Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van: -het wetsvoorstel Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en van een aantal sociale zekerheidswetten, houdende vaststelling van een stelsel van koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de loonontwikkeling met de mogelijkheid tot afwijking (22012).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

R.L.O. (Robin)  LinschotenDe heer Linschoten (VVD): Mijnheer de voorzitter! Aan de orde is het wetsontwerp 22012, de zogeheten koppelingswet, dŤ koppelingswet van dit kabinet. Het moet voor voorstanders van de koppeling en van de Wet aanpassingsmechanismen, waarvan de PvdA vroeger ook voorstander was, een wat merkwaardig gevoel zijn dat die wet, juist nu hij voor het eerst sinds tien jaar eens een aantal keren wordt toegepast, ook weer wordt ingetrokken. Een teken van beschaving, zoals dat aan het begin van de jaren tachtig in deze Kamer geklonken heeft, moet plaats maken voor deze nieuwe koppelingswet, een koppeling met afwijkingsgronden. Het is een belangrijk wetsontwerp, niet in de laatste plaats omdat de koppeling betrekking heeft op de inkomens van veel mensen. Er zijn 4 miljoen minimuminkomens in ons land, waarvan 800.000 mensen die van dat minimuminkomen een gezin moeten onderhouden. Voor een nog veel groter aantal mensen is het van belang voor een arbeidsmarktpositie. Deze koppelingswet met afwijkingsgronden kent twee regels, namelijk de hoofdregel en de afwijkingsregel. De hoofdregel is dat er zal worden gekoppeld, de afwijking is dat dat soms ook niet het geval is indien er een aantal afwijkingsgronden actief zijn geworden. Wat dat betreft bestaat er een duidelijke parallel met de oude Wet aanpassingsmechanismen. De hoofdregel in die wet neergelegd was koppelen en vervolgens niets, en toch is in de loop van de jaren tachtig in de praktijk via adhocwetgeving, door voortdurende bevriezingswetten, een afwijking op de hoofdregel gerealiseerd. Als dat gebeurt, als de wettelijke maatregel zus is en het beleid in de praktijk zo, gaat er een discussie ontstaan over de geloofwaardigheid van de politiek. Dat gevaar is ook aanwezig bij deze nieuwe koppelingswet, indien niet de hoofdregel de feitelijke uitkomst in de komende jaren zal bepalen, maar het de afwijkingsgronden zijn die de feitelijke uitkomst in de komende jaren zal bepalen. Want dat beeld van koppelen aan de loonontwikkeling zal toch heel vast liggen op het netvlies van talrijken die afhankelijk zijn van deze wet. Het gegeven dat die afwijking de komende jaren, de komende maanden misschien al, in beeld komt, is niet helemaal denkbeeldig als wij kijken naar tal van ontwikkelingen. Ik heb begrepen dat vorige week zelfs de staatssecretaris van Sociale Zaken zei dat wij wellicht tijdelijk niet zouden moeten koppelen. Voorzitter! De VVD-fractie ging er tot dat moment van uit dat zij de allerlaatste zou zijn die de koppeling zou laten vallen. Voorzitter! Dat doet mij denken aan de voorganger van deze staatssecretaris. Destijds is de Wet aanpassingsmechanismen niet meteen vervangen door een nieuwe koppelingswet maar door bevriezingswetjes ad hoc, omdat ook in die periode ervan uitgegaan werd dat het slechts ging om een tijdelijke afwijking van de parallelliteit in inkomensontwikkeling tussen de marktsector aan de ene kant en de collectieve sector aan de andere kant. Bovendien, zo vraag ik ook deze staatssecretaris, hoeveel tijdelijke maatregelen zijn niet heel lang van kracht gebleven in dit land? Voorzitter! De huidige WAM -de Wet aanpassingsmechanismechanismen uit 1979 met de beide hoofdelementen te weten de halfjaarlijkse aanpassingen en de nettokoppelingis de afgelopen jaren geen succes geweest. Dat kunnen wij met elkaar vaststellen. De koppeling zelf heeft ook altijd ter discussie gestaan. Het belangrijkste dat wij achteraf over deze wet kunnen opmerken is, dat zij niet of nauwelijks is toegepast totdat dit kabinet aantrad. Derhalve heeft de hoofdregel van deze wet niet het beleid van die jaren bepaald,-overigens, zo voegen wij daaraan toe, is dat maar goed ookomdat het "beleid ad hoc" succesvoller was dan de Wet aanpassingsmechanismen zelf. Mijn fractie vreest dat deze nieuwe wet datzelfde lot beschoren zal zijn. Voorzitter! Wij zijn in de politiek maar ook daarbuiten al een groot aantal jaren bezig met de discussie rondom de positie van de minimumuitkeringen, de positie van het minimumloon en de daarbij aan de orde zijnde aanpassingsmethodiek. Ik wijs op het advies van de SER uit 1985 over van het wettelijk mini-mumloon, op het advies uit 1986 over de minimumuitkeringen en het belangrijke advies uit 1988 over de aanpassingssystematiek. Voorzitter! Dat laatste advies heeft zowel voor het vorige als voor het huidige kabinet geleid tot een concreet wetsvoorstel. Dat advies van de SER was geen unaniem advies. De werkgevers en twee kroonleden kozen voor een systeem van beleidsmatige aanpassingen. Het zal de minister duidelijk zijn dat dit standpunt niet alleen destijds maar ook op dit moment nog het standpunt van de fractie van de VVD heel dicht benadert. De meerderheid van de SER-de vakbeweging en dertien kroonleden -vonden die uitsluitend beleidsmatige koppeling te weinig rechtszekerheid bieden. De loonontwikkeling volgen, zou de hoofdregel moeten zijn. Van die hoofdregel zou slechts op grond van zeer zwaarwegende overwegingen afgeweken mogen worden. Het was overigens interessant dat de meerderheid van de SER niet eenduidig dacht over de vraag, wat dan precies wŤl en niet voldoende zwaarwegend was. Ik wijs er bovendien opik kom daarop straks terug -dat diezelfde meerderheid van de SER het ook niet met elkaar eens was over een ander belangrijk punt. Het ging daarbij om de vraag of, wanneer er sprake is van afwijkingsgronden, de afwijkingsgronden die voor de uitkeringen gelden precies dezelfde zouden moeten zijn als de afwijkingsgronden die voor de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon gelden. Hoe het ook zij, voorzitter, het vorige kabinet kwam tot de conclusie dat er een wet beleidsmatige aanpassing moest worden ingediend en dat is ook gebeurd in 1989. Die wet kwam voor een groot deel overeen met het advies uit 1988 van de minderheid van de SER met betrekking tot de beleidsmatige aanpassingen. Daar bovenop was er echter een niet onbelangrijke wijziging ten opzichte van de oorspronkelijke bedoeling. Ook de Raad van State had namelijk kritiek op het feit dat een puur beleidsmatige aanpassing te weinig rechtszekerheid zou bieden. Op advies van de Raad van State heeft het vorige kabinet besloten, in ieder geval in de wet neer te leggen dat de koopkracht van de betrokkenen gehandhaafd diende te worden. Het is eigenlijk heel moeilijk op dit moment een oordeel uit te spreken over de vraag, welke van die beide voorstellen-de vorige Wet beleidsmatige aanpassing plus de koopkrachtgarantie of de huidige Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid -in inkomenspolitiek opzicht beter is voor mensen met een minimumuitkering. Dat is sterk afhankelijk van de vraag wat het sterkst stijgt: de inflatie of de lonen. Ik heb sterk de indruk dat de oude wet van het vorige kabinet dit jaar voor de koopkracht van de mensen met een minimumuitkering wel eens beter zou kunnen uitpakken dan het voorstel van het huidige kabinet. Ik wil het nu hebben over dit kabinet. Ik heb het al gezegd: de nieuwe Wet aanpassingsmechanismen, de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid, is eigenlijk het boegbeeld van dit kabinet. Het is de hoeksteen van de sociale vernieuwing. Dit kabinet, zo staat in de memorie van toelichting, heeft gekozen voor koppelen. Op bladzijde 6 van de memorie van toelichting staat: "tenzij zich onverantwoorde ontwikkelingen voordoen". Dat laatste is niet helemaal een juist beeld. Er zijn slechts twee afwijkingsgronden: een onverantwoorde loonontwikkeling en een verslechtering in de verhouding tussen actieven en niet-actieven. Ik hoef deze minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheidzijn verhalen van de afgelopen jaren, gehouden als fractievoorzitter van het CDA, nalezendniet uit te leggen dat er zich veel meer onverantwoorde ontwikkelingen zouden kunnen voordoen, die wij op dit moment wellicht nog niet eens kunnen voorzien, die het verstandig maken om op een bepaalde manier aan te kijken tegen de ontwikkeling van de hoogte van uitkeringen in ons land en van de hoogte van het wettelijk minimumloon. Dat neemt niet weg dat deze wet koppelt. Het is dus niet alleen het boegbeeld. Het is ook de manier waarop de politieke boodschap verkocht wordt. Wat vindt de VVD-fractie daarvan? Eigenlijk zijn wij daar geen groot voorstander van, niet omdat wij mensen met een minimuminkomen geen positieve koopkrachtontwikkeling zouden toewensen, maar omdat de wetgever zich dan vastlegt om per definitie, die twee afwijkingsgronden daargelaten, de ontwikkeling van de lonen in de markt te volgen. Dan hangt men het beleid op aan wat er in die marktsector gebeurt en aan de vraag wat de werkgevers en werknemers met elkaar zullen bekokstoven. Een regering heeft echter meer verantwoordelijkheden en wel met betrekking tot de overheidsfinanciŽn, het financieringstekort en de staatschuld en de ontwikkeling van de collectievelastendruk. Het is de vraag of met deze Wet koppeling met afwijkingsgronden niet te veel beleidsvrijheid op het financieel en sociaal-economisch terrein uit handen wordt gegeven dan verstandig is. Tenzij de regering ervan uitgaat dat ook op deze wet ad hoc afwijkingswetjes moeten worden mgediend, omdat beide afwljkingsgronden onvoldoende blijken te zijn om een verantwoord financieel-economisch beleid te voeren. Er is een tweede reden waarom de VVD-fractie er niet zo enthousiast over is. Deze koppelingswet leidt, evenals de Wet aanpassingsmechanismen, tot een eenheidsworst aan inkomensontwikkelingen in de collectieve sector. De VVD heeft er altijd voor gepleit om onderscheid te maken tussen verschillende soorten inkomens in de collectieve sector. Ik denk hierbij aan een onderscheid tussen uitkeringen die arbeidsmarktrelevant zijndie dus bedoeld zijn om tijdelijk te worden uitgekeerd-en de niet-arbeidsmarktrelevante uitkeringen, zoals de AOW. Ik wijs de minister ook op onze pleidooien om de ontwikkeling van de inkomens van werkenden in de collectieve sector niet per definitie gelijk te laten zijn aan de ontwikkeling van de uitkeringen in ons land. Bovendien is mijn fractie er niet van overtuigd dat de gemiddelde ontwikkeling van de CAO-lonen de meest wijze norm is voor de ontwikkeling van de uitkeringen in ons land en de ontwikkelingen van het wettelijk minimumloon. Wij kennen de situatie in de marktsector. Die wordt gekenmerkt door een zeer grote mate van functionele differentiatie. Dat gedifferentieerde beeld kennen wij in de collectieve sector eigenlijk niet. Het is niet goed uit te leggen waarom iemand in de marktsector, werkend in een CAO-gebied waar het toevallig niet zo goed gaat, er in inkomen wat minder op vooruit zou gaan, dan zijn buurman die van een uitkering moet rondkomen. Met andere woorden, er valt tegen het ten principale kiezen voor koppelen aan de lonen in de marktsector het een en ander in te brengen. Er zijn echter ook praktische problemen. Die kunnen weliswaar vanuit verschillende hoeken worden benaderd en tot verschillende conclusies leiden, maar ik wil ze nu toch bespreken. Het eerste probleem is de hoogte van het wettelijk minimumloon zelf in relatie tot de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het tweede probleem is de hoogte van de uitkeringen in relatie tot de hoogte van de inkomens van mensen die werken en in relatie tot het wettelijk minimumloon. Het derde probleem is dat de koppeling heel weinig zegt over de inkomenspositie van de mensen met een uitkering en met het wettelijk minimumloon, omdat het inkomenspolitieke resultaat het gevolg is van veel meer factoren. Het vierde probleem is dat verschillende soorten inkomens toch aan dezelfde norm gekoppeld worden. Voorzitter! Graag wil ik bij deze vier praktische problemen enkele kanttekeningen plaatsen Ik begin met het probleem van de hoogte van het wettelijk minimumloon in relatie tot het al dan niet ontstaan van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het verhogen van de loonkosten op minimumniveau kost werk, veel werk enwat misschien nog belangrijker iskost werk wat wij nodig hebben in ons land. Toen wij een paar jaar geleden in de Kamer consensus bereikten over de aanpak van de problematiek van langdurig werklozen en wij met elkaar besloten om tot heroriŽnteringsgesprekken over te gaan, hebben wij ťťn ding niet verwacht. Wij gingen er toen van uit dat een individuele aanpak via om-, her-, of bijscholing en/of arbeidservaring mensen naar een zodanig niveau op de arbeidsmarkt kon tillen, dat zij opnieuw konden "instappen" in de ontstane vacatures. Wij hebben geen rekening gehouden met een belangrijke conclusie uit de heroriŽnteringsgesprekken, namelijk dat er bij de langdurig werklozen veel meer mensen dan wij verwachtten zijn, die niet om te scholen zijn naar hogere niveaus. Dit zijn mensen die dolgraag willen werken, die liever niet afhankelijk zijn van een uitkering, maar die eenvoudigweg aangewezen zijn op ongeschoolde arbeid. Voorzitter! Het is met name die arbeid, die als sneeuw voor de zon verdwijnt op het moment dat wij de loonkosten op minimumniveau te veel laten stijgen. Ik wijs ook op de grote groep allochtonen, die op dit soort werk is aangewezen, als wij hen niet structureel in een uitkeringssituatie willen laten verkeren. De stijging van het wettelijk minimumloon via een systeem van koppelingen kost dus werk, te veel werk. Voorzitter! Een kabinet dat werk boven inkomen stelt, zou dit niet moeten accepteren, juist omdat het de arbeidsmarktpositie van de allerzwaksten op de arbeidsmarkt verpest.

Minister De Vries: Voorzitter! Ik begrijp dat de partij van de heer Linschoten voorstander is van het handhaven van de koopkracht van uitkeringsgerechtigden.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Als de VVD deel had uitgemaakt van het huidige kabinet, was het, als gevolg van een ander regeringsbeleid met veel minder lastenverhogingen en ook meer bezuinigingen, mogelijk geweest om de koopkracht van iedereen te handhaven. Wij zijn echter geconfronteerd met een ander kabinet dat onvoldoende bezuinigt, dat de financiŽn onvoldoende op orde heeftwaarover wij deze week met de ministervan FinanciŽn gaan praten-en dat de lasten verhoogt. Voorzitter! Als je zo'n beleid voert, wordt het natuurlijk buitengewoon moeilijk om de koopkracht van iedereen te garanderen. Ik wijs de minister erop dat de vorige kabinetten waaraan hij ook zijn steun heeft gegeven, inderdaad niet gekoppeld hebben. Vanaf 1986 is de koopkracht van mensen met een minimuminkomen gestegen. Dit kabinet maakt een andere keuze: het koppelt. Dit jaar dreigt echter voor het eerst sinds jaren de koopkracht van de minima door de nul heen te zakken. Voorzitter! Mijn antwoord aan het adres van de minister is dat het mogelijk is om koopkracht te garanderen, zeker op het moment dat de economie groeit, maar dat een regering, een kabinet dan een zodanig beleid moet voeren dat dit inderdaad mogelijk en verantwoord is. Wij zouden dat gedaan hebben.

Minister De Vries: Voorzitter! Ik begrijp dat het antwoord op mijn vraag weliswaar wat lang maar toch bevestigend is. De heer Linschoten heeft in feite geanticipeerd op mijn volgende vraag, namelijk of hij zich ervan bewust is dat in geval van inflatie koopkrachthandhaving betekent dat het minimumloon verhoogd moet worden. Er kunnen dan verschillende oorzaken van de inflatie zijn. Een ervan kan zijn dat er een impuls van de stijging van de collectieve lasten uitgaat op de pijzen, maar er zijn ook andere oorzaken, zoals een hogere dollar. De heer Linschoten heeft hierover recentelijk misschien het een en ander gelezen.

De heer Linschoten (VVD): Zeker, voorzitter! Ik kom overigens op een aantal van dit soort argumenten dadelijk nog terug. Natuurlijk importeren wij de inflatie en natuurlijk heeft de ontwikkeling van de dollar die ook vanmorgen weer gestegen is, consequenties voor die ontwikkeling. Maar weet de minister wat ook consequenties heeft? Een kabinet dat de huren met 5,5% per jaar verhoogt, dat de lasten en de accijnzen verhoogt, dat het reiskostenforfait afschaft en het huurwaardeforfait verhoogt. Met andere woorden: er zijn natuurlijk tal van nationale en internationale ontwikkelingen die van betekenis zijn. Het is echter niet zo dat het kabinet zelf wat dat betreft schone handen heeft. Voorzitter! Ik verwijs de minister-dat is misschien wel het makkelijkstenaar de bijdrage van mijn fractie aan het debat over de Tussenbalans. Daarin hebben wij zelf een aantal alternatieven geponeerd, doorgerekend door het planbureau. Men kan kennis nemen van de door het planbureau ingeschatte werkgele-genheids-en inkomenseffecten. Mijn stelling is, dat het in een groeiende economie mogelijk is om de koopkracht van mensen te handhaven als een kabinet een verantwoord financieel en sociaal-economisch beleid voert. En dat doet het kabinet naar het oordeel van mijn fractie onvoldoende.

Minister De Vries: Ik stel vast, dat wij het met elkaar eens zijn dat koopkrachthandhaving in een situatie waarin de prijzen stijgen, betekent dat de minimumlonen mee moeten stijgen.

De heer Linschoten (VVD): Op het moment dat de inflatie stijgt en de prijsontwikkeling verder gaat dan de ioonontwikkeling, is een prijskoppeling duurder, houdt het handhaven van de koopkracht financiŽle consequenties in en betekent het aanpassen van het wettelijk mini-mumloon aan die prijsontwikkeling natuurlijk een verhoging van het wettelijk minimumloon. Ik heb zojuist gezegd dat voor mijn fractie niet vooropstaat dat de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en de uitkeringen -daar wil ik zo meteen graag wat dieper op ingaan -precies hetzelfde zouden moeten zijn. Het kan wel eens verstandig zijn om het wettelijk minimumloondat zegt dus helemaal niets over de netto-inkomenspositie van de mensen die op dat moment dat inkomen hebbenniet te verhogen, zelfs op het moment dat de inflatie aantrekt. Daarover zeg ik zo meer. Voorzitter! Er zijn natuurlijk veel factoren die van belang zijn voor die relatie, het ontstaan van werkgelegenheid op minimumniveau en het wettelijk minimumloon. Maar niet uitsluitend de prijs is bepalend Wij weten dat de ontwikkeling van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt moeilijk is op het moment dat de technologische ontwikkeling banen "wegautomatiseert". Wij weten ook dat in de Nederlandse samenleving sociaal-culturele elementen een rol spelen Ik denk hierbij aan de vraag of wij het wel of niet gÍnant vinden om hulpjes te hebben en aan de vraag of wij het vervelend vinden om medeburgers werk aan te bieden waar wij zelf heel weinig status aan toekennen. Dat zijn allemaal elementen die de afgelopen jaren in de literatuur naar voren zijn gekomen en die trachten inzicht te geven in het antwoord op de vraag hoe het nu toch komt, dat de groei in onze groeiende economie en bij groeiende werkgelegenheid juist aan de onderkant van de arbeidsmarkt zo achterblijft. Mijn fractie is en blijft ervan overtuigd dat het economische argument, het prijselement, wel degelijk een heel belangrijke rol speelt. Een grote groep mensenik denk aan de groepen waar ik het zojuist over heb gehad en waarvoor over een aantal jaren wellicht structureel onvoldoende werkgelegenheid in onze samenleving isdreigt permanent economisch overbodig te worden. Dat betekent nogal wat. Dat dreigt mensen te brengen in de buurt van een gevoel van armoede en sociale uitsluiting, het gevoel "wij horen er niet meer bij in onze samenleving". Die kant wil de VVD niet op. Een samenleving met een structurele groep economische overbodig mensen is een samenleving die wij niet wensen. Daarom vinden wij dat er met betrekking tot de ontwikkeling van vooral het wettelijk minimumloon een ander beleid zou moeten worden gevoerd dan het beleid dat het gevolg zou zijn van deze nieuwe koppelingswet, ondanks de afwijkingsgronden. Voorzitter! Ik stel een vraag, die net in het interruptiedebatje aan de orde is geweest. Deelt de minister niet onze mening dat het, juist redenerend vanuit het arbeidsmarktperspectief, verstandig zou zijn om voor de komende jaren het beleid inzake de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon los te koppelen van het beleid met betrekking tot het ontwikkelen van de sociale uitkeringen? Wat moet er gebeuren met dat wettelijk minimumloon als die loskoppeling heeft plaatsgevonden? Daarover zijn de afgelopen jaren en zelfs de afgelopen maanden binnen het kabinet zelf verschillende ideeŽn de revue gepasseerd Onder andere door de minister van Economische Zaken is voorgesteld -het stond ook in een van de SER-adviezen die ik zojuist heb genoemdover te gaan tot een verlaging van het wettelijk minimumloon om op die manier de extra werkgelegenheid bij wijze van spreken in ťťn klap te laten ontstaan. Er is voorgesteld om over te gaan tot individualisering: de gezinsnorm loslaten en het wettelijk minimumloon, de minimumloonbescherming, in ons land concentreren op een individueel niveau van 70% van het huidige niveau. Overigens had dit een andere principiŽle achtergrond, maar het was ook gewoon een verlaging van het wettelijk minimumloon. Je kunt ook het wettelijk minimumloon bevriezen, zoals de vorige twee kabinetten in belangrijke mate hebben gedaan. Mijn fractie vindt dat er alle aanleiding is om iets te doen. Het is geen idee dat wij hier vandaag of morgen ontdekken. Het is in onderzoek van Van Soest en Kapteijn aan de orde geweest. Wij hebben er notities van het Centraal planbureau over gehad. De Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid heeft er in januari jongstleden een interessante beschouwing aan gewijd, waarop het kabinet overigens op een serieuze manier heeft gereageerd, waarvoor onze dank. Maar er gebeurt niets, ondanks al die ideeŽn, plannen en analyses. Terwijl er niets gebeurt, gebeurt er eigenlijk toch wat. Het minimumloon stijgt namelijk iedere keer. Terwijl wij met elkaar eigenlijk weten dat dit slecht is voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Toen dit kabinet aantrad, was de hoogte van het wettelijk minimumloon É 1987,70. Op dit moment is dat É 79,30 of 4% hoger Per 1 juli aanstaande zal er een verhoging optreden tot É2102,10. Deze minister van Sociale Zaken is er nog geen twee jaar en het minimumloon ligt al 5,75% hoger. Per saldo heeft dat enkele tienduizenden arbeidsplaatsen aan de onderkant van de arbeidsmarkt gekost, als ik kijk naar de gepresenteerde studies. De VVD-fractie vindt dat geen verstandig beleid Het is veel verstandiger om, indachtig die analyses, niet meteen te kiezen voor dramatische verlagingen van het wettelijk minimumloon, maar ervoor zorg te dragen dat het probleem van de loonkosten op minimumniveau in de komende jaren niet groter wordt.

De heer Van Zijl (FVdA): Die 5,75% waarover u het heeft, is toch ongeveer gelijk aan de inflatie in dezelfde periode? Heb ik goed begrepen uit uw antwoord op de minister dat koopkrachtbehoud ook voor de VVD-fractie van belang is? Praten wij nu over nettokoopkrachtbehoud, brutoloonkosten of inflatiecorrectie? Waarover hebben wij het eigenlijk?

De heer Linschoten (VVD): Dat heeft u inderdaad niet begrepen, als u die vraag stelt. Ik heb het over het wettelijk minimumloon. Ik heb aan het begin van mijn verhaal gezegd, dat de VVD-fractie het verstandig vindt om in deze discussie onderscheid te maken tussen de gewenste ontwikkeling van de uitkeringen in ons land, dus inkomens van mensen die zijn aangewezen op de collectieve sector, en de vraag wat de minimumloonbescherming zou moeten doen, in relatie tot de ontwikkeling van werkgelegenheid. Zoals u weet, heeft ook de VVD in haar verkiezingsprogramma tegen de uitkeringsgerechtigden gezegd: wij zullen alles op alles zetten om de koopkracht te handhaven. Zelfs als het op grond van inkomenspolitieke overwegingen noodzakelijk is om te komen tot een verhoging van de uitkeringen, zelfs als je tot de conclusie komt dat dit ook op dit moment, met de aantrekkende inflatie, een belangrijk uitgangspunt is dat je waar zult moeten maken, heeft dat wat mij betreft nog niets te betekenen voor de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.

De heer Van Zijl (PvdA): Wat u betreft kan het minimumloon zich onder de prijsontwikkeling ontwikkelen?

De heer Linschoten (VVD): Dat is een juiste conclusie, met alle nadelen die daaraan verbonden zijn. Dat realiseren wij ons ook. Stelt u zich voor, dat je tot de conclusie komt dat het verstandig is om het wettelijk minimumloon een pas op de plaats te laten maken en dat je dit langzaam maar zeker wilt laten toegroeien naar een situatie, waarin 70% individuele bescherming aanwezig is, dan heeft dat consequenties voor mensen die alleenverdiener zijn en die onder de bijstandsnorm zakken. Die consequentie vinden wij niet plezierig en moeten wij eigenlijk proberen te voorkomen. Maar als je dat probleem van tevoren op een zodanige manier positioneert, dat het de boventoon voert, zou dat weleens kunnen betekenen dat wij nooit van het gezinsdenken in de minimumloonbescherming af komen. Als dat betekent dat daardoor een groot aantal banen die wij nodig hebben aan de onderkant van de arbeidsmarkt, niet ontstaan, dan zegt de VVD-fractie: die prijs is te hoog. Wij zullen de bereidheid rnoeten hebben om daar serieus naar te kijken en een andere weging te maken voor wat er gebeurt met de uitkeringen aan de ene kant en met het wettelijk minimumloon, dat belangrijk is voor de arbeidsmarkt, aan de andere kant.

Minister De Vries: Ik begrijp toch goed dat in de benadering van de heer Linschoten het wettelijk minimumloon weliswaar niet werd verhoogd, maar de uitkeringen, ook van de mensen die nog wel arbeidsmarktrelevant zijn, wel? Dan zou de situatie ontstaan dat de alleenverdiener die tegen het minimumloon werkt, aan het eind van de maand een toeslag zou moeten halen.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! De minister weet wat wij daarover in ons eigen verkiezingsprogramma hebben staan, maar hij weet ook wat wij concreet hebben gepresenteerd tijdens het debat over de Tussenbalans. Op dat moment kozen wij voor een prijskoppeling voor alle uitkeringen, arbeidsmarktrelevante en niet arbeidsmarktrelevante uitkeringen. Ik zeg er overigens bij, waar ik zojuist even stil stond bij de wet van het vorige kabinet, de Wet beleidsmatige aanpassingen, dat het standpunt over het beleidsmatig aanpassen van minimumloon en uitkeringen niet alleen door een belangrijk deel van de SER werd ingenomen, maar ook heel dicht komt bij het standpunt van de VVD-fractie.

Minister De Vries: Ik begrijp, dat het antwoord gewoon bevestigend is.

De heer Linschoten (VVD): Nee, het antwoord is uitgebreider dan bevestigend, veel uitgebreider. Ik probeer juist aan te geven, dat het weleens onverstandig zou kunnen zijn om, niet wetende wat de sociaal-economische ontwikkelingen in dit land, gegeven het kabmetsbeleid, en ook in het buitenland zijn, op voorhand te zeggen: onder alle omstandigheden laten wij het minimumloon en de uitkeringen zich ontwikkelen conform de loonontwikkeling, conform de prijsontwikkeling of conform wat dan ook. Nee, dan moet er ruimte zijn voor een beleidsmatige afweging, pas dan kun je een gezond en verantwoord financieel-economisch beleid voeren. Dat is het standpunt van de VVD-fractie.

Minister De Vries: Ik heb begrepen, voorzitter, dat het antwoord inderdaad meer dan bevestigend is.

De heer Linschoten (VVD): Dan heeft de minister het in tweede instantie goed begrepen. Voorzitter! Ik kom bij het tweede hoofdstukje praktische kanttekeningen bij deze ontwerpwet en die betreft de relatie tussen de hoogte van de uitkeringen en de hoogte van het wettelijk minimumloon, waarbij ik mij overigens gegeven mijn opmerkingen bij de eerste problematiek, de relatie tussen wettelijk minimumloon en het ontstaan van werkgelegenheid, kwetsbaar moet opstellen. Mijn fractie heeft de indruk dat er ook een tweede probleem aan de orde is. Dat is misschien het gemakkelijkst uit te leggen aan de hand van de volgende stelling. Het is niet goed, als mensen die vanuit een uitkeringssituatie komen en weer gaan werken daar financieel niet beter van worden. Dat is voor alleenverdieners in ons land, gegeven de verhouding tussen de hoogte van de uitkeringen en de hoogte van het minimumloon, het geval. Voorzitter! Dat is het heel moeilijk bespreekbare argument "waar doe ik het voor?". Er rust bijna een taboe op in ons land. Ook om die reden vinden wij het niet vanzelfsprekend dat als het maar even kan de uitkeringen evenveel omhoog gaan als de lonen. Ik zou graag de reactie van de minister willen horen op dat "waar doe ik het voor"-argument, omdat mijn fractie de indruk heeft, dat het in relatie tot de koppelingsproblematiek en de inkomenspolitiek met betrekking tot de onderkant van de arbeidsmarkt een uiterst relevante vraag is. Voorzitter! Dan mijn derde categorie opmerkingen. Te veel wordt in het inkomenspolitieke debat de indruk gewekt, dat die koppeling zo fantastisch is voor de inkomenspositie van mensen met een mini-muminkomen. Ik geloof toch dat op dit punt enige nuancering op haar plaats is. Natuurlijk zegt de brutoaanpassing van de uitkeringen iets over wat er gebeurt met de inkomens van mensen, maar het is natuurlijk duidelijk dat er veel meer elementen een rol spelen. Ik denk terug aan het heetst van de strijd over de koppeling in 1986. Wij discussieerden toen ook met de Partij van de Arbeid over de koppeling. De Partij van de Arbeid was toen overigens nog een voorstander van de Wet aanpassingsmechanismen. Je kunt op een heel goedkope manier de koppeling overeind houden zonder dat het je iets kost en zonder dat het de mensen met een mini-muminkomen ook maar iets oplevert! De Partij van de Arbeid had een verkiezingsprogramma waarin de loonontwikkeling op nul werd gezet. Alles wat er aan loonruimte was, werd omgezet in arbeidstijdverkorting, een werkgelegenheidsdoelstelling. Het resultaat: koppeling, maar geen enkele verbetering in de portemonnaie van de mensen met een uitkering. Er zijn meer voorbeelden van, voorzitter. Koppelen of niet koppelen? Het vorige kabinet van 1986 t/m 1989 koppelde niet, maar de koopkracht van de betrokken minima ging er wel op vooruit. Op dit moment wordt er weer gekoppeld en juist op dit moment dreigt de koopkrachtgarantie weg te vallen. Voorzitter! Als je een oordeel wilt hebben over wat er gebeurt met de inkomens van mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, met de inkomens van mensen die afhankelijk zijn van een uitkering, en je dus ook een antwoord wilt hebben op de vraag of er een redelijk inkomensbeleid voor alle groepen in ons land wordt gevoerd, dan heb je een veel breder beeld nodig. Je zult dan ook moeten kijken wat er gebeurt in het brutonettotraject, wat er gebeurt met de belasting-en premiedruk, wat er gebeurt in de sfeer van de kinderbijslag, wat er gebeurt met fiscale faciliteiten, wat er gebeurt met de individuele huursubsidie, met de BTW, met de accijnzen en noem maar op. Zo kunnen wij nog wel even doorgaan. Voorzitter! Wij moeten trachten om de koppelingsdiscussie los te zien van de vraag of er al dan niet een eerlijk en redelijk inkomensbeleid wordt gevoerd. Koppelen aan de loonontwikkeling in het bedrijfsleven is voor mijn fractie in elk geval niet per definitie het summum van eerlijke inkomenspolitiek. Ik voeg hieraan toe-de door mij al gegeven voorbeelden zijn wat dit betreft illustratiefdat het voor de betrokkenen met een minimuminkomen niet de rechtszekerheid oplevert, die er wel eens aan wordt toegeschreven. Koppelen terwijl er een kabinet is dat alle lasten omloog liert, levert negatieve inkomensconsequenties op. Vervolgens kom iktoe aan mijn vierde argument. Ik heb gesteld dat verschillende inkomens worden gekoppeld aan dezelfde norm. Als het gaat om de ontwikkeling van uitkeringen in ons land, met name de uitkeringen die niet-arbeidsmarktrelevant zijn, spelen er voor mijn fractie andere argumenten een rol bij de aanpassing dan wanneer het gaat om uitkeringen waarbij die arbeidsmarkt wŤl een rol speelt. Ook als het de aanpassing van het wettelijk minimumloon betreft, moet men additioneel aandacht geven aan de arbeidsmarktgevolgen van het voorgestelde beleid. Hiervoor is ook al aandacht gevraagd in het SER-advies van 1988. Ik kom vervolgens bij het wetsvoorstel zelf. Daarin gaat het om "koppelen, tenzij": tenzij de lonen te sterk stijgen-de minister spreekt in dit verband over een onverantwoorde loonontwikkeling-of tenzij de verhouding tussen actieven en inactieven verslechtert. Voorzitter! Het is mijn fractie opgevallen dat de afwijkingsgronden beperkt zijn gebleven tot deze twee. Ik heb er al op gewezen dat deze minister niet kan menen dat er geen andere goede redenen kunnen zijn om af te wijken van de koppeling. Ik verwijs hierbij ook naar publieke optredens, niet van de vorige fractievoorzitter van het CDA, maar van deze minister van Sociale Zaken. "De Vries riskeert weliswaar ruzie met de PvdA maar: koppeling loopt gevaar als het schatkisttekort gelijk blijft". Waar het om dit financiŽle argument gaat, staat de minister niet alleen. Hij is niet alleen gesteund door de minister-president, een belangrijke bondgenoot, maar ook door de fractie van het CDA, die te kennen heeft gegeven dat dit financiŽle argumentwat zijn de consequenties voor de overheidsfinanciŽneen rol mag spelen. Men kan zich dus voorstellen dat mijn fractie bijzonder verbaasd was toen bij het indienen van dit wetsvoorstel bleek dat deze afwijkingsgrond geheel was weggevallen. Waarschijnlijk is er niet alleen ruzie geweest met de PvdA maar heeft de PvdA die ruzie ook ruimschoots gewonnen. Je kunt je afvragen of het verstandig is geweest, maar waarschijnlijk heeft de minister van FinanciŽn, de partijleider van de PvdA, deze discussie binnen het kabinet gewonnen. Voorzitter! Mijn fractie vind het ondenkbaar dat door deze Kamer een wetsvoorstel wordt aangenomen dat in de collectieve sector financiŽle gevolgen in termen van miljarden heeft zonder dat men een financiŽle afweging maakt om na te gaan of een en ander wel verantwoord is. Bij een zo belangrijk wetsvoorstel dient men zich toch af te wegen wat een en ander betekent voor de overheidsfinanciŽn en voor de collectievelastendruk? Gelet op dit alles heb ik de minister een plezier willen doen en een wijzigingsvoorstel ingediend, dat beoogt om het financiŽle afwegingsmoment als derde afwijkingsgrond alsnog in het wetsvoorstel op te nemen. Daarmee steun ik hem in zijn strijd met de PvdA en kan worden bevorderd dat er in elk geval in deze Kamer een meerderheid ontstaat voor die verstandige afweging. Men zal zich kunnen voorstellen dat ik wat dit betreft niet alleen reken op de warme steun van de minister maar ook op die van de fractie van het CDA, die hier in de afgelopen maanden in de publiciteit immers ook geen doekjes om heeft gewonden.

