Nota van wijziging - Nadere wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 7

NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 4 april 1991

In het voorstel van wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

In de beweegreden wordt na «(Stb. 1987, 93)» ingevoegd: en de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1987, 94).

II Artikel I wordt gewijzigd als volgt:

1°. Onder wijziging van de aanduiding van onderdeel A in Aa wordt na de aanhef een nieuw onderdeel ingevoegd luidende:

In artikel 8, derde lid, wordt de zinsnede «bij de aanvang bij die werkzaamheden» vervangen door: bij de aanvang van die werkzaamheden. 2°. In onderdeel D wordt het tweede lid van artikel 18 vervangen door: 2. De bedrijfsvereniging is bevoegd ten aanzien van een of meer bepaalde groepen van bij haar verzekerde werknemers, in afwijking van artikel 16, eerste lid, regels te stellen op grond waarvan voor de toepassing van het eerste lid ook als werkloos wordt beschouwd de werknemer die minder dan vijf arbeidsuren per week heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. 3°. In onderdeel E wordt onder wijziging van de aanduiding van de onderdelen 1° en 2° in 2° en 3°, na de aanhef een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende: 1°. Aan het slot van het eerste lid wordt onder wijziging van de punt in een puntkomma een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

11262 7FISSN0921737 ISDU uitgeverij s Gravenhage 1991

  • vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, bestemd voor bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feest-en verplichte snipperdagen, heeft verkregen, over die dagen, tenzij deze vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken zijn verstrekt als een deel van een uitkering op grond van dit hoofdstuk, dan wel naast een uitkering op grond van de Ziektewet, indien de ziekengeldverzekering is ontleend aan artikel 7 van die wet. Voorts wordt aan dit onderdeel een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende: 4°. Aan het zesde lid, wordt onder vervanging van de punt door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
  • regels te stellen met betrekking tot het buiten aanmerking laten van vakantiebonnen en daarmee overeenkomende aanspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel m.

4°. Onderdeel H wordt vervangen door:

H Artikel 34 wordt gewijzigd als volgt:

1°. Het eerste lid wordt vervangen door: 1. Op de uitkering worden geheel in mindering gebracht: a. inkomsten wegens loonderving; b. inkomsten wegens ouderdomspensioen; c. inkomsten wegens uitkering op grond van het bepaalde bij of krachtens dan wel op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1969, 594).

2°. In het derde lid wordt «19, tweede lid» vervangen door: 19, derde lid. 3°. Het zesde en het zevende lid worden vervangen door vier nieuwe leden, luidende: 6. In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel a van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij: a. verband houden met de eindiging van een dienstbetrekking; b. ter zake van werkloosheid ten gevolge van een niet geemdigde dienstbetrekking worden ontvangen; c. bestaan uit een uitkering als bedoeld in artikel 45, vijfde lid; d. uit hoofde van een tijdens het recht op uitkering vervulde dienstbetrekking worden ontvangen.

  • In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel a en c van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij: a. door de werknemer reeds voor het intreden van de werkloosheid werden ontvangen naast de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden; b. door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
  • In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel b van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld. 9. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b wordt onder ouderdomspensioen verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening. Onze Minister is bevoegd uitkeringen gelijk te stellen met ouderdomspensioen.

5°. Na onderdeel H wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

Ha Na artikel 34 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 34a

  • De uitkering wordt niet betaald over dagen, waarop de werknemer vakantie geniet en over bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feest-en verplichte snipperdagen, en de werknemer vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, bestemd voor die vakantie-feest-of snipperdagen heeft verkregen, mits deze vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken zijn verstrekt als een deel van een uitkering op grond van dit hoofdstuk, dan wel naast een uitkering op grond van de Ziektewet, indien de ziekengeldverzekering is ontleend aan artikel 7 van die wet.
  • Artikel 19, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid.

6°. Onderdeel J wordt vervangen door:

J Artikel 45 wordt gewijzigd als volgt: 1°. In het eerste lid wordt: «het intreden van zijn werkloosheid» vervangen door: de eerste dag van zijn werkloosheid. 2°. Aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • Onverminderd het bepaalde in artikel 46 kunnen de in het tweede, derde en vierde lid bedoelde regels bepalingen bevatten op grond waarvan het dagloon tijdens de uitkering kan worden herzien.

