De behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Bijstandswet en daarop rustende nadere regelgeving in verband met decentralisatie van de bijzondere bijstand en vergroting van de mogelijk... - Handelingen Eerste Kamer 1990-1991 25 juni 1991 orde 3


Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van: -het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Bijstandswet en daarop rustende nadere regelgeving in verband met decentralisatie van de bijzondere bijstand en vergroting van de mogelijkheden om met behoud van uitkering deel te nemen aan scholing en opleidingen (21644).

De beraadslaging wordt geopend.

©

H.F. (Han)  HeijmansDe heer Heijmans (VVD): Voorzitter! U kunt zich wellicht voorstellen dat het mij een eer en genoegen is, als eerste onder uw leiding het woord te mogen voeren. Daar begin ik dan maar onmiddellijk mee. Dit wetsvoorstel laat zien dat l'histoire se répète. Aanvankelijk was de uitvoering van de op de persoonlijke omstandigheden afgestemde bijstandswet geheel in handen van de gemeente gelegd. Waarschijnlijk omdat de bij een aantal gemeentelijke sociale diensten gehanteerde kalender op 5 december of daaromtrent werd stilgezet, werden de gemeenten geleidelijk aan meer aan centrale voorschriften gebonden. Volgens de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel zou de wens om te komen tot een grotere rechtszekerheid en rechtsgelijkheid aan deze centralisatie ten grondslag liggen. Is dit, zo vraag ik de staatssecretaris, een nette omschrijving van de door mij aangeroerde stop in de tijd? Het moet haast wel, want even verder in de memorie van antwoord zegt zij -zij heeft dit tegen alle kritiek in aan de overzijde volgehouden -dat er voldoende mogelijkheden zijn om tegenwicht te bieden aan het gevaar van al te grote rechtsongelijkheid bij de nu voorgestelde decentralisatie van de bijzondere bijstand. Ik kom hier direct kort op terug. In de memorie van toelichting wordt als redengeving voor dit wetsvoorstel gezegd dat als gevolg van het grote aantal centrale voorschriften niet de noodzakelijke hulp op maat kan worden gegeven. En dus gaat de specifieke verantwoordelijkheid voor de bijzondere bijstand weer naar de gemeenten, wordt het bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria ingetrokken, wordt het begrip "bijzondere noodzakelijke bestaanskosten" verruimd en wordt ten slotte de mogelijkheid om met behoud van uitkering deel te nemen aan overigens toch nog beperkte vormen van scholing en opleiding, opgerekt. Voorzitter! Wat het gevaar van rechtsongelijkheid betreft, vindt mijn fractie dat de staatssecretaris voldoende garanties tegen uitwassen heeft ingebouwd. Het is tenslotte toch zo dat, als in wet-en regelgeving een functionele decentralisatie of autonome bevoegdheden wordt/worden geïntroduceerd, er per definitie geen volstrekte rechtsgelijkheid zal zijn. Wij weten toch dat bijvoorbeeld rechtbanken in bepaalde arrondissementen op bepaalde punten strenger of milder zijn. Dit geldt ook voor de belastinginspecteurs en voor uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid. Jurisprudentie is dan een van de middelen om al te scherpe plooien weg te strijken. Dat neemt niet weg dat het een verstandig besluit van de Tweede Kamer is geweest om na twee jaar de stand van zaken te evalueren. Ik wil niet al te zeer in herhaling treden over de 100 mln. extra die de gemeenten krijgen. Het staat in het regeerakkoord en dat is heilig.

althans voor zolang de coalitiepartners ermee uit de voeten kunnen. Toch wil ik hier een vraag over stellen. Als straks zal blijken dat dit geld in verreweg de meeste gevallen niet nodig is en de gemeenten het voor andere goede of plezierige doelen, zoals dat tegenwoordig heet, gebruiken, wordt het bedrag dan teruggenomen en voor een ander goed doel aangewend? Ik denk hierbij aan een reductie van de ongelukkige bezuiniging op de arbeidsvoorziening en het doen van iets extra's voor het terugbrengen van het financieringstekort. Een volgende vraag gaat over het moment, waarop de wet moet gaan werken. Is, zo vraag ik de staatssecretaris, de tijd er nu wel rijp voor? Onlangs heeft zij immers vrij felle kritiek geleverd op sociale diensten, die te weinig controle zouden uitoefenen. Moet je die diensten nu extra belasten met maatwerk, terwijl zij blijkbaar niet eens goed "confectie" kunnen leveren? Bestaat het gevaar niet dat zij, eindelijk toch wel doordrongen van het feit dat zij ordinaire uitkeringsfabrieken zijnmede gezien mijn professionele afkomst kan ik dit allesbehalve scandaleus vindenzich nu toch weer meer gaan toeleggen op het in de sociale academies van de jaren zestig en zeventig aangeleerde? Mijn voorlaatste vraag betreft de brief van de staatssecretaris aan de gemeentebesturen, waarin zij schrijft dat deze nu al kunnen beschikken over de toegezegd extra bedragen, de 100 mln. dus. Loopt zij hiermee niet vooruit op de parlementaire afhandeling van het nu voor ons liggende wetvoorstel? Ik geef toe dat het waarschijnlijk theorie is, maar wat zou zij doen, als dit huis vandaag neen zou zeggen? Haar brief is bovendien verzonden, voordat wij een blanco eindverslag hadden uitgebracht. Zij had dus geen enkele indicatie van onze beoordeling van het wetsvoorstel. Ik heb ten slotte nog een vraag en marge van het voorliggende wetsvoorstel. Die vraag kwam gisteren bij mij op tijdens een zitting van de bestuurscommissie beroepszaken sociale zekerheid in mijn provincie. Wanneer kan de staatssecretaris duidelijkheid geven over een eventuele overgang van deze beroepszaken naar de raden van beroep? De ambtenaren op de provinciale griffies die met de voorbereiding van deze zaken zijn belast, gaan stuk voor stuk naar andere banen die hun meer zekerheid voor hun toekomst bieden. Dat is even begrijpelijk als zorgwekkend. De procesgang komt op deze wijze namelijk in de gevarenzone terecht, zo dat al niet het geval is. Mede vanuit mijn praktijkervaring wil ik de staatssecretaris met klem wijzen op deze gevolgen van het uitblijven van concrete maatregelen. Ik zou mij zeer verplicht voelen als zij een beetje concreet antwoord kon geven op de door mij gestelde vraag. De staatssecretaris heeft tijdens ons laatste debat, dat ging over het initiatiefwetsontwerp-Groenman/Nypels, mij verrast met een bij mijn weten ongekende frivoliteit: een limerick. Ik meen deze charmante en hartelijke geste te moeten reciproceren en ik vat de essentie van het wetsontwerp en het oordeel van mijn fractie dan ook als volgt samen, met overigens mijn verontschuldigingen aan met name de nieuwe collega-kamerleden die de voorgeschiedenis niet kennen en op wie de tekst misschien wat cryptisch overkomt. "De staatssecretaris zegt: 'zonde', de bijstand blokkeert de rotonde.' Een deel schuift dan ook naar Makkum of Mook. Wij slaan in haar plannen geen wonde."

De heer Van der Meulen (CDA): Mijnheer de voorzitter! Ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Heijmans; ook ik wens u in uw nieuwe functie het allerbeste toe. Ik hoop dat u vanmiddag wat soepel bent, want mijn spreektijd zal wellicht enkele minuten langer zijn.

De voorzitter: Direct boter bij de vis!

©

H. (Harm) van der MeulenDe heer Van der Meulen (CDA): Ja. Voorzitter! Ik begin mijn bijdrage in dit debat met een citaat uit het program van actie '89-'93 van het CDA. "De regelgeving in het kader van de Algemene bijstandswet moet worden vereenvoudigd. Dit kan leiden tot meer verantwoordelijkheden voor de gemeenten binnen daarop afgestemde financiële kaders. Binnen de uitvoering van de Algemene bijstandswet wordt ruim aandacht besteed aan het stimuleren van het verkrijgen van inkomsten door middel van arbeid. De mogelijkheden worden onderzocht om voor diegenen die langdurig op de ABW aangewezen zijn ruimte voor bijverdiensten te creëren." Als ik deze blauwdruk van uitgangspunten loslaat op het thans voorliggende wetsontwerp, dan kom ik tot de conclusie dat het voor het CDA een herkenbaar een zeer acceptabel voorstel is. In deze bijzondere regeling is sprake van vereenvoudiging. De gemeenten krijgen meer armslag een eigen beleid te voeren. Hun verantwoordelijkheid wordt groter. Geen generieke maatregelen, maar rekening houden met de individuele behoefte en de gezinssituatie. De financiële kaders staan vast, het declaratiesysteem verdwijnt. Grote aandacht voor scholing, gericht op herintreden. Een dergelijke richting past binnen het participatie-en integratiedenken, door het CDA sterk bepleit. Wij hebben hier te maken met een bijzondere regeling die onderdeel uitmaakt van en als het ware gebouwd is op de normale Algemene bijstandswet. Je zou kunnen zeggen dat het een soort bovenbouw is. Het was nodig het dak van dat huis grondig te repareren. Door een eigen beleid, soms een afwijkend eigen beleid in veel gemeenten, was dat dak behoorlijk gaan lekken. Maar wel van belang is of deze bovenbouw, met zijn uitguingspunten als door mij geschetst, past op de te repareren onderbouw. Dat moet toch wel enigermate kloppen, anders past het dak niet op dat huis. Er is nu een voorontwerp herinrichting ABW. De SER heeft daarover een redelijk unaniem advies uitgebracht. Het wachten is nu op een hopelijk snel komend definitief ontwerp van wet. Kan de staatssecretaris aangeven of de door mij genoemde elementen van de zelfstandige verantwoordelijkheid van de gemeenten, een afgestemd financieel kader met loslating van het declaratiesysteem enals het kanwat ruimte voor eigen bijverdiensten, teruggevonden worden in het ophanden zijnde wetsvoorstel? Want het door mij gegeven citaat uit ons actieprogramma geldt niet alleen de bijzondere regeling, maar ook de totale Algemene bijstandswet, het totale gebouw dus. In het kader van het aan de orde zijnde wetsvoorstel een vraagje. Bij de bijzondere bijstand zal het declaratiesysteem van de gemeenten richting Den Haag vervallen. Dat zal voor het ministerie minder post.