De heer Van Zijl (PvdA): U doet alsof er in het kader van dit wetsvoorstel met miljarden wordt geschoven maar ik herinner eraan dat in het kader van het regeerakkoord de afspraak is gemaakt dat men tot rechtvaardige inkomensverhoudingen moet komen; ook de heer Linschoten heeft daar hartverwarmende woorden over gesproken. Is de conlusie niet juist dat, wŤlk ander instrument men daarvoor ook kiest, er altijd miljarden mee gemoeid zijn?

De heer Linschoten (VVD): Ik zeg niet dat er op het terrein van de ontwikkeling van de uitkeringen in de komende jaren geen beslissingen kunnen vallen die miljarden zullen vergen. Ik vind het echter wel raar dat regering en parlement niet mogen afwegen als er dit jaar of volgend jaar beslissingen komen die miljardenconsequenties hebben. Stel je eens voor dat het op grond van financiŽle overwegingen noodzakelijk is, een aanpassing anders te laten zijn dan voortvloeit uit de ioonontwikkeling in het bedrijfsleven. Dat moet dan toch, net als bij iedere beslissing die financiŽle consequenties heeft, afgewogen kunnen worden? Als je dat niet doet schrijf je een blanco cheque uit. Dat lijkt de VVD-fractie niet verstandig.

De heer Van Zijl (PvdA): Dan komt u weer terug op de beleidsmatige koppeling waar u zo voor pleit. Dat wilden wij nu juist niet. Juist daarom is de financiŽle afwijkingsgrond niet opgenomen. U ontkent overigens niet dat hoe dan ook iedere andere vorm van het laten meedelen van de uitkeringstrekkers in de welvaartsontwikkeling evenzeer miljarden gekost zou hebben. Juist om de onzekerheid weg te nemen is niet voor een beleidsmatige afweging gekozen. U moet niet de suggestie wekken dat de voorliggende benadering vele miljarden kost en dat iedere andere benadering geen miljarden zou kosten. Dat is niet het geval.

De heer Linschoten (VVD): Die indruk heb ik ook niet willen wekken. Wel heb ik gezegd dat u ruzie hebt gehad met het CDA en dat uw bewindslieden ruzie hebben gehad met de bewindslieden van het CDA over de vraag of, als de uitkeringen in ons land omhoog gaan, financiŽle overwegingen daarbij een rol mogen spelen. De ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid vond dat dit wel het geval was. Binnen de SER was er onduidelijkheid over, maar het CDA vond ook dat dit het geval was. Mijn fractie vindt ook dat dit het geval is. Ik heb net al aangegeven dat u die strijd hebt gewonnen. Ik probeer in dit kamerdebat de minister alsnog aan een overwinning te helpen, niet in de laatste plaats omdat wij het verstandig vinden, los van de beslissingen die worden genomen, te allen tijde de financiŽle consequenties goed in beeld te hebben en een beleidsmatige afweging te kunnen maken of het financieel gesproken verantwoord is om die beslissingen te nemen. Voor de komende jaren een blanco cheque uitschrijven, zonder dat je weet wat daarvan de gevolgen zijn, is nlet verstandig. Dat is natuurlijk wel het gevolg van een wet die met die financiŽle afweging bewust, gegeven de besluitvorming, geen rekening houdt.

De heer Van Zijl (PvdA): De uitdrukking "een blanco cheque" suggereert dat er geen afwijkingsgronden zijn, maar die zijn er natuurlijk wel degelijk.

De heer Linschoten (VVD): In leder geval is de financiŽle consequentie geen afwijkingsgrond. Dat staat met zoveel woorden ook in de toelichting. Er zijn twee afwijkingsgronden. De eerste is een onverantwoorde loonontwikkeling. Die hoeft niet direct financiŽle consequenties voor de overheid te hebben, zeker niet direct, maar indirect en op termijn wel. De tweede is de verhouding tussen actieven en inactieven. Als er met de loonontwikkeling niks aan de hand is en in de verhouding tussen actieven en inactieven niks aan de hand is, maar de beslissing die je neemt toch dramatische financiŽle gevolgen heeft, mag je dat op basis van dit wetsvoorstel niet afwegen. Dat is eigenlijk te zot voor woorden. Daar had de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gewoon gelijk in en daarin steunen wij hem. Wij zullen proberen, op dat punt in het wetsvoorstel een correctie aan te brengen.

De heer Van Zijl (PvdA): Maar u mompelde zojuist iets over koopkrachthandhaving. Dat is toch ook een blanco cheque, of niet?

De heer Linschoten (VVD): Ik vind wel dat op het moment dat de VVD-fractie, de CDA-fractie, uw fractie, de fractie van D66 of wie dan ook tot de conclusie komt dat de koopkracht van de mensen in ons land gehandhaafd moet worden, zij op dat moment boter bij de vis moeten leveren. Zij moeten dan afwegen wat zij er inkomenspolitiek van vinden, wat dat kost en of dat prijskaartje financiee! verantwoord is. Je kunt tot de conclusie komen dat het veel geld kost, maar wel degelijk financieel-economisch verantwoord is, maar dan maak je wel een afweging.

De heer Van Zijl (PvdA): Maar als het geld kost en u dat er niet voor over hebt, doet u het maar niet. Dat noemt u dan koopkrachtgarantie?

De heer Linschoten (VVD): U hebt de VVD-fractie de afgelopen jaren en ook op dit moment nooit een koopkrachtgarantie in de zin zoals u die nu aangeeft horen uitspreken. Ik heb de minister zojuist gevraagd of het mogelijk is een financieel en sociaal-economisch beleid te voeren dat koopkrachtbehoud voor iedereen mogelijk maakt. Ons antwoord is: ja. Wij zijn ook voorstanders van dat beleid. Er is ook een beleid denkbaar dat er financieel en sociaal-economisch zo'n rotzooitje van maakt, dat je zelfs die koopkrachtgarantie niet in beeld kunt houden. Wij hebben sterk de indruk dat het kabinet daarop op dit moment afkoerst. Als de heer Van Zijl mij overigens vraagt of wij vroeger of nu al dan niet hebben gepleit voor koopkrachtgaranties, ben ik buitengewoon benieuwd naar het verhaal van de Partij van de Arbeid zo meteen. Ik kan mij nog herinneren dat als wij m de Kamer spraken over de koppeling, de inkomens-en de werkgelegenheidsgevolgen de Partij van de Arbeid moord en brand schreeuwde als er een beleid werd gevoerd dat niet leidde tot een daling van de werkloosheid met 50.000 per jaar. Ik kan mij nog een periode herinneren waarin de Partij van de Arbeid, zelfs als er sprake was van een koopkrachtverbetering, maar minder dan in de marktsector, hier moord en brand schreeuwde dat dit een onrechtvaardig inkomensbeleid was. Nu zit de PvdA zelf in het kabinet. Wij zien dat er een inkomensbeleid wordt gevoerd. Vervolgens jaagt het kabinet de lasten zo ver omhoog, dat dit jaar naar alle waarschijnlijkheid zelfs de mensen met de laagste inkomens koopkracht zullen inleveren. Ik heb de heer Van Zijl verleden week, toen wij daarover even spraken in deze Kamer, niet horen zeggen: dat zal niet gebeuren met de PvdA in het kabinet. Dus als wij in dit debat nog over koopkrachtgaranties komen te spreken, wil ik graag een even duidelijk antwoord van de PvdA-fractie als ik heb gegeven.

Mevrouw Groenman (D66): Ik begrijp nog steeds niet wat de heer Linschoten concreet voor ogen heeft. Beide criteria zijn goed: je hoeft in principe niet te ontkoppelen. Maar de heer Linschoten kan zich dus iets voorstellen waarbij het wel rampzalig wordt. Moet ik dan denken aan ontzettend veel asielzoekers die in ons land komen en die ontzettend veel geld kosten? Aan welk soort situaties moet ik dus precies denken, waarbij het eerlijk delen niet meer voorgaat?

De heer Linschoten (VVD): Hoe eerlijk is delen? Stelt u zich eens voor dat de verhouding werkenden/nietwerkenden, actieven/inactieven, niet verslechtert en dat wij in Nederland te maken krijgen met een loonontwikkeling die volstrekt geen recht doet aan de verwachtingen bij een zeer hoge inflatie, alsook dat de vakbeweging zelfs bereid is, op grond van welke overweging dan ook, looncontracten te accepteren die koopkrachtverlies betekenen. Dan zou je in een situatie terecht kunnen komen, waarin het koppelen van de uitkeringen heel slechte gevolgen heeft, zowel voor de arbeidsmarkt als in financieel opzicht. Dan moet je volgens mijn fractie die afweging kunnen maken. Als wij in deze Kamer een wet behandelen waar een prijskaartje aan hangt, speelt dat prijskaartje toch altijd een rol? Als een overheid een bepaald beleid voert dat geld kost, bespreken wij in het parlement toch altijd de vraag, of het verantwoord is om daarvoor zoveel geld uit te geven? Welnu, mijn fractie vindt het raar dat de financiŽle consequenties van de koppeling geen rol mogen spelen bij de afweging van wel of niet koppelen en dat het beperkt blijft tot de twee afwijkingsgronden. Maar als mevrouw Groenman van mening is dat de financiŽle voorwaarde geen extra voorwaarde is en dat die impliciet volgt uit beide andere, is er geen enkel bezwaar om het amendement te volgen. Dan heb je in ieder geval duidelijk gemaakt, dat je de financiŽle afweging wilt kunnen maken.

Mevrouw Groenman (D66): Nee,

maar dan doe ik iets overbodigs. Dat wil ik voorkomen. Als de twee criteria impliciet een financiŽle randvoorwaarde bevatten, heb ik geen behoefte aan uw amendement.

De heer Linschoten (VVD): Mijn stelling komt erop neer dat je met die twee afwijkingsgronden niet alles afgedicht hebt. Dat hebben wij als VVD-fractie overigens niet zelf bedacht. Dat was een belangrijk onderdeel van de discussie in de SER in 1988. Zelfs de meerderheid, die een voorstel had geadviseerd dat in de buurt kwam van het voorstel dat de minister nu verdedigt, sprak over deze problematiek van het financiŽle argument. Ik heb net nog gewezen op de discussies in het kabinet tussen PvdA en CDA, waar dit ook een belangrijke rol heeft gespeeld. Blijkbaar stelt het voldoende voor om er in politieke termen met elkaar ruzie over te maken. Het is dus wel degelijk een extra afwijkingsgrond die wat toevoegt aan het afwegingsproces inzake de koppeling.

De heer De Jong (CDA): De heer Linschoten zegt dat de financiŽle positie van de overheidssector onvoldoende meespeelt bij de afwijkingsgronden, maar kunnen beide gekozen afwijkingsgronden misschien ook iets te maken hebben met de financiŽle positie van het Rijk?

De heer Linschoten (VVD): Zeker, daar heeft u gelijk in. Maar daarmee is niet het volledige antwoord op mijn vraag gegeven. Dat weet u ook wel. Immers, 8 november van het vorige jaar was het nog de CDA-fractie die nadere voorwaarden stelde. Die achtte dat noodzakelijk. Wat dat betreft, hoef ik u dus niet meer te overtuigen. Ik kan mij voorstellen dat de heer Van Zijl en mevrouw Groenman overtuigd willen worden. Eigenlijk heb ik het idee van u gepikt, mijnheer De Jong, want u bent er al eerder mee gekomen. Het CDA vond dat weliswaar een belangrijke afweging, maar heeft in de strijd met de PvdA het onderspit moeten delven. Daarom is het nu van tafel. Maar u maakt mij niet wijs, dat ik u moet uitleggen wat ik bedoel, zeker niet als ik verwijs naar de opvattingen die woordvoerders van uw fractie nog geen halfjaar geleden in de media naar voren hebben gebracht.

De heer De Jong (CDA): Ik weet niet waarop u doelt, maar kennelijk bedoelt u dat, wanneer het Rijk zijn zaakjes niet goed op orde kan houden, dan op de uitkeringsgerechtigden gekort moet worden.

De heer Linschoten (VVD): Dat heb ik niet bedoeld. Ik doel gewoon op de opmerkingen van de CDA-fractie, dat de financiŽle problematiek een rol mag spelen bij de afweging van wel of geen koppeling. Ik baseer mij op NRC Handelsblad van 8 november 1990, waarin die stelling betrokken is. Ik heb het bij mij, dus ik overhandig het u graag. Gaat u in uw fractiecommissie voor sociale zaken maar eens de ronde doen. Ik kan u verzekeren dat u dan een hoop mensen tegenkomt die precies begrijpen wat ik bedoel en die eigenlijk ook altijd bedoeld hebben wat ik zeg en wel op een zodanig manier dat het in de wet zelf opgenomen moet worden. Daarbij hebben zij volstrekt terecht de stellingname van de minister van Sociale Zaken in het kabinet gesteund.

Minister De Vries: Ik geef er de voorkeur aan om het debat ordelijk te voeren en op de opmerkingen van de heer Linschoten te reageren in mijn eerste termijn. Ik vraag hem toch om uitspraken over mijn zienswijze en opvattingen op te schorten tot na de eerste termijn.

De voorzitter: Men kan allerlei wensen hebben, maar een kamerlid dat achter het katheder staat, kan, voor zover de voorzitter het toelaat, zeggen wat hij wil zeggen. En de minister mag antwoorden.

Minister De Vries: Dan wil ik expliciet vermelden dat ik in mijn eerste termijn graag wil uitleggen hoe het echt in elkaar zit. Dat is toch een wat ander verhaal dan de heer Linschoten hier houdt.

De voorzitter: Wij wachten dat met belangstelling af. Ik verzoek de heer Linschoten zijn betoog te vervolgen.

De heer Linschoten (VVD): Wat verwacht de minister nu? Als ik via de media kennis moet nemen van opvattingen van verschillende ministers...

De voorzitter: Ik moet u nu ook onderbreken. Het ging om een verzoek van de minister. U bent vrij om te zeggen wat u wilt, maar ik verzoek u nu om uw betoog te vervolgen. Ik kijk ook naar de klok.

De heer Linschoten (VVD): Ik vervolg mijn betoog, nadat ik heb opgemerkt dat ik, evenals iedereen in dit land, kennis neem van de manier waarop ook door bewindslieden publiekelijk stellingen worden betrokken, ook met betrekking tot de wet die op dit moment in de Kamer besproken wordt.

Minister De Vries: Dan verzoek ik de heer Linschoten om te citeren wat ik in die periode in de Kamer heb gezegd over deze problematiek. En dat was heel duidelijk.

De heer Linschoten (VVD): Dat ben ik met de minister eens. Daar is echter niet alleen in deze Kamer over gesproken. Er is door diverse bewindslieden ook in het land over gesproken. U kunt leden van deze Kamer niet kwalijk nemen, als bewindslieden publiekelijk de discussie aangaan door het geven van commentaren of door erover te spreken, dat daar in deze Kamer gebruik van wordt gemaakt.

Minister De Vries: Wat ik in deze Kamer heb gezegd, spoort met hetgeen omtrent mijn opvattingen in de publiciteit is gekomen.

De heer Linschoten (VVD): Blijkbaar is het een heel gevoelig punt, op het moment dat ik opmerk dat er op dit punt blijkbaar ruzie is.

Minister De Vries: Als u met mijn beeldvorming bezig bent en dat op uw manier wilt inkleuren, is dat inderdaad een gevoelig punt.

De heer Linschoten (VVD): Dan heb ik dus toch gelijk. Maar wij gaan daarover graag in tweede termijn, als de minister antwoordt, in debat. Er is natuurlijk veel meer gebeurd dan dat er in de publiciteit een verhaal is ontstaan dat helemaal geen grond van waarheid heeft. Het heeft wel degelijk een belangrijke rol gespeeld, ook in de discussie in de coalitie. Ik kom bij de afwijkingsgronden die wel in de wet zijn gekomen, allereerst bij de ontwikkeling van de lonen. Van een centraal geleide loonpolitiek hebben wij in Nederland een groot aantal jaren geleden al afscheid genomen. Sinds het kabinet-De Quay weten wij dat dit niet goed is voor de financieel-economische ontwikkeling en weten wij dat het slecht is voor de arbeidsmarkt. Wij hebben ons daar in belangrijke mate, een zwak moment tijdens de periode van het kabinet-Den Uyl daargelaten, ook behoorlijk aan gehouden. Daar waar op een groot aantal punten naar het oordeel van mijn fractie het primaat bij de politiek ligt, ligt op het punt van de ioonvorming het primaat bij de sociale partners. En de sociale partners -dat is wel een complicatiewillen dat niet alleen zelf regelen, maar zij willer, dat graag op decentraal niveau regelen. Toch is een overheid die niet een primaire verantwoordelijkheid heeft voor de loonontwikkeling, wel met handen en voeten gebonden aan de consequenties van de loonontwikkeling. Koppeling heeft gevolgen voor de overheidsfinanciŽn. Koppeling heeft gevolgen voor de inkomens in de collectieve sector en dus voor de overheidsfinanciŽn en de ontwikkeling van collectieve lasten, althans als een overheid aan het koppelen slaat. En dan zou je denken dat een kabinet dat zoveel belang heeft bij een gematigde loonontwikkeling, alles doet wat in zijn vermogen ligt om loonmatiging in positieve zin te bevorderen. En, voorzitter, wat zien wij op dit moment bij het huidige kabinet? Aan de ene kant zien wij een maximalisatie van het belang van het kabinet om de lonen te matigen en aan de andere kant laat het kabinet niets na wat de lonen in ons land wel omhoog moet jagen. Kijkt u eens naar de ontwikkeling van de lasten. Ik heb zojuist al een optelsom gegeven. Ik ga nu niet het hele lijst opmeuw noemen, maar het kabinet voert een beleid dat wel haast moet leiden tot verdergaande loonaanspraken in het komend jaar. Daarnaast zien wij een zeer vrijblijvend pakket afspraken in de vorm van het gemeenschappelijk beleidskader en af en toe een oproep tot loonmatiging en in deze wet het dreigen met het ontkoppelen. Dat is het paard achter de wagen spannen. Het is droevig voor het financiŽle beeld van dit moment dat het kabinet eigenlijk alle financiŽle ruimte heeft verspeeld om een geloofwaardige rol in het loondebat, het arbeidsvoorwaardendebat, te kunnen spelen. De fractie van de VVD meent dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dit begreep, toen hij reageerde op suggesties onder anderen van de minister-president om nog dit jaar een centraal akkoord met werkgevers-en werknemersorganisaties te bereiken om de loonontwikkeling voor het komende jaar in de hand te houden. De suggestie van de minister-president om tot een centraal akkoord te komen, is buitengewoon interessant. Naar ik heb begrepen, wordt hij gesteund door leden van de fractie van het CDA, maar ook door de Partij van de Arbeid. Mijn fractie is ter ore gekomen dat de vice-voorzitter van de fractie van de Partij van de Arbeid, de heer Leijnse, een brief naar de vakbeweging, de werkgeversorganisaties, de Partij van de Arbeid zelf en de bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft gestuurd. Hierin wordt in het kader van een soort van grand design gepleit voor een pakket maatregelen dat tot een centraal akkoord in het komende najaar moet leiden. Ik zie dat de heer Leijnse in de zaal aanwezig is. Aan zijn adres moet ik zeggen dat ik, helaas weer uit de krant, het lijstje ken van degenen die de brief hebben gekregen en dat ik het jammer vind dat de fractie van de VVD er niet op staat. Het plan van de heer Leijnse, het grand design voor een centraal akkoord, heeft de volgende elementen: -loonmatiging, zo belangrijk voor het kabinet; -lastenverlichting, die noodzakelijk is, maar een paar centen kost; -behoud van koopkracht; -meer werkgelegenheid; -en als klap op de vuurpijl behoud van de koppeling. Het is alsof ik de echo hoor van mijn vorige fractievoorzitter, de heer Voorhoeve, die tijdens het paasdebat in 1988 vergelijkbare geluiden heeft laten horen. Eigenlijk is de vraag, die ik ook bij de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neerleg: wie wil dat eigenlijk niet? Wie wil geen pakket maatregelen van loonmatiging, lastenverlichting, behoud van koopkracht, meer werkgelegenheid en handhaving van de koppeling? Er lijkt geen vuiltje aan de lucht, maar misschien willen degenen met wie je hierover afspraken moet maken, het niet. De fractie van de VVD is er ondanks haar bezwaren ten principale tegen de koppeling voorstander van, met een dergelijke mix van maatregelen ervoor zorg te dragen dat de sociaal-economische situatie in ons land verbetert. Als je naar zo'n centraal akkoord wilt toegroeien, moet je echter wel met plannen komen die in de breedte door de sociale partners gesteund zullen worden. Als bijvoorbeeld een werkgeversorganisatie of de centrale MHP afhaakt, heb je geen centraal akkoord en is het allemaal verloren. Ik heb derhalve een paar concrete vragen aan het adres van de fractie van de Partij van de Arbeid. Er is natuurlijk over nagedacht bij de Partij van de Arbeid. Een aantal elementen in het plan kost geld, zoals de belastingverlaging met 1 % voor inkomens tot É 43.000. Deze kost plusminus 2 mld. Ik hoor graag van de fractie van de Partij van de Arbeid op welke manier dit betaald kan worden. Misschien kan er ook steun van de fractie van de VVD voor het plan ontstaan, als het een zodanige manier is dat niet op voorhand een aantal partijen die bij het centraal akkoord betrokken moeten zijn, ervan afzien.

De heer Van Zijl (PvdA): Wanneer wilt u die vraag beantwoord hebben? Nu?

De heer Linschoten (VVD): Als u er in uw eigen bijdrage in het debat op wilt ingaan, is het mij best.

De voorzitter: Ga uw gang, mijnheer Van Zijl.

De heer Van Zijl (PvdA): Het gaat niet om een plan. Dat is wel een erg groot woord voor het overigens voortreffelijke werk van mijn vice-voorzitter. Over een grand design hebben wij het in de fractie nooit gehad. Het gaat om gedachten die nuttig zijn om te komen tot meer arbeidsparticipatie en meer werkgelegenheid. Het is allemaal bedoeld om meer mensen aan het werk te helpen en rechtvaardige inkomensverhoudingen langs de weg van de koppeling te bewerkstelligen. Als er elementen van lastenverlichting in zitten, zitten er ook elementen van lastenverzwaring in. Dat heeft u terecht opgemerkt. Als deze ertoe bijdragen dat meer mensen aan het werk komen, is het ons dat waard. Wellicht zitten er ook voor werkgevers aantrekkelijke punten in, omdat ook zij met een zekere lastenverlichting te maken krijgen. Het kan ook stimuleren tot meer scholing, die nog steeds een beetje een ondergeschoven kind in het arbeidsvoorwaardenoverleg is. Kortom, wij zeggen niet dat het zus of zo moet, maar bieden elementen die voor werkgevers en werknemers aantrekkelijke aspecten bevatten en onderdeel kunnen zijn van overleg tussen de sociale partners.

De heer Linschoten (VVD): Ik ben blij met die reactie, maar misschien kan de heer Van Zijl in zijn bijdrage nog eens precies aangeven waar de voordelen voor werkgevers en werknemers dan precies op neerkomen. Al deze prachtige resultaten kunnen alleen maar gerealiseerd worden als zowel de vakbeweging, de werkgevers en de overheid het daarover eens kunnen worden. Het zal duidehjk zijn-en dat is ook de vrees van de VVD-fractiedat in dit geval de werkgevers zeker zullen afhaken, als de financiering weer op een vreselijk nivellerende manier in elkaar wordt gezet en als de lasten weer bij de bedrijven worden gelegd. Bij een nivellerende operatie zal de vakcentrale van middelbaar en hoger personeel afhaken. Dan is er geen centraal akkoord en als er geen centraal akkoord is, heb je niet al deze prachtige resultaten. En dat zou toch buitengewoon jammer zijn.

De heer Van Zijl (PvdA) U zegt wat u allemaal niet wilt, maar wat wilt u eigenlijk wel?

De heer Linschoten (VVD): Dat kan ik u wel vertellen. Als de PvdA zegt, dat het, ook als overheid, goed is om een prijs te betalen voor een gematigde loonontwikkeling waarbij met werkgevers en werknemers de afspraak zou worden gemaakt dat de loonontwikkeling de prijsontwikkeling niet te boven gaat en dat de koopkrachtvooruitgang voor de betrokken werknemers betaald wordt door middel van een verlaging van de loon-en inkomstenbelastingdie dan niet door een lastenverhoging elders wordt betaald maar door het schrappen van andere overheidsuitgavenkan de VVD daar waarschijnlijk ook mee leven. Wellicht kunnen de sociale partners er ook mee leven. Er zou ook een heel brede steun voor bestaan. Niet alleen de minister-president heeft namelijk dergelijke suggesties gedaan, ook vanuit de CDA-hoek zijn ze gedaan. D66 doet ook mee en GroenLinks is er ook niet vies van. Een dergehjke aanpak zou in deze Kamer heel erg breed gedragen kunnen worden. Voorwaarde is echter, dat je een pakket maatregelen op tafel legt waarmee ook de partijen die deel uitmaken van het centraal akkoord kunnen leven. Het zou jammer zijn als de financiering op voorhand een dergelijk centraal akkoord volslagen onhaalbaar zou maken. Voorzitter! In dit verband wil ik de minister een vraag stellen. Er zijn natuurlijk informele contacten met de vakbeweging en met de werkgevers over de sociaal-economische ontwikkeling. Kan de minister ons wat dat betreft wat meer inzicht geven in de vraag of er mogelijkheden zijn om ten aanzien van het centraal akkoord iets te verwachten in de loop van het komende jaar? Ik heb uit mijn bronnen begrepen, dat de vorige week woensdag op het Catshuis nog enig overleg heeft plaatsgevonden tussen de minister-president, de minister van Sociale Zaken en de sociale partners. Wellicht zijn er vanuit dat overleg in relatie tot deze discussie interessante dingen mee te delen. De tweede afwijkingsgrond is de verhouding tussen de werkenden en de niet-werkenden. Eigenlijk is dat de enige echt concreet ingevulde afwijkingsgrond in de wet. Wanneer de loonontwikkeling echt onverantwoord is, houdt de minister deze achter de kiezen maar voor de verhouding tussen de actieven en de niet-actieven, de werkenden en de mensen met een uitkering, is een heel concrete norm genoemd: 100 werkenden tegen 86 mensen met een uitkering. Als die verhouding verslechtert, is er sprake van een afwijkingsgrond en kan worden afgeweken van de koppeling. Voorzitter! Heb ik het goed dat op dit moment, dus nog voordat wij dit wetsvoorstel hier afgehandeld hebben, die verhouding al verslechterd is? De cijfers waarover ik beschik, zijn van maart van dit jaar en daaruit blijkt, dat die verhouding er een is van 100/86,8, terwijl het CPB aangeeft, dat die verhouding het volgende jaar 100/87,5 zou zijn. Betekent dat eigenlijk niet, dat wij nu een wet behandelen om te koppelentenzij er sprake is van een van die afwijkingsgrondenmaardatdie koppeling op de eerste dag dat deze ingevolge deze wet zou moeten worden toegepast al geen realiteit meer is en dat dus de afwijkingsgrondhet niet koppelenhet gevolg is van deze wet? Zou de minister eens wat duidelijkheid kunnen geven over de vraag wat er nu precies gaat gebeuren als die verhouding tussen werkenden en niet-werkenden is verslechterd? In de wet is namelijk wel een afwijkingsgrond opgenomen, maar zij bepaalt niet wat er dan moet gebeuren. Dus als die verhouding verslechterd is, gebeurt er niet veel meer dan wat er ook de afgelopen jaren is gebeurd, namelijk dat er een debat in de ministerraad en in dit parlement en daarbuiten plaatsvindt over de vraag of er wel of niet gekoppeld moet worden. Met andere woorden, hoe hard is deze afwijkingsgrond in dat verhoudingsgetal? Overigens is de constatering dat op dit moment de verhouding 100/86 is een wat merkwaardige, omdat wij weten dat er bij die 86 een aantal mensen niet zijn meegeteld die ook graag op de arbeidsmarkt zouden participeren. Ernstiger vindt mijn fractie de conclusie dat je zou mogen doorgaan met het verhogen van het wettelijk minimumloon op het moment dat wij zitten met een verhouding tussen het aantal werkenden en het aantal niet werkenden van 100/86. Alsof die verhouding al niet belabberd genoeg is. Er is alle aanleiding om, juist als je vaststelt dat die verhouding zo beroerd is als die op dit moment uit de cijfers blijkt, ervoor te zorgen dat het wettelijk minimumloon niet verder verhoogd wordt. Ook hierbij zijn de toekomstbeelden niet rooskleurig. Uit de brief die de staatssecretaris vorige week aan de kamervoorzitter en de Sociaaleconomische raad -achter dat eerste kwamen wij wat minder snel dan dat de brief hier aankwamblijkt dat de volumeontwikkeling in de sfeer van de arbeidsongeschiktheid alweer tegenvalt, dat er sprake is van een stijging tot 885.000 in 1994, 87.000 meer dan dit jaar verwacht en dat er derhalve op dat punt veel meer zal moeten gebeuren; dat het dalingstempo van de werkloosheid achteruit loopt. Ik zeg dit ook aan het adres van de Partij van de Arbeid: als het vorige kabinet een werkgelegenheidsresultaat had gehad van wat het beleid van dit kabinet oplevert, dan had de Partij van de Arbeid moord en brand geschreeuwd. Het gaat niet goed met de verhouding tussen het aantal werkenden en niet-werkenden. Daar moet iets aan gebeuren. Mijn vragen aan het kabinet zijn: hoe serieus is die afwijkingsgrond en wat gaat u doen als de zaak, zoals het nu lijkt te gaan gebeuren, inderdaad uit de hand loopt? Als ťťn van die afwijkingsgronden zich voordoet en er dus ontkoppeld kan worden, dan volgt dat, zoals ik zojuist al zei, niet uit de wet, dan betekent dat niet dat het kabinet een beslissing moet nemen, nee, dan moet eerst een advies aan de Sociaaleconomische raad worden gevraagd. Ik ga hier nu niet de discussie overdoen over de stroperigheid van de besluitvorming en het enorme adviescircuit dat wij hebben, maar mijn fractie vindt het wat overdreven om in de wet de verplichting op te nemen om een SER-advies te vragen indien ťťn van die afwijkingsgronden zich voordoet. Wij kunnen ons voorstellen dat het kabinet op enig moment advies vraagt aan de Sociaaleconomische raad, maar een wettelijke verplichting om dat SER-advies te vragen lijkt ons wat overdreven. Op dat punt heb ik mijn tweede amendement ingediend, dat ertoe strekt om deze verplichte SER-adviesronde en de eenmaal in de vier jaar voorkomende SER-adviesronde uit de wet te schrappen. Ik kom tot een conclusie. De VVD-fractie is niet gelukkig met deze koppelingswet met afwijkingsgronden. Als de hoofdregel, namelijk koppelen aan de loonontwikkeling in de marktsector, het beleid van de komende jaren gaat bepalen, dan heeft dat naar ons idee te nadelige arbeidsmarktgevolgen en zal het te veel mensen in onze samenleving economisch overbodig maken. Als de afwijkingsgronden de komende jaren de boventoon gaan voeren, doet deze wet iets dat in strijd is met de gewekte verwachtingen. Dat draagt niet bij aan de geloofwaarigheid van de pohtiek De ontwikkeling van het wettelijk minimumloon is te belangrijk om over te laten aan de loonontwikking of slechts twee afwijkingsgronden. De ontwikkeling van sociale uitkeringen is natuurlijk, ik heb het eerlijk gezegd, ook afhankelijk van de financiŽle gevolgen. Als je alle elementen op een rij zet, is het naar ons idee het beste om tegen de mensen die het betreft te vertellen dat er te allen tijde sprake is van een beleidsmatige afweging, van een beleid met betrekkig tot sociale uitkeringen en een beleid met betrekking tot de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon, wat moet passen in een verantwoorde sociaal-economische politiek en een verantwoorde financieel-economische politiek. leder jaar heeft het kabinet de verantwoordelijkheid om die afweging te maken. Om die reden zullen wij als VVD-fractie in ieder geval tegen deze wet stemmen. Hij is beter dan de Wet aanpassingsmechanismen, maar hij is niet goed genoeg.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Mijnheer de voorzitter! 0,875 in 1992. Wordt dat het einde van de koppeling? Hopelijk maar voor een jaar, zei Elske ter Veld afgelopen vrijdag. Hoezo solidariteit? Hoezo gelijkwaardige verdeling van de welvaart? Hoezo bestrijding van nationale verarming? Blijkbaar moet er eerst ontkoppeld worden alvorens er werk gemaakt wordt van werk. Reeds anderhalf jaar is deze ploeg bezig en hangt dit wetsvoorstel boven de markt. Al anderhalf jaar weet iedereen, wat de voorwaarden zullen zijn voor het handhaven van de koppeling. Ook wordt er al anderhalf jaar door dit kabinet niets wezenlijks ondernomen om die voorwaarden daadwerkelijk te vervullen en de koppeling mogelijkte maken. Hoezo koppelen als hoofdregel? Dat staat inderdaad allemaal op papier en dan? Dan wordt het moeilijk! Er is vanaf het begin geen serieuze poging ondernomen om dat werkelijk waar te maken. Het kabinet heeft in onze ogen de FNV als een baksteen laten vallen toen zij vorig jaar met het voorstel voor een centraal akkoord kwam. Wij hebben dat hier verschillende malen uitgedragen. Ook de reactie van het kabinet op het punt van de vierdaagse werkweek was teleurstellend. Het ging immers om het herverdelen van werk? Ook de reactie van de minister op het niet erg sociale en solidaire CAO-gedrag van werkgevers was teleurstellend. Ik heb een minister gezien die aan de ene kant veel gepleit heeft voor loonmatiging doch aan de andere kant akkoord moest gaan met een verlies van 45.000 banen in het kader van de Tussenbalans. Op die manierzo houd ik de minister voor en verzoek hem daarop te reagerenvraag je toch om een ongewenste beÔnvloeding van de verhouding actieven/inactieven? Op die manier krijgen de uitkeringsgerechtigden de rekening van zo'n beleid gepresenteerd. Het is van tweeŽn ťťn: of je respecteert de volledige vrijheid van sociale partners en je koppelt automatisch of je bouwt voorwaarden in, doch dan moet je kiezen voor een veel actievere positie. Ik heb de indruk dat die keuze niet echt gemaakt wordt. Voorzitter! Een van de toonaangevende en beeldbepalende pijlers van dit CDA/PvdA-kabinet is die koppeling. De koppeling is hersteld per 1

januari 1990. Dat wordt vooral gezien als een verdienste van de PvdA. De uitkeringsgerechtigden gingen er per 1 januari 1990 op vooruit. Dat vonden wij uitstekend. Dat heeft GroenLinks meer dan eens in deze Kamer duidelijk gemaakt. Ik moet dit echter op een tweetal punten relativeren. Allereerst heeft de koppeling alleen in 1990 reŽel geleid tot mťťr geld voor uitkeringsgerechtigden. Dat was ongeveer een tientje per maand. Ik spreek dan nog niet over de aanscherping van de kwijtscheldingsnormen en de verhoging van een aantal gemeenschappelijke nominale lasten die niet in het koopkrachtverhaal tot uitdrukking komen. In 1991 lijkt een deel van die oogstzo men van een oogst kan sprekenweer verloren te gaan. Vorige week bleek dat de minister van Sociale Zaken, onder andere gesteund door de Partij van de Arbeid, niet van plan is de koopkrachtdaling voor de sociale minima te compenseren. Dat kost misschien een paar piek per maand. Vervolgens was de inkt van het regeerakkoord nog niet droog en hadden de eerste uitbetalingen nog maar net plaatsgevonden, of de discussie over de ontkoppeling begon al weer. De uitkeringsgerechtigden hebben wel moeten weten dat de koppeling hersteld is. Solidariteit en een gelijke inkomensontwikkeling moeten nog steeds dagelijks worden afgedwongen. Voorzitter! Ik sprak al over de steun van de fractie van GroenLinks aan het herstel van de koppeling. Nu bhjkt echter, dat wij eigenlijk al tevreden moeten zijn als de ontkoppeling niet al te lang duurt. Zelfs de staatssecretaris, toch een van de warmste voorstanders van de koppeling, gaat overstag. Ook zij zegt: geen koppeling in 1992.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik vraag mij steeds af, waar ik dat zeg. Ik heb inderdaad gezegd, dat het met deze wet mogelijk is, dat de situatie zich aandient. Dat bekijken wij van de zomer. lets anders heb ik niet gezegd. Wij kunnen dat op zijn vroegst van de zomer beoordelen.