7°. Na onderdeel L wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

La In artikel 113 wordt «34, zevende lid» vervangen door: 34, negende lid. Na artikel I wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel la

Artikel 34 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1987, 94) wordt gewijzigd als volgt: 1°. Onder wijziging van de aanduiding van het zevende tot en met het negende lid in achtste tot en met tiende lid, wordt na het zesde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • Onverminderd het bepaalde in artikel 46 van de nieuwe Werkloosheidswet kunnen de in het tweede, derde en vijfde lid bedoelde regels bepalingen bevatten op grond waarvan het dagloon tijdens de uitkering kan worden herzien. 2°. In het nieuwe negende lid worden de woorden «vijfde en zevende lid» vervangen door; vijfde en achtste lid.

Toelichting

  • Inleiding

Na de indiening van dit wetsvoorstel is zowel uit de uitvoeringspraktijk van de Werkloosheidswet (WW) als uit een in september 1990 ontvangen advies van de Sociale Verzekeringsraad (SVr) (Advies dd. 6 september 1990 inzake het verstrekken en verzilveren van vakantiebonnen tijdens WW-periode, nr. A 90/21) gebleken, dat de WW naast de knelpunten, waarvoor in dit wetsvoorstel een oplossing wordt geboden, nog een aantal andere knelpunten bevat, die een spoedige oplossing behoeven. Het belangrijkste knelpunt hierbij betreft de kwestie inzake de vakantiebonnen. Andere kwesties betreffen onduidelijkheden in de tekst van de wet en redactionele onjuistheden. Deze nota van wijziging, die binnen de strekking van het oorspronkelijke wetsvoorstel valt, strekt ertoe deze wijzigingen aan te brengen.

  • Vakantiebonnen

2.1. Inleiding Reeds kort na de totstandkoming van de nieuwe Werkloosheidswet (WW) hebben de uitvoeringsorganen van die wet de aandacht van de Sociale Verzekeringsraad gevraagd voor de problematiek die zich kan voordoen met betrekking tot het verstrekken en het verzilveren van vakantiebonnen tijdens WW-uitkering. In een aantal bedrijfstakken is het gebruikelijk, dat de werkgever het loon tijdens vakantie-, snipper-en feestdagen niet doorbetaalt. De werkgevers in deze bedrijfstak betalen tijdens werken aan de werknemer een zogenaamde vakantiebon naast het loon uit, dan wel verrichten betalingen aan een vakantiefonds ten behoeve van de werknemers. Gemakshalve zal in het vervolg van deze toelichting over vakantiebonnen worden gesproken, ook wanneer de andere vorm van verstrekking wordt bedoeld. De problematiek, waarvoor een oplossing moest worden gevonden betreft, dat enerzijds bezien moet worden op welke wijze tijdens de uitkering vakantiebonnen kunnen worden verstrekt. Anderzijds moest worden bezien op welke wijze vakantiebonnen, waarover de werknemer tijdens een uitkeringsperiode beschikt of kan beschikken, met de uitkering dienen te worden verrekend indien de werknemer tijdens de uitkeringsperiode de geldswaarde van de vakantiebonnen te gelde kan maken. Omtrent deze kwestie heeft de SVr op 16 augustus 1990 een advies vastgesteld, welk advies op 6 september 1990 aan mij is uitgebracht. In dit advies merkt de SVr op, dat het ten aanzien van het verstrekken van vakantiebonnen noodzakelijk is bepalingen op te nemen in dagloonbesluiten en uitkeringsreglementen van de bedrijïsverenigingen. Voor wat betreft de problemen, die zich voordoen bij het verzilveren van de vakantiebonnen komt de SVr tot de conclusie dat het wenselijk is de WW op een aantal punten te wijzigen. Daarnaast wordt ook een wijziging van de wet voorgesteld, die het zeker stelt, dat het dagloon tijdens de uitkering kan worden herzien, ingeval na het eerste halfjaar van de werkloosheid als onderdeel van de uitkering geen vakantiebon meer wordt verstrekt. Uit het advies is gebleken dat de bedrijfsverenigingen, zij het niet op geheel uniforme wijze, reeds een uitvoeringspraktijk hebben ontwikkeld, die in grote lijnen overeenkomt met de voorstellen in het SVr-advies. Een snelle aanpassing van de wetgeving is daarom wenselijk, zodat ik heb besloten deze kwestie alsnog mee te nemen in dit wetsvoorstel. Dit te meer omdat het onderwerp past in de strekking van het wetsvoorstel. In paragraaf 2.2 is een korte weergave van het SVr-advies opgenomen, terwijl paragraaf 2.3. mijn standpunt met betrekking tot het SVr advies bevat, alsmede de punten waarop van dit advies is afgeweken.

