Memorie van toelichting - Nadere wijziging van de Werkloosheidswet (Wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

  • Inleiding

Bij de stelseiherziening sociale zekerheid, die per 1 januari 1987 haar beslag heeft gekregen, zijn de tot dat tijdstip functionerende wettelijke uitkeringsregelingen voor werkloze werknemers, te weten de Werkloosheidswet en de Wet Werkloosheidsvoorziening samengevoegd tot één regeling, de (nieuwe) Werkloosheidswet.

In de tot dusverre functionerende wetgeving was de belangrijkste voorwaarde voor het recht op uitkering -te weten de constatering, wanneer iemand als werkloos moest worden aangemerkt -niet in de wet gedefinieerd. De moeilijke bepaalbaarheid van het begrip werkloosheid vormde bij de totstandkoming van de oude WW en de WWV reden om een definitie ervan achterwege te laten. Door de uitvoeringsorganen zelf werd dan ook in belangrijke mate bepaald of en in hoeverre sprake was van werkloosheid, daarbij rekening houdend met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep terzake, hetgeen daarna in voorkomende gevallen aan de toets van de beroepsrechter werd onderworpen.

In de (nieuwe) WW is een -mede op de jurisprudentie van de oude WW en WWV gebaseerde -concrete invulling gegeven aan het begrip werkloosheid. Hierbij is overwogen dat het voorkeur verdient in de wet een zo concreet mogelijke en een zo duidelijk mogelijke terminologie te volgen. Dit werd niet alleen van belang geacht voor de bedrijfsverenigingen die belast zijn met de uitvoering van de wet maar juist ook voor de gebruikers van de wet. Een duidelijke en heldere terminologie vergroot immers de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Voorts werd het gerechtvaardigd geacht om waar jurisprudentie van de rechter duidelijkheid heeft gebracht, deze in de wet -die toch uiteindelijk de primaire bron van rechtsvinding is -tot uitdrukking te brengen.

Naast de concrete invulling van het werkloosheidsbegrip in wet en uitvoeringsmaatregelen, eist de in de wet gekozen systematiek volgens welke de duur van de uitkering is vastgelegd in halve jaren, dat bij opvolgend arbeidsurenverlies een nieuw recht op uitkering ontstaat met een eigen duur. Hierdoor kan tegelijkertijd meer dan een recht op uitkering bestaan. Theoretisch gezien is hiermee een evenwichtige regeling tot stand gebracht, die een logisch verband heeft gelegd tussen de opbouw en de effectuering van de rechten.

Vanuit de uitvoeringspraktijk is evenwel gesignaleerd, dat de mogelijke samenloop van rechten en de concretisering van het werkloosheidsbegrip, problemen zouden geven bij de uitvoering van de WW. Met de in dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van de WW, wordt beoogd hieraan tegemoet te komen, waarbij opgemerkt dat niet voor alle door uitvoeringsorganen gesignaleerde problemen een oplossing wordt geboden Dit zou een verregaande wijziging van de wet vergen, waarvan het vooralsnog de vraag is, of en in hoeverre dat wenselijk is. In het vervolg van deze memorie wordt hierop teruggekomen.

In de hoofdstukken 2 en 3 van deze memorie wordt kort ingegaan op de knelpunten die zich bij de uitvoering van de WW voordoen, zoals door de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) bij brief van 17 augustus 1987 ter kennis gebracht aan de Sociale Verzekeringsraad (SVr) alsmede op de naar aanleiding hiervan door de SVr uitgebrachte adviezen. In hoofdstuk 4 wordt stilgestaan bij de, naar aanleiding van de gesignaleerde problemen, in opdracht van het ministerie uitgevoerde wetssystematische analyse van het werkloosheidsbegrip. In hoofdstuk 5 worden voorstellen tot wijziging van de wet besproken, voorzover zij direct verband houden met de problemen rond de toepassing van het werkloosheidsbegrip en in hoofdstuk 6, voorzover zij betrekking hebben op de problematiek van werkloosheid bij onwerkbaar weer. Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal andere wijzigingen voor te stellen die wel verband houden met het werkloosheidsbegrip als zodanig, doch niet zozeer met de hierboven genoemde uitvoeringsproblemen. Deze voorstellen worden besproken in hoofdstuk 7 van deze memorie. In de hoofdstukken 8, 9 en 10 zal respectievelijk worden ingegaan op de financiële gevolgen van de voorgestelde wijzigingen, op dereguleringsaspecten en op de gevolgen voor de positie van vrouwen.

  • Gesignaleerde problematiek

In haar brief van 17 augustus 1987 aan de SVr en de daarbij gevoegde nota geeft de FBV een weergave van uitvoeringstechnische en beleids matige problemen, die sedert de inwerkingtreding van de nieuwe WW door diverse bedrijfsverenigingen met betrekking tot het werkloosheidsbegrip zijn geconstateerd.

Hieruit blijkt, dat de systematiek van de wet en de concretisering van het werkloosheidsbegrip een aantal problemen oplevert betreffende de volgende onderwerpen: -het in bepaalde situaties niet kunnen verstrekken van uitkeringen bij onwerkbaar weer; -het verstrekken van uitkering in situaties waar men zich kan afvragen of er maatschappelijk bezien sprake is van werkloosheid; -het vaststellen van een te hoge of te lage uitkering in relatie tot de omvang van de werkloosheid; -toevallige en ongelijke uitkomsten bij volledig verlies van een baan, dat wordt gevolgd door (gedeeltelijke) werkhervatting; -beantwoording van de vraag of er sprake is van werkloosheid in verband met onzekerheid over beschikbaarheid of recht op doorbetaling van loon; -consequenties met betrekking tot het inkomen bij gedeeltelijke werkhervatting tegen een hoger of lager loon; -de vaststelling of controle van het aantal arbeidsuren vóór en tijdens de uitkering ; -onuitvoerbaarheid bij wisselende arbeidspatronen.

De FBV achtte ter voorkoming van divergerend beleid en ongewenste uitbreiding van contralegem uitvoering het treffen van maatregelen dringend gewenst. Zij wees met klem op de noodzaak om terstond maatregelen te treffen en niet pas na de evaluatie van de stelselherziening reparatiewetgeving tot stand te brengen. Voorts diende naar het oordeel van de FBV de oplossing niet te worden gezocht in een verdere verfijning van de toch al verfijnde regels, omdat de kans dat daarmee nieuwe problemen zouden worden gecreëerd bijzonder groot werd geacht.

  • Adviezen SVr

Naar aanleiding van de hierboven in het kort geschetste problemen die zich bij de uitvoering van de wet zouden voordoen en het dringend beroep van de FBV, heeft de SVr een drietal (spontane) adviezen uitgebracht. De adviezen die op 18 augustus 1988 en op 18 mei 1989 door de Raad werden vastgesteld, hebben beide betrekking op de problematiek van werkloosheid wegens onwerkbaar weer. Het advies dat op 15 december 1988 werd vastgesteld, heeft betrekking op de overige door de FBV gesignaleerde knelpunten. Onderstaand wordt weergegeven waartoe de SVr adviseert.

Advies van 15 december 1988

Uit dit advies blijkt, dat naar de opvatting van de Raad de in hoofdstuk 2 van deze memorie genoemde problemen, met uitzondering van de problematiek inzake onwerkbaar weer, worden veroorzaakt door de huidige systematiek van de WW. Een oplossing van de problemen moet zijns inziens dan ook worden gezocht in een wijziging van die systematiek. Gezien het ingrijpende karakter hiervan is, naar het oordeel van de Raad, een integrale oplossing op korte termijn niet mogelijk. Bovendien is de Raad net als ik van mening, dat nader onderzoek naar de geschetste problemen alsook naar de mogelijke oplossingen hiervoor noodzakelijk is, alvorens tot verregaande wijzigingen van de wet besloten kan worden. Zodanige wijzigingen zullen mijns inziens overigens niet alleen op hun uitvoeringstechnische-of doelmatigheidsaspecten getoetst moeten worden, doch ook op hun rechtspositionele-en financiële consequenties. Nader onderzoek en bedoelde toetsing zullen plaatsvinden aan de hand van de resultaten van de evaluatie van de stelselherziening.

In dit advies stelt de SVr verder dat hij met het door hem hierin voorgestelde pakket van maatregelen, bestaande uit een wijziging van de omschrijving van het werkloosheidsbegrip in artikel 16, tweede lid, het vervangen van het begrip kalenderweek door een week als periode van zeven dagen en de samenvoeging van rechten tot één recht indien zij binnen veertien dagen na elkaar ontstaan, dan ook niet beoogt een oplossing te bieden voor alle door de FBV gesignaleerde problemen. Met deze maatregelen zou onder andere worden bereikt, dat op een meer globale wijze kan worden vastgesteld of sprake is van werkloosheid en zo ja, in welke omvang. Voorts zou hiermee het aantal situaties, waarin verschillende uitkeringsrechten naast elkaar lopen verminderen. Hiermee wordt wel, aldus de Raad, meer dan thans de bedrijfsverenigingen houvast geboden voor een verantwoorde uitvoering.