minder controle, minder administratie en vermoedelijk ook minder rompslomp en kopzorg betekenen. Heeft dit te zijner tijd effect op het personeelsbestand en, 20 ja, hoe groot is dat, zo vraag ik de staatssecretaris. Allerlei vormen van scholing zijn in het pakket van de bijzondere bijstand opgenomen en ook dat is door de CDA-fractie met instemming begroet. Goede scholing is essentieel om deze mensen een grotere kans te geven op een plek op de arbeidsmarkt. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de problematiek van de harde kern, bestaande uit bijna 250.000 mensen die drie jaar of langer een uitkering ontvangen? Welk soulaas bieden scholingsmogelijkheden aan deze moeilijk te bereiken groep? Mensen in de RWW hebben, althans op papier, sollicitatieplicht. Bij een ABW-uitkering geldt dat minder en in vele gevallen helemaal niet. Indien er een regeling wordt getroffen voor opleiding met bijvoorbeeld kinderopvang ontstaat dan de verplichting tot solliciteren? Ik begrijp dat de staatssecretaris niet ingaat op het verzoek om een soort lijst op te stellen van wat onder de bijzondere bijstand valt. Dat Is juist overgedragen aan de gemeenten. Ik begrijp ook dat de staatssecretaris zich met name richt op het beroepsonderwijs. Dat zou voor vrouwen een goede zaak zijn. Ook versta ik, dat de staatssecretaris er niets voor voelt om voor een soort alternatieve financiering te zorgen. Een RBA heeft geld om allerlei opleidingen in te kopen en de studiefinanciering is er ook nog. Gelet op de grote groep van mensen ouder dan 27 c.q. 35 jaar, die in de ABW zitten met een relatief lage opleiding en weinig werkervaring, begrijp ik niet waarom de staatssecretaris tijdens de behandeling in de Tweede Kamer stelde "dat het nooit kan gaan om een studie waarvoor de Wet studiefinanciering in principe van kracht is". Tot 27 jaar lijkt dat logisch, maar niet als de staatssecretaris vervolgt "ook niet als men op grond van leeftijd daarvoor te oud is". Dan valt toch een grote groep uit de boot? Ik dacht dat er sprake was functionele decentralisatie. Het lijkt of hier de oude Adam weer even boven komt: wat ik kan regelen, dat regel ik. Waarom wordt een dergelijke beslissing niet overgelaten aan de gemeente die in alle zorgvuldigheid kan afwegen? Ik wil nog een laatste thema aansnijden. Wat gebeurt er met de uitkering als iemand weigert een voor hem/haar passende scholing te accepteren? Zijn daar consequenties aan verbonden? Ik maak deze opmerking als opstapje naar het volgende. Is de nu in te voeren nieuwe opzet, die wij onderschrijven, bevorderlijk voor de bestnjding van oneigenlijk gebruik, misbruik of fraude? Dat is een geliefkoosd onderwerp, waar iedereen over mee kan praten, net als over onze nationale sport, het voetbal, maar bij nadere beschouwing blijkt dat veel minder Nederlanders uiteen kunnen zetten wanneer een speler echt buitenspel staat. Dat onderwerp is nu bespreekbaar, zegt men. Het is soms wel verwarrend, niet alleen voor de amateurs. In Trouw van 11 juni jongstleden lees ik dat staatssecretaris Ter Veld zware kritiek heeft op de fraudebestrijding van de sociale diensten en dat in Amsterdam 35.000 uitkeringstrekkers er wit bijverdienen. Enkele dagen later is er een reactie van de Amsterdamse wethouder Ada Wildekamp die zegt dat het oordeel van Elske ter Veld op een misverstand berust. De helft van die 38.000 had een gedeelte van het jaar gewerkt. Er blijven dan nog altijd 17.500 gevallen over. Wie heeft het nu bij het rechte eind: Elske of Ada? Het onderwerp fraudebestrijding is bespreekbaar. En hoe! Soms denk ik dat er sprake is van een hetze. Is het misschien de zuivere waarheid? Ligt de waarheid in het midden? In het Utrechts Nieuwsblad en in andere bladen van 13 juni stond een groot artikel met de kop "iedereen sjoemelt met de bijstandswet". Dat zal veel mensen goed doen. Zij hebben het altijd al geweten. Zij hebben zo hun eigen terminologie om dat aan te duiden. Die kop gaat erin als koek. Bij nadere beschouwing blijkt wat anders. Ja, zij zijn er, die anoniem onverbloemd vertellen dat zij de ƒ 1100 per maand als een basisinkomen zien en dat zij er tenminste voor een zelfde bedrag bij klussen. Zij zijn er ook, bestuurders van gemeenten, wethouders die ook anoniem verklaren dat de vloer in de ABW rot is, dat zij voortdurend bezig zijn, de grenzen van de Algemene bijstandswet te verleggen. Creativiteit wordt dat genoemd. Zij zijn er, ook weer anoniem, ambtenaren en maatschappelijk werkers die zich in ongunstige zin over de Algemene bijstandswet uitlaten en niet meer van zins zijn, de wet uit te leggen, maar de mazen in de wet aangeven en de ogen dicht doen bij overtredingen. In alle disciplines die te maken hebben met de Algemene bijstandswet wordt blijkbaar gesjoemeld. Of dit incidenteel of wijdverbreid is, ontgaat mij. Generaliseren is geenszins mijn bedoeling. Wel weet ik dit: ieder die zich in het verleden en ook nu nog inzet voor een goede Algemene bijstandwet kan niet tolereren dat door bestuurlijke onmacht deze regeling in een kwaad daglicht komt te staan of misschien zelfs wel om zeep wordt geholpen. Daarom herhaal ik mijn vraag: is deze nieuwe regeling beter toegesneden om uitwassen te voorkomen of terug te dringen? Welke instrumenten zijn er of moeten er komen om al dat gesjoemel door wie dan ook zo veel als mogelijk is, te bestrijden? Moeten wij misschien tot de overtuiging komen dat noch de centrale overheid, noch de plaatselijke overheden bij machte zijn, deze problemen doeltreffend aan te pakken? Hopelijk weet de staatssecretaris hierin de juiste weg te wijzen. Misschien kan zij het juiste licht werpen op deze zaak die ik als zeer onverkwikkelijk beschouw.

©

W. (Willem) van de ZandschulpDe heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter! Bij de invoering van de Algemene bijstandswet in 1965 werd een zwaar accent gelegd op het zogenaamde individualiseringsbeginsel. De bijstandsuitkering wordt afgestemd op de omstandigheden van persoon en gezin en op het getoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Dit individualiseringsbeginsel is in de loop der tijden verbaal steeds beleden en zelfs bewierookt. Tegelijkertijd ontstond er echter al vrij snel een roep om harmonisatie tussen de gemeenten en om een centrale normering met een verwijzing naar de beginselen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Zo ontstonden in 1974 het Bijstandsbesluit landelijke normering en in 1980 het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria. Voor het overige werd en wordt de ABW geregeerd door tientallen AMvB's, uitvoeringsbeschikkingen, rijkstoezicht en aanwijzingen van de staatssecretaris.

Het individualiseringsbeginsel werd steeds meer een holle leus, die vooral moest dienen als legitimatie voor een financieringsstructuur waarbij 10% van de bijstandsuitgaven voor rekening van de gemeenten moest blijven. De ontwikkeling naar centrale regelgeving met objectieve normen is zeer begrijpelijk. Het valt moeilijk uit te leggen waarom persoon A iets meer bijstand zou krijgen dan persoon B, zeker waar privacybescherming de sociale dienst verhindert om uit te leggen dat de specifieke individueel bepaalde situatie van A verschilt van die van B. Met de invoering van het BLD, het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcnteria in 1980 werd het begrip "draagkracht voor noodzakelijke bijzondere bestaanskosten" herleid tot een rekensom die iedereen, zij het na enige oefening, zelf kan maken. Met deze landelijke draagkrachtcriteria zou wellicht best te leven zijn geweest als in de jaren tachtig de relatieve hoogte van het sociaal minimum op peil was gebleven. Dat is echter volstrekt niet het geval geweest en wij kennen allen de rapporten over "Minima zonder marge" en "de Arme Kant van Nederland". De gemeentebesturen hebben op hun eigen wijze op het verschijnsel van armoede gereageerd: kwijtscheldingsbeleid, steunfondsen, E-teams, schuldsaneringsfondsen, reductieregeling of stadspas. Dat waren en zijn nuttige maar wel zeer marginale pogingen om het landelijke inkomensbeleid aan te vullen en te corrigeren. Als signaal en als protestuiting heb ik dit gemeentelijke minimabeleid toegejuicht, overigens vanuit de overtuiging dat een goed inkomensbeleid een taak van de centrale overheid hoort te zijn. De centrale overheid heeft ambivalent gereageerd op gemeentelijke initiatieven. Enerzijds werd het aanvullende gemeentelijke minima-beleid met onuitgesproken dank geaccepteerd als buffer en stoplap voor vallende gaten. Anderzijds werden soms gemeenteraadsbesluiten voor vernietiging aan de Kroon voorgedragen, namelijk als er iets te openlijk sprake was van protest tegen of doorkruising van het rijksbeleid. Omringende gemeenten waren dan gewaarschuwd; zij kozen daarop hun formuleringen dusdanig dat de categorale benadering toch een individualiserend tintje meekreeg.

Aldus ontstond er een systeem van geven en nemen en een nieuw evenwicht tussen Rijk en gemeenten met een hoog gedooggehalte van de kant van de centrale overheid. Het kabinet-Lubbers III heeft bij het inkomensbeleid de koers enkele graden verlegd. De koppeling wordt nu al weer twee jaar toegepast. Daarmee wordt een eind gemaakt aan verdere relatieve verarming van de sociale minima, niet minder en niet meer. De opgelopen achterstand van de jaren tachtig wordt hiermee niet ongedaan gemaakt. Als aanvulling hierop wordt een decentraal uit te voeren beleid van sociale vernieuwing ingezet. Hierbij past een decentralisatie en een deregulering van de bijstand voor bijzondere noodzakelijke bestaanskosten en een uitbreiding ervan, zowel in de financiële middelen als in de mogelijkheden. Er ontstaat meer ruimte om tegemoet te komen aan schrijnende gevallen en het vrijwel verloren gegane individualiseringsprincipe krijgt iets meer ruimte. Wij steunen dit beleid met de pijnlijke kanttekening dat hierbij nog geen sprake is van een snelle en een toereikende aanpak van het armoedeprobleem. Het accent op de uitbreiding van de bijzondere bijstand heeft ook iets van een verlegenheidsgebaar. Ook wij maken afwegingen binnen nauwe financiële en politieke marges: de dringende noodzaak tot reductie van het financieringstekort, die andere nuttige overheidsuitgaven verdringt; de noodzaak tot vergroting van de arbeidsparticipatie, en dit in een tijdperk, dat de way out van verhoging van de collectievelastendruk geblokkeerd wordt door een verdere internationalisering van de economie en het heersende politiekculturele klimaat. In deze situatie zijn wij er content mee, dat de voorgenomen decentralisatie van de bijzondere bijstand gepaard gaat met een toename van 200 naar 300 mln. op jaarbasis. De vergroting van de individualiseringsgraad past bi] dit beleid in deze verhoudingen. Ik accepteer daarbij het risico van een iets grotere rechtsongelijkheid, in aanmerking nemend, dat in de voorstellen toch enig tegenwicht ingebouwd is. Overigens behoor ik in algemene zin tot die stroming, die vooral de nadruk legt op rechtsgelijkheid en rechtszekerheid via objectief geformuleerde rechten en plichten, die voor iedereen gelden, ongeacht woonplaats. Vele politici beklemtonen tegenwoordig in openbare uitspraken, dat de uitkeringen van mensen die het echt, maar dan ook heel echt nodig hebben, onaangetast moeten blijven. In zulke formuleringen beluister ik twee ondertonen. De eerste is een lichte echo uit de tijd van de Armenwet-en die ondertoon is mij minder sympathiek-en de tweede ondertoon is een protest tegen oneigenlijk gebruik en misbruik. En die ondertoon neem ik terdege serieus. Rechtshandhaving is een van de voorwaarden voor instandhouding van een goed stelsel van sociale en collectieve voorzienigen. Het zogenaamde handhavings-beleid heeft ten doel, dat ieder krijgt, wat hem/haar toekomt, niet meer en niet minder. Het heeft dus twee kanten. Overconsumptie en onderconsumptie verdienen evenveel aandacht. Uit onderzoek is bekend, dat vooral bij de bijzondere bijstand en bij de huursubsidie sprake is van een aanzienlijke mate van onderconsumptie. Terecht wordt nu de decentralisatie van de bijzondere bijstand gekoppeld aan uitbreiding van middelen. Ik koppel het tevens aan de noodzaak tot uitbreiding van voorlichting. De staatssecretaris zegt, dat de voorlichting over bijzondere bijstand nu voornamelijk een taak van de gemeenten wordt. Dat klinkt voor de hand liggend bij een beleid van decentralisatie en deregulering. De grotere sociale diensten zullen straks ongetwijfeld op hun gemeente toegesneden voorlichtingsmateriaal produceren. Ikweet niet of dit ook in allerlei kleine plaatsen zal gebeuren. Ik denk, dat er zeker ook behoefte blijft aan landelijk voorlichtingsmateriaal, uiteraard nogal globaal, maar als dit wetsvoorstel toch zeseneenhalve gedrukte pagina's tekst bevat, moet dat toch voldoende aangrijpingspunten geven voor een centrale folder. In meer algemene zin denk ik, dat er behoefte bestaat aan meer en gedegen voorlichting over de bijstandswet en de bijstandspraktijk. Sommige specifieke regelingenik noem de regeling voormalige éénoudergezinnen en de overbruggingsregelingzijn heel weinig bekend, soms zelfs nauwelijks bij de uitvoerders van deze wetten. De precieze reikwijdte van een wel algemeen bekende term als "woningdelerskorting" is slechts aan weinigen geopenbaard. De laatste mij bekende grondige en verantwoor-de popularisenng van de bijstand is een boekje van de Stichting de Ombudsman te Hilversum, dat uit 1986 dateert. Het is inmiddels dus hopeloos verouderd. De staatssecretaris prijst in de stukken vooral aan het vragenboek Alles over bijstand met tal van losse inlegvellen. Dat werkje heeft ongetwijfeld zijn verdienste, maar dat bevredigt natuurlijk lang niet alle behoefte aan voorlichting. Een ruim verspreide, landelijke folder over die bijzondere bijstand, die betrokkenen nadrukkelijk verwijst naar de sociale diensten of de afdeling Sociale zaken van hun gemeente voor de lokale uitwerking ervan, kan ook de wat tragere gemeenten prikkelen om snel aan de slag te gaan en hun eigen beleid te ontwikkelen Voorzitter! Ik onderschrijf de mening van de staatssecretaris dat het zeer wenselijk is als gemeenten een eigen beleidsplan opstellen en jaarlijks verslag uitbrengen over de toepassing van de bijzondere bijstand. Ik deel ook haar mening dat het niet past bij de voorgenomen decentralisatie als wij dit centraal voorschrijven. Bij de keus voor decentralisatie en deregulering past echter niet dat er nog centraal een vast drempelbedrag voor bijzondere bijstandsverlening wordt voorgeschreven. Ik erken dat er vaak goede argumenten zullen zijn om een zeker drempelbedrag te hanteren, maar nu de financiële verantwoordelijkheid voor de bijzondere bijstand geheel naar de gemeenten overgaat, dienen deze ook te bepalen in hoeverre een drempelbedrag wenselijk is. Wij betreuren het daarom sterk dat in de Tweede Kamer geen meerderheid te vinden was voor het amendement Schoots/Brouwer om in de bijstandswet B

