Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 292

22012

Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en van een aantal sociale zekerheidswetten, houdende vaststelling van een stelsel van koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de loonontwikkeling met de mogelijkheid tot afwijking GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET 5 juli 1991

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de aanpassing van het minimumloon en van de uitkeringen krachtens een aantal sociale zekerheidswetten neer te leggen in een stelsel waarin koppeling aan de loonontwikkeling is vastgeiegd, met de mogelijkheid daarvan in bij de wet omschreven omstandigheden af te wijken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

A1Artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) wordt vervangen door:

Artikel 14

  • Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt telkens met ingang van 1 januari door Onze Minister herzien overeenkomstig: a. de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande jaar, is geraamd; en b. het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorafgaande jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorafgaande jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in dat jaar, nader is geraamd. 2. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt telkens

11394 7FISSN0921736 3Sdu Uitgeverij Plantijnstraat '

s Gravenhage 1991

met ingang van 1 juli door Onze Minister opnieuw herzien overeenkomstig het verschil tussen de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, nader is geraamd. 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder ontwikkeling van de contractlonen verstaan: het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in marktsector, gepremi-eerde en gesubsidieerde sector, en bij de overheid, zoals deze door het Centraal Planbureau wordt bekend gemaakt. 4. Indien de toepassing van het eerste, dan wel het tweede lid zou leiden tot verlaging van het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt dat bedrag ongewijzigd vastgesteld. Voor zover hierdoor geen toepassing wordt gegeven aan het eerste, dan wel het tweede lid wordt het daarmee gemoeide percentage bij de eerstvolgende herziening en voor zover nodig tevens bij de daarop volgende herzieningen, alsnog in aanmerking genomen. 5. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, kan met ingang van 1 januari en van 1 juli bij algemene maatregel van bestuur in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid worden vastgesteld, naar gelang sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling zodanig dat hiervan schade voor de werkgelegenheid kan worden verwacht dan wel van een zodanige volumeontwikkeling in de sociale zekerheidsregelingen dat daardoor een betekenende premie-of belastingdrukverhoging noodzakelijk is. 6. Indien per 1 januari toepassing is gegeven aan het vijfde lid, blijft per 1 juli van hetzelfde jaar de toepassing van het tweede lid achterwege. Indien echter inmiddels gebleken is dat de grond voor de toepassing van het vijfde lid niet langer aanwezig is, wordt het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, met ingang van 1 juli van hetzelfde jaar alsnog door Onze Minister herzien overeenkomstig het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, is geraamd en de herziening die per 1 januari heeft plaatsgevonden. 7. Indien per 1 juli toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid dan wel het zesde lid, eerste volzin, toepassing heeft gevonden, blijft per 1 januari van het eerstvolgende jaar de toepassing van het eerste lid, onder b, achterwege. 8. Alvorens een voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid te doen, stelt Onze Minister de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid hem van advies te dienen. 9. Indien een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid wordt voorbereid legt Onze Minister, nadat toepassing is gegeven aan het achtste lid, het ontwerp van die maatregel met de daarbij behorende nota van toelichting over aan de beide Kamers der Staten-Generaal. De voordracht tot de maatregel kan worden gedaan nadat tien dagen na de overlegging zijn verstreken of zoveel eerder als beide Kamers te kennen hebben gegeven dat geen verdere inlichtingen worden verlangd. 10. Het overeenkomstig het eerste tot en met het vierde en het zesde lid herziene bedrag wordt afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van f 1,30. Indien het restbedrag f 0,65 bedraagt, geschiedt de afronding naar boven. 11. Bij een herziening overeenkomstig het eerste tot en met het zesde lid worden tevens de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder b en c, herzien en wel in dier voege, dat het onder b genoemde bedrag wordt gesteld op 3/13 en het onder cgenoemde bedrag op 3/65 van het herziene bedrag. 12. De overeenkomstig het eerste tot en met het zesde en het elfde lid herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, met dien verstande dat de afronding, bedoeld in het tiende lid, bij de eerstvolgende herziening buiten beschouwing blijft. 13. Indien te voorzien valt dat een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid niet tijdig voor 1 januari respectievelijk 1 juli tot stand zal kunnen komen, kan Onze Minister bepalen dat de laatstelijk vastgestelde bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, nog gedurende een bij zijn besluit vast te stellen periode van ten hoogste drie maanden van kracht blijven en kan een algemene maatregel van bestuur in aansluiting op die periode worden vastgesteld. 14. Onze Minister vraagt telkens na verloop van een termijn van ten hoogste vier jaar, voor het eerst uiterlijk in 1994, aan de Sociaal-Economische Raad advies over de vraag of er omstandigheden aanwezig zijn die een bijzondere wijziging wenselijk maken van de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid. Nadat een advies als bedoeld in dit lid is uitgebracht kunnen bij algemene maatregel van bestuur bedragen wordsn vastgesteld die in de plaats treden van de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid. Het negende lid is van overeenkomstige toepassing. 15. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt bij algemene maatregel van bestuur verlaagd in de mate waarin en met ingang van het tijdstip waarop de minimumvakantiebijslag met toepassing van artikel 15, vierde lid, wordt verhoogd. Wanneer een verlaging op grond van dit lid samenvalt met een bijzondere wijziging op grond van het veertiende lid, worden de in artikel 8, eerste lid, genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld en is tevens het negende lid van overeenkomstige toepassing. 16. Wanneer een bijzondere wijziging of een verlaging op grond van het veertiende of vijftiende lid samenvalt met een toepassing van het eerste tot en met het zesde en het elfde lid, worden de in artikel 8, eerste lid, genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld, met dien verstande dat in dat geval voor de toepassing van het eerste tot en met het zesde en het elfde lid wordt uitgegaan van de op grond van het veertiende of vijftiende lid herziene bedragen.