Adviezen van ISaugustus 1988 en 18 mei 1989

De uitvoeringsproblemen die ontstaan bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer worden veroorzaakt door het feit, dat ook voor deze vorm van werkloosheid geldt, de in artikel 16 WW gestelde voorwaarde voor het recht op uitkering, van een verlies van tenminste 5 of de helft van het aantal arbeidsuren per kalenderweek. Is het verlies van het aantal arbeidsuren per kalenderweek kleiner, dan kan er ook indien dit het gevolg is van onwerkbaar weer, geen WW-uitkering worden verstrekt. Onder het regime van de oude WW (oWW) en WWV werden in dergelijke situaties bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer, wèl uitkeringen verstrekt. Met het oog op deze naar het oordeel van de Raad ongewenste situatie, is hij in zijn advies van 18 augustus 1988 tot het standpunt gekomen, dat bij arbeidsurenverlies door onwerkbaar weer, vrijstelling moet kunnen worden verleend van de vijfureneis. Aan die vrijstelling kunnen dan voorwaarden worden verbonden om te voorkomen, dat de lasten bij onwerkbaar weer worden afgewenteld op de werkloosheidsfondsen. De Raad veronderstelt, dat een dergelijke vrijstelling de werkgevers zou kunnen stimuleren tot het treffen van verzuimbeperkende maatregelen. Naar aanleiding van dit advies heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij brief van 6 januari 1989 de Raad kenbaar gemaakt in te kunnen stemmen met zijn conclusie, dat werkloosheid door onwerkbaar weer een, in vergelijking met ontslagwerkloosheid, afwijkend karakter heeft. Om die reden kunnen hieraan niet dezelfde voorwaarden worden gesteld. Bij zijn afweging over de wijze waarop voorzieningen in de wet getroffen dienden te worden, die het mede mogelijk zouden moeten maken om in situaties zoals hierboven geschetst uitkeringen te kunnen verstrekken, was de Staatssecretaris evenwel tot een andere conclusie gekomen dan de Raad. Dit vormde voor de SVr aanleiding om een nader advies over deze problematiek uit te brengen -vastgesteld op 18 mei 1989 -waarin hij met klem verzocht alsnog gevolg te geven aan zijn advies van 18 augustus 1989. Op de problematiek als zodanig en op de vraag, of en in hoeverre met de in dit wetsvoorstel voorgestane wijzigingen terzake van werkloosheid wegens onwerkbaar weer aan dit verzoek tegemoet is gekomen, zal nader worden ingegaan in hoofdstuk 6 van deze memorie.

  • De analyse van het werkloosheidsbegrip

Naar aanleiding van de door de FBV gesignaleerde knelpunten is in het bredere kader van de evaluatie van de stelselherziening sociale zekerheid in opdracht van het ministerie, een wetssystematische analyse verricht van het in de nieuwe WW gehanteerde werkloosheidsbegrip. In dit onderzoek zijn ook betrokken wijzigingsvoorstellen van FBV en SVr met betrekking tot het werkloosheidsbegrip. Het betreft hier voorstellen die in de Commissie Werkloosheidsregelingen van de SVr in het jaar 1988 aan de orde zijn geweest. Van belang hierbij is op te merken, dat het eerder vermelde op 15 december 1988 vastgestelde SVr-advies slechts ten dele de meer ingrijpende voorstellen tot wijziging van het werkloosheidsbegrip behelst, waar in het kader van deze wetssystematische analyse onderzoek naar is verricht. Om redenen hiervoor in hoofdstuk 3 van deze memorie genoemd, heeft de SVr ervan afgezien over deze voorstellen.

die een meer integrale oplossing van de gesignaleerde problemen beogen, advies uit te brengen.

De opdracht voor dit onderzoek werd verleend aan de sectie Sociaal Recht van de vakgroep Internationaal Sociaal en Economisch Publiekrecht van de faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Het onderzoek heeft plaatsgevonden onder leiding van prof. mr. A.Ph.C.M. Jaspers. Het onderzoeksrapport is door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in september 1989 in de SZ-reeks gepubliceerd. Het in de WW gehanteerde werkloosheidsbegrip, alsook de eerdergenoemde wijzigingsvoorstellen, zijn door de onderzoekers geanalyseerd en vervolgens enerzijds getoetst aan de beleidsdoelstellingen die de wetgever bij de herziening van de wettelijke werkloosheidsregeling voor ogen stonden en anderzijds aan de criteria duidelijkheid en consistentie van de gehanteerde (norm)elementen. Tevens zijn, althans voor wat betreft het werkloosheidsbegrip in de huidige wet, de van verschillende kanten gesignaleerde problemen met de hantering en toepassing van dat begrip besproken. Aan het slot van het rapport wordt een emdoordeel gegeven over de onderzochte werkloosheidsbegrippen, terwijl nog enkele suggesties zijn opgenomen over de structuurelementen van het huidige werkloosheidsbegrip. De conclusies die in het rapport worden getrokken zullen primair worden betrokken bij de besluitvorming naar aanleiding van de overige resultaten van de evaluatie van de stelselherziening sociale zekerheid. Aan de hand van deze resultaten zal immers bepaald worden of en in hoeverre de WW structureel gewijzigd moet worden, waarbij de resultaten van dit onderzoek mede bepalend kunnen zijn.

Intussen is echter wel bezien, of enkele van de in het rapport voorgestelde voor de hand liggende wetswijzigingen nu al zouden kunnen worden gerealiseerd. Voorts is nagegaan in hoeverre enige suggesties sporen met de voorstellen uit het SVr-advies en hoe laatstgenoemde voorstellen zich verhouden tot enkele van de hiervoor van belang zijnde conclusies in het rapport. In het vervolg van deze memorie zal waar deze raakpunten aan de orde komen hier nader op worden terugkomen.

  • Voorstellen tot wijziging bepalingen inzake het werkloosheidsbegrip Onderstaand worden voorstellen besproken, waarmee beoogd wordt een oplossing te bieden voor een deel van de door de FBV en de SVr gesignaleerde problemen, die zich bij de uitvoering van de wet voordoen. Deze voorstellen hebben betrekking op het werkloosheidsbegrip in artikel 16 WW en de problematiek inzake meerdere naast elkaar lopende rechten.

Omschrijving van het werkloosheidsbegrip Zoals in de inleiding reeds is opgemerkt, is er bij de totstandkoming van de Werkloosheidswet van 1 januari 1987 van de zijde van het kabinet met het oog op de rechtszekerheid bewust naar gestreefd het werkloosheidsbegrip zo concreet mogelijk te omschrijven. Dit streven werd gesteund door het parlement. Ook de SVr steunde blijkens zijn advies van 6 november 1985 over de stelselherziening sociale zekerheid dit streven.

Het werkloosheidsbegrip, is als volgt in artikel 16, WW omschreven. De werknemer die tenminste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, is werkloos en heeft, indien aan de referte-eis wordt voldaan, uit dien hoofde recht op uitkering. Of er sprake is van arbeidsurenverlies en in welke omvang wordt bepaald door het resterende aantal arbeidsuren in de week waarin het verlies van arbeidsuren optreedt, in mindering te brengen op het gemiddeld aantal arbeidsuren berekend over de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het arbeidsurenverlies. Mede door deze regeling inzake de berekening van het verlies van arbeidsuren, waarmee «het gebruikelijke arbeidspatroon» van betrokkenen als het ware beoordeeld wordt aan de hand van de voor een ieder geldende periode van 26 weken direct voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid, wordt het begrip werkloosheid geobjectiveerd.

In het in hoofdstuk 3 vermelde advies van de SVr, wordt onder meer gesteld: «dat de regeling in de uitvoeringspraktijk vanwege haar starre werking onhanteerbaar is». Uit de toelichting bij deze stelling blijkt dat hiermee niet wordt bedoeld dat de omschrijving van het werkloosheidsbegrip wetstechnisch gezien tot problemen leidt, maar dat de uitkomst van de toepassing van de huidige hiervoor weergegeven berekeningsregel tot vaststelling van werkloosheid, naar het oordeel van de SVr in bepaalde situaties tot onbevredigende resultaten leidt. Zo kan de berekeningsregel er bijvoorbeeld toe leiden dat in gevallen van verlies van een excessief hoog aantal arbeidsuren, bij van verlies van overwerkuren wegens beëindiging van het overwerk en in gevallen, waarbij een vermindering van het aantal arbeidsuren per week niet ook tot gevolg heeft dat het inkomen per week vermindert, tot werkloosheid in de zin van de WW moet worden geconcludeerd, terwijl, -volgens de SVr -naar algemeen maatschappelijk aanvaarde opvattingen van werkloosheid geen sprake is.

Teneinde dit te ondervangen adviseert de SVr een aanpassing van de berekeningsregel op grond van artikel 16, tweede lid, WW in die zin dat niet langer de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaande aan de week waarin het arbeidsurenverlies optreedt als maatstaf voor de berekening van het verlies van arbeidsuren zal dienen, maar een voor de desbetreffende werknemer representatief te achten periode . Voor zover het uit de berekening voortvloeiende gemiddelde aantal arbeidsuren het aantal arbeidsuren dat voor een werknemer als betrokkene gebruikelijk is overtreft, worden zij voor de bepaling of er sprake is van werkloosheid buiten beschouwing gelaten. Tevens voorziet de door de SVr voorgestelde bepaling in een door hem te stellen maximum aan het bij de berekening in aanmerking te nemen aantal arbeidsuren. De SVr meent dat deze bevoegdheid het beste aan hem kan worden toebedeeld vanwege zijn betrokkenheid bij de uitvoeringspraktijk en het daardoor op snelle wijze kunnen inspelen op signalen over maatschappelijke ontwikkelingen, die van belang kunnen zijn voor het gestelde maximum. Alvorens hier nader op in te gaan wil ik vooropstellen, dat ik blijf hechten aan een werkloosheidsbegrip dat verzekerden de grootst mogelijke rechtszekerheid biedt. Rechtszekerheid die gewaarborgd wordt door een zo duidelijk en concreet mogelijk criterium voor de vaststelling van werkloosheid.