2.2. Advies SVr Zoals hierboven vermeld heeft de SVr ten aanzien van het verstrekken van vakantiebonnen tijdens de WW-uitkering geadviseerd om daartoe strekkende bepalingen op te nemen in de bijzondere dagloonbesluiten en de uitkeringsreglementen van de bedrijfsverenigingen. Aangezien goedkeuring van de bijzondere dagloonbesluiten en de uitkeringsreglementen van de bedrijfsverenigingen is voorbehouden aan de SVr en ter zake geen wetswijziging nodig is, kan dit punt hier verder buiten beschouwing blijven. Voorts hebben de bedrijfsverenigingen laten blijken, dat zij de verstrekking van vakantiebonnen wensen te beperken tot het eerste halfjaar van de werkloosheid, de periode waarin de zgn. basisuitkering wordt ontvangen. Als reden voor de beperking wordt gegeven dat vakantiebonnen onderdeel uitmaken van de wijze waarop in de bedrijfstak het loon wordt betaald. Een werkloze werknemer kan geacht worden nog een half jaar tot de arbeidsreserve van de bedrijfstak te behoren. Duurt de werkloosheid langer, dan ligt het in de rede, dat elementen in de uitkering, die specifiek voor een bedrijfstak zijn niet langer meespelen en een uniforme regeling voor de hoogte van de uitkering gaat gelden. Als tweede reden kan hierbij nog worden aangevoerd, dat iedere werknemer, die aan de uitkeringsvoorwaarden voldoet recht heeft op een WW-uitkering van een half jaar. De SVr kan met de wens van de bedrijfsverenigingen op dit punt instemmen. Beperking van de verstrekking tot een half jaar impliceert echter dat na afloop van de basisuitkering het loondervingselement van de vakantiebon niet langer geacht moet worden tot het loon te behoren. In verband daarmee dient het dagloon te worden herzien en de SVr stelt dan ook voor om de bepalingen met betrekking tot de dagloonvaststelling te wijzigen. Uit de huidige bepalingen blijkt niet duidelijk, dat het mogelijk is, om het dagloon, behalve de halfjaarlijkse aanpassingen in verband met de stijging van de loonindex, te herzien. De SVr adviseert in dit verband om artikel 34 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) en artikel 45 van de WW zodanig te wijzigen, dat de SVr bevoegd is te bepalen in welke situaties het geoorloofd is het dagloon tijdens de duur van de uitkering te herzien. Ten aanzien van het verzilveren van vakantiebonnen moet -volgens de SVr-onderscheid worden gemaakt tussen dienstbetrekkingsbonnen en niet-dienstbetrekkingsbonnen. Dienstbetrekkingsbonnen zijn de bonnen, die de werknemer van zijn werkgever of van de bedrijfsvereniging heeft ontvangen in een periode waarin een dienstbetrekking aanwezig was. Indien de bonnen zijn verstrekt in een periode waarin geen dienstbetrekking aanwezig was, worden zij aangeduid als «nietdienstbetrekkingsbonnen». De SVr is van mening, dat dienstbetrekkingsbonnen in principe dienen te leiden tot het uitsluiten van het recht op uitkering en het opschorten van de duur van de uitkering. Hierbij stelde de SVr vast, dat indien dienstbetrekkingsbonnen, die voor vakantiedagen bestemd zijn, worden of kunnen worden verzilverd, de huidige wettelijke bepalingen tot het gewenste resultaat leiden. Indien dienstbetrekkingsbonnen, die voor feest-en snipperdagen bestemd zijn, (kunnen) worden verzilverd, kan op grond van de huidige wettelijke bepalingen niet tot uitsluiting van het recht op uitkering worden besloten. De SVr adviseert derhalve in de WW een bepaling op te nemen, dat de werknemer die beschikt of kan beschikken over dienstbetrekkingsbonnen, bestemd voor feest of verplichte snipperdagen, geen recht op uitkering heeft over die dag. Uitsluiting van het recht op uitkering tijdens niet verplichte snipperdagen acht de SVr uit praktisch oogpunt onmogelijk. De SVr tekent hierbij aan, dat het voor de uitvoering van de WW niet van belang is of de betrokken werknemer de vakantiebon(nen) daadwerkelijk verzilvert of voor andere doeleinden gebruikt. De SVr merkt in dit verband ook op dat de uitsluiting van het recht op uitkering in deze gevallen het noodzakelijk maakt de werkingssfeer van artikel 43, eerste lid, van de WW aan te passen. De SVr meent, dat wanneer deze aanpassing achterwege zou blijven, dat er naar zijn mening toe zal leiden, dat de werknemer uitkeringsrechten worden ontnomen, die op later tijdstip niet worden gecompenseerd. Worden tijdens de WW-uitkering niet-dienstbetrekkingsbonnen verzilverd, dan moet naar het oordeel van de SVr het recht op uitkering in stand blijven. De bonwaarde dient in deze situatie van invloed te zijn op de hoogte van de WW-uitkering. Hierbij noemt de SVr twee opties; anticumulatie en nihilstelling. Na overweging van beide opties en rekening houdend met de thans al gevolgde uitvoerïngspraktijk die bevredigend werkt, geeft de SVr de voorkeur aan de nihilstelling. Aangezien het hier, waar het om de verzilvering van de bonnen gaat een nogal ingewikkelde materie betreft, is de strekking van het advies ten aanzien van dit punt hieronder schematisch weergegeven.