De heer RosenmŲller (GroenLinksj: Daaraan houden wij ons dan vast, voorzitter. Ik heb echter het idee dat er sprake is van een bepaalde sfeer; waar rook is, is vuur. Er verschijnen niet voor niets artikelen in de kranten. De uitspraken van de

staatssecretaris voor de radio geven aanleiding tot het schrijven van kranteartikelen. Als de staatssecretaris zegt dat er op dit moment geen sprake is van ontkoppeling en dat dat in de zomer gebeurt, dan is dat een ander bericht, dan waar wij vrijdag en zaterdag mee geconfronteerd werden. Ik stel dan vast dat er blijkbaar enige communicatiestoornis is tussen de staatssecretaris en de Kamer. Het is dan misschien ook goed om wat zij voor de radio heeft gezegd even te bewaren totdat zij in de Kamer helderheid heeft verschaft over hetgeen zij vindt met betrekking tot de koppeling. Dan hoeven wij geen uitspraken te doen op basis van kranteberichten. Wat dat betreft is onze informatievoorziening van de kant van het kabinet niet altijd optimaal. Natuurlijk is er gezegd dat als er gesproken zou moeten worden over ontkoppeling, dat op zo kort mogelijke termijn zou moeten gebeuren. Ik wil aan de staatssecretaris vragen of zij niet vindt dat in 1990en 1991 alles had moeten worden gedaan om de koppeling mogelijkte houden, in plaats van nu te zeggen dat in 1992 alles moet worden gedaan om de koppeling mogelijk te maken. Welke uitkeringsgerechtigde zal daar nog enig vertrouwen in hebben? Het zijn twee of anderhalf toch enigszins verloren jaren. Dit alles leert de uitkeringsgerechtigden dat zij slechts onder stringente voorwaarden iets meer geld zullen ontvangen. Het gaat bepaald niet echt van harte. De koppeling heeft voor hen misschien een meer sociale dan een materiŽle betekenis. Voor 1,5 miljoen mensen, die langdurig op een sociaal minimum zijn aangewezen, voor wie de gang naar de arbeidsmarkt is afgesloten en die kampen met de gevolgen van langdunge werkloosheid of permanente arbeidsongeschiktheid, telt elke gulden. Het past de politiek niet daar licht over te doen en licht over na te denken. Dat is ook mijn kritiek op de stellingname van de fractie van de Partij van de Arbeid in het debatje van verleden week over het behoud van de koopkracht voor de minima. Over een beetje koopkrachtverlies praten wij niet meer, maar als het een beetje veel is, wordt het anders. Ik zei toen al in informele sfeer: als de minima natte voeten krijgen, laten wij het zo zitten, maar op het moment dat zij natte billen krijgen,

gaan wij er mogelijk iets aan doen. Dat soort grenzen zijn toch altijd arbitrair?

De heer Van Zijl (PvdA) De beeldspraak van de heer RosenmŲller is heel mooi. Er is echter gezegd dat, als in de zomer blijkt dat de minima vanwege allerlei ontwikkelingen, waaronder de inflatie, substantieel te lijden zouden hebben aan die ontwikkelingen, de regering alles in het werk moet stellen om de koopkracht waar mogelijk te repareren. Dat hoeft niet te gebeuren in termen van koopkrachtgaranties, maar het moet wel een seneuze opdracht zijn om te herstellen waar dat mogelijk is. Zo heb ik het gezegd. Het spreken over billen en natte voeten doet het heel aardig, maar het is niet de weergave van het debat van verleden week.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Dat het het heel aardig doet, is al een winstpunt. Er is de afgelopen week natuurlijk meer aan de orde geweest. Ik heb vernomen -dat heeft de heer Van Zijl ook kunnen vernemendat de fractie van de PvdA in het verleden met betrekking tot het beleid ten behoeve van de minima, wat het verstrekken van garanties voor koopkrachtbehoud betreft, een prominente plaats heeft ingenomen. De heer Van Zijl heeft die positie in het debat van afgelopen week losgelaten. Hij heeft gezegd dat als het gaat om de paar dubbeltjes van de heer RosenmŲller, dat niet substantieel is, maar dat hij het op het moment dat het substantieel wordt, zal bekijken Hij zei dat ook in de richting van de minister, waarop de minister zei dat het wat moeilijk was om daarop in te gaan, omdat altijd arbitrair is wat nu een beetje is en wat een beetje veel. Het politieke uitgangspunt van het handhaven van de garantie, namelijk dat minima niet voor niets minima zijn en dat omdat zij minima zijn de koopkracht beschermd moet worden, is een uitgangspunt dat de heer Van Zijl en ik lang gedeeld hebben, maar waarvan mij verleden week bekend werd dat hij dat niet meer deelt.

De heer Van Zijl (PvdA): Binnen de Partij van de Arbeid wordt al jarenlang een warme discussie gevoerd over de kwestie van koopkrachtgarantie of niet. Wij hebben echter niet formeel vastgesteld dat er sprake moet zijn van koopkrachtgaranties. Wij zeggen dat, aangezien het hier om de laagste mkomens gaat, de regering alles in het werk moet stellen om als, als gevolg van wat voor ontwikkeling dan ook, die inkomens onder druk komen te staan, die te repareren waar dat mogelijk is. De heer RosenmŲller legt mij voortdurend in de mond dat de Partij van de Arbeid voor koopkrachtgarantie is, maar dat is niet waar.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Dat heb ik verleden week ook duidelijk gemaakt. Ik heb hier gezegd dat mijn kritiek op de opstelling van de fractie van de PvdA is, dat zij het behoud van de koopkracht voor de minirna loslaat.

De heer Van Zijl (PvdA): De VVD is tegenwoordig voor koopkrachtgarantie. Dat is een andere partij.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Ook daar heb ik verleden week heel duidelyk op geanticipeerd. Ik heb daar ook kritiek op geleverd. Wat dat betreft is de stelling van mijn fractie helder. Daar bestaat geen misverstand over. Er kan ook geen misverstand over bestaan dat ik de opstelling van de PvdA-fractie bekritiseer op het punt van het behoud en de bescherming van de koopkracht voor uitkeringsgerechtigden en voor de minima, waarover het in het debatje van vorige week ging. Ik wil over het volgende punt helderheid verkrijgen. Ik vind niet dat knokken voor het behoud van koopkracht voor uitkeringsgerechtigden en voor de minima te maken heeft met een oppositionele rol, maar dat dit behoort bij een politieke opvatting. Sterker nog, niet alleen die kant van de Kamer zou zich hier druk om moeten maken en dat gebeurt trouwens ook niet, zo blijkt uit het debat. Maar er moet niet alleen gekeken worden naar het materiŽle aspect maar ook naar het sociale aspect, dat vanuit de politiek het signaal geeft dat je je daadwerkelijk druk maakt om de positie van de minima. Ik vind het dan wat goedkoop als ik uit uitspraken van collega's van de heer Zijl verneemweliswaar in de krantdat door hen, op het moment dat de heer Zalm een dergelijke uitspraak doet de koopkrachtplaatjes van het CPB zwaar gerelativeerd worden. Ik vind dat niet zo'n sterk argument.

De heer Van Zijl (PvdA): Voorzitter!

Volgens mij haalt de heer RosenmŲller enkele zaken door elkaar. Hij heeft het over knokken om de koopkracht van de mensen met de laagste inkomenste beschermen. Hierover bestaat geen twijfel. Deze kan ook niet zijn gerezen na het debatje van vorige week. Wij hebben hierover dezelfde opvatting gekoesterd. Er staat mij echter vaag bij dat in een eerder debat vorig jaar over de begroting van FinanciŽn -dat is mij tenminste verteld en ik neem aan dat dit waar isin een discussie tussen de heer RosenmŲller en de heer Melkert het element koopkrachtgarantie in beeld is geweest. Toen kon ook de fractie van GroenLinks niet garanderen dat koopkrachtgarantie onder alle omstandigheden geboden kon worden. Wanneer de heer RosenmŲller zegt dat alles in het werk gesteld dient te worden en dat ervoor geknokt dient te worden, dan zijn wij het zeker met hem eens. Dat hebben wij ook vorige week in het desbetreffende debatje gezegd. Maar veel meer kun je de mensen niet bieden, denk ik.

©

P. (Paul)  RosenmŲllerDe heer RosenmŲller (GroenLinks): Wij hebben in het debatje afgelopen week helderheid proberen te krijgen over het feit dat de minima een koopkrachtgarantie en een bescherming van de koopkracht nodig hebben. Die opstelling heb ik van de kant van de fractie van de PvdA in het debat niet gehoord. Dat heeft mij teleurgesteld, want ik had niet alleen graag de heer Van Zijl aan onze kant willen hebben, maar de hele Kamer. Dat is niet alleen in ons belang, maar in dat van de uitkeringsgerechtigden. Ik heb geprobeerd om duidelijk te maken dat naast het materiŽle aspect het politieke signaal vanuit de Kamer in de richting van de uitkeringsgerechtigden belangrijk is, namelijk dat de bescherming van de koopkracht ons inderdaad iets waard is. Voorzitter! Ik zei al dat naast de materiŽle betekenis het sociale belang van de koppeling minstens zo groot is. Wie in een positie verkeert dat de zo sterk gewaardeerde arbeid niet binnen bereik ligt en permanent geconfronteerd wordt met moderne armoede, krijgt niet het idee dat Den Haag zich vooral voor hen inzet. Ik noem de uitspraken van collega Brinkman, de kwestie rond het minimumloon, de voortdurende discussie over fraude, de plannen voor verlaging, beperking, afschaffing van de arbeidsongeschiktheid.

Men kiest maar. Het gaat hier te weinig over de morele plicht die de politiek heeft om mensen die in zoveel opzichten buiten de samenleving staan, een leefbaar inkomen te garanderen. Nieuwe werkgelegenheid, sociale vernieuwing, allemaal prima, maar het gaat voorbij aan heel veel mensen voor wie werk niet meer boven inkomen kan gaan. Als de minister van Sociale Zaken, zoals hij vorige week deed, dan spreekt over dreigende nationale verarming, dan constateer ik dat velen vanuit vakbeweging, kerkelijke en sociale bewegingen, de politici al enkele jaren ervan proberen te overtuigen dat dit proces al gaande is. Verarming dreigt niet, maar is al lang een feit. In ieder geval vergroot je voor die groep het isolement en de verarming door de koppeling los te laten. Willen beide bewindslieden op dit vraagstuk ingaan? Hoe denken zij de bestaande verarming zonder koppeling te keren? Voorzitter! De WKA lijkt op een compromis tussen de WAM en de WBA. lemand die nu naar de draadomroep luistert, begrijpt hier natuurlijk niets van. De koppeling die wij vandaag bespreken is een compromis tussen de koppeling die in de jaren tachtig gold en veelal buiten werking is gesteld en de WBA, zoals die kort bestaan heeft in de nadagen van het vorige kabinet. Voorzitter! Was de eerste een automatische koppeling, de tweede was een politieke koppeling en wat wordt het nu? Wij spreken wel over een wettelijke regeling, waarbij volledige koppeling op papier de hoofdregel is. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat uitkeringsgerechtigden zekerheid moeten hebben en dat hun recht op een deel van de welvaart is vastgelegd en niet afhangt van de politieke waan van de dag. Daarmee houdt de gelijkenis met de WAM op. Want dit wetsvoorstel kent een tweetal afwijkingsgronden en komt daarmee zeer dicht bij de WBA. Bij die wet was koppeling uitdrukkelijk niet de hoofdregel, maar afhankelijk van de ontwikkeling van een aantal criteria. De onzekerheid die dat voor uitkeringsgerechtigden met zich bracht, was voor de Raad van State en later voor het kabinet aanleiding een garantie voor koopkrachtbehoud op minimumniveau, juist als tegenwicht voor het ontbreken van een hoofdregel voor de aanpassing, op te nemen in de wet. Het moge nu zo zijn dat deze wet weliswaar de hoofdregel kent van koppeling, maar het argument dat de Raad van State ertoe bracht te pleiten voor een beleidsmatige aanpassing met koopkrachtgarantie voor de minima, is naar mijn mening ook onverkort van toepassing op dit wetsvoorstel. Het voorstel wordt immers gekenmerkt door discussie over de afwijkingsgronden en het terugdringen van de hoofdregel naar de achtergrond. Het principe lijkt meer en meer te worden: ontkoppeling, tenzij... Over onzekerheid voor uitkeringsgerechtigden gesproken! Voorzitter! Wat gebeurt er als er ontkoppeld gaat worden? De minister stelt op bladzijde 5 van de memorie van antwoord: "Als in de zomer redelijkerwijs moet worden aangenomen dat met inachtneming van eventuele maatregelen de verhouding inactieven/actieven dreigt uitte stijgen boven de 0,86 moet in lijn met het wetsvoorstel een zodanige afwijking van de koppeling worden overwogen dat minimumlonen en sociale uitkeringen worden verhoogd conform de prijsontwikkeling". Dat mag wat ons betreft wel een graadje scherper. In de nota naar aanleiding van het eindverslag gebeurt dat dan ook. De minister zegt daar: "Een aanpassing tussen prijs en loonontwikkeling in is dus ook mogelijk. Zoals aangegeven in de memorie van antwoord" ... "kiest de regering in die situatie voor het volgen van de prijsontwikkeling". Ik maak hieruit op, dat de minister dus kiest voor een bodem op het niveau van de koopkrachtgarantie. Hij garandeert de koopkracht van de uitkeringsgerechtigden. Is dat zo? Overigens spreekt hij zich tegen het laatste citaat in vergelijking met het eerste citaat. Kortom, dat behoeft enige toelichting en ik wil hem vragen die donderdagochtend te geven. Ik heb al gezegd dat ook in dit wetsvoorstel grote onzekerheden voor uitkeringsgerechtigden schuilgaan. Het behoud van de koopkracht is toch wel het minimale dat je mensen met een uitkering zou moeten garanderen. Dat moet je niet alleen overwegen, dat moet je gewoon doen. Ik heb daarom een amendement ingediend, dat een steun voor de bewindslieden is voor een deel van de schriftelijke behandeling. Het lijkt echter op gespannen voet te staan met een ander deel van de schriftelijke voorbereiding. Ik heb mijn nadrukkelijke keuze gemaakt en

ik hoop de bewindslieden donderdag aan onze zijde te vinden. Er is nog een reden om dit amendement in te dienen. Tot nu toe zijn wij uitgegaan van het idee dat er niks aan de hand is, zolang er gekoppeld wordt. De koppeling leidt altijd tot minimaal koopkrachtbehoud voor de uitkeringsgerechtigden, maar het tegendeel bleek dit jaar. Ondanks de koppeling daalt zeer waarschijnlijk de koopkracht van de uitkeringsgerechtigden. Ook dat kan natuurlijk niet. De huidige inkomensniveaus, meestal op het minimum, vormen een vloer waar je niet doorheen kunt zakken. Dat moet het kabinet garanderen. Het amendement heeft dus betekenis in een situatie van ontkoppeling en het kan een betekems hebben in een situatie van koppeling. Volgens de stukken zou het kabinet geen moeite moeten hebben met deze garantie tot koopkrachtbehoud. Het streven naar koopkrachtbehoud alleen acht de regering immers in gunstige sociaal-economische omstandigheden niet voldoende. Daar ben ik het voluit mee eens. In de memorie van toelichting zegt zij met zoveel woorden nog een stap verder te willen gaan en te kiezen voor het uitgangspunt van een parallelle inkomensontwikkeling. Dit suggereert op z'n minst gelijke mate van reŽle inkomensverbetering. Het kan dan toch nooit de bedoeling zijn geweest, ook niet van de Partij van de Arbeid, om herstel van de koppeling gepaard te laten gaan met koopkrachtdaling voor de uitkeringsgerechtigden? Dat laatste lijkt nu echter wel aan de orde te zijn. Dat mag dan op zichzelf externe oorzaken hebben, maar dat mag geen vrijbrief zijn om koopkrachtdaling van uitkeringsgerechtigden te accepteren en vandaar mijn amendement. Ik vraagik zou bijna zeggen: uiteraard-de bewindslieden een reactie hierop. Ik vraag aan hen en aan de Partij van de Arbeid klip en klaarwaarom zij die koopkrachtgarantie niet willen geven. Wij hebben er net bij interruptie ook al over gesproken. Later in de middag of aan het begin van de avond komen wij er misschien wel op terug naar aanleiding van het verhaal van de heer Van Zijl. Waar ligt bij de minister de grens? Bij 0,5% koopkrachtachteruitgang? Bij 1,0% koopkrachtachteruitgang? Kortom enige vorm van duidelijkheid is gewenst. Voorzitter! Hoewel de minister in de nota naar aanleiding van het eindverslag zegt dat het voorliggende wetsvoorstel in begmsel los moet worden gezien van het voor 1992 te voeren beleid inzake de koppeling, zijn hierover natuurlijk vele vragen te stellen. Wij zijn het overigens eens met de minister dat het hier gaat om een structurele wet. Het feit dat wij deze toch in vrij grote mate van haast nog voor het zomerreces behandelen, wordt op zichzelf gerechtvaardigd door te wijzen op de duidelijkheid die dit voor uitkeringsgerechtigden in 1992 zou moeten geven. De directeur van het Centraal planbureau heeft onlangs tegen de Commissie voor economische zaken gezegd dat de getalsverhouding inactief/actief in het economisch beeld, geraamd op 0,868 in 1992, heden ten dage alweer is gestegen. Ik noemde in het begin al de meest recente schatting van het CPB: 0,875. Kan de minister dat cijfer bevestigen? Waar komt die stijging vandaan? Ik vraag dit ook, omdat de staatssecretaris van sociale zaken de SER vorige week heeft gealarmeerd over een onvoorziene stijging van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in de komende jaren. Ik neem aan dat een en ander met elkaar verband houdt. Ook belangrijk is wat de norm op dit moment is. In de schriftelijke voorbereiding heeft de minister aangegeven dat het kabinet deze zomer zal beslissen over de koppeling in 1992. De vraag is op basis van welke gegevens dat gebeurt. Acht de minister de uitkomsten, die in de MEV tot uitdrukking komen, hard genoeg om ontkoppeling te overwegen? Nog even los van de discussie over de afwijkingsgronden, waarover ik nog zal spreken, is het natuurlijk uiterst ongelukkig, zo niet uiterst onwenselijk, dat de nieuwe koppeling meteen al bij de start sneuvelt. Waarom zou zij ook? De aanpassing per 1 januari 1992 is slechts 50% van de totale geraamde contractloonstijging volgens de MEV. Daar kan men zich eigenlijk geen buil aan vallen Bovendien heeft het kabinet tal van voornemens die erop zijn gericht, het aantal inactieven te verminderen en het aantal actieven te vergroten. Deelt de minister mijn mening dat het in deze situatie absoluut ongewenst is om te beslissen over ontkoppeling? In het kader van het voorliggende wetsvoorstel kan dat op zijn vroegst halverwege 1992 gebeuren.

Dan kom ik op de afwijkingsgronden. Het opnemen van een eventuele bovenmatige loonstijging als afwijkingsgrond leek mij wat haaks te staan op het grote vertrouwen dat deze minister voortdurend heeft en uitdraagt in de richting van de sociale partners. Een-en andermaal heeft hij uitgesproken dat er sprake moet zijn van goed overleg en niet van dwingende maatregelen. Waarom wordt dan juist deze afwijkingsgrond opgenomen? Dat is toch een tamelijk dwingende maatregel? Is hier sprake van een veranderende houding van de minister in de richting van de sociale partners? Is hij tot de conclusie gekomen dat goed overleg alleen niet voldoende werkt? Ik concludeer op voorhand uit de stukken dat de minister wat meer op zijn strepen gaat staan. Wie spreekt de minister nu eigenlijk aan met dit wetsvoorstel? In de afgelopen tien jaar moet de minister toch overtuigd zijn geraakt van de constructieve houding van met name de vakbeweging inzake de gemiddelde contractloonstijging. Als er iets was aan te merken op de verhouding tussen inkomensverbetering en werkgelegenheidsmaatregelen in de CAO's, kan dat de vakbeweging moeilijk worden verweten. Het zijn voortdurend veelal de werkgevers geweest, die dergelijke CAO-bepalingen van tafel hebben geveegd Het was simpelweg onbespreekbaar. Het opnemen van deze afwijkingsgrond pakt echter zo uit dat het een bonus is voor niet-solidair gedrag van werkgevers. Het door het kabinet geformuleerde uitgangspunt van solidariteit heeft onze volle steun, zoals ik meermalen heb gezegd. Maar de praktijk van alledag leert ons wel dat in de decentrale onderhandelingen te veel contracten worden afgesloten, die te weinig rekening houden met dat uitgangspunt. Van werkgevers kan dat ook niet echt worden verwacht. Zij hebben meermalen laten weten dat zij erg weinig boodschap hebben aan dat aspect. Ik vraag de minister of hij niet vindt dat er wat meer energie moet worden gestopt in het overtuigen van werkgevers om lovenswaardige doelstellingen zoals solidariteit tussen werkenden en niet-werkenden te realiseren. Ik formuleer het vriendelijk, maarwel serieus. De minister dreigt de heer Rinnooy Kan nu met ontkoppeling, wat de werkgevers op zichzelf al jaren

willen. Hoe kan de minister nu verwachten dat werkgevers zich met deze wet in de hand wel solidair opstellen? Deze nieuwe omgangsformule met sociale partners legt te eenzijdige druk op de vakbeweging, die in ieder geval de partij is, die zich ook in de solidariteitsgedachte van het kabinet kan vinden Zij laat de werkgeverspartij te veel ongemoeid. Voorzitter! Wat mij vooral tegen de borst stuit is, dat de sanctie op het niet nakomen van loonmatigingswensen van de regering uitsluitend de mensen met een uitkering treft. In de discussie over het milieu gaan wij uit van het principe "de vervuiler betaalt". In het strafrecht draait de verdachte zelf op voor overtreding van de een of andere wet en nooit zijn buurman. Bij deze wet ligt het anders. Niet solidair gedrag van de sociale partners wordt bestraft met ontkoppeling en die treft mensen die niet aan de CAO-tafel zitten, geen echte invloed hebben op de besluitvornning tussen en binnen de sociale partners en part noch deel hebben aan wat daar echt gebeurt. De sanctie treft dus hen die voor een belangrijk deel buiten het speelveld staan en dat vind ik een moeilijke zaak. Je kunt uitkeringsgerechtigden ook niet echt duidelijk maken, dat zij moeten opdraaien voor het gedrag van anderen Geen wonder dat sommigen dan niet echt meer begrijpen waarmee wij hier bezig zijn.

De heer Linschoten (VVD): Ik dacht dat de heer RosenmŲller altijd de stelling betrokken had, dat de vakbeweging ook uitkeringsgerechtigden vertegenwoordigde, ook aan de CAO-tafel. Maar dat daargelaten, waarom concentreert hij zijn verhaal helemaal op niet solidaire werkgevers? Wij kennen in dit land ook een aantal bonden die met zeer bovenmatige looneisen volgend jaar ook wel eens heel onsolidair zouden kunnen zijn met al die uitkeringsgerechtigden.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Ik concentreer mijn verhaal op een belangrijk aspect van het niet welslagen van het noodzakelijke werkgelegenheldsbeleid. Ikzieeen van de sociale partners, met name de werkgeverspartij, als de partij die een werkelijk via decentrale onderhandelingen ingevuld werkgelegenheidsbeleid feitelijk onmogelijk maakt. Als u mij vraagt, of er ook bonden zijn die loonstijgingen voorstellen, waarbij je je nog wel eens achter de oren moeteri krabben, dan geef ik u dat gelijk toe. Echter, het gaat er niet om -zo bouw ik mijn verhaal althans niet op -de uitzondering tot een majeur punt van het verhaal te maken.

De heer Linschoten (VVD): Datzelfde geldt voor de werkgevers.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Nee, dat geldt niet voor de werkgevers, want de werkgeverspartij zie ik als een partij die niet alleen in de decentrale onderhandelingen, maar zelfs als centrale werkgeversorganisatie een aantal van de kant van de vakbeweging aangedragen wezenlijke elementen om te komen tot een fundamenteel beleid, gericht op uitbreiding van de werkgelegenheid, onbespreekbaar maakt. Een aantal dingen is gewoon onbespreekbaar. Dat vind ik zeer ernstig, ook in relatie tot de koppeling. Het gaat uiteindelijk om de verhouding inactieven/actieven, waarbij wij het eerste aantal willen verminderen en het tweede aantal willen verhogen. Wij weten dat wij dit niet hier kunnen beslissen, maar dat dit in belangrijke mate buiten deze Kamer en buiten Den Haag zal moeten gebeuren. Dit alles is voor mij reden om met name die partij aan te spreken, die zich niet solidair genoeg opstelt om datgene wat wij hier proberen te bereiken, namelijk het handhaven van de koppeling, binnen beeld te houden. Ik had al gezegd, dat mij dit tegen de borst stuit. Voorzitter! Het komt erop neer, dat de inkomenspolitiek die Den Haag wil voeren dus mede afhangt van het gedrag van sociale partners. Eerlijk gezegd, ben ik bepaald niet gerust op de uitkomsten van deze vrijage, zoals ik het noem, met het maatschappelijk middenveld. De fractie van GroenLinks heeft absoluut geen behoefte aan een tripartisering van de koppeling. De minister kiest uitgerekend deze weg om sociale partners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid. Er zijn nog andere wegen. Hoe kan het zijn dat er in de schriftelijke voorbereiding met grote regelmaat sprake is van dat overleg, terwijl als het erop aankomt de minister van mening verschilt met de minister-president over de vraag of dat overleg wenselijk is? Even de vraag hoe sociale partners tegenover centraal overleg staan buiten beschouwing latend, vraag ik of de minister dan niet onze mening deelt, dat het juist in het belang is van uitkeringsgerechtigden, dat het kabinet initiatieven neemt tot dat centraal overleg, waarbij de inzet zou moeten zijn om voor volgend jaar te komen tot raamafspraken, gericht op uitbreiding van de werkgelegenheid. Zo ja, is hij bereid de sociale partners van dat belang daadwerkelijk te overtuigen? Refererend aan de bijdrage van collega Linschoten merk ik op, dat ik natuurlijk weet dat het maken van centrale afspraken niet iets is dat je kunt afroepen over sociale partners. Natuurlijk zullen beide daarin belang moeten zien, maar het belang van het terugdringen aan het veel te hoge aantal inactieven is niet vanzelfsprekend door werkgevers geuit als zijnde ook een belang van hen. Daarvan zullen naar mijn idee werkgevers overtuigd moeten raken. Ik denk dat er voor de minister van Sociale Zaken wat dat betreft een belangrijke taak weggelegd is. Dat laat onverlet wat de heer Linschoten in onze richting suggereerde. Een solidair, op de toekomst gericht beleid vergt in laatste instantie altijd een politieke keuze en die zullen wij ook maken. Echter, die keuze wordt vergemakkelijkt wanneer men de sociale partners aan zijn zijde weet. Dat kan voor kortere of voor langere termijn worden bereikt met het afsluiten van een centraal akkoord, waarbij de werkgelegenheid prominent en niet vrijblijvend de nadruk krijgt. Voorzitter! Vervolgens rijst de vraag of de loonmatiging die de minister met deze wet wil afdwingen, wel tot de gewenste uitbreiding van werkgelegenheid leidt. In het voorlopig verslag heeft mijn fractie al kenbaar gemaakt dat het kabinet wel Ťrg veel verwacht van loonmatiging. Mijn indruk is dat de huidige hoge rente veel schadelijker voor de werkgelegenheid is dan de huidige loonstijging. Immers, de kapitaalskosten zijn te hoog geworden. Afgezien daarvan geldt dat lage loonstijgingen zonder aanwending van de resterende loonruimte niet alleen voor de vakbeweging een moeilijk te verteren situatie opleveren. Het kabinet laat wat dit betreft naar ons oordeel een kans liggen. Waarom zegt de minister niet: sociale partners, ik doe dit of dat wanneer in CAO's niet voldoende werkgelegenheidsafspraken tot stand komen? Misschien, voorzitter, moet men dit voor zijn. Na dit CAO-seizoen