Kosten voor schoimg, werkervaring en dergelijke en eventueel daarmee samenhangende kosten voor kinderopvang komen, voor zover niet elders vergoed, voor rekening van de bijzondere bijstand zonder drempelbedrag. Ik ben er eveneens content mee dat toegestane scholing met behoud van bijstands-of RWW-uitkering niet langer per definitie halt houdt bij scholing op het tertiaire niveau. Mijn vreugde is echter wel beperkt. De toegestane hoge opleidingen betreffen slechts specifiek op hoger opgeleide werklozen toegesneden omscholingscursussen, waarvoor een termijn van twee jaar zeker voldoen-de wordt geacht, zo lees ik. Terzijde merk ik nog op dat dergelijke omscholingscursussen vaak een leeftijdsgrens van 35 jaar kennen. Ik heb daarover al mijn beklag gedaan bij de voorbereiding van het begrotingsdebat van dit jaar. Ik kreeg toen als reactie dat de overheidsgeleding in het CBA deze zaak indringend aan de orde zal stellen. Ik zie nu nog geregeld in zaterdagkranten deze leeftijdsbeperkingen, maar misschien moet ik CBA en RBA iets meer tijd geven om hier orde op zaken te stellen. Ik wil het hier echter hebben over een beperkende voorwaarde. De toestemming voor het volgen van hogere opleidingen geldt niet voor scholing of opleiding als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet op de studiefinanciering. Ik onderschrijf het standpunt dat de bijstandswet niet mag gaan fungeren als een alternatieve bron van studiefinanciering. Dat zou een aanzuigende werking hebben. De WSF 18+ kent een groot leningendeel en het gaat niet aan, die leningen te ontlopen via een alternatieve route van de bijstandswet. Een duidelijke afbakening tussen ABW en WSF 18+ is dus gewenst. De nu voorgestelde afbakening laat echter wel lacunes voortbestaan die zowel ter wille van individuele als maatschappelijke belangen, bevordering van arbeidsparticipatie, gedicht behoren te worden. De WSF 18 + kent een leeftijdsgrens van 27 jaar en komt niet tegemoet aan sommige behoeften aan tweedekansonderwijs van bijvoorbeeld herintreedsters, hoewel daarmee de kans op herinschakeling van bijstandsgerechtigden in het arbeidsproces vergroot zou kunnen worden. Ik geef een voorbeeld. Een reguliere HBO-opleiding opent een specifieke parttime leerroute voor herintreedsters, bijvoorbeeld in de verplegende en verzorgende sector één dag per week gedurende drie of vier jaar. Het gaat hier om een uitgesproken arbeidsmarktrelevante opleiding. Ik had bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel de WSF niet tot mijn beschikking. Ik veronderstel echter dat de WSF in theorie van toepassing is op deze reguliere opleiding. De facto waarschijnlijk niet of nauwelijks, gezien de leeftijd van de doelgroep. Aannemende dat deze opleiding mede bedoeld is in hoofdstuk 2 van de Wet op de studiefinanciering, mag een bijstandsgerechtigde deze opleiding niet volgen. Ik kan mij echter zeer wel voorstellen dat een dergelijke opleiding heel geschikt is voor sommige alleenstaande ouders in de bijstand, die nog geen solhcitatieplicht hebben. De parttime opleiding is goed te combineren met de zorg voor kinderen en kan afgerond worden voordat straks wel een sollicitatieplicht wordt opgelegd. Ik weet dat sollicitatieplicht geen wettelijke term is, maar ik hanteer die toch maar even. Met deze opleiding zou de kans op herintreden in het arbeidsproces vergroot kunnen worden. Ik pleit er dus voor, dergelijke parttimeopleidingen op HBO-niveau in elk geval mogelijk te maken voor bijstandsgerechtigden zonder sollicitatieplicht boven de leeftijds-grens van de WSF18 + . Zo'n gelimiteerde openstelling gekoppeld aan een subject-en een objecttoets biedt voldoende mogelijkheden om te verhinderen dat een volledige alternatieve studiefinancieringsbron wordt aangeboord, met aanzuigende werking. De vraag of de studiekosten sec voor zo'n bijstandsgerechtigde vergoed worden uit het budget van Onderwijs en Wetenschappen of van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, interesseert mij minder. Het kabinet beslisse daarover, de verkokering voorbij. Ik vat mijn betoog samen in vier voorlopige conclusies. 1. Wij zijn geneigd, dit wetsontwerp met sympathie tegemoet te treden, omdat decentralisatie gekoppeld wordt aan uitbreiding van middelen. Wij zijn er echter niet helemaal gerust op dat deze uitbreiding van middelen straks niet misbruikt wordt als alibi voor bezuinigingen elders. 2. Wij hebben enige zorg over restrictief ogende passages waarin gesteld wordt dat de bijzondere bijstand bestaande beperkingen van de voorliggende voorzieningen niet kan compenseren. Wij horen graag in welke omvang naar een veel restrictiever beleid gestreefd wordt. 3. De handhaving van een centraal vastgesteld drempelbedrag botst met het decentralisatiebeginsel en bemoeilijkt in sterke mate eventuele integratie van gemeentelijke steunfondsen in de bijzondere bijstand. Bij de komende herinrichting van de ABW dient deze beslissing heroverwogen te worden. 4. De vergroting van de mogelijkheden tot scholing met behoud van uitkering is kleiner dan maatschappelijk wenselijk is. Het bekende "pennywise and poundfoolish"-mechanisme van een verkokerd overheidsbeleid wordt slechts ten dele buiten werking gest.eld Ik hoop dat de staatssecretaris ertoe in staat is, een deel van mijn , scepsis alsnog in enthousiasme om te zetten.

©

Staatssecretaris Ter Veld Voorzitter! Ik begin met te constateren dat vooral voor een wetsvoorstei zoals dit, waarin het gaat om decentralisatie van een onderdeel van de bijstandswet, een breed maatschappelijk draagvlak enorm belangrijk is. Immers, dan kunnen wij ervan uitgaan dat de gemeenten zich de verantwoordelijkheid voor dit deelterrein zo sterk bewust zijn dat zij in het nieuwe spanningsveld tussen rechtszekerheid en rechtsgelijkheid enerzijds en individueel maatwerk anderzijds hun werk op een juiste wijze kunnen doen. De heren Heijmans, Van de Zandschulp en Van der Meulen wezen erop dat er altijd een spanningsveld is. Wij weten echter dat absolute gelijkheid in ongelijke gevallen vaak de grootste ongelijkheid teweegbrengt. Enerzijds moet er dus maatwerk worden geleverd. Omdat bijzondere bijstand een recht is en het een rechtsplicht voor de overheid is om die in omschreven gevallen te verstrekken en omdat er op grond van de wet normale rechtsprocedures zijn, kan anderzijds de rechtszekerheid voor burgers goed gewaarborgd worden. Wij zullen bij de evaluatie in goed overleg met de VNG ervoor zorgen dat wij tijdig de informatie beschikbaar hebben, zodat de Kamer door er een tweede oog op te werpen, kan zien dat beide doelstellingen, rechtsgelijkheid en individueel maatwerk, goed zijn geregeld. Ik zal op een aantal punten concreet ingaan en begin met de algemene inzet, waarnaar de heer Van der Meulen vroeg. Hierbij kom ik heel kort op de wijze waarop wij verder gaan met de herinrichting van de Algemene bijstandswet en de relatie hiervan met de sociale vermeuwing Dan kom ik bij de verruiming die in het wetsvoorstel zit en vervolgens bij de gemeentelijke minimaplannen. Hetvolgende onderwerp is de grotere ruimte voor arbeidsmarktkansen en scholing. Twee woordvoerders hebben uitdrukkelijk gevraagd of dat ruim genoeg is. Vervolgens zal ik iets zeggen over de afbakening tussen de voorliggende voorziening en daarna komt er nog een enkele opmerking over financiële aspecten en de controle. Zoals u waarschijnlijk bekend is, is het wetsvoorstel Decentralisatie bijzondere bijstand een onderdeel van het grotere wetsvoorstel om herinrichting van de hele Bijstandwet te bewerkstelligen. We hebben dit er willens en wetens uitgehaald juist om ervoor te kunnen zorgen dat gemeenten veel eerder op het terrein van de bijzondere bijstand konden beginnen met het direct inspelen op de noodzakelijke situaties van burgers in hun gemeenten. Het oorspronkelijke voorstel ging gepaard met een bezuiniging van 25 mln. In het regeerakkoord is er bewust voor gekozen om meer geld ter beschikking te stellen. De heer Heijmans wees daar al op. Dat gebeurt niet met de bedoeling, zoals de heer Van de Zandschulp vreest, om zich later, vanwege het grotere bedrag dat ter beschikking is, te kunnen verschuilen achter de bijzondere bijstand zodat gemeenten alle andere problemen zouden kunnen opvangen, maar juist met de bedoeling dat gemeenten veel uitdrukkelijker burgers kunnen ondersteunen zowel bij bijzondere noodzakelijke kosten als bij de bevordering van mogelijkheden van arbeidsmarktkansen en scholing. De heer Van de Zandschulp wees in dit verband ook op de onderconsumptie. Het ingediende wetsvoorstel heeft bij de adviescolleges een positief onthaal gekregen. Ook dat geeft een goed idee van het draagvlak van dit wetsvoorstel. Er is een relatie met de sociale vernieuwing, onder meer omdat het mogelijk is om, wanneer het beschikbare budget niet volledig benut behoeft te worden voor de in de wet genoemde taken, het ook gebruikt kan worden voor andere activiteiten, zoals banenpools of kinderopvang. Wellicht zal dit de heer Heijmans niet volledig plezieren. Wanneer de gemeente het geld aan die andere activiteiten uitgeeft, kan zij zich niet beroepen op een eventueel niet rond kunnen komen met het geld voor de Bijzondere bijstand, maar de overdracht van de financiële verantwoordelijkheid betekent ook dat wanneer gemeenten hun rechtsplicht ten aanzien van de burger nakomen en zij eventueel een bedrag over zouden houden van de extra 100 mln. zij dat breder kunnen inzetten. Wij denken dan aan sociale vernieuwingsdoeleinden, banenpools, kmderopvang en dergelijke.

