De behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Bijstandswet en daarop rustende nadere regelgeving in verband met decentralisatie van de bijzondere bijstand en vergroting van de mogelijk... - Handelingen Tweede Kamer 1990-1991 07 mei 1991 orde 5


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van: -het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Bijstandswet en daarop rustende nadere regelgeving in verband met decentralisatie van de bijzondere bijstand en vergroting van de mogelijkheden om met behoud van uitkering deel te nemen aan scholing en opleidingen (21644).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

L.M. (Leo)  SchootsDe heer Schoots (PvdA): Mijnheer de voorzitter! De PvdA ziet in het voor ons liggende wetsvoorstel een uitdrukking van een aantal elementen van nieuw beleid dat door dit kabinet is ingezet. Ik wil even stilstaan bij dit werk aan deze weg van het kabinet. Het kabinet heeft gekozen voor decentralisatie. Het is een fundamentele keuze om meer over te laten aan medeoverheden. Het is een principië-le keuze, omdat wij deze overhedengemeenten in dit gevalbeter in staat achten om het werk op de werkvloer te verrichten dan de rijksoverheid. Dit voorstel getuigt van die opvatting. Het is er een uitwerking van. Niet meer de rijksoverheid, maar de gemeenten krijgen hier het voortouw bij de invulling van de bijzonderebijstandsverlening. Ik kom dan op een tweede punt: werk boven uitkering. De uitkering is er voor degenen die niet in staat zijn om anderszins in eigen inkomen te voorzien. Daarbij gaat het vooral om inkomen uit arbeid. De uitkering moet daarom worden beschouwd als trampoline en niet als vangnet voor achterblijvers. Met dit wetsvoorstel krijgen de colleges van burgemeester en wethouders niet alleen de ruimte, maar ook de opdracht om die ruimte te gebruiken om de desbetreffende personen met maatwerk weer op het spoor naar de arbeidsmarkt te zetten. Dat is een belangrijke wijziging, die uitdrukking is van het nieuwe beleid. Vervolgens kom ik op het derde punt. De bijzonderebijstandsverlening is een onderdeel van de Algemene bijstandswet. Op dat brede terrein zijn gedachten in ontwikkeling; er ligt reeds een voorontwerp herinrichting Algemene bijstandswet. De staatssecretaris had op die wijziging kunnen wachten om dan tegelijk de bepalingen omtrent de bijzonderebijstandsverlening te wijzigen. Dat is niet gebeurd: dit onderdeel is er uitgelicht en vervroegd. Waar een wil is, zo is opnieuw gebleken, is ook een weg. Het wetsvoorstel is een prima voorbeeld van een belangrijk element van de sociale vernieuwing. Kortom: complimenten aan de staatssecretaris! Rijksconsulenten hebben als intermediair tussen gemeenten en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een belangrijke taak. Als ik de memorie van toelichting goed begrijp, dan betreft dit zowel de signalering van opvallende ontwikkelingen in het gemeentelijk beleid en de uitvoering aan het departement als de signalering van relevante, landelijke en regionale ontwikkelingen aan de gemeenten zelf. Dit stelt hoge eisen aan de rijksconsulent. Deze wordt mijns inziens partner van de gemeenten. Uit de dagelijkse gemeentelijke praktijk blijkt echter dat de rijksconsulent veelal als controleur wordt ervaren. Hoewel ikerenig begrip voor kan opbrengener is altijd sprake van enige spanning -vind ik dat wel jammer en heeft dat niet mijn voorkeur. In mijn visie komt het erop neer, dat de rol van de rijksconsulent met betrekking tot het realiseren van de rechtsgelijkheid een beperkte is. De weg van overleg via bijvoorbeeld de Vereniging van Nederlandse gemeenten, eventueel met regionale bijeenkomsten, is daarvoor waarschijnlijk een beter middel. Ik krijg hierop gaarne een reactie van de staatssecretaris. Ik kom dan op de samenhang. Ik ben het eens met wat de staatssecretaris in de memorie van toelichting stelt, namelijk dat het niet gewenst is om, naast de bijzondere bijstand, aan de Algemene bijstandswet verwante gemeenteiijke fondsen te laten functioneren. Deze fondsen kunnen worden samengevoegd met en in de bijzonderebijstandsverlening. Ik spreek nadrukkelijk van "samenvoeging". Er blijft namelijk altijd vraag naar aanvullende voorzieningen die wel kunnen passen binnen een gemeentelijk minimabeleid, maar die geen basis vinden binnen de bijzondere bijstand als onderdeel van de Algemene bijstandswet. Hoewel ik de voorstellen van de staatssecretaris in artikel 18c, derde lid, onder a en b, van harte onderschrijf, ben ik desalniettemin voorstander van toekenning van de bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders om een drempelbedrag voor alle speclfieke, bijzondere, noodzakelijke kosten van bestaan te hanteren. Ik wil dit overigens met handhaving van het eerder genoemde artikel 18c, derde lid. Het is geenszins mijn bedoeling dat systematisch eigen bijdragen die in een voorliggend voorzieningencircuit gelden, via bijstand ongedaan worden gemaakt. Ik beoog echter wel, conform de decentralisatiedoelstelling van dit wetsvoorstel, dat het college van burgemeester en wethouders ook het drempelbedrag, uiteraard geïndividualiseerd, in zijn beschouwingen kan betrekken. Het voorliggende voorstel van wet sluit dit uit. Indien de staatssecretaris mijn gedachten volgt, wordt mijn inziens bereikt dat samenvoeging van het gemeentelijk minimabeleid met het bijzonderebijstandsbeleid zo min mogelijk wordt belemmerd. Immers, in veel gevallen behelst het gemeentelijk minimabeleid dat een gemeentelijke subsidie wordt verleend tot een totaalbedrag dat niet of niet veel hoger ligt dan ongeveer ƒ 177 per jaar Dus ongeveer ter hoogte van het drempelbedrag. Het gaat dan bijvoorbeeld om kosten van maatschappelijke participatie, zoals een bibliotheekabonnement of lidmaatschap van verenigingen. Ik ben voornemens, afhankelijk van het antwoord van de staatssecretaris, in tweede termijn een amendement op dit punt in te dienen. Over de samenwerking van de gemeentelijke kredietbank het volgende. Door middel van de tweede nota van wijziging wordt de mogelijkheid van borgtocht ter verkrijging van een schuldsaneringskrediet geregeld. Op zich ben ik blij met deze wijziging. Gemeenten beschikken hierdoor over een extra instrument ter bestrijding van financiële noodsituaties van mensen.

Ik heb slechts één twijfel, namelijk de verplichte aansluiting van een gemeente bij de gemeentelijke kredietbank. Als het een gemeente lukt om een gemeentelijkekredietbankachtige samenwerking aan te gaan met een plaatselijk bank of banken, waarbij in dezelfde mate rekening wordt gehouden met de belangen en mogelijkheden van de individuele cliënt als bij de gemeentelijke kredietbank, is voor mij de exclusiviteit van deze kredietbank niet nodig. Hoofddoelstelling van dit wetsvoorstel is dat gemeenten beleidsmatig en financieel meer armslag krijgen om met behulp van bijzondere bijstand individuele financiële noodsituaties aan te pakken. Het is van groot belang dat gemeenten hiermee zo snel mogelijk aan de slag kunnen gaan. Ook bereiken ons signalen van gemeenten die op spoedige invoering aandringen. Wat dit betreft, lijkt afwijking van de invoering van de "driemaandentermijn" aanvaardbaar. Gemeenten zijn immers in staat om, als de nieuwe regeling van kracht is, gaandeweg een andere invulling te geven aan hun bevoegdheden dan thans uitvoeringspraktijk is. Wat Is het standpunt van de staatssecretaris over de mening van de Vereniging van Nederlandse gemeenten inzake de invoeringstermijn en wat is haar eigen standpunt over het eventueel afzien van de driemaandentermijn, hetgeen overigens mijn voorkeur heeft? In mijn schriftelijke inbreng heb ik stilgestaan bij mogelijke financiële gevolgen van deze decentralisatie voor de gemeentelijke huishouding. Kern van mijn inbreng was dat voorkomen, of in ieder geval gerepareerd, moet worden dat er gemeenten zijn die in financiële zin structureel uit eigen middelen dienen bij te lappen en er anderzijds gemeenten zijn die jaarlijks kunnen sparen, respectievelijk een andere bestemming kunnen geven aan hun deel van de beschikbare 300 mln. Ik ben blij met de toezegging van de staatssecretaris dat, indien in de toekomst mocht blijken dat zich in de ontwikkeling van de groei van de nettobijstandslasten majeure verschillen tussen gemeenten voordoen, zo nodig door de beheerders van het Gemeentefonds wordt bezien op welke wijze dit kan worden gecorrigeerd. Nu ik het toch over de financiën heb, wil ik, wellicht ten overvloede, het volgende nog naar voren brengen. Het lijkt mij vanzelfsprekend dat, mocht de rijksoverheid maatregelen nemen die kostenverhogend werken voor de bijzondere bijstand, dit gepaard gaat met gelijktijdige overheveling van de noodzakelijke middelen. Gaarne verneem ik van de staatssecretaris of zij dit standpunt deelt. In een interview in Sociaal bestek nummer 4 in 1990 zegt de staatssecretaris: "Zelfs bijzonderebijstandsverlening voor de noodzakelijke aanschaf van een olifant is bij wijze van spreken mogelijk. Alleen in Emmen niet, want daar hebben ze een dierentuin." Als het hier maar niet gaat om die olifant die nodig is om door de rijksporseleinkast te lopen ter stimulering van het decentralisatieproces. Deze vorm van bijzondere bijstand dient het kabinet zelf te behouden.

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP): Mijnheer de voorzitter! Hoe dichter bij de burger des te beter het bestuur. Dat is althans de gedachte achter het wetsvoorstel om de bijzondere bijstand te decentraliseren. Volgens gemeenten deed het landelijke beleid in de jaren tachtig niet meer volledig recht aan plaatselijke situaties. Wij zien dan ook dat veel gemeenten een aanvullend beleid zijn gaan voeren om die tekorten op te vangen. Voor de regering is het gemeentelijk minima-beleid een belangrijk signaal geweest voor de wenselijkheid van decentralisatie van de bijzondere bijstand. Voorzitter! In zijn algemeenheid kan de SGP-fractie zich vinden in die decentralisatie. Het fraaist was het geweest wanneer dit wetsvoorstel onderdeel had uitgemaakt van het wetsvoorstel inzake de integrale wijziging van de Algemene bijstandswet. Het tijdsaspect evenwel is een belangrijke reden dat de decentralisatie van de bijzondere bijstand nu in een apart wetsvoorstel wordt geregeld. Wij hebben daarvoor begrip. Het is de bedoeling dat gemeenten door de decentralisatie meer maatwerk kunnen leveren. Uiteraard ondersteunen wij dat streven. Wel moeten wij geen al te hoge verwachtingen koesteren. Vooral in grote steden waar het beroep op de bijzondere bijstand het grootst is, zullen er toch weer regels nodig zijn en aanvragers in bepaalde categorieën ingedeeld moeten worden om het werk van de gemeentelijke sociale dienst mogelijk te maken. Dit werk moet ook objectief rechtvaardig zijn. In heel dit wetsvoorstel is een zekere spannlng voelbaar tussen objectieve regelgeving en het leveren van "maatwerk" bij de toekenning van bijzondere bijstand, een spanning tussen doelmatigheid en rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Met de decentralisatie krijgen gemeenten meer beleidsvrijheid. Weliswaar blijven landelijk vastgestelde normen bestaan, maar bij de uitwerking daarvan kunnen per gemeente verschillen ontstaan. Jurisprudentie en toezicht via de rijksconsulenten sociale zekerheid zullen de verschillen enigszins in toom moeten houden. In hoeverre zijn de verschillen in gemeentelijk beleid acceptabel? Bestaan er voldoende garanties dat jurisprudentie en consulenten sociale zekerheid de rechtsongelijkheid binnen de perken houden? Niet alleen tussen gemeenten, maar ook in een gemeente kunnen eerder verschillen optreden bij toekenning van bijzondere bijstand. Een van de oorzaken daarvan is zonder twijfel, de verruiming van de werkingssfeer van de bijzondere bijstand. Weliswaar mag in principe voor algemene bestaanskosten geen bijzondere bijstand gegeven worden, maar wanneer die kosten door bijzondere omstandigheden hoger zijn dan normaal, mag het weer wel. Alleen voor de kosten van medische behandelingen die behoren tot de ontwikkelingsgeneeskunde is er een categorisch verbod. In het algemeen zijn dan ook niet meer de aard van de kosten maar de omstandigheden van het individu doorslaggevend. Bijzondere omstandigheden zijn evenwel een rekbaar begrip, waardoor de grenzen van de bijzondere bijstand snel vervagen. In elke persoonlijke of gezinssituatie zijn wel bijzondere factoren aan te wijzen die kostenverhogend werken. Subjectieve overwegingen spelen bij de beoordeling daarvan een grote rol.D e staatssecretaris wil gemeenten geen verplichting opleggen om een beleidsplan te maken. Op zichzelf komt dit overeen met het principe van de decentralisatie. Nu zullen grotere gemeenten ongetwijfeld zelf richtlijnen geven voor de toekenning van de bijzondere bijstand. Het is een illusie dat zij geheel geïndividualiseerd maatwerk kunnen leveren, want daarvoor is het beroep op bijzondere bijstand in die gemeenten te groot. Kleinere gemeenten kunnen mogelijk wel zonder schriftelijk vastgestelde richtlijnen bijzondere bijstand verlenen. De vraag rijst dan wel in hoeverre het toezicht op deze gemeenten door de rijksconsulenten effectief kan zijn. Waaraan kunnen zij toetsen wanneer een beleidsplan of een regeling ontbreekt? En bestaat er voor de burger wel voldoende duidelijkheid over hetgeen waar hij recht op heeft? Graag verneem ik van de staatssecretaris op welke wijze zij tegen deze vragen aankijkt. Kortom, zijn er toch geen redenen aanwezig om de gemeenten alsnog te verplichten tot een schriftelijke verantwoording van het te voeren en gevoerde beleid? Met de decentralisatie van de bijzondere bijstand zullen gemeenten mogelijk meer financiële risico's lopen. Er is thans sprake van een onderuitputting. Bij meer voorlichting bestaat de kans dat er een groter beroep gedaan zal worden op de bijzondere bijstand. Tevens wordt de werkingssfeer van de bijzondere bijstand verruimd. Als compensatie krijgen de gemeenten in 1991 300 mln. extra rijksmiddelen. Bij de VNG leeft de vrees dat het Rijk als gevolg van de financiële problemen iets van die 300 mln. zal afknabbelen. In hoeverre bestaat er grond voor die vrees? Is de staatssecretaris het met de VNG eens dat de bijdrage van 300 mln. een absolute voorwaarde is voor een spoedige invoering van dit wetsvoorstel? De verdeling van de rijksgelden over de gemeenten is gebaseerd op de uitgaven die gemeenten in het kadervan de bijzondere bijstand hebben gedaan in de periode van 1987t/m 1989. Daarmee wordt aangesloten op de bestaande situatie. Het gevolg hiervan is wel dat gemeenten die de afgeiopen jaren een zuinig beleid voerden, nu over minder geld beschikken dan gemeenten die een ruimhartig en misschien soms te ruimhartig beleid hebben gevoerd. Komen zuinige gemeenten, wanneer zij een ruimer beleid willen gaan voeren, daardoor niet in de problemen? Overigens heeft de verdeling over de gemeenten de goedkeuring van de Raad voor de gemeentefinanciën en dat geeft ons vertrouwen. Voorzitter! Voor het Rijk betekent de decentralisatie van de bijzondere bijstand het einde van een openeinderegeling, maar nu krijgen de gemeenten hiermee te maken. Door verdergaande individualisering en vergrijzing zullen, met name in de grotere steden, gemeenten waarschijnlijk te maken krijgen met een structureel groter beroep op bijzondere bijstand. Het gaat hierbij niet om onvoorziene, zeer omvangrijke stijgingen. Hiervoor kunnen gemeenten dus geen beroep doen op het Rijk om extra financiële middelen te verkrijgen. Op langere termijn kunnen de kosten echter toch oplopen. Wij vragen de staatssecretaris daarom of het niet wenselijk is dat regelmatig bezien wordt of het bedrag dat gemeenten voor bijzondere bijstand krijgen, nog wel toereikend is. Deze vraagstelling klemt te meer, nu steeds vaker op de flankvan regeringsbeleidsdaden en -voornemens expliciet wordt vermeld dat er, als het voor burgers te moeilijk wordt, de mogelijkheid is van bijzondere bijstand. Ik verwijs als voorbeeld naar het pakket maatregelen ten behoeve van gehandicapten en hun huisvesting dat ons dezer dagen bereikte, gepresenteerd door deze staatssecretaris samen met haar collega's van VROM en WVC. Voorzitter! In de laatste nota van wijzigingen heeft de staatssecretaris het mogelijk gemaakt dat bijzondere bijstand wordt gebruikt als borgstelling bij het aflossen van schulden. De schuldenproblematiek concentreert zich voor een belangrijk deel bij mensen met een minimuminkomen. Het is de vraag of borgstelling gezien kan worden als een bijzondere omstandigheid, waardoor de algemene noodzakelijke bestaanskosten hoger zijn dan normaal. In beginsel is er geen sprake van hogere kosten, maar van normale kosten die door schulden uit een kleiner budget betaald moeten worden. Gezien evenwel het gegeven dat bijzondere bijstand beperkt blijft tot borgstelling en niet gebruikt kan worden voor aflossing van de schuld zelf, kunnen wij instemmen met deze verruiming van de bijzondere bijstand. Wanneer mensen door borgstelling een aflossingsregeling kunnen treffen en zo uit een uitzichtsloze situatie worden gehaald, heeft de bijzondere bijstand een positieve functie gehad. Voorzitter! Graag zien wij een reactie van de staatssecretaris op deze beschouwing tegemoet.