en voor het volgende CAO-seizoen bestaat er dit najaar de mogelijkheid om hierover afspraken te maken. Waarom is de minister gefixeerd op te hoge loonstijgingen? De door mij bepleite inzet zou een positief signaal kunnen zijn in de richting van werknemers en dat moet deze vriendelijke minister toch bijzonder aanspreken. Het is in dit kader ook van belang, van de minister enige duidelijkheid te krijgen over de verhouding tussen deze afwijkingsgrond en de uiteindelijke, alles overheersende en bepalende toets, namelijk de verhouding tussen actieven en inactieven: 0,86. Mocht de loonontwikkeling in een bepaald jaar gierend de pan uit rijzen maar zou deze ontwikkeling, als gevolg van welke situatie dan ook, niet van invloed zijn op de genoemde verhouding, dan wordt er gewoon gekoppeld. Of zien wij dit verkeerd? Ik wil hierover graag volstrekte duidelijkheid, ook in deze Kamer. Gesteld, dat de afwijkingsgrond van de bovenmatige loonontwikkeling niet in de wet zou zijn opgenomen en dat er in een bepaald jaar wŤl sprake zou zijn van die ongewenste ontwikkeling, dan zou ongetwijfeld uit de berekeningen van het CPB blijken dat dit de werkgelegenheid en daarmee de verhouding tussen actieven en inactieven in negatieve zin zou beÔnvloeden. Er is in die situatie, in de gedachten van het kabinet, geen vuiltje aan de lucht om alsnog te ontkoppelen. Waarom neemt de minister eigenlijk deze afwijkingsgrond in de wet op als situaties als deze toch gedekt lijken te zijn? Graag verkrijgen wij ook hierover duidelykheid Ook de in de Tussenbalans aangekondigde strafheffing die werkgevers en werknemers opgelegd krijgen als de koopkrachtbehoudlijn wordt overschreden zonder dat de koppeling wordt aangetast, kunnen wij op zichzelf moeilijk rijmen met de visie van deze minister waar het de verhouding met de sociale partners betreft. De veel geprezen contractvrijheid begint zo langzamerhand haar grenzen te naderen. Heeft de minister nu wŤrkelijk de gedachte dat dit dreigement bij de onderhandelaars indruk maakt? Heeft dit niet veel eerder de goede verhoudingen verziekt? De werkgevers willen mede doordeze maatregel niet meer met het kabinet rond de tafel gaan zitten. Is de minister niet van oordeel dat alle zorgen over een te forse loonstijglng in de afgelopen maanden iets te hard zijn geroepen? De tweede afwijkingsgrond betreft de volumeontwikkeling. Voorzitter! Met het opnemen van deze afwijkingsgrond lijkt het kabinet zichzelf te willen straffen voor het mislukken van het beleid, gericht op uitbreiding van werkgelegenheid, vergroting van de arbeidsparticipatie en daarmee het verbreden van het draagvlak voor de sociale zekerheid. Natuurlijk is ook hier de relatie met de sociale partners van belang maar het kabinet kent ook een eigen lijn. Wellicht kan de minister aangeven wat nu precies de pijlers zijn waarop dit beleid rust. Een voorschotje op de door hem aangekondigde werkgelegenheidsnota die in het najaar zal verschijnen, is wat ons betreft van groot belang. Wij zouden ons graag iets kunnen voorstellen van de wijze waarop dit volume moet worden teruggedrongen; anders blijft het allemaal veel te veel een lege huls. Het beroep op de sociale zekerheid komt voor een gedeelte neer op een autonoom proces. Ik denk hierbij aan de vergrijzing en verwijs naar de zeer duidelijke cijfers die wat dit betreft in de nota naar aanleiding van het eindverslag zijn opgenomen. Van de groei in het totale volume tussen 1990 en 1994 komt ongeveer 130.000 voor rekening van de stijging in het kader van de AOW. Echter, ook de bewuste keuzen die het kabinet maakt, kunnen hier van belang zijn. Als voorbeeld noem ik een wat ruimhartiger toelatingsbeleid met betrekking tot asielzoekers. Het getuigt in die situatie niet van veel solidariteit wanneer uitkeringsgerechtigden de prijs moeten gaan betalen van zo'n humane politiek. Ik verzoek de minister om ook hierop in te gaan. Het had allemaal zo eenvoudig kunnen zijn met het wetsvoorstel, want uiteindelijk gaat het zoals ik al zei om de verhouding tussen inactieven en actieven. Of die verhouding wel of niet stijgt boven 0,86 is bepalend voor de vraag of ontkoppeling in beeld komt. De minister heeft ons nog lang niet duidelijk kunnen maken waarom deze verhouding niet in de wet wordt opgenomen. Voor een kabinetsperio-de kun je een kwantitatieve invulling geven door middel van een AMvB. Juist het hanteren van het criterium maakt alle discussies over afwijkingsgronden eigenlijk oninteressant. In de nota naar aanleiding van het eindverslag bevestigt de minister op onze vraag de stelling, dat als in 1992 of daarna op een of andere wijze het cijfer hoger uitkomt dan 0,86 er sprake kan zijn van ontkoppeling. Dat hoeft dus niet alleen te liggen aan de afwijkingsgronden. Niet alleen een loon-of volumestijging kan dus leiden tot wijziging in de getalsverhouding. Ik noemde al de hogere rente, maar ook de ontwikkeling van de internationale handel leidt tot bepaalde werkgelegenheidseffecten. Of neem het bestedingsbeleid van de overheid. De Tussenbalans leidt tot een direct verlies van ruim 45.000 banen. Dus zal deze operatie in de huidige kabinetsperiode bijdragen aan een verhoging van de 0,86-norm. Kortom, van alles en nog wat beÔnvloedt het cijfer. Is de minister het met ons eens, dat alle afwijkingsgronden die tot een negatieve aanpassing van het getal leiden in feite reden zijn om de ontkoppeling in beeld te brengen, dan wel tot ontkoppeling over te gaan? De helderheid van de opstelling van de regering is ermee gediend, uitsluitend de getalsverhouding, dat wil zeggen de verhouding tussen Inactieven en actieven, in de wet op te nemen en de rest weg te laten. Dat is wat de minister zegt in de stukken. Dat is ook een relativering, maar daar kom ik zo op. Ik constateer, dat de derde afwijkingsgrond, de financiŽle problematiek van de overheid, weliswaar niet in de wet is opgenomen, maar via een achterdeur is binnengekomen. Het debat over de Tussenbalans heeft duidelijk gemaakt, dat de financiŽle positie van de overheid op z'n minst op indirecte wijze van invloed is op de verhouding tussen inactief en actief. Het onderscheid tussen het direct ontkoppelen als gevolg van flnanciŽle problemen en het naderbij brengen van het moment van ontkoppelen door het "frustreren" van de werkgelegenheidsontwikkeling als gevolg van bezuinigingen mag toch nauwehjks substantieel genoemd worden. In feite kiest de regering eerst voor die bezuinigingen en dan pas, als gevolg daarvan, mogelijk voor koppelen. De facto is er dus toch de derde afwijkingsgrond. Dat is toch enige relativering van het niet opnemen van de derde afwijkingsgrond en misschien enige relativering van het compliment dat collega Linschoten aan het adres van de Partij van de Arbeid uit.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in de schriftelijke voorbereiding uiterst omzichtig bij het beantwoorden van de vraag wanneer er nu ontkoppeld wordt. Als wij door het plafond van de 0,86 heen schieten kan het maar..., en dan komt er een heel verhaal. De vorige maand was de minister-president in het de bewindslieden niet onbekende blad CDAktueel een stuk duidelijker. Hij zei dat het een misverstand is dat het kabinet nog moet beslissen over de toepassing van de wet. Ik citeer: "Het is geen kwestie van beslissen, maar van meten". De minister-president veronderstelt derhalve een directe relatie tussen het meten van het verhoudingsgetal enerzijds en het beantwoorden van de vraag of er gekoppeld moet worden of niet anderzijds. Wat er nu precies gebeurt op het moment dat onverhoopt de norm van 0,86 overschreden wordt blijft uitermate vaag. Is er een norm vastgesteld waarbij direct tot ontkoppeling wordt overgegaan? Wat zijn in die situatie nog de mogelijkheden om via beleidsbijstellingen het aantal inactieven te laten dalen, opdat in de systematiek van het wetsvoorstel de koppeling intact kan blijven? Leidt dit niet tot een oeverloos touwtrekken tussen beide coalitiepartners of mensen van dezelfde politieke signatuur in het kabinet, omdat de recente geschiedenis op z'n minst geleerd heeft, dat de PvdA minder snel bereid zal zijn om tot ontkoppeling over te gaan dan het CDA? Er is nogal wat interpretatieruimte. Wat gebeurt er overigens als de wet wel op 1 januari in werking treedt, maar het kabinet gelijk besluit tot ontkoppeling? Welke maatregelen worden er dan genomen ter ondersteuning van de koopkracht, zoals de minister in de memorie van antwoord heeft aangekondigd? Kan, nu bijna alle actoren meer praten over ontkoppeling per 1 januari aanstaande, de minister eens verduidelijken hoe hij de lastenverlichting in het traject van de eerste schijf wil betalen? Kan hij wat concreter zijn over de door hem bepleite fiscale herschikking om toch te komen tot een evenwichtig koopkrachtbeleid? Volgens mij is zo'n operatie aanzienlijk duurder dan een koppelingsoperatie. Ik heb dan ook graag dat in dezen wat duidelijkheid wordt verschaft. Is de conclusie die de leden van de PvdA-fractie in het eindverslag trekken, juist dat, indien er ontkoppeld zou worden, het beginsel van gelijk delen in de welvaartsontwikkeling onverkort van kracht blijft? Als dit niet gerealiseerd kan worden via de door de minister aangekondigde lastenverlichting/fiscale herschikkingsoperatie, aan welke instrumenten denkt hij dan om dit principe overeind te houden? Ik vraag ook de collega's van de PvdA wat zij hiermee eigenlijk bedoelen. Wat is dat: ontkoppelen aan de ene kant en aan de andere kant de gelijke welvaartsontwikkeling in stand houden? Dat behoeft zeker enige verduidelijking. De rol van het Centraal planbureau is een heel cruciale bij de beantwoording van de vraag, of de koppeling al dan niet gehandhaafd kan worden. Als het gaat om de raming van de contractloonstijging wordt dit belang gerelativeerd, omdat uiteindelijk de realisatie van de contractloonstijging de doorslag geeft. Maar bij de berekening van de verhouding niet-actieven/actieven, kunnen er meningsverschillen optreden, zoals wij die ook tegenkomen bij het economisch beeld. Daarin staat het planbureau op het standpunt dat de aangekondigde maatregelen in de Tussenbalans, waaruit de bezuiniging op de sociale zekerheid moet voortvloeien, niet in de projectie kunnen worden betrokken. Wat nu, indien er een meningsverschil op dit gebied bestaat tussen het kabinet en het Centraal planbureau? Geven de CPB-cijfers de doorslag? Zo ja, welke cijfers zijn dat dan? Als het CPB bepaalt of maatregelen al dan niet meegewogen worden, is dat een politieke beslissing. Cruciaal is namelijk de vraag, of de maatregelen zullen werken dan wel uitvoerbaar zijn. Het kabinet heeft ons er nog niet van kunnen overtuigen dat, als het gaat om de werkgelegenheidseffecten op lange termijn, je een termijn van acht jaar moet aanhouden. Betekent dit nu werkelijk dat, indien uit de cijfers in 1992 zou blijken dat er in het jaar 2000 van een verhoging van de norm sprake zal zijn, dit een reden is voor ontkoppeling, terwijl er tot 1998 of 1999 niets aan de hand hoeft te zijn? De onzekerheidsmarges in die cijfers moeten toch van dien aard zijn, dat een zwaarwichtig besluit, wat ontkoppeling toch is, niet op basis van zulke gegevens genomen kan worden. Wij hoeven hier alleen nog maar in herinnering te roepen welke gewijzig-de ramingen de staatssecretaris ons eind verleden week deed toekomen inzake de groei van de arbeidsongeschiktheid. Daarmee werd tevens duidelijk gemaakt dat, naarmate de periode langer is, de onnauwkeurigheid misschien alleen maar zal toenemen. Ik vraag de bewindslieden nogmaals waarom een vierjaarsperiode niet voldoende is. Op het moment dat het kabinet overweegt te ontkoppelen, wordt er eerst nog eens een advies aan de SER gevraagd. Bestaat er nu werkelijk het idee dat het antwoord anders zal luiden dan wat volgens mij verwacht kan worden? Ik "citeer": dat er helaas een verdeeld advies wordt uitgebracht, waarbij de werkgeversorganisaties en een aantal kroonleden het kabinet steunen in de gedacht om tot nader order af te zien van de koppeling en de werknemersorganisaties ervan overtuigd zijn dat met nader te nemen maatregelen het verhoudingsgetal in gunstigezin moet kunnen worden omgebogen, omdat daarmee de koppeling overeind kan blijven Deze te verwachten uitspraak van de SER heb ik dus zelf ingevuld. Natuurlijk is enige nuance mogelijk. Maar het ontgaat mij ten enenmale waarom in deze situatie de SER Łberhaupt om advies gevraagd moet worden. Immers, het werkt vertragend, het is vragen naar de bekende weg en het is een onderwerp bij uitstek waar de politiek haar eigen boontjes over kan doppen. Graag verneem ik hierop de reactie van de minister.

Minister De Vries: Ik begrijp dat de heer RosenmŲller ervan uitgaat dat de kroonleden van de SER niet zorgvuldig zullen toetsen aan de criteria die zij indertijd geformuleerd hebben.

De heer Linschoten (VVD): De kroonleden waren verdeeld over de criteria.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Ik heb het over de werkgeversorganisatie en een aantal kroonleden. Ik heb het ook over de werknemersorganisatie. Zo u wilt, mag u aan een nuance van mijn invulling, ook een aantal kroonleden toevoegen. Maar ook de kroonleden waren natuurlijk niet unaniem in hun opvatting.

Minister De Vries: Ik begreep even

dat de heer RosenmŲller de kroonleden wat automatisch indeelde bij de groep van waarschijnlijke tegenstanders.

De heer RosenmŲllers (GroenLinks): Dan doet u mij te kort of ik doe de kroonleden dan te kort. Dit misverstand is bij dezen dus uit de wereld geholpen. Voorzitter! In de indexerÔngsmethodiek wordt ongeclausuleerd uitgegaan van de loonontwikkeling binnen de collectieve sector en de G en G-sector, naast de ontwikkeling in de marktsector, uiteraard. In een situatie met daadwerkelijk vrije onderhandelingen tussen de overheid als werkgever en de bonden, is daar zeker iets voor te zeggen. Alle protocollen ter zake kunnen niet wegnemen dat tijdens de laatste onderhandeilngen in dit poces een flinke stap achteruit is gezet. De brief die de minister-president mede namens de ministers van Financi.Žn en Binnenlandse Zaken naar de bonden heeft gestuurd, heeft daar tot ongekende woede aanleiding gegeven. Hoe beoordeelt deze minister de ontwikkeling van de laatste maanden in relatie tot de wens van een meer marktconform systeem van onderhandelen tussen die twee partijen? Onze conclusie is dat daar nog geen sprake van is, dat de onderhandelingen het komend jaar onder grote druk zullen staan van dreigementen die geuit zijn door het kabinet en dat deze gang van zaken eerder een stap terug is naar een dirigistisch en centralistisch model, waar men juist afstand van wil nemen. En terecht. Zolang dat niet is gebeurd en beide partijen ervan overtuigd zijn dat een gewenste vorm van gelijkwaardigheid is bereikt, dient naar onze mening de ontwikkeling van de loonstijging in de collectieve sector en de G en G-sector buiten beschouwing te blijven, als het gaat om de vaststelling van de gemiddelde contractloonstijging. Maar graag ook hier een reactie van de bewindslieden. Er is sprake van een overgangsbepaling. Bij nota van wijziging hebben wij kennis kunnen nemen van de overgangsbepaling die de minister zich voorstelt. Zien wij het goed dat als de wet op 1 januari aanstaande in werking treedt, de aanpassing waar uitkeringsgerechtigden krachtens de WAM recht op hebben en die betrekking heeft op de periode apriloktober van dit jaar, volledig achterwege blijft en dat dit vervolgens ook geldt voor de laatste drie maanden van dit jaar? En zo ja, dan missen uitkeringsgerechtigden hier toch negen maanden een deel van een aanpassing. Dat kan oplopen tot zo'n 2%. Aanpassing van de wet, wat ertoe leidt dat van een systeem van betaling achteraf overgegaan wordt naar een systeem van betaling vooraf, mag natuurlijk niet betekenen dat je een laatste systeembetaling achteraf maar laat zitten. Dat zou een mooie boel worden. Ik vraag de minister om daarop te reageren. Voorzitter, ik rond af. Ik maak daarbij graag gebruik van uitspraken van de heer Leijnse, die verleden jaar maart daarover een artikel schreef in de Volkskrant. Hij zei daarbij dat hij elke aandrang tot ontkoppeling lichtelijk weerzinwekkend vond. Vervolgens gaat hij verder: De keuze die CDA en PvdA hebben gemaakt om de welvaartsgroei van nu af meer gelijk te verdelen, is immers in de eerste plaats een moreelpolitieke keuze. De inkomensverschillen worden zo langzamerhand groot genoeg geacht, zoals ook minister De Vries van het CDA onlangs in Elsevier aangaf. Aan de onderkant van het inkomensgebouw is voor een te grote groep de armoedegrens bereikt. De samenleving een beetje bij elkaar houden, de welvaart iets eerlijker verdelen, de armoede niet al te flagrant laten voortwoekeren. Het zijn bepaald bescheiden idealen. Dit zijn uitspraken die mij uit het hart zijn gegrepen. Nu het kabinet de koppeling voor 1992 nog niet heeft prijsgegeven en misschien gaat prijsgeven of in de beeldvorming van velen al heeft prijsgegeven, winnen deze woorden aan kracht. Wij zullen de PvdA-fractie uiteraard houden aan deze woorden. Voorzitter, na jaren van ontkoppeling, van vergroting van inkomensverschillen, van een scherpere tweedeling tussen werkenden en niet-werkenden, van een dreigende teloorgang van solidariteit, van herinvoering van het begrip "armoede", is herstel van de koppeling niet alleen en ook niet in eerste instantie een kwestie van haalbaarheid, maar vooral ook een kwestie van kiezen voor solidariteit. Die keuze van het kabinet steunt de fractie van GroenLinks voluit. In dit wetsvoorstel is koppeling de hoofdregel en ontkoppeling een uitzondering. Ik vrees voor de komende jaren echter het omgekeerde. De voortdurende publieke discussie over ontkoppeling bewijst dat. Het herstel van de koppeling kan op het conto van de PvdA worden bijgeschreven. Worden de zegeningen van dit kabinet daar geteld, dan wordt altijd begonnen en meestal volstaan met de koppeling. Zoals ook veel de omgekeerde redenering valtte beluisteren: als de koppeling niet meer overeind kan blijven, wat doen wij hier dan nog? In dit wetsvoorstel staat de breuk tussen inactieven en actieven centraal. Met die breuk loopt het niet goed af. En dat betekent een inbreuk op de solidariteit. Als die breuk geen gevolgen heeft voor de coalitie, is er inderdaad niet zoveel veranderd ten opzichte van de jaren tachtig. Dat moet de PvdA toch te denken geven.

©

G.J. (Gert)  SchutteDe heer Schutte (GPV): Mijnheer de voorzitter! Op het wetsvoorstel met een nieuwe koppelingssystematiek hebben wij lang moeten wachten. Aan het begin van de vorige kabinetsperiode werd een nieuwe wettelijke regeling al aangekondigd. Halverwege deze kabinetsperiode lijkt zij in werking te kunnen gaan. Deze lange aanloop zegt iets over het hoge symboolgehalte van deze wetgeving. Getracht wordt een aantal objectieve criteria te formuleren, maar in de praktijk zal toch een gevoelige politieke discussie ten grondslag iiggen aan de manier waarop met de geformuleerde criteria zal worden omgegaan. Daar komt bij dat ik vrees dat het wetsvoorstel voor een belangrijk deel zal zijn achterhaald op het moment van inwerkingtreding. In een hoog tempo worden thans allerlei vanzelfsprekendheden van het sociale beleid ter discussie en terzijde gesteld. De Wet aanpassingsmechanismen maakte een einde aan de forse overcompensatie die in de oude aanpassingssystematiek zat, maar brak niet ten principale met het koppelingsidee. Integendeel, het idee van koppeling van inkomens aan de ontwikkeling in de marktsector breidde zich juist uit. Zelfs de inkomens van de vrijeberoepsbeoefenaren zijn in de loop van de jaren tachtig genormeerd geweest. Met een geforceerde loonmatiging is zo'n systeem houdbaar. Naarmate er meer begrip kwam voor het belang van een gedifferentieerde loonontwikkeling, bleek het systeem van koppeling op koppeling minder goed houdbaar. Uitkeringen en minimumlonen werden bevroren en koppelingssystematitiken doorbroken. De Wet normering inkomens vrijeberoepsbeoefenaren is ingetrokken en vervangen door een bronnenbeleid. De G en G-sector werd gebudgetteerd en de inkomensontwikkeling van het overheidspersoneel zal ook een gedifferentieerder beeld gaan vertonen. Steeds meer sectoren in onze economie gaan met de inkomensontwikkeling een eigen weg. Het gelijkheidsvirus is op de terugtocht. Tegen deze achtergrond steekt dit wetsvoorstel enigszins af, omdat hiermee weer wel de inkomensontwikkeling in een aantal belangrijke sectoren wordt gefixeerd. Dit past eigenlijk niet in het tot nu toe geschetste veranderingspatroon. De vraag is legitiem of voor het mini-mumloon, de minimumuitkeringen en de bovenminimale uitkeringen dezelfde criteria moeten worden aangelegd als het gaat om de aanpassing aan loon-en prijsontwikkelingen. Deze vraag moet worden beantwoord in het licht van de ook thans nog grote financiŽle en sociale onevenwichtigheden in onze nationale economie. De vraag is ook actueel, als wij letten op het regeringsstandpunt over het WRR-rapport Een werkend perspectief. Tussen de regels, maar ook in de regels is duidelijk te lezen hoe de regering geworsteld heeft met het voorstel van de WRR, het minimumloon fors te verlagen. Erkend wordt dat er een knelpunt is, maar het drastische voorstel van de WRR heeft zulke implicaties dat men ervoor terugschrikt, en terecht. Ook is het vreemd dat wij een loonkostensubsidie op minimumniveau kennen, maar dat tegelijkertijd wordt voorgesteld, de minimumlonen te laten meestijgen met de welvaartsontwikkeling alsof er niets aan de hand is. Drastische verlagingen van het minimumloonniveau zullen nu minder effect hebben op de werkgelegenheid dan in de jaren tachtig. Moet het aandeel actieven dan worden vergroot door aanscherping van het sanctiebeleid? Ook dit wordt in de reactie van de regering niet erg effectief gevonden. De conclusie dringt zich op dat vergroting van de afstand tussen de nettominimumuitkering en het nettominimumloon een effectief instrument kan zijn om mensen meer te prikkelen tot het aanvaarden van werk. Wij horen nog te veel berichten over banenpools voor langdurig werklozen die niet van de grond komen. Met de gedachte, het arbeidskostenforfait aanzienlijk te verhogen, geeft de regering er blijk van, ook zelf oog hiervoor te hebben. Formeel is dit geen doorbreking van de nettonettokoppeling, maar materieel natuurlijk wel, zeker als wij de bedragen die wij konden lezen, serieus moeten nemen. De regering wijst een gedifferentieerde aanpassing als onwenselijk af, omdat deze leidt tot twee verschillende niveaus van minimumuitkeringen. Vanuit het oogpunt van kosten van levensonderhoud is dit niet te rechtvaardigen, omdat de minimumbehoefte niet afhankelijk is van de aard van de inactiviteit. Ik erken dat dit een reŽel bezwaar is, maar de alternatieven die in discussie zijn, bevatten bezwaren die niet minder serieus zijn. Ik heb er al op gewezen en ik kan eraan toevoegen dat de forse verlaging van het minimumloon die de WRR voorstelde, ertoe leidt dat de financiŽle prikkel die er nu voor alleenstaanden is om werk te aanvaarden, wordt geŽlimineerd. De thans nog steeds bestaande nettonettokoppeling erkent onvoldoende het fundamentele uitgangspunt dat inkomen dient te zijn afgestemd op behoefte en prestatie. Het laatste element wordt niet in rekening gebracht. Hierdoor staat de sociale functie van het minimumniveau centraal, maar wordt de economische functie van het minimumloon onvoldoende gehonoreerd. Ik meen dat de tijd rijp is om de verhouding tussen beide functies opnieuw te bezien, gelet op de ingrijpende wijzigingeri in de arbeidsmarkt die zich op dit moment voltrekken. Hierbij kan ook nader aan de orde komen of uitkeringen die niet aan de arbeidsmarkt gerelateerd zijn, zich anders dienen te ontwikkelen. De AOW is zo'n uitkering, maar het kan best zijn dat het toenemende aantal mensen dat over een aanvullend pensioen beschikt, het mogelijk maakt ook dit uitkeringsniveau enigszins te doen achterblijven bij het minimumloonniveau. Het is nu niet de tijd om hierover harde uitspraken te doen, maar ik zou het wel verkeerd vinden als ons denken zou ophouden bij het tot in lengte van jaren vasthouden aan de nettonettokoppeling. Mijn bezwaar tegen de voorgestel-de wettelijke regeling is, dat deze een aanpassingsregime voorstelt dat geacht wordt voor langere tijd te kunnen werken. Het is een regime dat misschien ook wel zou kunnen werken in een tijd, waarin sprake is van evenwichtige sociale en financiŽ-le verhoudingen. Maar die zijn er niet en het ziet er ook niet naar uit, dat die er binnen afzienbare tijd wel zullen zijn. De actuele beslissingen, die van jaar op jaar genomen zullen moeten worden, zullen iedere keer weer vooral ingegeven worden door de omstandigheden van dat moment. Daarom zijn wij mijns inziens bezig met een wat theoretische discussie. Dat is ook wat ik zoŽven bedoelde met het hoge symboolgehalte van het wetsvoorstel. Waar wij met elkaar tegenaan lopen, is dat wij uitkeringsgerechtigden zekerheid willen bieden over hun toekomstige inkomensontwikkeling en geen sluitpost van de begroting willen maken. Daarom zoeken wij naar een objectieve maatstaf om de uitkeringsniveaus aan te passen. Het probleem dat zich daarbij voordoet, is dat de externe omstandigheden zich zo snel kunnen wijzigen, dat een index die in de ene situatie werkbaar en billijk is in een andere situatie onwerkbaar en onbillijk kan worden. In de jaren zeventig hadden wij een welvaartsvaste aanpassing. Maar omdat de lonen veel sterker stegen dan het nationale inkomen werd onze economie uitgehold. Een objectieve en economisch verantwoorde index leek ons de ontwikkeling van het hoofdelijk nationaal inkomen. Een dergelijke index had ons in de jaren zeventig een hoop ellende kunnen besparen. Maar in de jaren tachtig-de minister heeft er al op gewezentoen de lonen sterk gematigd werden, zou zo'n index ons nog dieper het dal hebben ingewerkt. Een waardevaste ontwikkeling lijkt In vele gevallen goedkoper, maar als wij die dit jaar hadden toegepast, waren wij ook flink het schip is ingegaan, gelet op de nieuwste cijfers van de prijsontwikkeling. Wat is wijsheid in dezen? Een prijsindex in ieder geval niet, zoals de ervaring dit jaar aantoont. Voor het verkrijgen van een vergelijkingsmaatstaf voor de ontwikkeling van bepaalde inkomens moet gekeken worden naar de ontwikkeling van andere inkomens. Daarom is een welvaartsvaste koppeling de meest logische, maar die kan niet ongelimiteerd zijn, zoals de ervaringen uit de jaren zeventig ons hebben geleerd. In het wetsvoorstel is dan ook bepaald, dat bij een bovenmatige loonontwikkeling de koppeling niet gehandhaafd hoeft te worden. Maar het begrip "bovenmatig" is toch nogal subjectief. Zou het daarom niet verstandig zijn om de ontwikkeling van het hoofdelijk nationaal inkomen als boverigrens te hanteren? Zou dat niet een objectieve invulling kunnen betekenen van het begrip "bovenmatig"? Ik zie nog een ander voordeel van een dergelijke precisering van het begrip "bovenmatig". Rekening houden met de ontwikkeling van het hoofdelijk nationaal inkomen betekent, dat men volumecomponenten impliciet meerekent. Wanneer het aantal inactieven groeit, bijvoorbeeld door immigratie, dan heeft dit direct ook een matigend effect op de ontwikkeling van het hoofdelijk nationaal inkomen. Het tweede criterium van het wetsvoorstel-de verhouding tussen actieven en inactievenzou daarmee kunnen vervallen. Ik ben met dat criterium op zichzelf ook al niet zo gelukkig, omdat het een nogal conserverend criterium is. Wij leggen ons daarmee vast op het min of meer toevallige verhoudingsgetal van dit moment. Bovendien zegt dit getal mij niet zoveel. In de nota naar aanleiding van het eindverslag staat een aantal getallen, dat aangeeft het totale beslag van de overdrachtsuitgaven als deel van het nationale inkomen. Macro-economisch gezien, lijkt dit een veel interessanter gegeven. Daaruit blijkt ook, dat dit aandeel niet zo dramatisch is gestegen als het aantal uitkeringsgerechtigden. Dat aantal is wel gestegen, maar het gemiddelde uitkeringsbedrag is navenant gedaald. De toegevoegde waarde van dit tweede criterium is ook niet zo groot, omdat een bovenmatige loonontwikkeling op termijn toch leidt tot een toeneming van het aantal uitkeringsgerechtigden. En de regering heeft in de schriftelijke voorbereiding duidelijk aangegeven, dat een dergelijke gang van zaken voldoende reden kan zijn om tot niet-koppeling te besluiten. Volumeontwikkelingen op de korte termijn, die niet het gevolg zijn van een bovenmatige loonontwikkeling kunnen mijns inziens voldoende worden afgedekt door het hoofdelijk nationaal inkomen als medebepalende factor te laten meewegen.

In het SER-advies is sprake van nog een drietal andere mogelijke criteria voor het antwoord op de vraag of al dan niet gekoppeld moet worden. Genoemd is de situatie, dat de regelingsloonindex geen goede indicator meer is als gevolg van nivellering of denivellering, de situatie dat het volgen van de loonindex leidt tot een betekenisvolle afwijking van de loontrend als gevolg van naijlingseffecten en de situatie, dat er zo'n gedifferentieerde loonontwikkeling plaatsvmdt, dat de hoogte van het minimumloon verstorend gaat inwerken op de loonstructuur in sommige sectoren. Ik heb er begrip voor, dat deze criteria niet in de wet zijn opgenomen, orndat ze niet operationeel te maken zijn voor een jaarlijkse beslissing over wel of niet ontkoppelen. Wel kunnen deze criteria naar het oordeel van de regering meewegen bij de wettelijk voorgeschreven vierjaarlljkse beoordeling of een bijzondere aanpassing van het minimumloon nodig is. De vraag rijst of dat dan niet in de wet vastgelegd zou moeten worden. Bij de vierjaarhjkse toetsing zouden dan in leder geval deze drie criteria betrokken moeten worden. Zou dat niet betekenen dat het SER-advies op dit punt dan royaler gehonoreerd kan worden dan in het wetsvoorstel tot nu toe het geval is? Een aantal aspecten van de voorgelegde wettelijke regeling is in de schriftelijke voorbereiding al uitvoerig aan de orde geweest. Ter discussie was onder andere een drietal modellen voor de indexeringssystematiek. Ook in de SER-advisering is hier uitvoerig bij stilgestaan. Ik meen dat het gekozen model uiteindelijk de meeste voordelen biedt. Voor de bepaling van de totale loonontwikkeling zal de inkomensontwikkeling van het overheidspersoneel ook medebepalend zijn. Daarmee wordt in feite een nieuwe principiŽle keuze gemaakt. In de oude koppelingssystematiek waren alle inkomens in de collectieve sector gekoppeld aan de inkomens in de marktsector. Nu loopt de scheidslijn anders en zijn de inkomens van de inactieven gekoppeld aan de inkomens van de actieven, zowel in de collectieve als in de marktsector. Ik denk dat dit een juiste keuze is. Het is voor mij ook een bijkomend argument om de toestand van de rijksfinanciŽn niet als een zelfstandig criterium voor de ontkoppeling in de wet op te nemen. Die toestand speelt namelijk ook al een rol bij de inkomensontwikkeling in de collectieve sector. Bovendien zouden wij dan weer terechtkomen bij een beleidsmatige koppeling die in feite geen echte koppeling is. Voorzitter! Ik heb enige kritische kanttekeningen gemaakt bij de betekenis van het wetsvoorstel. Ik zou een andere normering beter vinden dan hetgeen nu is voorgesteld. Maar mijn bezwaren zijn niet van dien aard dat ik daardoor niet met het wetsvoorstel zou kunnen instemmen. Ik wacht de reactie van de bewindslieden op mijn opmerkingen met belangstelling af.

De vergadering wordt enige minuten geschorst.

©

L.S. (Louise)  GroenmanMevrouw Groenman (D66): Voorzitter! Wordt de koppeling als teken van beschaving in ere hersteld, zoals nog steeds het heilig streven van dit kabinet is, of spreken wij vandaag over een lege dop? Ligt het accent op het principe van de koppeling, of spreken wij vooral over de nabijheid van de afwijkingsmogelijkheden? Naar de mening van de fractie van D66 moet de inzet van dit debat zijn, de overtuiging dat het niet meer dan rechtvaardig is minimumlonen en uitkeringen te laten delen in de welvaartsontwikkeling. De wet die dat automatisch regelde, de Wet aanpassingsmechanismen, was daarvoor het bedoelde middel, maar vorige kabinetten hebben deze wet steeds buiten werking gesteld. Dat er iets nieuws moest komen, lag voor de hand. Het vorige kabinet kwam met een wetsvoorstel voor een beleidsmatige koppeling. De SER en de Raad van State wezen bij hun commentaar op dat wetsvoorstel op het gebrek aan rechtszekerheid voor de betrokken minimumloners en uitkeringsgerechtigden. Het is de vraag, of het wetsvoorstel dat thans voorligt zoveel rechtszekerheid biedt. Misschien kan de minister het aspect van rechtszekerheid eens toelichten aan de hand van lid 5 van artikel 14 van het voorliggende wetsvoorstel. Afgeweken van de koppelingsregel kan immers worden bij een bovenmatige loonontwikkeling dan wel bij een zodanige volumeontwikkeling in de socialezekerheidsregelingen dat daardoor een betekenende premie-of belastingdrukverhoging noodzakelijk is. Mensen met het minimumloon of een minimumuitkering zullen zich bij een dergelijke, de heer Schutte sprak over subjectieve, formulering weinig kunnen voorstellen. De beslissing die kan leiden tot een algemene maatregel van bestuur waarin de ontkoppeling geregeld wordt, is dus per definitie een beleidsmatige beslissing. Wat een bovenmatige loonontwikkeling is, is tot op heden onduidelijk. Als het gaat om de volumeontwikkeling in de sociale zekerheid, moeten wij ons het verhoudingsgetal 100/86 goed inprenten. Toch moet dit verhoudingsgetal niet te rigide gehanteerd worden, aldus de regering. De nota naar aanleiding van het eindverslag stelt, dat voor de vraag of ontkoppeling noodzakelijk is, de volgende factoren bepalend zijn: de eventuele normoverschrijding zelf, de ontwikkeling op langere termijn en de beleidsmogelijkheden om de overschrijding weer ongedaan te maken. Ontkoppelen is een beleidsbeslissing, aldus de stukken, en een beleidsbeslissing hoort een anticiperend karakter te dragen. Allemaal tot je dienst, zal de burger zeggen, maar anticipeert de regering nu op het slagen of op het mislukken van het eigen beleid? Je zult maar minimumloner of uitkeringsgerechtigde zijn en uit het regeerakkoord begrepen hebben dat je van dit kabinet weer mee mag delen in de welvaart. De discussie die thans gevoerd wordt in de media, geeft mensen weinig houvast maar doet mensen wel hun hart vasthouden, vrees ik. Er is ook geen touw aan vast te knopen. De inflatie loopt op, de koopkracht valt over de hele linie lager uit door een hogere dollarkoers en vooral door onverwacht hoger blijkende ziekenhuistarieven. Premier Lubbers roept op tot centraal overleg om inkomensmatiging te bepleiten ter voorkoming van een loonprijsspiraal en minister De Vries ziet daar niets in. Er zijn nieuwe cijfers van het CPB die een verslechterende verhouding tussen actieven en niet-actieven aangeven. De SER is nog bezig met zijn advies over het volume in de arbeidsongeschiktheid en in de Ziektewet. De staatssecretaris ziet in de nieuwste cijfers van het CPB aanleiding de SER verder onder druk te zetten. Wat dit allemaal met de koppeling te maken heeft, zal de meeste burgers ontgaan. Toch is wel duidelijk te maken, waarom een aantal problemen waarmee dit kabinet, als erfenis van vorige kabinetten, te maken heeft, samenkomt in dit principiŽle wetsvoorstel. Een korte analyse daarvan lijkt nodig om de houding van mijn fractie tegenover dit wetsvoorstel nader te bepalen. De mate waarin mensen in Nederland deelnemen aan betaalde arbeid, is in vergelijking met de ons omringende landen laag. Niet alleen is de werkloosheid nog steeds hoog, wij zien ook dat vrouwen om een aantal vaak historisch bepaalde redenen relatief weinig werken, in arbeidsjaren gemeten. Veel oudere mannen haken voortijdig af en wij hebben in Nederland veel arbeidsongeschikten. Om alle mensen die buiten het arbeidsproces staan wel van een inkomen te voorzien, zijn de brutoloonkosten, loonkosten inclusief de premies, hoog. Werkgevers willen mensen met een hoge arbeidsproduktiviteit en selecteren scherp. Wie niet mee kan komen, wordt uitgerangeerd met als gevolg dat het aantal uitkeringsgerechtigden toeneemt, de brutoloonkosten verder stijgen en de individuele arbeidsproduktiviteit verder wordt opgeschroefd. Die vicieuze cirkel dient doorbroken te worden. Als meer mensen dan thans in het arbeidsproces worden opgenomen, worden er meer premies en belastingen betaald, kunnen de premies dalen, dalen de brutoloonlosten en wordt het draagvlak om mensen die echt niet kunnen werken te onderhouden, vergroot. Als dat draagvlak vergroot wordt, is het ook eenvoudiger om niet-actieven mee te laten delen in de welvaart. Dit kabinet heeft bij zijn aantreden activerend arbeidsmarktbeleid hoog in het vaandel geschreven. Mijn fractie heeft dat toegejuicht. Dit kabinet heeft het zich ook tot taak gesteld, het aantal arbeidsongeschikten en zieken terug te dringen. Ook dat vonden wij een goede zaak. Dat het wel wat krachtiger en richtinggevender had kunnen zijn, hebben wij niet onder stoelen of banken gestoken. Dat overigens goede bedoelingen omtrent het arbeidsmarktbeleid en het terugdringen van arbeidsongeschiktheid en ziektevolume nogal eens verzanden in bureaucratische regelgeving en een ingewikkeld overlegcircuit, is een probleem van een andere orde dan waar wij vandaag over spreken.

