrekking, een nieuw recht op uitkering ontstaat ter zake van toegenomen werkloosheid uit dezelfde dienstbetrekking, of een dienstbetrekking die voor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, worden beide rechten samengevoegd tot een recht.
  • Het eerste lid vindt geen toepassing met betrekking tot een recht dat reeds door samenvoeging van rechten is ontstaan. 3. Indien op grond van het eerste lid samenvoeging van rechten heeft plaatsgevonden, wordt voor de toepassing van artikel 42 als eerste dag van werkloosheid in aanmerking genomen de dag waarop het in het eerste lid bedoelde nieuwe recht is ontstaan.

D Artikel 18 wordt vervangen door:

Artikel 18

  • De werknemer, die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden heeft recht op uitkering voor de duur van de buitengewone natuurlijke omstandigheden. 2. De bedrijfsvereniging is bevoegd ten aanzien van een of meer bepaalde groepen van bij haar verzekerde werknemers, in afwijking van artikel 16, eerste lid, regels te stellen op grond waarvan voor de toepassing van het eerste lid ook als werkloos wordt beschouwd de werknemer die minder dan vijf arbeidsuren per week heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. 3. Artikel 17 is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde werknemer. 4. Bij de vaststelling van de uitkeringsduur op grond van afdeling II en III blijven perioden waarin recht op uitkering op grond van het eerste lid bestaat buiten beschouwing.

Artikel 19 wordt gewijzigd als volgt:

1 °. Aan het slot van het eerste lid wordt onder wijziging van de punt in een puntkomma een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende: m. vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, bestemd voor bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feest-en verplichte snipperdagen, heeft verkregen, over die dagen, tenzij deze vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken zijn verstrekt als een deel van een uitkering op grond van dit hoofdstuk, dan wel naast een uitkering op grond van de Ziektewet, indien de ziekengeldverzekering is ontleend aan artikel 7 van die wet.

2°. Onder vernummering van het tweede tot en met het zesde lid in derde tot en met zevende lid, wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende: 2. Voor de bepaling van de periode van drie maanden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden perioden, waarover de in dat onderdeel bedoelde uitkeringen worden ontvangen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen. Ingeval de eerste volzin wordt toegepast, heeft in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de werknemer geen recht op uitkering, met ingang van de dag waarop hij de in de eerste volzin bedoelde opeenvolgende uitkeringen vanaf of na het intreden van zijn werkloosheid gedurende drie maanden heeft ontvangen.

3°. In het nieuwe derde lid wordt na «onderdeel a,» ingevoegd: en het tweede lid. Voorts wordt de zinsnede: «de toepassing van het eerste lid» vervangen door: de toepassing van het eerste en het tweede lid.

4°. Aan het zesde lid, wordt onder vervanging van een punt door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende: c. regels te stellen met betrekking tot het buiten aanmerking laten van vakantiebonnen en daarmee overeenkomende aanspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel m.

Artikel 20 wordt gewijzigd als volgt:

1°. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «kalenderweek» vervangen door: week.

2°. Het zesde lid wordt vervangen door: 6. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd: a. voor de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het tweede en derde lid, ter zake waarvan het recht op uitkering eindigt, uren waarin arbeid wordt verricht buiten beschouwing te laten en uren waarin geen arbeid wordt verricht gelijk te stellen met uren waarin arbeid wordt verricht; b. regels te stellen met betrekking tot het geheel of gedeeltelijk eindigen van het recht op uitkering bij samenloop van uitkeringen op grond van deze wet.

In artikel 27, tweede lid, wordt «de artikelen 25 en 26» vervangen door: de artikelen 24, eerste lid, onderdeel a, 25 en 26.

H Artikel 34 wordt gewijzigd als volgt:

1°. Het eerste lid wordt vervangen door: 1. Op de uitkering worden geheel in mindering gebracht: a. inkomsten wegens loonderving; b. inkomsten wegens ouderdomspensioen; c. inkomsten wegens uitkering op grond van het bepaalde bij of krachtens dan wel op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1969, 594).

2°. In het derde lid wordt «19, tweede lid» vervangen door: 19, derde lid. 3°. Het zesde en het zevende !id worden vervangen door vier nieuwe leden, luidende: 6. In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel a van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij: a. verband houden met de eindiging van een dienstbetrekking; b. ter zake van werkloosheid ten gevolge van een niet geëindigde dienstbetrekking worden ontvangen; c. bestaan uit een uitkering als bedoeld in artikel 45, vijfde lid; d. uit hoofde van een tijdens het recht op uitkering vervulde dienstbetrekking worden ontvangen. 7. In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel a en c van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij: a. door de werknemer reeds voor het intreden van de werkloosheid werden ontvangen naast de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden;

  • door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekking voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld. 8. In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel b van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld. 9. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b wordt onder ouderdomspensioen verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening. Onze Minister is bevoegd uitkeringen gelijk te stellen met ouderdomspensioen.