werknemer beschikt over:

bonnen bestemd voor:

dienstbetrekkingsbonnen

niet-dienstbetrekkingsbonnen

wettelijke bepalingen voldoen (art 19. l.k., SVr-(besluit 196, art 43 1)

vakantiedagen

Uitsluiting van het recht op Ontvangen bonwaarde zou van uitkering en opschorting van invloed moeten zijn op de hoogte de uitkeringsduur Huidige van de uitkering. Huidige wettelijke bepalingen zijn ontoereikend SVr geeft de voorkeur aan nihilstelling van de uitkering indien de werknemer beschikt of kan beschikken over niet-dienstbetrekkingsbonnen Geen mogelijkheid tot uitsluiting van het recht op uitkering en tot opschorting van de uitkeringsduur. SVr stelt voor de artikelen 19 en 43 zodanig te wijzigen dat hiertoe een wettelijk kader wordt gecreëerd vrij opneembare Geen mogelijkheid tot uitsluiting van het recht op uitkering en snipperdagen tot opschorting van de uitkeringsduur Eveneens geen mogelijkheid tot verrekening met de uitkering. Door middel van wetswijziging niet of zeer moeilijk te bereiken.

feestdagen en verplichte snipperdagen 2.3. Standpunt In de eerste plaats wil ik opmerken, dat het advies van de SVr een duidelijk inzicht geeft in de desbetreffende problematiek. Voor wat de strekking van het advies betreft kan ik mij in hoofdlijnen verenigen met de daarin gekozen oplossingen. Met betrekking tot een tweetal punten komt het mij echter voor, dat gekozen moet worden voor een enigszins van het SVr-advies afwijkende structuur. Het eerste punt betreft het onderscheid tussen de dienstbetrekkingsbonnen en de niet-dienstbetrekkingsbonnen. Voor de SVr is het voor al dan niet uitsluiten van het recht op uitkering bij verzilvering relevant of de vakantiebon is verstrekt in een periode, waarover een dienstbetrekking zich uitstrekte; bijvoorbeeld tijdens een ZW-uitkering of tijdens vorstwerkloosheid.