Te constateren valt wel dat de goede bedoelingen van het kabinet en de papieren instemming daarmee van de sociale partners, niet zo snel als nodig is tot resultaten leidt. Mijn laatste constatering is van belang voor onze opstelling tegenover dit wetsvoorstel. Het gaat niet snel genoeg met het vergroten van de arbeidsparticipatie. Met een toenemende vergrijzing en dus met mensen die niet meer hoeven deel te nemen aan het arbeidsproces en een toenemend aantal immigranten en asielzoekers, die vooralsnog moeilijk blijken in te passen in het arbeidsproces, is bovendien een intrinsiek tegengestelde kracht te constateren, die het verhoudingsgetal actieven/ niet-actieven beÔnvloedt. Niet de loonontwikkeling is immers het belangrijkste criterium om al dan niet te koppelen, maar de mate waarin het verhoudingscijfer tussen actieven en niet-actieven, de befaamde verhouding 100/86 verder verslechtert. Natuurlijk hangt dit verhoudingscijfer voor een deel samen met de loonontwikkeling, maar voor het grootste deel is het toch afhankelijk van de mate waarin het aantal actieven groeit en het aantal niet-actieven wordt teruggedrongen. De regering baseert zich daarbij op ramingen van het CPB. Het CPB verdisconteert echter in de ramingen een oordeel over de beleidsinspanningen van het kabinet en daar zit nu precies de crux van het wetsvoorstel. De resultaten van het activerend arbeidsmarktbeleid en van de tripartiete overeengekomen inspanningen om het volume in de arbeidsongeschiktheid terug te dringen, al dan niet met ondersteunende wetgeving, zijn nog niet echt bekend. Het SER-advies ligt er nog niet en desalniettemin worden de voorspellingen van het CPB tot waarheid verheven, althans dat schijnt zo. Waar de memorie van toelichting nog een optimistische toon ademde, zijn de latere stukken veel terughoudender. Waar de aanvankelijke inzet was, de koppeling als teken van beschaving te herstellen, thans lijkt de koppeling afhankelijk te zijn van het geloof in het eigen beleid. Het CPB voorziet voor 1992 een verslechtering in de verhouding tussen actieven en niet-actieven, maar voor de jaren na 1992 een verbetering, als rekening wordt gehouden met volumemaatregelen. Op zichzelf vindt mijn fractie het verhoudingscriterium een verstandig criterium, maar het is voor ons de vraag hoe rigide je dat moet hanteren en of de rechtszekerheid gediend is met het nu eens op korte termijn en dan weer op lange termijn rekening houden met dit criterium. Het streven naar evenwichtige inkomensverhoudingen kan niet los gezien worden van het werkgelegenheidsbeleid, zo stelt de regering. Dat klopt. Naarmate meer mensen, werklozen, gedeeltelijk arbeidsongeschikten en vrouwen deelnemen aan het arbeidsproces, is de koppeling minder een probleem. Inkomensmatiging heeft effect op de werkgelegenheid, maar niet meteen. Een activerend arbeidsmarktbeleid, inclusief scholing en werkverdeling heeft eenzelfde effect, maar ook niet meteen. Een regering die gelooft in het eigen beleid, laat de koppeling niet los als dat beleid niet onmiddellijk tot resultaten leidt. Mijn fractie heeft de indruk dat de WKA evenzeer een beleidsmatige aanpassing beoogt als het ingetrokken wetsvoorstel met die titel. Het verhoudingscriterium actieven/nietactieven impliceert immers een interpretatie van en een geloof in het eigen beleid. Deze zomer wordt cruciaal voor dat geloof. De constatering dat het eigen beleid te langzaam vruchten afwerpt, kan echter tot twee conclusies leiden. De eerste is om te ontkoppelen of te koppelen op afstand per 1 januari aanstaande en naar wegen te zoeken om alsdan recht te doen aan evenwichtige inkomensverhoudingen, waarbij het uitgangspunt schijnt zijn dat minimumlonen en -uitkeringen de prijsontwikkeling volgen. Het realiseren van evenwichtige inkomensverhoudingen bij een eventuele ontkoppeling moet dan plaatsvinden via fiscale herschikking. Dat zou weleens behoorlijk wat voeten in de aarde kunnen hebben qua wet-en regelgeving. Het is de vraag of de inspanningen zich niet ergens anders op moeten richten. Als deze zomer geconstateerd wordt dat de eigen inspanningen op korte termijn niet het gewenste effect hebben, is immers ook een andere conclusie dan ontkoppelen denkbaar. En die conclusie zou zijn om echt alle zeilen bij te zetten om tot een versnelling te komen, tot een snellere uitbreiding van de werkgelegenheid en een snellere terugdringing van het volume. Allereerst lijkt daarvoor contact met de sociale partners nodig: hernieuwd centraal overleg.

gericht op inkomensmatiging, maar ook gericht op scholing en nieuwe werkgelegenheid. Inkomensmatiging leidt immers pas op termijn tot meer werkgelegenheid. Een actieve inzet van de overheid om tot een vergroting van de arbeidsparticipatie te komen, is dringend gewenst. Aan de aanbodzij-de denkt mijn fractie dan aan het wegnemen van drempels die voor vrouwen bestaan om te gaan werken. Aan de vraagzijde zou een verlaging van het minimumloon voor de nieuwe generatie bespreekbaar moeten zijn om zodoende nieuwe banen te creŽren, banen die nu niet renderend zijn vanwege de te lage arbeidsproduktiviteit van vele werklozen of banen die eerder wegbezuinigd zijn, maar wel in een behoefte voorzien. Gelukkig heeft de regering de ideeŽn van de WRR nog niet helemaal weggegooid. Hier wordt nog nader op gestudeerd en wij horen er dus nog van. Ik zeg deze dingen om de regering ervan te overtuigen dat een actieve houding geboden is om het verhoudingsgetal actieven/niet actieven in gunstige zin te beÔnvloeden. De groei van het aantal AOW'ers beÔnvloedt dit verhoudingsgetal in veel sterkere mate in negatieve zin dan het relatief afnemende beroep op ander socialezekerheidsregelingen dit getal in positieve zin beÔnvloedt. Tabel 3.3 in de nota naar aanleiding van het eindverslag geeft immers aan dat de volumeontwikkeling in de periode tot 1994 met 93.000 uitkeringsjaren groeit ten opzichte van 1990. Dit cijfer is het resultaat van plus 130.000 AOW'ers en min 37.000 mensen in overige socialezekerheidsregelingen. Bij het aflopende aantal uitkeringsjaren in de overige regelingen moet dan overigens nog bedacht worden dat de regering mensen in de Ziektewet meegeteld heeft en mensen met een AWW-uitkering voor een deel. De redenering dat ZW-uitkeringen bij het volume mogen worden gerekend, omdat dit toch het voorportaal is van de WAO, deugt niet, zoals de PvdA-fractie terecht opmerkte in de stukken. Ook de voorgenomen wijziging van de Algemene nabestaandenwet zal het volumecijfer waarschijnlijk in gunstige zin beÔnvloeden. Los hiervan dient echter geconcludeerd te worden dat het bevorderen van de arbeidsparticipatie sneller dan tot nu toe ter hand zal moeten worden genomen om het autonome, demografisch bepaalde, groeiende aantal AOW'ers tegenwicht te kunnen bieden. Kan de regering overigens aangeven een hoeveel grotere arbeidsparticipatie in arbeidsjaren, en dus een afnemend beroep op andere dan AOW-regelingen, er nodig is om de autonome ontwikkeling van de vergrijzingsfactor het hoofd te kunnen bieden? Voorzitter! Ik heb in de stukken gesuggereerd om, als er op enig moment tot ontkoppeling besloten mocht worden, AOW'ers en mensen die wegens een totale arbeidsongeschiktheid niet aan het arbeidsproces kunnen deelnemen, daarvan uit te zonderen. Mensen zonder arbeidsmarktperspectief zouden wel mee moeten kunnen delen in de welvaartsontwikkeling. Zij hebben immers geen "schuld" aan hun aandeel in het verhoudingscijfer actieven/nietactieven. Deze wens in een amendement neerleggen, lijkt technisch onmogelijk, omdat ik daarmee de nettonettokoppeling doorbreek, wat wetstechnisch vergaande consequenties schijnt te hebben. Ik wil dus in algemene zin de mogelijkheid openlaten om, als je tot afwijking overgaat, bepaalde groepen die niet aan de arbeidsmarkt gerelateerd zijn, hiervan uit te zonderen. Om te kunnen beoordelen of een motie op dit punt zin heeft, zou ik graag van de regering willen weten of zij bereid is in een eventuele ontkoppelingsadviesaanvrage aan de SER dit punt mee te nemen, opdat ook een oordeel van de SER voorhanden is, als de Kamer over een eventuele ontkoppelings-AMvB komt te spreken. Dit kan ook in algemene zin aan de SER gevraagd worden. Ik heb de ontkoppelingsadviesaanvrage hier niet echt voor nodig. Wat zou overigens per 1 januari het welvaartsvast koppelen van AOW'ers betekenen voor het financiŽle kader van de koppeling, uitgaande van verschillende varianten met betrekking tot de loon-en prijsontwikkeling? Misschien wil de regering nog eens exact qua tijdpad op een rijtje zetten wat de SER, de Raad van State en ons in het najaar te wachten staat. Ergens las ik dat de minister van Sociale Zaken een notitie maakt, op basis waarvan het kabinet besluit al dan niet te koppelen. Is dat een openbare notitie of is deze notitie alleen bestemd voor de ministerraad? En welke rol speelt het werkgelegenheidsplan van de minister? Heeft dit er iets mee te maken of staat het er geheel los van? Ik wil graag weten wat ons te wachten staat in dit hele traject om te kunnen beoordelen wat er eventueel gaat gebeuren Voorzitter! De SER zal telkens na verloop van een termijn van ten hoogste vier jaar om advies gevraagd worden over de vraag of er omstandigheden aanwezig zijn om de bedragen genoemd in artikel 8 eerste lid te wijzigen. Zo'n algemeen advies staat los van een advies inzake eventuele ontkoppeling dat sowieso gevraagd moet worden. Artikel 14, lid 14, sluit zoals het nu geformuleerd is, niet uit dat de SER ook bij handhaving van de koppeling vaker dan om de vier jaar om een algemeen advies gevraagd wordt. De regering stelt dat het jaarlijks horen van de SER een te beleidsmatige indruk zou maken. Mijn fractie kan dat niet zo goed volgen, want artikel 14, lid 5, geeft de regering zelf toch ook alle aanleiding om beleidsmatige belissingen te nemen? In feite is dit koppelingswetsvoorstel toch een wetsvoorstel inzake een beleidsmatige koppeling, zij het dat minder criteriamaar het zijn er nog steeds voldoendedan in het ingetrokken wetsvoorstel voor een beleidsmatige aanpassing een rol spelen. Voorzitter! De conclusie van mijn fractie ten aanzien van het wetsvoorstel is, dat het een handvat biedt om beleidsmatig over een eventuele ontkoppeling te praten. Koppeling is de regel en zo hoort het ook. De oude WAM was wellicht te rigide. Voorkomen moet echter worden dat dit wetsvoorstel een rigide werking gaat krijgen in die zin dat de critena omtrent de loonontwikkeling en de verhouding actieven/nietactieven strikt cijfermatig gaat fungeren als dekmantel om het onvermogen van dit kabinet op andere terreinen te verbloemen. Met andere woorden: aan ontkoppeling per 1 januari aanstaande is mijn fractie niet toe. De fractie van D66 is van oordeel dat bij de opstelling van de begroting voor 1992 uitgegaan moet worden van koppeling per 1 januari aanstaande. Het verhoudingscijfer actieven/ niet-actieven is moeilijk op zijn echte waarde te schatten. Nu of straks in de zomer besluiten tot ontkoppeling per 1 januari zou bovendien een verkeerd signaal betekenen naar de CAO-onderhandelaars, maar ook naar bijvoorbeeld de arbeidsvoorzieningsorganisatie. Wij wachten de discussie deze zomer met belangstelling af. Dan immers, moet het geloof in het eigen beleid blijken.

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Voorzitter! Koppeling. Een woord, een begrip; voor deze coalitie, althans zeker voor de Partij van de Arbeid, haast een credo. Koppeling, een van de belangrijkste pijlers, zo niet de rneest centrale pijler, waarop het kabinet-Lubbers/Kok lijkt te staan. Koppeling van lonen en uitkeringen. Een rechtvaardige verdeling van de welvaartsgroei tussen actieven en niet-actieven. Toen bijna twee jaar geleden de basis voor dit kabinet werd gelegd, stond de koppeling zeer hoog op de prioriteitenlijst van de voor het eerst sinds lange tijd opnieuw tot de coalitie toegetreden Partij van de Arbeid. In 1989 leek het erop, dat er na jaren van bezuiniging weer eens wat te verdelen was. Na alle aanslagen op de koopkracht van de mensen met de laagste inkomens uit werk dan wel met een uitkering, moest de in het verschiet liggende welvaartsgroei eerlijk worden verdeeld. Of dat zou lukken, was bij het schrijven van het regeerakkoord kennelijk al niet op voorhand zeker. Niet voor niets was blijkbaar nodlg uitlaatkleppen in te bouwen. Maar nu wij bijna twee jaar later de wet met de wel bijzonder realistische titel "Koppeling met afwijkingsmogelijkheid" in de Kamer behandelen, moet worden vastgesteld dat economische en sociale omstandigheden nadrukkelijk in ongunstige zin zijn veranderd. Ik leg de bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maar eerlijk de vraag voor of zij het aannemelijk achten dat, indien het regeerakkoord nu geschreven had moeten worden, de koppeling als speerpunt van regeringsbeleid zou zijn opgenomen. Ik heb mijn grote twijfels. Het lijkt erop, dat de koppeling voorlopig veel geschreeuw, maar voor de betrokkenen weinig wol zal opleveren. Voorzitter! Mijn inleidende woorden mogen intussen niet als een afwijzing van de onderhavige regeringsvoorstellen worden uitgelegd, zeker niet. Het is een goede zaak dat de relatie tussen lonen en uitkeringen weer eens ten principale aan de order komt. Dat gebeurt uiteraard niet voor de eerste keer. Sinds 1979 kennen wij de Wet aanpassingsmechanismen. Goed tien jaar geleden leefden velen, ondanks de dreigende wolken aan het economisch zwerk, nog met de gedachte dat met een instrument zoals de WAM de positie van de mensen met een minimuminkomen voor eens en voorgoed was geregeld. Dat bleek een faliekante misrekening, want het mechanisme van de WAM werkte niet, omdat de overheid in de periode waarin de principes van de verzorgingsstaat nog met kracht werden beleden, haar mogelijkheden bleek te hebben overschat. Keer op keer moest in de jaren tachtig de WAM buiten werking worden gesteld, omdat de staatskas onvoldoende was gevuld. Het was een vast ritueel om voor het einde van het kalenderjaar de WAM voor dat jaar buiten werking te stellen. Menigeen herinnert zich het jaarlijks terugkerende debat over de bevriezing van het minimumloon en de minimumuitkeringen. De fractie van de RPF heeft die gang van zaken altijd als bijzonder onverkwikkelijk ervaren, vooral ook lettend op de doelgroep, voor wie de politiek zeker in die tijd aan geloofwaardigheid heeft verioren. Wat heb je immers aan een wet die, als puntje bij paaltje komt, toch keer op keer buiten werking wordt gesteld en je zodoende in koopkracht achteruit laat gaan? Het is net als een worst die lange tijd wordt voorgehouden, maar op het moment dat je wilt toehappen, wordt teruggetrokken. Dan maar beter geen worst. Het geheel was en is zeer onbevredigend. In de eerste plaats omdat een en ander in procedureel opzicht weinig fraai was. Weliswaar is tijdens de gehele kabinetsperiode-Lubbers II op herhaald verzoek van de Kamer een nieuw koppelingssysteem in het vooruitzicht gesteld, maar het voorstel beleidsmatige aanpassing werd met zoveel vertraging ingediend, dat het werd achterhaald door de kabinetscrlsis. Het huidige kabinet moet worden nagegeven dat het er wel in is geslaagd, op redelijk korte termijn met een hanteerbaar voorstel te komen. Ik neem echter aan, dat in niet onbelangrijke mate is geprofiteerd van de werkzaamheden die zijn verricht voor de Wet beleidsmatige aanpassingen. Daarin werd op een meer vrijblijvende wijze dan in het onderhavige wetsvoorstel gepoogd, ruimte te bieden om onder bepaalde omstandigheden te ontkoppelen. Is deze indruk juist? In de tweede plaats was de aanhoudende bevriezing ook op grond van inhoudelijke overwegingen geen aantrekkelijke ontwikkeling. De geleidelijk groeiende koopkrachtachteruitgang van de minima maakte een uiteenlopend scala aan maatregelen voor koopkrachtreparatie nodig. De meest in het oog springen-de waren de meerjarige eenmalige toeslagen voor de zogeheten echte minima en later de langdurige echte minima. Voorts leidde het gestaag in omvang en ernst toenemende vraagstuk van wat wij de nieuwe armoede noemen, ertoe dat de fractie van de RPF niet dan met steeds grotere aarzeling steun heeft gegeven aan de elkaar opvolgende bevriezingsvoorstellen. Het stemt uiteindelijk dan ook tot bevrediging, dat die periode in beginsel achter ons ligt. Blijft staan dat de WAM zelf intussen door iedereen als een te knellend keurslijf, dan wel een niet realistisch instrument wordt ervaren. Daarom kan ik de vervanging van de WAM door een wet die een soepeler regime kent, onderschrijven. We bespreken dan het wetsvoorstel koppeling met afwijkingsmogelijkheden. Voorzitter! Over de inhoud van het wetsvoorstel als zodanig, de procedurele regeling van de koppelingssystematiek om het zo maar te zeggen, kom ik dadehjk te spreken. Eerst een enkele opmerking over onze principiŽle benadering van deze zaak. De vraag kan zich namelijk aandienen of het wel een taak van de overheid is om door een of ander koppelingsmechanisme een relatie te leggen tussen de loonvorming in de marktsector en de hoogte van minimumlonen, dan wel minimumuitkeringen, voor zover van die inkomens een zelfstandige huishouding moet worden gevoerd, dan wel er een zorgplicht is voor derden. Naar onze wijze van zien is de overheid geroepen tot het beoefenen van publieke gerechtigheid, waarbij zij als dienares van God in haar beleid moet uitgaan van de ordening, die God in de Schepping heeftgelegd. Dat betekent dat we geen samenleving kennen, en daar ook niet naar moeten streven, van individueel los van elkaar levende mensen, zonder verantwoordelijkheid voor elkaar, maar in veruit de meeste gevallen van gezinnen, waarin lasten en plichten gezamenlijk worden gedragen. De overheid heeft de taak, recht te doen aan zwakkeren. Als het gaat om de inkomens, betreft dit de zwakken die een inkomen leveren voor een zelfstandige huishouding. Voor die zwakkeren behoort de overheid een schild te zijn. Acht het kabinet het overigens gewenst en noodzakelijk, dat iedereen die een uitkering op minimumniveau ontvangt, voor de koppeling in aanmerking komt? Zo ja, welke rechtvaardigheidsgrond zit daar dan in? Ik realiseer mij tegelijkertijd dat het vrijwel onmogelijk is om via het koppelingsmechanisme tot de nodige differentiatie te komen, maar het gaat om het principe en de wijze waarop eventueel ten onrechte genoten voordeel kan worden gecorrigeerd. Hoewel de overheid zich in het algemeen bij het inkomensbeleid en de loonvorming terughoudend dient op te stellen, is het haar plicht haar invloed aan te wenden om zwakkeren te beschermen en recht te doen. In dat kader is het zeker rechtvaardig als bij wet een minimumloon wordt vastgesteld, zodat uitbuiting van de werknemer niet mogelijk is. Het is ook recht en billijk, als de overheid ervoor zorgt dat zij die om welke reden dan ook buiten het arbeidsproces staan, delen in de algehele welvaartsgroei, als daarvan sprake is. Dat is een kwestie van collectieve solidariteit en betrokkenheid op elkaar. Door de koppeling wordt de kloof tussen rijk en arm niet tŤ groot, en dat is goed, want blijvend grote inkomensverschillen komen de stabiliteit van een samenleving niet ten goede. Ik heb de neiging om daarbij een verband te leggen met regels die in het Oude Testament voorkomen over het Jubeljaar. Het onbeperkt akker aan akker te trekken, zoals dat wordt genoemd, was verboden en bezittingen dienden na 50 jaar te worden teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar. Hoe het ook zij, de maatschappij laat zich niet alleen volgens economische regels besturen. Op die gronden is de RPF dan ook voorstander van de beoogde koppeling tussen lonen en uitkeringen, zoals uit ons verkiezingsprogramma blijkt. Naast het principiŽle argument is er ook nog het kostenargument om de koppeling te verdedigen. Bezie je de koppeling als maatregel van koopkrachtbehoud of koopkrachtverbetering, dan zou deze veelal goedkoper en doelgerichter zijn dan andere maatregelen die wij kennen uit de bevriezingsperiode, zoals lastenverlichting of verhoging van de kinderbijslag. Verder is de koppeling veel gemakkelijker uitvoerbaar dan bijvoorbeeld eenmalige toeslagen voor al dan niet echte minima. Kunnen de bewindslieden deze redenering onderschrijven en, zo ja, waarom is dat argument, dus dat de koppeling een goedkoper instrument is, in de schriftelijke verdediging dan niet nadrukkelijker opgevoerd? Natuurlijk zit er ook een keerzijde aan de koppeling en die moet onder ogen worden gezien. Toepassing van de koppeling kost veel geld, ook al loopt de financiering, zoals de memorie van antwoord op bladzijde 17 aangeeft, in ieder geval op korte termijn rond. Te zamen met het voornemen om ook de salarissen van ambtenaren en trendvolgers de ontwikkelingen op de markt te laten volgen (een vergelijkbare problematiek) legt de koppeling een zeer groot beslag op de beschikbare financiŽle ruimte, zeker indien de lonen in de marktsector niet voldoende worden gematigd. De koppeling heeft daarmee een groot bezwaar. De socialezekerheidsuitgaven worden in vergaande mate afhankelijk van de loonontwikkeling in de particuliere sector. En op die ontwikkeling heeft de overheid geen overheersende invloed, tenzij er natuurlijk een loonmaatregel wordt uitgevaardigd, maar ik heb niet begrepen dat het kabinet die weg op wil. Het prirnaat ligt in dezen bij de sociale partners en dan met name de vakbonden, die hun looneisen stellen. De RPF-fractie meent, dat bij het arbeidsvoorwaardenoverleg in het algemeen door zowel werknemers als werkgevers te weinig rekening wordt gehouden met de gevolgen die de looneisen kunnen hebben voor de betaalbaarheid van de koppeling en voor de zwakkeren in de samenleving. Ik kan in dit kader dan ook heel weinig begrip opbrengen voor vakbonden, die in deze dagen voor een procentje meer of minder aanzetten tot stakingsacties. Als dat solidariteit heet met de zwakkeren in de samenleving, dan heb ik daar geen hoge hoed van op; nog afgezien van mijn principiŽle bezwaren tegen stakingen op zich en van de maatschappelijke schade die stakingen veroorzaken. Voorzitter! Met name door het optreden van de sociale partners, werkgevers en werknemers beide dus, die voor van alles en nog wat een beroep doen op de overheid, maar zelf onvoldoende willen meewerken als er eens wat van deze organisaties wordt gevraagd terwille van het algemeen belang, zijn uiteindelijk de overheidsuitgaven en een deel van de collectievelastendruk niet geheel beheersbaar. En bij sterk stijgende lonen en een stijgen-de collectievelastendruk is het ontstaan van een neerwaartse spiraal in de economie is niet bepaald denkbeeldig. Het zal duidelijk zijn, dat ook al worden eerst alle andere wegen beproefd om de koppeling betaalbaar te houden, een automatische koppeling te weinig speelruimte biedt als de nood dan wel de financiŽle nood aan de man komt. Daarom kan de koppeling geen automatisme zijn. Tegelijkertijd mag het antwoord op de financiŽle nood van het Rijk niet al te gemakkelijk primair of uitsluitend worden gezocht bij die groepen die door de bevriezing van hun inkomen aan het economisch herstel al zo'n belangrijke bijdrage hebben geleverd. Ik denk met name aan de ouderen. De redenering op bladzijde 7 van de memorie van antwoord als reactie op een vraag van mijn fractie, dat het niet rechtvaardig is bepaalde groepen in de samenleving over een langere periode niet te laten delen in de welvaartsontwikkeling, spreekt mij dan ook aan. Ontkoppelen kan dus, maar slechts als het echt niet anders kan. Ik denk dat uit overwegingen van vermindering van de collectievelastendruk en bevordering van de werkgelegenheid die noodsituatie in de jaren tachtig inderdaad aan de orde is geweest. Daarom steunde ik uiteindelijk, zoals ik al zei, nolens volens de bevriezing. Nu gaat het erom de voorwaarden te verschaffen waaronder de koppeling in de jaren negentig wel in stand kan blijven. Daarmee kom ik op het voorliggen-de wetsvoorstel zelf. Ik zou allereerst willen opmerken dat betwijfeld kan worden of het uiteindelijk veel houvast biedt in de besluitvorming rond de toepassing van de koppeling. In het regeerakkoord zijn afspraken gemaakt over het herstel van de koppeling. Die zijn vertaald in het onderhavige wetsvoorstel. Normaal gesproken blijft de koppeling gehandhaafd, maar een bovenmatige loonontwikkeling en een tegenvallen-de volumeontwikkeling van de inactieven kunnen de regering, op advies van de SER, doen besluiten tot ontkoppeling over te gaan. Gezien de ontwikkelingen met betrekking tot beide afwijkingsmogelijkheden liggen hier direct de nodige moeilijkheden. Wat verandert er in vergelijking met het WAM-tijdperk nu concreet voor de mensen, die afhankelijk zijn van de koppeling? Ik vraag dat te meer nu in ieder geval de tweede afwijkingsgrond van toepassing is. Weten zij nu beter waar zij aan toe zijn dan onder de kabinetten-Lubbers I en II het geval was? Ik betwijfel dat eerlijk gezegd, omdat in een situatie waarin de afwijkingsgronden actueel zijn, de inactieven evenals voorheen, moeten afwachten of de koppeling blijft gehandhaafd. In zowel WAM als WKA is koppeling regel. De WAM kon echter buiten werking worden gesteld, zoals we hebben gezien, en de WKA biedt zelf al de mogelijkheid te ontkoppelen. En laten we wel wezen, uiteindelijk komen de argumenten om de koppeling te laten vallen in beide gevallen neer op budgettaire overwegingen, zij het dat deze onder het regime van de WKA zijn ingekaderd in min of meer duidelijke criteria. Wat is nu afgezien van de procedurele aspecten materieel gezien concreet de verbetering voor de betrokkenen, zo vraag ik de bewindslieden. Voorzitter! Er is in de schriftelijke voorbereiding uitgebreid gevraagd naar eventueel aanvullende afwijkingsgronden. De bewindslieden hebben sterke argumenten aangevoerd om niet tot het noemen van extra afwijkingsgronden over te gaan. De nabije toekomst moet ons leren of het voorliggende wetsvoorstel in de praktijk in dit opzicht zal voldoen. Ik moet hier nog een misverstand wegnemen, omdat in de nota naar aanleiding van het eindverslag de suggestie is gewekt, dat wij als RPF bepleit hebben dat ook een budgettaire afwijkingsgrond mogelijk moet zijn. Hierover heb ik slechts een informatieve vraag gesteld in het eindverslag. Met het antwoord daarop ben ik content. Met betrekking tot de wŤl in het wetsvoorstel opgenomen afwijkingsgronden maak ik nog een aantal opmerkingen. Nu er problemen dreigen ten aanzien van de budgettaire mogelijkheden om de koppeling te handhaven, moeten er moeilijke keuzen worden gemaakt. We kunnen ervoor kiezen de koppeling los te laten of het aantal mensen dat afhankelijk is van de koppeling te verminderen. Daarvoor zijn andere vŤrgaande ingrepen noodzakelijk, zoals een herziening van de WAO.

De fractie van de RPF heeft hiervoor in de schriftelijke voorbereiding uitdrukkelijk aandacht gevraagd. Ik stel tot mijn tevredenheid vast dat de regering in principe kiest voor de tweede optie: het terugdringen van het aantal inactieven. Ik hoop dat de regering over voldoende daadkracht en moed beschikt om ook daadwerkelijk stappen te ondernemen om het aantal personen dat afhankelijk is van een uitkering, terug te brengen. Ik realiseer me dat dit aspect in een later stadium nog terugkomtik denk aan de reactie van het kabinet op het WRR-rapport "Een werkend perspectief" en de aangekondigde werkgelegenheidsnota van de regeringmaar toch zou ik hierover nu al wat meer duidelijkheid van de regering willen krijgen. In het algemeen zou ik de regering willen vragen of er concrete verwachtingen zijn dat het aantal inactieven binnen de huidige kabinetsperiode inderdaad tot op het verhoudingsgetal 0,86 kan worden teruggedrongen. In de stukken, ik verwijs naar bladzijde 17 van de nota naar aanleiding van het eindsverslag, staat dat tussen streven en verwachting zich nog hoop bevindt. Is het wellicht ijdele hoop, voorzitter? Mijn vraag is of het kabinet zich niet willens en wetens in de nesten werkt. Zou de koppeling geen enkel probleem zijn als we bij de bestrijding van de werkloosheid, bij het inkomensbeleid en de sociale zekerheid niet langer zouden uitgaan van het indivudaliseringsprincipe, maar van de draagkracht per huishouding? Het verhoudingsgetal 0,86 zou naar mijn wijze van zien geen enkel probleem opleveren als we bij het meten van de werkloosheid alleen rekening zouden houden met personen die een zelfstandige huishouding voeren, dan wel de zorg voor derden hebben. Is de minister dat met mij eens? Hetzelfde geldt voor de WAO-problematiek. Nu moeten er allerlei halsbrekende toeren worden uitgehaald om de koppeling mogelijk te maken, maar dat zou niet het geval zijn als de koppeling alleen van kracht zou zijn voor alleenverdieners die ook terecht aanspraak op zo'n bijstelling kunnen maken. Alle andere uitkeringen zijn aanvullend op de andere inkomens in zo'n huishouding. Als het kabinet weigert het beleid af te stemmen op de draagkracht per huishouding heb ik geen medelijden als straks de koppeling onverhoopt niet door kan gaan. Dat geldt uiteraard wŤl voor de mensen die hierdoor getroffen worden maar niet voor het kabinet. Men roept het onheil dan immers zelf over zich af. Ik dring er dan ook op aan dat men op zijn minst om praktische redenen een andere weg inslaat dan nu wordt gevolgd. Ik kijk hierbij de staatssecretaris van Sociale Zaken en emancipatiebeleid indringend aan; dat zal zij wel begrijpen. De bewindslieden schrijven in de nota naar aanleiding van het eindverslag in antwoord op een vraag van de SGP-fractie over een bovenmatige loonontwikkeling in 1992 en 1993: "Ook al verslechtert de verhouding inactieven/actieven pas op termijn, dan zal toch in die jaren al besloten kunnen worden tot ontkoppeling, afhankelijk van wat de getalsverhouding qua raming over een langere periode aan ontwikkeling vertoont". Voorzitter, dat belooft reeds op korte termijn niet veel goeds. In diverse kringen wordt nu reeds rekening gehouden met een dreigende loonprijsspiraal voor de komende jaren. Zal bij de begrotingsvoorbereiding voor 1992 reeds worden uitgegaan van een bovenmatige loonontwikkeling in de komende jaren? Dat in het kader van het beperken van het aantal uitkeringsgerechtigden ook de bestrijding van fraude en misbruik hoge prioriteit heeft, spreekt voor zich. Ik ben blij, dat ook de staatssecretaris van Sociale Zaken nu bereid is, zich wat dit betreft hard op te stellen. Ik vraag dezelfde opstelling waar het gaat om strengere maatregelen die erop gericht zijn dat beschikbaar werk wordt aanvaard. Ook daar bevindt zich nog een belangrijk pijnpunt. Mijnheer de voorzitter! Vele andere vragen van mijn fractie zijn bij de schriftelijke voorbereiding door de bewindslieden naar genoegen beantwoord. Daarvoor ben ik ze erkentelijk. Ik zal nu niet nader op die vragen ingaan. De regering is, zo blijkt uit de nota naar aanleiding van het eindverslag, van plan om vooruitlopend op de invoering van deze wet bij de voorbereiding van de begroting voor 1992 de besluitvorming over de koppelingen te laten verlopen volgens de lijnen van dit wetsvoorstel. Ik wil in dit verband een vraag over de procedure stellen. Om welke reden is het advies van de SER bij ontkoppeling essentieel, nu in ieder geval de concretisering van het tweede, het volumecriterium in de vorm van de norm 0,86 door het kabinet voor deze kabinetspenode al is vastgesteld? Met andere woorden: het staat kennelijk buiten kijf, dat bij overschrijding van de norm 0,86 een betekenende verhoging van de collectievelastendruk ter bekostiging van de koppeling noodzakelijk is. Daarmee is toch al volkomen helder dat feitelijk tot ontkoppeling zou moeten worden besloten? Wat kan het advies van de SER daaraan dan nog toevoegen? Ik overweeg dan ook, op dit punt het amendement dat de heer Linschoten heeft ingediend te steunen. Voorzitter! Ik heb laten blijken dat ik een voorstander ben van een koppeling van lonen en uitkeringen. Ik erken dat het kabinet een werkbare structuur daarvoor op tafel heeft gelegd. Ik spreek daarvoor mijn waardering uit. Over de feitelijke toepassing van de koppeling voor de komende tijd valt op dit moment overigens al veel te zeggen, maar wij moeten die discussie toch tot na Prinsjesdag aanhouden. Eerst is nu het kabinet aan zet. Ik zie met belangstelling uit naar de reactie op hetgeen ik bij dlt voorstel naar voren heb gebracht.