De heer Heijmans (VVD): Voorzitter! Dat is de crux van de hele zaak. Is de staatssecretaris ervan overtuigd dat dit geld dan wordt gebruikt voor aanpalende doeleinden en niet voor -ik noem maar iets -het aanschaffen van een extra straatlantaarn? Dan kom je natuurlijk wel heel ver af van het oorspronkelijke doel.

Staatssecretaris Ter Veld: Hoewel ik een zeer enthousiast betoog zou kunnen houden over het belang van een straatlantaarn...

De heer Heijmans (VVD): Daar gaat het niet om!

Staatssecretaris Ter Veld: ...voor zowel de veiligheid op straat voor ouderen om ' s avonds niet de struikelen op een straat die wellicht is belegd met vuilniszakken voor de volgende ochtend, als voor de sociale veiligheid, denk ik toch dat wij het hier moeten overlaten aan de wijsheid van een gemeentebestuur. Wij zullen er wel op toezien dat de gemeente haar rechtsplicht ten aanzien van het recht op bijzondere bijstand voor haar burgers op een juiste wijze uitvoert. Als de gemeente geld over heeft en zij meent dat, nadat zij haar rechtsplicht op een juiste wijze heeft vorm gegeven, het geld het best kan worden besteed aan een straatlantaarn dan zullen wij in onze eigen gemeenten erop toezien of die straatlantaarn in onze ogen ook prioriteit had. Maar dat doen wij niet vanuit Den Haag.

De heer Heijmans (VVD): Nee, maar ik krijg wel de indruk dat de straatlantaarn kan behoren tot de sociale vernieuwing. Ik vind dat dit begrip wel erg wordt opgerekt.

Staatssecretaris Ter Veld: Sociale vernieuwing is een heel proces en ik denk dat daarin de sociale veiligheid ook een rol speelt. Maar ik wil hier niet de absolute stelling aanhangen dat de straatlantaarn doorslaggevend is voor de vraag of een gemeente op dat terrem op de goede weg is. Inderdaad is er de mogelijkheid voor de gemeente om het geld, dat zij heeft overgehouden nadat zij op dit terrem haar taken op een juiste wijze heeft verricht, te besteden. Wij halen het dus niet terug. Ik wil ook nog tegen de heer Heijmans zeggen, dat het kabinet in die zin al bij de begrotingsvaststelling heeft besloten om die 100 mln. op declaratiebasis ter beschikking te stellen als deze wet nog niet in werking treedt. Vorig jaar is dat geld dus al naar de gemeenten gegaan. De gemeente kan dan ook met dat geld uit de voeten. Met de VNG is een afspraak gemaakt om in dit geval de termijn van drie maanden te laten vervallen, zodat wanneer op 1 augustus dit wetsvoorstel in werking treedt, de wet bepalend is voor de rechtsplicht van de gemeente en het recht van de burger. De heer Heijmans vroeg zich af of ik in mijn contacten met de gemeenten niet te veel op de ontwikkelingen vooruit ben gelopen. Onder voorbehoud van de parlementaire afhandeling heb ik de gemeenten meegedeeld, dat ik erop vertrouw dat wanneer voor 1 juli het wetsontwerp in het Staatsblad staat, vanaf 1 augustus de middelen niet meer via declaraties behoeven te worden aangevraagd, maar dat die beschikbaar zullen komen volgens de lijn die ons voor ogen stond: via het Gemeentefonds. Daarover heb ik overleg gepleegd met de VNG. De decentralisatie bijzondere bijstand hoorde bij de herinrichting van de Algemene bijstandswet. Ook bij die herinrichting gaat het om het fors schrappen en het snoeien van overbodige regelgeving. Wij zijn namelijk in staat geweest om op grond van de Algemene bijstandswet voor een grote hoeveelheid regelgeving te zorgen. Zoals de heer Van de Zandschulp al zei, is het noch voor de burger noch voor de ambtenaar nog mogelijk om alle regelgeving te kennen. Bij de herinrichting zal zeker aandacht besteed worden aan de vraag in welke mate vrijlatingsbepalingen bijdragen aan de bevordering van de arbeidsinschakeling. Op twee manieren kan men hieraan aandacht besteden. Enerzijds kan men denken aan de stimulering en anderzijds aan de afremming wanneer men meer dan een parttimebaan neemt. Naar dit punt moet dan ook heel goed gekeken worden. Bij de herinrichting van de Algemene bijstandswet zal, in aansluiting op het wetsvoorstel van de minister van Justitie, inderdaad ook de beroepsstructuur worden gewijzigd. De heer Heijmans vroeg hiernaar. Over het wetsvoorstel van de minister kan ik niet veel zeggen, want dit moet nog in de ministerraad behandeld worden. Het voornemen is om wat de beroepsstructuur in bijstandszaken betreft, in te haken op de herziening van de rechterlijke structuren en deze zaken via rechtbanken de laten lopen. Die zouden niet via de Raden van beroep moeten gaan. Die gaan namelijk ook naar de rechtbank. Dit betekent dat de huidige taak van gedeputeerde staten op dit terrein zal komen te vervallen. Ik heb mijn collega van Justitie dan ook verzocht op dit punt overleg te voeren met het IPO. Het kan namelijk nooit de bedoeling zijn om de beroepsprocedures van de Algemene bijstandswet eerst onderhevig te laten zijn aan een sluipende, koude sanering bij de provincies. Ook hier vereist een goed bestuur dat de verantwoordelijke bewindspersonen-de collega van Justitie en die van Binnenlandse Zaken hebben hierbij het voortouwnagaan of de deskundigheid van de personen bij de provincies die hierbij betrokken zijn, gehandhaafd kan worden zolang daar het bezwaarschrift komt. Misschien moeten andere instanties inschakeld worden, opdat niet een koude sanering het gevolg is. Ik heb hierop mijn collega's ook uitdrukkelijk aangesproken en ik vertrouw erop, dat de zaken goed zullen verlopen. Overigens, ook in de nieuwe structuur blijft ten aanzien van de commissaris der koningin het zogenaamde broodnoodartikel gelden. Ik verwacht dat zeer binnenkort de minister van Justitie hierover meer uitgebreid iets zal kunnen zeggen. De provincies verkeren al lang in onzekerheid. Daar vraagt men zich af hoe straks de beroepsprocedure zal zijn als de nieuwe rechterlijke structuurzal gaan gelden. De beroepsprocedure zal niet meer via de provincie lopen. Hierover zullen wij echter met het IPO en met de commissarissen der koningin goed overleg voeren Niemand is namelijk gebaat bij een koude sanering. Een dergelijke benaming ontleen ik aan de mdustnële benadering. Overigens, een maand geleden heb ik met de gedeputeerde staten en de commissaris der koningin van de provincie Overijssel dit punt informeel besproken.

De heer Heijmans (VVD): Dat weet ik en een gedeputeerde weet dat ik de vraag zou stellen.

Staatssecretaris Ter Veld: Zo spelen wij elkaar altijd de bal toe' Dat ligt dan maar eens vast. Krijgen de gemeenten bij de herinrichting van de Algemene bijstandswet nog meer verantwoordelijkheden, vroeg de heer Van der Meulen. Thans gaan wij na of, ook in financiële zin, meer verantwoordelijkheden bij gemeenten kunnen worden gelegd. Bij dit wetsvoorstel is er uitdrukkelijk voor gekozen om af te zien van verdere discussies over de zogenaamde 80/20-verhouding. Een 90/10-verhouding betekent, dat voor de gemeenten bij de reguliere Algemene bijstandswet een grote verantwoordelijkheid geldt. Door de 10% incentive worden de gemeenten ook zeer direct gehonoreerd. Het kan natuurlijk ook voorkomen, dat zij bij de honorering buiten de boot vallen als het gaat om een actief bijstandsbeleid. De eigen verantwoordelijkheid voor de bijzondere bijstand betekent volgens ons, dat hiermee de gemeenten ook in financiële zin een grote verantwoordelijkheid hebben. Het zou de moeite waard kunnen zijn om de mogelijkheid van een normkostenbenadering nader te bezien, maar nogmaals, zonder goed onderzoek is het absoluut onverantwoord om een openeindregeling als de Algemene bijstandswet via sociale vernieuwing en Gemeentefonds te decentraliseren. Wij weten allemaal dat Oegstgeest een andere bevolkingssamenstelling heeft dan Leiden. Dat is mijn eigen woonplaats. Het is niet zo gemakkelijk een zodanig verfijnde structuur met een dynamisch model te vinden, dat je de kosten voor de bijstand kunt decentraliseren. Het blijft een openeindregeling. Gemeenten hebben maar in beperkte mate grip op de vragen hoeveel mensen scheiden en daarmee zonder middelen van bestaan komen te zitten en hoeveel bedrijven sluiten en daarmee uiteindelijk ook bijstandsgerechtigden genereren. Het vereist dus een duidelijke verantwoordelijkheid van de rijksoverheid. Die verantwoordelijkheid moet de rijksoverheid ook nadrukkelijk blijven dragen voor het inkomensbeleid. Vandaar dat het BLN wordt opgenomen in de nieuwe wetgeving. Dat geldt ook voor de landelijke draagkracht. De heer Van de Zandschulp zei dat wij deze konden berekenen met enige oefening. Ik ben blij dat een en ander vervalt, want zo gemakkelijk was dat niet. Wat verruimen wij allemaal? Het zal duidelijk zijn dat bij bijzondere bijstand niet de aard van de kosten bepalend is, maar de individuele omstandigheid van de betrokkene. De bijzondere bijstand wordt verleend wanneer de individuele omstandigheid ertoe leidt, dat de noodzakelijke bestaanskosten niet uit de algemene bijstand of een andere inkomensvoorziening kan worden voldaan. Eronder valt de huidige bijzondere bijstand en een individualisering voor het eventueel vaststellen van een algemene norm bijstand. Deze mag hoger worden vastgesteld. Dat slaat weer niet op de regeling voormalig eenoudergezin. Het moet gaan om bijzondere omstandigheden. De regeling voormalig eenoudergezin zal bij de herinrichting worden bezien op haar voortbestaan. Ik noem ook de tijdelijke woonkostentoeslag bij woonkosten boven de maximumhuurgrens voor huursubsidie. Valt dat ook in de huidige situatie niet onder de drempelbedragen? De drempel geldt wel in de nieuwe situatie, maargold daarvoor niet. Tegenover deze nieuwe drempel staat het feit dat de drempel bij scholing en kinderopvang in een noodzakelijke situatie wegvalt. Het is wellicht een goede zaak, hiernaar nog eens met DIVOSA te kijken. Ik meen dat ik hierover drie dagen geleden een brief heb ontvangen. Met VNG en DIVOSA ga ik op dit ogenblik na wat precies de redenen en de bezwaren kunnen zijn om de minimumfondsen niet volledig op te nemen in de bijzondere bijstand. Zijn er regelingen die erbuiten behoren te vallen? De bestaande circulaire uit 1985 zal aan de gewijzigde wetgeving worden aangepast. Ook de bijstand voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen valt onder de bijzondere bijstand. Dat zelfde geldt voor de kosten van verpleging of verzorging van in een inrichting verblijvende personen, tenzij de medische en maatschappelijke dienstverlening al uit een voorliggende voorziening wordt bekostigd. Verder hebben wij eronder gebracht de mogelijkheid van borgtocht voor schuldsanering via de gemeentelijke kredietbanken. Ook dat zal gemeenten in staat stellen, vaker dan tot nu toe mensen in een moeilijke schuldsituatie te helpen. Dit behoeven helemaal geen bijstandscliënten te zijn. Vaak kom je met een hoger inkomen door omstandigheden gemakkelijker in een groot schuldprobleem terecht dan als je altijd al weinig had, want dan krijg je toch al zo weinig krediet. Bij de duurzame gebruiksgoederen kan het als een geldlening worden verstrekt, maar dit is niet noodzakelijk. Er kan ook worden gedacht aan bijstand om niet. Onder omstandigheden kan daarbij gedeeltelijk worden afgezien van vermogen en andere inkomsten. Wat wij wel hebben gehandhaafd, is de drempel voor de totale kosten. In de Tweede Kamer is hierover vrij uitgebreid gediscussieerd. Uiteindelijk heeft zij ingestemd met het oorspronkelijke voorstel om de drempel te handhaven. Ik had daarbij een aantal overwegingen, die ik hier heel kort nog even zal noemen. Ook de bijstandsnorm bevat enige ruimte voor bijzondere uitgaven. Het laten vervallen van de drempel kan betekenen dat ik mijn collega's helemaal niet meer kan aanspreken op hun verantwoordelijkheid, ervoor zorg te dragen dat voorzieningen zodanig toegankelijk moeten zijn dat zij door mensen met een minimuminkomen betaald moeten kunnen worden zonder dat een beroep op de bijstand wordt gedaan. Voor bijvoorbeeld kinderopvang of gezinsverzorging zal er dus een minimumgrens moeten zijn, waardoor men onder of hooguit precies op die drempel uitkomt. Als men beide heeft, dan kan dat een reden zijn waarom men vanwege individuele omstandigheden toch weer in aanmerking komt voor bijzondere bijstand. Ik heb ook overwogen wat het kostenaspect voor gemeenten zou kunnen betekenen. Als er geen drempel is, kan dat, uitgaande van de bestaande bijstandsverlening in het kader van de bijzondere bijstand, al snel leiden tot een meeruitgave van zo'n 30 mln. Als je iets van ƒ 178 volledig vergoedt, rijst bovendien de vraag waarom je iets van ƒ 74 dan niet ook volledig zou vergoeden. Ik denk dus dat het geen onverstandige zaak is om een zekere drempel te handhaven. Nogmaals, voor noodzakelijke scholingskosten, voor de kosten van kinderopvang en overigens ook voor rechtskundige bijstand bij verzoek om alimentatie geldt geen drempel.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter! De argumenten die de staatssecretaris noemt zijn op zichzelf allemaal valabel. Ik kan mij zelfs voorstellensterker nog, ik denk dat het ongetwijfeld zo zal gaandat, als wij niet centraal een drempel vaststellen, deze discussie ook in gemeentebesturen zal plaatsvinden. Die discussie zal in een aantal gevallen tot precies dezelfde conclusies leiden ais die van de staatssecretaris en in sommige specifieke situaties misschien tot een iets andere. Waarom zouden wij dat bij decentralisatie niet overlaten aan de zelf beschikkende gemeenteraden, die wij toch ook zelf kiezen?