Thans wordt hierin voorzien door de arbeidsurenverliesregel van artikel 16, tweede lid, die de belangrijkste grondslag van de WW bevat, namelijk de bepaling wie werkloos is. Hoewel niet ontkend wordt dat de door de SVr in zijn advies als voorbeelden genoemde en als onjuist gekwalificeerde uitkomsten zich kunnen voordoen, verbind ik hieraan niet zonder meer de conclusie, dat deze regeling in de praktijk onhanteerbaar zou zijn en een fundamentele wijziging van de wet, waartoe de door de SVr voorgestelde bepaling mijns inziens leidt, op dit moment rechtvaardigt. Ik beschouw de voorgestelde bepaling als een fundamentele wijziging, omdat deze er toe leidt, dat niet langer uitsluitend aan de hand van de bepalingen van de wet beoordeeld zal worden of en in hoeverre een werknemer werkloos is, zoals thans het geval is. Immers, in de door de SVr voorgestelde oplossing wordt het arbeidsurenverlies van 5 of de helft van het aantal arbeidsuren per week als criterium voor de vaststelling van werkloosheid weliswaar gehandhaafd, doch wordt voor de bepaling of hieraan wordt voldaan uitgegaan van het voor een werknemer als betrokkene gebruikelijke arbeidspatroon. Dit is mijns inziens een onduidelijk criterium waaraan in de uitvoeringspraktijk nadere invulling zal moeten worden gegeven. Ik acht dit uit het oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, waarvoor de basis vastgelegd moet zijn in de wet, ongewenst en strijdig met de eerder ten tijde van de stelselherziening geformuleerde uitgangspunten voor een nieuwe regeling inzake werkloosheid. Een belangrijk uitgangspunt was, dat de gebruiker zijn recht dient te ontlenen aan duidelijke en in de wet-en regelgeving geformuleerde criteria. Naar mijn oordeel wordt hier niet aan voldaan met de door de SVr voorgestelde bepaling. Deze leidt er immers toe, dat invulling van het werkloosheidsbegrip wederom aan uitvoeringspraktijk en beroepsrechter wordt overgelaten. Het advies van de SVr om te komen tot de door hem voorgestelde omschrijving van het werkloosheidsbegrip, wil ik daarom niet volgen.

Bij mijn afweging het SVr-advies op dit punt niet te volgen heb ik mede betrokken, de conclusie die in het in hoofdstuk 4 genoemde onderzoeksrapport met betrekking tot de door de SVr geadviseerde bepaling voor artikel 16, tweede lid WW wordt getrokken. Gesteld wordt niet alleen dat het hier een onduidelijke, interpretatiegevoelige bepaling betreft, doch tevens, dat de zinsnede «voor zover dit aantal het aantal arbeidsuren dat voor een werknemer als betrokkene gebruikelijk is niet te boven gaat» duidt op herinvoering van het in de jurisprudentie op grond van de oude WW (en de WWV) ontwikkelde begrip «gebruikelijke arbeidspatroon». Daarmee is naar de mening van de onderzoekers een terugkeer naar het hierin ontwikkelde en door de bedrijfsverenigingen voorheen gehanteerde werkloosheidsbegrip niet denkbeeldig. Getoetst aan doelstellingen die de wetgever zich bij het opstellen van een nieuwe werkloosheidsregeling heeft gesteld is het oordeel hierover negatief.

Ik acht het niet juist bij de beoordeling van de door de SVr geadviseerde wijziging van artikel 16, tweede lid, WW aan deze conclusie voorbij te gaan. Temeer, nu uit de toelichting op de door de SVr in zijn advies voorgestelde bepaling blijkt, dat niet bedoeld is een volledige terugkeer naar de jurisprudentie op grond van de oude wetgeving te bewerkstelligen. Dit laat onverlet, dat met de gebezigde terminologie een terugkeer naar de oude jurisprudentie niet denkbeeldig moet worden geacht en de geadviseerde bepaling op zichzelf daartoe ruimte biedt.

Geconcludeerd hebbende dat de door de SVr voorgestelde oplossing geen begaanbare weg is, heb ik vervolgens allereerst nagegaan of het mogelijk zou zijn het werkloosheidsbegrip zodanig te construeren dat aan het vereiste van verlies aan arbeidsuren een element wordt toegevoegd en wel dat er ook sprake dient te zijn van verlies aan looninkomsten om werkloosheid aan te kunnen nemen. Door de toevoeging van het element loonverlies in de wet kunnen de door de SVr in zijn advies gesignaleerde problemen grotendeels worden opgelost. Voorts zou hiermee aan de voorwaarde dat werkloosheid aan de hand van in de wet en regelgeving opgenomen bepalingen dient te worden beoordeeld blijvend worden voldaan. Ik heb echter van deze suggestie moeten afzien, omdat bleek dat invoering op korte termijn van dit nieuwe element te ingrijpend en ook zonder nader onderzoek niet goed mogelijk zou zijn. Hiermee zou tevens de uitvoering te veel worden belast, ook voor gevallen die momenteel geen problemen opleveren. Mochten de resultaten van de evaluatie stelselherziening hiertoe aanleiding geven dan kan dit voorstel nader onderzocht en uitgewerkt worden.

Daarna heb ik getracht een modaliteit te vinden waarbij de bestaande systematiek zo veel mogelijk gehandhaafd zou blijven, maar waarbij voor uitzonderingsgevallen de bedrijfsverenigingen een ruimere bevoegdheid krijgen om te bepalen of er al dan niet sprake is van werkloosheid. Ik wilde dit bereiken door de in het tweede lid van artikel 16 opgenomen berekeningsregel als hoofdregel ter vaststelling van het gemiddeld arbeidspatroon te handhaven. Van de hoofdregel zou dan slechts in uitzonderlijke gevallen mogen worden afgeweken namelijk wanneer toepassing hiervan leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Het probleem dat zich hierbij voordoet is echter, dat dit criterium of een criterium van deze strekking onvoldoende houvast biedt, omdat direct de vraag gesteld kan worden voor wie het resultaat kennelijk onredelijk zou moeten zijn, te weten voor de betrokken werknemer, voor de bedrijfsvereniging of de fondsen. Voorts is het niet ondenkbaar dat een of meer bedrijfsverenigingen in ruimere mate zullen afwijken van de hoofdregel dan de bedoeling is, namelijk in alle gevallen, waarin zij menen, dat de betrokken werknemer ten onrechte van de werking van de hoofdregel zou profiteren.

Gezien de omstandigheid, dat een onverkorte uitvoering van het SVr-advies op dit punt bij mij onoverkomelijke bezwaren oplevert en de hierboven vermelde alternatieven ook geen begaanbare weg blijken te zijn, heb ik uiteindelijk moeten besluiten geen wijziging te brengen in de bepaling van artikel 16, tweede lid. Hierbij heb ik tevens overwogen, dat de gesignaleerde knelpunten ook in belangrijke mate kunnen worden opgelost zonder een fundamentele wijziging van de wet en wel door de bevoegdheid van de SVr tot nadere regelgeving uit te breiden en de bestaande nadere regelgeving aan te passen. Voor wat betreft de uitbreiding van nadere regelgeving, wordt voorgesteld -overeenkomstig het SVr-advies -om de Raad de bevoegdheid te geven voor groepen van werknemers een maximum te stellen aan het aantal in aanmerking te nemen arbeidsuren bij de berekening van het arbeidsurenverlies. Dit is wenselijk, nu bij het verlies van een excessief hoog aantal arbeidsuren -in het SVr-advies wordt genoemd een aantal van 84 uur -de systematiek van de wet tot onbevredigende resultaten kan leiden. Het komt mij voor, dat op grond van deze bevoegdheid gestelde regels voor gevallen waarin in éèn dienstbetrekking gedurende een excessief hoog aantal uren is gewerkt, regulerend kan werken en een deel van de knelpunten kan oplossen. Om aan te kunnen geven wanneer van een excessief aantal arbeidsuren sprake is acht ik een aantal arbeidsuren van meer dan 50 per week een goede maatstaf. Ik acht het belang van een dergelijk besluit voor de werking van de wet evenwel van

zodanige betekenis, dat hierbij wordt voorgesteld de door de SVr te stellen regels aan ministeriële goedkeuring te onderwerpen. Met betrekking tot aanpassing van bestaande regelgeving zou ik willen wijzen op de bevoegdheid van de SVr op grond van artikel 16, vierde lid, van de WW. Deze bepaling geeft de Raad de bevoegdheid regels te stellen op grond waarvan uren waarin niet is gewerkt met arbeidsuren worden gelijk gesteld en uren waarin wel is gewerkt buiten aanmerking worden gelaten. Door in deze regels bijvoorbeeld een bepaling op te nemen, op grond waarvan uren waarin overwerk is verricht voor de berekening van het arbeidsurenverlies buiten aanmerking blijven, zou ook voor de problematiek inzake het recht op WW-uitkering na het beëindigen van werkzaamheden in overwerk, als ook voor het meetellen van overwerkuren bij de vaststelling van de gemiddelde arbeidsurenomvang, een oplossing worden geboden.