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP): Mijnheer de voorzitter! Naarmate dit koppelingswetvoorstel in de wetgevingsprocedure vordert, verdwijnt de koppeling zelf meer uit beeld. In de memorie van toelichting heet het nog dat "meer evenwichtige financieel-en sociaal-economische verhoudingen binnen bereik zijn gekomen" en daarmee ook "een meer gelijkwaardige ontwikkeling van inkomens in markt-en collectieve sector". In de memorie van antwoord wordt een meer pessimistische toon aangeslagen, maar de regering meent dat zij met de voorgestelde maatregelen inzake de beperking van de arbeidsongeschiktheid en het ziekteverzuim nog "aan de veilige kant" zit. In de nota naar aanleiding van het eindverslag wordt wat somber gemeld, dat het CPB de verhouding tussen actieven en niet actieven voor 1992 op 86,8% raamt, waarmee de door de regering gestelde grens van 86 rond wordt overschreden. De vorige week is duidelijk geworden dat met name het aantal arbeidsongeschikten nog altijd sterk groeit. De staatssecretaris meldt dat zij het onder de gegeven omstandigheden acceptabel kan gaan vinden, dat de koppeling voor een jaar wordt opgeschort. Het debat over dit wetsvoorstel, dat toch in principe de koppeling als uitgangspunt heeft, krijgt zo meer een academisch karakter dan dat het een waarschijnlijk praktische betekenis heeft. Voorzitter! Dat is een wat trieste ontwikkeling, in de eerste plaats natuurlijk voor de mensen met een uitkering of minimumloon zelf. Terwijl het leven duurder wordt, zullen zij hun koopkracht nauwelijks zien stijgen of misschien zelfs zien dalen. Het is ook jammer voor de fractie van de Partij van de Arbeid. Voor deze fractie en voor de partij die zij vertegenwoordigt gold de koppeling immers als een soort totempaal. Dat geldt mogelijk nog. Dat zullen wij in de loop van de komende tijd gaan merken. Zolang er gekoppeld wordt, kan zij haar achterban laten zien dat regeringsdeelneming vruchten afwerpt. Maar ook voor de Partij van de Arbeid zal het duidelijk zijn, dat sociale wenselijkheid begrensd wordt door de economische en financiŽle mogelijkheden. Op dit moment geldt nog altijd het wettelijke regime van de automatische koppeling, in 1979 bij wet bepaald. Opmerkelijk is dat de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel begint met de sterk toegenomen groei van de categorie inkomenstrekkers op wier inkomen de overheid een directe invloed heeft. Met name worden dan de niet-actieven genoemd die een beroep moeten doen op de sociale zekerheid. Juist omdat die categorie zo sterk groeide, wilde de overheid meer duidelijkheid scheppen en stelde zij een automatische koppeling voor, waarbij deze groep verzekerd zou zijn van een welvaartsvast inkomen. Was de groei van het aantal uitkeringsgerechtigden toen een reden om te koppelen, nu zien wij het tegenovergestelde. De automatische koppeling zoals die nu nog wettelijk bestaat was op zichzelf sympathiek, maar hield geen rekening met de economische werkelijkheid en daar zijn wij dan ook achter gekomen. Het jaar op jaar buiten werking stellen van deze regeling, via adhocwetsvoorstellen, was nodig, maar verdiende uiteraard geen schoonheidsprijs. De rechtszekerheid die de wet dient te bieden werd daardoor uitgehold. Een vervanging van de Wet aanpassingsmechanismen, een soort herijking van het systeem dus, was dan ook nodig. Een eerste vraag die gesteld moet worden is of de koppeling Łberhaupt wel tot de taak van de overheid gerekend moet worden. De overheid voert terecht een inkomensbeleid. De overheid heeft tot taak, het bevorderen van publieke gerechtigheid, ook op sociaal gebied, mensen plaatsend in hun verhoudingen tot anderen, bijvoorbeeld in het gezin, het gevoerde huishouden. Dit betekent dat de overheid ervoor dient te zorgen dat mensen die zelf uiteindelijk niet meer in staat zijn om een inkomen te verwerven, niet in armoede, zelfs niet in relatieve armoede terechtkomen. In onze huidige samenleving betekent dit dat de overheid een bestaansminimum garandeert. De koppeling daarentegen gaat verder en zorgt voor een gelijke welvaartsdeling aan de onderkant van het inkomensgebouw. Het ontstaan van te grote welvaartsverschillen is naar onze opvatting niet gewenst. Daarin heeft de overheid volgens ons inderdaad een corrigerendetaak. Een koppeling met afwijkingsmogelijkheden is daarvoor een acceptabel instrument, zij het dat wij daar in het vervolg van deze bijdrage wel wat kritische kanttekeningen bij zullen plaatsen. De regering heeft gekozen voor een koppeling met twee afwijkingsmogehjkheden In de eerste plaats is dat een bovenmatige loonontwikkeling, waardoor de werkgelegenheid in gevaar komt. In de tweede plaats is het een volumeontwikkeling in de socialezekerheidsregelingen, waardoor een betekenende verhoging van premie-en belastingdruk noodzakelijk is. Beide ontkoppelingsgronden worden geconcretiseerd in de verhouding van niet-actieven/actieven. Die verhouding is voor de huidige regeerperiode gesteld op 86%. Dat percentage blijkt de uiteindelijke norm te zijn, wanneer het gaat om de vraag, of er al dan niet gekoppeld wordt. Maar wanneer dat de uiteindelijke norm is, waarom wordt die dan niet in de wet vastgelegd? Uit een oogpunt van wetgevingstechniek is dat toch het meest zuivere? Het heeft tegelijk het voordeel dat, wanneer die verhouding wordt gewijzigd, er een wetswijziging met de daarbij behorende waarborgen nodig is. Wordt daarmee ook niet meer rechtszekerheid verkregen dan met de wat vaag geformuleerde afwijkingsmogelijkheden? Immers, wanneer is loonstijging bovenmatig, zodat gevaar voor de werkgelegenheid kan worden verwacht? Wat is een betekenende premie-of belastingdrukverhoging? Vage begrippen die op verschillende manieren geÔnterpreteerd kunnen worden, horen onzes inziens eigenlijk niet in wetgeving thuis. Maar misschien heeft de minister een andere opvatting. Die hoor ik dan graag. Met het criterium van de loonontwikkeling stelt de regering zich kwetsbaar op. De loonvorming wordt grotendeels bepaald door de sociale partners. Zo hoort dat ook. Zij zijn daarvoor de eerst verantwoordelijken! Loonmatiging zal evenwel nodig zijn, wil de koppeling stand houden. In de memorie van antwoord stelt de minister, dat de regering een klemmend beroep zal doen op sociale partners om tot loonmatiging te komen. Zij is daarom bereid, met sociale partners afspraken te maken over maatregelen ter ondersteuning van de koopkracht. Wanneer wij dat lezen, denken wij aan mogelijk centrale akkoorden. Maar als de minister-president daartoe oproept, wat hij onlangs deed, blijkt dat volgens de minister van Sociale Zaken niet of nog niet nodig te zijn. Voor een minister die de koppeling graag wil handhaven-en zo kennen wij de minister van Sociale Zakenis dit toch een opmerkelijke opstelling die om verduidelijking vraagt. Zeker met een oplopende inflatie mag toch verwacht worden dat de looneisen ook omhoog gaan, althans die trend zullen kennen? Daarmee komt de koppeling weer onder druk te staan. Medewerking van de sociale partners is van groot belang om de koppeling te handhaven. Maar in hoeverre bestaat daartoe nog de bereidheid bij de sociale partners? Weliswaar worden er op centraal niveau afspraken gemaakt, maar steeds meer blijkt dat de sociale partners op bedrijfstakniveau hun eigen weg willen inslaan. Hebben de centrales van werkgevers en werknemers nog wel voldoende greep op de aangesloten organisaties om mogelijk zmvolle afspraken te maken? Wij willen ook het kabinetsbeleid zelf betrekken bij de loonvorming. In de Tussenbalans is een aantal lastenverzwaringen afgesproken. Ik noem de stijging van de woonlasten en van de vervoerslasten. Die zullen ongetwijfeld ook de lonen omhoog duwen. Ondergraaft de overheid met haar beleid zo niet de door haar gewenste koppeling? Bij de gemiddelde loonstijging wordt er rekening gehouden met de ontwikkeling van de ambtenarensalarissen. Op zich is dat terecht. Wel vragen wij ons af of daarvoor het arbeidsvoorwaardenoverleg in de overheidssector al voldoende vrij is. De ontwikkeling van de ambtenarensalarissen heeft een aanzienlijke invloed op de totale inkomensontwikkeling in ons land. Bestaat niet het gevaar dat de overheid om wille van de haalbaarheid van de koppeling de ontwikkeling van de ambtenarensalarissen afremt? Dat zou voor de kwaliteit van het overheidsapparaat weer niet goed zijn. Wanneer het gaat om de volumeontwikkeling in de sociale zekerheid, zien wij, eerlijk gezegd, de nabije toekomst wat somber tegemoet. Alleen al door demografische factoren, ons allen bekend, zoals de vergrijzing, zal het volume toenemen. Vergrijzing zorgt niet alleen voor een groeiend aantal AOW'ers, maar ook voor een groei van de arbeidsongeschiktheid en het ziekteverzuim. Een adequaat regeringsbeleid is nodig om de verhouding tussen niet-actieven en actieven te verbeteren, maar tot nog toe hebben wij daar weinig van kunnen bespeuren naar de praktijk van alledag toe. In berichten in de pers lijkt de staatssecretaris bereid om voor ťťn jaar van de koppeling af te zien. Zo is dat beeld toch ontstaan. Maar ook de hogere inkomens zullen moeten bloeden bij het niet doorgaan van de koppeling. Over beide aspecten willen wij toch graag de mening van de minister en uiteraard van de staatssecretaris horen. Om met het laatste te beginnen is het "bloeden van de hogere inkomens" een synoniem voor de term "fiscale herschikking", die door de minister is gebezigd? En op welke wijze denken de bewindslieden daar eigenlijk invulling aan te geven? Wordt het paard niet achter de wagen gespannen, wanneer ontkoppeling gepaard gaat met een verhoging van de belastingdruk voor werknemers? Een hogere belastingdruk zal ongetwijfeld vertaald worden in hogere lonen en een hogere loonontwikkeling betekent weer een extra bedreiging Minister De Vries en staatssecretaris Ter Veld van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de koppeling. Komen wij zo niet in een negatieve spiraal terecht? Enkele collega's wezen ook op dat gevaar. Daarbij komt dat Nederland al een hoge belasting-en premiedruk kent in vergelijking met de ons omringende landen. Een nog hogere druk kan de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven onder druk zetten, waardoor het aantal uitkeringsgerechtigden ook weer zal toenemen. Ook dat is weer negatief voor de koppeling. Alles hangt inderdaad met alles samen op dit terrein. In de nota naar aanleiding van het eindverslag wordt lastenverlichting als alternatief voor fiscale herschikking genoemd. Lastenverlichting zullen wij toejuichen, maar ik neem aan dat een overheid die geen middelen beschikbaar heeft om de koppeling in stand te houden, evenmin mogelijkheden ziet om tot lastenverlichting over te gaan. Wij hopen met de staatssecretaris dat ontkoppeling niet nodig is enmits onontkoombaartot een jaar beperkt kan blijven. Maar wanneer in de toekomst de verhouding tussen niet-actieven en actieven niet verbetert, zal meer permanente ontkoppeling helaas onontkoombaar zijn. Daar zal de staatssecretaris het toch ook mee eens zijn. De regering heeft in het wetsvoorstel geen derde afwijkingsmogelijkheid, namelijk de financiŽle positie van het Rijk, willen opnemen. Een grote meerderheid binnen de Sociaaleconomische raad, werkgevers en onderscheiden kroonleden, is daar wel een voorstander van gebleken. Indien er sprake is van een algemene financiŽle problematiek bij de rijksoverheid, waar alle ministeries een bijdrage aan moeten leveren, dan kiezen de bewindslieden voor specifieke maatregelen die het volume in de sociale zekerheid beperken. Wij hebben daar een paar vragen bij. Is het niet buitengewoon moeilijk om tot specifieke ingrepen over te gaan? Dat bewijst de huidige discussie over maatregelen om de arbeidsongeschiktheid terug te dringen toch wel? Daarnaast vragen wij ons af waarom bij een generiek probleem specifieke categorieŽn uitkeringsgerechtigden daarvan de dupe moeten worden. Bestaat er dan geen solidariteit tussen uitkeringsgerechtigden onderling? In beginsel zal de regering niet ieder jaar de SER raadplegen over de vraag of er al dan niet gekoppeld dient te worden. Het argument daarvoor is dat dit wetsvoorstel geen beleidsmatige koppeling inhoudt. De vage formulering van de afwijkingsgronden en de mate waarin met de gevolgen van het regeringsbeleid rekening wordt gehouden, geven de regering evenwel de nodige ruimte voor een beleidsafweging. Daarbij komt dat de regering de effecten van het eigen beleid vaak nogal positief inschat. Een voorbeeld hiervan is het effect van de maatregelen om de arbeidsongeschiktheid terug te dringen. Het CPB toonde zich hierin heel wat pessimistischer dan de regering en lijkt, helaas, vooreerst gelijk te krijgen. Aangezien het wetsvoorstel de nodige ruimte voor een beleidsmatige afweging biedt, lijkt een SER-advies op zijn plaats. De SER is in zijn advies uiteraard gebonden aan de criteria van dit wetsvoorstel. Overigens zal door de ontwikkeling van de lonen en het volume in de sociale zekerheid een SER-advies in de komende jaren onontbeerlijk zijn, ook in de opvattingen van de bewindslieden, zo nemen wij aan, de stukken hierover tegen het licht houdend. Wanneer de regering besluit om op enig moment niet te koppelen, zal zij bij algemene maatregel van bestuur vaststellen hoe de uitkeringen en minimumlonen zich zullen ontwikkelen. Ook de Kamer krijgt hierbij een stem in het kapittel. Het gaat tenslotte om een belangrijk politiek besluit. Mijn fractie heeft dan ook moeite met artikel 14, het dertiende lid. Wanneer de regering niet op tijd is met de algemene maatregel van bestuur, krijgt zij de mogelijkheid, voor een periode van ten hoogste drie maanden de uitkeringen en minimumlonen te bevriezen. Weliswaar gaat het om een noodmaatregel, maar ik neem aan dat deze in het algemeen eerst met het parlement wordt besproken. In de laatste nota van wijziging wordt bepaald dat ook per 1 juli gekoppeld kan worden, ook al is per 1 januari daaraan voorafgaand ontkoppeld. In de memorie van toelichting staat vermeld dat het om een uizonderingsbepaling gaat. Het betekent een doorkruising van het inkomens-en werkgelegenheidsbeleid, dat in beginsel per heel jaar wordt gevoerd. Wij vragen ons dan ook af of deze wijziging echt nodig is. De kans dat de raming van de verhouding tussen inactieven en actieven binnen een halfjaar sterk verschilt, is uiterst klein. Wel wordt het zo mogelijk dat ieder halfjaar een politieke discussie over de koppeling ontstaat, wat ons niet echt gewenst lijkt. Wij vragen de bewindslieden dan ook, de voor-en nadelen van de laatst aangebrachte wijzigingen, op stuk nr. 10, nog eens tegen elkaar af te wegen. Tot slot geef ik enige aandacht aan enkele internationale aspecten. Nederland is geen eiland, maar zal in zijn beleid rekening moeten houden met het beleid in de ons omringende landen. Dit geldt te meer nu de interne markt haar voltooiing nadert en de monetaire unie waarschijnlijk op afzienbare termijn wordt gerealiseerd. De concurrentie zal heviger worden. Zaken zoals de collectievelastendruk zullen hierbij een belangrijkere rol gaan spelen. In de eerste plaats valt het op, dat de uitkeringen in Nederland, in vergelijking met die in de ons omringende EG-lidstaten, vrij hoog zijn. Uitzondering daarop zijn de uitkeringen voor gezinnen met kinderen. Wat dat betreft, pleiten ook wij voor een verhoging van de kinderbijslag in Nederland. Nu hoeven hoge uitkeringen op zichzelf geen belemmering te vormen voor de economische ontwikkeling indien het aantal uitkeringsgerechtigden beperkt is. Maar of dat in Nederland, in vergelijking met andere EG-lidstaten het geval is, valt sterk te betwijfelen. De regering doet daar nog onderzoek naar. Het zou beter geweest zijn als de regering dat gedaan had, voordat zij dit wetsvoorstel indiende. Het gaat om een belangrijk gegeven, dat nodig is om bijvoorbeeld de norm van 86%-cruciaal in de voorstellente beoordelen. Indien die norm in de andere EG-lidstaten een stuk lager ligt, zal dat dan aanleiding voor de regering kunnen zijn om die norm alsnog aan te passen? In de omliggende lidstaten is de ontwikkeling van de hoogte van de uitkeringen in het algemeen bepaald door de prijsontwikkeling. In Nederland wordt evenwel gekozen voor de loonontwikkeling als ijkpunt, die in het algemeen hoger ligt dan de prijsontwikkeling. Bestaat daarbij niet het gevaar, dat Nederland nog verder uit de pas gaat lopen in vergelijking met de andere voor ons relevante EG-lidstaten? Mijnheer de voorzitter! Een goede economische ontwikkeling is een noodzakelijke voorwaarde voor een goed sociaal beleid. Er moet eerst geld verdiend worden, voordat over verdeling daarvan kan worden gesproken. Die harde les van de achterliggende jaren kunnen wij wel trekken, ook uit de geschiedenis van de koppeling. Economische groei stuit evenwel in toenemende mate op grenzen, met name op milieugebied. Een meer sobere levensstijl en minder consumentisme is van groot belang. Welvaartsverschillen komen daardoor minder tot uiting. En wij zullen meer verantwoord moeten omgaan met de schepping van God, die wij gebruiken mogen maar ook zo ongeschonden mogelijk moeten bewaren.

De vergadering wordt van 18.40 uur tot 20.1 5 uur geschorst.

De heer De Jong (CDA): Mijnheer de voorzitter! Na de Tweede Wereldoorlog hebben wij in ons land verschillende systemen van koppeling gekend: beleidsmatige koppeling op basis van overleg in de Stichting van de arbeid, daarna koppeling aan de prijzen, weer iets later een koppeling aan de prijzen en de lonen en tot slot een koppeling aan de lonen. De huidige regeling, de Wet aanpassingsmechanismen, de WAM, probeert alle bewegingen in de ioonmarkt te volgen. Steeds ging de discussie over het juiste evenwicht tussen rechtvaardigheid, het delen in de welvaart en de financiŽle houdbaarheid. Vooral in de jaren tachtig heeft het criterium "houdbaarheid" zwaar gewogen. De functie van het minimumloon ten opzichte van de werking van de arbeidsmarkt stond daarbij centraal. In die jaren is het minimumloon relatief achtergebleven, waardoor ruimte is ontstaan aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Dit heeft ertoe geleid dat veel extra werkgelegenheid is gecreŽerd in een segment van de arbeidsmarkt waarin eveneens veel aanbod voorhanden was. Dit heeft marktverruimend gewerkt en ook marktruimend. De WAM-systematiek is met uitzondering van het eerste en waarschijnlijk het laatste jaar jaarlijks uitgeschakeld. Een te fijnmazig en volautomatisch volgen van de lonen is kennelijk lang niet altijd mogelijk. In elk geval bevordert het niet de karaktervastheid van de loononderhandelaars. Tijdens het vorige kabinet heeft minister De Koning voorgesteld de WAM te vervangen door de wet beleidsmatige aanpassingen. De Raad van State vond dat dit wetsvoorstel te weinig rechtszekerheid bood en het CDA heeft daar begrip voor. Ook een meerderheid van de SER heeft zich op grond van het argument van de rechtszekerheid inmiddels op het standpunt geplaatst dat de koppeling een wettelijke grondslag moest kennen. Het huidige wetsvoorstel probeert rechtszekerheid en houdbaarheid in evenwicht te brengen. In grote lijnen kunnen wij hiermee instemmen. Overigens betreuren wij het dat leden van het kabinet zich reeds geruime tijd gedragen als was het onderhavige wetsvoorstel reeds tot wet verheven en hadden zij zich reeds het inzicht verschaft in de MEV die op de derde dinsdag van 1991 verschijnt. De leden van de CDA-fractie beschikken niet over deze bovennatuurhjke gaven. Ik zal mij in deze bijdrage dan ook beperken tot het wetsvoorstel als zodanig en zal derhalve niet ingaan op de eventuele mogelijkheden die deze wet het komende najaar biedt, mocht hij tot wet zijn verheven. Vooraf merken wij op dat het kabinet het systeem van de beleidsmatige aanpassing via overleg wel wil handhaven voor de ambtenaren.

De heer Linschoten (VVD): Mijnheer de voorzitter! Ik moet u eerlijk zeggen dat ik dit politiek gesproken eigenlijk een beetje laf vind: een wet hier behandelen en niet willen ingaan op de vraag welke consequenties die wet dit najaar zal hebben. Mensen in het land zitten natuurlijk op de uitkomsten van deze wet te wachten en willen ook graag weten wat daarvan de consequenties zijn. Ik vind dat het CDA de politieke durf moet hebben om uit te leggen wat in concreto de betekenis van deze wet kan zijn. Dan kan de heer De Jong zich niet zo gemakkelijk verschuilen achter een opmerking dat nog wel bekeken zal worden wat de gevolgen van deze wet zijn.

De heer De Jong (CDA): Ik zal precies aangeven wat er zal gebeuren. Als dit wetsvoorstel tot wet mocht worden verheven, zal de minister van Sociale Zaken zich half augustus met de koninginne-MEV in de hand beraden en besluiten, nadat hij kennis heeft genomen van de tabellen waarin staat 0,86, 0,87 of 0,85, of hij een notitie moet schrijven. Mocht die notitie aanleiding geven tot een SER-adviesaanvrage dan komt die SER-adviesaanvrage wel en vervolgens zal de minister met een voorstel naar de Kamer komen. Dan zullen wij op dat moment daarover debatteren. Maar ik ken de koninginne-MEV niet, ik neem aan trouwens niemand, dus wij wachten het maar af.

De heer Linschoten (VVD): Maar wat moet er naar het oordeel van de CDA-fractie gebeuren indien dit najaar blijkt dat die verhouding tussen werkenden en niet-werkenden slechter is dan 100/86? Vindt u, mijnheer De Jong, dat dan alsnog de koppeling moet worden gehandhaafd of vindt u dat niet? De fractie van het CDA heeft toch ook een eigen oordeel? U bent toch niet helemaal afhankelijk van het beraad dat de minister dan zal hebben of van het SER-advies dat gegeven zal worden? U moet zelf ook een politiek oordeel hebben.

De heer De Jong (CDA): Dat politieke oordeel zullen wij alsdan vellen. Ik heb reeds gezegd dat wij ons in grote lijnen in de wet kunnen vinden. De wet bevat een kanbepaling. Zodra het hoger blijkt uit te vallen dan 0,86, wat wij overigens niet hopen, zal de minister een notitie schrijven en zullen wij een SER-advies ontvangen. Eventueel komt er dan een voorstel naar de Kamer en daarover zullen wij debatteren.

De heer Linschoten (VVD): De afwijkingsgrond, die nu in de wet wordt opgenomen, is dus een volstrekt vrijblijvende zaak? Als het gebeurt, moet de minister maar eens nadenken, dan vragen wij een advies aan de SER en dan zal de fractie van het CDA wel eens bekijken, wat zij daarmee doet. Dan had u toch ook de WAM kunnen volgen en kunnen zeggen dat, wanneer er aanleiding toe is, beleidsmatig besloten wordt tot een afwijking daarvan of kunnen kiezen voor een volledig beleidsmatige koppeling? Nu zegt u, dat er afwijkingsgronden zijn op grond van sociaal-economische overwegingen. U voegt er vervolgens aan toe, dat u wel ziet wat u daarmee vervolgens zal doen. Dat lijkt mij geen deugdelijke wetgeving.

De heer De Jong (CDA): Wij behandelen nu juist een wet die het mogelijk maakt om, wanneer de afwijkingsgronden actueel zijn, af te wijken. Het hoeft niet, het kan. Het heeft naar mijn mening geen enkel nut om daarop op dit moment, terwijl wij nog in ongewisheid verkeren over hetgeen ons in het najaar boven het hoofd hangt, reeds een voorschot te nemen. Dat behoort tot de categorie speculeren en dat heeft weinig zin.

De heer Linschoten (VVD): U hebt niet de politieke durf om nu al tegen de uitkeringsgerechtigden in dit land te zeggen, wat er zal gebeuren indien er zich ontwikkelingen voordoen die wij op dit moment allemaal in onze achterhoofden hebben.

De heer De Jong (CDA): Ik heb niets in mijn achterhoofd. Ik vind het veel kwalijker dat er nu al gespeculeerd wordt, ook in de richting van de uitkeringsgerechtigden, wat er mogelijk kan gebeuren als dit en dat werkelijkheid wordt. Naar mijn mening veroorzaakt dat onrust in het land. Daarom heb ik gezegd, dat wij het betreuren dat mensen nu al een voorschot nemen op een discussie die moet worden gevoerd aan de hand van cljfermateriaal dat wij op dit moment nog niet kennen.

De heer Linschoten (VVD): Mijnheer De Jong, het is toch gewoon een kwestie van eerlijkheid om tegen te mensen te zeggen, als de verhouding actieven/inactieven verslechtert, dan kunnen wij de koppeling niet trekken? U laat nu alles in het midden.

De heer De Jong (CDA): Het is net zo eerlijk om tegen de uitkeringsgerechtigden te zeggen: als het kabinet er deze zomer in slaagt, een zodanig pakket beleidsmaatregelen te realiseren waardoor de verhouding verbetert, zal de koppeling doorgaan. Dat lijkt mij een veel positievere boodschap dan nu te speculeren op de mogelijkheid van ontkoppeling.

Mevrouw Groenman (D66): Jawel, maar u heeft ook in de krant gelezen dat het CPB nu bepaalde cijfers geeft. Mensen lezen ook de krant. Wordt u niet opgebeld door mensen die zeggen: nu zijn er cijfers en het zou toch een wonder zijn als die over twee maanden anders zijn? Wat gebeurt er dan, wat doet het CDA dan? Dat vragen mensen u toch en dan?

De heer De Jong (CDA): Dan zeggen wij: wacht u de definitieve cijfers en de werkelijke ontwikkelingen af wanneer het kabinet deze zomer een beleidspakket ontvouwt en invult.

Mevrouw Groenman (D66): Dus

wachten op een wonder, daarop komt het eigenlijk neer?

De heer De Jong (CDA): Ik weet niet of u denkt dat de begrotingsvoorbereiding 1992 een wonderlijke zaak zal worden. Dat kan naar mijn mening een hele reŽle affaire zijn.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Voorzitter! Ik zou de heer De Jong willen vragen...

De voorzitter: Mits er een nieuw element in de discussie wordt gebracht, want wij hoeven elkaar niet na te praten.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Ik leid uit de woorden van de heer De Jong af dat, zelfs als zou blijken dat de verhouding in 1992 zo is als het CPB op dit moment berekent, hij de mogelijkheid van koppeling alsnog openhoudt omdat hij nu niet wil zeggen dat er dan ontkoppeld moet worden. Erzijn dus mogelijkheden om via het aanvullend beleid alsnog de verhouding actieven/nietactieven op het door de regering in het wetsvoorstel genoemde niveau terug te brengen?

De heer De Jong (CDA): U gaat ervan uit, dat in de wet zou staan dat het Centraal economisch plan, zoals dat nu voorligt, een element zou zijn in de voorstellen die de minister misschien zal doen. Dat is echter niet zo, want het is de MEV en die ken ik niet.

De heer Linschoten (VVD): Dit land wordt dus geregeerd door de MEV?

De voorzitter: De heer Linschoten heeft het woord niet.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Het is voor mij onduidelijk, maar wij komen niet verder. U zei, mijnheer De Jong, dat u zich wilde beperken tot hetgeen in de wet staat. U zei echter wel tussen neus en lippen: dan zal de regering deze zomer besluiten op basis van de koninginne-MEV, etcetera. Vindt u dat de regering inderdaad deze zomer moet besluiten over de vraag, of er in 1992 al dan niet gekoppeld moet worden? Dat staat namelijk helemaal niet in de wet, maar dat is blijkbaar wel uw opvatting?

De heer De Jong (CDA): Nee, ik heb gezegd: de regering zal deze zomer besluiten over de begroting voor 1992 en die besluiten zullen hun neerslag vinden in de MEV. Dan zal duidelijk worden of er voor de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanleiding is om een nota te schrijven.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Wat vindt de heer De Jong dan van het standpunt van de regering dat in de zomer de vraag beantwoord moet worden of er in 1992 gekoppeld dan wel ontkoppeld moet worden?

De heer De Jong (CDA): Dat lijkt mij geheel conform het voorliggende wetsvoorstel. Mijnheer de voorzitter! Wij willen vooraf opmerken dat het kabinet het systeem van de beleidsmatige aanpassing via overleg wel wil handhaven voor de ambtenaren. Wij kunnen daarmee instemmen. Tevens hebben wij met instemming gelezen dat het kabinet dit systeem voor werknemersverzekeringen in de marktsector niet uitsluit. Bij andere dossiers komen wij hierop terug. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is de koppeling aan de lonen in de marktsector en de collectieve sector. Wij steunen deze uitbreiding van harte. Het moet ons wel van het hart dat in sommige kabinetsstukken nog steeds ten onrechte wordt gesproken over de koppeling van ambtenaren. Dat verdraagt zich niet met de wettekst. De discussie over houdbaarheid spitst zich toe op de financierbaarheid en de invloed op de werkgelegenheid. De opstelling van de regering ten aanzien van de afwijkingsgronden en derhalve ten aanzien van de vraag of ontkoppeld kan worden, laat zich in het kort samenvatten als: zodra de verhouding inactieven/actieven van 0,86 afwijkt naar boven, wordt de mogelijkheid van ontkoppeling in overweging genomen. Dat is een redelijk vage opstelling, die de regering een grote mate van vrijheid geeft in haar beslissing om de koppeling al of niet door te laten gaan. De vraag ten principale is of dit moet worden betreurd. Naar de mening van de CDA-fractie behoeft deze treurnis niet al te groot te zijn, omdat naar de mate waarin het "freies Ermessen" in deze kwestie groter is, de koppeling steeds meer op een beleidsmatige koppeling begint te lijken en van een dergelijke koppeling waren wij al voorstander.

Hierbij past wel de opmerking dat dit niet mag leiden tot slordigheid in de formulering van de afwijkingsgronden. De beantwoording van de schriftelijke verslagen ter voorbereiding van de behandeling van het wetsvoorstel, geeft aanleiding om op dit punt nadere puntjes op de i te zetten.

De heer Linschoten (VVD): Als de CDA-fractie nu beweert een voorstanderte zijn van een beleidsmatige koppeling, dan ben ik graag bereid om op dat punt zaken te doen. Laten wij dan afspreken dat de koppeling tussen de lonen in de marktsector en de uitkeringen beleidsmatig wordt bepaald. Als wij het daarover eens zijn, moeten wij een wet maken waar dat in staat. Dat zou consequent en eerlijk zijn.

De heer De Jong (CDA): Ik ben begonnen met met instemming de Raad van State en de meerderheid van de SER aan te halen, die hebben gezegd dat het voor een grotere rechtzekerheid beter is om de koppeling wettelijk vast te leggen. Dat is in dit wetsvoorstel gebeurd. De koppeling heeft dan in grote mate het karakter van een beleidsmatige koppeling. Dat vinden wij een prima combinatie.

De heer Linschoten (VVD): De heer De Jong kan dat een prima combinatie vinden, maar ik weet niet wat er dit najaar gaat gebeuren en dat weten de mensen met een uitkering ook niet.

De voorzitter U valt nu in herhaling. U kunt op dit punt een interruptie plaatsen, maar niet ten aanzien van uw eerste interruptie. Ik kijk ook naar de klok

De heer Linschoten (VVD): Dan kijk ik met u en ga ik zitten. Ik stel alleen vast dat het standpunt van de CDA-fractie inderdaad leidt tot een andere conclusie dan de inhoud van deze wet.