Ik ben echter van mening dat in dit verband in de eerste plaats bepalend is uit welke bron de vakantiebon wordt verstrekt. Immers, ook als tijdens vorstwerkloosheid en andere vormen van werkloosheid waarbij de dienstbetrekking voortduurt, door de bedrijfsvereniging een vakantiebon wordt verstrekt, wordt in feite daarmee uit het desbetreffende fonds toekomstig loon over vakantiedagen betaald Opschorting van het recht op uitkering dient mijns inziens in deze gevallen dan ook niet plaats te vinden. Voor alle duidelijkheid wil ik hierbij nog opmerken dat vakantiebonnen die tijdens ziekengelduitkering door de bedrijfsvereniging zijn verstrekt mijns inziens wel dienen te leiden tot opschorting van de WW-uitkering, behalve wanneer ziekengeld wordt verstrekt aan een WW-uitkeringsgerechtigde. Weliswaar is in het laatste geval geen sprake geweest van een verstrekking uit een der werkloosheidsfondsen maar vond deze verstrekking als onderdeel van de ziekengelduitkering plaats. De premiebetaling voor deze ziekengelduitkeringen geschiedt wel uit de wachtgeldfondsen en het AWF. Het tweede van het SVr-advies afwijkende punt, waarop mijns inziens het advies niet behoeft te worden gevolgd, betreft de door de SVr voorgestelde wijziging van awrtikel 43 van de WW. De SVr gaat hierbij uit van de stelling dat bij het gedeelteliijk ontbreken van werkloosheid in een bepaalde week het recht op uitkering gedeeltelijk eindigt. Deze stelling, welke is gebaseerd op artikel 20, van de WW kan ik onderschrijven. Zij heeft echter betrekking op gevallen, waarin de betrokkene in de loop van een week zijn werk (gedeeltelijk) hervat of ten aanzien wie in de loop van een week het aantal uren, waarop hij voor werk beschikbaar is, wijzigt. Dit is nodig omdat de mate van de resterende werkloosheid en resterende beschikbaarheid per week wordt gemeten. Met betrekking tot het tijdstip van ingang van een uitsluitingsgrond doen zich evenwel deze situaties niet voor. Zodra immers een uitsluitingsgrond optreedt eindigt het recht automatisch. Bijvoorbeeld: Er treedt met ingang van dinsdag een uitsluitingsgrond op. Het recht eindigt dan ook op dinsdag. Als de woensdag daarop de uitsluitingsgrond te niet gaat, herleeft het recht weer op die woensdag. In de wet is geen aanknopingspunt te vinden op grond waarvan in deze gevallen zou moeten worden geconcludeerd dat alsdan sprake is van een gedeeltelijke eindiging tijdens de desbetreffende week. Integendeel; de tekst van artikel 20 is op dit punt duidelijk door in het derde lid de mogelijkheid van een gedeeltelijke eindiging slechts open te houden in geval van een gedeeltelijk verlies van het werknemerschap en een gedeeltelijk teniet gaan van werkloosheid. Tenslotte wil ik voor wat dit advies betreft nog opmerken, dat ten aanzien van de verzilvering van vakantiebonnen, die tijdens uitkering zijn verstrekt, ook mijn voorkeur uitgaat naar nihilstelfing van de uitkering over dagen, waarin de bonnen kunnen worden verzilverd. Dit sluit het beste aan bij de uitsluiting in geval van verzilvering van bonnen, die van de werkgever zijn ontvangen.

Artikelsgewijs

Artikel 1, onderdeel A

(Artikel 8, derde lid) Deze wijziging betreft slechts verbetering van een taalfout in de tekst van het derde lid, zoals dit lid in de WW is opgenomen bij de wet van 6 september 1990, Stb. 509.

Artikel I, onderdeel D

Deze wijziging is opgenomen, omdat bij het drukken van de tekst van artikel 18, tweede lid, abusievelijk een regel is weggevallen, welke fout bij nota van verbetering (Kamerstukken 21608, nr. 4) onjuist is gecorrigeerd.

Artike! I, onderdeel E

(Artikel 19, eerste lid, onderdeel m WW) Deze nieuwe bepaling strekt ertoe te bereiken, dat degene, die vakantiebonnen kan verzilveren over feestdagen en verplichte snipperdagen, over die dagen van het recht op WW-uitkering wordt uitgesloten, mits hem die bonnen niet zijn verstrekt als deel van de WW-uitkering of als deel van een ziekengelduitkering, die hem als WW-uitkeringsgerechtigde is toegekend Ten aanzien van degene die feitelijk met vakantie is geldt op grond van het bepaalde in onderdeel k al een uitsluitingsgrond. Zoals de SVr in zijn advies al aangaf, kan aan de hand van deze bepaling, tezamen met de op grond van het zesde lid van artikel 19 gestelde regels van de SVr voor de normale vakantieperiode uitsluiting van het recht plaatsvmden Voorwaarde is dan wel, dat de SVr in zijn besluit het zelfde onderscheid maakt tussen soorten vakantiebonnen als in de wet wordt gedaan. Los hiervan wil ik nog opmerken, dat met de verwijzing naar de collectieve arbeidsovereenkomst tevens wordt beoogd, dat alleen officiële vakantiebonnen, waarvan het gebruik in de c.a.o. is voorgeschreven, in de regeling worden meegenomen. Met overeenkomende aanspraken wordt gedoeld op de ontwikkelingen, die zich in de laatste tijd op dit terrein hebben voorgedaan. In plaats van het periodiek verstrekken van een vakantiebon is men in een aantal bedrijfstakken overgegaan tot een administratieve girale methode van reservering van vakantiegelden, onder handhaving van de uitgangspunten van het zegelsysteem In plaats van een vakantiebon ter waarde van een bepaald bedrag aan de werknemer te verstrekken, betaalt de werkgever voor al zijn werknemers afzonderlijk het desbetreffende bedrag aan het vakantiefonds. Dit bedrag wordt dan ten gunste van de betrokken werknemer bijgeschreven.