Vervangen van het kalenderweekcriterium De bepalingen in de WW betreffende de berekeningsperiode voor het arbeidsurenverlies gaan uit van een begrenzing van de berekeningspe riode door kalenderweken. In de situatie waarin de eerste werkloosheidsdag niet samenvalt met de eerste dag van de kalenderweek (voor de WW vastgesteld op maandag), heeft deze begrenzing bijvoorbeeld tot gevolg, dat voor een werknemer die per de eerste van de maand al zijn (40) arbeidsuren verliest en de eerste van de maand valt op een woensdag, er in de eerste kalenderweek een recht van 24 uur ontstaat en in de daaropvolgende kalenderweek een recht van 16 uur. Met andere woorden, er ontstaan twee rechten terzake van één en hetzelfde werkloosheidsgeval. Niet alleen is dit uitvoeringstechnisch gezien problematisch, tevens kan het in vergelijking tot degene die in éèn kalenderweek al zijn (40) arbeidsuren verliest (in dat geval is de eerste werkloosheidsdag de maandag) en vervolgens gedeeltelijk hervat, tot een ongelijke behandeling van soortgelijke gevallen leiden. Bij gedeeltelijke eindiging van het recht wordt de uitkeringsduur immers niet opgeschort, terwijl dit bij gehele eindiging van het recht wel het geval is. In de hierboven weergegeven situaties, leidt gedeeltelijke werkhervatting voor 24 uur in het eerste geval tot een gehele eindiging en dus tot opschorting van het eerst ontstane recht en in het tweede geval tot een gedeeltelijke eindiging van het (enig ontstane) recht. Dit kan ertoe leiden, dat de werknemer in de eerst geschetste situatie uiteindelijk meer aan uitkering ontvangt dan de werknemer voor wie de eerste werkloosheidsdag vaït op de eerste dag van de kalenderweek, terwijl in feite sprake is van identieke werkloosheidssituaties.

Ik acht dit ongewenst en neem daarom de door de SVr in zijn advies gedane suggestie in dit wetsvoorstel over, om de kalenderweek niet langer als berekeningsperiode voor het arbeidsurenverlies te hanteren, maar hiervoor uit te gaan van een week als een periode van zeven opeenvolgende dagen. Voor de weekbeoordeling tijdens de uitkeringsduur is het mogelijk de kalenderweek te blijven hanteren, zoals ook door de SVr wordt opgemerkt.

Met dit voorstel wordt niet alleen de hierboven gesignaleerde problematiek opgelost, doch wordt tevens -zoals ook in het eerdergenoemde onderzoeksrapport wordt geconcludeerdbijgedragen aan de oplossing van de uitvoeringstechnische problemen die kunnen ontstaan bij meerdere naast elkaar lopende rechten per werkloze werknemer.

Samenvoeging van uitkeringsrechten Op grond van de wettelijke bepalingen is het mogelijk -ook om andere redenen dan in de voorgaande paragraaf genoemd -, dat er per werknemer meer uitkeringsrechten uit één (of opeenvolgende) dienstbetrekking(en) naast elkaar ontstaan. De uitkeringsduur kan langer dan een half jaar zijn, zodat de werknemer in staat is met werken tijdens de uitkeringsduur een nieuw uitkeringsrecht op te bouwen. Daarnaast is het in een aantal situaties mogelijk de gewerkte weken voor de wekeneis meer keren in aanmerking te nemen, waardoor er bij opeenvolgend arbeidsurenverlies meerdere rechten kunnen ontstaan. De mogelijkheid van het naast elkaar kunnen ontstaan van meer uitkeringsrechten houdt nauw verband met de systematiek van de WW. De systematiek komt hierop neer, dat elk relevant verlies (onder voorwaarden) leidt tot een zelfstandig uitkeringsrecht, dat een eigen uitkeringsduur en -hoogte kent.

Het naast elkaar lopen van verschillende uitkeringsrechten maakt de wekelijkse beoordeling hiervan gecompliceerd en arbeidsintensief, hetgeen naar het oordeel van de FBV en de SVr tot uitvoeringsproblemen leidt. Ik heb hier begrip voor en stel daarom in dit wetsvoorstel voor, om in situaties waar binnen 14 dagen na het ontstaan van een eerste recht, uit dezelfde dienstbetrekking, of uit een dienstbetrekking die hiervoor in de plaats is gekomen, opnieuw een recht ontstaat, beide rechten samen te voegen tot één recht. In de praktijk betekent dit, dat bij een toename van de werkloosheid in de tweede week een herberekening plaatsvindt van de in de eerste week vastgestelde uitkering. Overeenkomstig het advies van de SVr van 15 december 1988, ben ik van mening dat tussen de eerste werkloosheid en de daarop binnen 14 dagen ontstane werkloosheid, gezien de korte termijn, een dusdanig verband bestaat dat gesproken kan worden van één geval van werkloosheid, hetgeen de inbreuk op de systematiek van de wet waartoe dit voorstel leidt, mede rechtvaardigt.

Vergeleken met de huidige systematiek echter leidt dit voorstel tot het nadelige effect, dat bij het uitkeren naar één uitkeringsrecht een gedeelte van de uitkeringsduur verloren gaat, omdat de duur van het uitkeringsrecht wordt vastgesteld op het moment waarop voor het eerst werkloosheid ontstaat. Ik heb hierbij met name het oog op de situatie dat de werknemer op het moment van het ontstaan van het tweede recht, een voor de arbeidsverledeneis relevante grens heeft overschreden en binnen de huidige systematiek hiervoor een langere uitkeringsduur wordt vastgesteld dan de uitkeringsduur die geldt voor het eerste recht. Ook indien deze situatie zich niet voordoet gaat een gedeelte van de uitkeringsduur (de periode tussen de twee rechten) van het tweede recht verloren. Naar mijn mening alsook naar de mening van de SVr mag de voorgestelde regeling voor de werknemer in vergelijking met de huidige regeling niet tot verlies van uitkeringsrechten leiden. Om dit te voorkomen, wordt voorgesteld in artikel 42 WW te bepalen, dat voor de duur van het samengevoegde recht beslissend is het moment van het ontstaan van het toe te voegen recht op uitkering. Dat betekent dat voor het samengevoegde recht één uitkeringsduur geldt en wel de duur die zou hebben gegolden voor het tweede recht.

  • Voorstellen tot wijziging bepalingen inzake werkloosheid bij onwerkbaar weer

Deze voorstellen, waarop onderstaand nader wordt ingegaan, strekken ertoe tegemoet te komen aan het probleem dat op grond van de huidige

bepalingen van de wet in bepaalde situaties geen uitkering kan worden verstrekt bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer. Tevens wordt een wijziging voorgesteld ten aanzien van de financieringswijze van zodanige uitkeringen in algemene zin.

Wijziging van de uitkeringsvoorwaarden bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer Een werknemer die de bedongen arbeid wegens een normaal bedrijfsrisico, waartoe ook onwerkbaar weer wordt gerekend, niet kan verrichten, behoudt op grond van artikel 1638d van het Burgerlijk Wetboek (BW) het recht op onverminderde doorbetaling van loon. Deze verplichting van de werkgever komt te vervallen, op het moment dat het normale bedrijfsrisico overgaat in een overmachtssituatie en kan voorts op grond van artikel 1638d, tweede lid, juncto artikel 1638e, zevende lid BW, bij (schriftelijke) individuele arbeidsovereeenkomst of bij collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) worden uitgesloten. De werknemer die ten gevolge van onwerkbaar weer arbeidsuren verliest en geen recht (meer) heeft op onverminderde doorbetaling van loon, is in beginsel aangewezen op een WW-uitkering, voor de duur van de omstandigheden die tot het arbeidsurenverlies hebben geleid.

Terzake van het recht op uitkering voor een werknemer die uitsluitend door vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone omstandigheden werkloos is, is in artikel 18 WW bepaald, dat de in artikel 17 WW gestelde referte-eis, waaraan in de regel moet zijn voldaan voor een recht op uitkering, niet van toepassing is. Wel moet worden voldaan aan de voorwaarde van een verlies van tenminste 5 of de helft van het aantal arbeidsuren per kalenderweek, zoals bepaald in artikel 16, eerste lid, WW. Is het verloren gegane aantal arbeidsuren per kalenderweek kleiner, dan kan er ook daar waar het verlies zijn oorzaak vindt in onwerkbaar weer, geen WW-uitkering worden verstrekt en heeft dit tot gevolg, dat mede door het ontbreken van een loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever, de werknemer loon derft waar geen voorziening tegenover staat.