©

I. (Ina)  BrouwerMevrouw Brouwer (GroenLinks): Voorzitter! Het wetsontwerp Decentralisatie bijzondere bijstand werd aangekondigd als nieuw beleid. Maatwerk, zo was de bedoeling, toegespitst op de mensen die het nodig hebben. In het vervolg krijgen de gemeenten meer mogelijkheden om financiële noodsituaties gericht aan te pakken. Dat is op zichzelf prima. Ondanks dat ik dat een goede zaak vind, wil ik een aantal kanttekeningen plaatsen bij dit wetsontwerp. Ten eerste is bijzondere bijstand nodig in noodsituaties. Onze mening is dat het wenselijk is om zulke situaties zoveel mogelijk te voorkomen, met andere woorden: om die hoogst uitzonderlijk te laten zijn. En dat houdt natuurlijk in dat men van het allerlaagste minimum normaal moet kunnen leven. Aan die voorwaarde voldoet echter het minimum steeds minder, gezien het feit dat er van 1982 tot 1990 een ontkoppeling heeft plaatsgehad. Die heeft voor het allerlaagste inkomen een structurele achterstand opgeleverd van ten minste 15%. Uit publikaties van "De arme kant van Nederland" blijkt dat het minimum minder toereikend is dan in de jaren zeventig om normaal van te kunnen leven. Dat heeft weer tot gevolg gehad dat gemeenten op deze situatie zijn ingesprongen en een eigen gemeentelijk minimabeleid hebben ontwikkeld. Die mogelijkheden zijn er gekomen bij gemeenten, omdat men zag dat er steeds meer mensen in financiële problemen kwamen. Dit kabinet heeft opnieuw gekoppeld, en dat is winst, maar die winst ging grotendeels verloren door de verslechtering van een aantal andere zaken. Ik noem bijvoorbeeld de verslechtering van de kwijtscheldingsnormen. In Amsterdam leidde dat ertoe dat er 12.000 aanvragersdie daarvoor wel kwijtschelding kregen -geen kwijtschelding meer kregen. Ik noem de verlaging van de normen voor de vergoeding van de kosten AAW, de almaar stijgende kosten van milieuheffingen, openbaarvervoertarieven die omhoog gaan enzovoorts, enzovoorts. Kortom, als je die achtergrond bekijkt, is de vraag aan de orde of de decentralisatie van de bijzondere bijstand de vermindering van de koopkracht van het structurele minimum moet gaan opvangen. Het zal duidelijk zijn dat de fractie van GroenLinks daar tegen is. Toch heb ik een beetje het idee dat het in deze richting gaat. Ik werd daarin gesterkt door reacties die ondere andere zijn gegeven van de kant van de fractie van de Partij van de Arbeid op het pas verschenen voorstel inzake de regeling voor gehandicaptenvoorzieningen. Er werd gezegd dat de verhoging van de eigen bijdrage wel eens een probleem zou kunnen zijn voor sommige groepen, maar dat dit dan zou kunnen worden opgevangen door een beroep te doen op de bijzondere bijstand. Dat nu lijkt mij geen goed idee. De structurele regelingen moeten zodanig zijn dat mensen in de toekomst niet opnieuw voor allerlei noodvoorzieningen afhankelijk zijn van een beroep op de gemeente voor bijzondere bijstand. Met andere woorden: decentralisatie mag geen alibi zijn voor de verslechtering van het normale minimum. Sterker nog, wij geloven alleen maar in bijzondere bijstand als het werkelijk om nieuw beleid gaat. Dat wil zeggen dat de positie van het mimimum structureel beter wordt aangepakt. Graag een reactie op deze eerste kanttekening. Een tweede kanttekening bij dit wetsontwerp is dat decentralisatie kan, of zelfs moet leiden tot een zekere willekeur. Dat was indertijd de reden om een landelijke normering in te voeren voor de Algemene bijstandswet. Voor de mensen die daarvan afhankelijk zijn, vond men het toen erg vervelend om het maar over te laten aan het gemeentebestuur en om geen zekerheid te hebben over de norm die werd aangelegd. Het zou immers onaanvaardbaar zijn als een man of vrouw met een minimum in Amsterdam veel beter af zou zijn in Harderwijk, of andersom. Wij vinden nu het voordeel van maatwerk opwegen tegen dat risico, maar zijn wel van mening dat het toch enigszins controleerbaar moet blijven hoe de verschillende gemeenten de normen gaan aanleggen. Daarom voelen wij wel iets voor het plandat in dit wetsontwerp overigens wordt afgewezenom de gemeenten te verplichten, jaarlijks een beleidsplan op dit punt te maken. De argumenten die daar tegen worden gebruikt, overtuigen ons niet. Wij vinden dat het overhevelen van landelijke bevoegdheden -decentraiisatienaar lagere overheden, in dit geval de gemeenten, best gepaard mag gaan met een raamwerk, een richtlijn, een globale verplichting. De landelijke overheid staat bevoegdheden af, maar zij moet er dan wel voor zorgen dat de mensen een beroep kunnen doen op bepaalde richtlijnen om hun recht te kunnen halen. Ik denk dat het gemeentelijk beleidsplan, dat openbaar is, waarover gediscussieerd wordt in de gemeenteraad en waar de burgers in iedere gemeente kennis van kunnen nemen, een zekere waarborg in zich bergt om niet al te grote willekeur tot stand te laten komen. Voorzitter! Een derde kanttekening betreft het volgende. De regering meent dat dit een soort gesloteneinderegeling zou moeten zijn en heeft daarvoor 300 mln. ingeboekt. Er is gezegd dat dit bedrag ruimschoots voldoende zal zijn, want er is zelfs sprake geweest van onderuitputting. Ik sluit mij aan bij opmerkingen die hierover gemaakt zijn dat dit wel eens het gevolg zou kunnen zijn geweest van te weinig voorlichting. Als er meer voorlichting komt over de mogelijkheid om gebruik te maken van bijzondere bijstand, kan het snel zijn afgelopen met deze onderuitputting. Mijn vraag is echter nog iets structureler. Wordt bij het genoemde bedrag een schatting gemaakt van de behoefte die er zal zijn aan bijzondere bijstand en hoe wordt die schatting dan precies gemaakt? Wordt het bedrag jaarlijks vastgesteld aan de hand van die behoefte of wordt er gekeken naar de toestand van de rijksbegroting? En wat als er nu niet een onderuitputting ontstaat, maar er te veel gebruik gemaakt zal worden van de bijzondere bijstand? Betekent dit dat de gemeenten daarvoor zullen opdraaien, of moeten wij in de loop van het jaar de rijksbegroting bijstellen? Enkele verhelderingen ter zake zouden wel op hun plaats zijn. Voorzitter! In de wet wordt het drempelbedrag van ƒ 177 ingebouwd, met uitzondering van de kosten voor scholing, werkervaring en kinderopvang. Met dat laatste zijn wij het eens, maar de principiële vraag rijst of hier een drempelbedrag moet worden ingebouwd. Ik ben het wel eens met de inbreng van de fractie van de PvdA dat dit in feite in strijd is met de decentralisatiegedachte van dit wetsvoorstel. Wij kunnen natuurlijk vaststellen dat er, als het gaat om een bedrag van minder dan ƒ 177, nooit sprake kan zijn van een financiële noodsituatie, maar wij hebben hier toch niet met zijn allen de wijsheid in pacht? En het is toch zo dat de gemeente juist wordt gevraagd om maatwerk te leveren? Is het niet mogelijk dat dit maatwerk inhoudt dat het heel belangrijk is dat er ook een bedrag lager dan ƒ 177 wordt verstrekt? Er zijn situaties denkbaar waarin het belangrijk is dat de vrager dat bedrag snel van de gemeente kan krijgen. Ik vind dat het noemen van een drempelbedrag onnodig betuttelend is en niet past in het karakter van het wetsvoorstel. Daarom heb ik een amendement ingediend. Ik neem aan dat de staatssecretaris daar al kennis van heeft kunnen nemen. Zo niet, dan neem ik aan dat dit op korte termijn het geval zal zijn. Het is een heel simpel amendement. Het betreft namelijk het wegnemen van het drempelbedrag. Voorzitter! Op zichzelf zijn wij voorstander van de verruiming van het begrip "bijzondere bestaanskosten". Het lijkt heel zinnig, te zeggen dat dit overgelaten kan worden aan de gemeentenaan het behoorlijk bestuur daarvan-en dat ook een mogelijkheid gegeven dient te worden om leenbijstand voor duurzame goederen of een tijdelijke woonkostentoeslag te verstrekken. Dat is een prima idee. Wij vinden het goed dat ook schuldsanering wordt genoemd. Maar ook ik heb vragen over de aanwijzing aan gemeenten om alleen borgstelling te verlenen voor schuldkredieten van gemeentelijke kredietbanken. Waarom is deze beperking opgenomen? Argumenten die de staatssecretaris noemt, overtuigen mij niet. Zij zegt dat een gemeente nog altijd een gemeentelijke kredietbank kan oprichten of ervoor kan zorgen dat er een dergelijke bank komt. Welke argumenten voor zijn er om de borgstelling te beperken tot schuldkredieten van gemeentelijke kredietbanken, want ook schuldkredieten bij andere banken voldoen natuurlijk aan voorwaarden? Ik denk dat wij in deze tijd in een situatie leven waarin het niet terecht is een verschil te maken tussen gemeentelijke kredietbanken en andere banken. Waarom houdt de staatssecretaris zo vast aan dat verschil? Een maatregel die minder goed wasmaar deze is inmiddels hersteldwas dat het in de oorspronkelijke bedoeling van het wetsontwerp lag, scholing alleen te vergoeden als deze arbeidsmarktrelevant zou zijn. In mijn oude aantekeningen, namelijk die van voor 2 mei, heb ik nog staan dat er toch veel mensen zijn die van een minimum leven en niet meer voor de arbeidsmarkt in aanmerking komen, maar dat het voor hen heel belangrijk kan zijn dat ook zij voor scholing in aanmerking komen, cursussen voor eigen ontplooiing kunnen volgen en dergelijke, omdat ook zij daardoor de mogelijkheid krijgen uit het maatschappelijk isolement te komen. Nu lees ik in een persbericht dat het ontwerp-scholingsbesluit bijstandsgerechtigden inmiddels door de staatssecretaris is aangepast -het is op 2 mei in de Staatscourant gepubliceerd -en dat daaruit blijkt dat ook mensen zonder sollicitatieverplichting de mogelijkheid krijgen om bijzondere bijstand te krijgen voor scholing. Het is maar een heel kort persberichtje, zodat ik de staatssecretaris vraag of dat klopt. Over welke scholing gaat dat dan? Zijn hier nog beperkingen aan verbonden? Staat het nog in enige relatie met de arbeidsmarkt of speelt die relatie helemaal geen rol meer? Wordt de keus voor de scholing helemaal overgelaten aan de vrager van bijzondere bijstand zelf? Met andere woorden: zijn hiervoor nog nadere criteria aangelegd of niet? Voorzitter! Ik wacht de antwoorden van de staatssecretaris af.

©

E. (Eimert) van MiddelkoopDe heer Van Middelkoop (GPV): Als de vos de passie preekt, boer, pas op je kippen. Voorzitter! Dit lijkt mij een toepasselijk motto voor de behandeling van het voorstel tot decentralisatie van de bijzondere bijstand. Zo op het oog is er sprake van een royaal gebaar van het Rijk in de richting van de gemeenten. De gemeentelijke beleidsvrijheid voor de uitvoering van de Algemene bijstandswet wordt voor een belangrijk deel hersteld. De sluitstukfunctie van de ABW krijgt weer meer betekenis. Gemeenten kunnen maatwerk gaan leveren. Impliciet komt er ook waardering voor het gemeentelijk minimabeleid. De decentralisatie van de bijzondere bijstand wordt aangevuld met een extra bijdrage aan het Gemeentefonds van 100 mln. Daarmee lijkt het feest compleet. Dat het ook anders kan, bewijst de discussie inzake de Tussenbalans; daarbij werden decentralisatievoorstellen vergezeld van een extra korting op de rijksbijdragen Maar is het gebaar van het Rijk zo royaal als het lijkt? Daarop valt nog wel het een en ander af te dingen, in de eerste plaats omdat het financiële risico natuurlijk ook verhuist naar de gemeenten. Het Rijk is een openeinderegeling kwijt, maar de gemeenten krijgen er een bij. In de tweede plaats kunnen wij gevoeglijk verwachten dat het beroep op de bijzondere bestand als gevolg van het rijksbeleid verder zal groeien. Er heeft nu twee jaar een volledige koppeling plaatsgevonden van uitkeringen en minimumloon aan de loonindex. Gerede twijfel over het continueren daarvan is op zijn plaats. Er zullen in de nabije toekomst heel wat subsidieregelingen worden gekort of zelfs sneuvelen. Het is een illusie te menen dat de laagst betaalden daarvan niets zullen merken. Lastenverzwaringen door het Rijk lijken vooralsnog niet erg waarschijnlijk, maar de financiële touwtjes rond de gemeenten worden zo strak aangetrokken dat die gedwongen zullen zijn hun lasten te verzwaren. Kortom, het zijn allemaal factoren die ertoe zullen leiden dat steeds meer mensen die nu nog met moeite de eindjes aan elkaar kunnen knopen, straks acute financiële problemen kunnen krijgen. Het Rijk kan zo een groot deel van zijn financiële problemen oplossen. Het risico en de rekening komen bij de gemeenten. Ik meen daarom dat de gemeenten er goed aan doen, dit voorstel ten minste met gemengde gevoelens te bezien. Het is ook niet voor niets dat de uitgaven voor de bijzondere bijstand de afgelopen jaren zo fors zijn gestegen. Het jarenlang achterblijven van de gewone bijstand bij de welvaartsontwikkeling is hier voor een belangrijk deel mede debet aan. Is het daarom niet redelijk om, indien opnieuw besloten zou worden tot het achterblijven van de minima bij de welvaartsontwikkeling, de gemeenten te compenseren voor de dan onvermijdelijke stijging van de kosten van bijzondere bijstand? Het is terecht dat de gemeenten de volledige financiële risico's dragen als zij zelf ook volledig het beleid kunnen bepalen en de gevolgen daarvan kunnen overzien. Een generieke, relatieve verlaging van de algemene bijstand, die consequenties heeft voor de uitgaven voor bijzondere bijstand, behoort echter tot de competentie van de rijksoverheid. Dan is het toch niet terecht dat de financiële risico's daarvan ook voor rekening van de gemeenten komen?

Het totale bedrag dat nu voor de bijzondere bijstand ter beschikking wordt gesteld, mag, gezien de onderuitputting, aan de royale kant lijken. De mogelijke financiëie ruimte zal in de nabije toekomst zeker benut gaan worden, vooral als diverse gemeenten hun voorlichting gaan intensiveren. Wel rijst de vraag naar de verdeling van het totaalbedrag. Gemeenten met een sterke sociale structuur ontvangen overcompensatie; gemeenten met een zwakke sociale structuur zullen al snel meer nodig hebben dan zij nu ontvangen. Mijn fractie heeft er in het eindverslag op gewezen dat de cijfers uitwijzen dat met name de bijzondere bijstand aan ouderen sterk is gestegen. Incidentele uitkeringen zijn in vijf jaar verdubbeld en periodieke bijzondere uitkeringen stegen in dezelfde periode met 50%. De vraag is of deze stijging voldoen-de is verdisconteerd in de verdelingsgrondslag die uitgaat van een gemiddelde over de jaren 1987-1989. Het aantal ouderen wordt dus steeds belangrijker bij de bepaling van de behoefte aan bijzondere bijstand. De leeftijdsopbouw van een gemeentelijke bevolking zal daarom een relatief zwaar gewicht dienen te hebben bij de verdeling. Er is een relatie met het feit dat AAW-voorzieningen niet openstaan voor 65-plussers. De staatssecretaris erkent dat in de nota naar aanleiding van het eindverslag. Ik ben daarom ook blij dat het kabinet vorige week de beslissing heeft genomen, AAW-voorzieningen ook open te stellen voor bejaarden, al zullen wij over de financiering van dat plan nog wel een hartig woordje dienen te spreken. Het bezwaar tegen de thans voorgestelde verdeling kan daarmee echter, althans op termijn, komen te vervallen. Voorzitter! Het is een goede zaak dat de regel wordt herbevestigd dat geen bijzondere bijstand wordt verleend wanneer er voorliggende voorzieningen zijn. Dat heeft in het verleden tot onaanvaardbare consequenties geleid. Als door de verantwoordelijke bewindslieden een bewuste keuze is gemaakt om een of meer specifieke kostensoorten niet in de voorzieningen op te nemen, dan dient bij de uitvoering van de ABW bij die keuze te worden aangesioten. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld de ontwikkelingsgeneeskunde. Terecht wordt in de memori 3 van antwoord opgemerkt dat de beslissingen daarover dermate veel deskundigheid vereisen, dat die aan de desbetreffende bewindslieden dienen te worden overgelaten. Toch is dit niet in alle gevallen bevredigend, bijvoorbeeld als het gaat om een levensreddende operatie voor een kind en als er geen particuliere fondsen beschikbaar zijn. Dat komt wel eens voor. Is hier dan niet sprake van een noodsituatie, waarin van de algemene regel mag worden afgeweken? Hoe verhoudt de categorische afwijzing van de hiergenoemde mogelijkheden zich nu met de nieuwe beleidsvrijheid van de gemeenten? Is het verschil met de jaren zeventig niet dat de gemeenten nu zelf geheel financieel verantwoordelijk zijn voor de bijzondere bijstand, zodat zij uit zichzelf al een uiterste terughoudendheid aan de dag zullen leggen bij beslissingen om dure medische ingrepen uit de bijzondere bijstand te bekostigen? Zij hebben natuurlijk de vrijheid om het desondanks toch te doen. Een belangrijke verbetering vergeleken met de huidige situatie is ook, dat er meer mogelijkheden komen voor bijstandsgerechtigden om arbeidsmarktrelevante opleidingen te volgen of om ter zake ervaring op te doen. Ook opleidingen op tertiair niveau kunnen nu binnen het bereik van bijstandsgerechtigden komen. Ik acht dat een belangrijke vooruitgang mits de arbeidsmarktrelevantie vooropstaat. Eventuele kosten van kinderopvang mogen geen verhindering vormen. Ook daarin kan de bijzondere bijstand voorzien. Ik wil er dan toch wel met nadruk op wijzen dat hierbij het belang van de in het geding zijnde kinderen in het oog wordt gehouden. Als er voor een kind geen geschikte kinderopvangvoorziening kan worden gevondenniet ieder kind tiert in een crèche of een kinderdagverblijfmoet er geen onbehoorlijke dwang op de moeder worden uitgeoefend, toch van zo'n voorziening gebruik te maken met het oog op arbeidsmarktparticipatie. Ik ben blij dat in de tweede nota van wijziging het voorstel uit het voorontwerp om ook borgtocht voor een saneringskrediet mogelijk te maken, in het kader van de bijzondere bijstand naar voren is gehaald. Ook over dit instrument dient een gemeente te kunnen beschikken. Het zal in de praktijk inderdaad veel gaan om een saneringskrediet dat door een gemeentelijke kredietbank ter beschikking is gesteld. Maar het komt toch ook voor dat gemeentelijke sociale diensten in nauw overleg met algemene banken een schuldsaneringsregeling treffen? Dan zou borgtocht niet mogelijk zijn. Ik hoor graag een nadere toelichting op de beperking van deze regeling tot gemeentelijke kredietbanken. Een laatste discussiepunt waarvoor ik aandacht wil vragen, is het wettelijk vastgelegde drempelbedrag. Ik vind het weinig passend om in een regeling die ten principale gericht is op verdere decentralisatie, vast te houden aan de landelijke uniforme norm. Het is uiteraard legitiem om uit efficiencyoverweging de verhouding uitkering/uitvoeringskosten in het oog te houden. Naar mijn oordeel zijn de gemeenten echter zelf ook heel wel daartoe in staat. De uitvoeringskosten zullen bovendien per gemeente sterk uiteen kunnen lopen. Voor de een zal de wettelijke drempel relatief hoog zijn, voor de ander is die relatief laag. Een landelijke uniforme drempel kan bovendien een obstakel zijn bij de integratie van gemeentelijke minimafondsen. Het is niet gezegd dat die uitkeringen altijd boven het drempelbedrag liggen. Als het gaat om het verschaffen van individueel maatwerk, moeten ook de kleine maatjes kunnen worden geleverd. Het belangrijkste bezwaar van de staatssecretaris is, dat met de voorgestelde drempel wordt aangesloten bij de eigenbijdrageregeling in de AAW. Zonder drempel zou de gemeente die eigen bijdrage voor rekening van de bijzondere bijstand kunnen brengen en dat zou een oneigenlijk gebruik zijn. Ik kan overigens met deze redenering wel instemmen. Ik ben er niet van overtuigd, dat dit niet kan gebeuren, als er wel een drempel is, zoals die thans wordt gehandhaafd. Het bedrag van de eigen bijdrage kan natuurlijk ter beschikking worden gesteld in de vorm van een of andere categorie bijzondere bijstandskosten. Dat is dus nooit helemaal uit te sluiten. Maar zonder drempel kan dit worden voorkomen door expliciet te bepalen, dat de eigenbijdrageregeling AAW niet voor bijzondere bijstand in aanmerking mag komen. Daarvoor moet een aparte bepaling worden gemaakt. Mijns inziens zou dan het belangrijkste bezwaar tegen een gemeentelijke drempelregeling komen te vervallen. Mag ik een reactie van de staatssecretaris daarop? Enige weken geleden kregen wij nog een brief van de VNG, waarin deze organisatie zich bereid verkaar-de mee te werken aan invoering van de wet één maand na plaatsing in het Staatsblad. Die bereidheid was echter gebonden aan een aantal voorwaarden. Ik ben benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris op deze standpuntbepaling van de VNG. Voorzitter! Ik sluit af. Mijn fractie gaat graag akkoord met dit wetsvoorstel, maar wil daarbij duidelijk vastgelegd hebben, dat het budget dat nu wordt afgesproken voor de bijzondere bijstand, niet voor lange tijd wordt vastgelegd. Als beleidsmaatregelen van het Rijk consequenties hebben voor de financiële positie van de laagst betaalden, dan dient het budget opnieuw ter discussie te worden gesteld.