Ha Na artikel 34 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 34a

  • Oe uitkering wordt niet betaald over dagen, waarop de werknemer vakantie geniet en over bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feest-en verplichte snipperdagen, en de werknemer vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, bestemd voor die vakantie-feest-of snipperdagen heeft verkregen, mits deze vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken zijn verstrekt als een deel van een uitkering op grond van dit hoofdstuk, dan wel naast een uitkering op grond van de Ziektewet, indien de ziekengeldverzekering is ontleend aan artikel 7 van die wet. 2. Artikel 19, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid.

I In artikel 42, tweede lid, onderdeel a, derde, vierde en vijfde lid wordt «het intreden van zijn werkloosheid» onderscheidenlijk «het intreden van de werkloosheid» telkens vervangen door: de eerste dag van zijn werkloosheid, onderscheidenlijk: de eerste dag van de werkloosheid.

Artikel 45 wordt gewijzigd als volgt:

1°. In het eerste lid wordt: «het intreden van zijn werkloosheid» vervangen door: de eerste dag van zijn werkloosheid.

2°. Aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende: 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 46 kunnen de in het tweede, derde en vierde lid bedoelde regels bepalingen bevatten op grond waarvan het dagloon tijdens de uitkering kan worden herzien.

In artikel 47, tweede lid, wordt «kalenderweek» vervangen door: week.

L Artikel 90, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1°. In onderdeel a wordt na «de eerste acht weken» ingevoegd: of indien artikel 17a is toegepast over de eerste negen weken. Voorts wordt «kalenderweek» vervangen door: week.

2°. De aanduiding van de onderdelen b tot en met d wordt gewijzigd in c tot en met e.

3°. Na onderdeel a wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende: b. de op grond van artikel 18 te betalen uitkeringen;

4°. In het nieuwe onderdeel d wordt: «onderdeel a en b» vervangen door: onderdeel a tot en met c.

5°. In het nieuwe onderdeel e wordt: «onderdeel a» vervangen door: onderdeel a en b.

La In artikel 113 wordt «34, zevende lid» vervangen door: 34, negende lid.

M In artikel 116, eerste lid, wordt na «op grond van de artikelen» ingevoegd: 16, vierde lid.

N In artikel 119 wordt onder vernummering van het tweede en het derde lid in het derde en het vierde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende: 2. De bedrijfsvereniging behoeft voor het stellen van regels, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad alvorens zij in werking kunnen treden.

In de artikelen 120 en 123 wordt «119, tweede lid,» vervangen door: 119, derdelid,.

Artikel la

Artikel 34 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1987, 94) wordt gewijzigd als volgt:

1°. Onder wijziging van de aanduiding van het zevende tot en met het negende lid in achtste tot en met tiende lid, wordt na het zesde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende: 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 46 van de nieuwe Werkloosheidswet kunnen de in het tweede, derde en vijfde lid bedoelde regels bepalingen bevatten op grond waarvan het dagloon tijdens de uitkering kan worden herzien.

2°. In het nieuwe negende lid worden de woorden «vijfde en zevende lid» vervangen door; vijfde en achtste lid.

Artikel II

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juli 1989 ingediende voorstel van wet, houdende nadere wijziging van een aantal sociale zekerheidswetten (Technische verbeteringen mede in verband met de stelselherziening sociale zekerheidj (kamerstukken II 1988/1989, 21213) tot wet is verheven en in werking is getreden wordt in artikel I, onderdeel E, de zinsnede «tweede tot en met het zesde lid in derde tot en met zevende lid» vervangen door: tweede tot en met zevende lid in derde tot en met achtste lid.

Artikel III

Indien het bij koninklijke boodschap van 12 oktober 1989 ingediende voorstel van wet, houdende nadere wijziging van de Werkloosheidswet (aanpassing van het financieringssysteem van de wachtgeldfondsenj (kamerstukken 1989-1990, 21347) tot wet is verheven en in werking is getreden wordt in artikel I, onderdeel L 2°, 4° en 5° vervangen door:

2°. De aanduiding van de onderdelen b tot en met c wordt vervangen door c tot en met d.

4°. In het nieuwe onderdeel c wordt «onderdeel a» vervangen door: onderdeel a en b.

5°. In het nieuwe onderdeel d wordt «onderdeel a» vervangen door: onderdeel a en b.

Artikel IV

Deze wet treedt in werking met ingang van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.