Onder het regime van de oWW werden door bedrijfsverenigingen in situaties als deze wèl uitkeringen verstrekt. Hierbij werd het standpunt gehuldigd, dat het in de jurisprudentie ontwikkelde en in artikel 16 WW opgenomen 5-urencriterium voor de vaststelling van werkloosheid, niet van toepassing was bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer, doch alleen gold voor ontslagwerkloosheid. Uit zijn advies van 18 augustus 1988 blijkt, dat de SVr instemt met de onder het regime van de oWW door bedrijfsverenigingen gevolgde gedragslijn. Ook hij is van mening dat het in de jurisprudentie op grond van de oWW gehanteerde 5-urencriterium alleen van toepassing was bij ontslagwerkloosheid en acht de hiervoor geschetste situatie waartoe het bepaalde in artikel 16 bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer leidt, dan ook ongewenst. Verder is hij van mening, dat het eigen -in vergelijking tot ontslagwerkloosheid afwijkende -karakter van werkloosheid bij onwerkbaar weer, een andere benadering van dit type van werkloosheid rechtvaardigt. Zo wordt gewezen op het feit, dat de dienstbetrekking onveranderd blijft voortbestaan, betaling van de uitkering vaak via de werkgever plaatsvindt en het arbeidsurenverlies variabel is en afhankelijk van onbeïnvloedbare factoren. Het bijzondere karakter van deze vorm van werkloosheid is, volgens de Raad, al erkend door de bepaling in de wet, dat voor een werknemer die

werkloos is tengevolge van onwerkbaar weer geen referte-eis geldt voor het recht op uitkering. Geadviseerd wordt, artikel 18 WW zodanig te wijzigen, dat de Raad de bevoegdheid krijgt onder door hem te stellen voorwaarden voor bepaalde categorieën werknemers vrijstelling te verlenen van de 5-ureneis bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer.

Naar mijn mening is de strekking van uitkeringsregelingen inzake werkloosheid altijd zodanig geweest, dat er sprake moet zijn van werkloosheid van reële omvang om recht op uitkering te kunnen hebben. Het risico van inkomensverlies wegens een gering verlies van arbeidsuren dient óf voor rekening van de werkgever te komen óf door de betrokkene zelf te worden gedragen. Dit is ook in de wetgeving tot uiting gekomen. In het algemeen is de werkgever op grond van artikel 1638d van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht tot doorbetaling van het loon indien sprake is van een de werkgever betreffende toevallige verhindering, waartoe onwerkbaar weer wordt gerekend. Het gegeven, dat van deze in het BW neergelegde verplichting bij schriftelijke arbeidsovereenkomst en bij CAO kan worden afgeweken, doet hieraan niet af. Hierdoor worden immers partijen juist verplicht nader te regelen wie van hen het risico draagt.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft destijds al van zijn opvatting in deze blijk gegeven in antwoord op een brief van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, waarin verzocht werd een wetswijziging te bewerkstelligen die er in zou moeten voorzien, dat bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer de 5-ureneis niet zou gelden. Dit verzoek is door hem bij schrijven van 29 juli 1987 afgewezen, met de motivering, dat naar zijn oordeel de 5-ureneis geldt voor alle vormen van werkloosheid. Bovenvermeld unaniem advies van de SVr is evenwel aanleiding geweest een en ander nader te overwegen. Hierbij heb ik in eerste instantie overwogen, om het verstrekken van uitkeringen bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer in zijn geheel, dus ook als wèl aan de 5 ureneis wordt voldaan, aan nadere door de Raad te stellen voorwaarden te binden. Indien aan deze voorwaarden niet kan worden voldaan, zijn er werknemers voor wie in het geheel geen voorziening is voor het verlies van inkomsten bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer. Omdat dit niet wenselijk werd geacht, is voorts overwogen het ontbreken van het recht op uitkering te beperken tot slechts twee dagen, derhalve twee wachtdagen in te voeren.

Voor dit voorstel, waarmee deze vorm van werkloosheid in een apart kader wordt geplaatst, meende de Staatssecretaris steun te vinden in het advies van de SVr waarin op kenmerkende verschillen tussen deze vorm van werkloosheid en ontslagwerkloosheid werd gewezen. De Staatssecretaris heeft de Raad over zijn voornemen geïnformeerd waarin de Raad aanleiding heeft gezien een nader, op 18 mei 1989 vastgesteld, advies uit te brengen. Hierin constateert de Raad, dat naar zijn oordeel dit voorstel een te ingrijpende oplossing is voor de geconstateerde problemen. De praktische bezwaren die tegen dit voorstel pleiten staan eraan in de weg om hiermee op korte termijn tot een oplossing te komen voor de huidige problemen. Om die reden zie ik thans hiervan af en stel ik conform de strekking van het SVr-advies van 18 augustus 1988 voor om ten aanzien van bepaalde categorieën van werknemers de 5-ureneis buiten toepassing te verklaren. De bevoegdheid hiertoe wordt evenwel in afwijking van het SVr-advies en mede in verband met de voorgestelde

wijziging van de financieringswijze van uitkeringen bij onwerkbaar weer verleend aan de bedrijfsverenigingen, onder goedkeuring van de SVr. De hierbedoelde wijziging van de financieringswijze, waarop in onderstaande paragraaf nader zal worden ingegaan, voorziet erin dat uitkeringen bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer ten laste worden gebracht van de wachtgeldfondsen. Door de bevoegdheid tot vrijstelling van de 5 ureneis aan de bedrijfsvereniging te verlenen, wordt de verantwoordelijkheid daar gelegd waar zij mijns inziens hoort, te weten bij de desbetreffende bedrijfstak. De bedrijfsverenigingen zullen bij het gebruik maken van deze bevoegdheid zich er rekenschap van moeten geven, dat de vrijstelling van de 5 ureneis tot een zwaardere belasting van het wachtgeldfonds leidt en ieder voor zich moet bepalen of en in hoeverre dit wenselijk en verantwoord is. Ik acht de bedrijfsverenigingen zeer wel in staat deze afweging op een verantwoorde manier te maken, gezien ook de directe betrokkenheid bij de bedrijfstak en de kennis waarover zij in dit kader beschikken. Met deze regeling wordt de 5-ureneis in beginsel ook bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer gehandhaafd en kan alleen door middel van een daartoe strekkend en door de SVr goedgekeurd besluit van de bedrijfsvereniging hiervan worden afgeweken. Gezien de toezichthoudende taak van de SVr acht ik het juist dat een dergelijk besluit van een bedrijfsvereniging aan de goedkeuring van dit orgaan, dat een en ander ook in breder verband kan beoordelen, wordt onderworpen.

Wijziging van de financiering van uitkeringen bij onwerkbaar weer De WW kent een financiering, die ten dele geschiedt uit wachtgeldfondsen, waarvoor de premie bedrijfstaksgewijs wordt vastgesteld en ten dele geschiedt uit het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), waarvoor de premie voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk is. In geval van werkloosheid komt de uitkering van een werknemer, die langer dan 6 maanden in dezelfde bedrijfstak werkzaam is geweest, gedurende de eerste 8 weken ten laste van het wachtgeldfonds. Bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer kan de betrokkene in de huidige situatie mogelijk recht hebben op een uitkering ten laste van het wachtgeldfonds of op een uitkering ten laste van het AWf. De categorie werkloze werknemers die recht heeft op uitkering ten laste van het wachtgeldfonds wordt geacht tot de arbeidsreserve van een bepaalde bedrijfstak te behoren, om welke reden indertijd is bepaald, dat het risico van werkloosheid voor deze groep, wanneer het kortdurende werkloosheid betreft, door de bedrijfstak wordt gedragen. Bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer en met name bij vorstwerkloosheid gaat het ook om een specifiek gebeuren in bepaalde bedrijfstakken. Het gaat bovendien in principe om kortdurende werkloosheid. In veel gevallen echter zal het argument, dat het om personen gaat, die tot de arbeidsreserve van een bedrijfstak behoren niet opgaan. In de bouw met name is de WW-uitkering het vangnet voor hen die pas kort in de bedrijfstak werkzaam zijn.

In de loop van de jaren is het verschil tussen de aanvankelijk bedoelde afzonderlijke wachtgeld-en werkloosheidsverzekering vervaagd. Vroeger kwam dat verschil ook tot uitdrukking doordat het Rijk de helft van de premie die ten gunste komt van het AWf voor zijn rekening nam. Bovendien besloeg vóór de stelselherziening sociale zekerheid de door het Rijk gefinancierde WWV een groot deel van het uitkeringsbestand. De vraag is dan ook of het nog langer wenselijk is, dat de solidariteit zo ver dient te gaan dat de rest van het bedrijfsleven, die of niets te maken heeft met risico's verbonden aan onwerkbaar weer of artikel 1638d BW

niet heeft uitgesloten, nog langer mee moet betalen aan uitkeringen terzake. Het argument van het bedrijfstakeigene -wat met zich brengt dat het redelijk is dat de bedrijfstak zelf de lasten zal dienen te betalen -en het feit dat het veelal korte perioden zal betreffen, heeft mij tot de opvatting gebracht, dat het beter is de totale lasten van werkloosheid wegens onwerkbaar weer ten laste te doen komen van de desbetreffende wachtgeldfondsen. Naast deze principiële overwegingen mag het praktische argument niet onvermeld blijven. Zoals in het vorenstaande al is aangegeven moet in de huidige situatie ten aanzien van iedere werknemer door of voor wie WW-uitkering wegens onwerkbaar weer wordt aangevraagd, worden nagegaan of de uitkering ten laste van het wachtgeldfonds of ten laste van het AWf komt. Deze administratieve rompslomp komt te vervallen als al deze uitkeringen ten laste van het wachtgeldfonds komen.