©

A. (Ali)  Doelman-PelMevrouw Doelman-Pel (CDA): Mijnheer de voorzitter! Een bril nodig? Wendt u zich tot de bijzondere bijstand. Is met deze zin alles gezegd over het onderhavige wetsvoorstel of dekt deze zin juist niet de bedoeling van de bijzondere bijstand? Een vraag oproepen betekent haar ook beantwoorden. Aan het einde van mijn bijdrage zal ik voor de CDA-fractie daarop het antwoord geven. Ik hoor uiteraard graag van de staatssecretaris, of zij mijn mening deelt. Uit de schriftelijke voorbereiding heeft de CDA-fractie duidelijk blijk gegeven in te stemmen met de decentralisatie van de bijzondere bijstand, zelfs vooruitlopend op de behandeling van de herziening van de Algemene bijstandswet. Onze instemming is vooral gebaseerd op de gedachte, dat gemeenten beter op maat toegesneden hulp kunnen bieden. Voor die realisatie is een grotere beleidsvrijheid nodig. Tevens vinden wij een voordeel, dat door de decentralisatie een geïntegreerd minimabeleid kan worden gevoerd. Bij de discussie over de decentralisatie, zeker bij deze voorziening, dringt zich de vraag van rechtsgelijkheid op. Laat ik allereerst constateren, dat ook nu, omdat het gaat over op het individu toegesneden hulpverlening, verschillen tussen gemeenten bestaan. De vraag is echter, hoe groot die verschillen mogen worden of zijn. Voor de CDA-fractie is en blijft de individuele hulpverlening het uitgangspunt en zal bijzondere bijstand geen generiek inkomensbeleid mogen zijn of worden. Het deelnemen aan werkgelegenheid mag er niet door worden belemmerd, het moet er eerder door worden bevorderd. Een andere randvoorwaarde is en blijft het kunnen gebruik maken van een voorliggende voorziening. Maar binnen die algemene kaders is er voor gemeenten een grote vrijheid. Ik ga ervan uit, dat gemeenten tot zorgvuldige invulling zullen overgaan en eigen uitgangspunten voor beleid in notities of regels zullen vastleggen. Dwingende voorschriften vanuit Den Haag passen, wat mij betreft, niet bij de decentralisatiegedachte. Alleen voor gebruikers is het wel zeer belangrijk om te kunnen toetsen wat er gebeurt in de gemeenten. Is er nog wel toezicht vanuit het Rijk noodzakelijk? Ik denk, dat een bewaking op afstand heel wenselijk is om geen al te grote verschillen te laten ontstaan en te zien, hoe met de algemene kaders wordt omgegaan. In de groene reeks van de VNG over gemeentelijk minimabeleid stelt de VNG, dat zij zich voorstander heeft verklaard van een koppeling van minimabeleid aan de bijzondere bijstand. Met belangstelling zie ik die realisatie tegemoet. Nu via de laatste nota van wijziging borgstelling bij schulden mogelijk is gemaakt, is een verdere integratie mogelijk geworden. Uit de laatste brief van de VNG blijkt, dat er enige moeilijkheden lijken te ontstaan in sommige gemeenten, omdat niet alle gemeenten over een gemeentelijke kredietbank beschikken. Zou een oplossing kunnen zijn een gemeentelijke kredietbank of een daarmee gelijk te stellen instelling of bank? Daarbij denk ik zelf aan particuliere instellingen die bezig zijn op basis van schuldsanering of schuldbemiddeling. Graag verneem ik daarop een reactie van de staatssecretaris. Zoals ik al eerder opmerkte, gaat het bij de bijzondere bijstand om hulp op maat, gericht op het individu in zijn of haar omstandigheden. Het gaat erom mensen weer op weg te helpen, mensen weer te laten participeren en perspectief te bieden. Zo is de stimulans om via scholing weer deel te nemen aan de arbeidsmarkt een voorbeeld van het weer bieden van perspectief, zeker voor de alleenstaande ouder. Ook ben ik blij en kan ik ermee instemmen dat bij de kinderopvang rekening wordt gehouden met de draagkracht, of liever gezegd met de eventuele bijzondere omstandigheden van het gezin, waardoor de crèche niet automatisch de enige opvang is. Bijdragen aan scholing mag naar mijn mening op het ogenblik alleen niet vertaald worden als een arbeidsplicht, gezien de maatschappelijke ontwikkeling. Het moet duidelijk gezien worden als een stimulans. Bij deze vorm van bijzondere bijstand lijkt het verlaten van het drempelbedrag mij gerechtvaardigd. Echter, gezien de overeenkomst met andere voorzieningen, zoals de AAW, vindt de CDA-fractie een drempelbedrag gerechtvaardigd. Zo langzamerhand word ik steeds nieuwsgieriger naar het beleid van de staatssecretaris, omdat heel recent tot mij is gekomen, dat er op het ogenblik al gemeenten zijn die voor grote categorieën het drempelbedrag volledig buiten beschouwing laten bij deelname aan de bijzondere bijstand. Het lijkt mij van belang te weten welk beleid de staatssecretaris voert en wil gaan voeren in het kader van de bijzondere bijstand. Ik ben mij bewust dat er van de sociale diensten en de cliënten een grote inspanning wordt gevraagd bij de sanering van schulden en evenzo bij de beoordeling van aanvragen voor de maatschappelijke participatie. Zo blijkt regelmatig uit onderzoeken dat een groot aantal mensen op het ogenblik geen gebruik maakt van mogelijkheden van bijzondere bijstand. Ik ben dan ook erg benieuwd of er veranderingen in het gebruik zullen optreden na de decentralisatie. Daarbij ga ik ervan uit, dat de gemeenten zelf voorlichting zullen geven over de uitvoering van de bijzondere bijstand. Naar ik heb begrepen, zijn sommige gemeenten volop aan de gang met de voorbereiding om zo snel als mogelijk tot invoering over te gaan. Zijn voorbereiding en invoering een maand na het verschijnen in het Staatsblad aanvaardbaar en mogelijk? Hoe handelt de staatssecretaris bij gemeenten die bijvoorbeeld nu al bezig zijn met de invoering van het beleid in het kader van de bijzondere bijstand, de decentralisatie? Op basis van het huidige takenpakket en de huidige afspraken zal 300 mln. naar het Gemeentefonds worden overgeheveld. Ik zeg heel nadrukkelijk "het huidige takenpakket", omdat ik ervan uitga dat met bijvoorbeeld het overbrengen van bepaalde voorzieningen naar de bijzondere bijstand een bedrag gemoeid zal zijn. Ik denk aan de discussie over de voorzieningen voor gehandicapten en ouderen. De verdeling die nu wordt aangegeven heeft onze instemming, maar ik heb de indruk dat daarover nog nader overleg met de VNG zal plaatsvinden, gelet op de brief die wij hebben ontvangen. De CDA-fractie heeft bij deze discussie over de bijzondere bijstand de 90/10-en de 80/20-variant betrokken. De keuze is gemaakt: het blijft 90/10. Een grotere betrokkenheid van gemeenten bij de financiering van bijstandskosten heeft bij de CDA-fractie altijd de voorkeur gehad. Gelet op de argumenten gewisseld bij de schriftelijke discussie aanvaarden wij de 90/10-variant. Bij de herziening van de Algemene bijstandswet kunnen er echter redenen zijn om daarop terug te komen. "Een bril nodig, wendt u tot de bijzondere bijstand!". Deze zin is wat de CDA-fractie betreft misleidend. Er vindt geen individuele toetsing plaats. De indruk wordt gewekt dat geen rekening wordt gehouden met het drempelbedrag en de bijzondere omstandigheden. Deze voorlichting dekt onzes inziens niet de intentie van het wetsvoorstel.

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Voorzitter! Het wetsvoorstel dat wij vandaag eindelijk kunnen behandelen, ligt geheel in lijn met het door dit kabinet gevoerde beleid van sociale vernieuwing en decentralisatie. De in dit voorstel beoogde decentralisatie van de bijzondere bijstand maakt deel uit van de voornemens tot algehele herinrichting van de Algemene bijstandswet. Ik heb begrepen dat het onderhavige wetsvoorstel daarop vooruitlopend moest worden behandeld omdat de nu voorgestelde decentralisatie niet te lang op zich kon laten wachten. Met die gang van zaken als zodanig kan ik volledig vrede hebben, mede gelet op het doel dat gediend wordt. Het wetsvoorstel beoogt, zoals gezegd, gemeenten ruimere bevoegdheden te geven voor het verstrekken van bijzondere bijstand aan eigen burgers. Een dergelijke aanpak, waardoor zorg op maat, zoals wij dat zijn gaan noemen, beter mogelijk wordt, kan de RPF in beginsel van harte ondersteunen. In ons verkiezingsprogramma wordt er ook voor gepleit, evenals de regering dat doet, om waar mogelijk en een op het individu toegesneden aanpak te realiseren. Deze overwegend positieve houding is in de schriftelijke voorbereiding ook duidelijk gebleken. Het zou goed zijn, als door middel van de Algemene bijstandswet in haar geheel veel meer zorg op maat zou kunnen worden gegeven, waarbij dan ook veel meer rekening zou kunnen worden gehouden met de persoonlijke dan wel gezinsomstandigheden. Is dat de lijn die bij de herstructurering van de Algemene bijstandswet gevolgd wordt? De fractie van de RPF wil er echter geen onduidelijkheid over laten bestaan, dat het uit een oogpunt van publieke gerechtigheid èn bijstandsvoorziening èn bijzondere bijstand geboden is om de sociaal zwakkeren in onze samenlevinghelaas zijn het er nog velente helpen. Dit laat onverlet de noodzaak, dat de primaire verantwoordelijkheid voor degenen die niet op eigen kracht staande kunnen blijven, niet in de eerste plaats bij de gemeenschap, maar bij familie, vrienden dan wel diaconaat of maatschappelijke organisaties gelegd wordt. Ondanks het feit dat wij vele duizenden bijstandsgerechtigden kennen, mag ook met dankbaarheid worden gesteld dat er tal van vormen van zorgen voor elkaar bestaan en functioneren zoals dat behoort: omzien naar weduwen en wezen "in hun druk". Het zou winst voor onze samenleving zijn, als de zorg voor elkaar in particuliere kring prioriteit kreeg boven zorg op maat door de gemeenschap. Kan de staatssecretaris zich in deze opvatting vinden? Ik dank de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de antwoorden die zij heeft gegeven op vragen die ook door ons in de schriftelijke behandeling gesteld zijn. Toch wil ik graag nog een en ander verduidelijkt hebben. Allereerst spreek ik nog de hoop uit dat regering en Staten-Generaal, zowel hier als aan de overkant, er alles aan willen en kunnen doen om de behandeling van dit wetsvoorstel binnen de kortste keren af te ronden. De ambtelijke molens hebben om uiteenlopende redenen bepaald niet snel kunnen malen, zodat de aanvankelijk geplande invoeringsdatum van 1 januari 1991 bij lange na niet gehaald kon worden. Denkt de staatssecretaris dat het mogelijk is om dit wetsvoorstel binnen één jaar na indiening (19 juli 1990) inderdaad in het Staatsblad geplaatst te krijgen? Het is mij opgevallen dat in het wetsvoorstel voornamelijk wordt gesproken over de rol van gemeenten ten opzichte van het Rijk. Dat lijkt logisch in het kader van de onderhavige materie, maar volgens de fractie van de RPF is de rol van de samenleving zelf te sterk onderbelicht gebleven. Gaat het kabinet ervan uit dat het particulier initiatief en het diaconaat ook in een verantwoordelijke samenleving, slechts een zeer marginale rol moeten of kunnen spelen, als personen of gezinnen in financiële problemen komen? Het is mooi als er van overheidswege rechtszekerheid wordt geboden aan mensen die zonder hulp onder het bestaansminimum dreigen te komen dan wel daar reeds zijn aangeland, maar ik acht het een betreurenswaardig uitvloeisel van de opgebouwde verzorgingsstaat, dat hulpbehoevenden haast als vanzelfsprekend hun heil (moeten) zoeken bij de overheid. Hebben anomisering en individualisering in onze samenleving al zo toegeslagen dat een groot deel van de bevolking van familie of naasten geen enkele hulp meer kan of mag verwachten? Moet een dergelijke hulp op een of andere wijze worden gestimuleerd, alvorens uitkeringen via de bijzondere bijstand in zicht komen? De fractie van de RPF zou met kracht die weg willen bepleiten. Maar ik vraag graag om een reactie. Welke rol spelen trouwens de maatschappelijke organisaties bij het beschikbaar komen en bij het toewijzen van middelen in de bijzondere bijstand? Ik heb begrepen dat in de ene gemeente dit op een andere wijze gebeurt dan in de andere gemeente. De RPF vindt het een goede zaak, dat door de regering gehoor is gegeven aan de geluiden van vele gemeenten dat zij door het grote aantal centrale voorschriften binnen het kader van de bijstandswet, niet die hulp kunnen bieden die zij noodzakelijk achten bij de bestrijding van financiële noodsituaties. De bijstandswet geeft gemeenten momenteel te weinig mogelijkheden tot maatwerk door de bestaande situatie waarin het Rijk 90% van de bijzondere bijstand voor zijn rekening neemt. Deze praktijk leidde ertoe dat veel gemeenten hun toevlucht hebben genomen tot andere wegen om zorg op maat te verstrekken. Door deze wet kunnen veel van de thans bestaande gemeentelijke fondsen vervallen. Kan de staatssecretaris rnij meedelen of er een beperkte ruimte blijft bestaan voor enkele specifieke fondsen? Ik verwijs in dit verband naar de memorie van antwoord op pagina 7. Hoe kan dat worden geconcretiseerd? Hoe verhoudt deze mededeling zich trouwens tot het antwoord dat de staatssecretaris op pagina 9 van de memorie van antwoord geeft op onze vraag namelijk, dat het nemen van het besluit om al dan niet tot integratie van fondsen en bijzondere bijstandsverlening te komen, een gemeentelijke aangelegenheid is. Op zichzelf kan ik dat onderschrijven maar zijn beide antwoorden ook volstrekt te combineren? Voor ons was het niet helemaal duidelijk. Voorzitter! Het bedrag dat jaarlijks voor de bijzondere bijstand wordt gereserveerd, wordt conform de afspraak in het regeerakkoord met 100 mln. verhoogd tot een bedrag van 300 mln. Hiermee wordt een extra impuls gegeven om de zogenaamde nieuwe armoede te bestrijden. De term bestrijden is hier wel op zijn plaats omdat een groot deel van het geld bestemd is voor herscholing of bijscholing. Mensen die in reële geldnood verkeren, worden immers in staat gesteld zich door middel van scholing een betere uitgangspostie op de arbeidsmarkt te creëren. Ik wil de staatssecretaris echter vragen waarop het bedrag precies is gebaseerd. Ik heb begrepen dat er in de achter ons liggende jaren al sprake is van een onderuitputting van het beschikbare budget van 200 mln. Is het niet wat overdreven om er nu al bij voorbaat 100 mln. aan toe te voegen. Inderdaad zal er een groeiend beroep op de bijzondere bijstand worden gedaan omdat het aantal centrale voorschriften vermindert. Ik kan mij goed voorstellen dat hierdoor meer geld voor de bijzondere bijstand nodig is. Kan de staatssecretaris aangegeven in welke mate de functie die de huidige zogenaamde armoedefondsen hebben, naar verwachting in de nabije toekomst door de bijzondere bijstand kan worden overgenomen? Welk bedrag is, naar haar oordeel, daarmee gemoeid? Voorzitter! Het argument dat de staatssecretaris in de memorie van antwoord noemt ter onderbouwing van de 100 mln., namelijk dat er nog altijd een hoog percentage mensen geen gebruik maakt van de bijzondere bijstand terwijl zij er wel recht op hebben, heeft mij niet overtuigd. Ik zou haar willen wijzen op het gegeven, dat een substantiële groep rechthebbenden er geen gebruik van maakt en dat die groep liever alles in het werk stelt om zichzelf te redden met behulp van derden, dan wel vrienden, dan wel diaconaat of anderszins. Erkent de staatssecretaris dat die groep er is en dat die groep nooit een beroep zal willen doen op bijzondere bijstand? Graag krijg ik nog een nadere onderbouwing van die 100 mln. Vooralsnog heb ik mijn twijfels over de noodzaak ervan, maar misschien kan de staatssecretaris mij overtuigen van haar gelijk. Ik koppel hieraan nog de vraag of het extra bedrag van 100 mln. inderdaad vanaf 1991, zoals in het regeerakkoord is afgesproken, zal worden uitgekeerd aan de gemeenten. Of zal dit bedrag pas worden betaald als het voorstel kracht van wet heeft gekregen? Mijnheer de voorzitter! Het spreekt voor zichzelf dat de nu beoogde uitvoeringspraktijk met betrekking tot de bijzondere bijstand zal leiden tot verschillen in behandeling tussen gemeenten. Dat is momenteel ook al in zekere mate het geval. Ik zie dan ook niet al te grote bezwaren daarin. Hierbij speelt wel de vraag of het niet onrechtvaardig is, dat gemeenten die zich binnen de grenzen van deze wet soepeler opstellen dan andere gemeenten, meer geld uit het Gemeentefonds ontvangen. De systematiek van de verdeling van de voor bijzondere bijstand aan het Gemeentefonds toe te voegen middelen is niet erg doorzichtig. Er zal rekening worden gehouden met de uitgaven die de individuele gemeenten in de jaren 1987 t/m 1989 hebben gedaan aan bijzondere bijstand. Kan de staatssecretaris helder op een rijtje zetten hoe deze gelden in de komende jaren zullen worden verdeeld, ervan uitgaande dat de aanspraken van de verschillende gemeenten nog wel eens kunnen wisselen? Zou zij tevens kunnen aangeven hoe de reserveringsregeling in de praktijk moet werken? Voorzitter! In de memorie van antwoord wordt op pagina 4 op mogelijke rechtsongelijkheid ingegaan. De regering hecht belang aan de geluiden die gemeenten hierover hebben laten horen. De gemeenten hebben duidelijk gemaakt dat centrale regelgeving als een keurslijf werd ervaren. Ik heb er eerder op geduid in mijn betoog. Zij zijn daarom zelf overgegaan tot het creëren van instrumenten voor financiële hulpverlening naast de bijstandswet. Dit gegeven heeft naast onderzoeksresultaten met betrekking tot de bestedingsproblematiek voor de regering geleid tot de conclusie dat het gevaar van een te grote rechtsongelijkheid minder belangrijk moet worden geacht dan het gevaar van een uniforme bijstandsverlening die geen recht doet aan de noodzaak van differentiatie op grond van verschillen in persoonlijke omstandigheden. Simpelweg kan worden gesteld dat geen twee gevallen precies gelijk zijn. Ik denk dat de toekomst ons zal leren in hoeverre er een te grote mate van rechtsongelijkheid kan optreden dan wel zal optreden. Acht de staatssecretaris het uitgesloten dat in geval van te grote verschillen in behandeling alsnog maatregelen door de centrale overheid noodzakelijk zijn? Of verwacht zij dat de rijksconsulenten al voldoende kunnen sturen? Ik heb begrepen dat het functioneren van de rijksconsulenten in veel gevallen niet optimaal is. Daarom vraag ik de staatssecretaris welke garanties zij kan geven dat de gemeenten in de toekomst consequenter dan nu het geval is, een sanctiebeleid zullen hanteren. Over het geheel gesproken, is evaluatie van de wet geboden. Voorzitter! In de beoogde opzet zal het voor bepaalde categorieën personen, bijvoorbeeld bijstandsvrouwen die gaan studeren, mogelijk zijn om de kosten van kinderopvang op grond van de bijstandswet vergoed te krijgen. De visie van de RPF op het door de overheid bekostigen van kinderopvang mag ik als bekend veronderstellen. Ik vraag de staatssecretaris echter waarom de kosten die voor kinderopvang in dit kader moeten worden gebruikt, niet uit de brede reeds voor kinderopvang beschikbare geldstroom -de algemene middelenkunnen worden gefinancierd. Ik ben bereid, de staatssecretaris op het punt van de kinderopvang te volgen, onder de voorwaarde dat de kosten van de kinderopvang alleen worden betaald als per geval is aangetoond dat geen enkele andere mogelijkheid voor oppas en opvang aanwezig is. Ik sluit mijn betoog af. Ik ga in grote lijnen met het voorstel akkoord. Ik hoop wel dat de staatssecretaris een reactie wil geven op de kritische kanttekeningen die ik heb geplaatst.