Staatssecretaris Ter Veld: Op dit punt is een amendement ingediend door een ons beiden bevriende fractie en een ons beiden toch ook zeer bevriende fractie. Dit amendement van PvdA en GroenLinks spreekt de heer Van de Zandschulp natuurlijk aan en mij trouwens ook. Ik heb echter toch gemeend te moeten vasthouden aan mijn wetsvoorstel. Zoals men heeft kunnen lezen, heb ik de aanvaarding van het amendement niet ontraden, maar de Kamer geadviseerd om mijn argumenten en de argumenten van de PvdA-fractie aan de overzijde goed te wegen. De Tweede Kamer heeft gewogen en het amendement te licht bevonden. In mijn invalshoek is dat op dit moment geen onverstandige keuze. De heer Van de Zandschulp heeft gevraagd of een en ander bij de herinrichting opnieuw kan worden bekeken. Ik denk dat het zeker een zaak is die bij de evaluatie aan de orde moet komen, te meer gezien de opmerkingen van de heer Van de Zandschulp over de aanvullende woonkostentoeslag en eventuele andere kosten. Ik zal hier nog eens goed naar kijken. Over twee jaar hebben wij die evaluatie.

Op dit moment lijkt het mij evenwel een goede zaak om gemeenten, hoe betuttelend het ook klinkt, even enigszins tegen zichzelf te beschermen, juist omdat wij te maken hebben met een overgangssituatie. Wij willen de wildgroei van allerlei minimafondsen indammen en weer komen tot een rechtsplicht voor de gemeenten, waarbij de burger rechten heeft. Dit heeft een groot voordeel boven allerlei mogelijke losse minimafondsen. Nogmaals, wij maken een inventarisatie van de knelpunten bij de minimafondsen. De gemeenten kunnen een aantal zaken heel duidelijk inbrengen in de bijzondere bijstand. Zaken als sociale en culturele activiteiten zouden mijns inziens evenwel veel beter geregeld kunnen worden door de gemeenten. De gemeenten zouden zich daarbij niet alleen moeten richten op de mensen met de allerlaagste inkomens. Er ontstaat namelijk een spanningsveld door inkomensafhankelijke prijzen. Wanneer gemeenten op basis van een plan of individueel het inkomensbeleid van de rijksoverheid duidelijk doorkruisen, blijft de circulaire van Binnenlandse Zaken over het niet toestaan van dergelijk beleid, zij het in aangepaste vorm, van toepassing. Ook gemeenten moeten zich met het oog op de rechtszekerheid van de burger aan de wet houden. Een aantal dingen kunnen dus echt niet. Een uitkering van ƒ 300 per twee jaar, als men langer dan vijf jaar in de bijstand zit, is bijvoorbeeld categoraal inkomensbeleid. Dat kan niet! Gratis toegang tot gemeentelijke voorzieningen voor uitsluitend de minima vormt een ontmoediging. Bij werkaanvaarding is men dan namelijk de gratis toegang kwijt. Ik vind dat een gemeente ervoor moet zorgen dat voorzieningen toegankelijk zijn voor iedereen. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een gereduceer-de prijs. Ik wijs in dit verband op de pas van Rotterdam. Overige schuldsaneringsfondsen die in een gemeente kunnen bestaan, kunnen blijven bestaan en vallen niet onder de bijzondere bijstand. Ik denk dus dat het een goede zaak is om met de gemeenten te bekijken wat er wel en wat er niet onder kan vallen. De heer Van de Zandschulp zei dat de minimumfondsen uit protestacties zijn geboren. Ik kan mij dat nog goed herinneren. Men zei: als de rijksoverheid niets doet, dan moeten wij wel tegen heug en meug eigen beleid voeren. Gezien het bestaan van de koppeling en de inzet die in nieuwe wetsvoorstellen wordt getoond om dit ook zo te houden, denk ik evenwel dat wij weer een goed inkomensbeleid kunnen voeren. Ik heb al gezegd dat ik hoop dat gemeenten ertoe overgaan beleidsplannen op te stellen. Als gemeenteraadslid zou ik er ook altijd zeer nadrukkelijk om vragen. Ik vind het op dit moment echter geen goede zaak beleidsplannen dwingend voor te schrijven. Beleidsplannen maken het toezicht en de controle door de overheid op de uitgaven veel gemakkelijker. Ze maken aan de hand van jaarverslagen vooral aan de gemeenteraad en de burgers duidelijk hoe de gemeente omgaat met haar beleidsplicht en haar beleidsrecht. Dit punt zullen wij opnieuw bekijken wanneer de herinrichting aan de orde komt. Op dit moment is met de VNG overleg gaande over de beleidsplannen, die trouwens niet alleen verstandig zijn op het terrein van de bijzondere bijstand maar ook op het terrein van het handhavingsbeleid. Hoewel het niet direct met het onderhavige wetsvoorstel te maken heeft, hecht ik eraan op te merken dat een goede bijstandsverlening in een duidelijke relatie tussen burger en overheid, het draagvlak in de samenleving vergroot voor een dergelijke regeling. Een slechte uitvoering van de Algemene bijstandswet tast het draagvlak van die wet en het vertrouwen van de burger in de overheid aan. Tevens leidt ze tot een oneerlijke verdeling. Onze grote activiteiten op het terrein van de misbruikbestrijding hebben er direct mee te maken dat een goed gebruik betekent dat de middelen worden verdeeld overeenkomstig de bedoelingen van de wetgever. Misbruik doorkruist een dergelijk eerlijk beleid. Over beleidsplannen in het kader van het handhavingsbeleid is overleg gaande met de VNG. Onlangs heb ik bij de Tweede Kamer ingediend het wetsvoorstel sociaal-fiscaal nummer in relatie tot gemeenten, opdat een veel directere controle ter zake van sociale uitkeringen, fiscus en andere uitkeringen dan de bijstand mogelijk is. Wie heeft er gelijk, Ada of Elske? Ik zou willen dat wij het beiden niet hadden. Ik heb mij gebaseerd op informatie op grond van steekproeven in Amsterdam, waaruit bleek dat waar de fiscus meldde dat er sprake was van een wit inkomen naast de bijstand, helaas in een te groot aantallen wit inkomen was opgegeven bij de werkgever en de fiscus, maar niet wit in de zin dat het was opgegeven aan de bijstand.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Als je de jaaropgave van de fiscus en de jaaropgave van de sociale dienst naast elkaar legt, is het natuurlijk heel goed mogelijk dat daaruit blijkt dat iemand een half jaar heeft gewerkt en een half jaar een bijstandsuitkering heeft gehad. Dan behoeft er op zichzelf geen sprake te zijn van fraude. Dus die 35.000 gevallen zullen nader uitgezuiverd moeten worden, in de zin van wat fraude is en wat volstrekt legaal is.

Staatssecretaris Ter Veld: Absoluut waar. Er is sprake van 42.000 gevallen van samenloop tussen fiscus en bijstandsuitkeringen, waarvan na handmatig uitzoeken is gebleken dat in 35.000 gevallen men niet in het lopende jaar in of uit de bijstand was geraakt. Uit de steekproef komt naar voren dat het aantal echt grote overschrijdingen zeer gering is. Ik heb de indruk dat bij mensen te vaak het beeld bestaat dat wanneer er sprake is van een vrijlating, men het keurig wit verdiende geld niet behoeft op te geven. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Het moet keurig worden opgegeven opdat het op een juiste wijze kan worden verrekend. Via Trouw en gewone brieven deelde de gemeente Amsterdam mij mede dat zij werkt aan een beleidsplan fraudebestrijding. Ik ben ervan overtuigd dat als een grote gemeente als Amsterdam die het op dit punt echt niet het gemakkelijkste heeft, op dat terrein een goed beleid voert, alle andere gemeenten daarmee hun voordeel kunnen doen. Een ding is wel duidelijk: of het nu hetze is of waarheid, iedere gemeentebestuurder is er zich zeer uitdrukkelijk van bewust dat een goede uitvoering van de bijstandswet zowel voor de geloofwaardigheid van een gemeentebestuur richting burger als voor de mogelijkheden van de burger, een noodzaak is. Dat is mij in het overleg met VNG en DIVOSA ook heel duidelijk gebleken. De nota over fraudepreventie van DIVOSA die in oktober breeduit zal worden besproken, geeft een duidelijke aanzet voor een beleid waarbij ook aan bijstandscliënten duidelijk wordt gemaakt wat hun rechten en plichten zijn. Indien je een dergelijke duidelijkheid kunt geven als hulpverlener/uitvoerder, dan ben je geen bijstandsmaatschappelijk werker uit de jaren zestig. Overigens heb ik, zelf in de jaren zestig van de sociale academie gekomen zijnde, altijd het gevoel gehad dat het een goede tijd was en dat wij er echt een vak hebben geleerd: helpen als ambacht. Ik zeg dit even bijna bestraffend tegen de heer Heijmans. Geen kwaad woord over de opleiding, waarop ik van Mary Kamphuis heb geleerd wat "social casework" was! Het boek Armoede en retoriek verwijst ook weer met enig enthousiasme naar die tijd. Het is een gocde zaak van hulpverlening als je duidelijk maakt waarop mensen kunnen worden aangesproken. Je laat mensen dan niet in onzekerheid over wat er wel en wat er niet mag.