  • Overige voorstellen tot wijziging

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om naast de in de hoofdstukken 5 en 6 voorgesteide wijzigingen een aantal andere wijzigingen in de WW tot stand te brengen, die ook verband houden met het werkloosheidsbegrip als zodanig. Bedoelde onderwerpen zijn hieronder aangegeven.

Verruiming van de referteperiode In de praktijk is gebleken, dat de vaststelling van de periode die in aanmerking moet worden genomen om te kunnen voldoen aan de gewerkte wekeneis in een aantal gevallen niet goed werkt. In de huidige situatie geldt als voorwaarde voor het recht op WW-uitkering dat in het jaar aan de werkloosheid voorafgaande in 26 weken moet zijn gewerkt. De referteperiode van een jaar kan worden verlengd met perioden, waarin niet is gewerkt wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid of (onder bepaalde voorwaarden), met perioden waarin niet verzekeringsplichtige arbeid is verricht. Deze regeling kan in een aantal beperkt voorkomende situaties leiden tot een onbevredigend resultaat. Als voorbeeld wordt genoemd de situatie, waarin na een periode van arbeidsongeschiktheid gedurende een periode van korter dan 26 weken wordt gewerkt en betrokkene na wederom arbeidsongeschikt te zijn geweest werkloos is. De wet biedt weliswaar de mogelijkheid om het refertejaar met perioden van arbeidsongeschiktheid te verlengen, maar alleen dan als deze arbeidsongeschiktheidsperioden binnen het oorspronkelijke refertejaar liggen. In casu kan betrokkene, die wellicht voordat hij de eerste keer arbeidsongeschikt werd, jaren lang heeft gewerkt, geen recht op WW-uitkering doen gelden omdat hij in de aldus verlengde referteperiode geen 26 weken heeft gewerkt. In dit wetsvoorstel wordt dan ook een wijziging van de desbetreffende bepaling (artikel 17) voorgesteld, die hieraan tegemoet komt.

Uitsluitingsgrond bij ziekte

In de WW is een bepaling opgenomen (Artikel 19, eerste lid, onderdeel a), die de werknemer, die een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt, ontvangt, uitsluit van het recht op WW-uitkering. Deze uitsluiting geldt echter pas als de ZW -of hiermee vergelijkbare -uitkering ononderbroken 3 maanden heeft geduurd. Tijdens de periode waarin sprake is van samenloop van een WW-uitkering met een ziekengelduitkering, wordt op grond van het

bepaalde in artikel 34 van de WW laatstgenoemde uitkering op de WW-uitkering in mindering gebracht. Na de periode van drie maanden wordt de werknemer uitgesloten van het recht op WW-uitkering. Bij herstel herleeft het recht op WW-uitkering en heeft betrokkene recht op uitkering voor de op het moment van beëindiging wegens ziekte resterende uitkeringsduur.

In het in hoofdstuk 4 van deze memorie genoemde onderzoeksrapport wordt aan deze bepaling aandacht geschonken. Hierin wordt onder meer opgemerkt, dat de eis van ononderbrokenheid die aan de periode van drie maanden ziekte wordt gesteld, in geval van een periodiek wijzigen van de gezondheidstoestand die leidt tot regelmatige uitval wegens ziekte tot gevolg kan hebben, dat het recht op WW-uitkering materieel gezien grotendeels teniet gaat. De uitkeringstermijn van de WW loopt immers gedurende die korte ziekteperiode gewoon door waarbij het ziekengeld op de WW-uitkering in mindering wordt gebracht. In het kader van de sociale verzekeringswetgeving zou het, naar het oordeel van de onderzoekers, systematischer en logischer zijn geweest indien op dit punt in de WW aansluiting was gezocht bij de onderbrekingsregeling van artikel 29, vijfde lid, van de ZW. Op grond van die bepaling worden voor de vaststelling van de maximum uitkeringstermijn van de ZW, perioden waarover ziekengeld wordt uitgekeerd samengeteld als zij elkaar met tussenpozen van minder dan een maand opvolgen.

Ik acht deze in het onderzoeksrapport gedane suggestie waardevol en heb dan ook besloten in dit wetsvoorstel een soortgelijke bepaling op te nemen. Ook door anderen is inmiddels aandacht voor deze kwestie gevraagd. Ik verwijs in dit verband naar de kamervragen, gesteld door het lid van de Tweede Kamer, mevrouw Ter Veld. In het op die vragen gegeven antwoord (bijlagen bij de Handelingen 1988/89, 524), is al aangekondigd dat een voorstel zou worden voorbereid om de WW op dit punt te wijzigen. Het voorgestelde nieuwe tweede lid van artikel 19 strekt daartoe.

Eindiging uitkering bij arbeidsduurverkorting in de nieuwe dienstbetrekking Gebleken is, dat de berekening van de werkloosheidsomvang na werkhervatting tot ongewenste uitkomsten leidt, wanneer de werknemer in de nieuwe dienstbetrekking aanspraak kan maken op arbeidsduurverkorting. In artikel 20 van de WW is bepaald, dat het uitkeringsrecht wordt beëindigd met het aantal uren van werkhervatting. Door de formulering van artikel 20 kan slechts rekening worden gehouden met het aantal werkelijke arbeidsuren per week in de nieuwe dienstbetrekking, terwijl het gemiddeld aantal arbeidsuren bij arbeidsduurverkorting lager is. In verband hiermee heeft de SVr in een spontaan advies dd.15 juni 1989, voorgesteld in artikel 20 van de WW een bepaling op te nemen, die de Raad de bevoegdheid geeft regels te stellen op grond waarvan, evenals bij het intreden van de werkloosheid, bij gehele of gedeeltelijke eindiging hiervan, uren waarin de werknemer arbeid gaat verrichten buiten beschouwing te laten en uren, waarin de werknemer geen arbeid of werkzaamheden gaat verrichten gelijk te stellen met uren, waarin de werknemer arbeid gaat verrichten.

De SVr heeft op grond van artikel 16,vierde lid, van de WW de bevoegdheid voor de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren vóór het intreden van de werkloosheid regels te stellen, waarbij niet

gewerkte uren kunnen worden gelijk gesteld met gewerkte uren en gewerkte uren buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Op grond van deze bevoegdheid zijn door de SVr bij besluit van 18 december 1986 (Stcrt. 1986, 248) regels gesteld, waarbij onder meer een regeling is getroffen inzake het al dan niet meetellen van uren bij arbeidsduurverkorting. Deze regels kunnen echter alleen worden toegepast bij aanvang van de werkloosheid om het arbeidsurenverlies in omvang te kunnen bepalen. Om tot een goede uitkomst te komen bij werkhervatting in een nieuwe dienstbetrekking is het nodig, dat voor de vaststelling van het aantal uren waarover het werk wordt hervat ook rekening wordt gehouden met de in de nieuwe dienstbetrekking geldende arbeidsduurverkorting. Verder is het denkbaar dat ook in andere gevallen -bijvoorbeeld werkhervatting in een dienstbetrekking waar in ploegendiensten wordt gewerkt -de algemene regel van artikel 20 tot ongewenste uitkomsten leidt. Omdat deze consequenties op het uitvoeringstechnische vlak liggen en het hier, evenmin als dat het geval is bij de bevoegdheidstoedeling ex artikel 16, vierde lid WW, niet gaat om aanscherping of uitwerking van de werkloosheidsregel zelf, ligt het voor de hand de SVr, die terzake deskundig is en een beter zicht heeft op de situaties die zich in de praktijk kunnen voordoen, de bevoegdheid te geven hieromtrent regels te stellen. Ik stel dan ook voor om artikel 20 overeenkomstig het geadviseerde te wijzigen.

Verruiming sanctietoepassing

Indien een werknemer die recht heeft op WW-uitkering niet voldoet aan hem bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken. Bovendien kan de bedrijfsvereniging bij het intreden van de werkloosheid de uitkering tijdelijk geheel weigeren indien de werknemer niet voidoet aan een aantal verplichtingen, waaraan hij reeds bij de aanvang van zijn werkloosheid moet voldoen om zijn recht op uitkering geldend te kunnen maken. Hier zijn bijvoorbeeld genoemd de verplichting tot het doen van een aanvraag binnen een bepaalde termijn, de inschrijving bij het arbeidsbureau en de verplichting tot het verstrekken van alle voor het recht op uitkering van belang zijnde inlichtingen. Indertijd is bewust gekozen voor het niet invoeren van een sanctie, die een tijdelijke gehele weigering zou inhouden tijdens de duur van de uitkering, om te voorkomen, dat betrokkene terzake van dezelfde werkloosheid in korte tijd met twee uitkeringsinstanties te maken zou krijgen. Immers, indien een WW-uitkering tussentijds, bijvoorbeeld over een periode van een maand, geheel zou worden geweigerd zou een uitkeringsgerechtigde zich in veel gevallen voor die tussenliggende periode tot de gemeente moeten wenden voor een bijstandsuitkering. Aangezien problemen als deze zich niet voordoen bij de aanvang van de uitkering, is de bevoegdheid tot een tijdelijke gehele weigering beperkt tot het niet nakomen van verplichtingen die de wet bij het intreden van de werkloosheid aan de werknemer stelt.