©

R.L.O. (Robin)  LinschotenDe heer Linschoten (VVD): Mijnheer de voorzitter! Dit wetsontwerp maakt deel uit van een veel breder plan van het kabinet om te komen tot een algehele herinrichting van de bijstand. Vooruitlopend daarop beoogt dit wetsontwerp de bijzondere bijstand te decentraliseren van het rijksniveau naar de gemeenten, zodat de gemeenten de handen meer vrij hebben om met behulp van die bijzondere bijstand individuele financiële noodsituaties aan te pakken. Voorzitter! De kernbegrippen in dit wetsontwerp en in de schriftelijke verdediging van de staatssecretaris zijn: decentralisatie, deregulering en maatwerk. Mooier kan het haast niet, zou je zeggen. Het zijn in ieder geval kernbegrippen waarin de VVD-fractie zich thuis voelt. Toch kijkt mijn fractie met enigszins gemengde gevoelens naar het voorstel dat door de staatssecretaris is gedaan, ook als dat voorstel wordt geplaatst tegen de achtergrond van het beleid dat zij overigens wil voeren. Daarop zal ik later terugkomen. Om welke voorstellen gaat het als wij praten over dit wetsontwerp? Ten eerste: het intrekken van het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria. Dit besluit regelt de vaststelling van de financiële draagkracht voor noodzakelijke uitgaven die buiten het normale bestedingspatroon vallen. Ten tweede: een verruiming van het begrip noodzakelijke bestaadskosten. Hierdoor zullen onder meer de volgende elementen onder dat begrip vallen: leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen; tijdelijke woonkostentoeslagen bij woonkosten boven de maximumhuurgrens voor huursubsidie; het bij wijze van individualisering hoger vaststellen van de bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten; de bij uitzondering verstrekte bijstand voor de kosten van medische en maatschappelijke dienstverlening. Ten derde: wijzigingen strekkende tot de mogelijkheid van het verlenen van bijstand voor kosten die zijn verbonden aan noodzakelijke scholing of werkervaring, kosten die zijn verbonden aan om-, her-of bijscholing ten behoeve van arbeidsmarktinschakeling en kosten van hieraan verbonden kinderopvang, waarbij uiteraard een drempelbedrag geldt. Ten vierde: wijzigingen strekkende tot het bieden van een mogelijkheid van scholing op tertiair niveau met behoud van uitkering, alleen in dat geval waarin die scholing noodzakelijk is in relatie tot de herinschakeling in de arbeid. Ten vijfde: de mogelijkheid dat bijstand kan worden verleend in de vorm van borgtocht, waardoor een schuldsaneringskrediet bij een gemeentelijke kredietbank ook kan worden verstrekt aan cliënten die daarvoor zonder borgtocht van de GSD niet in aanmerking zouden komen op grond van een te beperkte kredietwaardigheid. Dit voorstel is pas bij tweede nota van wijziging door de staatssecretaris voorgesteld. Naast die vijf elementen, voeg ik iets toe dat heel erg belangrijk is in relatie tot dit wetsvoorstel maar dat niet in dit voorstel zelf wordt geregeld: het uitbreiden van het voor de bijzondere bijstand beschikbaar zijnde bedrag van 200 mln. naar 300 mln. Ook daarover zal ik zo meteen een enkele opmerking maken. In zijn algemeenheid heeft de VVD-fractie er in de schriftelijke voorbereiding op gewezen, dat als gevolg van de voorgestelde herschikking van de verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten en de daaraan verbonden vermindering van centrale normbepalingen een grotere differentiatie zal ontstaan in de bijzonderebijstandsverlening. Dat zou tot rechtsongelijkheid kunnen leiden, en dat is een vervelend bijverschijnsel. De VVD-fractie is niet de enige die daarop heeft gewezen, want ook de Raad van State heeft daarover een aantal opmerkingen gemaakt. De staatssecretaris stelt evenwel dat het leveren van maatwerk door gemeenten ten aanzien van bijzondere bijstand dient te prevaleren en voorts dat er voldoen-de elementen zijn die een tegenwicht vormen voor een ontwikkeling naar een te grote differentiatie, zoals: het bestuurlijk overleg tussen de staatssecretaris en de VNG, het een rol laten spelen van het gelijkheidsbeginsel in zijn algemeenheid, de rol van de rijksconsulenten, de mogelijkheid van het geven van aanwijzingen aan gemeenten, het schorsen van besluiten en, last but not least, het niet onaanzienlijke belang dat de regering op dit punt toekent aan de uniformerende rol van de jurisprudentie. Als ik onze eigen argumentatie ten aanzien van de rechtsongelijkheid en het tegenwicht van de regering naast elkaar plaats, dan moet ik erkennen dat de argumenten van de staatssecretaris niet allemaal onzinnig zijn. Sommige snijden zelfs bepaald hout. Toch wijs ik er ook bij deze plenaire behandeling op, dat er een aanzienlijk risico is dat in de praktijk wel rechtsongelijkheid zal ontstaan. Met het oog daarop is de VVD-fractie van mening dat in ieder geval binnen twee jaar een evaluatie van deze wet moet plaatsvinden, die met name is gericht op de vraag: is in de praktijk te veel rechtongelijkheid ontstaan en hoe hebben al die elementen die daaraan tegenwicht zouden moeten bieden, daarop kunnen corrigeren? Ik hoop dat de staatssecretaris mij wil toezeggen, dat zij die evaluatie binnen twee jaar gereed heeft. Anders overweeg ik op dat punt, de Kamer in tweede termijn via een motie om een uitspraak te vragen. De VVD-fractie is eigenlijk helemaal geen voorstander van een uitbreiding van het fenomeen bijzondere bijstand. Het zou veel beter zijn als wij het voorkomen van die bijzondere bijstand kunnen terugdringen. Bijzondere bijstand moet bijzonder blijven en dus een uitzondering voor die gevallen waarin hij echt noodzakelijk is. Decentralisatie, deregulering en maatwerk zijn weliswaar goed, maar meer beleidsvrijheid moet wat dit betreft niet resulteren in meer beleid. Wij zijn van mening dat de beleidsvrijheid waarover wij bij dit wetsvoorstel praten, niet mag leiden tot het oprekken van de kaders waarbinnen bijzondere bijstand wordt verleend. Dat betreft ook de financiële kaders. Daarover zal ik zo meteen in relatie tot de beleidsintensivering van 100 mln. nog wat meer zeggen. Ik kom dan op de concrete voorstellen die de staatssecretaris heeft gedaan. Ten aanzien van het intrekken van het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria heb ik namens de VVD-fractie twijfels uitgesproken omtrent de wenselijkheid dat gemeenten zelf bepalen welk inkomens-en vermogensdeel in aanmerking wordt genomen als het gaat om de vaststelling van het als draagkracht aan te merken inkomen of vermogen, voor zover deze middelen meer bedragen dan het vrij te laten vermogen of de algemene normbijstand. De staatssecretaris acht het door mij namens de VVD-fractie voorgestelde aangeven van grenzen, met behoud van enige marges, niet wenselijk, gelet op het feit dat de reikwijdte van het begrip "bijzondere noodzakelijke bestaanskosten" wordt uitgebreid en de individuele omstandigheden van de betrokkene voortaan bepalend worden en gelet op het feit dat uit de huidige uitvoeringspraktijk blijkt dat in het merendeel van de gevallen bijzondere bijstand wordt verleend aan degenen die aangewezen zijn op het sociaal minimum en derhalve geen draagkracht hebben. Alleen dat laatste argument zou kunnen rechtvaardigen dat een concrete grens wellicht overbodig is, daar voorschriften wat dat betreft inderdaad geen materiële betekenis zouden kunnen hebben. Op dit punt wil ik nu niet met een concreet alternatief voorstel komen, maar ook dit moet naar mijn idee worden meegenomen in die evaluatie waarom ik zojuist heb gevraagd. Overïgens heeft de regering ten aanzien van de als gevolg van die meer genoemde differentiatie eventueel te ontstane strijdigheid met het algemeen belang op basis waarvan krachtens de Gemeentewet zou dienen te worden geïnterveni-eerd, opgemerkt dat situaties die strijdigheid zouden opleveren op voorhand niet zouden zijn aan te geven. Wel somt de regering een aantal situaties op die strijdigheid zouden opleveren met het algemeen belang vanwege doorkruising van het centraal inkomensbeleid. Op dit punt is meer duidelijkheid noodzakelijk. De VVD-fractie wil van de staatssecretaris horen wanneer de regering buiten dat element van het doorkruisen van het centraal inkomensbeleid, strijdigheid met dat algemeen belang aanwezig acht. Dan kom ik te spreken over het tweede voorstel. Inzake de verruiming van het begrip "noodzakelijke bijzondere bestaanskosten" heb ik er namens mijn fractie op gewezen dat indirecte financiering door middel van de Algemene bijstandswet van kosten van medische en maatschappelijke dienstverlening door ons als buitengewoon onwenselijk wordt ervaren en dus ook eigenlijk niet zou moeten voorkomen. Ik heb er dan ook voor gepleit om de beperking van de uitzonderingsclausule uit te breiden De regering acht zo'n uitbreiding op dit moment prematuur, maar heeft in de nota naar aanleiding van het eindverslag wel aangegeven dat te overwegen indien de uitzonderingsclausule ruimer zal blijken te worden toegepast. De regering stelt voor dat, indien indirecte financiering desalniettemin zou herleven, in het uiterste geval op grond van artikel 11 van de Algemene bijstandswet een beperkende algemene maatregel van bestuur kan worden getroffen. In de schriftelijke voorbereiding heb ik de indruk gekregen dat het de staatssecretaris op dit punt menens is. Dat wil zeggen, dat ik ook niet overweeg om op dit punt een amendement in te dienen. Amendering zou noodzakelijkerwijs helaas leiden tot een rigide bepaling. Enige ruimte die nu ontstaat, kan wenselijk zijn, maar dan moet daar wel op een verstandige manier mee worden omgegaan. Als de staatssecretaris het doet zoals zij in de schriftelijke voorbereiding aangegeven heeft, dan kan dat onze steun hebben. Wel zullen wij de vinger aan de pols houden. Mijn volgende opmerking betreft de voorgestelde wijziging in de RWW. Met betrekking tot bijstand voor kosten verbonden aan noodzakelijke scholing of werkervaring en de hieraan verbonden kosten van kinderopvang hebben wij in de schriftelijke vooorbereiding instemmend gereageerd, zij het dat de regering niet heeft voldaan aan ons verzoek om een resumé te geven van de financiële consequenties die verbonden zijn aan de kosten van kinderopvang, die in dit verband worden gekoppeld aan de bijzondere kosten van het bestaan. Wil de staatssecretaris proberen ons ter zake een realistische financiële prognose te geven? Kan zij wat meer duidelijkheid verschaffen over de relatie die er wat dit betreft bestaat tussen deze financieringsbron in de zin van de Algemene bijstandswet en het Arbvobudget, waarin in termen van financiering natuurlijk ook een aantal zaken aan de orde zijn. Het zou goed zijn als beide aspecten helder naast elkaar worden gezet, omdat naar mijn idee hetgeen in de schriftelijke voorbereiding met betrekking tot dit onderdeel is opgemerkt, in ieder geval voor een deel voorbijgaat aan andere mogelijkheden buiten de Algemene bijstandswet. Dan kom ik aan het vierde punt. Ook ten aanzien van scholing op tertiair niveau met behoud van uitkering heb ik namens de VVD-fractie in principe instemmend gereageerd, gelet op het feit dat het bij deze beperkte mogelijkheid gaat om scholing of omscholing die noodzakelijk is voor herinschakeling op de arbeidsmarkt en die dus gericht is op het scholen van werklozen op het tertiaire niveau in het geval er voor die personen eigenlijk geen andere relevante oplossingen voorhanden zijn. In principe hebben wij daarop instemmend gereageerd. Wij beginnen daarbij overigens wel een klein beetje op het hellende vlak te komen. Ik vraag de staatssecretaris derhalve wat dit betreft precies de afbakening aan te geven, ook in de richting van de studiefinanciering. Het moet duidelijk zijn dat het hierbij om een zeer bijzondere bepaling gaat die alleen maar in zeer bijzondere situaties mag worden toegepast bij gebrek aan alternatieven. Deze bepaling kan ook voor deze betrokkenen geen alternatief zijn voor de studiefinanciering. Graag krijg ik op dit punt een heldere reactie van de staatssecretaris. Voorzitter! Mijn vijfde opmerking betreft de bij de tweede nota van wijziging voorgestelde mogelijkheid van bijstandsverlening in de vorm van een borgtocht voor een schuldsaneringskrediet dat uitsluitend verleend kan worden door een gemeentelijke kredietbank. Tegen dit instrument bestaan bij mijn fractie geen klemmende bezwaren. Wij vragen ons alleen af waarom de mogelijkheid is beperkt tot uitsluitend de gemeentelijke kredietbanken. Er zijn hier al meer opmerkingen over gemaakt. Kan de staatssecretaris dit nog eens uitleggen? Mijn zesde opmerking betreft een zaak die alles te maken heeft met dit wetsvoorstel, maar die niet in deze wet geregeld wordt, namelijk de beleidsintensivering van 100 mln. Dit betekent een uitbreiding van het budget dat beschikbaar is voor bijzondere bijstand met een derde, terwijl er de afgelopen jaren structureel sprake was van onderuitputting. Dat kan en zal een aanzuigende werking op de bijzondere bijstand tot gevolg hebben. Ik heb al gezegd dat de VVD-fractie dat een ongewenste ontwikkeling vindt.

Mijn fractie acht het echter ook politiek onverstandig van het kabinet dit voorstel te doen. Ik snap wel dat de staatssecretaris goede sier wil maken, gelet op de sociale vernieuwing en op hetgeen in het kader van de Tussenbalans gebeurd is, maar wat zijn de feiten? Er is sprake van onderuitputting, maar in de verdediging van de staatssecretaris in de memorie van antwoord wordt aangegeven, dat het fenomeen bijzondere bijstand op dit moment binnen het bestaande budget zonder problemen gestalte krijgt. Als je dit op je laat inwerken, komt het merkwaardig over dat het budget met een derde verhoogd wordt. Het is in ieder geval niet noodzakelijk. Daarnaast vind ik het onbegrijpelijk dat een kabinet dat zo in de financië-le problemen zitafgelopen zaterdag heeft het enkele miljarden niet kunnen vinden die wel gevonden hadden moeten wordenop zichzelf niet noodzakelijke beleidsintensiveringen laat doorgaan. Dit gebeurt waarschijnlijk alleen omdat -er toevallig in het regeerakkoord een afspraak over is gemaakt. Dit is onverstandig beleid. Voorzitter! Ik sluit mij aan bij hetgeen is gezegd over de hangmat en de trampoline. Overigens heeft de staatssecretaris het copyright van deze kreten. De VVD-fractie is nadrukkelijk van mening dat de Algemene bijstandswet een trampoline moet zijn en geen hangmat mag worden. Vergroting van het fenomeen bijzondere bijstand levert zonder enige twijfel een bijdrage aan het hangmatimago van deze wet. Het kan de poverty gap vergroten, waardoor vooral de trampoline-elementen verder onder druk kunnen komen te staan. Het is onze bedoeling dat mensen die een bijstandsuitkering hebben, niet voor een groot aantal jaren worden verzekerd van een uitkering eventueel aangevuld met bijzondere bijstand. Het is onze bedoeling, alle middelen die beschikbaar zijn te gebruiken om te voorkomen dat deze mensen nog langer een beroep moeten doen op de ABW en/of op de bijzondere bijstand. Voorzitter! Het persbericht van 2 mei jongstleden van de staatssecretaris heeft mij een klein beetje verbaasd. De kop daarvan was "meer mogelijkheden voor scholing in de bijstand". Er wordt gedoeld op het ontwerp-scholingsbesluit zoals dat op 3 mei in de Staatscourant is verschenen. Ik krijg daaruit de indruk dat het een kwestie is van vrijheid blijheid: als je er wat bij wilt leren terwijl je een bijstandsuitkering hebt, betalen wij dat natuurlijk voor je. Dat geldt overigens niet alleen voor mensen met een bijstands-of een RWW-uitkering en die een sollicitatieplicht hebben, maar ook voor alle anderen, zoals bijstandsmoeders. Voorzitter! Dit kom ik in het feitelijke besluit in de Staatscourant niet tegen. De regels die in het algemeen gelden voor mensen die een sollicitatieplicht hebben, gelden inderdaad nu ook voor de mensen die die plicht niet hebben. Maar het ontwerp-scholingsbesluit zoals dat gepubliceerd is in de Staatscourant is een stuk minder vrijblijvend dan de staatssecretaris in haar persbericht suggereert. Ik sluit mij wat betreft dan ook aan bij de vragen die door mevrouw Brouwer zijn gesteld. Ik wijs de staatssecretaris op haar toelichting bij dit gepubliceerde besluit. De lettertjes zijn zo klein dat zij moeilijk te lezen zijn, maar ik zal het proberen. Ik citeer: "Dit besluit vormt de uitwerking van de wettelijke bevoegdheid van de mogelijkheid om de deelname aan scholing of opleiding als voorwaarde aan de bijstandsverlening te verbinden". Dit komt er heel nadrukkelijk op neer dat mensen die op dit moment een sollicitatieplicht hebben met anderen onder hetzelfde regime gaan vallen. Dat is een regime waaronder mensen gedwongen kunnen worden om scholing te accepteren met het oog op herinschakeling op de arbeidsmarkt. Voorzitter! Als dat het beleid van de staatssecretaris is, dan gaat het om een bijstandswet die inderdaad een trampoline probeert te zijn. Zij zal hiervoor de steun van de VVD-fractie krijgen. Wellicht is het verstandig dat zij, als zij die goede beleidslijn inzet, ook haar afdeling voorlichting te kennen geeft dat dit in het land moet worden duidelijk gemaakt. Het persbericht dat ik hier heb, duidt daar niet op.

©

A.J. (Arthie)  SchimmelMevrouw Schimmel (D66): Voorzitter! Het wetsontwerp voorziet helaas niet in de oplossing van een aantal dringende financiële problemen van een groep mensen die op de rand van de bestaanszekerheid leeft. Dit geldt met name voor ouderen in de samenleving, maar niet alleen zij worden hiermee geconfronteerd. De Werkgroep armcede van het Armoedeberaad in Dordrecht heeft erop gewezen dat minima er door de operatie-Oort, de koppeling tussen lonen en uitkeringen, en de nieuwe Invorderingswet in koopkracht op achteruitgaan; 95% van alle minima heeft geen recht meer op kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen. De Raad voor het ouderenbeleid heeft gisteren gesignaleerd dat de nadelige effecten van de diverse bezuinigingsmaatregelen zich opstapelen voor iemand die èn 65-plusser, èn licht gehandicapt èn alleenstaand is en die een minimuminkomen heeft. Ook in Binnenlands Bestuur van 3 mei 1991 wordt gesteld dat het ruimhartige minimabeleid van gemeenten verleden tijd is, nu het Rijk de normen weer aanscherpt. Gisteren is er weer een pakket maatregelen aangekondigd. Zo langzamerhand raken wij het zicht kwijt op de inkomenspositie van de groep die op de rand van de bestaanszekerheid verkeert. Wij willen daarom graag twee vragen stellen aan de staatssecretaris. Welke rol vervult zij in het coördineren van de regelingen die de inkomenspositie en de sociale zekerheid van deze groep betreffen? Kan zij ons een overzicht verschaffen van de gevolgen van de diverse regelingen, die zich bij deze groep lijken samen te ballen? Voorzitter! Mijn fractie is zowel tevreden over de inhoud van het wetsvoorstel als over de voortvarendheid waarmee de schriftelijke voorbereiding is afgerond. Het verleggen van de financiële en beleidsmatige verantwoordelijkheid voor de bijzondere bijstand naar de gemeenten, spreekt ons aan. Vermindering van de centrale normbepaling, het beter tot zijn recht komen van het individualiseringsbeginsel en het zo dicht mogelijk naar cle burger brengen van de besluitvorming voor de bijzondere bijstandsverlening, juichen wij toe. Daarnaast is er de mogelijkheid om bijzondere bijstand voor kinderopvang te ontvangen, wanneer men deelneemt aan noodzakelijk geachte scholing of werkervaring. Dat is een belangrijke stap voorwaarts ter bevordering van de economische zelfstandigheid van vrouwen. Bovendien is de verruiming van de mogelijkheid om met behoud van uitkering scholing op tertiair niveau te gaan volgen, positief. Een aantal pijnpunten zijn, mede naar aanleiding van opmerkingen in de schriftelijke voorbereiding, via nota's van wijzigingen uit het wetsvoorstel gehaald. Ik doel hier op de nota van wijziging met betrekking tot de ontwikkelingsgeneeskunde en die over de integratie van de schuldsaneringsfondsen. Toch heeft mijn fractie op een aantal punten nog enkele vragen. Ik begin met de tegemoetkoming studiekosten voor studerenden van 21 jaar en ouder. De TS-21 -plus-regeling blijft gehandhaafd voor studerenden aan MAVO, HAVO, VWO, lerarenopleidingen in de tekortvakken en Open universiteit. Dat betekent echter dat slechts 20% van de huidige 21-TS-plusgerechtigden in aanmerking komt voor bijzondere bijstand. Burgemeester en wethouders moeten dan overigens wel tot de conclusie komen dat de studiekosten noodzakelijk zijn om te bevorderen dat de betrokkene arbeid kan gaan verrichten, de zogenaamde arbeidsmarktrelevantie. Aangezien op dit moment ongeveer 26.000 personen een beroep doen op de TS-21 -plus-regeling lijkt ons de schatting dat slechts 5000 personen via de bijzondere bijstand in aanmerking zullen komen voor noodzakelijke studiekosten, aan de lage kant. Een en ander zou betekenen dat circa 70% van de 17.000 personen die op het ogenblik van die regeling gebruik maken geen arbeidsmarktrelevante opleiding zou volgen. Kan de staatssecretaris mij vertellen wat er zal gebeuren indien deze schatting inderdaad aan de lage klant blijkt te zijn? Krijgen de gemeenten de rekening dan nog gepresenteerd of zal er dan alsnog sprake zijn van een compensatie? Een tweede punt inzake de TS-21 -regeling betreft het feit dat nu reeds studerenden na 1 augustus 1991 hun eenmaal afgebroken studie wellicht zullen moeten beëindigen. Ik verwijs in dezen naar de motie-Nuis/ Willems. Mijn fractie wil dit punt nogmaals onder de aandacht van de staatssecretaris brengen. Is de staatssecretaris alsnog bereid, naar een financiële oplossing te zoeken voor betrokkenen, zodat zij hun opleiding kunnen afmaken? Voorzitter! Een korte vraag over de wijziging van artikel 12 van de RWW inzake de scholing en opleiding op tertiair niveau. Betekent de wijziging van artikel 12, lid 4, van de RWW dat de sollicitatieplicht van de werkloze werknemer vervalt wanneer hij of zij een ten behoeve van de inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding volgt? Ook over het drempelbedrag hebben wij nog enige vragen. Waarom neemt de staatssecretaris dat drempelbedrag op? Wat is de dringende noodzaak om dat centraal te regelen? Kunnen wij, na de voorstellen die ons gisteren bekend zijn geworden via radio, televisie en vanochtend via kranten, nog uitgaan van...

Staatssecretaris Ter Veld: Voorzitter! Mevrouw Schimmel zegt dat zij de voorstellen alleen kent via radio, televisie en kranten, terwijl ik toch meende dat ik die voorstellen gisteren met mijn collega's Simons en Heerma nog voordat zij in de krant zouden kunnen komen, aan de Kamer heb doen toekomen.

Mevrouw Schimmel (D66): !k heb de voorstellen niet ontvangen. Ik begrijp dat mevrouw Brouwer ze ook nog niet heeft ontvangen.

De voorzitter Mij wordt bevestigd dat de stukken de Kamer zijn aangeboden. Als de leden daar niet de beschikking over hebben gekregen, ligt de fout bij de distributie in de Kamer en niet bij de staatssecretaris.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik stel er namelijk prijs op dat de Kamer de stukken eerder heeft dan de pers. Ik heb getracht, te regelen dat dit ook zo zou gebeuren. Het zou mij anders spijten.

De voorzitter: U treft volgens mij geen blaam.