De heer Heijmans (VVD): Ik ben blij, dat de academies in die tijd ook leerlingen hebben afgeleverd waar de maatschappij wat aan heeft!

Staatssecretaris Ter Veld: Ik ben ervan overtuigd, dat mijn sociale academie-de heer Meijer zat een paar klassen hoger dan ikwat dat betreft een zeer goede produktie heeft geleverd. Fraudebestnjding is uitermate belangrijk. In dit wetsvoorstel gaat het om individueel maatwerk, zo zou ik het bijna willen noemen. Doordat in het kader van dit wetsvoorstel iedere keer per individu moet worden bekeken wat de betrokkene als bijzondere bijstand toekomt, wordt bijna altijd fraude voorkomen. Wij zullen het wetsvoorstel dus evalueren. Het geeft meer armslag bij het bevorderen van arbeidsmarktkansen. De heer Van der Meulen vroeg mij of naar mijn indruk de harde kern van langdurig werklozen baat zou hebben bij deze activiteiten. Op een bijeenkomst over sociale vernieuwing heb ik al gezegd, dat wij naar ik meen in staat moeten zijn om mogelijkheden en nieuwe criteria te ontwikkelen om te voorkomen dat mensen ooit gaan behoren tot de nu bestaande groep langdurig werklozen zonder dat wij alle instrumenten inzetten die met name gebruikt worden door mensen die op eigen kracht weer snel aan de bak kunnen komen. De vraag is hoe wij criteria kunnen ontwikkelen waarmee wij bij kortdurende werkloosheid al die mensen eruit kunnen halen die zonder hulp op dat moment langdurig werkloos dreigen te worden. Een dergelijk criterium voor afstand tot de arbeidsmarkt kennen wij nog niet, maar ik ben ervan overtuigd dat zeker voor mensen, die op de bijstand zijn aangewezen en weinig kans hebben eruit te komen, het bieden van mogelijkheden om de arbeidsmarktkans te vergroten een essentieel onderdeel isvan bijstandsverlening. Je kunt als gemeente mensen niet alleen aanspreken op hun eigen genoegzame besef van verantwoordelijkheid, maar je zult je ook als gemeente voldoende bewust moeten zijn van je verantwoordelijkheid om mensen In staat te stellen op eigen kracht verder te kunnen. Voor arbeidsmarktgerichte noodzakelijke studiekosten geldt geen drempel. Ook voor de daarbij behorende kinderopvang geldt geen drempel. Her-, om-en bijscholing wordt heel duidelijk gericht op de mogelijkheid een zelfstandig bestaan op te bouwen. Dat betekent dat wij in meer algemene zin opleidingen tot en met MBO-niveau toestaan. Dat is voor alleenstaande ouders heel belangrijk. Bij HBO en tertiair onderwijs beperken wij ons om een aantal redenen, waarop ik straks terugkom. Wij beperken ons tot opleidingen die gericht zijn op mensen die werkloos zijn, bedoeld zijn om toegang tot de arbeidsmarkt te bieden en niet langer duren dan twee jaar, waarbij tevens het praktijkdeel in redelijke relatie moet staan tot het theoriedeel. Wij hebben geconstateerd dat zeer veel leden van de Nederlandse beroepsbevolking uitstekend kunnen functioneren met MBO-opleidingen en op basis daarvan op eigen kracht in eigen inkomen kunnen voorzien. Dit is dus een kwestie van arbeidsmarktrelevantie. Een tweede reden is dat wij absoluut niet in een situatie willen kunnen komen, waarin wij het beleid van Onderwijs en Wetenschappen doorkruisen. De derde reden is-en misschien is dat wel een beetje een kwestie van verkokering -dat ik niet graag de kosten van Onderwijs en Wetenschappen voortvloeiende uit een dergelijk opleiding in de bijstand terug zou willen vinden. Wij hebben een duidelijke afspraak gemaakt met Onderwijs en Wetenschappen over hoe wij daarmee om zullen gaan. Ik heb in de Tweede Kamer al gezegd, dat ik, los van de discussie die wij al hebben over de leeftijdsgrenzen, met het Centraal bureau voor de arbeidsvoorziening zal spreken over de vraag waarom het eigenlijk nodig is dat je eerst universitair afgestudeerd bent, voordat je mag worden omgeschoold op tertiair niveau. Volgens mij kun je ook zonder eerst afgestudeerd socioloog of kunsthistoricus te zijn al op een dusdanig niveau zijn, dat je uitstekend terecht kunt in zo'n omscholingscursus van werkloze academici gericht op management of computeractiviteiten. Op die manier zou voorkomen kunnen worden dat wij via de bijstand de studiefinancieringsactiviteiten overnemen. Tegelijkertijd willen wij mensen niet weerhouden van het volgen van gerichte cursussen, zoals applicatiecursussen voor afgestudeerde werklozen, herintreders en dergelijke. De heer Van de Zandschulp sprak over een opleiding waarbij men een dag per week vier jaar lang een cursus volgt om terug te kunnen keren bijvoorbeeld in het vak van verpleegkundige. Ik weet niet of deze opleiding onder de werking van de WSF valt. Bij dergelijke opleidingen gaat men er meestal vanuit dat men een deel van de week een baan heeft. De beperkingen voor opleidingen in het tertiair onderwijs gelden niet voor de cursussen die men kan volgen via de open universiteit. Het spreekt vanzelf dat het mogelijk is, aan de open universiteit een cursus te volgen. Naar aanleiding van de aanwijzing in Groningen heb ik de heer Van de Zandschulp bij de behandeling van de begroting al mijn opvattingen ter zake duidelijk gemaakt. Enige soepelheid wordt dus zeker betracht. Ik wil echter niet zover gaan om een volledige opleiding op tertiair niveau over het algemeen mogelijk te maken. Daarvoor heb ik duidelijke criteria aangegeven.

De heer Van der Meulen (CDA): Voorzitter! Ik wil het voorbeeld geven van iemand van 28 jaar met een niet voltooide MBO-opleiding. Die persoon is in de omstandigheid de MBO-cursus weer te gaan volgen. Welke financiële mogelijkheden zijn er voor hem? De staatssecretaris stelt in de stukken dat als men ouder is dan 27 jaar, men niet in aanmerking komt voor studiefinanciering. Zo iemand moet dan toch zijn uitkering behouden?

Staatssecretaris Ter Veld: Als het gaat om een opleiding op tertiair niveau, dat wil zeggen HBO en universiteit, ben ik heel streng. MBO kan een goede startkwalificatie zijn. Als het RBA ook van mening is dat deze opleiding voor betrokkene noodzakelijk is om goed te kunnen functioneren, kan hij met behoud van uitkering deze cursus volgen. Bij MBO zijn er dus geen problemen. Die zijn er voornamelijk bij het tertiair onderwijs.

De heer Van der Meulen (CDA): Ik wil nog een vraag stellen. Dan stop ik er maar mee. Ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris zegt dat een socioloog die zijn studie heeft afgebroken, moet proberen iets te vinden bijvoorbeeld op milieugebied. Dat begrijp ik. Wij hebben genoeg sociologen in Nederland. Maar als het nu om een jurist gaat die zijn jundische opleiding wil vervolgen, dan moet dat toch mogelijk zijn?

Staatssecretaris Ter Veld: Als iemand een afgebroken opleiding heeft, levert dat natuurlijk altijd problemen op op de arbeidsmarkt. Desalniettemin vind ik niet dat het in de rede ligt om via de bijstand die de mogelijkheid biedt te kunnen herintreden op de arbeidsmarkt, dergelijke opleidingsmogelijkheden te bieden. Ook een halfopgeleide jurist (e) zal naar een zekere mate van zelfstandigheid moeten zoeken op een niveau waar men met de eigen opleiding wel terecht kan. Men zal dan moeten proberen, zoals trouwens zeer gebruikelijk is, in een part time studie die opleiding 's avonds af te maken. Het kan niet zo zijn dat een beroep op de Algemene bijstandswet wordt gedaan als het om meer gaat dan de toetredingskwalificaties op de arbeidsmarkt op een redelijk niveau. Dan zou de situatie ontstaan dat alle extraneï van de heer Ritzen met recht een beroep op de Algemene bijstandswet kunnen doen. Daar is die wet niet voor bedoeld.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Dat ben ik met de staatssecretaris eens. Ik zou ook niet alle halfafgestudeerde juristen in de bijstand willen hebben om ze vervolgens de kans te geven af te studeren. Ik neem het voorbeeld van een eenoudergezin waarbij geen sprake is van sollicitatieplicht of de plicht tot arbeidsinschakeling. Het gaat in dit geval toevallig om een halfafgestudeerde jurist (e). Wat zou erop tegen zijn als deze persoon die niet hoeft te solliciteren de paar jaar waarin hij nog niet hoeft te solliciteren benut om part time zijn studie af te ronden die veel gemakkelijker met zijn gezinsverantwoordelijkheid te combineren is dan het zoeken naar een baan?

Staatssecretaris Ter Veld Daar staat een aantal problemen tegenover. Wij hebben deze discussie al eerder gevoerd. Mijn sympathie voor het idee is niet zozeer afwezig, mijn financiële verantwoordelijkheid voor regelgeving is dat wel. In een parttimerechtenstudie gaat al snel een paar honderd uur per jaar zitten. Wanneer iemand in staat is om op een dergelijke niveau, waarmee je ook op de arbeidsmarkt kunt, zich wel in te zetten voor andere activiteiten, dan zou je toch mogen verwachten dat betrokkene ook via betaalde arbeid in zijn of haar onderhoud kan voorzien. Dat is de eerste verantwoordelijkheid van mensen vanuit de bijstandswet.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Maar mijn casus heeft betrekking op mensen die geen sollicitatieplicht hebben Staatssecretaris Ter Veld: Hier zit een misverstand. De huidige bijstandswet kent, evenals de toekomstige bijstandswet, dat woord niet. Wat gebeurt er? B en W kennen, rekening houdend met de medische, sociale positie van betrokkene een aantal rechten toe en leggen een aantal plichten op. Het is dus ondenkbaar dat iemand wel in staat zou zijn om delen van de dag regelmatig afwezig te zijn om te studeren, terwijl hij niet delen van de dag regelmatig afwezig zou kunnen zijn om via betaalde arbeid geheel of gedeeltelijk in eigen onderhoud te voorzien. De bijstand zegt niet: kind, jonger of ouder dan een bepaalde leeftijd, wel of niet werken. In de nieuwe herinrichting leggen wij uitdrukkelijk vast dat kinderen onder de twaalf jaar een extra toets vereisen. Is er sprake van voldoende mogelijkheid voor kinderopvang? Is van betrokkene te vergen, die arbeid te verrichten? Ik neem als voorbeeld een afgestudeerde verpleegkundige met een baby van drie maanden. Het is dan helemaal niet onlogisch dat je eerder goede kinderopvang aanbiedt, dan dat je bijstand aanbiedt en wacht tot betrokkene haar afstand tot de arbeidsmarkt ziet toenemen en haar opleiding en werkervaring ziet verouderen. Men kijke in de bijstand altijd in aanziens des persoons. Er is dus geen sprake van: mijn kind is nog geen twaalf, ik hoef nog niet te werken.

De heer Van de Zandschulp (PvdA)undefined: Voorzitter! De uiteenzetting van de staatssecretaris zal ongetwijfeld theoretisch correct zijn, maar in de praktijk is sollicitatieplicht natuurlijk een gangbaar begrip en is het niet gebruikelijk om die op te leggen aan eenoudergezinnen met kleine kinderen. Het is natuurlijk niet waar dat als iemand wel iets aan zijn studie kan doen, hij dan ook best parttime kan werken. Bij studie heb je vaak veel meer mogelijkheden om je tijd in te delen dan in de rigide arbeidsmarkt van ons, die voor het grootste deel aan vaste tijden vastzit. Desnoods kan men nog een scriptie schrijven met een kind in de box ernaast, maar deelnemen aan het arbeidsproces met het kind in de box ernaast gaat iets moeilijker.