Hiertoe behoort mijns inziens ook, de verplichting van de werknemer om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. De huidige bepalingen staan evenwel niet toe, dat wegens verwijtbare werkloosheid de uitkering vanaf de aanvang tijdelijk geheel wordt geweigerd. Ook van

de kant van de bedrijfsverenigingen wordt dit als een manco beschouwd, temeer nu het niet nakomen van deze verplichting een van de belangrijkste redenen is voor sanctietoepassing. In dit wetsvoorstel wordt hieraan tegemoet gekomen, door de tijdelijke gehele weigering van de uitkering bij aanvang van de werkloosheid, ook van toepassing te verklaren als de werkloosheid het gevolg is van verwijtbaar gedrag.

  • Financiële gevolgen

De verschillende onderdelen van dit wetsvoorstel hebben ieder voor zich slechts uiterst beperkte of in het geheel geen fmanciele consequenties. De invoering van bepalingen inzake maximering van het aantal arbeidsuren zal leiden tot enige besparing op de uitkeringen. Voorkomen wordt dat onder omstandigheden een te hoge uitkering wordt verstrekt.

Het vervallen van de kalenderweek als maatstaf leidt tot enige verlaging van de administratiekosten. De maatregel om uitkeringsrechten samen te voegen in situaties dat binnen 14 dagen na de eerste dag van werkloosheid opnieuw een uitkeringsrecht ontstaat, zal in enkele gevallen kunnen leiden tot een minimale stijging van de uitkeringskosten omdat de betrokkene voor een gedeeltelijk recht een week later de maximale uitkeringsduur kan bereiken dan wanneer de rechten niet waren samengevoegd. Door de administratieve vereenvoudiging zullen daarentegen de administratiekosten lager uitvallen.

Met betrekking tot de werkloosheid bij onwerkbaar weer zij opgemerkt, dat de totale lastendruk jaarlijks met ten hoogste 1 mln zal toenemen, omdat nu -onder voorwaarden -ook uitkeringen ter zake van arbeidsurenverlies van minder dan 5 uur per week kunnen worden verstrekt. Door de voorgestelde wijziging in de wijze van financiering van de uitkeringen inzake onwerkbaar weer zal een verschuiving plaatsvinden van gemiddeld 15 a 20 mln gulden van het AWf naar de desbetreffende wachtgeldfondsen. Doordat de gehele financiering vanuit de wachtgeldfondsen zal plaatsvinden zal ook hier een verlaging van de administratiekosten optreden, omdat de bedrijfsvereniging niet meer behoeft na te gaan of de uitkeringen ten laste van het AWf of ten laste van het wachtgeldfonds dienen te worden gebracht.

De nadere bepaling inzake de uitsluiting van het recht op WW-uitkering ingeval van ziekte zal in vergelijking met de huidige situatie in een aantal gevallen mogelijk tot gevolg hebben, dat gedurende een langere tijd WW-uitkering verstrekt moet worden. De kosten hiervan zijn, gelet op de totale lasten van de WW, te verwaarlozen.

De verruiming van de sanctiemogelijkheden tenslotte zal leiden tot enige besparing op de uitkeringskosten.

Samenvattend kan worden gesteld dat het totale financiële effect van het pakket maatregelen gering is. Waarschijnlijk zal het bedrag aan uitkeringskosten per saldo enigszins kunnen dalen, terwijl tevens een vermindering van de administratiekosten wordt voorzien met 0,1%.

  • Dereguleringsaspecten

De in het voorstel opgenomen elementen zijn opgenomen om de uitvoering van de WW te vereenvoudigen of leiden zelf tot een zekere vereenvoudiging.

Uit dereguleringsoogpunt behoeft daartegen dan ook geen enkel bezwaar te bestaan.

  • Gevolgen voor de positie van vrouwen

Het wetsvoorstel bevat geen bepalingen, die de situatie van vrouwen specifiek voordelig of nadelig zullen beïnvloeden.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I (W.W.)

Onderdeel A (Artikel 16)

De in dit onderdeel opgenomen wijzigingen van artikel 16 bevatten de vervanging van het begrip kalenderweek door week alsmede het creëren van de bevoegdheid voor de SVr om in bepaalde gevallen het aantal in aanmerking te nemen arbeidsuren per week te maximeren. Beide onderwerpen zijn in hoofdstuk 5 besproken. Over het onderdeel «kalenderweek» is mijns inziens geen nadere toelichting vereist. Alleen kan nog worden vermeld, dat door het vervallen van het begrip kalenderweek de basis is ontvallen om een dag aan te wijzen, die als eerste dag van de kalenderweek dient te worden aangemerkt. In verband daarmee kan het zesde lid, dat de maandag als eerste dag van de kalenderweek aanwees, komen te vervallen. Met betrekking tot de maximeringsbepaling wil ik, in aansluiting op hetgeen in het algemeen deel is opgemerkt, er nog op wijzen, dat het maximum alleen kan worden toegepast, indien het dienstbetrekkingen betreft, waarin in de regel langer dan de algemeen gebruikelijke arbeidstijd wordt gewerkt en in de dienstbetrekking, waaruit de betrokkene werkloos is geworden in de 26 weken aan het urenverlies voorafgaande een excessief aantal uren is gewerkt. Om aan te geven, wanneer sprake is van een langere arbeidstijd dan algemeen gebruikelijk en van een excessief aantal gewerkte uren is in de bepaling gekozen voor respectievelijk in de regel meer dan 50 uur en gemiddeld meer dan 50 uur per week. Deze bevoegdheid mag er niet toe leiden, dat regels worden gesteld op grond waarvan een lager aantal uren in aanmerking wordt genomen indien de betrokkene meer dan één dienstbetrekking had of naast in dienstbetrekking als zelfstandige werkzaam was en in die dienstbetrekking of die dienstbetrekkingen tijdens een normaal aantal uren werkzaam was.

In verband met het feit, dat de bepalingen van procedurele aard in de WW in een apart hoofdstuk zijn ondergebracht, is de bepaling dat voor het stellen van de maximeringsregels de ministeriële goedkeuring is vereist, opgenomen in het eerste lid van artikel 116.

Onderdeel B (artikel 17)

In artikel 17 van de WW is geregeld hoelang een werkloze werknemer feitelijk moet hebben gewerkt om voor een uitkering op grond van die wet in aanmerking te kunnen komen. De in dit artikel gestelde voorwaarden zijn opgenomen om te bereiken, dat enige tijd aan het arbeidsproces moet zijn deelgenomen om recht op werkloosheidsuitkering te kunnen krijgen.

Op grond van de huidige bepalingen kan het voorkomen, dat een werknemer, die lange tijd aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, na perioden van arbeidsongeschiktheid die worden onderbroken met een of

meer perioden van werken, op grond van het huidige artikel 17 WW geen recht op uitkering heeft. Het onderstaande schema moge dit illustreren:

tijdstip: 30 jaar gewerkt 7 maanden ziek ZW uitkering verlenging referent ziekteper 5 maanden gewerkt ejaar wegens

1 jaar ziek ZW uitkering

  • totale referteDeriode -

niet arbeids ongeschikt in de zin van de WAO Indien betrokkene op tijdstip D door zijn werkgever wordt ontslagen heeft hij geen recht op WW-uitkering omdat hij in de referteperiode slechts 5 maanden heeft gewerkt. Ook als de betrokkene na tijdstip D wel recht zou hebben gehad op een (gedeeltelijke) WAO-uitkering, dan zou hij noch direct noch na revalidatie in aanmerking komen voor een (aanvullende) WW-uitkering.

Situaties als deze zijn niet in overeenstemming met de bedoeling van de referte-eis van de WW. Artikel 17 wordt dan ook gewijzigd in die zin, dat de nu geldende periode van 12 maanden wordt gewijzigd in 52 weken en dat voor de vaststelling van die periode van 52 weken tijdvakken van ziekte en arbeidsongeschiktheid of bepaalde perioden waarin niet verzekeringsplichtige werkzaamheden zijn verricht niet meetellen. Het verschil met de huidige regeling is dan, dat te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid net zo lang mag worden teruggeteld tot een aantal van 52 weken is bereikt. In het gegeven voorbeeld zal, als de wet overeenkomstig dit voorstel zal zijn gewijzigd, de totale referteperiode zich uitstrekken van 7 maanden voor tijdstip A tot aan tijdstip D. Het principe van artikel 17 wordt door deze wijziging niet aangetast, omdat er, zij het in een verder verleden toch altijd een bepaalde periode moet zijn gewerkt.

Onderdeel C (Artikel 17a)

De administratieve problemen waarmee de uitvoeringsorganen worden geconfronteerd doordat op grond van de WW ten aanzien van één persoon meerdere uitkeringsrechten naast elkaar kunnen bestaan, worden beperkt door het voorstel om in situaties waar binnen 14 dagen na het ontstaan van het eerste recht een tweede recht ontstaat, beide rechten samen te voegen.