Mevrouw Schimmel (D66): Mijnheer de voorzitter! Ik kom nu te spreken over voorlichting in het kader van dit wetsvoorstel. Mijn fractie heeft, evenals de fracties van de Partij van de Arbeid en het GPV, in de schriftelijke voorbereiding nadrukkelijk gewezen op de noodzaak van voorlichting in het kader van de bijzondere bijstand. Het bestaan van een bijzonderebijstandsregeling blijkt bij veel burgers in ons land niet bekend te zijn. Uit een onderzoek van Konsumenten Kontakt blijkt zelfs dat meer dan de helft van de respondenten met een minimuminkomen niet of onvoldoende gebruik maakt van de bijzondere bijstand, terwijl zij er in principe wel recht op zouden kunnen hebben. Ook in het rapport van het Sociaal en cultureel planbureau over 1990 wordt daaraan uitdrukkelijk aandacht besteed. Er lijkt hier sprake te zijn van een enorm informatiegebrek, hetgeen een slechte zaak is voor juist een regeling die de financiële middelen kan bieden aan mensen die leven op het bestaansminimum. Mijn fractie acht het argument van de regering, dat het een taak van de gemeente is om de eigen inwoners over het gemeentelijk beleid te informeren, maar gedeeltelijk waar. Natuurlijk is de specifieke voorlichting inzake de bijzondere bijstand een taak en een verantwoordelijkheid van gemeenten, maar in meer algemene zin is hier ook wel degelijk een taak weggelegd voor de rijksoverheid. Juist de rijksoverheid kan grote groepen burgers bereiken. Gezien de grote omvang van het niet-gebruik, lijkt mijn fractie dit meer dan nodig. Ik kom hiermee op een ander aspect van het wetsvoorstel, de problemen van Nijmegen, Groningen en Dordrecht betreffende de verdeling van de bijzonderebijstandsgelden via het Gemeentefonds. De verdeling van de gelden uit het Gemeentefonds op grond van de verdeelmaatstaf woonruimte en de verdeelmaatstaf verfijning sociale structuur doet volgens de genoemde gemeenten onvoldoende recht aan hun relatief zwakke structuur. De gecombineerde verdeelmaatstaf blijkt slechts voor 1 5% gebaseerd te zijn op de verfijning sociale structuur, hetgeen voor de bedoelde gemeenten leidt tot aanzienlijke tekorten. Daarentegen leidt de verdeling van de financiële middelen in andere gemeenten tot aanzienlijk meer financiële middelen. Kan de staatssecretaris aangeven in hoeverre deze optredende herverdeeleffecten in overeenstemming zijn met het bestuursakkoord tussen Rijk en VNG, waarin staat dat ernaar gestreefd wordt om de herverdeeleffecten zoveel mogelijk te beperken? Naar de mening van mijn fractie dient de bestaande verhouding tussen de twee verdeelmaatstaven uitdrukkelijk betrokken te worden bij de evaluatie van de Financiëleverhoudingswet 1 984. Zou er bij de verdeling van de bijzonderebijstandsgelden niet meer rekening moeten worden gehouden met de daadwerkelijke behoeften van de gemeenten, zij het met behulp van een hantering van een zo objectief mogelijke verdeelwijze? Ligt het dan niet in de rede om het aandeel van de verfijning van de sociale structuur bij deze verdeling te vergroten? Een volgend punt betreft een aspect van dit wetsvoorstel waarop door de fractie van de PvdA in de schriftelijke voorbereiding al is gewezen: de noodzaak van het opstellen van beleidsregels en regelgeving door burgemeester en wethouders na raadpleging van gemeenteraden en het opstellen van beleidsplannen. Om een planmatige uitwerking en ontwikkeling van het gemeentelijke bijstandsbeleid te verzekeren, kan zo'n beleidsplan een belangrijk instrument zijn. Wij zijn het met de staatssecretaris eens dat een en ander aan de orde zal komen bij het wetsvoorstel Herinrichting Algemene bijstandswet. Daarmee wil ik overigens in herinnering brengen dat bedoeld wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 1991 ingediend zou worden. Op welke termijn kan de Kamer het wetsvoorstel verwachten? Daar het instrument van het beleidsplan de staatssecretaris lijkt aan te spreken, gaat mijn fractie ervan uit dat het ook bij de herinrichting van de Algemene bijstandswet geregeld zal worden. Kan de staatssecretaris dit al toezeggen? Uit een oogpunt van helderheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zouden de gemeenten wellicht verplicht moeten blijven en worden tot publikatie van gemeentelijke richtlijnen met betrekklng tot de bijzondere bijstand. Een en ander zou in de voorlichtingsbrochures van de gemeenten terug te vinden moeten zijn. Op die manier krijgen de inwoners van de gemeenten immers beter zicht op de specifieke regelgeving met betrekking tot de bijzondere bijstand. Kan de staatssecretarls haar opvatting over een eventuele publikatieplicht geven? De mogelijkheid van bijstand in de vorm van borgtocht voor schuldsaneringskrediet bij een gemeentelijke kredietbank wordt opengesteld. Mede naar aanleiding van een commentaar van de Vereniging van Nederlandse gemeenten en het gestelde in het SER-advies herinrichting Algemene bijstandswet krijg ik graag een reactie van de staatssecretaris op de vraag waarom deze mogelijkheid alleen wordt opengesteld voor gemeenten die zijn aangesloten bij of samenwerken met een gemeentelijke kredietbank. De gemeenten mogen toch voldoende in staat worden geacht om in elk individueel geval zorgvuldig te beslissen of zij bijstand zullen verlenen in de vorm van die borgtocht. Daarmee sluit ik aan bij hetgeen mevrouw Doelman en de heer Linschoten hebben gezegd: waarom geldt dit niet voor algemene banken? Graag een reactie van de staatssecretaris. Ik kom nu op de bijstandscompensatie zoals geregeld in het bestuursakkoord tussen Rijk en VNG. Uit het bestuursakkoord blijkt dat compensatie zal plaatsvinden voor elke beleidsmaatregel die door het Rijk wordt genomen met directe gevolgen voor de gemeentelijke begrotingsartikelen Algemene bijstandswet, IOAW en IOAZ. In antwoord op vragen van mijn fractie in het eindverslag inzake de mogelijkheid van compensatie in geval van huurstijgingen en het loslaten van de koppeling tussen lonen en uitkeringen, kregen wij als antwoord dat daarvoor geen compensatie voor de gemeenten zal plaatsvinden, ook al leidt dit tot hogere uitkeringen van bijzondere bijstand. Het commentaar van de VNG stelt dat, indien rijksmaatregelen leiden tot stijging van het uitgavenniveau van bijzondere bijstand, de gevolgen hiervan automatisch dienen te worden becijferd en automatische toevoeging aan het Gemeentefonds dient plaats te vinden. Hier lijkt mij een verschil van mening te liggen tussen Rijk en VNG. Ik vraag de staatssecretaris dan ook, hierop nader in te gaan. Gezien de huidige problemen inzake de Tussenbalans en het kennelijke interpretatieverschil van het bestuursakkoord tussen Rijk en VNG inzake het al dan niet in aanmerking komen voor compensatie, lijkt het mijn fractie gewenst om na verloop van tijd dit wetsvoorstel te evalueren. Hiertoe zou een evaluatiebepaling in het wetsvoorstel moeten worden opgenomen. Het moment waarop zo'n evaluatie zou moeten plaatsvinden, laat ik vooralsnog aan het oordeel van de staatssecretaris over. Naar mijn idee valt echter te denken aan een termijn van twee jaar. Wat is de opvatting van de staatssecretaris hierover?

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik wil beginnen met de kamerleden te bedanken voor hun grote instemming met het wetsvoorstel. Ik moet zelfs zeggen dat ik het bijzonder op prijs stel, dit wetsvoorstel te kunnen behandelen vooruitlopend op de herinrichting Algemene bijstandswet. Het is immers een wetsvoorstel waarin een aantal doelstellingen, de decentralisatie, de sociale vernieuwing, het maatwerk, de dergulering en zelfs nog extra middelen, tot zijn recht kan komen. Ik hoop de herinrichting Algemene bijstandswet volgende maand naar de Raad van State te kunnen sturen. De snelheid waarmee de procedure zich verder voltrekt, heb ik dan in feite niet in de hand. Een en ander zal daarna op een zeker ogenblik bij u terechtkomen. Welke procedure de Kamer afspreekt, is dan volstrekt uit mijn hand. Ik hoop inderdaad dat wij het wetsvoorstel binnen redelijke termijn kunnen afwerken, want het is goed als de herinrichting en de bijzondere bijstand weer op een gegeven ogenblik bij elkaar komen. De heer Leerling vroeg mij: vindt u, mevrouw de staatssecretaris, met mij dat de kleine solidariteitskring van het eigen gezin en de eigen kennissen eigenlijk prioriteit moet hebben boven de grote solidariteitskring van de samenleving, georganiseerd in de Staat? Hoewel ik het als zodanig een goede zaak vind als mensen -en dat geldt zeker voor kort durende hulpverleningnaar elkaar omkijken, vind ik het ook goed dat de bijstandswet van het moment van invoering de burger het recht gaf op bijstand en de gemeenschap de verplichting gaf die bijstand ook te verlenen. Ik heb een andere achtergrond als de heer Leerling en vanuit die achtergrond ben ik zelf altijd zeer terughoudend bij het afhankelijk maken van mensen van andere solidariteitskringen. Dat laat natuurlijk onverlet dat, indien die andere solidariteitskringen zichzelf vorm geven, dit een goede zaak kan zijn.

De heer Leerling (RPF): De vraag ging niet over de bijstandsregeling als zodanig, maar over de bijzondere bijstand, dat extraatje. Moet je niet bekijken of iemand in de kring van degenen die je na zijn, je kan helpen voordat de bijzondere bijstand in zicht komt? Dat was mijn vraag.

©

E. (Elske) ter VeldStaatssecretaris Ter Veld: Bij de bijzondere bijstandsverlening wordt natuurlijk altijd rekening gehouden met de omstandigheden waarin het individu, het gezin of de leefeenheid waartoe de persoon behoort, verkeert. In die zin-en dat is ook bij het maatwerk uitermate relevantis het natuurlijk altijd van belang welke andere voorzieningen in die samenleving aanwezig zijn. Ik wil er echter toch op wijzen dat de burger voor de bijzondere bijstand -en de rechtsplicht is in de bijzondere bijstandswet uitdrukkelijk geregeld-en voor bijzondere noodzakelijke kosten terecht een beroep kan doen op de gemeenschap. Ik zou niet graag in de situatie komen die Jan Mens in zijn boeken over mensen zonder geld altijd zo treffend beschreef, namelijk dat je, omdat je onvoldoende mogelijkheden had, bijna verplicht was om naar de kerk te gaan, ook al behoorde je daar niet toe, om daar de bedoelde ondersteuning te verkrijgen. Ook de St. Vincentiusverenigingen, om een andere sector van onze samenleving eens te belichten, hebben natuurlijk een zinvolle taak gehad. Zoals ik echter van mijn fractievoorzitter, Thijs Wöltgens, al begreepzijn vader was daarin zeer actiefis het een goede zaak dat mensen zich tot de gemeenten kunnen wenden in geval van bijzondere en noodzakelijke kosten. Dat het ook een goede zaak is dat gekeken wordt naar het individu en de gezinskring en dat het zeker niet de bedoeling is om mensen te ontmoedigen om hun buren wel eens te vervoeren in de auto naar een bijzondere bijeenkomst en om in geval van nood wel een aantal activiteiten te verrichten, is evident. Naar ik meen, is dat een normale wijze van met elkaar verkeren in een samenleving, waarbij een zekere mate van hulp die men elkaar vrijwillig biedt, en een zekere wederkerigheid normaal horen te zijn. Je mag er echter niet van uitgaan dat mensen die altijd moeten zoeken alvorens zij zich ook tot de gemeente kunnen wenden. Ik denk wel dat een samenleving waarin mensen dat soort dingen niet meer doen onder het motto van "daar zorgt een ander maar voor" een bijzonder onplezierige samenleving wordt en geen samenleving waarin solidariteit op een juiste wijze tot uitdrukking komt. Juist om te bevorderen dat mensen niet te allen tijde afhankelijk zijn van anderen, maar ook in een afhankelijke situatie zichzelf een bepaald recht mogen toekennen omdat zij deel uitmaken van die gemeenschap, vind ik het een goede zaak dat wij dat in de bijzondere bijstand als recht regelen. Mevrouw Brouwer wees op een ander gevaar dat zij meende te onderkennen. Zij zei eigenlijk: dat is mooi, zo'n recht op bijzondere bijstand, maar is het niet tegelijkertijd een alibi voor een overheid om te zeggen: alles wat bijzonder is, kunt u bij de bijzondere bijstand zien te krijgen? Dat kan een reden zijn om er bij de totale inkomensontwikkeling van uit te gaan dat er altijd wel uitvluchten zijn en dat dus de algemene inkomensontwikkeling geen aandacht meer behoeft te krijgen. Dat kan natuurlijk ook niet de bedoeling zijn. De stellingname dat het minimuminkomen voldoende moet zijn om, zij het op een minimumniveau, te kunnen functioneren, moet natuurlijk niet worden uitgehold door te zeggen: deze stelling is altijd waar. Dat betekent, en dat is ook het uitgangspunt van het kabinet, dat wij ons zeer bewust moeten zijn van zowel de primaire inkomensontwikkeling die plaatsvindt door overheidsbeleid, als de secundaire inkomensontwikkeling die kan plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van goederen en diensten en de toegankelijkheid daarvan. Ik ben het met mevrouw Brouwer volledig eens dat de aanwezigheid van voorzieningen ook als koopkracht kan worden aangemerkt. Afbraak van bepaalde voorzieningen kan in die zin worden aangemerkt als een aantasting van de koopkracht. Uitbreiding kan dus ook worden aangemerkt als een verbetering. Dat betekent inderdaad dat wij voortdurend alert moeten zijn. De stellingname dat een minimuminkomen voldoende is voor normale uitgaven kan er immers toe leiden dat, ongeacht de hoogte, de stelling voortdurend blijft gehandhaafd. Mevrouw Brouwer wees daar al op. Ik hoop dat wij, ook door de toekomstige wet koppeling met aanpassingsmogelijkheden, duidelijk kunnen maken dat wij zeer serieus de bedoeling hebben om een evenwichtige inkomensontwikkeling te blijven volhouden, waarbij de ontwikkeling van het minimuminkomen uitdrukke-üjk meegaat met de noodzakelijke inkomensontwikkelingen in de samenleving. Dat moet een gelijkwaardige inkomensontwikkeling zijn. Wellicht kunnen wij dat bij de behandeling van de wet koppeling met aanpassingsmogelijkheden opnieuw aan de orde stellen. Ik zei al: het wetsvoorstel inzake de bijzonder bijstand is een mooi wetsvoorstel om te behandelen, omdat een aantal doelstellingen van het kabinetsbeleid nu weer eens duidelijk naar voren kan komen. Het wetsvoorstel heeft inderdaad een zekere plaats in de sociale vernieuwing, een raakvlak. Bijzondere bijstand als zodanig zou ik niet wensen te rekenen onder sociale vernieuwing, maar meer armslag voor het lokale uitvoeringsniveau kan ook op dit terrein wel meer mogelijkheden bieden voor de gemeenten. Het moet echter wel betekenen dat de bijzondere bijstand uitdrukkelijk blijft liggen binnen het wettelijke kader. Ik kom daar straks bij de sociale participatie-activiteiten nog op terug, omdat die naar mijn overtuiging niet per definitie, en in een heleboel gevallen helemaal niet, vallen onder de bijzondere en noodzakelijke kosten van bestaan. Wellicht vallen zij wel onder de algemeen wenselijke kosten van bestaan. Wanneer het gedecentraliseerd is, dan wordt het bedrag dus door de gemeente via de eigen middelen besteed voor bijzondere bijstand. Als de gemeente dan, haar rechtsplicht keurig nalevend, toch middelen over zou hebben, dan is het wel zo dat de gemeente die eventueel kan benutten voor andere activiteiten. Als het geld wordt overgemaakt aan het Gemeentefonds, is het immers gemeentelijk geld. Het omgekeerde kan niet zo zijn. Een gemeente zal zich niet kunnen beroepen op het feit dat zij zoveel geld heeft uitgegeven aan sociale vernieuwing, dat zij geen geld meer over heeft om haar verplichtingen uit deze wet op zich te nemen. Bij de bespreking van de financiën kom ik daar nog uitgebreid op terug. Het geld en de wet horen immers duidelijk bij elkaar. Het is inderdaad decentralisatie met de bedoeling om maatwerk te kunnen leveren.

De heer Linschoten (VVD): Ik wil op dat punt toch wat meer helderheid hebben. De wet en het geld horen bij elkaar. Dat is aardig gezegd en dat kan de staatssecretaris ook wel vinden, maar wij praten niet over een wet en een doeluitkering aan de gemeenten, wij praten gewoon over een versleuteling via het Gemeentefonds. Los van de decentralisatie waar het gaat om de bijstandswet zelf, is daarbij, als je naar de financiële kant kijkt, een nog veel grotere mate van decentralisatie aan de orde. Het zijn immers gewoon algemene uitkeringen aan de gemeenten. Daarmee kan men, binnen het kader van de eigen beleidsvrijheid, in feite doen wat men wil.

Staatssecretaris Ter Veld: Het is eigenlijk vrij simpel. Ik zei al dat ik er bij de financiële kant verder op in zou gaan. Wanneer een gemeente straks zegt: wij hebben onvoldoende middelen om deze wet uit te voeren, zullen wij vragen: hebt u het geld, dat u had conform deze wet uitgegeven? Als blijkt, dat een gemeente onvoldoende middelen heeft om al hetgeen te doen, wat zij wenselijk acht, maar dusdanig weinig geld uitgeeft aan de rechtsplicht die zij heeft om te voorzien in de bijzondere of noodzakelijke kosten -wellicht is het geld uitgegeven aan algemeen wenselijke kostendan kan dit voor het Rijk nooit een reden zijn om op die gronden die gemeente een aanvullend budget te geven. De gemeenten hebben straks geld-de heer Linschoten vond het te veel geld, maar dat is een consistente gedragslijn van de fractie; ik zal hem daarop niet aanspreken, het is te prijzen-en de gemeenten krijgen een taak. Wanneer door rijksbeleid de taak wordt vergroot, kan dat een reden zijn voor extra middelen. Wanneer een gemeente zegt: wij vonden het zo jammer, dat wij dit moesten doen, wij hebben er eerst andere dingen mee gedaan, dan blijft gelden, dat die gemeente voldoende middelen had om die verplichtingen ingevolge dit wetsvoorstel na te komen. Het betekent geen doeluitkering. Er is wel sprake van een rechtsplicht bij de gemeenten, waarvoor voldoende middelen via het Gemeentefonds ter beschikking worden gesteld.

De heer Linschoten (VVD): Ik doel eigenlijk op de andere kant van de medaille. Een gemeente komt tot de conclusie, dat in het afgelopen jaar haar deel van die 200 mln. niet helemaal is benut. In haar beleidsplan wijst zij op het gegeven-de staatssecretaris zegt dat ook in de memorie van antwoord -: de beschikbare middelen zijn voldoende om de bijzondere en noodzakelijke kosten van het bestaan op deze wijze aan te vullen. Dat meerdere, die verhoging is mooi meegenomen. Die gemeente stopt dat het volgend jaar in het exploitatietekort van het gemeentelijke zwembad. Is het het voornemen van de staatssecretaris om in te grijpen? Of zegt zij: dat is de gemeentelijke autonomie en de beleidsvrijheid van de gemeente?

Staatssecretaris Ter Veld: Wanneer de gemeente voldoet aan haar rechtsplicht om die burgers die op grond van dit wetsvoorstel recht hebben op vergoeding van bijzondere en noodzakelijke kosten van bestaan. die ook te geven, dan kan ik niet ingrijpen in de wijze, waarop de gemeente haar geld besteedt. Als een gemeente nu komt piepen en zegt, dat zij onvoldoende geld heeft voor de bijzondere bijstand, dan zal in dat geval inderdaad controle plaatsvinden. Er zal worden gevraagd, waaraan het geld is besteed. Als het geld aan het gemeentelijk zwembad is besteed, dan zullen wij zeggen: gemeente, u had een rechtsplicht. U kreeg daarvoor extra middelen uit het Gemeentefonds. U kunt niet bij ons komen piepen. U hebt uw rechtsplicht na te leven. Ook een burger heeft op grond van dit wetsvoorstel recht op compensatie voor bijzondere of noodzakelijke kosten van bestaan. Ik meen dat wij hier met het fantastisch mooie spanningsveld te maken krijgen, waarop iedereen heeft geattendeerd. Ik kom daarover in het kader van de financiën nog te spreken. Er zijn erg veel detailvragen over diverse gemeenten gesteld. Uitgangspunt is, dat de gemeenten een nieuwe taak van het Rijk krijgen die zij uit eigen middelen moeten financieren. Er kan niet worden gedeclareerd. De gemeenten krijgen daarvoor extra middelen. Zolang het rijksbeleid daar geen extra taken bij legt, kan er voor de gemeenten geen reden zijn om te zeggen: wij hebben een tekort. Het is wel mogelijk, dat de gemeenten, hun rechtsplicht op de juiste wijze uitvoerend, enig geld overhouden.

De heer Linschoten (VVD): Als het beleid van de gemeenten er nu op gericht is om op dit punt zeer restrictief te opererenhet Bijstandsbesluit landelijke draag-' krachtcriteria wordt afgeschaft; de gemeenten kunnen zelf gaan invullenwat gebeurt er dan? Hoever gaat de beleidsvrijheid dan om op het punt van de bijzondere bijstand bijvoorbeeld restrictief te opereren? Daarover moet de staatssecretaris wel volstrekte duidelijkheid geven.