Staatssecretaris Ter Veld: Ik kan mij die situatie uitstekend voorstellen. Desalniettemin ben ikvan mening dat de verantwoordelijkheid die uitdrukkelijk bij Onderwijs en Wetenschappen ligt, en waaraan uitdrukkelijk grenzen zijn gesteld, niet vanuit de bijstandswet op die manier kan worden overnomen. De heer Van de Zandschulp kan het verkokering noemen. Als hij bij mijn collega van Onderwijs en Wetenschappen dezelfde discussie voert, die mede ertoe zou leiden dat beide kanten geen bezwaar zouden hebben, alla. Maar wanneer het erop neer zou komen dat door een dergelijke verruiming iedere keer een rekening van Onderwijs en Wetenschappen voor de volledige kosten van een student bij de gemeente zou worden neergelegd, dan wordt het ook een heel dure gang van zaken voor de gemeente. Nogmaals, hoofdinvalshoek is: studie vanuit de bijstandswet moet erop gericht zijn, zo snel mogelijk weer in eigen onderhoud te kunnen voorzien. Ik blijf gewoon volhouden dat de bijstandswet geen vervanging voor de studiefinanciering is, ook niet wanneer de studiefinanciering aan een lagere leeftijd wordt gekoppeld dan wij misschien in sommige gevallen wenselijk zouden vinden. Er is veel meer mogelijk. Ik begrijp heel goed dat de heer Van de Zandschulp dan zegt: als je zoveel toestaat, geef dan alles. Dat doen wij dus even niet. Ook bij de bijstand voor kosten van medische en maatschappelijke dienstverlening speelt het probleem van afbakening van voorliggende voorzieningen. De heer Van de Zandschulp zal waarschijnlijk begnjpen dat ik nog niet kan ingaan op zijn filosofische verontrusting rondom de ontwikkelingen in de sector zorgverzekering. Ik ken de afloop immers niet en weet ook nog niet precies hoe het uitwerkt. Het is wel zo dat wij, bij iedere maatregel die wij nemen, of die nu zit in de sfeer van de AAW-voorzieningen of in de woningaanpassing van VROM, waardoor een weglek kan ontstaan na de bijstandswet, onszelf of onze collega's uitdrukkelijk aanspreken en er ook altijd advies over vragen aan de Raad voor de gemeentefinanciën. Dan zal het immers ook gecompenseerd moeten worden. Het kan niet zo zijn, dat vanuit welk beleidsterrein dan ook gezegd wordt: ach, er is toch bijzondere bijstand, laten wij het maar duurder maken, laten wij het maar anders regelen. Wanneer dat gebeurt, moet uitdrukkelijk gekeken worden naar de consequenties. Als wordt afgeschoven naar de bijstand, moet ernaar worden gekeken, wat dit betekent voor de extra kosten, die aan het Gemeentefonds moeten worden toegevoegd. Het is dus geen bezuiniging. Hoe zit het nu met de voorliggende voorzieningen? Geen bijstand, voor zover een beroep kan worden gedaan op toereikende en passende voorliggende voorzieningen. Ook geen bijstand voor kosten die bewust buiten de voorliggende voorzieningen zijn gelaten. Er is de concrete vraag gesteld, of de reiskosten in verband met een medische behandeling eronder vallen. Die reiskosten zijn bewust buiten de voorliggende voorziening gehouden, omdat iedereen te maken heeft met een bepaalde afstand. Wanneer het voor betrokkene, gezien zijn individuele situatie bijzondere en noodzakelijke kosten zijn, die hij niet zelf kan dragen, dan vallen die onder het begrip van de bijzondere bijstand. Er wordt nooit bijstand verleend voor experimentele geneeskunde, waarvan WVC uitdrukkelijk heeft gezegd, dat hieraan niet meegewerkt wordt of slechts een beperkt aantal is toegestaan.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Het voorbeeld van de reiskosten is mij glashelder. Ik spreek nu even over voorliggende voorzieningen, die bewust gedeeltelijk vergoeden. Er zijn nogal wat van dergelijke ziekenfondsvoorzieningen. Het gaat om hoge uitgaven, die het drempelbedrag overschrijden.

Staatssecretaris Ter Veld: Wij denken dan altijd aan de bril. Als een bepaald deel van de kosten van de bril, behorend tot de noodzakelijke kosten van bestaan en de bijzondere kosten van bestaan, vanwege het drempelbedrag niet wordt vergoed, en betrokkene over onvoldoende middelen beschikt, dan kan hij -los van de vraag, waaruit hij inkomsten heefteen beroep op het college van burgemeester en wethouders doen. Wat dit betreft, was de voorlichting van Dirk bij Koot en Bie niet helemaal juist. Dirk zei: ik krijg de bril niet vergoed, omdat ik een AAW-uitkering heb. Dat was niet het geval. Hij had een bril, waarvan de drempel maar ƒ 170 was. Hij viel dus niet onder het drempelbedrag. Wij kunnen voortdurend in casuïstiek vervallen. Ik probeer dat te voorkomen. Ik geef geen lijst van bijzondere en noodzakelijke kosten. Ik geef criteria aan. Ik kom thans over het toezicht en de controle te spreken. Op de declaratieformulieren van het departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal één post verminderen, namelijk de declaratie van bijzondere bijstand. Op dit moment kan ik nog niet overzien, of dat zal leiden tot de opbrengst van de grote efficiencyoperatie. Wij vrezen van niet. De rest van de bijstand heeft nog steeds met declaratiebasis te maken. De rijksconsulenten die een toezichthoudende en adviserende taak hebben, krijgen een andere verantwoordelijkheid ten aanzien van het toezicht op de bijzondere bijstand. De rechtmatigheidstoets komt voorop te staan. Het gaat ook om minder bepalingen. Dat houdt in, dat een meer terughoudende, andere rol van de rijksconsulenten naar voren komt ter zake van de bijzondere bijstand. Beleidsstukken kunnen daarbij interessant en belangrijk zijn om te bekijken, of de gemeenten een goed beleid voeren en een goed beleidsplan met een goede verslaglegging hebben Wat gebeurt er als gemeenten zich niet houden aan de regelgeving, zoals neergelegd in de wet? Ik denk, dat de gemeenten dat in het algemeen zullen proberen te voorkomen. Overheden hebben juist vanwege de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers er het grootste belang bij, dat zij de wet handhaven. Mocht er strijdigheid zijn met de wet, het algemeen belang of met name met het centraal inkomensbeleid, dan kunnen wij in het uiterste geval een maatregel op grond van artikel 185 van de Gemeentewet treffen. Dan hebben wij te maken met een voordracht voor schorsing en eventueel vernietiging. Ik ga ervan uit, dat wij bij een goed bestuurlijk overleg in staat zijn die procedure te voorkomen. Ik had het bijna vergeten, maar ik moet het ook nog hebben over de voorlichting. Dat is een belangrijke taak. Ik had daar via Koot en Bie bij terecht moeten komen. De vraag is: kan de voorlichting over bijzondere bijstand centraal geregeld worden? Met de heer Van de Zandschulp constateer ik dat centrale voorlichting voor een deel in strijd komt met een decentrale uitvoering. Ik kan geen lijst maken, waarop dit wel en dat niet thuishoort. Wel is het vragenboek, dat in Rotterdam ontwikkeld is en dat per gemeente kan worden aangevuld met eigen beleidscirculaires, natuurlijk gesteund door het voorlichtingscentrum sociale verzekering. Wij hebben daaraan een bijdrage gegeven. Er is ook sprake van informatiestands, waarbij via tiptoetsen per televisie informatie kan worden gegeven over de hoofdlijnen van de bijzondere bijstand. In het overleg met DIVOSA en VNG is mij gebleken dat men zich zeer bewust is van zijn verantwoordelijkheid voor deze zaak. Hierbij komt dat ik een door de Tweede Kamer aanvaarde motie-Schimmel, die op dit terrein slaat, moet uitvoeren. In die motie wordt mij verzocht er bij de gemeenten op aan te dringen om zich zeer bewust te zijn van hun verantwoordelijkheid in dezen. Die motie wordt door ons als een actieve ondersteuning van onze intenties gezien. Dus er moet zeker voorlichting worden gegeven, maar niet centraal. Dit betekent natuurlijk niet dat de centrale overheid in haar algemene voorlichting niet kan vermelden dat men overigens met betrekking tot bijzondere noodzakelijke kosten bij de gemeente terecht kan. Voorzitter! Volgens mij zit ik fout wat de drempelbedragen betreft. Het bedrag bij de AAW is anders dan dat bij de ABW. Dat hangt samen met het moment van indexatie. Ik heb mij verkeerd doen informeren. Dat is mijn fout, want mijn ambtenaren hebben altijd gelijk.

©

H. (Harm) van der MeulenDe heer Van der Meulen (CDA): Mijnheer de voorzitter! Ik dank de staatssecretaris voor de wijze waarop zij de antwoorden heeft verzorgd. Ik wil nog even terugkomen op een zaak, die naar ik aanneem in een later stadium bij ons komt, namelijk wanneer er sprake is van een nieuwe Algemene bijstandswet. Ik constateer dat de staatssecretaris een aantal overbodige regels wil schrappen en dat er vrijlatingsbepalingen komen, terwijl in het kabinet niet meer gesproken zal worden over de verhouding 90-10. Ik vraag mij af zonder al het precieze antwoord al te kenneneen vraag stellen houdt vaak al een antwoord in-waarom een sluitende financiering in de bijzonderebijstandsregeling wel mogelijk is en in een heringerichte bijstandswet niet. De staatssecretaris heeft gezegd: er zal veel studie nodig zijn om tot een soort normbedrag te komen en wij hebben het niet in de hand dat er in de ene plaats meer echtscheidingen zijn dan in de andere. Dat geldt toch ook voor die bijzondere regeling? In het kader van die bijzondere regeling zal de ene plaats meer krijgen via de VNG dan de andere. Ik meen te weten dat men is uitgegaan van een gemiddelde over drie of vier jaar. Ik zie niet in waarom het wel kan in de bijzondere regeling en niet in de normale regeling. Als het geldt voor het een zou het ook moeten gelden voor het ander. De staatssecretaris heeft verder gezegd dat de centrale overheid verantwoordelijk blijft voor de heringerichte bijstandswet. Ik denk niet dat ik de precieze formulering gebruik. Waarom laten wij de bijzondere bijstand naar de gemeenten vloeien? Dat komt omdat het centraal mislukt is, omdat men vanuit Den Haag niet in staat is om dat te regelen. Het moet veel meer naar de gemeenten en de burgers toe. Welnu, ik vind dat dit ook geldt voor die andere regeling. Het spreekt mij dan ook helemaal niet aan wanneer nu wordt gezegd dat de centrale overheid verantwoordelijk blijft voor de totale ABW. Ik denk dat ook die verantwoordelijkheid kan worden gedragen door de gemeenten, zij het dat in verband daarmee natuurlijk wel regels moeten worden gesteld. Voorzitter! Het antwoord inzake de fraude heeft mij teleurgesteld. De staatssecretaris zegt dat aan cliënten duidelijk moet worden gemaakt dat er rechten én plichten zijn. Ik ben het daar wel mee eens maar ik had liever gezien dat er sprake was geweest van een drieluik. Het zit niet alleen bij de uitkeringsgerechtigden die zich meer uitkeringstrekkers voelen. Wethouders voeren soms een beleid, waarmee er op aan wordt gestuurd dat er misbruik van regelingen wordt gemaakt. Er zijn ook ambtenaren die de wet niet meer uitleggen maar eenvoudig aangeven hoe je die wet kunt ontduiken. Ik heb daar weliswaar geen harde cijfers over maar vind het toch bijzonder jammer dat in het antwoord van de staatssecretaris alleen doorklinkt dat cliënten iets duidelijk moet worden gemaakt. Voorzitter! Ik denk dat ook een groot aantal ambtenaren "iets duidelijk" moet worden gemaakt, namelijk wat van hen wordt verwacht. Er komt uit Amsterdam een beleidsplan. Voorzitter! Ik denk wel eens: wat goed is voor Amsterdam is blijkbaar goed voor heel Nederland. Het zou ook kunnen zijn dat men in andere plaatsen hiervan leert hoe het nu net niet moet. Ook in verband met dit plan zou ik graag zien dat er niet alleen wordt geregeld dat eenmaal per vier of per acht maanden controle wordt uitgeoefend. Er moet ook iets worden gedaan aan de mentaliteit van een groot aantal ambtenaren. Ik ben ervan overtuigd dat het mede daaraan schort.