Zoals uit de tekst van het eerste lid van dit artikel blijkt, kan de samenvoeging van rechten alleen plaatsvinden als voor het deel waarvoor werkloosheid ontstaat de dienstbetrekking niet intact blijft. De regeling kan dus geen toepassing vinden bij shorttime of werkloosheid wegens onwerkbaar weer. De werking van het tweede lid zorgt ervoor, dat samenvoeging van rechten slechts eenmaal kan plaatsvinden. Door de werking van het derde lid wordt voorkomen, dat de betrokkene wiens rechten zijn samengevoegd, voor wat betreft de duur van zijn uitkering in een nadeliger positie wordt geplaatst dan wanneer deze samenvoeging niet had plaatsgevonden. Dit wordt bereikt, door de dag waarop het tweede deel van het samengevoegde recht ingaat voor de duur van de uitkering als eerste dag van werkloosheid te beschouwen.

Onderdeel D (Artikel 18)

Artikel 18 van de WW bevat de bepaling inzake het recht op uitkering bij onwerkbaar weer. In het algemeen deel van deze memorie is uiteengezet, dat het hier een specifieke regeling voor een bijzondere vorm van werkloosheid betreft. In de huidige regeling geldt voor deze vorm van werkloosheid een tweetal voorwaarden niet, te weten de referte-eis en de beperking van de duur van de uitkering. De eis, dat er sprake moet zijn van een verlies van 5 arbeidsuren per (kalender)week geldt echter wel. Overeenkomstig het advies van de SVr is voorgesteld om onder bepaalde voorwaarden deze 5-ureneis te laten vervallen.

De voorwaarden waaronder deze eis kan vervallen zijn opgenomen in het nieuwe tweede lid van artikel 18. Daarin is bepaald, dat de bedrijfsvereniging bevoegd is regels te stellen op grond waarvan voor groepen van bij haar verzekerde werknemers de 5-ureneis niet geldt. In het algemeen deel van deze memorie is reeds uiteengezet om weike reden hier, in afwijking van het SVr-advies, ervoor is gekozen deze bevoegdheid in plaats van bij de SVr in handen van de desbetreffende bedrijfsvereniging te leggen, zij het dat de SVr het ter zake getroffen besluit van de bedrijfsvereniging dient goed te keuren.

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat in het derde en het vierde lid de hierboven reeds vermelde -al in de huidige regeling voorkomende -vrijstelling van de referte-eis en de duurvoorwaarden zijn opgenomen.

Onderdeel E (Artikel 19)

Artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bevat een uitsluitingsgrond van het recht op uitkering in geval van ziekte. Deze uitsluiting van het recht geldt pas vanaf de dag gelegen drie maanden na het tijdstip waarop de betrokkene vanaf of na het intreden van de werkloosheid onafgebroken een uitkering op grond van de ZW of een daarmee overeenkomende uitkering heeft ontvangen. De eis van ononderbrokenheid die aan de periode van drie maanden wordt gesteld kan tot onbillijke uitkomsten leiden als er sprake is van een zich periodiek wijzigende gezondheidstoestand die leidt tot regelmatige uitval wegens ziekte.

Om hieraan tegemoet te komen is in het nieuwe tweede lid van artikel 19 bepaald, dat in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de werknemer geen recht op WW-uitkering heeft met ingang van de dag waarop vanaf of na het intreden van zijn werkloosheid door samentelling van elkaar opvolgende ziekteperioden de duur van zijn ziekengelduitkering de drie maanden overschrijdt. Perioden waarover ziekengeld wordt ontvangen komen voor samentelling in aanmerking indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen Met deze samentellingsbepaling wordt aangesloten bij de systematiek van de Ziektewet, waar voor de vaststelling van de periode van 52 weken waarover een uitkering kan worden verstrekt, perioden waarover ziekengeld wordt uitgekeerd samengeteld worden, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen. De wijziging van het nieuwe derde lid houdt uitsluitend verband met de invoeging van deze nieuwe bepaling.

Onderdeel F (Artikel 20)

In het algemeen deel van deze memorie is al gewezen op de problernen, die zich met betrekking tot het vaststellen van de mate van werkloosheid kunnen voordoen ingeval van arbeidsduurverkorting. In verband hiermee is voorgesteld om in artikel 20 een bepaling op te nemen analoog aan artikel 16, vierde lid, die de SVr de bevoegdheid geeft om uren waarin de werknemer arbeid gaat verrichten, buiten beschouwing te laten en uren waarin de werknemer geen arbeid gaat verrichten gelijk te stellen met uren, waarin hij arbeid gaat verrïchten. Het nieuwe onderdeel a van het zesde lid strekt daartoe.

Onderdeel G (Artikel 27)

Artikel 27 van de WW geeft regels inzake het toepassen van sancties. Het artikel geeft de bedrijfsvereniging de mogelijkheid om ten aanzien van de werkloze werknemer die niet aan de hem in de wet opgelegde verplichtingen voldoet een administratieve sanctie te treffen. De sanctie kan inhouden dat de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd, blijvend of tijdelijk gedeeltelijk wordt geweigerd of de uitkeringsduur wordt beperkt. Bovendien kan de uitkering tijdelijk geheel worden geweigerd vanaf de aanvang van de werkloosheid ten aanzien van een aanta! met name genoemde verplichtingen, welke aan de orde komen bij het intreden van de werkloosheid.

In artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW is de verpiichting opgenomen, volgens welke de werknemer dient te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Het betreft hier duidelijk een situatie die ook bij het intreden van de werkloosheid aan de orde komt. Tot op heden biedt de wet echter geen mogelijkheid om wanneer bij aanvang sprake is van werkloosheid die de betrokkene kan worden verweten, de uitkering geheel tijdelijk te weigeren. De wijziging van artikei 27, tweede lid, voorziet hierin.

Onderdeel H (Artikel 34)

De wijziging van dit artikel houdt uitsluitend verband met de invoeging van een nieuw lid in artikel 19.

Onderdelen I en J (Artikelen 42 en 45)

In artikel 42 wordt voor het bepalen van het arbeidsverleden uitgegaan van de periode, gelegen tussen het intreden van de werkloosheid en de dag gelegen vijf jaar daarvoor. De term «intreden van de werkloosheid» kan echter aanleiding geven tot misverstand, omdat eerder in de wet en met name in artikel 16, vijfde lid, wordt gesproken van «de eerste dag van werkloosheid». Uit oogpunt van gelijke terminologie voor gelijke begrippen wordt thans voorgesteld om zowel in artikel 42 als in artikel 45 dezelfde bewoordingen als in artikel 16 te gebruiken.

Onderdeel K (Artikel 47)

Deze wijziging heeft slechts betrekking op de wijziging van het begrip kalenderweek in dat van week.

Onderdeel L (Artikel 90)

Zoals in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze memorie is vermeld, wordt voorgesteld de lasten van werkloosheid ten gevolge van

onwerkbaar weer in zijn geheel voor rekening te doen komen van de wachtgeldfondsen van de bedrijfsverenigingen. De in dit onderdeel onder 2° tot en met 5° voorgestelde wijziging van artikel 90 voorziet daarin. De onder 1° voorgestelde wijziging heeft betrekking op het vervallen van het begrip kalenderweek en de omstandigheid, dat bij samentelling van rechten als bedoeld in artikel 17a een langere wachtgeldperiode in aanmerking dient te worden genomen.

Onderdeel M (Artikel 116)

In het voorgestelde vierde lid van artikel 16 is bepaald, dat de SVr bevoegd is regels te stellen met betrekking tot het aantal arbeidsuren dat voor groepen van werknemers ten hoogste in aanmerking kan worden genomen. Het belang van een dergelijk besluit voor de werking van de wet is van zodanige betekenis, dat het onderwerpen hiervan aan ministeriële goedkeuring wenselijk is. De wijziging van artikel 116, eerste lid, strekt daartoe.

Onderdelen N en 0 (artikelen 119, 120 en 123)

In hoofdstuk 6 van het algemeen deel is reeds opgemerkt, dat het wenselijk is de door de bedrijfsverenigingen te stellen regels op grond waarvan bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer van de 5-ureneis kan worden afgeweken aan de goedkeuring van de SVr te onderwerpen. Het in dit onderdeel voorgestelde nieuwe tweede lid van artikel 119 strekt daartoe. De in onderdeel 0 voorgestelde wijzigingen van de artikelen 120 en 123 houden verband met de tussenvoeging van dit nieuwe lid.

Artikel II

Het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel houdende technische verbeteringen mede in verband met de stelselherziening bevat evenals dit voorstel een wijziging van artikel 19 van de WW. In verband hiermee is deze bepaling opgenomen.

Artikel III

In het wetsvoorstel inzake aanpassing van het financieringssysteem van de wachtgeldfondsen (kamerstukken 21347) dat momenteel in behandeling is bij de Eerste Kamer, wordt ook een wijziging van artikel 90 van de WW voorgesteld. Artikel III is opgenomen om de in het onderhavige voorstel opgenomen wijziging van artikel 90 aan te passen aan dat artikel, zoals dat zal gaan luiden als het eerstgenoemde wetsvoorstel kracht van wet heeft gekregen en in werking is getreden.

Artikel IV

Het is wenselijk dat de uitvoeringsorganen voldoende voorbereidingstijd krijgen om zich op deze wijzigingen te prepareren. Om die reden is besloten de datum van het inwerkingtreden van deze wet, te bepalen op de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.