De heer De Jong (CDA): Mijnheer de voorzitter! In dit kader wil ik een paar opmerkingen maken over het begrip loonruimte, de plaats van het CPB, de onderlinge verhoudingen van de afwijkingsgronden en het aantal afwijkingsgronden. Ik wil echter eerst een aantal opmerkingen maken over het al of niet gewenst zijn van de toevoeging als afwijkingsgrond van budgetproblemen van het Rijk. Hierover ligt ook het amendement op stuk nr. 12 van de zijde van de VVD-fractie voor. De regering wijst deze grond af als afwijkingsgrond. De CDA-fractie kan hiermee leven. Het is naar onze mening namelijk niet juist wanneer onvoldoende discipline in het uitgavengedrag van het Rijk wordt verhaald op de uitkeringen. Wel is het naar onze mening logisch dat enige symmetrie wordt toegepast. Dat betekent dat meevallers in de sociale zekerheid niet moeten leiden tot opvulling met andere overheidsuitgaven. Dat is niet alleen de opvatting van de fractiecommissie voor sociale zaken van het CDA, maar van de gehele fractie. Ik zeg dit vooral tegen de heer Linschoten. Over de definitie van het begrip loonruimte in de wet blijft de minister zich op de vlakte houden. Een zin als "...dat de loonruimte mede wordt beÔnvloed door ruilvoetontwikkelingen", is slordig. Juist is dat door de keuze van de in de definitie van de loonruimte mee te nemen prijsstijging, de produktieprijzen of de consumptieprijzen, de loonruimte wel of niet voor ruilvoetmutaties wordt gecorrigeerd. De minister laat dit in de wet in het midden. Bovendien is de loonruimte in de loononderhandelingen meestal geen relevant begrip. Ik verwijs in dat verband naar een mythe op dit punt die door de heer Zalm in zijn oratie wordt doorgeprikt. De minister geeft in het wetvoorstel aan het begrip loonruimte een louter theoretische strekking. Mijn voorstel zou zijn om het begrip "loonruimte" te schrappen uit de wet. Het geeft aanleiding tot grote misverstanden. Zo heeft het niet corrigeren voor de ruilvoetmutaties in de jaren zeventig, dat wil zeggen het in de loononderhandelingen koersen op de consumentenprijzen en niet op de producentenprijzen, geleid tot de loonontwikkeling die de explosieve stijging van de werkloosheid in het begin van de jaren tachtig mede heeft veroorzaakt. In artikel 14, lid 5, blijft dan als afwijkingsgrond staan: "een bovenmatige loonontwikkeling zodanig dat hiervan schade voor de werkgelegenheid kan worden verwacht." Nu kan de minister mij tegenwerpen dat ik dan een amendement indien op een passage zoals die ook in het regeerakkoord staat. Het is nog erger, mijnheer de voorzitter. In het regeerakkoord is deze passage rechtstreeks overgeschreven uit het SER-advies. Ik kan niet ontkennen dat ik ook daar enige verantwoordelijkheid voor heb gedragen. Zowel in het regeerakkoord als in SER-adviezen worden echter nuttige dingen geschreven, maar niet altijd wetsteksten. Over de positie van het CPB blijft de minister zich eveneens op de vlakte houden. Duidelijk is wel zijn toezegging dat hij zich voor de berekening van de verhouding inactieven/actieven exciusief zal verlaten op het CPB. Dus voortaan kan de verwarring veroorzaakt door weer aparte cijfers van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid achterwege blijven. Onduidelijk is gebleven wat de minister doet ais het CPB weigertzoals op dit moment actueel isom boterzachte beleidsvoornemens van het kabinet, zoals in het WAO/Ziektewetdossier, in de berekeningen op te nemen. Wel worden zij afzonderlijk als variant doorgerekend door het CPB. Wat neemt de minister dan als officieel cijfer? In de nota naar aanleiding van het eindverslag geeft de minister geen antwoord op deze vraag. Hij volstaat met onduidelijke antwoorden als: de regering baseert zich op informatie van het CPB, en: zoals gebruikelijkzal het CPB bij de bepaling van het cijfer rekening houden met de beleidsvoornemens van de regering. Daar gaat het nu juist om. Concreet: in het jongste CEP presenteert het CPB een projectie waarin maar zeer gedeeltelijk rekening wordt gehouden met de beleidsvoornemens van het kabinet ten aanzien van bezuinigingen op WAO en Ziektewet. Daardoor stijgt de verhouding inactieven/actieven boven de 0,86. Uit de variant waarin de beleidsvoornemens van het kabinet wel volledig zijn verwerkt, blijkt dan dat dit verhoudingsgetal met 0,016 daalt. In plaats van een afwijking naar boven 86-plus zou het dan weleens kunnen worden 86-min. Koppelen of ontkoppelen wordt dus een kwestie van keuze uit de menu's van het CPB. Naar de mening van de CDA-fractie moet worden gekozen voor de centrale projectie van het CPB en niet voor vooralsnog surrealistische varianten. Duidelijkheid op dit punt is geboden. Zou deze duidelijkheid uitblijven, dan komen wij met dit wetsvoorstel in drijfzand terecht en daarin wenst onze fractie het niet. Overigens kan ik niet nalaten toch enige relativering aan te brengen bij de befaamde 0,86. Het getal is en blijft natuurlijk veel te hoog. Wat dit betreft kan Ik aansluiten bij het betoog van mevrouw Groenman over de draagvlakgedachte. In het regeerakkoord zijn beleidsinspanningen voorzien om tot een daling tot 0,84 in 1994 te komen. Ik hoop dat deze voornemens nog steeds overeind staan. Ter vergelijking: in 1980 was deze verhouding 0,68 en in 1970 0,45. Het zal wel te veel gevraagd zijn aan de minister om aan te geven, wanneer hij bijvoorbeeld weer op het niveau van 1980 denkt aan te ianden. Ook de verhouding tussen de twee afwijkingsgronden blijft onduidelijk In de memorie van antwoord gaf de regering aan op de vraag onzerzijds of de afwijkingsgronden op zich bezien tot ontkoppeling kunnen leiden, dat dit niet het geval is. Nu stelt de minister in de nota naar aanleiding van het eindverslag gelukkig dat dit allerminst juist is. Ik verwijs naar bladzijde 11. Onduidelijk blijft wel de precieze rol die de verhouding inactieven/actieven speelt. Als deze verhouding oploopt, moet worden nagedacht over ontkoppelen. Dat is duidelijk. Als deze verhouding op korte termijn gelijk blijft of zelfs daalt, is dat naar onze mening onvoldoende om te stellen dat niet ontkoppeld behoeft te worden. Immers, de loonontwikkeling kan bovenmatig zijn en op termijn-vierjaars-of achtjaarseffectentot toenemende werkloosheid leiden, terwijl op korte termijn bijvoorbeeld door demografische of andere ontwikkelingen toch de verhouding inactieven/actieven niet verslechtert. Ook op deze vraag van onze zijde heeft de minister geen duidelijk antwoord gegeven. Concreet: een bovenmatige loonontwikkeling moet een voldoende voorwaarde zijn voor ontkoppeling. Compensatie uit anderen hoofde in de verhouding inactieven/actieven moet worden uitgesloten als grond om ontkoppeling te ontlopen. Anders dwing je sociale partners nooit tot een solidaire loonvorming; anders zijn wij niet langer bezig met het bestnjden van de werkloosheid, hetgeen volgens onze fractie nog steeds de beste inkomenspolitiek is.

De heer Linschoten (VVD): Wat verstaat de fractie van het CDA onder een "bovenmatige loonontwikkeling"?

De heer De Jong (CDA): Een bovenmatige loonontwikkeling is een loonontwikkeling die op korte of op lange termijn leidt tot minder groei van de werkgelegenheid, dan wel tot stijging van de werkloosheid.

De heer Linschoten (VVD): Waar legt de heer De Jong dan de grens? Als de minister daarover moet nadenken, een nota moet schrijven en de SER om een advies moet vragen, dan moet dat op enig moment gebeuren. Waar zou de heer De Jong bij het huidige loonfront de grens leggen? Wanneer, bij welk percentage bijvoorbeeld, wordt de loonontwikkeling in zijn termen bovenmatig?

De heer De Jong (CDA): In de memorie van toelichting staan heel interessante beschouwingen, bijvoorbeeld over de reŽle loonkosten per eenheid produkt of over de arbeidsinkomensquote. De minister heeft in de stukken al aangegeven dat het Centraal planbureau de effecten van een loonontwikkeling na vier en acht jaar zal doorrekenen, indien er aanwijzingen zijn dat deze bovenmatig is. Indien daaruit blijkt dat deze leidt tot oplopende werkloosheid, is dat een grond om af te wijken.

De heer Linschoten (VVD): Dat betekent dat, indien er een loonontwikkeling door het Centraal planbureau wordt voorspeld die op termijn van vier a acht jaar een negatief werkgelegenheidseffecten heeft, de fractie van het CDA van mening is dat er grond is om te ontkoppelen.

De heer De Jong (CDA): Precies. Voorzitter! Ik ga in op het aantal afwijkingsgronden. Ook hier gaat de minister wat gemakkelijk heen over de argumenten door onze fractie aangedragen om in de wet een plaats in te ruimen voor afwijkingsgronden in verband met ontwikkelingen in het relevante loongebied. De minister wijkt af van een unaniem SER-advies ter zake en vaak is dat voldoende voor oorlog met de sociale partners. Bovendien beantwoordt de minister niet onze concrete vraag. Is het feit dat 10% van de werknemers onder een CAO-dit is volgens de laatste inzichten, ons verschaft door de DCA-dit jaar een contractuele loonstijging krijgt van minder dan 2% en 30% van minder dan 3% reden om toch aan het gemiddelde van 3,32 te

DeJong

koppelen? Geeft dit geen ongewenste effecten op de arbeidsmarkt of onderin de loonstructuur van het loongebouw? De eerste keer dat de SER van deze afwijkingsgronden gewag maakte, was reeds in mei 1985. Toen constateerde de Sociaaleconomische raad dat, als met deze afwijkingsgronden rekening was gehouden tussen 1980 en 1985, het minimumloon niet met 15,6% zou zijn gestegen in die periode, zoals het geval zou zijn geweest bij toepassing van de WAM, maar slechts met 10,6%. Zijn dit effecten die de minister onbetekenend noemt? Het heeft onze fractie enigszins verbaasd dat de minister niet actiever heeft nagedacht over het antwoord op de vraag hoe hij deze afwijkingsgronden een plaatsje zou kunnen geven in het wetsvoorstel. Waarom wenst de minister de wet niet zo in te richten dat ruimte wordt geschapen om dergelijke overwegingen mede in de beschouwingen te betrekken? Wij vinden het onbevredigend dat de minister zo gemakkelijk over deze argumenten heen stapt. Een gemiste kans, zou ik denken. Om nu de afhandeling van dit wetsvoorstel niet te vertragen, zien wij graag een uitspraak van de minister tegemoet dat hij over vier jaar evalueert wat het ontbreken van deze afwijkingsgronden voor de loonvorming en de effecten daarvan op de arbeidsmarkt heeft betekend. Op dat moment kunnen wij dan beslissen of deze afwijkingsgronden alsnog in de wet moeten worden opgenomen. De vierjaarlijkse procedure van een bijzondere wijziging, waarin de minister nu deze kwestie wil meenemen, aanvaarden wij derhalve voor een keer. Dat betekent ook dat de minister reeds nu zou moeten gaan nadenken over een indexatiemechanisme, waarin deze afwijkingsgronden kunnen worden vervat. De SER heeft het onderzoek daarnaar niet voortgezet en wij laten het graag aan de minister over of hij hierover de SER nader advies wil vragen dan wel of hij zelf een voorstel wil doen om deze afwijkingsgronden in een indexatiemechanisme te vatten.

Mevrouw Groenman (D66): Het bevreemdt mij een beetje. De heer De Jong heeft nogal wat kritiek. Hij zou ook amendementen kunnen indienen. Het enige wat hij nu doet, is vragen om een evaluatie over vier jaar. Ik vind dat op voorhand een nogal zwakke positie.

De heer De Jong (CDA): Het is meer een pragmatische positie en wel in die zin dat ik niet in staat ben-en in feite wil ik het ook niet-om een indexatiemechanisme te ontwerpen, waarin die afwijkingsgronden kunnen worden vervat. De SER is daarmee bezig geweest en heeft het onderzoek op een gegeven moment gestaakt. Mijn verzoek aan de minister is -ik ben van mening dat het eerder zijn taak dan mijn taak isom de komende tijd, tot 1994, te benutten om wel zo'n indexatiemechanisme te ontwerpen en dan met een voorstel ter zake hier terug te komen.

De heer Linschoten (VVD): Betekent dit dat de fractie van het CDA zich tot 1994 gebonden acht aan de met de Partij van de Arbeid gemaakte afspraak in het regeerakkoord met betrekking tot de afwijkingsgronden die gehanteerd worden, en dat daarna de hele zaak weer gewoon openligt en wij weer van voren af aan kunnen beginnen?

De heer De Jong (CDA): De SER heeft een vijftal afwijkingsgronden geformuleerd. Daarvan zijn er twee in de wet vastgelegd en een drietal niet. Mijn vraag aan de minister is alleen waarom hij van dat unanieme SER-advies afwijkt en of hij in de komende tijd wil nadenken over of het niet nuttig is om die afwijkingsgronden alsnog een plaatsje in de wet te gunnen.

De heer Linschoten (VVD): U sluit dat dus niet uit?

De heer De Jong (CDA): Ik acht dat zelfs gewenst.

De heer Linschoten (VVD): U acht dat zelfs gewenst? Dat betekent dat u op basis van de afspraken die u met de Partij van de Arbeid heeft gemaakt in het regeerakkoord, komt tot slechts twee afwijkingsgronden, terwijl de CDA-fractie het eigenlijk gewenst vindt dat er meer afwijkingsgronden in de wet staan. Dat is het standpunt van de CDA-fractie?

De heer De Jong (CDA): Ja.

De heer Linschoten (VVD): Dat is duidelijk.

De heer De Jong (COA): Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de opvatting van de minister dat geen jaarlijks advies aan de SER moet worden gevraagd. Ook dit is strijdig met de unanieme opvatting van de Sociaaleconomische raad. Nu de koppeling binnen het wettelijk kader een behoorlijk beleidsmatig karakter heeft, kunnen wij stellen dat de argumenten van de minister om dit jaarlijkse SER-advies achterwege te laten zwakkerzijn geworden. Laten wij ook hier afspreken dat wij de komende vier jaar zullen afwachten hoe de discussie loopt. De discussie telkenjare over de vraag of gekoppeld moet worden, ja of nee, zou zo verwarrend kunnen worden, dat wij over vier jaar alsnog besluiten, de vaste jaarlijkse adviesprocedure via de SER in de wet op te nemen. Ten slotte nog iets over de nota van wijziging, waarin de mogelijkheid wordt geboden om een ontkoppeling maar een halfjaar te laten duren in plaats van een heel jaar. Dit is een op het eerste gezicht sympathiek voorstel, maar het is voor mij moeilijk om daarbij een concrete voorstelling van zaken te hebben. Als na advies van de SER en discussie in het parlement in het najaar wordt besloten om te ontkoppelen op 1 januari, kunnen dan hetzij de loonontwikkeling, hetzij de demografische ontwikkelingen in het voorjaar zo snel veranderen dat hierdoor de befaamde verhouding inactieven/actieven in plaats van een stijging een daling gaat vertonen? Zowel de loonontwikkeling als de demografische ontwikkeling hebben ongeveer de wendbaarheid van een mammoettanker. Ik ben bereid veel te geloven, maar hier moet je ongeveer een resultaat bereiken als Jona in Ninevť. Het mag er van mij blijven staan, maar ik hoop te mogen meemaken dat het ooit een keer wordt toegepast.

Mevrouw Groenman (D66): En het omgekeerde; per januari koppelen, in het voorjaar bekijken of een en ander is geslaagd, en alsnog per 1 juli ontkoppelen? Wat vindt u daar dan van, over de mammoettanker gesproken? Dan zet u wat optimistischer in en je hebt dat halfjaar dan toch.

De heer De Jong (CDA): Deze nota van wijziging lijkt mij wel genoeg.

©

J.P.C.M. (Jan) van ZijlDe heer Van Zijl (PvdA): Voorzitter! Het is niet zo zinvol om lang stil te staan bij het verre verleden, maar het is vandaag wellicht toch nuttig om nog eens kort in te gaan op de motieven van de regering en parlement om in 1979 te komen tot een Wet aanpassingsmechanismen. Daartoe het volgende citaat uit de memorie van toelichting bij deze WAM: 'Kenmerkend voor zowel het aanpassingsmechanisme van het minimumloon als dat van de sociale uitkeringen is dat deze inkomens voor de ontvangers ervan als enig dan wel als hoofdinkomen moeten kunnen functioneren. Dit gegeven kan er naar de mening van de Regering niet anders toe leiden dan dat als basisbeginsel in deze mechanismen verankerd wordt het beginsel van welvaartsvaste koppeling. Dit begmsel wordt door de SER in zijn op 5 oktober 1979 uitgebrachte advies unaniem onderschreven. Uitgaande van dit beginsel ligt het naar de mening van de Regering in de rede, dat, algemeen formulerend, bij de vaststelling van aanpassingsmechanismen meer aansluiting wordt gezocht bij de loonontwikkeling in het bedrijfsleven." Wij weten inmiddels allemaal hoe het met de WAM is afgelopen. Met uitzondering van de eerste aanpassingsdatum van 1 januari 1980 is gedurende het achterliggende decennium sprake geweest van een andere ontwikkeling dan uit het automatisme van de WAM voortvloeide. De reden is bekend. Achtereenvolgende kabinetten vonden het, gelet op de budgettaire problemen van het Rijk en de zorgelijke ontwikkeling van werkgelegenheid en werkloosheid, niet verantwoord om minimumloon en uitkeringen gelljke tred te laten houden met de ontwikkeling van de lonen in de marktsector. Ik zal hier niet ingaan op de juistheid van de in het verleden gemaakte keuzes. Wel is vast te stellen dat minimumloon en uitkeringen als gevolg van deze keuzes zijn achteropgeraakt bij de lonen in de marktsector en in mindere mate bij de collectieve sector. Het herstel van de koppeling in 1989 door het nieuwe kabinet, door weer gewoon de WAM toe te passen, voorkwam dat de afstand nog groter werd en bracht met zich, dat uitkeringsgerechtigden vanaf dat moment weer deelden in de welvaartsontwikkeling. Ondertussen is het denken in de jaren tachtig over het systeem van aanpassing en over het gewenste structurele niveau van minimumloon en uitkeringen in uiteenlopende gremia doorgegaan. Onder meer SER-adviezen uit 1985, 1986 en maart 1988 geven daar uiting aan. Dat het voortdurend achterblijven van minimumloon en uitkeringen ook politiek begon te wringen, blijkt nog het sterkst uit de verkiezingsprogramma's uit 1989 van de meeste in deze Kamer vertegenwoordigde partijen. Het kan geen kwaad om daar nog eens een blik op te werpen. De RPF, helaas nu niet aanwezig, stelt dat de hoogte van de minimumuitkering gelijke tred dient te houden met het algemene welvaartspeil. GPV en SGP gaan minder ver en stellen dat koopkrachtbehoud een minimumvereiste is, maar achten een automatische koppeling van uitkeringen aan lonen minder gewenst. D66 pleit voor de koppeling van lonen en uitkeringen opdat "de opleving van de economie juist ook opluchting brengt voor wie daar het hardst aan toe is". Voor het CDA kunnen lonen en uitkeringen gelijke tred houden met de ontwikkeling van de CAO-lonen, indien wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden. Hetzal geen verbazing wekken, dat GroenLinks de kiezers voorhield, dat de koppeling hersteld diende te worden en dat bovendien een inhaaloperatie nodig was om de achterstand weg te werken. Het zal evenmin verbazing wekken, dat ook de Partij van de Arbeid in 1989 de kiezers tegemoet trad met het voornemen, de koppeling als hoofdregel te herstellen en daar slechts vanaf te wijken, indien ernstig te nemen omstandigheden hiertoe nopen. De VVD ten slottedoor toeval ten slottestaat, althans in haar verkiezingsprogramma, koopkrachtbehoud voor in het algemeen, maar waardevastheid voor de niet aan de arbeidsmarkt gerelateerde uitkeringen. En dat zijn, zo voeg ik er zelf aan toe, wŤl de meeste uitkeringen. Voorzitter! Wat ik met dit korte resumť van verkiezingsproza beoog, is niet meer of minder dan aangeven hoe het politieke en daarmee wellicht ook maatschappelijke klimaat met betrekking tot het herstel van de koppeling tussen lonen en uitkeringen zich heeft ontwikkeld. Koppeling is derhalve geen religieus symbool, totempaal of niet, voor de Partij van de Arbeid, zoals zojuist door de heer Van der Vlies werd gesuggereerd, maar meer dan dat. Het laten delen in de welvaartsontwikkeling van bejaarden, WAO'ers en minimumloners is geen luxe, slechts voorbehouden voor tijden van economische hoogconjunctuur, maar een uiting van beschaving. Dat in de beeldvorming misschien wel de koppeling als begrip, maar niet de doelstelling erachter als politiek hobby wordt ervaren, moge blijken uit een aardig onderzoekje, waarvan het resultaat is gepubliceerd in de Sociaal en culturele verkenningen van 1989. Daaruit blijkt onder meer dat een sinds 1985 toenemend percentage van onze bevolking van mening is, dat de sociale uitkeringen in geen geval minder mogen worden, ook al betekent dit voor sommigen extra financiŽle offers. In 1987 bedroeg het percentage dat deze mening was toegedaan zelfs 70. Voorzitter! Verkiezingsprogramma's zijn geen wetteksten -gelukkig niet, zou ik willen zeggenmaar wetten en wetsvoorstellen dienen wel in bedoeling, toonzetting en juridisch kader een weerslag te zijn van hetgeen een meerderheid in het parlement en in de samenleving wenst. In het geval van rechtvaardige inkomensverhoudingen langs de weg van herstel van de koppeling is dat zelfs een overgrote meerderheid. Het is dan ook verheugend, dat de nu voorliggende WKA in hoge mate spoort met hetgeen de kiezers, althans door de meeste in deze Kamer vertegenwoordigde partijen, in 1989 is voorgehouden. Aanzienlijk minder verheugend is het lawaai-ik sluit hier aan bij wat door de heer De Jong is gezegddat is ontstaan over de vraag hoe houdbaar en haalbaar de koppeling de eerstvolgende jaren zal blijken te zijn. Ik kom er nog op terug. Allereerst wil ik nog eens kort aangeven, waarom dit voorstel voor de Partij van de Arbeid van zo groot belang is. Niet, omdat met het wetsvoorstel de koppelinglaat ik zeggen als begrip, als symbool -wordt hersteld. De koppeling is ook voor de Partij van de Arbeid niet meer dan een instrument. Waar het ons om gaat is-en daartoe is de koppeling in de omstandigheden van nu wel de beste en de goedkoopste wegdat alle burgers in dit land weer delen in de algemene welvaartsontwikkeling. Het is voor de Parij van de Arbeid niet langer te verteren, dat bejaarden, mensen met een uitkering en mensen met het minimumloon voortdurend in onzekerheid worden gehouden over de hoogte van hun besteedbaar inkomen of erger nog als eersten opdraaien voor de gevolgen van een iets achterblijvende economische ontwikkeling. Het is dan ook niet voor niets, dat dit kabinet met de Partij van de Arbeid een begin heeft gemaakt met het herstel van rechtvaardige inkomensverhoudingen door de WAM na tien jaar weer gewoon toe te passen. En dan maar meteen voor de goede orde, waar het de Partij van de Arbeid niet om gaat, is het willens en wetens vasthouden aan het onmogelijke. Niet alleen wij, maar ook de betrokkenen zelf beseffen heel goed dat in tijden van structurele economische tegenslag wŤl de koppelingswet, maar mogelijkerwijs niet de koppeling zelf te handhaven is. Maatstaf is daarbij vooral de vraag, of het doorgeven van contractloonstijgingen aan uitkeringen en minimumloon leidt tot de bekende gevaarlijke spiraal naar beneden, met stijgende collectieve lasten, toenemende arbeidsuitstoot en niet meer door het Rijk op te brengen financieringslasten. Ik kom daarmee aan de kern van het wetsvoorstel. De WKA beoogt voor een reeks van jaren het juridische kader, in goed Nederlands de zekerheid voor belanghebbenden te zijn, dat zij zullen delen in de algehele welvaartsontwikkeling, tenzij vooraf goed omschreven afwijkingsgronden dat tijdelijk onmogelijk maken. Koppelen is derhalve hoofdregel en afwijken is uitzondering. Zo staat het in het nu voorliggende wetsvoorstel, zo staat het in het regeerakkoord en zo is het door de meeste partijen in 1989 aan de kiezers voorgehouden. Waar het vandaag om gaat, is vast te stellen of het wetsvoorstel enerzijds voldoende rechtszekerheid biedt aan de paar miljoen belanghebbenden en anderzijds verantwoorde en rechtvaardige handvatten biedt om tot afwijking te kunnen besluiten wanneer de omstandigheden daartoe nopen.

Oe heer RosenmŲller (GroenLinks): U zegt dat u niet willens en wetens aan de koppeling zult vasthouden en dat bij structureel economische tegenslag van de koppeling moet worden afgezien. Leven wij op dit moment in een situatie van "otructureel economische tegenslag"? Ik meen dat men hierbij niet uitsluitend tot een beoordeling kan komen aan de hand van de vraag of men straks in het kader van de verhouding tussen actieven en inactieven met 0,86 of 0,87 of 0,875 te maken heeft.

De heer Van Zijl (PvdA)undefined: Dat verhoudingsgetal is voor ons wel een indicator die aangeeft in welke mate van tegenslag wij verkeren. Dit getal kan ook een hulpmiddel zijn om te beoordelen of de regering alles heeft gedaan wat in haar vermogen ligt om dit getal in positieve zin bij te stellen Het klinkt misschien wat flauw maar ik moet toch zeggen dat wij daarover nu niet kunnen praten. Immers, wij hebben de reŽle verhoudingscijfers niet en wij kennen de effecten van de inspanningen van de regering niet, gericht op het in gunstige zin bijstellen van het verhoudingsgetal. Daar moet u echt even op wachten.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Afgezien van de vraag wat de regering nog zou kunnen doen om een te hoog verhoudingsgetal door middel van aanvullend beleid bij te stellen, vraag ik u of u van oordeel bent dat het kabinet tot nu toe voldoende maatregelen heeft getroffen om de verhouding tussen actieven en inactieven in deze zomer zo gunstig mogelijk te laten uitpakken.

De heer Van Zijl (PvdA): Het kabinet heeft een aantal maatregelen genomen. Ik verwijs naar het Jeugdwerkgarantieplan, de nu functionerende banenpools die in de komende maanden misschien nog beter kunnen gaan werken en de aanzetten om te komen tot een goed werkgelegenheidsbeleid. Als de effecten hiervan nog niet onmiddellijk in het verhoudingsgetal waarneembaar zijn, moet blijken of dit type maatregelen en de mogelijke intensivering daarvan, alles bij elkaar, tot voldoende bijstelling van het verhoudingsgetal leidt, zodat ontkoppeling niet nodig is. Wij moeten echt nog even wachten, onder meer op de werkgelegenheidsnota van de minister die op Prinsjesdag zal verschijnen. Kortom, er zit nog wat in het vat. Dat alles bij elkaar moet toch tot effecten leiden, zou ik zo zeggen.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Als u daarop wil wachten om de vraag over het al dan niet ontkoppelen te beantwoorden, mede gelet op het beleid dat het kabinet nog in de steigers heeft staan, leid ik daaruit af dat u van oordeel bent dat er geen sprake van kan zijn dat deze zomer al het besluit tot onkoppeling genomen zou kunnen worden. Inderdaad, die werkgelegenheidsnota verschijnt pas na de zomer.

De heer Van Zijl (PvdA) Daar kom ik nog op. Ik neern aan dat het pakket van de minister, vervat in die nota, plus het WAO/ZW-dossier dat nog deze zomer zijn afronding zal moeten krijgen, tot een optimaal inzicht zullen leiden zodat een bevredigend antwoord kan worden gegeven op de vraag, of de beleidsinspanningen daadwerkelijk leiden tot een bijstelling van het verhoudingsgetal in gunstige zin. U duidt erop dat wi] er de voorkeur aan zouden geven, in het voorjaar te spreken over de vraag of er ontkoppeld of gekoppeld moet worden. Die voorkeur hebben wij ook. Maar het is aan de regering om deze zomer vast te stellen, aan de hand van de haar ter beschikking staande cijfers, in de koninginne-MEV, van haar eigen beleidsinspanningen, hoe het verhoudingsgetal zich zal ontwikkelen. Als het zich structureel buitengewoon slecht ontwikkelt, moet de regering daaraan conclusies verbinden.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Dat is helder, maar mijn vraag is vooral gericht op de opstelling van uw fractie indien de regering, op basis van gegevens, beslist tot ontkoppelen. Op basis van die gegevens met een aantal andere argumenten, die ik overigens deel en in mijn bijdrage heb genoemd, zegt u in de schriftelijke voorbereiding, dat redelijkerwijs niet tot ontkoppeling overgegaan zou moeten worden. Er zijn ook andere maatregelen te nemen. Dat zou, in de lijn van het wetsvoorstel, op z'n vroegst in 1992 moeten gebeuren. Wat is de opstelling van uwfractie indien het kabinet, gedeeltelijk tegen uw zin in, het besluit toch neemt in de zomer? Dat wil ik wel duidelijk weten. Dit is het laatste debat. Over drie dagen is het voor ons zomer.

De heer Van Zijl (PvdA): De minister heeft in de schriftelijke bijdrage op een vraag onzerzijds geantwoord, dat het voor hem aanzienlijk moeilijker is de noodzakelijke rechtvaardige inkomensverhoudingen in een lopend jaar te realiseren. Als hij de noodzaak ziet om in 1992 te ontkoppelen, is het eenvoudiger rechtvaardige inkomensverhoudingen te garanderen door er in het najaar al mee te komen Ik wilde gaan zeggen dat de minister daar een punt heeft. De rechtvaardige inkomensverhoudingen in de situatie die alsdan ontstaat zijn voor ons een zwaarwegend punt. Een ander, toch nieuw gegeven is dat de regering nu zelf via een nota van wijzigingen aangeeft dat, mocht het tot ontkoppeling moeten komen, zij per 1 juh eventueel tot herstel wil overgaan. Dat zijn niet onbelangrijke overwegingen om er begrip voor te hebben als de regering het in het najaar noodzakelijk acht tot bepaalde conclusies te komen. Ik hoop toch optimale duidelijkheid te geven als ik zeg, dat de noodzaak daarvan wordt bepaald door de ernst van de ontwikkelingen. Zijn er ontwikkelingen waarover je nog kunt discussiŽ-ren, laat dan de helderer cijfers van het voorjaar spreken bij het beantwoorden van de vraag of er ontkoppeld moet worden of niet. Wij hebben nog geen begin van inzicht in de vraag of het structureel de verkeerde weg op gaat. Als de regering ons daarvan echter weet te overtuigen, moeten wij de discussie daarover maar aangaan in het najaar. Het is echter haar verantwoordelijkheid. Wij kunnen erover oordelen als de regering naar de Kamer komt met het voornemen om te ontkoppelen.

De heer Linschoten (VVD): Als het tot een ontkoppeling komt, bijvoorbeeld omdat de verhouding tussen actieven en inactieven ondanks het regerÔngsbeleid niet voldoende is hersteld, is het regeringsbeleid naar uw oordeel dan mislukt?

De heer Van Zijl (PvdA) Als er ontkoppeld moet worden is dat in ieder geval buitengewoon tragisch. Daar kan geen twijfel over zijn. De regering is voornemens om deze zomer met een serieus pakket maatregelen te komen ten aanzien van ZW, WAO en werkgelegenheid. Wij gaan ervan uit dat dit een heel serieus pakket is, dat zijn effecten heeft op het verhoudingsgetal. Daar valt nu weinig mťťr over te zeggen.

De heer Linschoten (VVD): Wellicht blijkt pas in het voorjaar uit de cijfers waarover u zojuist sprak, dat de effecten onvoldoende zijn geweest. Worden wij dan geconfronteerd met de vaststelling dat het regeringsbeleid niet werkt en niet succesvol is?

De heer Van Zijl (PvdA): Ik ga er helemaal niet van uit dat de regering met een pakket maatregelen komt dat niet zal werken. Ik ga ervan uit dat zij, zowel ten aanzien van ZW en WAO als ten aanzien van de overige werkgelegenheidsinstrumenten, met een pakket maatregelen komt dat ook in de doorrekening zijn effect zal hebben. Als dat blijkt tegen te vallen zullen wij verder met elkaar in discussie treden, maar dat is toch echt in het najaar. Daar kunnen wij nu niet over praten. Wij discussiŽren nu over een wetsvoorstel.

De heer Linschoten (VVD): Dus het eerste beoordelingsmoment of er wel of niet aanleiding is om tot een ontkoppeling te komen is in uw belevingswereld pas najaar volgend jaar?

De heer Van Zijl (PvdA): Er komt een heel pakket maatregelen van de regering op ons af, sowieso over ZW en WAO en wellicht nog meer, want de regering heeft een nota over werkgelegenheid aangekondigd. Dat lijkt mij een goed moment om daarover te discussiŽren.

De heer Linschoten (VVD): De aangekondigde plannen veranderen de verhoudingscijfers al!

De heer Van Zijl (PvdA): U wilt dat ik nu al zeg wanneer het regeringsbeleid gefaald heeft, eind van het jaar, het volgend jaar of het jaar daarop? Dat lijkt mij niet zo vreselijk verstandig.

De heer Linschoten (VVD): Wij behandelen hier een wetsontwerp, waarbij eventualiteiten aan de orde zijn. Indien de geschetste ontwikkeling zich voordoet, bijvoorbeeld een verslechtering in de verhouding tussen actieven en actievenwij weten geen van allen of die zich voordoetdan kan er worden ontkoppeld Daarbij is natuurlijk de vraag relevant of u van mening bent dat het regeringsbeleid een grote mislukking is geworden indien dat gebeurt.

De heer Van Zijl (PvdA): Ik wens er helemaal niet van uit te gaan dat het niet lukt. Ik wens ervan uit te gaan dat het wel lukt. Dat lijkt mij veel verstandiger. Ik neem de regering buitengewoon serieus. Zij broedt op een ZW/WAO-pakket en bereidt nog een werkgelegenheidsnota voor. Ik ben er absoluut van overtuigd dat de regering er buitengewoon goed in slaagt om een overtuigend pakket maatregelen samen te stellen. Zoveel vertrouwen heb ik wel in deze regering, maar u kennelijk veel minder.

De heer Linschoten (VVD) Dat mag duidelijk zijn.

De voorzitter: U kunt nu uw betoog vervolgen, mijnheer Van Zijl.

De heer Van Zijl (PvdA) Ik vrees dat ik dan af en toe dingen tegenkom die zojuist al aan de orde zijn geweest.

De voorzitter: Die kunt u uiteraard overslaan. Ik beveel u dat ook zeer klemmend aan met het oog op de tijd.

De heer Van Zijl (PvdA): Aan mij ligt het niet. Voorzitter! De vraag of het wetsvoorstel voldoende rechtszekerheid biedt, kan niet los gezien worden van de wijze waarop beleidsmatig wordt omgesprongen met de afwijkingsgronden. Het was dan ook niet voor niets, dat mijn fractie, akkoord gaande met het verhoudingsgetal als indicator, een aantal richtsnoeren formuleerde waarlangs zij de regering op het punt van de koppeling zou willen beoordelen.D e vragen die overigens niet vandaag beantwoord kunnen worden, zo zeg ik een-en andermaal, luiden. a. Zijn de voorspellingen voldoende exact om met redelijke zekerheid een komende overschrijding van het verhoudingsgetal te kunnen vaststellen? b. Is de voorspelde normoverschrijding klein of groot van omvang en, wat belangrijker is, is zij onderdeel van een "opgaande" trend in het verhoudingsgetal of is zij incidenteel van aard? c. Met behulp van welke beleidsmaatregelen ten aanzien van werkgelegenheid, werkloosheidsbestrijding en het overige volume in de sociale zekerheid, kan het draagvlak vergroot worden respectievelijk de voorspelde normoverschrijding worden vermeden?

ming horen. Het eerste aandachtspunt is dan de hardheid van de voorspellingen. Mijn fractie heeft in de schriftelijke bijdrage gewezen op de onzekerheden rond de voorspellingen van het Centraal planbureau. Daarmee is overigens, om misverstanden te voorkomen, niets gezegd over de kwaliteit van het werk van het Centraal planbureau, maar wel over de moeilijke voorspelbaarheid van onder meer de werkgelegenheidsontwikkelingen. Hetzelfde geldt voor de groeiramingen en de raming van de inflatie. Dit is de afgelopen maanden ook gebleken. Zo bleek ten aanzien van de werkgelegenheidsontwikkeling dat de CPB-ramingen de afgelopen vijf jaar stelselmatig achterbleven bij de uiteindelijke realisatie. Onderschattingen van 50% tot 100% bleken geen uitzondering. Ik duid op deze onzekerheden rond de ramingen, omdat kleine verschillen met de uiteindelijke realisatie behoorlijke verschillen kunnen opleveren voor het verhoudingsgetal. Is de minister het daarmee eens? Ik vraag dit te meer, omdat wij met de regering van mening zijn dat vooral structurele ontwikkelingen van het verhoudingsgetal bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag, of er eventueel ontkoppeld moet worden. Bij het bepalen van een oordeel over deze te voorziene structurele ontwikkeling, is het van buitengewoon groot belang te weten of en, zo ja, op welke wijze de regering voornemens is een eventuele ongunstige ontwikkelingwij spraken er al overbij te sturen en daarnaast of de effecten van deze bijsturing in het verhoudingsgetal zijn opgenomen. Neem bijvoorbeeld de beleidsintensiveringen in de collectieve sector. Het Centraal planbureau raamt de werkgelegenheidseffecten voor JWG, banenpools en werkervaringsplaatsen op 20.200. De taakstelling, verbonden met deze maatregelen, is, zoals onder meer blijkt uit het meerjarige beleidskader arbeidsvoorziening, aanzienlijk hoger, namelijk 50.000 a 60.000. Wordt uitgegaan van deze taakstelling-en waarom zou een zichzelf serieus nemende regering dat niet doengeeft dat al een behoorlijk ander beeld van het verhoudingsgetal. Immers, het mes snijdt dan zowel aan de kant van de actieven als aan de kant van de inactieven. Het verhoudingsgetal zou alleen al voor dit element meer dan een punt lager uitkomen. En natuurlijk kan van ons niet anders verwacht worden dan dat wij de regering eraan houden om de taakstelling ook te realiseren. Als daarvoor accentverschuivingen nodig zijn tussen de verschillende maatregelen, omdat de ene beter aanslaat dan de ander, moet dat ook gebeuren. lets soortgelijks geldt ten aanzien van Ziektewet en WAO. Waar toch te voorzien is dat het kabinet deze zomer tot maatregelen komt met een substantieel effect op de ZW/WAO, is het toch niet meer dan vanzelfsprekend dat het kabinet met deze effecten rekening houdt, als het gaat om een oordeel over het verhoudingsgetal? Dat het om substantiŽle effecten gaat, moge blijken uit de doorrekening van op dat moment nog niet concrete ZW/WAO-maatregelen door het CPB. Het verhoudingsgetal zou in dat geval 1,6 punt lager uitkomen dan in 1994. Ook op dit punt krijg ik graag nog een toelichting van de minister.