Voorzitter: Deetman

Staatssecretaris Ter Veld: Stel, dat een gemeente zuinig omgaat met de aan haarter beschikking gestelde middelen en zij haar verplichting tot het toekennen van bijzondere bijstand niet nakomt, omdat zij het geld willens en wetens gebruikt voor het opvangen van een ander tekort. Dan zit die gemeente fout. Ik hoop, dat wij er dan tijdig bij zijn om de gemeente niet in ernstiger problemen te brengen. Daarvoor zijn het rijksconsulentschap en het bestuurlijk overleg. Gemeenten hebben zich, net zo goed als burgers, aan de wet te houden.

De heer Linschoten (VVD): Maar in die wet wordt niet volstrekt omschreven op welke momenten er wel en op welke momenten er geen sprake kan zijn van het verlenen van bijzondere bijstand.

Staatssecretaris Ter Veld: Dat klopt!

De heer Linschoten (VVD): Daar bestaat enige beleidsvrijheid voor de gemeentelijke overheid. Er zullen natuurlijk gemeenten zijn die de beleidsvrijheid maximaal gebruiken, om zoveel mogelijk bijzondere bijstand te kunnen verlenen. Er kunnen ook gemeenten zijn die het tegenovergestelde doen. Wat gaat u doen in het ene en in het andere geval? Hoe ver gaat die beleidsvrijheid?

Staatssecretaris Ter Veld: Ik begrijp uw vraag volstrekt. Naar beide kanten kan de meest extreme situatie zich voordoen. In het ene geval kan een gemeente zeggen, dat zij er geen cent voor over heeft. Zij geeft haar burgers niet wat naar die burgers menen op grond van de wet hun recht is. Daarom is het goed dat de bijzondere bijstand in een wet is geregeld. Daarmee is de rechtszekerheid van burgers in die zin geregeld, dat zij in beroep kunnen gaan tegen een gemeente. Zouden wij merken, naar ik hoop in een vroegtijdig stadium, dat gemeenten onvoldoen-de doen aan hun door de wetgever opgelegde taak tot het verlenen van bijzondere bijstand, dan hebben wij een aantal mogelijkheden.

De mogelijkheden zijn: bestuurlijk overleg, aanwijzingen, het nemen van een algemene maatregel van bestuur, hetgeen niet gebruikelijk is tegenover een individuele instantie, overleg met mijn collega's van Binnenlandse Zaken en gemeentelijke besluiten voordragen ter schorsing en ter vernietiging. Dat laatste gebeurt ook in overleg met Binnenlandse Zaken.

De heer Linschoten (VVD): Dat hele instrumentarium kennen wij. Ik heb het genoemd in mijn eerste termijn. De vraag waarmee ik zit is wanneer u iets gaat doen. U zegt nu volgens mij te gemakkelijk, dat u iets doet als de gemeente niet voldoet aan de wet. Die gemeente zal natuurlijk met een plausibel verhaal komen waarom zij wel aan haar rechtsplicht voldoet. De staatssecretaris zal er echter misschien beleidsmatig wat verder in gaan. Ik zou zo graag een beetje duidelijk in beeld hebben hoe groot of hoe beperkt de beleidsruimte van een gemeente is, omdat er een staatssecretaris is die als een bok op de haverkist zit en met allerlei maatregelen kan ingrijpen.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik vind het leuk dat juist de VVD dit vraagt. Vrijheid en democratie hebben een relatie met elkaar.

De heer Linschoten (VVD): Zo is dat!

Staatssecretaris Ter Veld: De gemeentelijke overheid is een democratisch gekozen overheid. Ik ben er volstrekt van overtuigd, dat in de meest voorkomende situatiesnaar aanleiding van een enkel incident maak je geen beleid -de lokale overheid vanuit haar verplichting om een wet na te leven en vanuit haar democratische controle de vrïjheid aankan. De ware vrijheid kent en herkent haar grenzen. Het zou echter onjuist zijn als ik op dit moment zei wat ik zou doen als een bepaalde situatie zich voordeed. Ik heb de mogelijkheden aangegeven die ik heb en de manier waarop ik kan reageren. Ik heb gezegd dat de gemeente in het kader van decentralisatie en maatwerk gehouden is de wet uit te voeren. De burger kan daaraan rechten ontlenen. Wanneer de burger meent onvoldoende recht te krijgen kan hij de normale beroepsgang van de Algemene bijstandswet volgen. Wanneer mij uit een gemeente signalen bereiken -die signalen bereiken mij natuurlijkdat burgers regelmatig van de rechterlijke macht gelijk krijgen omdat zij onvoldoende bijstand krijgen, zou ik al te laat zijn als ik het op dat moment merkte. Wij hebben via de rijksconsulenten een adviserende, een ondersteunende en ook een toezichthoudende rol in het kader van het medebewind.

De heer Linschoten (VVD): Maar nu voldoet een gemeente aan haar rechtsplicht. Na de volgende gemeenteraadsverkiezingen is in die gemeente geen enkel lid van de PvdA meer in die raad aanwezig. De gemeenteraad, hartstikke rechts...

Mevrouw Brouwer (GroenLinks): GroenLinks is er nog!

De heer Linschoten (VVD): ...besluit dat de wethouder natuurlijk moet voldoen aan de rechtsplicht, maar zo restrictief mogelijk, omdat er heel leuke andere ideeën zijn voor de extra centjes, de 100 mln. die men heeft gekregen.

Staatssecretaris Ter Veld: Daar gaan wij golfcourses voor aanleggen!

De heer Linschoten (VVDj: Bijvoorbeeld! Ik geloof dat de karikatuur nu helder genoeg is om een vraag te formuleren. Is dat de vrijheid van een gemeente of niet? Gaat u, met dat vijftal instrumenten waarvan wij inmiddels allemaal op de hoogte zijn, ingrijpen of niet?

Staatssecretaris Ter Veldundefined: Wanneer de gemeente haar rechtsplicht nakomt, krijgt de burger, zij het ook in uw ogen op zeer minimale wijze, waar hij recht op heeft. Zoals voor iedere democratie geldt, heeft dan ook die gemeente het bestuur gekozen waar zij kennelijk behoefte aan had. Wanneer de gemeente haar rechtsplicht niet nakomt, zal ik ingrijpen. Ik moet trouwens zeggen dat ik het zeer op prijs stel dat de afgevaardig-de het verkiezingsprogramma van de linkse partijen en de PvdA zodanig vertaalt, dat hij begrijpt dat met de PvdA in het college zulks zich nooit zal kunnen voordoen.

De heer Linschoten (VVD): De staatssecretaris merkt dat mijn opmerking zozeer een karikatuur was, dat ik met dit soort details geen rekening kon houden.

Staatssecretaris Ter Veld: Normaal zit er inderdaad een marge tussen een uitermate schriel beleid dat nog wel voldoet aan de wetgeving en een uitermate ruimhartig beleid dat nog net voldoet aan de criteria voor de bijzondere bijstand. In werkelijkheid zal die marge kleiner zijn. Een van de redenen waarom het goed is om juist de bijzondere bijstand bij de gemeenten te brengen, is dat de gemeente een directe relatie met haar burgers heeft. De schade van een individu is voor de gemeente nog erger, want het is dan een schade aan de gemeenschap als zodanig. Daar is zoiets ook veel directer merkbaar. Het vertrouwen hoort ook bij de gemeente te liggen. Mijn ervarïng met sociale diensten is ook dat het vertrouwen daar over het algemeen zeer terecht ligt. Een gemeente zal dan ook zo enigszins mogelijk het noodzakelijke trachten te doen, maar dan wel zodanig dat haar geen poot wordt uitgedraaid, als zij daar ook maar enig vermoeden van heeft. Nogmaals, wij zullen daar toezicht op houden. Ons staan middelen ten dienste om in te grijpen. Maar ik ga er niet van uit, dat op korte termijn alle gemeenten zullen zeggen: hoera, wij krijgen geld, wat fijn; wij hebben een rechtsplicht voor bijzondere bijstand, maar als wij dat geld nu eens lekker afknijpen, kunnen wij onze gemeentebegroting sluitend maken. Meestal vrezen bewindslieden echter voor de tegenovergestel-de weg.

Mevrouw Brouwer (GroenLinks): De staatssecretaris noemt in deze discussie niet de mogelijkheid van iedere burger om in zo'n geval op basis van de wet, een gemeente aan te spreken, dus om te procederen. Persoonlijk vind ik het een voordeel van een wetsvoorstel, zoals het onderhavige, dat een burger daarmee veel makkelijker mogelijkheden krijgt om een gemeente direct aan te spreken. Een burger zal dat ook zeker doen, wanneer er zoiets gebeurt als wat de heer Linschoten vreest, bijvoorbeeld het aanleggen van golfbanen.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik heb daar ook op gewezen. Wij zijn het wat dit betreft dus volstrekt met elkaar eens. Het feit dat de bijzondere bijstand in een wet is geregeld, geeft de burger het recht op dezelfde beroepsgang als bij de normale bijstandswet. De burger kan dus in beroep gaan. Ik zei al dat, als ik zou merken dat een burger in een beroepsgang tegen een bepaalde gemeente regelmatig in het gelijk gesteld werd, ik al te laat zou zijn om die gemeente in een ernstig bestuurlijk gesprek op haar tekortkomingen te wijzen.

De heer Linschoten (VVD): Juist om die reden probeerde ik mijn vraag zo scherp te stellen. In dit geval toetst de betrokken rechter namelijk marginaal. Voor zover het gaat om de beleidsvrijheid van de gemeente, zal de rechter dus niet corrigerend optreden. Die rechter zal dan alleen maar corrigerend optreden, als de gemeente inderdaad niet aan haar rechtsplicht voldoet. Vandaar dat het zo vreselijk belangrijk is dat wij de precieze bandbreedte van die beleidsvrijheid kennen, als wij deze wet behandelen.

Mevrouw Brouwer (GroenLinks): Als de Kamer die niet gedetailleerd invult, zal het heel belangrijk zijn om die ook via bijvoorbeeld de jurisprudentie ingevuld te krijgen. Het gaat wel om het feit dat wij hier spreken over bijzondere bijstand in geval van noodsituaties en dergelijke. Dat is natuurlijk voor interpretatie vatbaar. Ik heb nog een andere vraag over de middelen die het Rijk ter beschikking stelt. In de schriftelijke voorbereiding is ook door de VVD-fractie gevraagd: hoe komt u aan die 300 mln.? Dat is eigenlijk het kader waarmee het Rijk de gemeenten op pad stuurt. Welnu, ik heb een aantal ramingen gezien. Ik heb ook naar voren gebracht: gesteld dat die ramingen uit de hand lopen, omdat er meer werkloosheid is of omdat de mensen door de bezuinigingen meer in de problemen komen. De werkelijkheid kan dus heel anders zijn dan de ramingen van het Rijk. Wat gaat er dan gebeuren? Zegt het Rijk dan "achteraf gezien, moeten wij dus meer dan 300 mln. in de pot stoppen" of "dat is helemaal het risico van de gemeenten"?

Staatssecretaris Ter Veld: Het is goed, nu alvast op de financiële aspecten in te gaan, hoewel ik dat meestal aan het eind van mijn antwoord doe. Komen wij aan de 100 mln. omdat dit bedrag, zoals de heer Linschoten constateerde, in het regeerakkoord staat? Zeker, het staat in het regeerakkoord. Het is mooi dat wij ons wat dit betreft letterlijk aan het regeerakkoord kunnen houden. Bovendien is die 100 mln. niet precies berekend. Er is geconstateerd dat er uitgaven waren in het kader van de bijzondere bijstand, dat er geïndividualiseerde woonkostentoeslagen zijn die nu onder de bijzondere bijstand zijn geregeld en dat er op een aantal punten, zeker wanneer wij kijken naar de noodzaak van de bijstand om als springplank te kunnen functioneren naar de arbeidsmarkt, behoefte zou zijn aan extra middelen. Is de 100 mln. die in het regeerakkoord staat nu zeer essentieel? Voor een deel was die essentieel, namelijk om ook bij de overheveling naar het Gemeentefonds, de herverdelingseffecten te kunnen mitigeren. Het grote voordeel van extra geld bij herverdeling is, dat je herverdeling kunt laten geschieden zonder dat gemeenten erop achteruitgaan. Bij decentralisatie van andere activiteiten hebben wij ervaren dat er problemen kunnen ontstaan omdat met hetzelfde of minder geld er bijzonder grote herverdelignseffecten optreden. In feite hebben wij de 100 mln. mede gebruikt om de verdeling op een juiste manier te kunnen doen. Bij die herverdeling zijn wij uitgegaan van de historische uitgaven voor het bedrag van 200 mln., dat thans wordt uitgegeven. Wij hebben dat gedaan op basis van de gedeclareerde uitgaven over 1987, 1988 en 1989. Dat gaf een aardig gemiddelde. Toen hebben wij de 100 mln. verdeeld, waarbij wij rekening hebben gehouden met relevante indicatoren zoals het aantal bijstandsontvangers, het aantal WSW'ers, het aantal WAO/ AAW'ers en het aantal minderheden. In feite was dat een zeer sterke aansluiting bij de sociale structuurgemeenten. Dat leidt tot geringere herverdeeleffecten.

Mevrouw Schimmel (D66): Mijnheer de voorzitter! Ik wil even een aanvullende vraag, ter verfijning, stellen. Zit er ook het aantal AOW'ers bij?

Staatssecretaris Ter Veld: Ik kom daar straks op. Eigenlijk zitten ze er nauwelijks bij, en ik zal u straks uitleggen waarom er voor uw zielige geval van de 65-plus licht gehandicapte alleenstaanden met een minimuminkomen een reden kan zijn om met enige vreugde te constateren dat ze erop vooruitgaan. Bij de sociale structuurgemeenten houden wij inderdaad rekening met de inkomensverdeling. ledere andere wijze van verdelen zou tot grote herverdeeleffecten aanleiding hebben gegeven. Ik kan riooit zeggen dat de 100 mln. is gebaseerd op een exacte bereking. Wel gaan gemeenten, zoals Nijmegen, Groningen en Dordrecht, erop vooruit juist door deze systematiek van de verfijning van de sociale structuur Deze drie gemeenten, die klagen dat ze er niet van rond kunnen komen, krijgen er het volgende bij. Nijmegen krijgt er ƒ 824.000 bij: plus 23%; Groningen krijgt er ƒ 1.608.000 bij: plus 39%; en Dordrecht krijgt er ƒ 422.000 bij: plus 15%. Deze gemeenten hebben, dunkt mij, hiermee voldoende mogelijkheid om hun rechtsplicht voor de burger op een juiste en adequate wijze vorm te geven.

Mevrouw Brouwer (GroenLinks): Mogen we daarbij ervan uitgaan dat de feitelijke cijfers voor 1990 niet veel afwijken van de jaren daarvoor?

Staatssecretaris Ter Veld: Als ik kijk naar de feitelijke cijfers voor 1990 dan constateer ik dat in 1987 in totaal is gedeclareerd aan bijzondere bijstand -ik tel niet de woonkosten-en individuele toeslagen mee-ƒ 124.627.000; in 1988 was dat ƒ 118.847.000; in 1989 wasdatf 126.165.000; in 1990wasdatf 143.852.000. De stijging, waar de heerVan Middelkoop naarvroeg, zat inderdaad voor een deel in de incidentele uitkeringen aan de boven-65-jarigen, zij het dat er een ook stijging zit in de incidentele uitkeringen aan de onder-65-jarigen. Die incidentele uitkeringen stegen het hardst. Eerlijk gezegd moet ik constateren dat met deze extra bijdragen aan het Gemeentefonds naar mijn stellige overtuiging, gemeenten zeer goed kunnen voldoen aan hun rechtsplicht. Dat betekent desalniettemin dat waneer door bijzondere maatregelen -er wordt terecht verwezen naar de voorzieningen voor gehandicapten -er een extra belasting voor de gemeenten kan komen, wij in overleg met VNG en de Raad voor gemeentefinanciën er adequate compensatie voor zullen moeten bieden. Bij deze regeling, die vanuit de AAW naar de bijzondere bijstand gaal, moet ik er zeer alert op zijn dat ik vanuit de ene hand, de sociale verzekeringskant, niet mijn andere hand, de Algemene bijstandswet, met extra lasten belaag zonder die op adequate wijze te compenseren. Wij zullen dus op het terrein van de regeling voor gehandicapten inderdaad met de gemeenten overleg voeren over de extra last die bij de gemeenten terechtkomt. In de richting van mevrouw Schimmel merk ik op dat er ook een extra baat is voor de gemeenten. Een deel van de incidentele uitkeringen aan de boven-65-jarigenik denk dan aan de rolstoel -en een deel van de periodieke uitkeringen van de bijzondere bijstandik denk dan aan de vervoerskosten voor ouderen -gaan straks weg bij de bijstand. De eigen bijdrage zal natuurlijk een extra belasting op de bijstand kunnen leggen. Ik kom straks te spreken over eigen bijdragen en drempelbedragen. De heer Van Middelkoop vroeg concreet of ik precies vasthield aan de sociale structuur. Bij de voorgestane verdeling van de 300 mln. gaat 80%, dus nagenoeg het huidige aandeel in de uitgaven, naar de gemeenten die onder de verfijning sociale structuur vallen. Het aandeel van de gemeenten die vallen onder de verfijning sociale structuur, in de landelijke bijstandsuitgave bedraagt 82%. Het is dus ongeveer gelijk. Er is geen sprake van overcompensatie of ondercompensatie ten aanzien van deze groep gemeenten. Als collega-bewindslieden iets afwentelen naar de kant van de bijzondere bijstand en als mijn oog daar niet op valt, dan zal de VNG ongetwijfeld mijn collega-bewindslieden daarop aanspreken en mij daarop attenderen. Ik voel mij samen met de andere bestuurders van het Gemeentefonds zeker verantwoordelijk voor een adequate compensatie, die niet als overcompensatie beoogd kan worden. Wanneer algemeen kabinetsbeleid, bijvoorbeeld een verhoging van de uitkeringen conform de Wet aanpassingsmechanismen die op 1 juli tegemoet kan worden gezien, ertoe leidt dat ook de minimumuitkeringen sterker stijgen dan de prijscompensatie, dan is er geen aanleiding om tegen de gemeenten te zeggen: alle uitkeringen zijn omhoog gegaan, dus jullie kunnen met minder geld toe. Ik weet niet precies wat het percentage van de koppeling is op 1 juli. Het uitgangspunt blijft niettemin dat het minimuminkomen adequaat is voor de normale uitgaven. Er kunnen echter problemen zijn op het terrein van bijzondere noodzakelijke uitgaven. Even zo goed kan zich de situatie voordoen dat het minimuminkomen slechts de koopkrachtgarantie krijgt in enig jaar. Ik hoop het niet, maar een aanpassingsgrond in de Wet aanpassingsmechanismen kan daartoe leiden. Is het in dat geval noodzakelijk om de gemeenten compensatie te bieden? Neen, want ook in de Wet aanpassingsmechanismen staat uitdrukkelijk dat moet worden uitgegaan van een evenwichtige inkomensverdeling en dat tevens moet worden bekeken hoe de koopkracht op een juiste wijze gewaarborgd kan worden. Bovendien geldt ook dan dat het minimuminkomen voldoende moet zijn om daarvan de gewone uitgaven te kunnen doen. Het is juist en het is ook terecht dat het kabinet hiermee een extra verantwoordelijkheid op zich neemt. Die verantwoordelijkheid voor de inkomensontwikkeling van mensen met een uitkering hoort ook bij ons thuis. Ik stap van het onderdeel financiën weer over naar het beleid. Ik sprak over decentralisatie, sociale vernieuwing, deregulering en maatwerk. Ook aan de hand van dit Interruptiedebat constateer ik dat wij allen een spanningsveld zien tussen een individuele benadering en de rechtszekerheid en -gelijkheid van burgers. Maar ware ik lid van een gemeenteraad, zelfs van een uitermate kleine gemeente, dan zou ik absoluut aan het college van burgemeester en wethouders vragen om mij op de kortst mogelijke termijn een beleidsplan te geven en na enkele jaren een jaarverslag te doen toekomen over de wijze waarop de sociale dienst of de afdeling sociale zaken van mijn gemeente is omgegaan met de bijzondere bijstand. De neiging die ik heb, zal niet alleen bij mijn partijgenoten in de gemeenteraden aanwezig zijn. Ook in deze Kamer vindt een ieder het belangrijk. Ik ben ervan overtuigd dat gemeenteraadsleden deze vraag zullen stellen. Terecht! Dan is vervolgens de vraag gesteld: moet het niet verplicht worden gesteld? Mevrouw Doelman stelde: neen, het lijkt mij niet. Vanuit haar ervaringen uit de gemeente weet zij dat de gemeenten er, hoe dan ook, niet onderuit komen. Ik denk dat er inderdaad enkele voordelen aan zitten voor gemeenten om zulks ook te doen. Die voordelen zal ik aan de VNG c q. de gemeenten duidelijk maken. Als er een goed beleidsplan en een goed jaarverslag zijn, zal dat de controle van de rechtmatigheid en doelmatigheid van uitgaven bijzonder vergemakkelijken. Aangezien de gemeenten toch al weinig gesteld zijn op steekproefsgewijze controles van de rechtmatigheid van uitgaven en op andere controles van hun beleid, wil ik tegen iedere gemeente zeggen: de wijze waarop u zich meer controleerbaar opstelt, zowel voor de gemeenteraad en de burgers als voor het Rijk, maakt de omgang met beide veel plezieriger. Ik wil echter zeker niet overwegen om in dit wetsvoorstel een publikatieplicht op te nemen voor een dergelijk beleidsplan en het jaarverslag. Bij de komende discussie over de herinrichting van de Algemene bijstandswet en ook bij de nieuwe Gemeentewet kunnen wij dit punt echter opnieuw aan de orde stellen. Hoewel ik weinig voel voor een in de wet geregelde evaluatie, vind ik dat wij bij de herinrichting van de Algemene bijstandwet op deze punten moeten terugkomen: loopt het zoals wij hadden gedacht, is er toch niet de noodzaak om dergelijke sociale beleidsplannen verplicht te stellen? Dan zal de onderhavige wet immers een jaar of anderhalf en misschien zelfs twee jaar functioneren. Ik heb al gezegd dat ik niet precies kan inschatten, hoe groot die termijn is. Ik zal in mijn informatie aan de gemeenten over de toekomstige verhouding tussen de rijksconsulenten en de gedecentraliseerde bijzondere bijstand benadrukken, dat het voor een gemeenteraad beter en gemakkelijker is om zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen als hij de beschikking heeft over de cijfers waarin wij hier bij alle gemeenten zo geïnteresseerd zijn. Bovendien zullen wij dat, denk ik, allen in onze partij uitleggen als wij het over dit soort wetgeving hebben.