(Artikel 19, zesde lid, onderdeel c WW) Dit nieuwe onderdeel biedt de SVr de mogelijkheid om regels te stellen voor gevallen, waarin het in aanmerking nemen van vakantiebonnen tot onbillijkheden zou kunnen leiden. Te denken valt aan situaties, waarin de betrokkene slechts voor een gedeelte van een dag over een dergelijke bon beschikt. In zulke gevallen moet de mogelijkheid worden opengehouden dat deze buiten aanmerking worden gelaten.

Artikel I, onderdeel H

(Artikel 34 WW) In de praktijk is gebleken, dat tekst van artikel 34 van de WW wegens de moeilijke leesbaarheid van dit artikel licht tot misverstanden kan leiden. Deze onduidelijkheid is nog vergroot door een tweetal wijzigingen die recentelijk in het artikel zijn aangebracht. De nu voorgestelde herformulering van het eerste, zesde en zevende lid in 5 nieuwe leden beoogt geen inhoudelijke wijzigingen tot stand te brengen, maar strekt er slechts toe de leesbaarheid van het artikel belangrijk te verbeteren.

Artikel I, onderdeel Ha

(Artikel 34 a WW) Het nieuwe artikel 34a vormt de tegenhanger van artikel 19, eerste lid, onderdeel m en voorziet erin, dat bij verzilvering van vakantiebonnen, die tijdens uitkering zijn verstrekt de uitkering op nihil wordt gesteld zonder dat opschorting van het recht plaatsvindt. Om de strekking van deze bepaling niet illusoir te maken, is wel vereist, dat de SVr in zijn besluit op grond van artikel 19, zesde lid, uitdrukkelijk bepaalt dat over dagen, waarop deze bonnen kunnen worden verzilverd, de uitsluitingsgrond «vakantie genieten» niet geldt.

Het tweede lid biedt de SVr de mogelijkheid om evenals ten aanzien van de in artikel 19 bedoelde vakantiebonnen ook voor de tijdens uitkering verstrekte bonnen nadere regels te stellen.

Artikel I, onderdeel J en Artikel la (Artikel 45 WW en artikel 34 IWS) Deze bepalingen stellen zeker dat de mogelijkheid bestaat het dagloon tijdens de uitkeringsperiode te herzien. De SVr heeft in zijn advies inzake het verstrekken en verzilveren van vakantiebonnen verzocht hierin te voorzien. Het is mij bekend, dat los van de kwestie van de vakantiebonnen de vraag of tussentijdse herziening van het dagloon mogelijk en wenselijk is binnen de SVr en de bedrijfsverenigingen reeds lang onderwerp van discussie uitmaakt. Met name speelt dit een rol bij jongeren, die tijdens de uitkering een jaar ouder worden en die als zij gewerkt zouden hebben het minimumjeugdloon zouden hebben ontvangen. Ik heb dan ook gemeend van de gelegenheid gebruik te maken om deze mogelijkheid expliciet in de wet op te nemen. Duidelijk is, dat een dergelijke bepaling niet tot gevolg zal mogen hebben, dat er voor de betrokkene een inkomensachteruitgang plaatsvindt. Bij de dagloonherziening wegens het niet meer in aanmerking nemen van vakantiebonnen vindt echter in feite een verlaging van het dagloon plaats. Deze dagloonverlaging wordt evenwel weer gecompenseerd doordat in tegenstelling tot in het eerste halfjaar de uitkering tijdens de vakantie wordt doorbetaald. Deze feitelijke dagloonverlaging houdt in, dat de bepaling in de wet niet de garantie kan bieden, dat inkomensachteruitgang wordt voorkomen. Er mag echter van worden uitgegaan dat de in de wet opgenomen voorwaarden, dat de SVr de dagloonregels vaststelt, die door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dienen te worden goedgekeurd, terwijl de door de bedrijfsverenigingen vastgestelde besluiten de goedkeuring van de SVr behoeven er zorg voor dragen dat de bevoegdheid tot het tussentijds herzien van het dagloon niet zal leiden tot een inkomensachteruitgang voor de betrokkenen.

Artikel I, Onderdeel La

(Artikel 113 WW) Deze wijziging is een gevolg van de tussenvoeging van nieuwe leden in artikel 34.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.