De heer Linschoten (VVD): In die berekeningen van het Centraal planbureau is uitgegaan van inderdaad een aantal maatregelen in het kader van de Ziektewet/WAO. Indien het kabinet die zou realiseren, zou deze verandering ten opzichte van het verhoudingscijfer optreden. Aan de heer Van Zijl zou ik willen vragen of de elementen in dat plan, zoals ze gebruikt zijn bij de doorrekening door het Centraal planbureau, politiek acceptabel zijn voor de PvdA-fractie.

De heer Van Zijl (PvdA): Wij gaan het nu niet hebben over de vraag welke plannen voor mijn fractie ten aanzien van ZW/WAO acceptabel zijn. Als de regering het deze zomer eens wordt-en daar ga ik van uitover een werkbaar pakket ZW/WAO-maatregelen, welke elementen dan ook bevattende, ga ik ervan uit dat dit pakket een doorrekening verdient bij het Centraal planbureau en dan ook moetworden meegenomen in het verhoudingsgetal. Dat lijkt mij logisch. Hoe het eruit gaat zien, lijkt mij een boeiend onderwerp waar het kabinet het deze zomer ongetwijfeld over eens zal worden.

De heer Linschoten (VVD): Nee, maar u beroept zich op de doorrekening die nu is gemaakt door het planbureau.

De heer Van Zijl (PvdA): Nee. Ik geef aan dat als je voor ZW/WAO, bij een paar aannamesik geef dat toekomt tot een effectberekening, het kan gaan om een zeer serieuze correctie van het verhoudingsgetal. Ik weet helemaal niet welke effecten andere maatregelen zullen hebben op het verhoudingsgetal, maar als er een serieus pakket op tafel ligt, neemt het CPB dat ook mee en wordt het serieus doorgerekend.

De heer Linschoten (VVD): Dat snap ik wel, maar het gaat om het volgende. Met maatregelen voorstellen bereik je niet zoveel, maar met maatregelen treffen wel. Het planbureau kan alleen een pakket maatregelen, indien zij getroffen worden, meerekenen, als daar politieke overeenstemming over is, ook in deze Kamer. Aan u vraag ik of de omvang van het pakket, die in de doorrekening van het Centraal planbureau is meegenomen, en die taakstelling in het kader van de Ziektewet/WAO voor de PvdA-fractie acceptabel is.

De heer Van Zijl (PvdA): Over de taakstelling waren wij het al eens. In elk geval waren de regeringsfracties dat, maar waarschijnlijk bent u het er ook wel mee eens. Het kabinet komt er ongetwijfeld deze zomer uit hoe wij die taakstelling gaan realiseren. Daar twijfel ik geen moment aan. Dat serieus te nemen pakket wordt door het Centraal planbureau doorgerekend en zal ongetwijfeld zijn effect hebben op het verhoudingsgetal. Maar voor de goede orde: onze opmerkingen met betrekking tot het arbeidsmarktbeleid en ZW/WAO beogen niet een rooskleuriger beeld te schetsen van de werkelijkheid dan verantwoord is. Wij willen ons zeker niet rijk rekenen, maar het tegenovergestelde, namelijk arm rekenen, dwingt op z'n minst tot nuancering. Daarnaast is het toch niet meer dan logisch dat de regering substantieel rekening houdt met de effecten van haar eigen beleid dan wel de voorgenomen beleidsintensiveringen. Hier is de geloofwaardigheid van regering en regeringsbeleid zelf in het geding.

Mevrouw Schimmel (D66): Constateer ik nu een verschil tussen hetgeen de PvdA zegt en hetgeen het CDA zegt? Het CDA zegt dat het uitgaat van reŽle projecties, van centrale projecties. De heer Van Zijl zegt dat die ramingen van het CPB stelselmatig zijn achtergebleven bij de realisaties. U zegt nu ook dat effecten van voor te nemen beleid doorgerekend moeten worden. Waar gaat u nu van uit? Van een doorrekening met eventuele beleidsvoornemens of niet? Ik heb de indruk dat daar bij het CDA toch een andere opvatting over heerst.

De heer Van Zijl f PvdA) Ik denk dat de heer De Jong heel goed in staat is om voor de CDA-fractie te antwoorden. Ik sluit echter aan bij hetgeen de regering zelf schrijft in haar bijdrage. Daarin stelt zij dat pakketten maatregelen ten aanzien van ZW/WAO dan wel ten aanzien van arbeidsmarktbeleid in algemene zin worden doorgerekend door het Centraal planbureau en dat die deze zomer een rol zullen spelen bij het vaststellen van het verhoudingscijfer. Dit spoort met wat de regering zelf schrijft. Dat lijkt mij voldoende.

De heer Linschoten (VVD): Dat is nog geen antwoord.

De heer Van Zijl (PvdA) Ik heb uit de bijdrage van de heer De Jong begrepen dat wat ik zeg, overeenkomt met wat het CDA zegt. Als het niet zo is, hoor ik het graag van hem. Hij knikt instemmend, dus ik neem aan dat ik het goed gezien heb. De minister maakt in de nota naar aanleiding van het eindverslag melding van een nieuw rekenmodel van het Centraal planbureau. Kan hij aangeven wanneer dit rekenmodel in gebruik zal zijn en of het al dienst kan bewijzen bij de zomerexercities? Hiermee kom ik bij de vraag, waarop ik al heb geantwoord, of het nodig en verstand is, reeds deze zomer en dit najaar besluiten te nemen over de vraag of op 1 januari al dan niet gekoppeld wordt, conform de randvoorwaarden die in de conceptwet zijn aangegeven. De minister kent het oordeel van mijn fractie op dit punt. Wij vinden het ongewenst dat in de afgelopen maanden tot op heden voortdurend en zelfs vooruitlopend op de parlementaire behandeling van de WKA al zoveel publieke discussie is gevoerd over de mogelijkheid tot koppeling op 1 januari. Het is ongewenst omdat het onrust veroorzaakt. Het is ongewenst omdat er geen noodzaak toe was en is. Wij willen onze ogen echter niet sluiten voor welke werkelijkheid dan ook. Juist omdat met de WKA de grootst mogelijke rechtszekerheid wordt beoogd, zijn publieke discussies over onzekere cijfers en ontwikkelingen niet zinvol. In ieder geval moet voorkomen worden dat een besluitvormingsproces te veel op onzekerheden gebaseerd zal zijn. Ik heb al aangegeven dat de minister een serieus punt naar voren brengt, wanneer hij in de schriftelijke bijdrage stelt dat een ontkoppelingsbesluit in het voorjaar het veel moeilijker maakt, corrigerend in te grijpen in de alsdan eveneens gewenste rechtvaardige en gelijkwaardige inkomensontwikkeling. Dit zo zijnde, staat het tevens vast dat eventuele besluitvorming in de zomer en het najaar niet anders dan vergezeld kan gaan van concrete voorstellen van de minister over de bescherming van uitkeringen en correcties van hogere inkomens, al dan niet in de fiscale sfeer. Het gaat dan als het ware om een dubbelbe sluit: ontkoppelen, uiteraard binnen de randvoorwaarden van de nieuwe wet, en maatregelen die ook in die situatie rechtvaardige inkomensverhoudingen waarborgen. Ik ga ervan uit dat de minister het met dit uitgangspunt eens is, ook gelet op eerdere uitlatingen van hem. Positief is in dit verband de nota van wijziging, waarmee wordt beoogd, een correctie op 1 juli van een eventueel ontkoppelingsbesluit op 1 januari mogelijkte maken. In het afgelopen jaar hebben de leden van het kabinet voortdurend werkgevers en vooral werknemers tot loonmatiging opgeroepen, mede om de koppeling in stand te kunnen houden. Er kan geen twijfel over zijn dat de werknemers in het lopende jaar genoegen hebben genomen met een uiterst bescheiden stijging van de contractlonen, in feite niet meer dan een prijscompensatie. Omdat het voor het behoud van rechtvaardige inkomensverhoudingen thans eens te meer van belang is, niet alleen de lonen te matigen, maar vooral veel mensen aan het werk te krijpen en te houden, lijkt het mij gewenst dat meer dan in het verleden de werkgevers op hun verantwoordelijkheden worden aangesproken. Alleen met de bereidheid tot daadwerkelijk meewerken van beide sociale partners kan het kabinet er deze zomer en dit najaar in slagen, een impuls te geven aan zijn streven, de werkgelegenheidsgroei te bevorderen en zoveel mogelijk arbeidsongeschikten aan een hele of een halve baan te helpen.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Ik had mijn interruptie iets eerder willen plaatsen, toen u sprak over de besluitvorming in de zomer. Ik hoor graag wat er precies gebeurd is tussen de totstandkoming van het eindverslag en deze plenaire behandeling. In het eindverslag staat: "De leden van de PvdA-fractie konden zich in dit stadium echter nauwelijks voorstellen dat zij op dergelijke wankele gronden overtuigd zouden geraken van de wijsheid van ontkoppeling per 1 januari 1992." Dit zwakt u af. Kunt mij exact de redenen hiervoor geven?

De heer Van Zijl (PvdA): Er zijn twee dingen gebeurd, die ook blijken uit het antwoord van de minister. Het ene is dat hij ook in die "als, dan"-situatie erg veel waarde aan rechtvaardige inkomensverhoudingen hecht. Het is lastig om in de loop van het jaar iets in de fiscale sfeer te doen, maar wij hechten ook in die situatie erg aan rechtvaardige inkomensverhoudingen. Dat is een nieuw element. Het tweede nieuwe element geeft de nota van wijziging met een reparatiemogelijkheid op 1 juli. Het is niet te ontkennen dat er de laatste weken veel kabaal is over zorgelijke en sombere ontwikkelingen, die met inachtneming van een pakket beleidsmaatregelen van de minister toch tot zorgelijke verhoudingscijfers kunnen leiden. !k kan de regering dus niet verbieden om conclusies te verbinden, als zij een zeer zorgelijke ontwikkeling ziet aankomen en dat ook aan de hand van het verhoudingsgetal kan staven, inclusief het pakket aanvullende maatregelen dat zij deze zomer wil nemen. Ik voeg eraan toe-en dat spoort ongetwijfeld met hetgeen in onze schriftelijke bijdrage tot nu toe heeft gestaandat wij ons die ontwikkeling nog niet direct kunnen voorstellen. In die ontwikkeling zou het verhoudingsgetal zich autonoom zo zorgelijk ontwikkelen, dat reparatie via ZW/WAO en een activerend arbeidsmarktbeleid niet meer mogelijk is. Dat wil ik nog wel eens zien.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Voorzitter! Nu begrijp ik het niet meer. In de eerste plaats is de mogelijkheid om die koppeling halfjaarlijks te herstellen in de memorie van antwoord al aangekondigd. Er was dus geen reden om in het eindverslag daarover hard van de toren te blazen en dat nu af te zwakken. In de tweede plaats heeft de heer Van Zijl de afgelopen weken een hoop tamtam gemaakt -collega De Jong heeft die opmerking ook gemaakt -en gezegd, dat hij een besluit zou nemen op basis van gegevens. Blijkbaar heeft hij zijn standpunt over die besluitvorming in de zomer mede afhankelijk laten zijn van de vraag wanneer dat besluit tot ontkoppeling moet worden genomen. Hij heeft zijn standpunt in ieder geval afgezwakt.

De heer Van Zijl (PvdA): U zei iets heel terechts, namelijk dat wij op basis van gegevens een besluit nemen. Ik kan mij namelijk niet voorstellen dat de gegevens in het najaar zodanig zijn, dat wil zeggen enerzijds een autonome ontwikkeling van het verhoudingscijfer en anderzijds het pakket maatregelen van de regering om het verhoudingscijfer bij te sturen, dat zij alsnog een saldo opleveren dat dit najaar tot ontkoppeling kan leiden. Als dat echter wel het geval is, kunnen ook wij daar niet langs. Ik kan het mij alleen niet voorstellen. Uiteraard moeten wij daarover met de regering discussiŽren. Daarom is hetveel meer gewenst om in het voorjaar aan de hand van hardere gegevens te discussiŽren over de vraag of al dan niet ontkoppeld moet worden. De heer RosenmŲller gaat overigens wel voorbij aan het ook voor hem belangrijke punt, dat het wel heel wat eenvoudiger is om in een niet lopend jaar eventuele correcties aan te brengen voor rechtvaardige inkomensverhoudingen dan in een lopend jaar. Dat moet voor de heer RosenmŲller toch ook van belang zijn.

De heer RosenmŲller (GroenLinks): Dat klopt. Echter, de samenleving verwacht nu al die ontkoppeling, even los van de vraag of die er zal komen of niet. Het kabinet is voornemens om daarover in de zomer te beslissen. Tot de dag van vandaag kent het kabinet het standpunt van de PvdA, namelijk dat dit onverstandig is en dat dit dus niet moet gebeuren op basis van gegevens, de MEV en de 50% per 1 januari. De heer Van Zijl zwakt dat nu af en zoekt daar op basis van mijn vraag toch weer een middenweg voor. Wat is nu zijn houding ten opzichte van het kabinet op het moment, dat het in de zomer toch besluit tot die ontkoppeling?

De heer Van Zijl (PvdA): Onze houding zal volledig afhangen van hetgeen de regering voorstelt. Daarover zullen wij overigens veel later in de Kamer discussiŽren, dat wil zeggen als het advies gereed is. Als dat een ongeloofwaardig ontkoppelingsverhaal is, zullen wij daar een stevig robbertje over vechten met de regering. Dan zullen wij zeggen, dat het ons te vaag is, dat er te weinig argumenten zijn om te ontkoppelen. Dan stellen wij voor tot het voorjaar te wachten, omdat wij dan een betere discussie kunnen voeren op grond van hardere cijfers. Maar wat wil de heer RosenmŲller nu precies? Wil hij vooral ten principale discussiŽren over een datum of over de feiten, namelijk ontwikkelingen die al dan niet nopen tot koppelen of ontkoppelen? Daar moet het toch om gaan? Daar gaat het ons ten principale om!

Mevrouw Groenman (D66): Voorzitter! Ik begrijp eigenlijk, dat de heer Van Zijl wijkt voor de tijd die de minister nodig heeft om eventueel fiscale herschikkingsoperaties door te voeren. Daardoor is hij geneigd om te zeggen, dat die beslissing ook in de zomer genomen moet worden. Er is tijd nodig om te ontkoppelen en fiscaal iets te doen. De heer Van Zijl heeft gezegd er zo blij mee te zijn, dat de koppeling eventueel in juli van het volgende jaar kan worden hersteld. Maar dat betekent vervolgens wel, dat al die fiscale voorstellen inmiddels zijn mgediend Wat is dan het nut om volgend jaar opmeuw te kunnen koppelen?

De heer Van Zijl (PvdA) Als dan per 1 juli de koppeling wordt hersteld, zijn al die fiscale maatregelen niet nodig om iets anders te herstellen.

Mevrouw Groenman (D66): Die doe je dus wel en daar heb je tijd voor nodig! Die moeten als noodgreep gebruikt worden vanwege die evenwichtige inkomensverhoudingen. Die heb je voor 1 januari nodig. En nu maar zeggen dat je voor 1 juli van het volgende jaar alsnog weer kunt koppelen!

De heer Van Zijl (PvdA): Nee, ik heb gezegd dat wij op zichzelf de voorkeur geven aan een discussie over de koppeling in het voorjaar, omdat wij dan hardere cijfers hebben. Maar als de regering, die daarvoor verantwoordelijk is, moet vaststellen, op basis van de gegeven die ze deze zomer verzamelt, op basis van de berekeningen van het Centraal planbureau, dat het niet verantwoord is, zullen wij daarover met de regering een discussie hebben. Ik denk overigens dat wij die discussie dan pas in november/december zullen voeren en niet eerder. Dan zitten wij dus al heel ver in het najaar. Want eerst moet nog de SER adviseren.

Mevrouw Groenman (D66): Dat is toch onzin. Dan liggen al die fiscale wetsvoorstelletjes er, de vennootschapsbelasting, het reiskostenforfait...

De voorzitter: U hebt dit punt al uiteengezet, mevrouw Groenman. Ik denk dat de heer Van Zijl hiermee de interrupties voldoende heeft beantwoord.

De heer Linschoten (VVD): Voorzltter! Ik heb nog een vraag. Ik heb in mijn eigen bijdrage even stilgestaan bij het voorstel van collega Leijnse, het "grand design" waar de Partij van de Arbeid over denkt, om de loonontwikkeling in de hand te houden Ik zou graag van de heer Van Zijl willen vernemen welke initiatieven wij op dat punt in concreto van de Partij van de Arbeid mogen verwachten. Ik mag toch niet aannemen dat het grand design van collega Leijnse alleen maar een lege luchtballon is?

De heer Van Zijl (PvdA): Nee, dat mag u zeker niet verwachten. Maar waar u zelf al in uw bijdrage, citerend uit vele publikaties op dit onderwerp, bent ingegaan op het grand design van collega Leijnse, weet u toch heel goed wat de komende tijd onze inzet op het punt van de werkgelegenheidsvoorstellen zal zijn. Dat zijn door ons zeer serieus te nemen voorstellen.

De heer Linschoten (VVD): Ik doel natuurlijk met name op de bijdrage die de overheid in dat kader zou moeten leveren. Collega Leijnse spreekt in dat kader over een verlaging van de loon-en inkomstenbelasting tot É 43.000 a raison van omstreeks 2 mld. Dat betekent nogal wat.

De heer Van Zijl (PvdA): Met de fiscale correctie bij de hogere inkomens, wat u wellicht minder aanspreekt.

De heer Linschoten (VVD): Even los van de vraag waar het vandaan komt. Ik zou graag van u willen weten wat nu precies het initiatief van de Partij van de Arbeid betekent en hoe ervoor wordt zorg gedragen dat de lonen volgend jaar niet een zodanige ontwikkeling gaan doormaken dat er ontkoppeld moet worden.

De heer Van Zijl (PvdA): Ik vind het wat merkwaardig dat u mij vraagt wat ik vind van het initiatief van een collega van mij.

De heer Linschoten (VVD): Oh, maar ik ging er eerlijk gezegd van uit dat het een plan van de Partij van de Arbeid was...

De heer Van Zijl (PvdA): Zeker.

De heer Linschoten (VVD): ...en geen particulier initiatief van collega Leijnse.

De heer Van Zijl (PvdA): Nee, absoluut niet.

De heer Linschoten (VVD): En aangezien u hier als woordvoerder van de Partij van de Arbeid het woord voert...

De heer Van Zijl (PvdA): Het voorstel van de heer Leijnse spreekt mij bijzonder aan, als dat ertoe kan bijdragen dat werkgevers en werknemers tot loonmatiging komen. Er zit namelijk ook een prikkel voor de werkgevers in om tot die loonmatiging te komen, als het kan bijdragen aan meer scholing, wat wij allemaal belangrijk vinden, meer goede doelen in de CAO-afspraken van volgend jaar. Dan zijn wij daar buitengewoon content mee.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Waar het mij om gaat is om nu precies te weten wat de heer Leijnse heeft voorgesteld.

De heer Van Zijl (PvdA) Laat de heer Leijnse dat dan even zelf vertellen.

De heer Linschoten (VVD): Er is een brief geschreven, heb ik begrepen. Wij hebben die brief niet. Ik heb van collega's begrepen dat ook zij die brief niet hebben. Misschien is het handig dat als de Partij van de Arbeid op dit punt belangwekkende initiatieven neemt, wij, als woordvoerders namens onze fracties, ook kennis kunnen nemen van deze belangrijke initiatieven.

De heer Leijnse (PvdA): Voorzitter! Dat de heer Linschoten het stuk niet heeft, is wel duidelijk. Want hi] heeft het al verschillende malen een "grand design" genoemd en dat had hij nooit gedaan als hij die twee velletjes had gelezen. Wat mij langzamerhand bezighoudt, want de heer Linschoten is uitstekend op de hoogte van de inhoud van het voorstel, is wat hij ervan vindt. Hoe kijkt de VVD aan tegen een dergelijk voorstel?

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Ik heb nu net gezegd dat het is alsof ik mijn vorige fractievoorzitter, de heer Voorhoeve, in het paasdebat van 1988 hoorde, even los van het element van de financiering. Maar die tegenvraag is niet echt relevant. Mijn vraag is gewoon heel concreet. De Partij van de Arbeid heeft een initiatief. Het staat in alle kranten. De naam van de heer Leijnse wordt daarbij genoemd. De term "grand design" is niet van mij afkomstig, maar van degenen die de publikaties gemaakt hebben. Mijn heel concrete vraag is: Partij van de Arbeid, hoe ziet dat plan van u eruit? Wat gaat u voorstellen en wat moeten wij ons precies voorstellen bij de financiŽle en andere consequenties van het plan? Het zou handig zijn, ook voor dit debat, voor ons, maar misschien ook voor de regeringik weet niet of de regering het plan kentals wij de inhoud van het plan voor de tweede termijn tot ons zouden kunnen nemen.

De heer Leijnse (PvdA): Voorzitter! Het gaat uiteraard niet om een uitgewerkt plan, zoals ik daarnet al duidelijk heb gemaakt. Wat de heer Linschoten in zijn betoog in eerste termijn heeft gezegd over de inhoud van het voorstel, stemt exact overeen met hetgeen voorgesteld is. Dat betekent dus ook dat wat de mogelijke dekking betreft van de lastenverlichting die in de eerste schijf zal worden gegeven in ruil voor een matiging van de brutolonen er geen uitgewerkte voorstellen voorliggen.

©

J.G.H. (Hans)  JanmaatDe heer Janmaat (Centrumdemocraten): Mijnheer de voorzitter! Het doet de CD-fractie toch enig genoegen dat de bijdragen die in en buiten het parlement vyorden geleverd grondig worden beluisterd. Ook doet het ons genoegen dat zo af en toe en de laatste tijd in toenemen-de mate PvdA-bewindslieden zich geroepen voelen de hier gebrachte standpunten breeduit te gaan verkondigen. Zo ziet u maar, wat een grote invloed een kleine fractie kan hebben als zij maar de juiste kritiek uit. In dat opzicht denk ik dat de staatssecretaris, lid van de Partij van de Arbeid, dadelijk haar oren zal gaan spitsen, want mogelijkerwijs komt zij binnen afzienbare tijd met de hier naar voren gebrachte ideeŽn. Voorzitter! Vandaag staat opnieuw een stokpaardje van de Partij van de Arbeid ter discussie: een koppeling tussen uitkering en lonen. Dit stokpaardje behoort echter niet exclusief de Partij van de Arbeid toe. De PvdA is veel en graag opgekomen voor grote groepen vooral uit de onderste lagen van de samenleving. Dat is haar goed recht. De belangen van die groepen worden echter niet alleen en op eigen houtje door de PvdA behartigd, daarvoor is samenwerking met andere partijen nodig. Het is de CD in ieder geval niet duidelijk dat er binnen de PvdA een betere constructieve belangenafweging heeft plaatsgevonden dan elders. Ik meen dat zelfs te moeten ontkennen. Binnen de PvdA heeft altijd een zeer eenzijdige afweging plaatsgevonden. Daarmee heeft zij getracht begrip bij anderen te vinden. Dat is haar goed recht, maar het is een geweldige beperking. Dat neemt natuurlijk niet weg, dat sociale verhoudingen en sociale voorzieningen een goed begrip en een goed bezit zijn. Ook dat is niet exclusief aan een bepaalde partij voorbehouden. De sociale verhoudingen en de sociale voorzieningen in ons land zijn de laatste decennia echter sterk gewijzigd. De motieven en de gronden waarop generaties geledenik spreek dan over de jaren vijftig en zestig -de hoogte van de uitkeringen vergeleken werd met die van de lonen, zijn volledig gewijzigd. Het socialevoorzieningenstelsel van toen valt nauwelijks meer te vergelijken met het hedendaagse stelsel. Wij zijn nu noodgedwongen aan veel lagere uitkeringen, in percentages, toe. De oorzaken zijn niet moeilijk te vinden, daarvoor hoeven wij niet diep te zoeken. Een rechtvaardige inkomensverhouding kent vandaag de dag heel andere maatstaven. Die maatstaven komen maar gedeeltelijk tot uitdrukking in de wet die hier ter beoordeling voorligt. De CD wil niet zeggen, dat een koppeling niet kan. Een koppeling tussen uitkeringen en lonen, ook lagere lonen, kan wel degelijk in stand blijven. Dat neemt echter niet weg, dat de financiŽle afstand tussen ontvangen uitkeringen en ontvangen loon voor werk veel te klein is. De impuls tot werken is nauwelijks aanwezig als mensen vanuit een uitkeringssituatie doorschuiven naar de lager betaalde arbeidsplaatsen. De fmanciele impuls en de financiŽle ambitie zijn dan veel te klein. Bovendien is daarbij niet ingecalculeerd het in ons land zeer veelvuldig voorkomende verschijnsel van zwartklussen. Mensen die een vak kennenik denk daarbij vooral aan de bouwsectordan wel buitengewoon handig zijn, weten veelal in hun vele vrije tijd met niet reguliere arbeid geid bij te verdienen. Dat maakt de lust tot werken opnieuw veel kleiner. Voorzitter! Naar de mening van de CD kan de koppeling wel gehandhaafd worden, doch er moet een groter verschil komen tussen de uitkeringen en de lonen. Dat wil dus zeggen, dat er voorlopig een stop op de koppeling moet komen. De CD-fractie heeft daarbij nog een bepaalde wens, die zij graag in de uitkeringen tot uitdrukking zou zien komen. Zoals ik reeds heb gezegd, is dat misschien een ideetje voor de Partij van de Arbeid. Wij plegen vandaag de dag in wetgeving, in sociale voorzieningen en in sociale instituten vaak de term "maatwerk" te gebruiken. Welnu, de uitkeringen die aan zovelen op het minimumniveau worden gegeven, zou de CD graag van maatwerk willen voorzien. De principes van dat maatwerk komen er dan op neer, dat er een bodemuitkering komt die ongeveer 60% behelst van het huidige uitkeringsniveau, en toeslagen die afhankelijk zijn van hier in dit land gewerkte generaties. Dat heeft onmiddellijk tot gevolg dat het niveau waarop mensen die na een levenlang werken hier komen, verschilt van het niveau van diegenen die, op misschien goed gemotiveerde gronden, het land binnenkomen. Daar moet naar de mening van de CD-fractie een verschil tussen blijven bestaan. Het is voor de mensen die hier lang gewerkt hebben namelijk nauwelijks te verteren dat zij op hetzelfde lage niveau worden gezet. Daar hebben zij niet generaties lang en in ieder geval een levenlang voor gewerkt. Zij menen terecht dat hen meer toekomt. Dat is misschien iets dat vandaag de dag nog niet geheel acceptabel is, maar ik voorspel dat, als de PvdA in kiezersgunst zo veel verliest dat zij in nog grotere nood terecht komt, zij binnen tien jaar dit standpunt naar voren zal brengen. Als de koppeling blijft bestaan, dan vindt de CD dat ze de eerste jaren moet worden gestopt. De afstand moet namelijk groter worden. In het nieuwe wetsvoorstel heeft de regering ook ruime mogelijkheden om de koppeling te stoppen. Bij een mogelijk onverwachte en onvoorzienedat zijn zeer afhankelijke en beperkte begrippenstevige loonkostenontwikkeling komt, lijkt het natuurlijk niet meer dan logisch dat de koppeling niet tot stand wordt gebracht. De verhouding is veel te groot en zou de loonkostenstijging onder veel te zware premiedruk zetten. Daar is natuurlijk al op gewezen. Als er sprake is van een exclusieve loonkostenstijging, een normale impuls of een financiŽle stimulans om kwalitatief beterte gaan werken en om de efficiency te vergroten, allemaal in het kader van wat de regering wil, dan kan het uitkeringsniveau daar niet op worden aangepast. Er moet een grotere afstand komen. Het is niet meer dan direct gewenst dat de uitkeringen bij explosieve loonkostenstijging niet meestijgen. Anders heeft het namehjk nauwelijks zin. Dit nog afgezien van de reeds genoemde concurrentieverhoudingen van het Nederlandse bedrijfsleven. Een tweede grond is de verhouding tussen actieven en niet-actieven. Als wij de cijfers bekijken, zien wij dat er in 1970 op de 100 werkende mensen 45 mensen waren die een uitkering genoten en dat er dat nu in 1991 op de 100 werkende mensen 86 zijn. Het is nog geen verdubbeling, maar het scheelt niet veel. Nu hoef je toch geen lid van de CD te zijn om je af te vragen of dat allemaal toeval is en hoe het komt dat dat precies samenvalt met de periode waarin wij in ons land zo'n gigantische migratie kennen. Ligt daar niet een grote oorzaak van de stijging van de niet-actieven? Het antwoord kan naar mijn idee bijna niet anders dan bevestigend zijn. D66 interrumpeer-de op dit punt en vroeg of er, omdat er grote aantallen asielzoekers komen, geen antwoord moet worden gegeven op de vraag of dit een reden is van de verschuiving. Mijnheer de voorzitter! Hier ligt natuurlijk ook de oorzaak van de geweldige stijging van het aantal niet-actieven. De regering zegt, en ook sommige ministers brengen dit de laatste tijd naar voren in en buiten de Kamer, dat op zijn minst de illegale vreemdelingennog los van de mensen die criminele activiteiten ontwikkelenhet land zouden moeten worden uitgezet. Mijnheer de voorzitter! Het lijkt niet meer dan verstandig dat de uitkeringen op een lager niveau worden gebracht, opdat de zuigkracht om naar ons land te komen vanuit economische motieven in ieder geval gaat verdwijnen. Dan snijdt het verhoudingenmes in ieder geval aan twee kanten. Niet alleen brengt het een grotere afstand tussen werken en niet-werken-en uiteindelijk moeten wij toch allemaal werken om een redelijke boterham te verdienenmaar bovendien maakt het terecht de zuigkracht om naar Nederland te gaan minder groot. Want inderdaad hebben de vreemdelingen het hier niet zo goed. Niet voor niets vervallen zij soms tot zaken die wij terecht scherp afwijzen. Maar laten wij hen dan ook niet met zoveel ťgards binnenhalen, tenminste als wij de situatie vergelijken met die in hun eigen land. Wat dit betreft, mijnheer de voorzitter, is de verhouding tussen actieven en niet-actieven sowieso veel te hoog. Ik praat dan niet over het terugbrengen van 86 naar 84. Welnee, dit moet naar ver beneden de 50. Mijnheer de voorzitter! Wat geen afwijkingsgrond is geworden om de koppeling dus los te laten, is de financiŽle positie van het Rijk. Dit verbaast de CD niet, maar het neemt niet weg dat hieruit blijkt dat wat het kabinet had moeten doen, niet gebeurt. De kabinetten-Lubbers hebben nooit veel aandacht besteed aan de financiŽle positie. Hoe is het anders te verklaren dat onder de minister-president die alleen maar nononsense politiek zou gaan bedrijven de staatsschuld verdrievoudigd is? Niet onder Den Uyl, niet onder Van Agt/Wiegel, maar onder deze minister-president is de financiŽle schuld zo sterk gestegen.

Mijnheer de voorzitter! Mij verbaast het niet dat het kabinet opnieuw zegt dat het niet naar de financiŽn kijkt, want wanneer doet het dat nu eigenlijk wel? Wanneer zijn de financiŽn nu een doorslaggevende factor? Op het moment dat het kabinet er helemaal niet meer uitkomt? Op het moment dat wij met gigantische staatsschulden alleen maar sterke inflatiebewegingen moeten gaan inzetten om ervan af te komen? Mijnheer de voorzitter! Wat de eerste oorzaak had moeten zijn, laat het kabinet buiten beschouwing. Omdat het kabinet toch geen geld heeft, zegt het: wij houden er geen rekening mee. Op deze manier zou je bijna in de verleiding komen, mijnheer de voorzitter, om te zeggen dat iedereen dan wel kan regeren, want dan is speciale kennis niet nodig. Als belangrijke aspecten niet meewegen, wie zou dan geen staatssecretaris van Sociale Zaken willen zijn? En dan mag zij misschien in het begin van haar Kamerperiodezoals vorige week door de Volkskrant werd gemeldniet eens hebben geweten, hoe zij moest stemmen, zij hoeft nu niet eens te stemmen. Zo, mijnheer de voorzitter, krijg je het land waar je het hebben wilt, naar de rand van de afgrond. Ik blijf zeggen dat er een gigantisch verschil is tussen sociaal gevoelen, tussen sociale solidariteit binnen een bevolking en de socialistische principes, waarmee de socialisten in hun grootheidswaanzin menen dat zij de hele wereld kunnen reden. Zolang dat hier in wetgeving wordt vastgelegd, mijnheer de voorzitter, komt Nederland er jammer genoeg niet uit. Het zal duidelijk zijn, mijnheer de voorzitter, dat dit een zeer moeilijk punt is voor de CD. Wij beseffen zeer goed dat wij beslissen over het inkomen van Nederlanders die er soms keihard voor gewerkt hebben. Bij het ontzeggen van een bepaald inkomen aan die mensen, zeggen wij het naar de mening van de Centrumdemocraten gelijk toe aan mensen die er nauwelijks recht op hebben. Van het antwoord van de regering en de gegevens van de Centrumdemocraten over de verdeling van die uitkeringen, zal ons stemgedrag afhangen.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter De regering zal donderdag antwoorden.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.