De heer Van der Vlies (SGP): Daarover wilde ik nu juist een vraag stellen. Die aanleiding is er nog steeds. Ik had gevraagd om een soort jaarverslag om de ontwikkelingen te kunnen beoordelen. Collega Linschoten vroeg heel helder om een uitspraak van de staatssecretaris over een evaluatie en een evaluatiemoment. Deze twee zaken hangen natuurlijk met elkaar samen. Als het een nu niet verplicht maar wel gewenst is en waarschijnlijk niet overal gebeurt, hoe kun je die uitspraak dan toch op een betrouwbare wijze in evaluerende zin doen? Natuurlijk zijn er de gegevens van de rijksconsulenten, maar die zullen geen waterdicht systeem opleveren van betrouwbare indicaties.

Staatssecretaris Ter Veld: De taak van de rijksoverheid ten aanzien van bijvoorbeeld de controle of de bijzondere bijstand niet per ongeluk of expres leidt tot een vorm van categorale bijstandsverlening, betekent dat hoe dan ook, naast de ondersteunende functie, sprake blijft van de toezichthoudende functie van rijksconsulenten. Ik weet dat de gemeenten daar niet erg op gesteld zijn. Gelet op die toezichthoudende functie en gelet op mijn overtuiging dat een toenemend aantal gemeenten uit zichzelf zal overgaan tot dit soort verslagenin die gemeenteraden zitten immers ook politicizullen wij zeer goed in staat zijn om een redelijk beeld te geven van de ontwikkelingen op het terrein van de bijzonderebijstandsverlening. Mocht blijken dat wij er absoluut geen beeld van kunnen krijgen, dan moeten wij het inderdaad verplicht stellen. Ik verwacht echter dat zal blijken dat het uitstekend controleerbaar en goed verloopt, zowel voor de burger als voor de marginale toetsing door het Rijk. Dan kunnen wij tevreden zijn met het feit dat de democratie op lokaal niveau op een uitstekende wijze functioneert. Dan nemen wij daar, zoals gebruikelijk, een goed voorbeeld aan. Ik zei al dat er bij gemeenten natuurlijk wel eens een probleem is: wat moeten die rijksconsulenten van dat mens Ter Veld bij onze bijzonderebijstandsverlening? Ik las laatst in een stuk in Vrij Nederland ook de opmerking: dan heb je als wethouder een leuk plan en dan komen weer die consulenten van Ter Veld en die zeggen "nee, dat mag niet". Dat zal zo kunnen blijven. Ik hoop het natuurlijk niet, maar bijzonderebijstandsverlening is aan de wet gebonden. Dat betekent dat de rijksconsulenten er ook op moeten toezien, dat gemeenten niet categoraal bijzonderebijstandsrechten toekennen. Een dergelijk besluit zou zich niet verdragen met het karakter van de bijzondere bijstand. In die zin zal er zeker sprake blijven van een toezichthoudende en ondersteunen-de taak van de rijksconsulenten. Zij moeten er ook op toezien dat deze regelgeving, voor zover deze nog bestaatik geef toe dat ze aanzienlijk is beperkt, hetgeen ook goed is -wordt toegepast door de gemeenten. De rechtmatigheidstoets in het kader van de bijzonderebijstandsverlening blijft uitdrukkelijk een taak van de rijksconsulenten. Gemeenten zullen zich zo nu en dan wel eens afvragen: nu hadden wij zo'n bijzonder mooi idee om alle mensen met een minimuminkomen... Welnu, dan zeg ik: ho, categoraal.

Mevrouw Schimmel (D66): U hebt al een paar keer uitdrukkelijk het woord "categoraal" genoemd. Wat verstaat u eigenlijk precies onder categorale bijstandsverlening? Er zijn individuele gevallen denkbaar waarin steeds dezelfde bestaansonzekerheid voorkomt. Hoe ziet u het onderscheid tussen individueel en categoraal?

Staatssecretaris Ter Veld: Laat ik wat voorbeelden uit de praktijk van de gemeente N.N. noemen. Mijns inziens is als categoraal beleid onaanvaardbaar een extra uitkering van ƒ 300 per twee jaar voor huishoudens die langer dan vijf jaar een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet hebben.

De heer Linschoten (VVD): Dat is overigens niet de gemeente N.N. maar een andere gemeente.

Staatssecretaris Ter Veld: De heer Linschoten weet dat ik de gemeenten altijd anoniem zal trachten te houden. Evenmin is er sprake van bijzondere bijstand wanneer bijvoorbeeld uitsluitend voor de minima gratis toegang wordt geboden tot alle gemeentelijke voorzieningen, inclusief het zwembad. Naar mijn stellige overtuiging is dat een vorm van inkomensbeleid dat wordt gevoerd door de gemeenten. Hoewel ik het een uitermate verstandige zaak vind wanneer gemeenten erop toezien dat de voorzieningen die ze beheren en relevant achten, toegankelijk zijn voor mensen met een laag inkomen, is het mijns inziens uitermate ongewenst dat mensen omdat ze een minimuminkomen hebben een dusdanige hoeveelheid tegemoetkomingen uit de bijstand ontvangt dat ze, wanneer ze in de gelegenheid komen betaalde arbeid net boven het minimum te verrichten, geconfronteerd worden met een achteruitgang daar ze hun zwembadabonnement, bibliotheekabonnement, kwartaalabonnement op de krant, korting op het lidmaatschap van de sportvereniging, gratis jaarkaart voor de kinderboerderij etc. kwijtraken. Dit is overigens ook een gemeente N.N.

De heer Schoots (PvdA): Dit geldt waarschijnlijk in zijn algemeenheid. Kunt u zich een individuele situatie voorstellen waarin sprake zou kunnen zijn van het verstrekken van bijvoorbeeld een zwembadabonnement?

Staatssecretaris Ter Veld: In het kader van de bijzondere bijstand kan ik mij in individuele situaties veel zaken voorstellen. Ik wijs er tegelijkertijd op dat het altijd wel moet gaan om een bijzondere situatie. Vanuit de vakbeweging en andere gremia bereikt mij vaak het verzoek een lijst te verstrekken inzake de bijzondere bijstand. Dat kan ik niet. Kinderkleding valt onder de normale bijstand. De heer Van der Vlies had op dit punt gelijk: het gaat niet alleen om de kosten maar ook om de omstandigheden waaronder die kosten gemaakt moeten worden. In een zeer specifieke situatie kan het zijn dat kinderkleding desalniettemin uit de bijzondere bijstand wordt vergoed. Zo is bijzondere bijstand individueel. Kunnen er dan geen regelingen worden getroffen voor grote gemeenten? Zeker, dat kan, maar het kan dan nooit gaan om categorale bijstand ter zake van degenen die langer dan twee jaar in de bijstand verkeren. Wij zullen daarop zeker toezicht houden. Wij blijven namelijk medeverantwoordelijk voor de rechtmatigheidstoets inzake de uitvoering van de bijzondere bijstand. Ik zal nu ingaan op de vraag van de heer Schoots en anderen of, als je het geen bijzondere bijstand noemt, andere minimafondsen kunnen worden gehandhaafd. De heer Schoots deed dat met een intentie, waar ik het volstrekt mee eens ben. Hij zei: laten wij proberen om de ontstane minimafondsen zo veel mogelijkte incorporeren in de bijzonderebijstandsverlening. Ik vind het grote voordeel daarvan dat bij de bijzonderebijstandsverlening duidelijk een rechtsplicht en een rechtszekerheid voor de burger bestaat. Er zijn inderdaad zaken, zoals sociale participatie, die volgens mij niet vallen onder bijzondere bijstand, behoudens in bijzondere gevallen. Ik heb zelf de indruk dat het voor gemeenten wel verstandig is om te zorgen dat bepaalde voorzieningen goedkoop en toegankelijk zijn voor een ieder met een laag inkomen, geleidelijk toenemend qua prijs. Ik denk hierbij aan de pas-Rotterdam, die ik met mijn vroegere collega Kombrink zo schitterend aangekondigd zag staan op de Rotterdamse borden. Ik vind dat een categoraal minimumbeleid, ook al noem je het sociale participatie, precies het omgekeerde effect kan hebben, namelijk dat het mensen weerhoudt om echt actief maatschappelijk te participeren, omdat je dan weer al die voorzieningen kwijtraakt. Bij de scholingwaar ik nog op terugkomkan er inderdaad een mogelijkheid zijn om mensen waarvan je op geen enkele wijze een herinschakeling kan verwachten, toch in staat te stellen om bepaalde opleidingen te volgen, maar dan natuurlijk wel met het normale drempelbedrag, individueel getoetst. Daar kunnen dan wel degelijk PBVE-activiteiten of andere educatiefsociale activiteiten onder vallen. Dat gebeurt dan echter met de normale criteria, namelijk dat het bijzonder en noodzakelijk moet zijn, en met een drempelbedrag. Zal ik in alle gevallen in staat zijn om er iets aan te doen? Wij hebben natuurlijk nog de circulaire van Binnenlandse Zaken van 1985. Ik overweeg om, als de minimafondsen zich keurig incorporeren in de bijzonder bijstand, met mijn collega van Binnenlandse Zaken te kijken of die circulaire weg kan. Ik overweeg ook om met mijn collega van Binnenlandse Zaken toch nog eens te bekijken welke maatregelen zij met mij wil nemen in het geval er duidelijk sprake is van strijdigheid met het algemene inkomensbeleid. Het is natuurlijk mogelijk om op grond van artikel 185 van de Gemeentewet maatregelen te nemen. Ik zal altijd trachten om in een bestuurlijk overleg, hetzij met een individuele gemeente, hetzij met de Vereniging van Nederlandse gemeenten, afwijkingen aan de orde te stellen en langs die weg corrigerend op te treden. Wat valt er allemaal onder een bijzondere bijstand? Bijvoorbeeld een bril. Ik herinner mij nog dat in één van de Keek op de Weekuitzendingen Dirk vol enthousiasme riep dat hij een bril had willen halen bij de bijzondere bijstand, maar dat dat niet kon omdat hij een algemene arbeidsongeschiktheidsuitkering had.

Dat edoch was niet de reden. De reden was dat hij een bril had die beneden het drempelbedrag lag. Bovendien hebben wij de overige inkomenssituaties van Dirk onvoldoende kunnen toetsen om te weten of hij desalniettemin toch niet in staat was om die bril te betalen. Wij waren niet geïnformeerd over zijn vermogenspositie. Aangezien hij een uitkering had in het kader van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet, gaat die vermogenspositie ons normaal gesproken, ook niet aan. Dus kreeg Dirk geen vergoeding van de bijzondere bijstand. Mijnheer de voorzitter! Ik meen dat er op een aantal terreinen inderdaad sprake kan zijn van een uitbreiding, met name omdat er een duidelijke activeringsrol zit in de bijzondere bijstand, namelijkom mensen in staat te stellen, ook als ze nog niet meteen de arbeidsmarkt kunnen betreden, zich toch te prepareren op een hernieuwde stap in het arbeidsleven om op die manier een eigen inkomen voor nu en een eigen pensioen voor later op te kunnen bouwen. Over de scholing het volgende. De heer Linschoten vroeg of er een relatie is met het Arbvobudget. Wij hebben geen Arbvo meer, maar CBA en RBA. Als door een arbeidsbureau een op werklozen gerichte cursus wordt aangeboden die geen verdere kosten met zich meebrengt, is er ook geen reden voor bijzonderebijstandsverlening. Als het een opleidingsmogelijkheid zou zijn die wel geld kostbijvoorbeeld voor kinderopvang of voor leermaterialen, die iemand in een normale situatie wel kan aanschaffenkan de bijzondere bijstand hulp verlenen.

De heer Linschoten (VVD): Mijn vraag was wat u precies bedoelt. In dit geval gaat het om iemand die in de bijstandswet zit en bezig is terug te gaan naar de arbeidsmarkt Dat is iemand die niet alleen cliënt is bij de gemeentelijke sociale dienst. Hij zal zich, als hij de arbeidsmarkt op wil gaan, ook gemeld hebben bij het arbeidsbureau. Hij wordt daar geconfronteerd met een heroriënteringsgesprek. Hieruit volgt welke scholing er noodzakelijk is om weer een plek op de arbeidsmarkt te krijgen. De budgetten binnen de arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn op dit moment voldoende om de noodzakelijke om-, her-en bijscho-Imgskosten voor haar rekening te kunnen nemen. In welke casusposities voorziet de staatssecretaris dat op dit moment in dat soort situaties de bijstandswet te hulp moet schieten?

Staatssecretaris Ter Veld: Neem iemand die op dit moment nog niet in staat is de arbeidsmarkt te betreden. Wellicht zijn er jonge kinderen en is de mogelijkheid voor kinderopvang niet op adequate wijze aanwezig. Betrokkene heeft een opleidingsniveau waardoor de kans om de arbeidsmarkt te betreden niet erg groot is. Betrokkene vraagt om een MBO-opleiding te mogen doen. Zij kan dit als aanvullende voorwaarde krijgen wanneer de kans op herintreding daarna groter wordt. Deze MBO-opleiding valt niet onder de Wet op de studiefinanciering. Het is geen tertiair onderwijs. De MBO-opleiding is wel beroepsgericht, maar zij staat normaal open voor iedereen. Zij vergoedt geen schoolboeken en ander lesmateriaal en evenmin kinderopvang. Het is dan uitermate belangrijk dat deze kosten zonder drempelbedrag vergoed kunnen worden. Als het een cursus betreft specifiek gericht op langdurig werklozen en het is een Arbvocursus, dan zullen hier over het algemeen geen extra lasten uit voortvloeien, omdat de deelnemers langdurig werklozen zijn en allen onder de bijstandswet vallen. Ik wil natuurlijk geen bijzondere bijstand verlenen als een vorm van indirecte financiering voor het RBA-budget. Er zijn natuurlijk legio opleidingsmogelijkheden denkbaar, zeker op het niveau van PBVE/MBO, waarvoor een soortgelijke regeling niet geldt. Wij moeten zorgen dat mensen in de bijstandswet die daarna weer aan het werk kunnen, in die scholingslijn absoluut niet belemmerd worden, maar juist gestimuleerd worden om hieraan deel te nemen.

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Voorzitter! Ik ga ervan uit dat daar waar mogelijkheden zijn om dit via het CBA/RBA-budget te doen, dit altijd voorrang heeft. Het moet duidelijk gaan om stimulering tot deelname aan de arbeid. Als er mogelijkheden zijn via de instrumenten van de arbeidsmarkt, dan moeten deze voorrang hebben.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik ben dat met u eens. Zo zouden ook de vrouwenvakscholen in een aantal gevallen duidelijk de voorkeur kunnen hebben. Wij kunnen hier echter niet ieder individueel geval beoordelen. Duidelijk moet in ieder geval zijn, dat het nooit kan gaan om een studie waarvoor de Wet op de studiefinanciering in principe van kracht is, ook niet als men op grond van leeftijd daarvoor te oud is. Ik wil met het CBA nog eens bespreken of het wellicht mogelijk is bij cursussen voor werkloze academici dat men, als men niet is afgestudeerd, niet eerst afstudeert in een niet-praktische richting om daarna praktisch te worden omgeschoold. Wellicht is het mogelijk om hier een soort hardheidsclausule in te bouwen. Ik noem een simpel voorbeeld. Een vrouw met jonge kinderen die halverwege haar sociologiestudie is gestrand of op twee derde, mag ik niet in staat stellen haar sociologiecursus af te maken. Ik mag haar echter wel in staat stellen om via een cursus van arbeidsbureau en universiteit gezamenlijk, een bijscholingscursus te volgen als werkloos academicus in bijvoorbeeld milieukunde. Ik vind het vreemd dat je dan eerst die niet-noodzakelijke opleiding moet hebben afgerond. Ik wil proberen om in die specifieke situaties iets meer ruimte te creëren in de tertiaire herscholingsopleiding. Een WSF-opleiding is dus absoluut niet mogelijk. De heer Linschoten had dit met zijn vraag over de extranei al begrepen, denk ik. De heer Linschoten heeft mij verder gevraagd of mijn persbericht niet te "joyeus" is geweest. Inderdaad schept dit het beeld dat de scholing op dit momentmet het huidige onderscheid tussen Algemene bijstandswet en Rijksgroepregeling werkloze werknemerseen vreugde is voor de ene categorie en dat deze voor de mensen in de RWW een straf zou zijn. Beide kanten lijken mij onjuist. De scholing kan uitdrukkelijk worden gestimuleerd vanuit de sociale participatie vanuit de ABW, maar ook vanuit een toekomstige mogelijkheid op de arbeidsmarkt. Ook daar kan de scholing, zoals gebruikelijk bij de bijstandswet, als bijkomende voorwaarde worden opgelegd. Bij de RWW zal dit veel gebruikelijker zijn. Wij menen dat het goed zou zijn voor de huidige ABW en RWW-cliënten om beide goed te regelen. Wij zijn door de Raad van State hiertoe ook uitgenodigd. Ik heb reeds tegen mevrouw Schimmel gezegd dat de ouderen op dit moment voor een aantal voorzieningen -bijvoorbeeld voor gehandicapten -uitsluitend een beroep kunnen doen op de bijstand. Ik denk aan de vergoedingen voor de rolstoel en voor vervoer buitenshuis. Ik hoop vanaf 1993 -de voorstellen hierover heb ik gisteren met mijn collega's Heerma en Simons de Kamer doen toekomen -een zodanige stroomlijning van het voorzieningenbeleid bereikt te hebben dat alle voorzieningen voor het deel kunnen nemen aan de samenleving voor ouderen op gelijke wijze is geregeld als voor jongeren. Dat is een verlichting en dat betekent dus een verbetering van hun positie. Ik kom op het drempelbedrag. Het is ook mij opgevallen dat bijzonder veel gemeenten hun maatschappelijke steunfondsfunctie sterk zien gelegen in de compensatie van het drempelbedrag. Ik moet zeggen dat ik daar toch problemen mee heb. Hoewel ik enerzijds het betoog dat het vaststellen van een drempelbedrag past bij decentralisatie wel kan inzien, heb ik daar anderzijds toch een aantal bezwaren bij. Ik ben van mening dat het drempelbedrag dat geldt voor een aantal voorzieningen is vastgesteld op basis van het idee dat het ook met een laag inkomen mogelijk moet zijn om een dergelijke drempel te overwinnen. Wij kennen bijvoorbeeld een drempelbedragik dacht dat er per week een eigen bijdrage wordt betaald -voor gezinsverzorging. Hetzelfde drempelbedrag is ook opgenomen in de laagste schaal van de kinderopvangcentra. Ook ten aanzien van de voorzieningen van de AAW stel ik voor om de eigen bijdrage per voorziening niet hoger te doen zijn dan dat drempelbedrag. Dat kan echter betekenen dat in het totaal dat drempelbedrag wel wordt overschreden. Het zou geen goede zaak zijn wanneer de gemeenten in die gevallen al deze willens en wetens ingevoerde drempels te allen tijde zouden vergoeden. Waarom bestaan die drempels? Welaan, soms bestaan die drempels heel duidelijk om te voorkomen dat wij alles in deze wereld inkomensafhankelijk maken. Het lijkt wel heel eerlijk om dat te doen, maar op een gegeven ogenblik verhoudt een en ander zich niet meer tot elkaar, als iedere keer "inkomensafhankelijk op inkomensafhankelijk op inkomensafhankelijk wordt gestapeld". Ik verwijs in dezen ook naar de commissie-Burger. Ten aanzien van de kleine woningaanpassingen stelt collega Heerma voor om een drempelbedrag van ƒ 500 te hanteren en om dan verder geen toets op het inkomen te doen. In dat geval geldt dus een drempel die hoger is dan het drempelbedrag dat is vastgesteld in de Algemene bijstandswet. Ik acht het dan terecht dat bij een minimuminkomen of een inkomen in die orde van laagte de gemeenten het recht en de plicht hebben om daarin compensatie te bieden, met behoud van het drempelbedrag van de Algemene bijstandswet. Het vrijlaten van het drempelbedrag kost gemeenten bij zo'n 200 mln. aan bijzondere bijstand al gauw een 30 mln. aan compensatie. De vraag rijst dan al snel waarom de drempel pas wordt gecompenseerd als zij overschreden is. Het is dan wat vreemd om voor iemand die ƒ 178 uitgeeft de drempel wel te compenseren en voor iemand die ƒ 1 70 uitgeeft niets te compenseren. Een gemeente zal langs die weg vrij snel in een situatie komen waarin zo'n algemene regeling gigantisch veel geld gaat kosten. Ik vind dat vanuit die invalshoek geen verstandige zaak. De tekst van het amendement van mevrouw Brouwer is bijna gebiedend: de gemeente is verplicht om te allen tijde alles te vergoeden.