A2Artikel 15, vierde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt vervangen door: 4. Onze Minister vraagt in de adviesaanvrage, bedoeld in artikel 14, veertiende lid, tevens advies over de vraag of de ontwikkeling van het niveau van de in collectieve arbeidsovereenkomsten overeengekomen vakantiebijslag een verhoging van de minimumvakantiebijslag wenselijk maakt. Nadat een advies als in dit lid bedoeld is uitgebracht, kan bij algemene maatregel van bestuur het percentage, genoemd in het eerste lid, en dienovereenkomstig het percentage, genoemd in artikel 16, tweede en derde lid, worden verhoogd; daarbij kan tevens een minimumbedrag worden vastgesteld voor de aanspraak van de werknemer jegens zijn werkgever ingevolge het eerste lid.

B Artikel 15 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1 987, 89) wordt vervangen door:

Artikel 15

  • De daglonen worden herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onder c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) wordt herzien. 2. Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt.

Artikel 46 van de Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93) wordt vervangen door:

Artikel 46

  • De daglonen worden herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onder c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien. 2. Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt.

Artikel 5a van de Wet Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485) wordt vervangen door:

Artikel 5a

  • De daglonen worden herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onder c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) wordt herzien. 2. Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt.

Artikel 9a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1987, 552) wordt vervangen door:

Artikel 9a

  • Het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onder c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) wordt herzien. 2. De dag, bedoeld in het eerste lid, en het overeenkomstig het eerste lid herziene bedrag worden door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt. 3. Het overeenkomstig het eerste lid herziene bedrag treedt in de plaats van het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid. 4. Uitsluitend voor de berekening van het loon waarnaar de premies worden geheven, wordt het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, afgerond op hele guldens naar beneden en blijft het bedrag zoals dat

geldt per 1 januari van een kalenderjaar gedurende dat hele kalenderjaar van kracht.

In artikel 72, eerste lid, onder 2°, van de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1990, 129) vervalt na «artikel 14»: , eerste, zesde of zevende lid.

De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1990, 127)wordt gewijzigd als volgt:

  • Artikel 10, vijfde lid, wordt vervangen door: 5. De grondslag, bedoeld in het vierde lid, wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onder c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien.
  • Aan artikel 10 wordt een zevende lid toegevoegd, luidende: 7. Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het vijfde lid plaatsvindt.

Artikel II

  • Indien voor de eerste maal toepassing aan artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat ingevolge deze wet komt te luiden, wordt gegeven per 1 januari en deze toepassing niet het vijfde lid betreft, blijft de toepassing van het eerste lid, onder b, achterwege. 2. Indien voor de eerste maal toepassing aan artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat ingevolge deze wet komt te luiden, wordt gegeven per 1 juli en deze toepassing niet het vijfde lid betreft, vindt deze herziening plaats overeenkomstig het verschil tussen de herziening die per 1 januari daaraan voorafgaand heeft plaatsgevonden en de ontwikkeling van contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, wordt geraamd. 3. Indien de eerste toepassing van artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag na de inwerkingtreding van deze wet, niet de toepassing van het vijfde lid van genoemd artikel betreft, kan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voor zover deze eerste toepassing er toe zou leiden dat de herziening van het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, van de bovengenoemde wet, gerekend over het betrokken jaar, hoger is dan de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen onderscheidenlijk in het Centraal Economisch Plan voor hetzelfde jaar wordt geraamd, bedoelde herziening, in afwijking van artikel 14, eerste en tweede lid, van die wet, naar evenredigheid lager vaststellen.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.