©

W. (Willem) van de ZandschulpDe heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de voorzitter! Ik dank de staatssecretaris voor haar antwoorden. Omdat ik een aantal zaken al bij interruptie met de staatssecretaris heb besproken, zal ik nu nog slechts op enkele punten ingaan. Mede met het oog op de voorlichting heb ik gezegd dat het handhavingsbeleid voor mij twee kanten heeft. In de eerste plaats moet ervoor worden gezorgd dat iedereen krijgt wat hem of haar toekomt, niet meer en niet minder. In de tweede plaats vind ik het zeer terecht dat er veel aandacht wordt gegeven aan vormen van oneigenlijk gebruik en misbruik. Ik doe daar niets aan af, hoewel ik een enkele keer de toonzetting van sommige politici iets te schril vind. Op zichzelf gaat het om een zeer serieus probleem. Overigens is er ook onderconsumptie en daarvoor bestaat er in de politiek minder aandacht. Dat zit mij soms dwars. Uit onderzoekingen is in elk geval gebleken dat dit zich op nogal omvangrijke schaal voordoet bij de bijzondere bijstand en bij de huursubsidie. Nu de bijzondere bijstand wordt gedecentraliseerd, is duidelijk dat de gemeenten, primair verantwoordelijk, hierover behoorhjke voorlichting moeten geven. Het lijkt mij dwaas, te verwachten dat 700 gemeenten 700 verschillende folders gaan ontwerpen. In grotere plaatsen zal dit, zo mag worden aangenomen, heel behoorlijk gebeuren maar in de gemeenten die een afdeling sociale zaken hebben die uit anderhalve man en een paardekop bestaat, zal dit waarschijnlijk nauwelijks gebeuren. Ik constateer dat het voor veel Nederlanders een openbaring is wanneer zi] vernemen dat er zoiets als bijzondere bijstand bestaat. Er zijn nog grotere groepen Nederlanders die met verbazing horen dat deze regeling niet alleen voor bijstandstrekkers openstaat maar ook voor mensen die afhankelijk zijn van alleen AOW of van AOW met een heel klein pensioentje en voor andere laagbetaalden. Alleen al het doen van deze twee mededelingen zou voor velen als een openbaring werken. Er zijn daarnaast nog andere zaken die landelijk best mee te delen zijn, zonder een waslijst te maken van wat wel en niet mag. Tot mijn ergernis wordt centraal de drempel gehandhaafd maar die drempel wordt in elk geval opgeheven bij alles wat te maken heeft met scholing, werkervaring en daarbij passende kinderopvang. Hoewel een waslijst niet wenselijk isdie heeft trouwens ook nooit bestaan, want ook in het bestaande beleid is natuurlijk al het een en ander gedecentraliseerdis het natuurlijk toch wel denkbaar om een paar karakteristieke voorbeelden te noemen van wat wel of niet zou kunnen in het kader van de bijzondere bijstand. Ik geef echter toe dat je daar voorzichtig mee moet zijn. Ik bedoel hiermee te zeggen dat ik niet vind dat de voorlichting volledig afgewenteld moet worden op de gemeenten, maar dat de rijksoverheid op dit gebied ook een taak heeft. Mijn vragen over de afbakening met betrekking tot de voorliggende voorzieningen zijn in die zin bevredigend beantwoord, dat mijn vrees dat er sprake zou zijn van een veel restrictiever beleid kennelijk niet juist is. In ieder geval wordt de interpretatie van Divosa, die ik uit een geschriftje heb voorgelezen, door de staatssecretaris onderschreven. Het lijkt mij niet wenselijk om hier op casusposities verder in te gaan. Ik laat dit verder zitten. Nog een opmerking die wat mij betreft voorlopig de laatste is over scholing met behoud van uitkering. Het criterium daarbij moet zijn of het aanwijsbaar de kans van betrokkene op spoedige herinschakeling bij de arbeid vergroot. Dat is een zinnig criterium. Het onderwijsnivau op zich vind ik geen zinnig criterium. Het moge waar zijn dat men in het algemeen met MBO-niveau heel goed uit de voeten kan op de arbeidsmarkt, er zijn gelukkig ook nog honderdduizenden mensen die met alleeri lager onderwijs goed uit de voeten kunnen op de arbeidsmarkt. Het is een beetje een ziekte van het diplomafetisjisme in dit land dat men beroepen zozeer koppelt aan onderwijsniveaus. Ik vind het dus een oneigenlijk criterium om de grens te leggen bij de overgang van MBO naar HBO. Wat ik in mijn eerste termijn heb gezegd, is niet de deur van de bijstand wagenwijd openzetten als alternatieve bron van studiefinanciering. Ik heb het zelfs erg ingeperkt. Ik heb gesproken over parttime opleidingen, over personen die nog geen sollicitatieplicht hebbenik houd toch maar even vast aan deze populaire termvoor wie de kans op herinschakeling in het arbeidsproces niet zo direct voor de hand liggend is. Ikzou inderdaad willen vasthouden aan een subject-en objecttoets. En dat zijn nogal wat beperkende maatregelen. Wat dat betreft zullen de staatssecretaris en ik niet zo sterk van mening verschillen, behalve dat die rigide afgrenzing tussen MBO en HBO naar mijn mening, als je er goed over nadenkt, eigenlijk nergens op slaat. Ik wil het hierbij laten. Ik wens de staatssecretaris geluk met dit wetsvoorstel. En ik wens de gemeenten succes als zij het straks moeten uitvoeren.

©

E. (Elske) ter VeldStaatssecretaris Ter Veld Mijnheer de voorzitter! De constatering van de heer Van der Meulen dat het kabinet nu niet meer zal spreken over een andere verdeling van kosten in de bijstand, kan ik natuurlijk nooit onderschrijven, omdat het kabinet op ieder moment dezelfde discussie of een andere zou kunnen voeren. Bij dit wetsvoorstel -men kan dat lezen in het regeerakkoord -zijn wij uitgegaan van een 90/10-verhouding en een volledige decentralisatie van de bijzondere bijstand naar de gemeenten. Als hetzelfde geldt-en toen dacht ik: ja, als hetzelfde geldtvoor de bijzondere bijstand, waarom niet voor de gewone bijstand, zo vroeg de heer Van der Meulen. En toen dacht ik: als hetzelfde geld er in dezelfde ruimte is. Bij de bijzondere bijstand is natuurlijk sprake geweest van herverdeling en van vereveningsproblematiek. Dankzij het feit dat wij met 100 mln. het bedrag ruim hebben kunnen verdubbelen, zijn er zo goed als geen negatieve effecten opgetreden. Bij de bijstand in het algemeen zal het kabinet mij toch niet de ruimte geven om het bedrag zelfs maar in die orde van grootte te verhogen. Dat betekent dus dat wij zitten met iets wat nu op declaratiebasis gaat. Wij weten dat het aantal mensen dat een beroep doet op de bijstand, ongelijk gespreid is en dat het ook een dynamisch proces is. Wij zien dat ook aan de incentive, die gelukkig bijna twee keer zo hoog is als wij dachten dat die zou worden. Dat betekent dat veel meer mensen zijn uitgestroomd uit de bijstandswet. Wij zien ook dat die, waar die neerslaat, zeer variabel is. De VNG noemde het voorbeeld dat een groot bedrijf reorganiseert, waardoor er zoveel jaar later extra veel mensen komen. Zij vroeg wat de gemeente daaraan kan doen. Het antwoord is: op dat moment heel weinig. Wij bekijken dus of je bij de bijstand een bepaald normeringskostensysteem kunt invoeren, maar dit moeten wij nog goed uitzoeken. Het eigen deel van de bijstand is voor de gemeenten toch al zeker 8% van de totale uitkering uit het Gemeentefonds en gemeenten hebben meer taken dan alleen bijstandsverlening. Wij moeten dus heel goed bekijken wat wij aan het doen zijn. De Algemene bijstandswet is natuurlijk niet alleen een taak voor de rijksoverheid. Zij is een mooie wet, die in medebewind wordt uitgevoerd. Er ligt een verantwoordelijkheid bij de centrale overheid en er llgt een heel duidehjke verantwoordelijkheid bij de gemeentelijke overheid. De gemeenten zijn geen uitvoerders van het beleid van de centrale overheid, maar hebben een duidelijk eigen beleidsverantwoordelijkheid. Overheden mogen elkaar ook niet als eigen uitkeringsinstanties of iets dergelijks zien. In verband met de fraudebestrijding en het handhavingsbeleid heb ik gewezen op rechten en plichten en op voorlichting hierover aan bijstandscliënten. Ik heb gewezen op het overleg dat ik kort geleden met de VNG heb gevoerd. Ik heb met de VNG een soort van convenant afgesloten om ten minste een paar keer per jaar bestuurlijk overleg over bijstandszaken te voeren. In het overleg is het mij zeer duidelijk geworden dat de wethouders zich er zeer duidelijk van bewust zijn dat de uitstraling van de manier waarop men met de bijstand omgaat, van groot belang is voor de legitieme positie van het gemeentebestuur in de eigen gemeente. In eerste termijn wees ik ook op een nota van DIVOSA over fraudepreventie vanuit de sociale dienst. Op 3 oktober is er weer een uitgebreide bijeenkomst van ambtenaren. Daar bestaat het besef dat handhavingsbeleid een kwestie is van het tot stand brengen van de verdeling die wij bedoelen, niet te weinig en niet te veel, zoals de heer Van de Zandschulp ook zei. Ik heb in eerste termijn dus aangegeven dat de collega's bestuurders van andere overheden, die op dit terrein hun eigen verantwoordeiijkheid hebben, waarvoor zij ook zijn gekozen, er bewust mee bezig zijn om goed beleid te voeren en dat ook bij de directeuren en de ambtenaren van de sociale diensten de bedoeling aanwezig is om deze goede wet op een juiste wijze uit te voeren. Ik herinner mij nog goed dat zij werd ingevoerd na de Armenwet. Ik ga ervan uit dat wij door het niet alleen zo te willen, maar ook met elkaar in praktijk te brengen, snel afkomen van de verschrikkelijk vervelende discussies waarin men elkaar verwijten maakt en hetzes worden gevoerd. Mensen die terecht een beroep op de bijstandswet doen, denken hierdoor soms dat zij in de verkeerde hoek worden gezet. Dit is een van de problemen van de onderconsumptie van de bijstandswet. Voor een deel komt deze doordat vooral oudere generaties te vaak denken dat bijstand een gunst is. De bijstand is echter een recht en kent een rechtsplicht voor de gemeenten. Er bestond verder onduidelijkheid over of de bijzondere bijstand geldt als je algemene inkomen niet uit de bijstand komt. De algemene voorlichting hierover is een taak die de rijksoverheid op zich moet nemen. Ook voor AOW'ers, mensen met een WAO/AAW-uitkering en gewone loontrekkenden met een laag inkomen staat de bijzondere bijstand ter beschikking en is hij een recht. Wij zullen de voorlichting van de gemeenten dus niet alleen ondersteunen, maar ook ervoor zorgen dat het beeld dat de bijzondere bijstand alieen voor een bepaalde groep in de samenleving is, doorbroken wordt. Het is altijd mooi als je het zelf kunt financieren, maar als je dit niet kunt, is bijzondere bijstand een recht. De overheid hoort ervoor te zorgen dat dit recht bij iedereen bekend is. Voorzitter! Ik meen dat ik wederom alle vragen beantwoord heb.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.