Mevrouw Brouwer (GroenLinks): In de toelichting...

Staatssecretaris Ter Veld: De toelichting klopt, maar de tekst klopt niet bij de toelichting. Ik heb het amendement nu niet voorliggen, maar in de toelichting wordt gesteld dat wordt beoogd, de gemeenten in staat te stellen, een drempelbedrag zo nodig buiten beschouwing te laten. In de tekst vervalt echter het artikel waarin de gemeente wordt vrijgesteld van de algemene verplichting om bijzondere bijstand te verlenen. Als de gemeente verplicht is, bijzondere bijstand te verlenen en het vrijstellingsartikeldat geldt niet voor het drempelbedrag -wordt volledig geschrapt, dan is de gemeente te allen tijde gehouden om vanaf de eerste gulden bijstand te verlenen. Ik weet dat mevrouw Brouwer dit niet bedoelt, maar in de tekst die ik twee weken geleden van haar zag, staat dit er wel. Als zij dan ook mocht overwegen om dit in stemming te brengen, zou zij naar mijn mening de tekst in overeenstemming moeten brengen met haar toelichting. Ik wijs er voorts op dat ik een soortgelijk amendement, waarvan de tekst in overeenstemming is met de toelichting van mevrouw Brouwer, voor de heer Schoots gemaakt heb. Misschien zouden zij zich met elkaar kunnen verstaan.

Mevrouw Brouwer (GroenLinks): Dat moeten wij zeker even doen. Mijn toelichting komt er echter niet op neer dat de gemeente de verplichting heeft om alles te vergoeden. Mijn amendement poogt om gemeenten de vrijheid te geven, zelf te bepalen in hoeverre eigen bijdragen in de kosten gewenst zijn.

Staatssecretaris Ter Veld: De toelichting klopt ook absoluut met de tekst, maar de amendering houdt in het schrappen van de bepaling die aangeeft dat de gemeente niet gehouden is, tot ƒ 172 bijzondere bijstand te vergoeden. Dan prevaleert dus uitsluitend het artikel waarin vermeld staat dat de gemeente verplicht is, bijzondere bijstand te vergoeden. Mevrouw Brouwer moet er dus voor zorgen dat haar toelichting terechtkomt bij de goede tekst. Die tekst heb ik twee weken geleden al voor de heer Schoots gemaakt. Volgens mij kunnen zij dus samen een heel mooi amendement maken, waarvan tekst en toelichting bij elkaar passen. Desalniettemin denk ik dat het geen verstandige zaak is, de vrijheid bij de gemeenten te leggen. Ik kan me enerzijds voorstellen dat mevrouw Brouwer vindt dat ik de gemeenten te veel betuttel, maar anderzijds wijs ik erop dat juist de huidige drempel voor mij een van de mogelijkheden is om al mijn collega's erop te attenderen dat ik, willen voorzieningen zoals kinderopvang en gezinsverzorging toegankelijk blijven voor mensen met de laagste inkomens, gebruik maak van het feit dat diezelfde drempel ook is vastgelegd in de bijstandswet. Men moet daar dan ook niet boven komen, omdat anders alles wordt afgewenteld op de bijstandswet. Als gemeenten dan toch vergoeden, vrees ik dat ook daar vrij snel het gevaar optreedt dat u en ik niet willen, namelijk dat er nog meer op de Bijstandswet wordt afgewenteld. Misschien ben ik dus wel betuttelend voor mijn collega's.

Mevrouw Brouwer (GroenLinks): Dat kan ik me heel goed voorstellen, maar ik zal het amendement nog even bekijken en kom er dan in tweede termijn op terug.

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Voorzitter! Ik begrijp dat de staatssecretaris zegt dat zij voor het drempelbedrag is. Dat vind ik een goed uitgangspunt. Ik heb echter nog steeds niet van haar gehoord wat zij doet met de gemeenten die nu al het drempelbedrag helemaal afschaffen en zeggen dat inwoners vanaf de eerste gulden niets hoeven bij te dragen.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik ga ervan uit dat gemeenten de wet uitvoeren zodra dit voorstel tot wet zal zijn verheven. Ik zie niet in waarom gemeenten de vrijheid zouden hebben om een wet niet uit te voeren als die door beide Kamers is aangenomen.

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Maar wij kennen nu ook een wet met een drempelbedrag.

Staatssecretaris Ter Veld: In de periode van geleidelijke toename van minimafondsen en circulaireregelgeving is een bepaalde vrijheid gerealiseerd. Als er nu een nieuwe wet komt, waarin wij dan wel het een dan wel het ander besluiten, is het duidelijk voor de gemeenten wat wet is. Mijn voorkeur gaat er dus naar uit om het drempelbedrag er gewoon in te laten staan, waarbij ik ervan uitga dat gemeenten zich daaraan zullen houden. Als gemeenten dat niet doen, beschik ik over het bestuurlijk gesprek, de aanwijzing en, als het algemene regel wordt, de mogelijkheid van een AMvB.

De heer Schoots (PvdA): Voorzitter! De staatssecretaris erkent dat er op dit moment ook sprake is van het niet toepassen van een drempelbedrag. Dat was geen kwestie van hocuspocus; de gemeenten meenden dat zij daarvoor argumenten hadden. Waarom denkt de staatssecretaris nu dat deze argumenten plotsklaps zouden komen te vervallen met de regeling die zij nu voorstaat?

Staatssecretaris Ter Veld: Ik moet eerlijk zeggen dat ik me, met al mijn begrip voor bijzondere minimafondsen voor gemeenten, altijd heb afgevraagd waarom men zich zo specifiek toespitste op het wegnemen van juist die laagste drempel.

Wat de heer Van Middelkoop zei, namelijk dat men ook op kleine schaal maatwerk moet kunnen leveren, klopt natuurlijk. Daarboven zit echter alle ruimte als het drempelbedrag wordt overschreden. Maar een volstrekte ontkenning van het feit dat er ook voor bijzondere uitgaven in het minimuminkomen ruimte is, geeft mij soms het gevoel dat gemeenten het geld beter kunnen gebruiken bij vergaande overschrijdingen van de grens, mede veroorzaakt door gemeentelijke tarieven. Ik vind een zekere mate van eigen verantwoordelijkheid als het gaat om die grens, die in de bijstandswet is geïndexeerd en nu op ƒ 177 op jaarbasis ligt, niet eens zo vreselijk slecht.

De heer Schoots (PvdA): Dan ben ik het niet met de staatssecretaris oneens. Het gaat er alleen om dat de huidige wettekst gemeenten niet de mogelijkheid geeft om in die ene omstandigheid-of misschien zijn het er twee of driewaarin zij van oordeel zijn dat afgeweken moet worden, puur individueel gezien, af te wijken. Sterker, dan wordt er opgetreden. Dat vind ik jammer en dat is volgens mij ook in strijd met de gedachte achter samenvoeging van bijzondere bijstand en mimimabeleid. Nogmaals, ik ben het eens met de grote lijn. Het gaat mij om dat ene geval, dat dan vaak ook nog een heel triest geval is. Daarin vind ik de regelgeving van de staatssecretaris te rigide.

Staatssecretaris Ter Veld: Het lijkt mij dat onze argumenten in die zin vrij duidelijk zijn. Ik heb het woord "ontraden" niet eens gebruikt, noch bij de suggestie van de heer Schoots, noch bij het amendement van mevrouw Brouwer. Ik acht het alleen een onverstandig amendement, omdat daarmee naar mijn stellige overtuiging de gemeenten zeer licht in de situatie komen waarbij, ook door onderlinge vergelijking, de categorale regelgeving aanzienlijk zal uitbreiden. Het lijkt een klein bedrag wanneer men de drempel compenseert voor degenen die de drempel overschrijden. Ik schat het in een orde van grootte van 30 mln. voor alle gemeenten. Dat is toch niet niks. Ik wijs er echter op dat ook snel de situatie ontstaat waarin men zich afvraagt: waarom wel compenseren als het ƒ 178 is en waarom niet als het ƒ 100 is? En dan lopen de kosten gigantisch op, want iedereen heeft wel kleine bijzonder noodzakehjke uitgaven. Mijn stelling is dat kleine bijzonder noodzakelijke uitgaven ook binnen de bijstand, zeker op jaarbasis, wel te doen zijn.

De heer Van der Vlies (SGP): De algemene lijri die de staatssecretaris aangeeft, kan door de fractie van de SGP wel worden gevolgd. Door het amendement vervalt in principe het drempelbedrag voor alle gemeenten. Dat wil de staatssecretaris niet. Zij denkt daarbij aan eigen verantwoordelijkheid, enzovoort. Dat kan ik begrijpen. Maar in welke mate zal zij vanuit het regeringsbeleid het niet hanteren van het drempelbedrag in heel exeptionele gevallen blijven gedogen? Want dat is, redenerend vanuit de wet, in feite de situatie van dit ogenblik.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik heb het zo uitdrukkelijk opgenomen omdat het niet meer om heel uitdrukkelijke gevallen of om gedogen ging, maar omdat het een vrij generiek beleid werd waarbij drempelbedragen werden gecompenseerd. Een amendement zoals dat van mevrouw Brouwerer is geen drempelbedragis voor gemeenten gewoon niet te betalen. Het voorstel dat in de toelichting op het amendement van mevrouw Brouwer wordt gedaan, namelijk dat de gemeente gerechtigd is om het drempelbedrag in individuele gevallen geheel of gedeeltelijk in aanmerking te nemen -ik noem nu een suggestie -kent naar mijn overtuiging drie risico's. Het eerste is dat daarmee wordt ontkend dat in het minimum de ruimte zit om ook voor kleine bijzondere noodzakelijke uitgaven op te komen. Het tweede is dat hiermee categoraal beleid opnieuw ontstaat. Het derde risico isik wees er net op -dat men in toenemende mate geen rekening meer houdt met het drempelbedrag bij de noodzaak dat voorzieningen in principe toegankelijk moeten zijn voor mensen met een kleine beurs. Op die manier gebruik ik het drempelbedrag ook in de richting van mijn collega's.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik zei al dat ik die algemene benadering op zichzelf kan volgen. Als de wetgever de norm van het drempelbedrag herbevestigt -en dat gaan wij nu doendan kunnen zich toch heel exeptionele situaties voordoen, waarbij je je afvraagt of daar geen goed verhaal bij te houden is en of dat niet moet worden gedoogd. Daar vroeg ik de staatssecretaris naar. Ik vroeg in welke mate zij daartoe bereid zou zijn en onder welke omstandigheden.

Staatssecretaris Ter Veld In feite betekent een gedoogbeleid bijna dat je in de wet moet zeggen dat het gedoogd kan worden en dan kom je weer terecht in een situatie die ik niet wens. Het lijkt mij heel goed als de kamerleden onderling dit aspect in tweede termijn nog eens bespreken. Nogmaals, ik heb het amendement niet onaanvaardbaar verklaard, maar ik moet tegelijkertijd zeggen dat ik de nadelen zeer vele malen groter acht dan de voordelen.

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Voorzitter! Ik heb nog een vraag naar aanleiding van de toelichting die de heer Schoots gaf op het amendement. Hij sprak over dat ene zielige geval. Ik heb dan het idee dat er veel meer aan de hand moet zijn. Het gaat niet alleen om die ƒ 177, want dan kan het nooit één heel zielig geval zijn. Dan moet er volgens mij veel meer gebeuren en dan kan drempelbedrag nooit een belemmering zijn om iemand te helpen. Dat is naar mijn mening ook niet terecht. Ik heb nogal wat moeite met de uitleg van de staatssecretaris. Zij houdt steeds een pleidooi waarin zij aangeeft dat het gehandhaafd moet worden. Toch zegt zij: ik wil niet het onaanvaardbaar over het amendement uitspreken. Wat is het nu? Wil zij het nu wel of niet?

Staatssecretaris Ter Veld: Mijn voorkeur gaat uit naar het niet hebben van het amendement. Er is echter een argument dat mevrouw Doelman niet gebruikt. Ik wil mijzelf best als advocaat van de duivel tegenspreken: ik heb natuurlijk ook in de draagkracht de mogelijkheid aan gemeenten geboden om in bijzondere omstandigheden niet geheel maar gedeeltelijk rekening te houden met het vermogen. In die zin kan ik mij het betoog van de zijde van het GPV, de SGP en ook van de zijde van de PvdA wel indenken. Alles afwegend zeg ik: mijn voorkeur is om het niet te doen omdat ik de nadelen groter acht dan de voordelen. Maar om nu zelf wel een zekere beleidsruimte in het BLD voor te stellen, en dan dit onaanvaardbaar te verklaren, dat is inconsequent. Ik geef hier dus mijn argumenten op grond waarvan ik de fractie van het CDA en mijn eigen fractie, als ik nog in de fractie zou zitten, zou adviseren om, alles overwegende, het niet te doen. Laat de drempel erin! Als de fractie waar ik uit voortkom, toch een amendement indient, dan hebben zij dat anders afgewogen. Ik vind dat de fracties hier hun eigen afweging moeten maken. Het handhaven van het drempelbedrag in de wet heeft mijn voorkeur. Ik heb nu als advocaat van de duivel ook argumenten voor het tegendeel gegeven, die mevrouw Doelman nog niet zelf gehanteerd heeft. Ik kan het dus niet onaanvaardbaar verklaren.

Mevrouw Schimmel (D66): Mijnheer de voorzitter! Ik wil nog een opmerking maken over het drempelbedrag. Op pagina 10 van de nota naar aanleiding van het eindverslag staat dat het drempelbedrag ontleend is aan het niveau van de AAW. Betekent dit dat het drempelbedrag in dit wetsvoorstel nu een autonoom bedrag gaat worden, of dat het gaat meebewegen met het niveau van het drempelbedrag in de AAW? Wat kunnen wij de komende jaren verwachten? Hoelang blijft het drempelbedrag ƒ 177, twee jaar, tien jaar?

Staatssecretaris Ter Veld: Ik merkte net al even op dat het drempelbedrag in de AAW een vast bedrag is en dat het in de Algemene bijstandswet een geïndexeerd bedrag is. Dat is een tijd lang niet opgevallen omdat alle uitkeringen bevroren waren, dus toch allemaal gelijk bleven. De AAW-drempel is ƒ 172 en de drempel in de Algemene bijstandswet is ƒ 177. Zij zijn gelijk begonnen. Bij de ene drempel is echter besloten om het te indexeren en bij de andere niet. Dat is dus een toelichting. Als iets geïndexeerd is, blijft het, gezien de bedoeling van de wet koppeling met aanpassingsmechanismen, een halfjaar gelijk.

Mevrouw Schimmel (D66): Betekent dit dat het drempelbedrag in de AAW verder niet veranderd zal worden?

Staatssecretaris Ter Veld: In de AAW zit op dit moment een vast drempelbedrag. Aangezien de voorzieningen in de AAW straks beperkt zullen worden tot werkvoorzieningen, heb ik er in de AAW geen behoefte meer aan om het drempelbedrag aan te passen. Het wordt straks immers een gemeentelijke en een AWBZ-regeling. Als mevrouw Schimmel hecht aan indexatie van drempelbedragen, dan kan zij het wijzigen in de AAW. Als zij hecht aan een vast drempelbedrag, dan geldt het omgekeerde. Mevrouw Schimmel heeft een vraag gesteld over de TS-21 -plus-regeling en de bijzondere bijstand. Op dit moment is deze regeling nog gedeeltelijk van Onderwijs. Toen was voorgenomen om de TS-regeling via de onderwijskant zodanig te wijzigen dat zij eigenlijk niet meer bestond, hebben wij een goede regeling getroffen voor een compensatie voor diegenen die, gezien hun inkomen en hun overige omstandigheden, daarvoor bijzondere bijstand zouden moeten ontvangen. Inmiddels is de TS-regeling voorzien van een overgangsregeling. Die geldt voor studies die voor 1 januari 1991 zijn aangevangen en waarvoor een tegemoetkoming is verstrekt. De betrokkene houdt dan tot 1 augustus 1992 recht op tegemoetkoming indien de studie niet wordt onderbroken. Wie een TS-21 -plus-regeling heeft en voor 1 januari 1991 is begonnen met de studie, houdt tot augustus 1992 een tegemoetkoming. Alle mogelijke andere voorzieningen die na de wijziging van de TS-21 -plus-regeling niet meer kunnen, zitten dan gewoon onder de gebruikelijke voorwaarden in de bijzondere bijstand. Er is gesproken over de borgtocht. Waarom is er gekozen voor de gemeentelijke kredietbank? Op zichzelf is het inderdaad een goede zaak om de borgtocht te hebben. Dat hebben alle woordvoerders ook bevestigd. Maar waarom wordt nu gekozen voor de gemeentelijke kredietbank? Allereerst is het voor iedere gemeente mogelijk, zich in overleg met andere gemeenten aan te sluiten bij een dergelijke kredietbank. Waarom de gemeentelijke kredietbank? In het kader van de inmiddels gewijzigde Wet op het consumptief geldkrediet -op 1 januari I992 in werking tredendheeft de gemeentelijke kredietbank ten aanzien van de sociale kredietverlening een aparte plaats. Het betreft dan de schuldsanering, volmachten om onderpanden te verkrijgen voor schulden. De GKB's hebben verder een integrale aanpak van schuldsanering en hebben daarvoor een gedragscode, waarbij rekening wordt gehouden met de destijds ingediende motie-Biesheuvel -bij de behandeling van de Wet beslag op loon en uitkeringeninzake termijnen en mogelijkheid van betaling. Waar in andere wetgeving zo uitdrukkelijk bij schuldsanering aan de gemeentelijke kredietbanken een afzonderlijke plaats is gegeven, is het een goede zaak, dat ook hier wordt verwezen naar de gemeentelijke kredietbank. Ik kan dan rekenen op een goede normering en een goede rechtszekerheid. Ik zie niet in, waarom banken betrokken moeten worden bij deze borgtochtverlening. Zij vallen niet onder de bevoegdheden ter zake van de schuldsanering in het kader van de Wet op het consumptief geldkrediet.

De heer Linschoten (VVD): Ik snap best, dat de staatssecretaris vindt, dat aan enkele normen moet worden voldaan, wil je dit instrument in stelling brengen. Haar opmerkingen daarover kan ik delen. Stel, dat ook banken bereid zijn om in het kader van een zelfde normering op basis van vrijwilligheid op deze wijze die faciliteit te verlenen. Waarom zou dat dan moeten worden voorkomen? Men kan natuurlijk stellen..

De voorzitter: Uw vraag is helder. Ik kljk ook naar de klok. Anders moeten wij de behandeling weer onderbreken.

Staatssecretaris Ter Veld Het is vrij simpel. Andere banken vallen niet onder de passages over de schuldsanering in het kader van de Wet op het consumptief geldkrediet. Ik heb niet dezelfde zekerstelling, garantiestelling en rechtszekerheid. Als de heer Linschoten vindt, dat er ook andere banken onder moeten vallen dan had hij destijdsvoorjaar I989-bij de behandeling van de Wet op het consumptief geldkrediet andere banken onder dezelfde bepalingen inzake de schuldsanering moeten brengen. De GKB's zijn zeer breed gezaaid. Er zijn inderdaad witte plekken. De gemeenten kunnen een eigen gemeentelijke kredietbank oprichten. Zij kunnen ook gebruik maken van gemeentelijke kredietbanken in de omgeving. Juist vanwege de aansluiting bij de Wet op het consumptief geldkrediet is een verantwoord en rechtszeker systeem voor schuldsanering gecreëerd. Ik hoop, dat bij de naar ik hoop binnenkort te houden discussie over de schuldsanering, het advies van de commissie-Mijnssen en de wetgeving ter zake van faillissementen dit punt opnieuw kan worden opgevoerd.

De voorzitter: Hoelang denkt de staatssecretaris nog nodig te hebben?

Staatssecretaris Ter Veld: Ongeveer een minuut.

De voorzitter: Gaat uw gang.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik kom te spreken over de invoeringstermijn. De gemeenten willen een maand van tevoren kennis kunnen nemen van het wetsvoorstel. Ik hoop, dat de Eerste Kamer in staat is het zodanig tijdig te behandelen, dat met de VNG overleg gepleegd kan worden over een spoedige invoering. Mocht het 1 oktober worden, dan zal een kleiner deel naar het Gemeentefonds gaan en een groter deel op declaratiebasis worden uitgekeerd. Ik ben bereid een evaluatie uit te voeren. Dat kan bij de herinrichting aan de orde komen. Het is geen goede zaak om de evaluatie in de wet vast te leggen. Bij de herinrichting Algemene bijstandswet moet een dergelijke bepaling opnieuw worden overwogen.

De voorzitter: Naar mij bhjkt, is er behoefte aan een tweede termijn. Deze zal in de loop van de avond kunnen beginnen, nadat de behandeling van het wetsvoorstel brede herwaardering is afgerond.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 18.10 uur tot 19.40 uur geschorst.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.